2. Aanbiedingsbrief voorstel tweede wijziging Gemeenschappelijke Regeling Omgevingsdienst IJsselland
Tekst van het document
3.
4. 5.
Overige bepalingen taken
8.
1.
2.
a.
Ter uitvoering en nadere invulling van de in artikel 4, 5 en 6 bedoelde taken, stelt het algemeen bestuur voor de duur van de gemeenschappelijke regeling een dienstverleningsovereenkomst vast, waarin de algemene voorwaarden van de Omgevingsdienst IJsselland worden vastgelegd, waarbij in elk geval wordt geregeld: de voorwaarden voor de taakuitvoering;
b.
de voorwaarden voor uitvoering van facultatieve taken;
c.
de aansprakelijkheid, verzekering en geschillen met betrekking tot de taakuitoefening, en
d.
een regeling in geval van niet voldoen aan de door de deelnemers gestelde eisen. Binnen de kaders van de dienstverleningsovereenkomst, bedoeld in het eerste lid, maakt de Omgevingsdienst IJsselland met alle deelnemers werkafspraken per deelnemer die voor elke deelnemer worden vastgelegd in een jaaropdracht. In de jaaropdracht worden per deelnemer de van de Omgevingsdienst IJsselland af te nemen omvang van en het kwaliteitsniveau voor alle af te nemen taken vastgelegd. Per jaar kan de omvang van de door de deelnemers af te nemen facultatieve taken onder bepaalde, in de dienstverleningsovereenkomst vastgelegde voorwaarden, worden gewijzigd. Ook kunnen, onverminderd het bepaalde in de dienstverleningsovereenkomst, tussentijds aanvullende facultatieve taken worden overeengekomen. De dienstverleningsovereenkomst en de jaaropdracht komen niet te vervallen door wijziging van de regeling. Het eerste tot en met het vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing op het verrichten van facultatieve taken voor derden zoals genoemd in artikel 7.
3.
4. 5.
info Hoofdstuk 3 Bevoegdheden
artikel
lid
sub
huidige tekst
Bevoegdheden
9.
1.
Aan het algemeen en dagelijks bestuur noch de directeur worden bevoegdheden overgedragen door de deelnemers.
2.
Voor de uitvoering van zowel de basistaken als de facultatieve taken wordt bij separaat besluit door de colleges mandaat, machtiging en/of volmacht verleend aan de directeur van de Omgevingsdienst IJsselland.
Zie toelichting bij artikel 6. Hier geldt dezelfde constructie. Besluit tot verrichten taken is bij algemeen bestuur blijven liggen, maar de bevoegdheid tot het sluiten van de overeenkomst (in het kader van opdrachtgever en opdrachtnemerschap) komt toe aan het dagelijks bestuur.
info Hoofdstuk 3 Bevoegdheden
artikel
Bevoegdheden
9.
info
lid
sub
nieuwe tekst toelichting
1.
Aan het algemeen- en dagelijks bestuur worden geen bevoegdheden overgedragen door de deelnemers.
2.
Voor de uitvoering van zowel de basistaken als de facultatieve taken wordt bij separaat besluit door de colleges mandaat, machtiging of volmacht verleend aan de directeur van de Omgevingsdienst IJsselland.
artikel
lid
sub
10.
1.
De colleges wijzen in de eerste vergadering van de colleges in een nieuwe samenstelling uit hun midden ieder één lid van het algemeen bestuur aan.
2.
De colleges wijzen uit hun midden één vervangend lid van het algemeen bestuur aan dat de door hen benoemde leden bij ontstentenis of verhindering vervangt.
3.
Een college kan het door hem aangewezen (vervangend) lid vervangen als het lid niet langer zijn vertrouwen geniet.
4.
Indien tussentijds de plaats van een (vervangend) lid vacant komt, wijst het college van de betrokken deelnemer zo spoedig mogelijk een nieuw (vervangend) lid aan.
De woorden ‘noch de directeur’ zijn verwijderd. Dat komt omdat de mogelijkheid tot het overdragen van bevoegdheden aan het bestuur van de Omgevingsdienst volgt uit artikel 54 van de Wet gemeenschappelijke regelingen. Het bestuur van de Omgevingsdienst bestaat uit het algemeen bestuur, dagelijks bestuur en de voorzitter. De directeur maakt daarvan geen onderdeel uit. Dat is dan ook de reden dat de directeur hier geschrapt is, want op basis van artikel 54 van de Wet gemeenschappelijke regelingen is het mogelijk om bevoegdheden over te dragen aan het bestuur van de Omgevingsdienst. En dus niet de directeur.
huidige tekst
Hoofdstuk 4 Het bestuur Paragraaf 1 Het algemene bestuur Samenstelling algemeen bestuur
info Hoofdstuk 4 Het bestuur
artikel
lid
sub
nieuwe tekst toelichting
Paragraaf 1 Het algemene bestuur Samenstelling algemeen bestuur
10.
1.
De colleges wijzen in de eerste vergadering van de colleges in een nieuwe samenstelling uit hun midden ieder één lid van het algemeen bestuur aan. Een lid wordt niet vervangen, maar dan ontslagen. Om die reden aangepast. Verder alleen redactionele wijzigingen.
2.
De colleges wijzen uit hun midden één vervangend lid van het algemeen bestuur aan dat de door hen benoemde leden bij ontstentenis of verhindering vervangt.
3.
Een college kan het door hem aangewezen lid ontslaan als het lid niet langer zijn vertrouwen geniet.
4.
Indien tussentijds de plaats van een lid vacant komt, wijst het college van de betrokken deelnemer zo spoedig mogelijk een nieuw lid aan.
Incompabiliteiten algemeen bestuur
11.
Onverminderd het bepaalde in artikel 20 van de Wet is het lidmaatschap van het algemeen bestuur onverenigbaar met de betrekking van ambtenaar, door of vanwege het bestuur van één van de deelnemers, dan wel door of vanwege het bestuur van het openbaar lichaam in dienst genomen of daaraan ondergeschikt. Met ambtenaar worden voor de toepassing van dit artikel gelijkgesteld zij die in dienst van één van de deelnemers dan wel van het openbaar lichaam op arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht werkzaam zijn of op basis van inhuur werkzaam zijn voor het openbaar lichaam of een van de deelnemers.
Incompabiliteiten algemeen bestuur
11.
Het lidmaatschap van het algemeen bestuur is onverenigbaar met de betrekking van ambtenaar, door of vanwege het bestuur van de Omgevingsdienst IJsselland in dienst genomen of daaraan ondergeschikt. Met ambtenaar worden voor de toepassing van dit artikel gelijkgesteld zij die op basis van inhuur werkzaam zijn voor de Omgevingsdienst IJsselland of een van de deelnemers.
Werkwijze vergaderingen algemeen bestuur
12.
1.
Het algemeen bestuur stelt voor zijn vergaderingen een reglement van orde vast.
2.
Het algemeen bestuur vergadert jaarlijks tenminste tweemaal en voorts zo vaak als het daartoe beslist.
3.
Voorts vergadert het indien de voorzitter of het dagelijks bestuur het nodig oordeelt of indien ten minste een lid van het algemeen bestuur schriftelijk, met opgave van redenen, daarom verzoekt.
4.
De voorzitter roept de leden van het algemeen bestuur schriftelijk tot de vergadering op. Tegelijkertijd met de oproeping brengt de voorzitter dag, tijdstip en plaats van de vergadering ter openbare kennis. De agenda en de daarbij behorende voorstellen, met uitzondering van de stukken waaromtrent geheimhouding is opgelegd, worden tegelijkertijd met de oproeping en op een bij openbare kennisgeving aan te geven wijze ter inzage gelegd.
5.
De vergaderingen van het algemeen bestuur zijn openbaar.
6.
In afwijking van het bepaalde in het vijfde lid worden de deuren gesloten wanneer ten minste een vijfde van het aantal aanwezige leden daarom verzoekt of de voorzitter het nodig oordeelt. Het algemeen bestuur beslist vervolgens of met gesloten deuren zal worden vergaderd.
7.
De stukken die van het algemeen bestuur uitgaan worden door de voorzitter en de directeur ondertekend.
Werkwijze vergaderingen algemeen bestuur
Artikel 20 Wgr, waarnaar dit artikel verwijst, gaat niet over incompatibiliteiten. Zinsnede die voortkomt uit de Gemeentewet en Provinciewet is komen te vervallen en de arbeidsovereenkomst is sinds de Wnra de standaard. Om die reden is de laatste zinsnede komen te vervallen.
X Dit artikel is komen te vervallen, omdat alles ook al in de wet geregeld staat (zie artikel 22 Wgr in samenhang met artikel 52 Wgr). Bovendien voegt voormalig lid 3 weinig toe nu alle DB-leden ook lid zijn van het algemeen bestuur.
Vergaderquorum algemeen bestuur
13.
1.
Het algemeen bestuur kan slechts vergaderen en besluiten nemen indien meer dan de helft van het aantal leden van het algemeen bestuur aanwezig is.
2.
Bij het bestaan van één of meer vacatures blijft het algemeen bestuur bevoegd besluiten te nemen indien meer dan de helft van de deelnemende leden vertegenwoordigd is in het algemeen bestuur.
3.
Indien het vereiste aantal leden als bedoeld in het eerste lid niet aanwezig is bij een vergadering, kan de voorzitter een nieuwe vergadering beleggen, welke binnen twee weken dient plaats te vinden.
4.
Op vergaderingen als bedoeld in het derde lid is het bepaalde van het eerste lid niet van toepassing, met dien verstande dat het algemeen bestuur over de begroting, een begrotingswijziging en de jaarstukken alleen kan beraadslagen en daarover voorlopige besluiten kan nemen. De niet aanwezige leden hebben de mogelijkheid om binnen tien werkdagen te reageren op de voorlopige besluiten van de vergadering. Indien er niet wordt gereageerd, wordt men geacht ingestemd te hebben met de voorlopige besluiten. De voorlopige besluiten worden binnen tien werkdagen omgezet in definitieve besluiten als vaststaat dat de vereiste meerderheid van het algemeen bestuur daar mee instemt.
Vergaderquorum algemeen bestuur
Stemverdeling en besluitvorming algemeen bestuur
Stemverdeling en besluitvorming algemeen bestuur
X Dit artikel is komen te vervallen, omdat het al wettelijk geregeld is. Zie toelichting bij voormalig artikel 12.
14.
12.
1.
Ieder lid van het algemeen bestuur heeft in de vergadering één stem.
2.
Besluiten worden genomen met een meerderheid van stemmen, tenzij in de regeling anders is bepaald.
3.
In afwijking van het bepaalde in het tweede lid is voor de volgende besluiten minimaal vijfenzeventig procent van de stemmen nodig: a.
het besluit dat voor een bepaald besluit een gekwalificeerde meerderheid is vereist;
b.
het besluit tot ontslag van een lid van een dagelijks bestuur;
c.
het besluit tot terugbrengen van het aantal leden van het dagelijks bestuur;
d.
het besluit tot vaststelling en wijziging van de Bijdrageverordening;
e.
het besluit tot de vaststelling en wijziging van de begroting;
f.
het besluit tot het vaststellen van een ontwerpbesluit tot wijziging van de regeling;
g.
het besluit tot het vaststellen van een ontwerpbesluit tot opheffing van de regeling;
h.
een besluit tot wijzigen van de basistaken zoals genoemd in artikel 4 van de regeling;
i.
het besluit tot vaststelling van het liquidatieplan als bedoeld in artikel 39;
j.
het besluit tot toetreding van een deelnemer, inclusief de toetredingsvergoeding;
k.
het besluit over de uittreedvergoeding van een deelnemer.
4.
Indien de stemmen met betrekking tot een bepaald voorstel staken, wordt het betrokken onderwerp aangehouden tot de eerstvolgende vergadering van het algemeen bestuur. Indien de stemmen wederom staken, wordt het voorstel geacht te zijn verworpen. Ingeval de stemmen bij herstemming over besluiten met betrekking tot benoeming, voordracht of aanbeveling van personen staken, beslist de voorzitter.
5.
Bij het doen van benoemingen, keuzen, voordrachten en aanbevelingen betreffende personen wordt schriftelijk gestemd, in de overige gevallen mondeling.
1.
Ieder lid van het algemeen bestuur heeft in de vergadering één stem.
2.
Besluiten worden genomen met een meerderheid van stemmen, tenzij in de regeling anders is bepaald.
3. a.
In afwijking van het bepaalde in het tweede lid is voor de volgende besluiten minimaal een drie vierde meerderheid van de stemmen nodig: het besluit tot ontslag van een lid van een dagelijks bestuur;
b.
het besluit tot vaststelling en wijziging van de bijdrageverordening;
c.
het besluit tot de vaststelling en wijziging van de begroting;
d.
het besluit tot het vaststellen van een ontwerpbesluit tot wijziging van de regeling;
e.
het besluit tot het vaststellen van een ontwerpbesluit tot opheffing van de regeling;
f.
een besluit tot wijzigen van de basistaken zoals genoemd in artikel 4 van de regeling;
g.
het besluit tot vaststelling van het liquidatieplan als bedoeld in artikel 35;
h.
het besluit omtrent de toetredingsvergoeding;
i.
het besluit over de uittreedvergoeding van een deelnemer.
Het besluit tot terugbrengen van het aantal leden van het dagelijks bestuur is komen te vervallen. Hiervoor moet namelijk de gemeenschappelijke regeling gewijzigd worden, dus hiervoor is het artikel dat gaat over wijziging van toepassing. Het algemeen bestuur besluit niet over toetreding, dat doen de deelnemers. Om die reden is voormalig sub j deels gewijzigd. De leden 4 en 5 zijn komen te vervallen omdat dit ook al wettelijk geregeld is (zie artikel 22 in samenhang met artikel 52 Wgr).
Bevoegdheden algemeen bestuur
Bevoegdheden algemeen bestuur
15.
13.
1.
Aan het algemeen bestuur komen alle taken en bevoegdheden toe die bij of krachtens de regeling aan de Omgevingsdienst IJsselland zijn opgedragen, en niet bij of krachtens de wet of deze regeling aan het dagelijks bestuur of de voorzitter zijn opgedragen. Tot deze taken en bevoegdheden behoren in ieder geval: a.
het houden van toezicht op het financiële beheer van de Omgevingsdienst IJsselland;
b.
het vaststellen van een bedrijfsplan en beleidsplannen;
c.
het vaststellen van een jaarplan op basis van de jaaropdrachten;
d.
het vaststellen van de kadernota, begroting en de jaarstukken;
e.
het vaststellen van uitvoeringsregels die de andere organen van de Omgevingsdienst IJsselland moeten opvolgen bij de uitoefening van hun bevoegdheden;
f.
het doen van uitgaven voordat de begroting of begrotingswijziging, waarbij deze uitgaven zijn geraamd, is vastgesteld;
g.
het doen van voorstellen aan de deelnemers omtrent toetreding tot, uittreding uit, wijziging van of opheffing van de regeling;
h.
het oprichten van en deelneming in stichtingen, maatschappen, vennootschappen, verenigingen, coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen.
2.
Het algemeen bestuur besluit slechts tot de oprichting van en de deelneming in stichtingen, maatschappen, vennootschappen, verenigingen, coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen, voor zover dat in het bijzonder aangewezen moet worden geacht voor de behartiging van het daarmee te dienen openbaar belang.
3.
Het besluit als bedoeld in het tweede lid wordt niet genomen dan nadat aan de gemeenteraden en Provinciale Staten een ontwerpbesluit is toegezonden en deze in de gelegenheid zijn gesteld hun wensen en bedenkingen kenbaar te maken aan het algemeen bestuur.
1.
Aan het algemeen bestuur komen alle taken en bevoegdheden toe die bij of krachtens de regeling aan de Omgevingsdienst IJsselland zijn opgedragen, en niet bij of krachtens de wet of deze regeling aan het dagelijks bestuur of de voorzitter zijn opgedragen. Tot deze taken en bevoegdheden behoren in ieder geval: a.
het houden van toezicht op het financiële beheer van de Omgevingsdienst IJsselland;
b.
het vaststellen van een bedrijfsplan en beleidsplannen;
c.
het vaststellen van een ontwerp regionaal uitvoeringsprogramma, dat als input voor de jaaropdrachten geldt;
d.
het vaststellen van de begroting en de jaarstukken, alsmede de wijzigingen daarvan;
e.
het vaststellen van uitvoeringsregels die de andere organen van de Omgevingsdienst IJsselland moeten opvolgen bij de uitoefening van hun bevoegdheden;
f.
het doen van uitgaven voordat de begroting of begrotingswijziging, waarbij deze uitgaven zijn geraamd, is vastgesteld;
g.
het doen van voorstellen aan de deelnemers omtrent toetreding tot, uittreding uit, wijziging van of opheffing van de regeling;
h.
het oprichten van en deelneming in stichtingen, maatschappen, vennootschappen, verenigingen, coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen, conform artikel 55a van de Wet.
Inhoudelijk is de bevoegdheid tot het vaststellen van een kadernota komen te vervallen. Dit is geen wettelijke verplichting. De kadernota van de omgevingsdienst is een informerend stuk. Soms ook wel een begrotingsrichtlijn genoemd. Doordat het voorheen gekoppeld is aan besluitvorming door het AB, werd het een formeel document terwijl dit niet wettelijk verplicht is. De ontwerpbegroting, dat is een formeel document dat voor zienswijzen aan de raad moet worden voorgelegd. Om het proces voor alle partijen (zowel deelnemers als ook omgevingsdienst) te versimpelen wordt de kadernota voortaan niet meer vastgesteld door het AB, maar door het DB als informerend stuk naar de deelnemers en raden en Staten toegestuurd. Het tweede lid is samengevoegd met sub h en het derde lid 3 is komen te vervallen, omdat dit al uit de wet volgt.
Inlichtingen- en verantwoordingsplicht algemeen bestuur
Inlichtingen- en verantwoordingsplicht algemeen bestuur
Commissies
16.
14.
17.
1.
Het algemeen bestuur verstrekt aan de gemeenteraden en Provinciale Staten alle inlichtingen die door één of meer leden van die organen worden verlangd.
2.
Een lid van het algemeen bestuur verschaft aan het college dat hem heeft aangewezen alle inlichtingen die door dit college of één of meer leden daarvan worden verlangd.
3.
Een lid van het algemeen bestuur is aan het college dat hem heeft aangewezen verantwoording verschuldigd voor het door hem in het algemeen bestuur gevoerde beleid.
4.
De colleges bepalen op welke wijze de door hen aangewezen leden aan hun plichten genoemd in de leden twee en drie van dit artikel moeten voldoen. De vergaderingen van het algemeen bestuur zijn openbaar.
5.
Het tweede, derde en vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de gemeenteraden en de Provinciale Staten respectievelijk een of meer leden van die vertegenwoordigende organen.
1.
Het algemeen bestuur verstrekt aan de vertegenwoordigende organen alle inlichtingen die door één of meer leden van die organen worden verlangd.
2.
Het algemeen bestuur verstrekt aan de vertegenwoordigende organen alle inlichtingen die door één of meer leden van die organen worden verlangd.
3.
Een lid van het algemeen bestuur verschaft aan het college dat hem heeft aangewezen alle inlichtingen die door dit college of één of meer leden daarvan worden verlangd.
4.
Een lid van het algemeen bestuur is aan het college dat hem heeft aangewezen verantwoording verschuldigd voor het door hem in het algemeen bestuur gevoerde beleid.
5.
De colleges bepalen op welke wijze de door hen aangewezen leden aan hun plichten genoemd in de leden twee en drie van dit artikel moeten voldoen.
6.
Het tweede, derde en vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de vertegenwoordigende organen respectievelijk een of meer leden van die vertegenwoordigende organen.
1.
Het algemeen bestuur kan adviescommissies als bedoeld in artikel 24 van de Wet en bestuurscommissies als bedoeld in artikel 25 van de Wet instellen.
2.
Commissies
15.
Er is een extra lid toegevoegd, waaruit de actieve informatieplicht volgt richting de raden en Provinciale Staten. Deze verplichting volgt sinds 1 juli 2022 expliciet uit de wet. De wet geeft formeel zelf niet de inlichtingplichten, daarom is het apart in regeling geregeld.
Bij de instelling wordt in ieder geval geregeld: a.
de samenstelling;
b.
de bevoegdheid/bevoegdheden
c.
de werkwijze;
d.
de openbaarheid van vergaderingen;
e.
de voorbereiding, de uitvoering en de openbaarmaking van de besluiten van de commissie;
f.
het toezicht van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur;
g.
de verhouding van de toegekende bevoegdheden tot die van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur;
h.
de verantwoording aan het algemeen bestuur;
i.
wanneer de commissie is ingesteld voor bepaalde tijd, wordt tevens de einddatum van de commissie geregeld. X Dit artikel is komen te vervallen omdat het al wettelijk geregeld is.
info
artikel
lid
sub
huidige tekst
18.
1.
Het aantal door en uit het algemeen bestuur aangewezen leden van het dagelijks bestuur, onder wie de voorzitter, bedraagt vijf.
2.
De leden van het dagelijks bestuur worden in de eerste vergadering van elke zittingsronde van de raden door het algemeen bestuur aangewezen voor een periode van vier jaren.
3.
Na de evaluatie van het functioneren van de regeling kan het algemeen bestuur besluiten het aantal leden terug te brengen naar drie.
4.
De leden van het dagelijks bestuur kunnen te allen tijde zelf ontslag nemen. Van dit ontslag stellen zij de voorzitter onverwijld schriftelijk op de hoogte.
5.
Het algemeen bestuur kan een lid van het dagelijks bestuur ontslaan als dit lid niet langer het vertrouwen van het algemeen bestuur geniet.
6.
De aanwijzing van leden van het dagelijks bestuur ter vervulling van plaatsen die door ontslag of om andere redenen openvallen, vindt plaats uiterlijk acht weken na dat openvallen.
Paragraaf 2 Het dagelijks bestuur Samenstelling dagelijks bestuur
info
artikel
lid
sub
nieuwe tekst
Paragraaf 2 Het dagelijks bestuur Samenstelling dagelijks bestuur
toelichting 15.
1.
Het aantal door en uit het algemeen bestuur aangewezen leden van het dagelijks bestuur, onder wie de voorzitter, bedraagt vier.
2.
De leden van het dagelijks bestuur worden in de eerste vergadering van elke zittingsronde van de raden door het algemeen bestuur aangewezen voor een periode van vier jaren.
3.
De leden van het dagelijks bestuur kunnen te allen tijde zelf ontslag nemen. Van dit ontslag stellen zij de voorzitter onverwijld schriftelijk op de hoogte.
4.
De aanwijzing van leden van het dagelijks bestuur ter vervulling van plaatsen die door ontslag of om andere redenen openvallen, vindt plaats uiterlijk acht weken na dat openvallen.
Het huidig dagelijks bestuur bestaat uit vier leden. Dit is conform de situatie aangepast. Het voormalig lid 3 is komen te vervallen, omdat hiertoe de gemeenschappelijke regeling gewijzigd moet worden. Het voormalig lid 5 is komen te vervallen, omdat dit al uit de wet volgt (zie artikel 19a Wgr).
Werkwijze vergaderingen dagelijks bestuur
Werkwijze vergaderingen dagelijks bestuur
Stemverdeling en vergaderquorum dagelijks bestuur
19.
16.
20.
1.
Het dagelijks bestuur vergadert zo dikwijls de voorzitter of ten minste twee leden dit nodig oordelen.
2.
De vergaderingen van het dagelijks bestuur worden met gesloten deuren gehouden, tenzij het dagelijks bestuur anders bepaalt.
3.
Bij het doen van keuzen, voordrachten en aanbevelingen betreffende personen wordt schriftelijk gestemd, in de overige gevallen mondeling.
4.
Het dagelijks bestuur stelt een reglement van orde vast voor zijn vergaderingen. Dit reglement wordt medegedeeld aan het algemeen bestuur.
5.
Het dagelijks bestuur kan een portefeuilleverdeling vaststellen.
6.
De stukken die van het dagelijks bestuur uitgaan, worden door de voorzitter en de directeur ondertekend.
1.
Het dagelijks bestuur vergadert zo dikwijls de voorzitter of ten minste twee leden dit nodig oordelen.
2.
De vergaderingen van het dagelijks bestuur worden met gesloten deuren gehouden, tenzij het dagelijks bestuur anders bepaalt.
3.
Bij het doen van keuzen, voordrachten en aanbevelingen betreffende personen wordt schriftelijk gestemd, in de overige gevallen mondeling.
4.
Het dagelijks bestuur stelt een reglement van orde vast voor zijn vergaderingen. Dit reglement wordt medegedeeld aan het algemeen bestuur.
5.
De stukken die van het dagelijks bestuur uitgaan, worden door de voorzitter en de directeur ondertekend.
1.
De voorzitter en elk lid hebben één stem. In het geval de stemmen staken, heeft de voorzitter een doorslaggevende stem.
2.
Besluiten worden genomen met meerderheid van stemmen.
3.
In de vergaderingen van het dagelijks bestuur kan slechts worden beraadslaagd en besloten, indien meer dan de helft van het aantal zitting hebbende leden tegenwoordig is.
4.
Indien het vereiste aantal leden niet tegenwoordig is, belegt de voorzitter, onder verwijzing naar dit artikel, opnieuw een vergadering.
5.
Op de vergadering, bedoeld in het vierde lid, is het derde lid niet van toepassing. Het dagelijks bestuur kan echter over andere aangelegenheden dan die waarvoor de eerste vergadering was belegd alleen beraadslagen en besluiten, indien meer dan de helft van het aantal zitting hebbende leden tegenwoordig is.
Het voormalig lid 5 is komen te vervallen, omdat dit al uit de wet volgt (zie artikel 57c Wgr).
Stemverdeling en vergaderquorum dagelijks bestuur
Bevoegdheden algemeen bestuur
17.
21.
1.
De voorzitter en elk lid hebben ieder één stem. In het geval de stemmen staken, heeft de voorzitter een doorslaggevende stem.
2.
Besluiten worden genomen met meerderheid van stemmen.
3.
In de vergaderingen van het dagelijks bestuur kan slechts worden beraadslaagd en besloten, indien meer dan de helft van het aantal zitting hebbende leden tegenwoordig is.
4.
Indien het vereiste aantal leden niet tegenwoordig is, belegt de voorzitter, onder verwijzing naar dit artikel, opnieuw een vergadering.
5.
Op de vergadering, bedoeld in het vierde lid, is het derde lid niet van toepassing. Het dagelijks bestuur kan echter over andere aangelegenheden dan die waarvoor de eerste vergadering was belegd alleen beraadslagen en besluiten, indien meer dan de helft van het aantal zitting hebbende leden tegenwoordig is.
1.
Aan het dagelijks bestuur komen in elk geval de volgende taken en bevoegdheden toe: a.
Klachtenregeling
18.
Alleen redactionele wijziging.
het dagelijks bestuur van de Omgevingsdienst IJsselland te voeren, voor zover daarmee niet het algemeen bestuur op grond van de wet of deze regeling is belast;
b.
de beslissingen van het algemeen bestuur voor te bereiden en uit te voeren;
c.
regels vast te stellen over de ambtelijke organisatie van het openbaar lichaam;
d.
ambtenaren, onder wie de directeur, in dienst te nemen, te schorsen en ontslaan;
e.
te besluiten tot privaatrechtelijke rechtshandelingen van het openbaar lichaam met uitzondering van de rechtshandelingen als bedoeld in artikel 55a van de Wet;
f.
het namens de Omgevingsdienst IJsselland voeren van rechtsgedingen, handelingen ter voorbereiding daarop alsmede het namens de Omgevingsdienst IJsselland maken van bezwaar, tenzij het algemeen bestuur in voorkomende gevallen anders beslist;
g.
het vaststellen van een regeling met betrekking tot de behandeling van klachten als bedoeld in Hoofdstuk 9 van de Algemene wet bestuursrecht
Het dagelijks bestuur stelt een regeling vast met betrekking tot de behandeling van klachten als bedoeld in hoofdstuk 9 van de Algemene wet bestuursrecht. De overige bevoegdheden zijn komen te vervallen, omdat deze al volgen uit artikel 57b Wgr. Om die reden is de titel van het artikel gewijzigd naar specifiek alleen de bevoegdheid tot het vaststellen van een klachtenregeling.
Inlichtingen- en verantwoordingsplicht dagelijks bestuur
Inlichtingen- en verantwoordingsplicht dagelijks bestuur
22.
19.
1.
De leden van het dagelijks bestuur zijn, tezamen en ieder afzonderlijk, aan het algemeen bestuur verantwoording verschuldigd voor het door hen gevoerde bestuur.
2.
Zij geven het algemeen bestuur mondeling of schriftelijk de door een of meer leden gevraagde inlichtingen waarvan het verstrekken niet in strijd is met het openbaar belang.
3.
Het algemeen bestuur kan regelen van welke besluiten van het dagelijks bestuur kennisgeving wordt gedaan aan de leden van het algemeen bestuur. Daarbij kan het algemeen bestuur de gevallen bepalen waarin met terinzagelegging kan worden volstaan.
4.
Het dagelijks bestuur verschaft de gemeenteraden en de Provinciale Staten respectievelijk een of meer leden van die vertegenwoordigende organen alle inlichtingen die door deze organen of een of meer van hun leden worden gevraagd.
5.
De colleges bepalen op welke wijze het dagelijks bestuur aan zijn plichten genoemd in het vierde lid van dit artikel moeten voldoen.
1.
De leden van het dagelijks bestuur zijn, tezamen en ieder afzonderlijk, aan het algemeen bestuur verantwoording verschuldigd voor het door hen gevoerde bestuur.
2.
Zij geven het algemeen bestuur mondeling of schriftelijk de door een of meer leden gevraagde inlichtingen waarvan het verstrekken niet in strijd is met het openbaar belang.
3.
Het algemeen bestuur kan regelen van welke besluiten van het dagelijks bestuur kennisgeving wordt gedaan aan de leden van het algemeen bestuur. Daarbij kan het algemeen bestuur de gevallen bepalen waarin met terinzagelegging kan worden volstaan.
4.
Het dagelijks bestuur verschaft de vertegenwoordigende organen respectievelijk een of meer leden van die vertegenwoordigende organen schriftelijk alle inlichtingen die door deze organen of een of meer van hun leden worden gevraagd.
5.
Het dagelijks bestuur geeft de vertegenwoordigende organen schriftelijk alle inlichtingen die zij nodig hebben voor de uitoefening van hun taken.
Dit is een wettelijke verplichting voor het dagelijks bestuur. Om die reden is de bepaling aangepast. De wet geeft formeel zelf niet de inlichtingplichten, daarom is de actieve informatieplicht apart in regeling geregeld.
info
artikel
lid
sub
huidige tekst
23.
1.
De voorzitter en de plaatsvervangend voorzitter worden in de eerste vergadering van elke zittingsperiode van de raden door en uit het algemeen bestuur gekozen voor een periode van vier jaren.
2.
Bij afwezigheid of ontstentenis van de voorzitter wordt hij vervangen door de plaatsvervangend voorzitter.
3.
Het algemeen bestuur kan de (vervangend) voorzitter ontslaan als deze niet langer het vertrouwen van het algemeen bestuur geniet.
4.
De verkiezing van de (vervangend) voorzitter ter vervulling van een plaats die door ontslag of om andere redenen openvalt, vindt plaats uiterlijk acht weken na dat openvallen.
Paragraaf 3 Het voorzitter De voorzitter
info Paragraaf 3 De voorzitter
artikel
De voorzitter
20.
Bevoegdheden voorzitter
lid
Verantwoordings- en inlichtingenplicht voorzitter
nieuwe tekst toelichting
24.
1.
De voorzitter wordt in de eerste vergadering van elke zittingsperiode van de raden door en uit het algemeen bestuur gekozen voor een periode van vier jaren.
2.
Bij afwezigheid of ontstentenis van de voorzitter wordt hij vervangen door de plaatsvervangend voorzitter, die door het algemeen bestuur uit de leden van het dagelijks bestuur wordt aangewezen.
3.
Het algemeen bestuur kan de voorzitter ontslaan als deze niet langer het vertrouwen van het algemeen bestuur geniet.
4.
De aanwijzing van de voorzitter ter vervulling van een plaats die door ontslag of om andere redenen openvalt, vindt plaats uiterlijk acht weken na dat openvallen.
1.
2.
Instructie bevoegdheden voorzitter
sub
21.
25.
Aan het tweede lid is toegevoegd, omdat het algemeen bestuur de plaatsvervangend voorzitter aanwijst.
De voorzitter is bevoegd tot: a.
het leiden van de vergaderingen van het algemeen bestuur en dagelijks bestuur;
b.
het in en buiten rechte vertegenwoordigen van de Omgevingsdienst IJsselland. De voorzitter kan deze vertegenwoordiging opdragen aan een door hem aan te wijzen persoon. Indien de voorzitter lid is van het college van burgemeester en wethouders of van Gedeputeerde staten dat partij is in een geding waarbij de Omgevingsdienst IJsselland is betrokken, draagt hij een ander door het dagelijks bestuur aan te wijzen lid van het dagelijks bestuur op om de in het eerste lid onder b bedoelde bevoegdheid uit te oefenen.
Indien de voorzitter lid is van het college van burgemeester en wethouders of van Gedeputeerde staten dat partij is in een geding waarbij de Omgevingsdienst IJsselland is betrokken, draagt hij een ander door het dagelijks bestuur aan te wijzen lid van het dagelijks bestuur op om zijn bevoegdheid uit te oefenen.
1.
De voorzitter geeft aan de gemeenteraden en de Provinciale Staten, indien daartoe door een of meer leden van deze organen wordt gevraagd, dan wel ongevraagd, alle inlichtingen die voor een juiste beoordeling van het door hem gevoerde en te voeren bestuur nodig zijn.
2.
De voorzitter verstrekt het algemeen bestuur de door een of meer leden van het algemeen bestuur gevraagde inlichtingen, tenzij het openbaar belang zich hiertegen verzet.
3.
De voorzitter legt op verzoek van een of meer leden van het algemeen bestuur verantwoording af voor het door hem gevoerde bestuur.
Het eerste lid is komen te vervallen, omdat dit al uit de wet volgt. Zie artikel 57d Wgr. Het artikel is daardoor redactioneel gewijzigd.
Verantwoordings- en inlichtingenplicht voorzitter
22.
1.
2.
De voorzitter geeft aan de vertegenwoordigende organen, indien daartoe door een of meer leden van deze organen wordt gevraagd schriftelijk alle inlichtingen die voor een juiste beoordeling van het door hem gevoerde en te voeren bestuur nodig zijn.
Aan dit artikel is ook de actieve informatieplicht, die nu wettelijk verplicht is, toegevoegd.
De voorzitter geeft de vertegenwoordigende organen schriftelijk alle inlichtingen die zij nodig hebben voor de uitoefening van hun taken. In de vergaderingen van het dagelijks bestuur kan slechts worden beraadslaagd en besloten, indien meer dan de helft van het aantal zitting hebbende leden tegenwoordig is.
3.
4.
De voorzitter verstrekt het algemeen bestuur de door een of meer leden van het algemeen bestuur gevraagde inlichtingen, tenzij het openbaar belang zich hiertegen verzet. Indien het vereiste aantal leden niet tegenwoordig is, belegt de voorzitter, onder verwijzing naar dit artikel, opnieuw een vergadering. De voorzitter legt op verzoek van een of meer leden van het algemeen bestuur verantwoording af voor het door hem gevoerde bestuur.
Zienswijzen
23.
1.
2.
Het algemeen bestuur kan andere voorgenomen besluiten dan die waarvoor de wet of deze regeling dat voorschrijft voor een zienswijze voorleggen aan de vertegenwoordigende organen. Indien het eerste lid wordt toegepast, dan hebben de vertegenwoordigende organen minimaal acht weken de tijd om hun zienswijzen bij het dagelijks bestuur bekend te maken. Voorafgaand aan het nemen van het besluit waarover de zienswijze is gegeven, stelt het dagelijks bestuur de vertegenwoordigende organen en het algemeen bestuur schriftelijk en gemotiveerd in kennis van het oordeel over de zienswijze, alsmede van de eventuele conclusies die het daaraan verbindt.
Met dit artikel wordt voldaan aan de verplichtingen van artikel 10 lid 5 en 6 Wgr. Omgevingsdienst IJsselland is een uitvoeringsorganisatie. Zij nemen geen besluiten over verordende bevoegdheden. De verantwoordelijkheid hiervoor blijft bij elke deelnemer liggen. Om die reden is in de basis ervoor gekozen om besluiten, anders dan wanneer dit wettelijk verplicht al geldt (denk aan ontwerpbegroting en wijziging gemeenschappelijke regeling) niet aan zienswijzen te onderwerpen. Echter, ook bij Omgevingsdienst IJsselland kan het voorkomen dat er grote koerswijzigingen plaatsvinden en dan wordt er wel aan beleidsvoorbereiding gedaan. In dat geval kan het algemeen bestuur alsnog beslissen om de raden en Staten om zienswijzen te vragen. De raden en Staten hebben daar tenminste 8 weken de tijd voor. Het dagelijks bestuur is verplicht schriftelijk en gemotiveerd op de zienswijzen van de raden en Staten te reageren en daarbij aan te geven welke conclusie aan de zienswijze wordt verbonden. Het dagelijks bestuur moet deze reactie aan de raden en Staten zenden vóórdat het algemeen bestuur tot besluitvorming overgaat. Op die manier kunnen de raden en Staten, indien gewenst, hun opvattingen nog meegeven aan hun leden in het algemeen bestuur.
Participatie
24.
1.
2.
Ingezetenen en belanghebbenden kunnen via de normale procedures bij de vertegenwoordigende organen. respectievelijk de colleges, inspreken omtrent besluiten van de Omgevingsdienst IJsselland. In afwijking van het eerste lid kan het dagelijks bestuur beslissen dat bij ingrijpende besluiten een apart traject voor inspraak wordt doorlopen, waarbij zowel belanghebbenden als ingezetenen de kans krijgen inspraak te leveren.
3.
Het dagelijks bestuur informeert de colleges en het algemeen bestuur zo spoedig mogelijk omtrent zijn voornemen tot het mogelijk maken van inspraak.
4.
De colleges en het dagelijks bestuur maken op de gebruikelijke wijze bekend dat de mogelijkheid tot inspraak wordt geboden.
Met dit artikel wordt voldaan aan de verplichtingen van artikel 10 lid 7 en 8 Wgr. Omdat het algemeen bestuur nagenoeg geen formele besluiten neemt, zijn er geen besluiten die verplicht aan een participatietraject worden onderworpen, anders dan wanneer dit wettelijk verplicht natuurlijk al geldt. Het staat inwoners en belanghebbenden natuurlijk altijd vrij om via de gemeenteraden (resp. Provinciale Staten) of andere gemeentelijke (resp. provinciale) kanalen in te spreken. Ook hier geldt; gaat het om ingrijpende besluiten, dan kan het dagelijks bestuur alsnog beslissen een participatietraject in te zetten. Het dagelijks bestuur regelt daarbij zelf de procedure van dit traject, waarbij in elk geval ingezetenen en belanghebbenden bij het besluit in de gelegenheid moeten worden gesteld inspraak te leveren. Er moet dus een zorgvuldige afweging worden gemaakt van de te betrekken partijen en ingezetenen, zodat deze representatief is voor de gehele groep van belanghebbenden dan wel inwoners. Daarnaast moet een zorgvuldige keuze worden gemaakt tussen het doel van de participatie: is dat louter tijdig informeren, input ophalen, beraadslagen enz. Het dagelijks bestuur informeert de colleges en het algemeen bestuur over zijn voornemen tot het volgen van een eigen participatietraject.
De colleges én het dagelijks bestuur maken op de in de organisaties gebruikelijke wijze bekend dat er een eigen participatietraject wordt gevolgd. Aanvullende communicatie (via kranten, huisaan-huisbladen, website e.d.) kan natuurlijk ook altijd worden ingezet.
De OD is de enige van de regiobrede GR-en die uit naam van haar deelnemers besluiten neemt met rechtsgevolgen voor ingezetenen, bedrijven en belanghebbenden. Inspraak op die besluiten loopt via wettelijke procedures met strakke beslistermijnen. De andere regiobrede GR-en zijn voornemens een tekst op te nemen waarbij ingezetenen en belanghebbenden het DB kunnen verzoeken om een participatietraject. Dit is voor de OD niet wenselijk omdat daarmee de indruk wordt gewekt dat afgeweken kan worden van de wettelijke procedures voor de vele besluiten die de OD namens haar deelnemers neemt.
info Hoofdstuk 5 Personeel
artikel
lid
sub
huidige tekst
De directeur
26.
1.
De Omgevingsdienst IJsselland heeft een directeur die onder verantwoordelijkheid van het dagelijks bestuur belast is met de leiding van de Omgevingsdienst IJsselland.
2.
De directeur handelt bij de uitoefening van de taken genoemd in hoofdstuk 2 binnen de grenzen van het door de deelnemer(s) verstrekte mandaat.
3.
De directeur van het openbaar lichaam fungeert als secretaris van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur.
4.
Het dagelijks bestuur legt de instructie voor de directeur vast in een organisatiereglement. Het dagelijks bestuur beslist over benoeming, ontslag en schorsing van de directeur op voordracht van tenminste een meerderheid van de leden van het dagelijks bestuur.
5.
info Hoofdstuk 6 Personeel
artikel
lid
De directeur
25.
1.
De Omgevingsdienst IJsselland heeft een directeur die onder verantwoordelijkheid van het dagelijks bestuur belast is met de leiding van de Omgevingsdienst IJsselland.
2.
De directeur handelt bij de uitoefening van de taken genoemd in hoofdstuk 2 binnen de grenzen van het door de deelnemer(s) verstrekte mandaat.
3.
De directeur fungeert als secretaris van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur.
4.
Het dagelijks bestuur beslist over benoeming, ontslag en schorsing van de directeur.
1.
Het dagelijks bestuur is belast met het tewerkstellen op arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht en met het schorsen en ontslaan van het personeel van het openbaar lichaam.
2.
Het dagelijks bestuur kan de in het eerste lid bedoelde bevoegdheden volmachtigen aan de directeur van de dienst.
Personeel
27.
sub
huidige tekst
Voormalig lid 4 is komen te vervallen, omdat een dergelijke instructie op papier in de praktijk niet plaatsvindt. Bovendien is het geen wettelijke verplichting.
Het eerste lid is niet juist. Een arbeidsovereenkomst is een privaatrechtelijke rechtshandeling. Het dagelijks bestuur beslist daartoe (art. 57b Wgr), waarna de voorzitter hem mag verrichten namens de rechtspersoon (art. 57d Wgr). Op zich volgt dit ook al uit de wet en kan de bepaling dus weg. Het tweede lid volgt ook al uit de wet (art. 10:3 lid 1 en art. 10:12 Awb, én art. 3:61 BW).
Arbeidsvoorwaardenregeling
28.
1. 2.
Er is een ondernemingsraad. Het dagelijks bestuur kan de in het eerste lid bedoelde bevoegdheden volmachtigen aan de directeur van de dienst.
Het dagelijks bestuur bepaalt, na overeenstemming met het georganiseerd overleg en met inachtneming van de bepalingen uit de Wet op de ondernemingsraden, onder welke voorwaarden arbeidsovereenkomsten worden aangegaan en welke CAO op het personeel in dienst van de Omgevingsdienst van toepassing is.
Dit artikel is komen te vervallen, omdat WOR al bepaalt dat er een OR moet zijn. Daar gaan partijen niet over.
info Hoofdstuk 6 Kostentoedeling, begroting en jaarrekening Kostentoedeling en bijdrageverordening
info Hoofdstuk 6 Kostentoedeling, begroting en jaarrekening Kostentoedeling en bijdrageverordening
Resultaatsbestemming
artikel
lid
sub
29.
1.
Het algemeen bestuur stelt een Bijdrageverordening vast met betrekking tot de door de deelnemers te betalen financiële bijdragen voor de basistaken als genoemd in artikel 4.
2.
Uitgangspunt voor de Bijdrageverordening voor het onderdeel basistaken zijn de taken en de kosten van de bijbehorende formatie die door elke deelnemer jaarlijks worden ingebracht, vermeerderd met een percentage voor overhead.
3.
De Bijdrageverordening omvat een systematiek voor de toerekening van kosten aan facultatieve taken zoals genoemd in de artikelen 5 en 6.
4.
De Bijdrageverordening omvat een regeling over de toerekening van het exploitatiesaldo als bedoeld in artikel 30.
5.
De Bijdrageverordening omvat een regeling over de toerekening van desintegratiekosten bij uittreding van deelnemers zoals bedoeld in artikel 36.
artikel
lid
26.
1.
Het algemeen bestuur stelt een bijdrageverordening vast met betrekking tot de door de deelnemers te betalen financiële bijdragen voor de basistaken als genoemd in artikel 4.
2.
Uitgangspunt voor de bijdrageverordening voor het onderdeel basistaken zijn de taken en de kosten van de bijbehorende formatie die door elke deelnemer jaarlijks worden ingebracht, vermeerderd met een percentage voor overhead.
3.
De bijdrageverordening omvat een systematiek voor de toerekening van kosten aan facultatieve taken zoals genoemd in de artikelen 5 en 6.
4.
De bijdrageverordening omvat een regeling over de toerekening van het exploitatiesaldo.
1.
Indien enig jaar een batig saldo oplevert, wordt dit saldo toegevoegd aan het weerstandsvermogen van de Omgevingsdienst IJsselland met inachtneming van het bepaalde in het tweede lid.
2.
Het weerstandsvermogen mag worden aangehouden tot een door het algemeen bestuur bepaald maximaal noodzakelijk niveau, passend bij het risicoprofiel van de Omgevingsdienst. Het meerdere wordt terugbetaald aan de deelnemers op de wijze als geregeld in de Bijdrageverordening als bedoeld in artikel 29.
3.
Wanneer het algemeen bestuur een besluit heeft genomen omtrent het bijdragen door de deelnemers in het nadelig exploitatiesaldo, wordt het nadelig exploitatiesaldo door de deelnemers gedragen op de wijze als geregeld in de Bijdrageverordening als bedoeld in artikel 29.
30.
sub
huidige tekst
huidige tekst
Voormalig lid 5 is komen te vervallen, omdat de nieuwe wet voorschrijft dat dit voortaan geregeld is in de gemeenschappelijke regeling.
Dit artikel is komen te vervallen, omdat het artikel ook al in de bijdrageverordening staat opgenomen. Niet nodig dat dit in de gemeenschappelijke regeling staat.
Garantiebepaling
Garantiebepaling
Begroting
Begroting
Jaarrekening
31.
1.
De deelnemers dragen er steeds zorg voor dat de Omgevingsdienst IJsselland te allen tijde over voldoende middelen beschikt om aan al zijn verplichtingen jegens derden te kunnen voldoen.
2.
Indien aan het algemeen bestuur blijkt dat een gemeente weigert deze uitgaven op haar begroting te zetten, doet het algemeen bestuur onverwijld aan de gedeputeerde staten het verzoek over te gaan tot toepassing van de artikelen 194 en 195 van de Gemeentewet.
3.
Indien aan het algemeen bestuur blijkt dat de provincie weigert deze uitgaven op haar begroting te zetten, doet het algemeen bestuur onverwijld aan de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties het verzoek over te gaan tot toepassing van de artikelen 198 en 199 van de Provinciewet.
27.
32.
1.
2.
Indien aan het algemeen bestuur blijkt dat een gemeente weigert deze uitgaven op haar begroting te zetten, doet het algemeen bestuur onverwijld aan de gedeputeerde staten het verzoek over te gaan tot toepassing van de artikelen 194 en 195 van de Gemeentewet.
3.
Indien aan het algemeen bestuur blijkt dat de provincie weigert deze uitgaven op haar begroting te zetten, doet het algemeen bestuur onverwijld aan de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties het verzoek over te gaan tot toepassing van de artikelen 198 en 199 van de Provinciewet.
Geen wijzigingen.
1.
Het dagelijks bestuur zendt jaarlijks vóór 15 april de algemene financiële en beleidsmatige kaders aan Provinciale Staten en de raden van de deelnemers.
2.
Het dagelijks bestuur zendt de ontwerpbegroting acht weken voordat deze ter vaststelling aan het algemeen bestuur wordt toegezonden, doch uiterlijk 5 juni, toe aan de Provinciale Staten en de raden van de deelnemers.
3.
In de ontwerpbegroting wordt onder andere aangegeven welke bijdrage elke deelnemer verschuldigd is voor de uitvoering van de taken van het openbaar lichaam.
4.
De deelnemers kunnen binnen acht weken na toezending van de ontwerpbegroting van hun zienswijzen doen blijken. Het dagelijks bestuur voegt, alvorens verzending van de ontwerpbegroting aan het algemeen bestuur plaatsvindt, de commentaren en zienswijzen van de deelnemers toe.
5.
Binnen twee weken na de vaststelling zendt het dagelijks bestuur de begroting aan de deelnemers, tenzij er geen wijzigingen zijn ten opzichte van de ontwerpbegroting.
6.
Het dagelijks bestuur zendt de begroting binnen twee weken na vaststelling, en in ieder geval vóór 1 augustus, aan Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.
7.
De bepalingen van artikel 59, eerste, derde en vierde lid van de Wet zijn niet van toepassing op wijzigingen van de begroting indien deze wijzigingen niet leiden tot een verhoging van de door de deelnemers verschuldigde bijdragen aan de Omgevingsdienst IJsselland.
28.
33.
De deelnemers dragen er steeds zorg voor dat de Omgevingsdienst IJsselland te allen tijde over voldoende middelen beschikt om aan al zijn verplichtingen jegens derden te kunnen voldoen.
De bepalingen van artikel 59, eerste, derde en vierde lid van de Wet zijn niet van toepassing op wijzigingen van de begroting indien deze wijzigingen niet leiden tot een verhoging van de door de deelnemers verschuldigde bijdragen aan de Omgevingsdienst IJsselland of een donatie of onttrekking aan een reserve.
Alle bepalingen volgen reeds uit de wet. Om die reden staat het niet meer apart opgenomen in de regeling. Alleen voormalig lid 7 is blijven staan, waarbij het zodanig gewijzigd is zodat het overeenstemt met de bepaling uit de financiële verordening.
1.
Het dagelijks bestuur biedt de voorlopige jaarrekening over het afgelopen kalenderjaar, met alle bijbehorende bescheiden, jaarlijks vóór 15 april aan aan het algemeen bestuur ter voorlopige vaststelling en aan Provinciale Staten en de raden van de deelnemers.
2.
Het dagelijks bestuur zendt de jaarrekening binnen twee weken na de vaststelling, maar in ieder geval vóór 15 juli volgend op het jaar waarop de jaarrekening betrekking heeft, aan Onze Minister van Binnenlandse zaken en Koninkrijksrelaties en de deelnemers.
Het algemeen bestuur kan besluiten de volgens de jaarrekening behaalde negatieve resultaten geheel of ten dele: af te boeken van het weerstandsvermogen voor zover toereikend;
3. a.
met in achtneming van de op grond van artikel 29 vastgestelde regeling ten laste te brengen van de deelnemers.
b. 4. a. b.
Jaarrekening
29.
1.
info Hoofdstuk 7 Wijziging, toetreding, uittreding en opheffing Wijziging
met in achtneming van de op grond van artikel 29 vastgestelde regeling uit te keren aan de deelnemers.
Het algemeen bestuur kan besluiten de volgens de jaarrekening behaalde negatieve resultaten geheel of ten dele: a.
af te boeken van het weerstandsvermogen voor zover toereikend;
b.
met in achtneming van de op grond van artikel 29 vastgestelde regeling ten laste te brengen van de deelnemers.
2.
info Hoofdstuk 7 Wijziging, toetreding, uittreding en opheffing Wijziging
Het algemeen bestuur kan besluiten de volgens de jaarrekening behaalde positieve resultaten geheel of ten dele: tot het op basis van artikel 30 vastgestelde maximum toe te voegen aan het weerstandsvermogen;
Het algemeen bestuur kan besluiten de volgens de jaarrekening behaalde positieve resultaten geheel of ten dele: tot het op basis van de in de bijdrageverordening vastgestelde maximum toe te voegen aan het weerstandsvermogen;
b.
met in achtneming van de op grond van artikel 29 vastgestelde regeling uit te keren aan de deelnemers.
artikel
lid
34.
1.
Deze regeling kan op voorstel van het algemeen bestuur worden gewijzigd door een daartoe strekkend besluit van alle deelnemende colleges met toestemming van hun gemeenteraden dan wel Provinciale Staten.
2.
Indien het algemeen bestuur een wijziging van deze regeling wenselijk acht, zendt het dagelijks bestuur de door het algemeen bestuur vastgestelde ontwerpwijziging met een toelichting aan de colleges van de deelnemende gemeenten en de provincie.
3.
De colleges hebben de gelegenheid binnen acht weken na dagtekening hun zienswijzen naar voren te brengen dan wel toestemming als bedoeld in artikel 51 van de Wet te vragen aan hun gemeenteraden dan wel Provinciale Staten en een besluit te nemen.
4.
Een wijziging van de regeling is tot stand gekomen wanneer ter vergadering van het algemeen bestuur blijkt dat alle colleges van de deelnemende gemeenten en de provincie tot de wijziging hebben besloten.
artikel
lid
30.
1.
sub
a.
Voormalige leden 1 en 2 zijn komen te vervallen, omdat deze reeds in de wet beschreven staan. Net als bij het artikel over de begroting en overige artikelen die reeds in de wet beschreven staan, is ervoor gekozen om deze niet nogmaals in de regeling te regelen.
sub
huidige tekst
huidige tekst
Deze regeling kan op voorstel van het algemeen bestuur onderscheidenlijk op voorstel van een college worden gewijzigd door een daartoe strekkend besluit van alle colleges met toestemming van hun vertegenwoordigende organen.
2.
Indien het algemeen bestuur een wijziging van deze regeling wenselijk acht, zendt het dagelijks bestuur de door het algemeen bestuur vastgestelde ontwerpwijziging met een toelichting aan de colleges. Lid 3 vervallen omdat de wet een andere procedure voorschrijft. Een wijziging van de regeling is tot stand gekomen wanneer ter vergadering van het algemeen bestuur blijkt dat alle colleges overeenkomstig artikel 51 van de Wet tot de wijziging hebben besloten.
3.
Toetreding
35.
1.
Tot de regeling kunnen uitsluitend colleges van gemeenten, de provincie, dagelijkse besturen van waterschappen en dagelijkse besturen van andere openbare lichamen toetreden.
2.
De deelname gaat in met ingang van een nader te bepalen datum, vastgesteld door het algemeen bestuur en het orgaan van de deelnemer.
Toetreding
Uittreding
Uittreding
31.
36.
32.
3.
Het algemeen bestuur stelt voor de nieuwe deelnemer een toetredingsvergoeding vast gerelateerd aan de stand van het weerstandsvermogen.
1.
Tot de regeling kunnen uitsluitend colleges van burgemeester en wethouders, colleges van gedeputeerde staten of dagelijkse besturen van waterschappen toetreden.
2.
De deelname gaat in met ingang van een nader te bepalen datum, vastgesteld door het algemeen bestuur en het orgaan van de deelnemer.
3.
Het algemeen bestuur stelt voor de nieuwe deelnemer een toetredingsvergoeding vast gerelateerd aan de stand van het weerstandsvermogen.
Redactionele aanpassing
1.
Indien een deelnemer na verkregen toestemming van zijn gemeenteraad/staten heeft besloten uit de regeling te treden, doet deze van het voornemen hiertoe mededeling aan het algemeen bestuur. Het algemeen bestuur zendt het voorgenomen besluit onverwijld aan de andere deelnemers.
2.
Indien een deelnemer wil uittreden, zal in het kader van de afwikkeling van de financiële gevolgen daarvan een toewijzing van personeel aan deze deelnemer plaatsvinden en/of zal er een compensatie verschuldigd zijn voor de rechten en verplichtingen die de Omgevingsdienst IJsselland voor de uitvoering van taken voor deze deelnemer is aangegaan. De hoogte van deze compensatie wordt nader bepaald door het algemeen bestuur op basis van de begroting over het jaar voorafgaand aan het jaar van uittreding en met inachtneming van de Bijdrageverordening.
3.
Op basis van de vastgestelde compensatie neemt de betreffende deelnemer een definitief besluit over uittreding uit de regeling. Hij zendt het definitieve besluit aan het algemeen bestuur. Het algemeen bestuur zendt het definitieve besluit van de deelnemer onverwijld aan de andere deelnemers.
4.
De uittreding uit de regeling treedt in werking met inachtneming van een termijn van een jaar, te rekenen vanaf 1 januari van het jaar volgend op het jaar waarin het uittredingsbesluit, zoals bedoeld in het derde lid is toegezonden.
5.
Na uittreding wordt de dienstverleningsovereenkomst als bedoeld in artikel 8 ontbonden, tenzij anders wordt overeengekomen.
1.
Een deelnemer kan besluiten tot uittreding uit de regeling, onverminderd het bepaalde in artikel 51 van de wet en bij of krachtens artikel 18.21 van de Omgevingswet. Een deelnemer die wenst uit te treden maakt het voornemen tot uittreding per aangetekende brief kenbaar aan het algemeen bestuur.
2.
Het dagelijks bestuur inventariseert de gevolgen van de uittreding, de wijze waarop met deze gevolgen kan of moet worden omgegaan en de voorwaarden voor uittreding, welke worden vastgelegd in een door het algemeen bestuur vast te stellen uittredingsplan.
Ook bij een omgevingsdienst is het mogelijk uit te treden, denk bijvoorbeeld aan een herindeling. Het nieuwe artikel 32 geeft als het ware een chronologische volgorde voor het uittreden. Het college maakt het voornemen tot uittreding kenbaar aan het algemeen bestuur. Het algemeen bestuur zal in de praktijk ook de andere deelnemende colleges hiervan op de hoogte stellen. Het dagelijks inventariseert vervolgens de gevolgen van de uittreding, de wijze waarop met deze gevolgen kan of moet worden omgegaan en de voorwaarden voor uittreding. Deze zaken worden vastgelegd in een door het algemeen bestuur vast te stellen uittredingsplan.
3.
Het uittredingsplan bevat in ieder geval de financiële, juridische, personele en organisatorische consequenties die gedurende een periode van vijf jaar het directe gevolg zijn van de uittreding. Tevens bevat het uittredingsplan de uittreedsom die betaald moet worden door de uittredende deelnemer.
Dit doet het dagelijks bestuur niet zelf, maar hiervoor wordt een onafhankelijk deskundige ingeschakeld. Deze wordt aangewezen door het algemeen bestuur, op basis van een gezamenlijke voordracht van het college van de uittredende gemeente en het dagelijks bestuur.
4.
De kosten voor het uittredingsplan komen voor rekening van de uittredende deelnemer.
5.
Voor het opstellen van het uittredingsplan wijst het algemeen bestuur een onafhankelijke adviseur aan die in opdracht van het dagelijks bestuur het concept-uittredingsplan voorbereidt. Het algemeen bestuur wijst de onafhankelijke adviseur aan op basis van een gezamenlijke voordracht van de uittredende deelnemer en het dagelijks bestuur. Indien geen overeenstemming kan worden bereikt over een gezamenlijke voordracht, wijst het algemeen bestuur de onafhankelijke adviseur aan op basis van een bindende voordracht van een selectiecommissie bestaande uit drie leden van het algemeen bestuur, waaronder in ieder geval een vertegenwoordiger in het algemeen bestuur van de deelnemer die voornemens is uit te treden.
6.
De onafhankelijke adviseur neemt bij het bepalen van de uittreedsom het bepaalde in dit artikel in acht en baseert zich daarbij op de jaarrekening van het begrotingsjaar direct voorafgaand aan het moment van kenbaar maken van het voornemen van uittreding. Tevens kan de onafhankelijke adviseur bij de berekening van de uittreedsom een risico-opslag van maximaal 5% op de uittreedsom toepassen om eventueel onvoorziene toekomstige kosten gerelateerd aan de uittreding te ondervangen. Deze opslag vrijwaart de uittredende deelnemer van alle toekomstige onvoorzienbare kosten.
7.
De deelnemer die voornemens is uit te treden wordt gedurende een termijn van twaalf weken in de gelegenheid gesteld een reactie te geven op het concept-uittredingsplan.
8.
Uiterlijk twaalf maanden nadat de deelnemer zijn voornemen tot uittreding overeenkomstig het eerste lid bekend heeft gemaakt stelt het algemeen bestuur het uittredingsplan vast. De daarin voor de uittredende deelnemer omschreven financiële verplichtingen zijn bindend.
9.
Het algemeen bestuur is gehouden redelijkerwijs al het mogelijke te doen om de uittreedsom zo laag mogelijk te houden. Het algemeen bestuur onderzoekt in dat kader met de uittredende deelnemer de mogelijkheid tot overname van personeel, activa en contracten. Het voorgaande behoeft echter niet te leiden tot wijziging van overeenkomsten met en verplichtingen
Het uittredingsplan bevat in ieder geval de financiële, juridische, personele en organisatorische consequenties die gedurende een periode van vijf jaar het directe gevolg zijn van de uittreding. Tevens zal in het plan stil moeten worden gestaan bij zaken als: a. de financiële gevolgen voor de andere gemeenten; b. voorwaarden en andere verplichtingen voor de uittredende gemeente, die aan de uittreding worden verbonden; c. afspraken om de uittreding en de uitvoering van het uittredingsplan bestuurlijk, financieel, juridisch en feitelijk in goede banen te leiden. De inventarisatie van de gevolgen zal in de praktijk gebeuren in samenwerking met de uittredende gemeente, met de andere colleges en met eventueel andere betrokken partijen (bijv. de partij die bepaalde taken gaat overnemen). Dit mede om goede afspraken te maken met het oog op het zoveel mogelijk beperken van de kosten gemoeid met de uittreding. Voor wat betreft de financiële gevolgen die in het uittredingsplan worden onderscheiden is het te overwegen om in elk geval de volgende kostensoorten te onderscheiden: a. frictiekosten (eenmalige personele en materiële kosten als gevolg van het uittreden); b. desintegratiekosten (kosten voor afbouw van overcapaciteit in personele en materiële sfeer en andere verplichtingen, de afbouw van risico’s); c.
direct en op termijn vervallen kosten (kosten die vervallen bij de uittreding en daaraan verbonden overname van taken); d. schaalnadelen (kosten die niet wijzigen als gevolg van het uittreden); e. aandeel in de reserves en voorzieningen. Als het uittredingsplan in concept gereed is kan het college dat het voornemen heeft om uit te treden hier nog op reageren. Na vaststelling van het uittredingsplan door het AB neemt het college dat het
10. a. b.
Beëindiging structurele facultatieve taken
37.
Beëindiging structurele facultatieve taken
33.
Beëindiging facultatieve taken op basis van overeenkomst
38.
Beëindiging facultatieve taken op basis van overeenkomst
34.
Opheffing en liquidatie
39.
Opheffing en liquidatie
35.
jegens derden die zijn aangegaan respectievelijk bepaald voorafgaand aan het tijdstip van ontvangst door het algemeen bestuur van het besluit tot uittreding van de deelnemer.
voornemen heeft om uit te treden een definitief besluit. Hiervoor moet het college overigens ook toestemming hebben van de eigen raad.
Nadat het uittredingsplan is vastgesteld en het college definitief heeft besloten uit te treden,
Na het definitieve uittredingsbesluit treedt de opzegtermijn in werking van (tenminste) een vol kalenderjaar. De uittredende gemeente moet de financiële verplichtingen die zijn opgenomen in het uittredingsplan binnen zes maanden nadat het uittredingsplan is vastgesteld en het college definitief heeft besloten uit te treden voldoen. Daarvan kan worden afgeweken als het algemeen bestuur hiervoor unaniem een andere termijn vaststelt. Denk bijvoorbeeld aan het hanteren van een afbouwregeling over enkele jaren.
geldt voor de uittreding uit de regeling een opzegtermijn van 1 jaar, ingaande op 1 januari van het eerstvolgende kalenderjaar, is de uittredende gemeente gehouden om binnen 6 maanden de voor haar vastgestelde financiële verplichtingen aan de regeling te voldoen, tenzij het algemeen bestuur unaniem tot het hanteren van een andere termijn besluit.
1.
Een deelnemer kan het afnemen van facultatieve taken op basis van inbreng zoals genoemd in artikel 5 beëindigen.
2.
Op deze beëindiging zijn de bepalingen van artikel 36 tweede lid tot en met vierde lid van overeenkomstige toepassing.