2. Toelichting bestemmingsplan 'Buitengebied Hardenberg, Kanaalweg-Oost 96a Hoogenweg'
Tekst van het document
bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Kanaalw eg-Oost 96a Hoogenw eg | PAGINA 32
een combinatie daarvan. Of sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' hangt af van de concrete omstandigheden van het geval. Onder andere de aard en de omvang van de voorziene wijziging van de stedelijke ontwikkeling spelen daarbij een rol. Of de ontwikkeling per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kan hebben, is daarbij niet relevant. Gelet op de uitspraak van de Raad van State van 31 januari 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:348) lijken de volgende aspecten relevant voor de vraag of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject: de aard en omvang van de ontwikkeling; de vormgeving en opzet; de schaalgrootte; de ligging; de voorgenomen functie(wijziging), en; de vraag of sprake is van een bestaand of van een te realiseren bouwwerk. De ligging van het plangebied is beschreven in Hoofdstuk 1. De aard en omvang van de ontwikkeling in Hoofdstuk 2 en verder. Het gaat hierbij om de uitbreiding van de bestaande woonbestemming en realisatie van een nieuwe vrijstaande woning in het bebouwingslint van de omliggende woningen. De ontwikkeling sluit aan qua aard en schaal op de omgeving.
Als een project voorziet in een (gedeeltelijke) functiewijziging, maar de bebouwde oppervlakte hetzelfde blijft, lijkt gelet op de uitspraak van de Raad van State van 31 januari 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:348) geen sprake te zijn van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het Besluit m.e.r. Op basis van deze uitspraak lijken de volgende aspecten voor de vraag of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject relevant: (een uitbreiding) van de bebouwde oppervlakte, de opzet en de vormgeving van de ontwikkeling. Ten aanzien van de relevante aspecten kan tevens een verwijzing worden gemaakt naar de uitspraak van de Raad van State van 29 juli 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:1832). Er is sprake van een functiewijzing doordat de woonbestemming wordt uitgebreid. Volgens de uitspraak hierboven is er dan geen sprake van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het Besluit m.e.r., mits de bebouwde oppervlakte hetzelfde blijft. In onderhavig geval neemt de bebouwde oppervlakte echter wel toe door de bouw van de nieuwe woning en bijbehorende bebouwing. Gelet op de toename van de bebouwde oppervlakte, kan aansluiting worden gezocht bij de uitspraak van de Raad van State van 12 juni 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1879).
In deze uitspraak heeft de Raad van State geoordeeld dat de realisatie van twee woningen op voorheen (hobbymatige) agrarische gronden niet wordt aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingsproject. Aangezien voorliggend plan betrekking heeft op de toevoeging van slechts 1 woning op deels agrarisch gronden, kan gelet op de uitspraak van 12 juni 2019 worden geconcludeerd dat het plan niet voorziet in een nieuw stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in kolom 1 van categorie 11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. Daarbij is van belang dat het ruimtebeslag van de voorziene bebouwing beperkt is en dat de voorziene ontwikkeling gepaard gaat met een beperkte uitbreiding van de bebouwing op het perceel. Geacht wordt dat het ruimtebeslag van de nieuwe woning, door de sloop van de bestaande schuur die een oppervlak heeft van 70 m², per saldo aangemerkt kan worden als een beperkte uitbreiding van de reeds bestaande bebouwing op het perceel. Voorts wordt in de navolgende paragrafen aangetoond dat de ontwikkeling niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Al met al wordt geacht dat het plan geen negatieve effecten heeft op het milieu en dat er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het Besluit m.e.r.
Conclusie Gelet op het vorenstaande wordt geconcludeerd dat er vanuit het aspect 'Vormvrije m.e.r.-beoordeling' geen belemmeringen zijn voor de uitvoerbaarheid van onderhavig
bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Kanaalw eg-Oost 96a Hoogenw eg | PAGINA 33
bestemmingsplan. 4.2
Milieuzonering
Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar.
De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan/wijzigingsplan mogelijk is. Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten is mede afhankelijk van het omgevingstype. De richtafstanden van de richtafstandenlijst gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk/buitengebied' dan wel 'gemengd gebied'. In figuur 4.1 zijn de richtafstanden weergegeven.
Figuur 4.1: Richtafstanden VNG-uitgave Bedrijven en Milieuzonering Toets Gelet op het kanaal ten westen van het plangebied waarover veel vaarbewegingen plaatsvinden, diverse bedrijfsfuncties aan de overkant van het kanaal en enkele agrarische bedrijven aan de zuid- en oostzijde van het plangebied, wordt gesteld dat er sprake is van een gemengd gebied. Derhalve zijn de verlaagde richtafstanden van toepassing. Opgemerkt wordt dat voor het aspect 'gevaar' geen verlaging van de richtafstand is toegestaan. Zoals reeds hiervoor genoemd dient bij het realiseren van nieuwe bestemmingen gekeken te worden naar de omgeving waarin de nieuwe bestemmingen gerealiseerd worden. Hierbij
bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Kanaalw eg-Oost 96a Hoogenw eg | PAGINA 34
spelen twee vragen een rol: 1. past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); 2. laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking). Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast. De functie wonen betreft geen milieubelastende functie, waardoor geen sprake zal zijn van een aantasting van het woon- en leefklimaat van omliggende functies. Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of nieuwe functies binnen het plangebied hinder ondervinden van bestaande functies in de omgeving, en omgekeerd of bestaande functies in de omgeving door de ontwikkeling worden belemmerd in de bedrijfsvoering en/of ontwikkelingsmogelijkheden. Hierbij wordt de theoretische maximale planologische invulling als uitgangspunt genomen. Aan de overzijde van het kanaal ten westen gelegen van het plangebied bevindt zich een industriefunctie. Hier kunnen zich bedrijven vestigen die behoren tot maximaal een milieucategorie van 3.1. Afhankelijk van het type bedrijf bedraagt de grootste richtafstand voor geur, geluid, gevaar of stof bij een milieucategorie van 3.1 maximaal 50 meter.
In een gemengd gebied kan deze afstand worden verlaagd naar 30 meter. Hieraan wordt voldaan, aangezien de onderlinge afstand met het plangebied circa 250 meter bedraagt. Aan de overzijde van het plangebied bevindt zich ook een bestaand betonfabriek. Dit bedrijf heeft een vergunning voor het produceren van 150 ton per uur aan betonmortel, 40.000 ton droge mortel en 142.000 ton per jaar aan klinkers en keien. Hierbij hoort volgens de VNG uitgave een milieucategorie 5.2 met een richtafstand van maximaal 700 meter voor het aspect geluid. Gelet op dat sprake is van een gemengd gebied kan de afstand van 700 meter worden verlaagd naar 500 meter. Ook aan de richtafstand van 500 meter kan niet worden voldaan. Derhalve is een geluidonderzoek noodzakelijk, om aan te tonen dat ter plaatse van de nieuwe woning sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Aangezien dit onderzoek in het kader van de Wet geluidhinder dient te worden uitgevoerd, wordt de resultaten van dit onderzoek behandeld in paragraaf 4.5. Naast de afstand voor het aspect geluid, heeft het betonfabriek een richtafstand van 200 meter voor het aspect stof in een rustige woonwijk/buitengebied. Omdat echter sprake is van een gemengd gebied, kan deze richtafstand worden verlaagd naar 100 meter.
De onderlinge afstand tussen de plek langs het kanaal waar de fabriek het meest zorgt voor stof en het plangebied bedraagt circa 140 meter. Aan de richtafstand van 100 meter voor het aspect stof wordt derhalve voldaan. Er is derhalve geen onderzoek noodzakelijk. Verder liggen er enkele detailhandel functies in de omgeving van het plangebied, waarvan de dichtstbijzijnde detailhandel functie op circa 300 meter afstand ligt aan de Hoogenweg 4 in Hoogenweg.Gelet op dat voor een detailhandel functie een grootste richtafstand geldt van 10 meter in een rustige woonwijk/buitengebied en deze afstand verlaagd kan worden naar 0 meter in een gemengd gebied, wordt op voorhand geconcludeerd dat de detailhandel functies buiten beschouwing gelaten kunnen worden. Conclusie Ter plaatse van de nieuwe woning is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, mits dit nader blijkt uit de resultaten van het geluidonderzoek dat behandeld wordt in paragraaf 4.5.
bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Kanaalw eg-Oost 96a Hoogenw eg | PAGINA 35
4.3
Geur
De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor vergunningverlening als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld, wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorieën is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden. Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden: ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen; ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen. Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat, binnen een concentratiegebied, de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan 3 odour units per kubieke meter lucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 14 odour units per kubieke meter lucht.
Toets Een woning is een geurgevoelig object in de zin van de Wet geurhinder en veehouderij. Derhalve zal rekening gehouden moeten worden met de bovengenoemde wettelijke afstanden of geurbelasting van 14 odour units per kubieke meter lucht. In de directe omgeving van het plangebied bevinden zich geen agrarische bedrijven. Het dichtstbijzijnde agrarisch bedrijf ligt aan de Eggenweg 1 en betreft een melkveehouderij. Op een afstand van ongeveer 910 meter ligt een agrarisch bedrijf met vleeskuikens. Voor een melkveehouderij zijn geen geuremissienormen vastgesteld. In dat geval kan worden uitgegaan van de wettelijke afstanden als hierboven bedoeld. Gelet op dat de onderlinge afstand tussen het betreffende agrarische bedrijf en het plangebied circa 260 meter bedraagt en de onderlinge afstand minimaal 50 meter, wordt geconcludeerd dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de woning. Voor wat betreft het agrarisch bedrijf met vleeskuikens op ongeveer 910 meter afstand van het plangebied, wordt gelet op de ruime afstand tussen dit bedrijf en het plangebied en de aanwezigheid van meerdere bestaande woningen op kortere afstand van het bedrijf gesteld dat ter plaatse van de woning sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Een geuronderzoek wordt derhalve niet nodig geacht.
Conclusie Gelet op het vorenstaande kan worden gesteld dat er vanuit het aspect 'Geur' geen belemmeringen zijn voor de uitvoerbaarheid van onderhavig bestemmingsplan. 4.4
Bodem
Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient in de daarvoor aangewezen gevallen een bodemonderzoek te worden verricht.
bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Kanaalw eg-Oost 96a Hoogenw eg | PAGINA 36
Artikel 3.1.6 van het Bro bepaalt dat in het bestemmingsplan rekening gehouden moet worden met de bodemkwaliteit ter plaatse. De reden hiervoor is dat een eventueel aanwezige bodemverontreiniging van groot belang kan zijn voor de keuze van bepaalde bestemmingen en/of de (financiële) uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. De bodemtoets moet worden uitgevoerd bij het opstellen of wijzigen van het bestemmingsplan of een planologische afwijking. Als er verontreiniging aanwezig is moet bepaald (nader onderzoek) worden of het een geval is in de zin de Wbb of een diffuse verontreiniging. In de exploitatieopzet moeten de saneringskosten en de verwerkingskosten voor diffuus verontreinigde grond worden opgenomen. Toets Ten behoeve van onderhavig bestemmingsplan is gebruik gemaakt van een verkennend bodemonderzoek [2022-472], uitgevoerd door Dumea Milieu, om ter plaatse de milieu-hygiënische kwaliteit van de bodem vast te stellen. Dit onderzoek is als Bijlage 2 opgenomen bij de toelichting van voorliggend bestemmingsplan. Hieronder worden de resultaten/conclusies besproken. Voor de concrete inhoud wordt kortheidshalve verwezen naar Bijlage 2. Bij het verkennende bodemonderzoek is de onderzoekslocatie beschouwd als onverdacht (NEN 5740). Er zijn grondmengmonsters aangebracht in het boven- en ondergrond, daarnaast een grondwatermonster in het grondwater.
Er zijn geen verhogingen aangetroffen. Op basis hiervan wordt een nader onderzoek niet noodzakelijk geacht. Het plangebied wordt vanuit milieu-hygiënisch oogpunt als geschikt geacht voor de functies wonen en tuin. Algemeen Als grond van de locatie vrijkomt, moet er rekening mee worden gehouden dat deze niet zonder meer elders toepasbaar is. Op hergebruik van grond is het “Besluit bodemkwaliteit” van toepassing. De toepassing van grond elders moet worden gemeld via het ‘meldpunt bodemkwaliteit’. Naast het “Besluit bodemkwaliteit” dient opgemerkt te worden dat in het kader van de “Tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAS houdende grond en baggerspecie” ook onderzoek naar PFAS noodzakelijk is. Conclusie Gelet op het vorenstaande kan worden gesteld dat er vanuit het aspect 'Bodem' geen belemmeringen zijn voor de uitvoerbaarheid van onderhavig bestemmingsplan. 4.5
Geluid
In het kader van de Wet geluidhinder (Wgh) moet er bij de voorbereiding van een bestemmingsplan, c.q. een ontheffing op grond van de Wro, een onderzoek worden gedaan naar de geluidsbelasting op de gevels van geluidsgevoelige objecten, voor zover deze geluidsgevoelige objecten zijn gelegen binnen een zonering van een industrieterrein, wegen en/of spoorwegen. De Wet geluidhinder kent de volgende geluidsgevoelige functies: Woningen. Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal). Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc. Enerzijds betekent dit dat (geluids-)eisen worden gesteld aan de nieuwe milieubelastende
bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Kanaalw eg-Oost 96a Hoogenw eg | PAGINA 37
functies, anderzijds betekent dit eveneens dat beperkingen worden opgelegd aan de nieuwe milieugevoelige functies. Toets Wegverkeerslawaai Op grond van het artikel 74 Wgh bevindt zich langs een weg een geluidszone, die aan weerszijde een breedte heeft van: a. in stedelijk gebied: voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken: 350 meter; voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken: 200 meter; b. in buitenstedelijk gebied: voor een weg, bestaande uit vijf of meer rijstroken: 600 meter; voor een weg, bestaande uit drie of vier rijstroken: 400 meter; voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken: 250 meter. Deze zonering geldt niet: c. voor wegen die zijn gelegen binnen een als woonerf aangeduid gebied; d. voor wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 kilometer per uur geldt; e. wegen waarvan op grond van een door de gemeenteraad vastgestelde geluidsniveau vaststaat dat de geluidsbelasting op 10 meter uit de as van de meest nabij gelegen rijstrook 48 dB (A) of minder bedraagt (art. 74, lid 3 Wgh). Het plangebied ligt aan de Kanaalweg-Oost in Hoogenweg. Dit betreft een weg buiten stedelijk gebied met een maximumsnelheid van 60 km/u. De weg bestaat voornamelijk uit klinkers en wordt gebruikt om de erven gelegen aan deze weg te bereiken. Op basis van de Wgh is er langs de Kanaalweg-Oost een geluidszone aanwezig, die aan weerszijde een breedte heeft van 250 meter.
Het plangebied valt geheel binnen deze geluidzone. Ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening is op 13 januari 2023 door Munsterhuis Geluidsadvies een akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai uitgevoerd. In het akoestische onderzoek zijn de geluidbelastingen bepaald ten gevolge van wegverkeerslawaai op de Kanaalweg-Oost, Kanaalweg-West, de Hoogenweg en de Hoogenweg en de Jan Heitkamplaan. Het onderzoek is als Bijlage 3 bij de toelichting van voorliggend bestemmingsplan opgenomen. Voor de concrete inhoud wordt kortheidshalve verwezen naar bijlage 2. Hieronder worden de belangrijkste resultaten/conclusies besproken. Uit het onderzoek blijkt dat de voorkeursgrenswaarde ten gevolge van de relevante wegen niet wordt overschreden ter plaatse van de gevels van de geplande woning. De maximale geluidbelasting bedraagt 48 dB, inclusief 5 dB aftrek. Ook blijkt dat de maximale waarde van 53 dB ten aanzien van het binnenniveau niet wordt overschreden ter plaatse van de toekomstige gevels. De hoogste geluidbelasting bedraagt 53 dB op de westgevels. Aangezien de maximale waarde niet wordt overschreden, zijn extra geluidwerende voorzieningen niet noodzakelijk. Railverkeerslawaai De dichtstbijzijnde spoorweg ligt op circa 1 km afstand van het plangebied. Vanwege de onderlinge afstand wordt geluidhinder als gevolg van treinverkeer niet aanwezig geacht.
Gesteld wordt dat een onderzoek naar railverkeerslawaai achterwege kan blijven. Industrielawaai Het plangebied ligt binnen de wettelijke 50dB(A)-geluidzone (voorkeursgrenswaarde) van het voor geluid gezoneerde industrieterrein Diamant-Beton in Hoogenweg. Aangetoond moet worden dat voldaan wordt aan de geluidnormen conform de Wgh. Tevens dient op grond van de Wro aangetoond te worden dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening.
bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Kanaalw eg-Oost 96a Hoogenw eg | PAGINA 38
De omgevingsdienst IJsselland heeft in opdracht van de gemeente Hardenberg een akoestisch onderzoek naar industrielawaai verricht. Dit onderzoek is als Bijlage 4 opgenomen bij de toelichting van het voorliggende bestemmingsplan. Hieronder worden de resultaten/conclusies besproken. Voor de concrete inhoud wordt kortheidshalve verwezen naar Bijlage 4. Uit het akoestische onderzoek blijkt dat de maximale geluidsbelasting vanwege bedrijfsactiviteiten op het industrieterrein Diamant (inclusief nog beschikbare geluidruimte op de geluidzone) 53 dB(A) bedraagt. Hiermee wordt niet voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A), zoals hierboven beschreven. De berekende waarde is echter wel lager dan de maximale ontheffingswaarde van 55 dB(A) voor industrielawaai. Vanwege het dynamische karakter van het bedrijventerrein kunnen de nu berekende gevelbelastingen afwijken van die van eerder afgegeven waarden of de toekomstige berekeningen. Derhalve wordt aanbevolen om voor onderhavig plan uit te gaan van de maximaal af te geven hogere grenswaarde, namelijk 55 dB(A). Aangezien bij een gevelbelasting tot maximaal 20 dB aan de karakteristieke geluidwering van de gevel (Bouwbesluit) voldaan kan worden aan het vereiste wettelijke binneniveau van 35 dB(A), zijn er geen extra geluidsvoorzieningen nodig. Een gevelweringsonderzoek kan derhalve achterwege blijven.
Conclusie Gelet op het vorenstaande vormt het aspect 'Geluid' geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig bestemmingsplan, mits een hogere grenswaarde van 55 dB(A) voor industrielawaai wordt toegekend. 4.6
Luchtkwaliteit
Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan onder meer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen). Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip 'niet in betekenende mate' is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10 en PM2,5). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging.
Enkele voorbeelden zijn: woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder
bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Kanaalw eg-Oost 96a Hoogenw eg | PAGINA 39
zijn dan 3% van de grenswaarden. Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig. Toets Voorliggend bestemmingsplan maakt de realisatie van 1 vrijstaande woning mogelijk. Gelet op de ontwikkeling in verhouding met de lijst met categorieën van gevallen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging, kan worden gesteld dat de realisatie van slechts 1 vrijstaande woning als NIBM aan te merken is. Voorts is een woning geen gevoelige bestemming in de zin van het Besluit gevoelige bestemmingen. Nader onderzoek naar luchtkwaliteit wordt derhalve niet noodzakelijk geacht. Conclusie Gelet op het vorenstaande vormt het aspect 'Luchtkwaliteit' geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig bestemmingsplan. 4.7
Externe veiligheid
Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het daarbij om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit; Voor vervoer gevaarlijke stoffen geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes en de Regeling Basisnet. Op transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen zijn het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) van toepassing. Naast de bovengenoemde wetgeving zijn tevens de volgende AMvB's, Ministeriële Regelingen en/of circulaires van toepassing op de externe veiligheid: Activiteitenbesluit milieubeheer.
In dit besluit zijn veiligheidsafstanden en risiconormen ten opzichte van (beperkt) kwetsbare objecten opgenomen. Veiligheidsafstanden zijn vastgesteld voor onder andere opslagtanks met propaan/propeen, aardgastankstations, en gasdrukmeet- en regelstations. Voor windturbines geldt het plaatsgebonden risico als risiconorm. Circulaire effectafstanden externe veiligheid LPG-tankstations. De circulaire is van toepassing bij een besluit ten aanzien van een LPG-tankstation onder werking van het Bevi, dat het mogelijk maakt dat er (meer) personen in de omgeving van een LPG-tankstation aanwezig kunnen zijn. De effecten van bepaalde ongevalsscenario's staan centraal.
bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Kanaalw eg-Oost 96a Hoogenw eg | PAGINA 40
Circulaire opslag ontplofbare stoffen voor civiel gebruik. In deze circulaire zijn veiligheidszones (A-, B- of C-zone) vastgesteld voor de opslag van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik. Binnen deze veiligheidszones worden de aanwezigheid van activiteiten en/ of objecten uitgesloten. Beleidsregels EV-beoordeling tracébesluiten. Deze beleidsregels geven een overzicht van de over de weg vervoerde gevaarlijke stoffen. Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. Plaatsgebonden risico (PR): Risico op een plaats buiten een inrichting, uitgedrukt als een kans per jaar dat een persoon onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Groepsrisico (GR): Cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen de inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. In het BEVI zijn de risiconormen wettelijk vastgelegd.
Deze normen zijn niet effectgericht maar gebaseerd op een kansberekening. Tevens geven de risiconormen alleen de kans weer om als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen te overlijden. Gezondheidsschade en de kans op verwonding of materiële schade zijn daarin niet meegenomen. Er is in het BEVI geen harde norm voor het groepsrisico vastgesteld. Voor het groepsrisico geldt geen norm maar slechts een oriënterende waarde. Er is sprake van een verantwoordingsplicht in geval van een toename van het groepsrisico. Risicokaart Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven.
Figuur 4.3: Uitsnede risicok aart (bron: risicokaart.nl) Toets
bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Kanaalw eg-Oost 96a Hoogenw eg | PAGINA 41
Volgens de Risicokaart opgenomen in figuur 4.3 blijkt dat er binnen de straal van circa 750 meter vanaf het plangebied geen risicobronnen zijn gelegen. De dichtstbijzijnde risicobron betreft het Saxenburgh Medisch Centrum aan de Jan Weitkamplaan 4a te Hardenberg, gelegen op circa 750 meter afstand vanaf het plangebied. Deze bron wordt als een overige bron gezien waar gevaarlijke stoffen worden opgeslagen. Het is niet bekend welke stoffen er worden opgeslagen. Gezien de functie een medisch centrum is, bestaat er een reële kans dat er een zuurstoftank aanwezig is. Geacht wordt dat het medische centrum binnen eigen terrein al voldoende maatregelen heeft moeten treffen om de veiligheid te borgen. Eventuele externe risico's ter plaatse van het plangebied worden derhalve niet aannemelijk geacht, mede doordat de onderlinge afstand relatief groot is. Een andere risicobron ligt binnen circa 800 meter afstand vanaf het plangebied. Dit betreft een buisleiding van de Gasunie. De buisleiding heeft een uitwendige diameter van 152 mm/5,98 inch en een maximale werkdruk van 95 bar/9500 kpa. Gezien de onderlinge afstand met het plangebied wordt een onderzoek om het plaatsgebonden risico te bepalen niet noodzakelijk geacht, aangezien deze vaak ter plaatse van de buisleiding is met een zone van 4 à 5 meter vanaf het hart van de buisleiding.
Wat het groepsrisico betreft, hoeft dit alleen berekend te worden als het plangebied binnen de 1%-letaliteitgrens van de buisleiding ligt. De 1%-letaliteitgrens betekent dat er bij een gevaarlijke situatie/ongeval 1% kans bestaat dat iemand komt te overlijden, als diegene zich binnen de 1%-letaliteitgrens bevindt. Voor het bepalen van deze grens kan gebruik worden gemaakt van de handboek 'buisleiding in bestemmingsplannen' (Antea Group i.o.v. IenM, 2016). Dit is een handreiking voor opstellers van bestemmingsplannen. In de handreiking is een tabel opgenomen, op basis waarvan de 1% letaliteitgrens kan worden afgeleid. Echter is in de tabel een maximale werkdruk opgenomen van 8000 kpa, terwijl de buisleiding in onderhavig geval een werkdruk heeft van 9500 kpa. De 1% letaliteitgrens bij een uitwendige diameter van 152 mm/5,98 inch en een maximale werkdruk van 8000 kpa bedraagt gemiddeld 80 meter. Gezien de onderlinge afstand tussen het plangebied en de buisleiding circa 800 meter bedraagt, kan worden gesteld dat een berekening van het groepsrisico niet noodzakelijk is.
Aangezien er op kortere afstand van het plangebied geen andere risico's aanwezig zijn op basis van de externe veiligheid, zoals: een risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen, danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen waarmee rekening gehouden dient te worden; brengt het een en ander met zich mee dat voorliggend plan in overeenstemming is met weten regelgeving met betrekking tot externe veiligheid. Conclusie Gelet op het vorenstaande vormt het aspect 'Externe veiligheid' geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig bestemmingsplan. 4.8
Water
Een belangrijk instrument om waterbelangen in ruimtelijke plannen te waarborgen is de watertoets, die sinds 1 november 2003 wettelijk is verankerd. Initiatiefnemers zijn verplicht in ruimtelijke plannen een beschrijving op te nemen van de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Het doel van de wettelijk verplichte watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater).
bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Kanaalw eg-Oost 96a Hoogenw eg | PAGINA 42
Waterbeleid De Europese Kaderrichtlijn Water is richtinggevend voor de bescherming van de oppervlaktewaterkwaliteit in de landen in de Europese Unie. Aan alle oppervlaktewateren in een stroomgebied worden kwaliteitsdoelen gesteld die in 2015 moeten worden bereikt. Ruimtelijk relevant rijksbeleid is verwoord in de NOVI en het Nationaal Water Programma 2022-2027 (inclusief de stroomgebiedbeheerplannen). Op provinciaal niveau zijn de Omgevingsvisie en de bijbehorende Omgevingsverordening richtinggevend voor ruimtelijke plannen. Het Waterschap Vechtstromen heeft de beleidskaders van rijk en provincie nader uitgewerkt in het Waterbeheerprogramma 2022-2027. Het staat de komende jaren voor grote uitdagingen en blijft werken aan voldoende water (niet te veel, niet te weinig), omgaan met klimaatverandering, voldoen aan de eisen voor waterkwaliteit, de biodiversiteit versterken en daarnaast wordt gewerkt aan duurzame energie en circulair grondstoffengebruik. In de Watervisie 2050 heeft het waterschap de opgaven beschreven. Daarin wordt geschetst hoe het watersysteem er in 2050 moet uitzien om goed toegerust te zijn voor alle uitdagingen. Het Waterbeheerprogramma 2022-2027 vloeit rechtstreeks voort uit de Watervisie. Het waterbeheerprogramma beschrijft hoe het waterschap de komende zes jaar werkt aan het realiseren van het gewenste waterbeheersysteem.
Hieronder wordt de Watervisie 2050 en het Waterbeheerprogramma 2022-2027 beschreven. Watervisie 2050 Het Waterschap Vechtstromen heeft op 14 april 2021 de Watervisie 2050 vastgesteld. In deze Watervisie staat de drie belangrijkste opgaven waaraan Vechtstromen volgens zeven hoofdlijnen wil werken met partners en inwoners. De drie belangrijkste opgaves zijn: de toenemende droogte en wateroverlast als gevolg van klimaatverandering; de waterkwaliteit die onder druk staat: de transitie naar een duurzame ontwikkeling. De Watervisie zal worden doorvertaald naar een Waterbeheerprogramma waarin wordt bepaald hoe het Waterschap in de periode 2022-2027 gaat werken aan haar opgaves. In het beheerprogramma zal het beleid en de maatregelen worden opgenomen. Waterbeheerprogramma 2022-2027 Het waterbeheerprogramma 2022-2027 is op 15 december 2021 vastgesteld door het algemeen bestuur van Vechtstromen. Het waterbeheerprogramma gaat in op alle aspecten van het watersysteembeheer (met uitzondering van het rioleringsbeheer en de drinkwaterzorg). Voor partners en ingezetenen verschaft het programma inzicht in de wijze waarop het waterschap omgaat met het water in het beheergebied. Het waterbeheerprogramma volgt inhoudelijk op de Watervisie 2050, die op 14 april 2021 door het algemeen bestuur is vastgesteld.
Het waterbeheerprogramma beschrijft welke maatregelen Vechtstromen wil nemen in de planperiode 2022-2027 om te werken aan de ambities uit de Watervisie. Het waterbeheerprogramma sluit aan bij plannen van andere partijen zoals het Nationale waterplan (Nationaal Water Programma 2022-2027), het Stroomgebiedsbeheerplan Rijndelta en de Omgevingsvisie van de provincies Overijssel en Drenthe. Belangrijk uitgangspunt van het Waterbeheerprogramma is de verandering van het klimaat.
bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Kanaalw eg-Oost 96a Hoogenw eg | PAGINA 43
De weersomstandigheden zijn steeds minder vaak gemiddeld. Dat merken we de laatste twee decennia steeds duidelijker. De winters worden natter en in de zomer zijn er langere hete en droge perioden en vallen de buien steeds meer lokaal. Deze zomerbuien hebben vaker een zeer hoge intensiteit, wat leidt tot hoge afvoerpieken en overstromingen. Het watersysteem is nog niet goed toegerust op die verandering. Het is nu nog vooral ingericht op basis van gemiddelden - de normale beheersituatie enerzijds en het voorkomen van wateroverlast anderzijds - en niet op langdurige droge periodes en incidentele hoosbuien. Dit betekent dat het watersysteem aangepast moet worden. Daarbij heeft het waterschap de ambitie om te komen tot een klimaatrobuust watersysteem in 2050: een systeem dat zowel in kwantitatief als kwalitatief opzicht tegen een stootje kan en goed is toegerust op veranderingen en grotere weersextremen. Overeenkomstig de Watervisie 2050 heeft het waterschap de volgende hoofdlijnen aangegeven waar de komende jaren aan gewerkt wordt: Als gevolg van de klimaatverandering wil het waterschap zorgen voor meer balans tussen 'droge voeten' en het beperken van wateroverlast. Dat betekent dat water het leidende principe is voor het inrichten van de leefomgeving in plaats van andersom: water volgend aan de inrichting. Er wordt meer aandacht gegeven aan het vasthouden van water in de bodem.
Regenwater wordt niet als afvalwater beschouwd, maar als bouwsteen in de ontwikkeling van een robuust watersysteem. Watersysteem In het waterbeheer van de 21e eeuw worden duurzame, veerkrachtigewatersystemen nagestreefd. Dit betekent concreet dat droge perioden worden doorstaan zonder droogteschade, vissterfte en stank, en dat in natte perioden geenoverlast optreedt door hoge grondwaterstanden of inundaties vanuit oppervlaktewateren. Problemen worden niet afgewenteld op andere gebieden of latere generaties. Het principe "eerst vasthouden, dan bergen, dan pas afvoeren" is hierbij leidend. Rijk, provincies en gemeenten hebben in het Nationaal Bestuursakkoord Water doelen vastgelegd voor het op orde brengen van het watersysteem. Afvalwaterketen Het zoveel mogelijk scheiden van vuil en schoon water is belangrijk voor het bereiken van een goede waterkwaliteit. Door te voorkomen dat grote hoeveelheden relatief schoon hemelwater door rioolstelsels worden afgevoerd, neemt het aantal overstorten van verontreinigd rioolwater op oppervlaktewater af en neemt de doelmatigheid van de rioolwaterzuivering toe. Hierdoor verbetert zowel de kwaliteit van oppervlaktewateren waarop overstorten plaatsvinden als de kwaliteit van het effluent ontvangende oppervlaktewater.
Indien het schone hemelwater door middel van infiltratie in het gebied wordt vastgehouden alvorens het wordt afgevoerd naar oppervlaktewater, draagt dit bovendien bij aan de duurzaamheid van het watersysteem. Vandaar dat het principe "eerst schoonhouden, dan scheiden, dan pas zuiveren" een belangrijk uitgangspunt is bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Als het hemelwater niet wordt aangekoppeld of wordt afgekoppeld van het bestaande rioolstelsel is oppervlakkige afvoer en infiltreren in de bodem uitgangspunt. Als infiltratie in de bodem niet mogelijk is, is lozing op het oppervlaktewater via een bodempassage gewenst. Wateraspecten plangebied Waterhuishouding Het plan loopt geen verhoogd risico op wateroverlast als gevolg van overstromingen. Het plan heeft geen schadelijke gevolgen voor de waterkwaliteit en ecologie. In het verleden is er in of rondom het plangebied geen wateroverlast of grondwateroverlast geconstateerd. De toename van het verharde oppervlak is minder dan 1500 m2. Het plangebied bevindt zich niet binnen een beschermingszone of herinrichtingszone langs een waterloop, primair watergebied, invloedszone zuiveringstechnisch werk of een retentiecompensatiegebied. Voorkeursbeleid hemelwaterafvoer In het plan wordt het afvalwater en het hemelwater
bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Kanaalw eg-Oost 96a Hoogenw eg | PAGINA 44
behandeld via (de gekozen optie wordt hieronder bevestigd met ja): Een gemengd stelsel/een gescheiden stelsel: Hemelwater wordt geïnfiltreerd. ja een gescheiden stelsel. Hemelwater wordt afgevoerd naar oppervlaktewater. Hemelwater wordt afgevoerd naar een hemelwaterriool van een verbeterd gescheiden stelsel. Aanleghoogte van de bebouwing Voor de aanleghoogte van de gebouwen (onderkant vloer begane grond) wordt een ontwateringsdiepte geadviseerd van minimaal 80 centimeter ten opzichte van de gemiddelde hoogste grondwaterstand(GHG). Bij een afwijkende maatvoering is de kans op structurele grondwateroverlast groot. Bij het bouwen zonder kruipruimte kan worden volstaan met een geringere ontwateringsdiepte. Kelders dienen waterdicht te zijn. Om wateroverlast en schade in woningen en bedrijven te voorkomen wordt geadviseerd om een drempelhoogte van 30 centimeter boven het straatpeil te hanteren. Ook voor lager, beneden het maaiveld, gelegen ruimtes (kelders, parkeergarages) moet aandacht worden besteed aan het voorkomen van wateroverlast. In het plan wordt er naar gestreefd het voorkeursbeleid van het waterschap op te volgen. Watertoetsproces Op 12-01-2023 is via www.dewatertoets.nl de digitale watertoets verricht, zie Bijlage 5. Door beantwoording van de vragen in de watertoets is naar voren gekomen dat de korte procedure kan worden toegepast.
De bestemming en de grootte van het plan hebben namelijk een geringe invloed op de waterhuishouding. Dit betekent dat er direct doorgegaan kan worden met de planvorming. Conclusie Gelet op het vorenstaande vormt het aspect 'Externe veiligheid' geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig bestemmingsplan. 4.9
Ecologie
Bij een ruimtelijk plan moeten de gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling met betrekking tot aanwezige natuurwaarden in beeld worden gebracht. Daarbij wordt ingegaan op de relatie van het plan met beschermde gebieden, beschermde soorten, en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De wettelijke kaders hiervoor worden gevormd door Europese richtlijnen (Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn), nationale regelgeving (Wet natuurbescherming) en provinciale regelgeving (NNN in provinciale verordening). Toets Ten behoeve van voorliggend bestemmingsplan is door Natuurbank Overijssel een quickscan flora & fauna uitgevoerd. De rapportage van dit onderzoek is als Bijlage 6 bij de toelichting van voorliggend bestemmingsplan opgenomen. Onderstaand worden de conclusies besproken. Kortheidshalve wordt voor de verdere concrete inhoud verwezen naar Bijlage 6. Het plangebied behoort niet tot het Natuurnetwerk Nederland of Natura 2000-gebied. Vanwege de ligging buiten het Natuurnetwerk Nederland, hoeft voorgenomen initiatief niet getoetst te worden aan provinciale beleidsregels ten aanzien van de bescherming van het NNN (geen externe werking).
Gelet op de aard en omvang van de voorgenomen activiteiten, de duur van de ontwikkelfase en de afstand tussen het plangebied en Natura 2000-gebeid, is het niet aannemelijk dat uitvoering van de voorgenomen activiteiten zal leiden tot een negatief effect op Natura 2000-gebied. Nader onderzoek, zoals het opstellen van een stikstofberekening, wordt niet noodzakelijk geacht. Overige negatieve effecten op Natura 2000-gebied kunnen ook worden uitgesloten.
bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Kanaalw eg-Oost 96a Hoogenw eg | PAGINA 45
De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Het plangebied wordt door beschermde diersoorten hoofdzakelijk benut als foerageergebied, maar mogelijk nestelen er vogels. Beschermde amfibie- en grondgebonden zoogdiersoorten benutten het plangebied uitsluitend als foerageergebied. Vleermuizen bezetten geen vaste rust- of verblijfplaats in het plangebied en benutten het ook niet als foerageergebied. Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten, is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet beschadigd of vernield worden. Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. Indien de kapschuur gesloopt wordt tijdens de voortplantingsperiode, wordt geadviseerd vooraf een broedvogelscan uit te voeren om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te kunnen sluiten. Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor de foeragerende diersoorten niet af.
Conclusie Gelet op het vorenstaande vormt het aspect 'Ecologie' geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig bestemmingsplan, mits rekening wordt gehouden met de uitvoering van een broedvogelscan als de kapschuur gesloopt wordt tijdens de voortplantingsperiode van vogels. 4.10
Archeologie en Cultuurhistorie
Nederland heeft in 1992 het verdrag van Malta ondertekend. Het verdrag van Malta heeft als doel het archeologisch erfgoed in de bodem beter te beschermen. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar een reële verwachting bestaat dat er archeologische waarden aanwezig zijn dient er een archeologisch onderzoek uit te worden gevoerd, voordat er bodemingrepen plaatsvinden. Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden ter vervanging van de Monumentenwet 1988. Een deel van de monumentenwet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze in werking treedt. Tot die tijd blijven deze onderdelen van de Monumentenwet 1988 gelden als overgangsrecht binnen de Erfgoedwet. Gemeenten hebben een archeologische zorgplicht en initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord zijn verplicht rekening te houden met de archeologische relicten die in het plangebied aanwezig (kunnen) zijn. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden.
Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. Archeologie Toets De gemeente Hardenberg heeft een archeologisch beleidsplan opgesteld in 2009, waarin een archeologische waarden- en verwachtingskaart is opgenomen. Voor het plangebied geldt een lage verwachting, waarvoor archeologisch onderzoek niet noodzakelijk is. Bovendien heeft het vigerende bestemmingsplan geen archeologische dubbelbestemming aan het plangebied toegekend. Geacht wordt dat een archeologisch onderzoek achterwege
bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Kanaalw eg-Oost 96a Hoogenw eg | PAGINA 46
kan blijven. Cultuurhistorie Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. De bescherming van cultuurhistorische elementen is vastgelegd in de Monumentenwet 1988 (die nog geldt als overgangsrecht binnen de Erfgoedwet). Deze wet is vooral gericht op het behouden van historische elementen voor latere generaties. Toets De gemeente Hardenberg heeft een kaart gemaakt, waarop archeologische monumenten en vindplaatsen staan. Ter plaatse van het plangebied zijn geen archeologische monumenten of vindplaatsen. Geacht wordt dat een onderzoek naar cultuurhistorie achterwege kan blijven. Conclusie Gelet op het vorenstaande vormt het aspect 'Archeologie en Cultuurhistorie' geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig bestemmingsplan. 4.11
Verkeer / parkeren
Verkeer Het plangebied aan de Kanaalweg-Oost 96a wordt ontsloten op de Kanaalweg-Oost. Dit is een weg buiten de bebouwde kom, bestaande uit klinkers, met een maximumsnelheidsregime van 60 km/u. Op basis van de CROW-publicatie 381 heeft een vrijstaande woning in het buitengebied een maximale dagelijkse verkeersgeneratie van 8,6 verkeersbewegingen. Toets De beperkte toename van dagelijks maximaal 8,6 verkeersbewegingen kan eenvoudig via de Kanaalweg-Oost worden afgewikkeld. Een aanvullend verkeersonderzoek wordt niet noodzakelijk geacht. Parkeren Op basis van de CROW-publicatie 381 heeft een vrijstaande woning in het buitengebied een parkeernorm van minimaal 2 parkeerplaatsen op eigen terrein. Toets Het parkeren zal plaatsvinden op eigen terrein van de toekomstige woning, waar gelet op de omvang van de toekomstige kavel voldoende ruimte zal zijn, om in parkeerplaatsen te voorzien. Een aanvullend parkeeronderzoek wordt niet noodzakelijk geacht. Het aspect 'parkeren' levert derhalve geen belemmeringen op voor dit plan.
bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Kanaalw eg-Oost 96a Hoogenw eg | PAGINA 47
Hoofdstuk 5 5.1
Juridische toelichting
Planopzet en systematiek
De in Hoofdstuk 2 beschreven planopzet is juridisch-planologisch vertaald in een bestemmingsregeling, die bindend is voor overheid, bedrijven en burgers. Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding (plankaart) en regels en is voorzien van een toelichting. De regels en verbeelding (plankaart) vormen het juridisch bindende deel. Op de verbeelding worden de toegekende bestemmingen en aanduidingen visueel weergegeven. De regels bevatten het juridische instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De toelichting heeft zelf geen juridische bindende werking, maar moet worden beschouwd als handvat voor de uitleg en de onderbouwing van de opgenomen bestemmingen. 5.2
Toelichting op de regels
5.2.1
Opbouw
In deze paragraaf wordt de systematiek van de regels en de wijze waarop de regels gehanteerd dienen te worden, uiteengezet. De regels van het plan bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen. Voor de systematiek is aangesloten op de SVBP2012, zoals verplicht is sinds 1 juli 2013. Dit houdt onder meer in dat het plan IMRO-gecodeerd wordt opgeleverd. Voor wat betreft de opzet van de regels is, voor zover van toepassing, de regels uit het bestemmingsplan 'Buitengebied Hardenberg' en 'Buitengebied Hardenberg, herziening regels' aangehouden. Navolgend wordt de opbouw, indeling en systematiek van de regels voor voorliggend bestemmingsplan kort toegelicht. Inleidende regels Begrippen In deze bepaling zijn omschrijvingen gegeven van de in dit bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. Wijze van meten Om op een eenduidige manier afstanden, oppervlakten en inhoud van gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan.
Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding (plankaart) geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden. Bestemmingsregels De opbouw van de bestemmingen ziet er als volgt uit: bestemmingsomschrijving: De omschrijving van de doeleinden. Hierbij gaat het in beginsel om een beschrijving van de functies die aan de gronden binnen het plangebied zijn toegekend. bouwregels: In de bouwregels worden voor alle bouwwerken binnen het plangebied de van toepassing
bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Kanaalw eg-Oost 96a Hoogenw eg | PAGINA 48
zijnde bebouwingsregels geregeld. Waar en met welke maatvoering mag worden gebouwd, wordt hier vastgelegd. afwijken van de bouwregels: Bij een omgevingsvergunning kan onder voorwaarden worden afgeweken van de bouwregels ten aanzien van het oppervlak en de vorm van bijbehorende bouwwerken; specifieke gebruiksregels: In dit onderdeel is aangegeven welke vormen van gebruik in ieder geval zijn toegestaan dan wel strijdig zijn met de bestemming. Daarbij zijn niet alle mogelijke toegestane en strijdige gebruiksvormen genoemd, maar alleen die functies, waarvan het niet op voorhand duidelijk is. Het gaat hierbij in feite om een aanvulling/verduidelijking op de in de bestemmingsomschrijving genoemde functies; afwijken van de gebruiksregels: Bij een omgevingsvergunning kan onder voorwaarden worden afgeweken van het in de bestemmingsomschrijving beschreven gebruik van hoofdgebouwen.
Algemene regels Anti-dubbeltelregel: Deze bepaling is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld; Algemene gebruiksregels: Deze bepaling bevat een opsomming van strijdig gebruik van gronden en bouwwerken in algemene zin; Algemene afwijkingsregels: In deze bepaling is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven om af te wijken van bepaalde, in het bestemmingsplan geregelde, onderwerpen. De criteria, die bij toepassing van de afwijkingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven; Algemene wijzigingsregels: In deze bepaling is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven het plan te wijzigen. Het gaat hier om wijzigingsbevoegdheden met een algemene strekking. De criteria, die bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven; Overige regels: Hier staan regels geformuleerd ten aanzien van bijvoorbeeld welstand en wegverkeerslawaai en er wordt de mogelijkheid geboden om nadere eisen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing. Tevens zijn hier de parkeerregels opgenomen conform het bestemmingsplan 'Facetherziening parkeren Hardenberg'.
Overgangs- en slotregels Overgangsrecht: Bouwwerken welke op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan bestaan (of waarvoor een bouwvergunning is aangevraagd) mogen blijven bestaan, ook al is er strijd met de bebouwingsregels. De overgangsbepaling houdt niet in dat het bestaand, illegaal opgerichte, bouwwerk legaal wordt, noch brengt het met zich mee dat voor een dergelijk bouwwerk alsnog een bouwvergunning kan worden verleend. Burgemeester en wethouders kunnen in beginsel dus nog gewoon gebruik maken van hun handhavingsbevoegdheid. Het overgangsrecht is opgenomen zoals opgenomen in artikel 3.2.1 Bro. Het gebruik van de
bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Kanaalw eg-Oost 96a Hoogenw eg | PAGINA 49
grond en opstallen, dat afwijkt van de regels op het moment van inwerkingtreding van het plan mag eveneens worden voortgezet; Slotregel: Deze bepaling geeft aan op welke manier de regels kunnen worden aangehaald. 5.2.2
Bestemmingen
Naast de inleidende regels (begrippen en wijze van meten), algemene regels (zoals bouwregels, gebruiksregels en proceduregels) en de overgangs- en slotregels, zijn de volgende bestemmingen in dit plan opgenomen: Bestemmingen Agrarisch met waarden - Besloten heideontginningslandschap De bestemming 'Agrarisch met waarden - Besloten heideontginningslandschap' is opgenomen ter hoogte van de kruidenstrook die vrij moet blijven van bebouwing en de achterliggende agrarische gronden waar het bestaande bos van de buren wordt aangevuld. In de gebruiksregels is een voorwaardelijke verplichting opgenomen, teneinde de uitvoering en instandhouding van de uitgangspunten conform het in Bijlage 1 bij de toelichting en regels van voorliggend bestemmingsplan opgenomen ruimtelijke kwaliteitsplan te borgen. Wonen - Besloten heideontginningslandschap Het plangebied krijgt voor een deel de bestemming 'Wonen - Besloten heideontginningslandschap' en een bouwvlak, waarbinnen de beoogde woning en de aangebouwde bijbehorende bouwwerken, alsmede de in artikel 2 uit Bijlage II van het Besluit omgevingsrecht bedoelde vergunningsvrije bouwwerken, gebouwd moeten worden.
Verder is er binnen deze bestemming een voorwaardelijke verplichting opgenomen voor het borgen van de sloop van de bestaande schuur en de uitvoering en instandhouding van de uitgangspunten conform het in Bijlage 1 bij de toelichting en regels van voorliggend bestemmingsplan opgenomen ruimtelijk kwaliteitsplan. Groen - Landschapselement De bestemming 'Groen - Landschapselement' is opgenomen ten behoeve van het bosperceel binnen het plangebied dat als een extra 'groene' investering ter verbetering van de biodiversiteit in het ruimtelijke kwaliteitsplan is opgenomen. Door deze bestemming aan het bosperceel toe te kennen, wordt de instandhouding van de natuurlijke waarden in de toekomst beschermd. Voor wat betreft de regels is er aangesloten bij de regels van het bestemmingsplan 'Buitengebied Hardenberg'.
bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Kanaalw eg-Oost 96a Hoogenw eg | PAGINA 50
Hoofdstuk 6
Economische uitvoerbaarheid
Bij de voorbereiding van een ontwerpbestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6, eerste lid, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) onderzoek plaats te vinden naar de uitvoerbaarheid van het plan. Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is. De gemeentelijke kosten, waaronder leges en planschadekosten, komen voor rekening van de aanvrager. Hiermee is het kostenverhaal anderszins verzekerd en kan de raad op grond van artikel 6.12, lid 2 onder a besluiten geen exploitatieplan vast te stellen.
bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Kanaalw eg-Oost 96a Hoogenw eg | PAGINA 51
Hoofdstuk 7 7.1
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Vooroverleg
Artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) schrijft voor dat het bestuursorgaan, dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg pleegt met instanties, zoals gemeenten, waterschappen, provinciale diensten en Rijk, die betrokken zijn bij de zorg voor ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Geoordeeld wordt dat dit bestemmingsplan geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk. Provincie Overijssel Er heeft overleg plaatsgevonden met de provincie Overijssel. De reactie van de provincie Overijssel had onder meer betrekking op de vastlegging van de plek en beeldkwaliteit van de woning en de wijze waarop het aanvullende bos en het ecologische beheer voor de kruidenrijke strook geregeld moest worden. Middels het opnemen van diverse voorwaardelijke verplichtingen en de bestemming 'Groen - Landschapselement' voor het bosperceel binnen het plangebied (zie paragraaf 2.2 en 5.2.2) is er rekening gehouden met de reactie van de provincie Overijssel.