CConstaterende datHalderberge
Koppel je AI →
Document · PDF

Zomernota 2023 Definitief.pdf

Gemeenteraad 13 juli 2023, gemeente HalderbergeBij agendapunt: 11: Zomernota 202323.781 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

3.2.2 Onroerendezaakbelasting (OZB) In het collegewerkprogramma is opgenomen dat de gemeente Halderberge de ambitie heeft om voor wat betreft de lastendruk één van de goedkoopste gemeenten in de regio kan te blijven. Gezien de uitgangspunten voor de rioolheffing en de afvalstoffenheffing dat die 100% kostendekkend moeten zijn, kan daar alleen door beperking van de tarieven voor de onroerendezaakbelasting sturing aan worden gegeven. Indien dat gewenst is, zal dat in de Begroting 2024 worden aangegeven. Vooralsnog wordt uitgegaan van de gebruikelijke indexering. Bij de berekening van de OZB-tarieven en -opbrengsten worden de volgende uitgangspunten gehanteerd: • de tarieven van de OZB stijgen met het inflatiepercentage van 3%, waarna bij het opstellen van de verordening voor 2023 een correctie plaatsvindt voor de waardeontwikkeling; • voor de waarde van de woningen en niet-woningen wordt uitgegaan van de waardepeildatum 1 januari 2023; • uit oogpunt van voorzichtigheid wordt er beperkt rekening gehouden met areaalontwikkeling; • er wordt tariefdifferentiatie toegepast tussen woningen en niet-woningen om de lastendruk evenwichtiger te verdelen; • de indexering van de tarieven wordt gecorrigeerd voor de verwachte waardeontwikkeling. In onderstaande tabel is aangegeven wat de OZB-tarieven worden. De waardeontwikkeling voor woningen en niet-woningen is nog niet beschikbaar.

Bij het opstellen van de Begroting 2024 en de verordening voor de onroerendezaakbelasting zal de waardeontwikkeling zoals die dan bekend is, worden meegenomen. Deze wordt te zijner tijd door de Belastingsamenwerking West-Brabant verstrekt.

59

Voorlopige ontwikkeling tarieven 2024: OZB

2023

2024

Verschil

OZB woningen eigenaar

0,0850%

0,0876%

3,0%

OZB niet-woningen gebruik

0,2160%

0,2225%

3,0%

OZB niet-woningen eigenaar

0,2418%

0,2491%

3,0%

3.2.3 Afvalstoffenheffing Bij de berekening van de afvalstoffenheffing zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd: • er wordt uitgegaan van 100% kostendekkendheid; • de compensabele BTW wordt in de tarieven van de afvalstoffenheffing volledig doorberekend; • bij de baten wordt het geraamde dividend van Saver geheel meegenomen; • bij de ontwikkeling van de lasten is uitgegaan van het door SAVER aangegeven inflatiepercentage van 5,9%; • in de lasten zijn de kosten van het grondstoffencentrum van Saver meegenomen; • het tarief voor de afvalstoffenheffing bestaat uit een vast en een variabel deel: - het vaste deel is voor iedere belastingplichtige gelijk; - het variabele deel van het tarief wordt bepaald door de wijze van aanbieding van het afval, via een container of via inworp in een ondergrondse container, en het volume van de container, 140 of 240 liter; • bij de berekening van de tarieven wordt uitgegaan van gemiddeld 10 ledigingen per jaar van een 140-liter container, 12 ledigingen per jaar van een 240-liter container en 46 inworpen in een ondergrondse container; • als het aantal ledigingen of inworpen hoger is dan het gemiddelde aantal wordt een opslag in rekening gebracht; • de ledigingen en stortingen worden na afloop van het kalenderjaar in rekening gebracht; • bij de opstelling van de jaarrekening komt het saldo van baten en lasten op het product afvalverwijdering en -verwerking

ten laste of ten gunste van de voorziening afvalstoffenheffing. Een negatief saldo kan alleen worden verrekend voor zover de voorziening daarvoor toereikend is; • bij het berekenen van de tarieven is ervoor gekozen om alleen een meerjarig effect van het aantal ledigingen en/of inworpen mee te nemen. Dit betekent dat het aantal ledigingen of inworpen wordt bijgesteld als sprake is van een wijziging die zich minimaal drie jaar heeft voorgedaan. Hierdoor worden ongewenste schommelingen in het tarief voorkomen. Dit heeft niet geleid tot aanpassingen van het gemiddeld aantal ledigingen en inworpen. Voorlopige ontwikkeling tarieven 2024: Afvalstoffenheffing

2023

2024

Verschil

Vast tarief per aansluiting

€ 188,04

€ 205,40

9,23%

Tarief per lediging 240-liter container

€ 12,09

€ 13,20

9,18%

Tarief per lediging 140-liter container

€ 7,05

€ 7,70

9,22%

Tarief inworp ondergrondse afvalcontainer

€ 2,02

€ 2,20

8,91%

De stijging van de tarieven is hoger dan het inflatiepercentage dat SAVER heeft aangegeven. Dit heeft te maken met een extra stijging van de kosten die aan de afvalinzameling zijn verbonden, waaronder een stijgend aantal ingezamelde tonnages bij het grondstoffencentrum, een lagere opbrengst bij de verkoop van de ingezamelde grondstoffen en de kosten voor het versneld ondergronds plaatsen van de afvalcontainers. In deze tarieven is de inzet van de voorziening van de afvalstoffenheffing nog niet meegenomen. Dit is mede afhankelijk van de ontwikkeling van de rioolheffing en het doel om voor wat betreft de lastendruk voor inwoners en bedrijven één van de goedkopere gemeenten in de regio te zijn. Aangezien de cijfers van de rioolheffing nog niet bekend zijn, zal bij het opstellen van de begroting worden bekeken in hoeverre de voorziening voor de afvalstoffenheffing zal worden ingezet.

60

3.2.4 Rioolheffing Het gemeentelijk beleid en de daaruit voortkomende lasten voor de riolering liggen vast in een gemeentelijk rioleringsplan. De raming van de lasten en de berekening van de tarieven voor de rioolheffing worden daar op afgestemd. Het meest recente rioleringsplan betrof het GRP 2020-2023 dat in september 2019 is vastgesteld. Inmiddels wordt er gewerkt aan een nieuw rioleringsplan. Naar verwachting kan dat in september 2023 worden vastgesteld door de gemeenteraad. In het nieuwe rioleringsplan worden keuzes voorgesteld over de aanleg, de renovatie en het onderhoud van de riolering. Iedere keuze heeft bepaalde financiële gevolgen. Zolang de keuzes niet zijn gemaakt, kan er geen goede indicatie worden gegeven van de ontwikkeling van de rioolheffing. In deze zomernota wordt dan ook volstaan met de huidige uitgangspunten voor de rioolheffing. Deze zijn als volgt:

• er wordt uitgegaan van 100% kostendekkendheid; • de compensabele BTW wordt in de tarieven van de rioolheffing volledig doorberekend; • bij de ontwikkeling van de lasten wordt uitgegaan van een inflatiepercentage van 3%; • er is differentiatie van de tarieven tussen enerzijds eenpersoonshuishoudens en anderzijds meerpersoonshuishoudens en bedrijven;

• voor niet-woningen wordt naast het basistarief vanaf 500 m³ ook een tarief per m³ gehanteerd; • bij de opstelling van de jaarrekening wordt het verschil tussen de werkelijke baten en lasten verbonden aan de rioolheffing, verrekend met de voorziening overschotten riolering.

3.2.5 Toeristenbelasting en watertoeristenbelasting Via het besluit voor de (water-)toeristenbelasting over 2023 op 15 december 2022 heeft de gemeenteraad besloten om het tarief voor de (water-)toeristenbelasting voor de komende vier jaar gelijk te houden. Dat houdt in dat het tarief voor de toeristenbelasting in 2024 net als in 2023 € 1,35 bedraagt. Voor de watertoeristenbelasting bedraagt het tarief in 2024 € 1,20. 3.2.6 Leges In de legesverordening zijn de tarieven opgenomen voor diensten die door de gemeente worden verleend. De bij de legesverordening behorende tarieventabel is verdeeld in 3 onderdelen (voorheen titels, vanaf 2024 hoofdstukken): • algemene dienstverlening; • dienstverlening vallend onder fysieke leefomgeving/omgevingsvergunning; • dienstverlening vallend onder Europese dienstenrichtlijn. De wet spreekt van een maximale kostendekking van 100% op het niveau van de verordening. Dit impliceert dat sommige tarieven hoger kunnen zijn dan nodig is om de geraamde kosten te dekken en dat andere tarieven lager zijn. Indien dit het geval is, is sprake van kruissubsidiering. Hoewel dit volgens de wet is toegestaan op het niveau van de verordening, zijn hier via jurisprudentie beperkingen aan gesteld. Gezien deze beperkingen hanteert de gemeente Halderberge een maximale kostendekkendheid per hoofdstuk.

Door de inwerkingtreding van de Omgevingswet per 1 januari 2024 worden de tarieven voor de dienstverlening vallend onder de fysieke leefomgeving herzien. Met behulp van de applicatie kostendekkendheid.nl worden de kosten en verwachte aantallen in beeld gebracht. In samenspraak met de raadswerkgroep wordt vervolgens een percentage voor de kostendekkendheid voorgesteld. Dit leidt dan tot de nieuwe tarieven. De inwerkingtreding van de Omgevingswet is door de VNG aangegrepen om de indeling van de tarieventabel te herzien. Dit is vertaald in een nieuwe modelverordening. De gemeente Halderberge volgt zoveel mogelijk deze modelverordening.

De herziening van de indeling en de tarieven is aanleiding om voor de dienstverlening vallend onder de fysieke leefomgeving enkele specifieke uitgangspunten te benoemen: • in het verleden gemaakte keuzes om voor bepaalde activiteiten geen leges te heffen, worden zoveel mogelijk in stand gehouden; • het indienen van aanvragen voor ruimtelijke en maatschappelijke initiatieven (R&MI) wordt gestimuleerd door de hoogte van de daarvoor verschuldigde leges beperkt te houden; • in afwijking van de bestaande legesverordening worden voor de aanvraag van een omgevingsvergunning voor veel voorkomende bouwwerken (waaronder woningen, dakkapellen en erfafscheidingen) standaard legesbedragen in de verordening opgenomen; • voor het vaststellen van de bouwkosten van de overige bouwwerken is de ROEB-bijlage leidend. Als een bouwwerk daar niet in is vermeld, geldt de definitie van de bouwkosten zoals die in de tarieventabel is opgenomen; • voor milieubelastende activiteiten worden leges in rekening gebracht; • indien een aanvraag wordt ingetrokken of wordt geweigerd bestaat recht op teruggaaf van een deel van de leges. Hiervoor wordt zoveel mogelijk aangesloten op de percentages van de bestaande legesverordening;

61

• activiteiten waarvoor geen leges worden geheven, maar die wel in de modelverordening staan, worden niet

opgenomen in de tarieventabel. De betreffende artikelen krijgen de standaard tekst ‘gereserveerd’, zodat de nummering gelijk blijft aan de modelverordening. Dit zorgt ervoor dat wijzigingen eenvoudig verwerkt kunnen worden en er geen lange, overbodige bepalingen staan die de leesbaarheid nadelig beïnvloeden (deze methode wordt door het grootste deel van de gemeenten in Nederland gevolgd).

In het verlengde van de herziening van de tarieven voor de dienstverlening vallend onder de fysieke leefomgeving wordt ook voor de overige producten kritisch gekeken naar de onderbouwing van de tarieven en de gewenste kostendekkendheid. De nieuwe tarieven zullen via het voorstel voor de legesverordening voor 2024 aan de raad worden voorgesteld. Hierbij worden de volgende uitgangspunten gehanteerd: • indien tarieven deels of geheel van Rijkswege worden bepaald, wordt het maximale tarief aangehouden; • de tarieven worden berekend op basis van de verwachte kosten die met de dienstverlening gemoeid zijn; • indien het (nog) niet mogelijk is om de kostprijs van een product te berekenen, wordt het tarief uit 2023 geïndexeerd met een inflatiepercentage van 3%; • uit praktische overwegingen kunnen tarieven worden afgerond; • kruissubsidiëring per hoofdstuk is toegestaan, met uitzondering van de dienstverlening vallend onder de Europese dienstenrichtlijn. Hiervoor valt onder meer de vergunningverlening op het gebied van horeca en evenementen. Voor deze diensten is wettelijk bepaald dat de leges per paragraaf niet meer dan kostendekkend mogen zijn.

3.2.7 Lijkbezorgingsrechten Voor de lijkbezorgingsrechten gelden de volgende uitgangspunten: • ieder tarief dekt in principe voor 100% de kosten die verbonden zijn aan de verleende dienst; • uitzondering hierop zijn de tarieven voor de rechten voor een graf of urnennis voor kinderen onder 12 jaar; • bij het verlenen van rechten wordt een logische opbouw gehanteerd, waarbij het tarief voor 20 jaar tweemaal zo hoog is als het tarief voor 10 jaar (en naar rato ook voor andere looptijden); • de tarieven voor het verlengen van rechten zijn even hoog als de tarieven voor het verlenen van rechten; • het jaartarief voor het reserveren van een bijzonder graf bestaat naast een dekking voor de administratieve kosten uit een aandeel voor de dekking van het onderhoud (1/10 deel van het 10-jaarstarief voor het verlenen van een recht); • de geraamde structurele kosten voor het onderhoud van de begraafplaats worden verdeeld over de maximale capaciteit van de begraafplaats; • uit praktische overwegingen kunnen tarieven worden afgerond. 3.2.8 Marktgelden Het tarief voor het innemen van een standplaats op de markt bedraagt in 2023 € 2,50 per m¹. Voorgesteld wordt om voor het tarief voor 2024 een indexering toe te passen van 3% ten opzichte van het tarief van 2023 en de uitkomst hiervan naar boven af te ronden op een veelvoud van € 0,05. Het nieuwe tarief voor 2024 wordt dan € 2,60 per m¹.

De bijdrage in de promotiekosten bedraagt in 2023 per marktdag of gedeelte daarvan € 0,10 per m¹. Dit tarief wordt niet geïndexeerd en blijft daarmee ook in 2024 € 0,10 per m¹. Voor de doorberekening van de elektriciteitskosten zijn aparte categorieën gemaakt. De verdeling in categorieën is gemaakt op basis van de apparatuur die wordt gebruikt. Vorig jaar was sprake van een forse stijging met 40%. Gezien de onzekerheid over de ontwikkelingen op de energiemarkt worden de tarieven voor 2024 niet aangepast. 3.2.9 Kwijtscheldingsbeleid Indien een belastingplichtige niet of over te weinig financiële middelen beschikt om de belastingaanslag te voldoen en niet beschikt over vermogen, kan de belastingplichtige onder bepaalde voorwaarden in aanmerking komen voor kwijtschelding. Voorgestel wordt om voor de Begroting 2024 een kwijtscheldingspercentage te hanteren van 100%. Concreet betekent dit dat belastingplichtigen die een vermogen hebben onder de norm en een inkomen hebben van 100% van het minimuminkomen (volgens bijstandsnorm) of lager in aanmerking komen voor gehele of gedeeltelijke kwijtschelding. Belastingplichtigen kunnen alleen kwijtschelding aanvragen voor de afvalstoffenheffing, de rioolheffing en de onroerendezaakbelasting.

Omdat het gebruikersdeel van de onroerendezaakbelasting al een aantal jaren geleden is afgeschaft, komt echter bijna niemand in aanmerking voor kwijtschelding van de onroerendezaakbelasting. Voor de overige heffingen kunnen belastingplichtigen geen verzoek doen tot kwijtschelding.

62

Weerstandsvermogen en risicobeheersing

3.3.1 Inleiding Naast een sluitende meerjarenraming is ook het weerstandsvermogen een indicator voor de financiële positie van een gemeente. Het weerstandsvermogen wordt uitgedrukt in een indicator van de weerstandscapaciteit ten opzichte van de risico’s. Gehanteerde uitgangspunten berekening benodigde weerstandscapaciteit In de voorbereiding op de Zomernota 2023 heeft er naast een inventarisatie van nieuwe risico’s ook een herijking van de bestaande risico’s plaats gevonden. De geïnventariseerde risico’s zijn vervolgens opgenomen in NARIS en opnieuw berekend. Daarbij is een onderscheid gemaakt in structurele risico’s en incidentele risico’s. Bij de berekening van de benodigde weerstandscapaciteit zijn de volgende uitgangpunten gehanteerd. 1. Opgenomen zijn risico’s die, op relatief eenvoudige wijze, financieel zijn te vertalen. 2. Elke risico wordt berekend aan de hand van de volgende parameters: - kans van optreden (bandbreedte 10% - 90%). - minimaal financieel gevolg, verwacht financieel gevolg en maximaal financieel gevolg als het risico zich voordoet. 3. Bij de berekening van de benodigde weerstandscapaciteit is er rekening mee gehouden dat niet alle risico’s zich tegelijkertijd zullen voordoen: de benodigde weerstandscapaciteit bedraagt 95% van het totaal aan berekende risicobedragen. 4.

De gemeente krijgt voor structurele risico’s vier jaar de tijd om de financiële gevolgen van deze risico’s, fasegewijs, in de begroting/meerjarenraming op te nemen. Dit uitgangpunt vertaalt zich in een vermenigvuldigingsfactor van 2,5 voor structurele risico’s (jaar 1: 100%, jaar 2: 75%, jaar 3: 50%, jaar 4: 25%; totaal 250%).

63

3.3.2 Weerstandscapaciteit De weerstandscapaciteit bestaat uit de middelen en de mogelijkheden die de gemeente heeft om onverwachte kosten (risico’s) op te kunnen vangen. De weerstandscapaciteit op begrotingsbasis bestaat uit de volgende onderdelen. • De algemene reserves (inclusief algemene reserve grondexploitaties) • De vrije begrotingsruimte (post onvoorziene uitgaven en het begrotingssaldo) • Vrij besteedbare bestemmingsreserves • De onbenutte belastingcapaciteit • Eventuele stille reserves In de onderstaande tabel is de verwachte weerstandscapaciteit voor 2024 weergegeven (x € 1.000). Weerstandscapaciteit

Zomernota 2023

Algemene reserve

10.896

Algemene reserve grondexploitaties

3.522

Reserve Borchwerf II Egalisatiereserve rente

1.000

Post onvoorziene uitgaven

200

Begrotingsruimte

445

Vrij besteedbare bestemmingsreserves Onbenutte belastingcapaciteit Stille reserves Totaal weerstandscapaciteit

1.134 PM 17.197

3.3.3 Risico's In onderstaande tabel is het totale risicobedrag weergegeven (x € 1.000).

Risico's

64

Risicobedrag

Incidentele risico's

417

Structurele risico's

3.617

Totaal risicobedrag

4.034

Waarvan risico's sociaal domein

2.180

De 10 grootste risico's worden hierna toegelicht.

Risico

Risicobedrag

Tekort jeugdzorg

991

Tekort BUIG

427

CAO en andere loonontwikkelingen

409

Tekort Wmo huishoudelijke ondersteuning

342

Tekort Wmo begeleiding

296

Wateroverlast

246

Tekort Wmo voorzieningen

128

Schade aan wegen agv omleidingsroutes en sluipverkeer

123

Vost- en dooischade

123

Stijging materiaalkosten investeringen

120

Tekort jeugdzorg Omdat de uitvoering van de Jeugdwet een open-einde regeling betreft, bestaat het risico dat het beschikbare budget wordt overschreden. Dit risico is ingeschat op maximaal 10% van het budget voor jeugdzorg. Tekort BUIG Van het rijk wordt een gebundelde uitkering (BUIG) ontvangen voor de uitvoering van de Particiaptiewet, IOAW, IOAZ en BBZ. Omdat de uitvoering hiervan een open-einde regeling betreft, bestaat het risico dat het beschikbare budget wordt overschreden. Dit risico is ingeschat op maximaal 7,5% van de rijksbijdrage. Bij een (stuctureel) tekort van meer dan 7,5% kan een beroep worden gedaan op de vangnetregeling. CAO en andere loonontwikkelingen Voor de ontwikkeling van de salarissen wordt, naast de periodieke verhogingen, rekening gehouden met de loonstijgingen als gevolg van de cao. De huidge cao voor gemeenteambtenaren loopt tot en met 31 december 2023. In de huidige meerjarenraming is vanaf 2024 een loonsverhoging opgenomen van 3,0% in 2024 en 1,5% per jaar vanaf 2025. De loonstijging voor 2024 wordt door het CPB geraamd op 5,0% (CPB, Centraal Economisch Plan 2023, cao-loon bedrijven). Dit betreft een gemiddelde voor alle lonen in Nederland.

Gezien de hoge loonstijging voor 2023 in de cao gemeenten (voor Halderberge gemiddeld 7,7%), schatten wij in dat de loonstijging voor gemeenten in 2024 wat lager zal uitkomen dan het gemiddelde voor alle lonen in Nederland. Bij de uitgangspunten voor de Programmabegroting 2024 wordt voorgesteld bij de opstelling van de meerjarenbegroting 2024 – 2027, in afwachting van de nieuwe cao, uit te gaan van een loonstijging van 3% per jaar, gelijk aan het inflatiepercentage. Een extra loonstijging van 1% betekent voor Halderberge een structurele stijging van de loonkosten met ca. € 180.000 per jaar. Tekort Wmo huishoudelijke ondersteuning Omdat de uitvoering van de Wmo-voorziening hulp bij het huishouden een open-einde regeling betreft, bestaat het risico dat het beschikbare budget wordt overschreden. Dit risico is ingeschat op maximaal 10% van het budget voor hulp bij het huishouden. Tekort Wmo begeleiding Omdat de uitvoering van de Wmo-voorziening begeleiding een open-einde regeling betreft, bestaat het risico dat het beschikbare budget wordt overschreden. Dit risico is ingeschat op maximaal 10% van het budget voor begeleiding.

65

Wateroverlast Het klimaat is aan het veranderen. We krijgen meer en meer te maken met buien waarin binnen een korte tijd veel water valt. Het afwateringssysteem kan dergelijke intensieve regenbuien niet aan. De kans op wateroverlast in zowel stedelijk als landelijk gebied neemt daarom toe. De laatste jaren is daarom enorm veel geïnvesteerd in het treffen van maatregelen om wateroverlast tegen te gaan. De gevolgen van waterlast kunnen zijn: • Verzakkingen van wegen als gevolg van uitspoeling. • Herstellen verzakkingen en breuken in het riool. • Schoonmaken van ondergelopen gebieden. • Inzet van pompen voor het wegpompen van water in de ondergelopen gebieden. • In ernstige gevallen evacueren en opvangen bewoners. In de begroting is geen rekening gehouden met deze gebeurtenissen. Wel zijn er middelen voor het onderhoud aan wegen en riolering ter voorkoming van mogelijke overlast. Weersomstandigheden blijven echter een risico. Tekort Wmo voorzieningen Omdat de uitvoering van de Wmo-voorzieningen (woonvoorzieningen, vervoersvoorzieningen, rolstoelen) een openeinde regeling betreft, bestaat het risico dat het beschikbare budget wordt overschreden. Dit risico is ingeschat op maximaal 10% van het budget voor Wmo-voorzieningen.

Schade aan wegen als gevolg van omleidingen en sluiproutes Door reconstructies aan wegen kunnen schades ontstaan aan die wegen die worden aangewezen als omleidingsroute bij deze werkzaamheden. Daarnaast worden wegen ook gebruikt door sluipverkeer omdat het verkeer naast de omleidingsroutes haar eigen weg kiest. Met deze mogelijke schades is geen rekening gehouden in de begroting maar vormt wel een risico. Vorst- en dooischade Jaarlijks is er financieel ruimte voor het uitvoeren van onderhoud aan wegen, verhardingen en kunstwerken. In de begroting is geen rekening gehouden met mogelijke schades als gevolg van een dergelijke weersomstandigheden. Die hebben zich tot op heden nog niet voorgedaan, maar vormen wel een risico. Stijging materiaalkosten investeringen Door de huidige marktsituatie, met name als gevolg van de oorlog in Oekraïne, stijgen de materiaal- en brandstofkosten bij aannemers en leveranciers. Het risico bestaat dat de investeringskredieten die in het Investeringsprogramma zijn opgenomen niet meer toereikend zijn om de geplande werkzaamheden binnen het geraamde bedrag uit te kunnen voeren. 3.3.4 Weerstandsvermogen Op basis van de weerstandscapaciteit en de verwachte risico’s kan een uitspraak worden gedaan over het weerstandsvermogen.

Het weerstandsvermogen is het vermogen van de gemeente om financiële tegenvallers op te kunnen vangen zonder dat de normale bedrijfsvoering wordt aangetast. Het weerstandsvermogen bestaat uit de relatie tussen de beschikbare weerstandscapaciteit (de middelen waarover de gemeente kan beschikken om niet begrote kosten die onverwachts en substantieel zijn te dekken) en de benodigde weerstandscapaciteit (de risico’s waarvoor geen voorzieningen of verzekeringen zijn afgesloten). Deze relatie kan op een eenvoudige wijze in de volgende vergelijking worden weergegeven: Ratio weerstandsvermogen = Beschikbare weerstandscapaciteit / Benodigde weerstandscapaciteit (risico's). De ratio weerstandsvermogen is berekend op € 17.197.000 / € 4.034.000 = 4,26.

66

De ratio voor het weerstandsvermogen is als volgt gecategoriseerd. Situatie

Ratio weerstandsvermogen

Betekenis weerstandsvermogen

A

X > 2,0

Hoog

B

1,5 < X < 2,0

Ruim voldoende

C

1,0 < X < 1,5

Voldoende

D

0,5 < X < 1,0

Onvoldoende

E

X < 0,5

Ruim onvoldoende

De ratio van het weerstandsvermogen is berekend op 4,26. Dit is te categoriseren als hoog. Zoals ook bij de eerder genoemde uitgangspunten is aangegeven, is bij de berekening van benodigde weerstandscapaciteit rekening gehouden met zowel incidentele als structurele risico’s. Hierdoor heeft het benodigde weerstandsvermogen ook een meerjarig karakter voor de komende 4 jaar. Dit zal vervolgens jaarlijks bij de Zomernota en Begroting worden bijgesteld met de inzichten op dat moment. De daling ten opzichte van de ratio, zoals die voor het jaar 2023 was berekend in de Programmabegroting 2023 (4,57), is met name het gevolg van een daling van de weerstandscapaciteit met € 608.000 (3,5%). De risico's zijn met € 139.000 gestegen (4%). De daling van de weerstandscapaciteit is met name het gevolg van: 1. Het toevoegen van het positieve saldo van de Slotwijziging 2022 van € 0,7 miljoen aan de algemene reserve. 2. Het toevoegen het positieve saldo van de Jaarrekening 2022 van € 3,6 miljoen aan de algemene reserve. 3. Een lagere toevoeging winstuitkering Borchwerf 2022 aan de algemene reserve van € 0,7 miljoen. 4. Het onttrekken van € 1,4 miljoen aan de algemene reserve voor het achterstallig onderhoud aan gemeentelijke gebouwen. 5. Het onttrekken van € 1,0 miljoen aan de algemene reserve voor de afwaardering van een deel van het Markland College. 6.

Het onttrekken van € 0,4 miljoen aan de algemene reserve voor Fideï et Arti. 7. Het onttrekken van € 0,3 miljoen aan de algemene reserve voor dorpshuis De Steiger. 8. Een lagere onbenutte belastingcapaciteit van € 1,0 miljoen als gevolg van een lager tarief 'redelijk peil OZB' in de meicirculaire 2023. De stijging van de risico's is met name het gevolg van: 1. Een stijging van het totale risicobedrag voor het Sociale Domein met € 290.000 met name op de jeugdzorg en de tekorten BUIG. 2. Een daling van het risico op de verwachte stijging van de materiaalkosten op investeringen van € 180.000. Dit komt doordat het investeringsprogramma geactualiseerd is met inachtneming van de laatste prijsontwikkelingen. Omdat de markt nog steeds grillig is blijft er een risico.

67

68

Meerjaren Perspectief Grondexploitaties

3.4.1 Inleiding De werkwijze van de gemeente om de ruimtelijke doelstellingen binnen de gemeente te realiseren en op welke wijze de daartoe beschikbare grondbeleid instrumenten (kunnen) worden ingezet is vastgelegd in de Nota grondbeleid 2020 gemeente Halderberge. De actuele financiële vertaling hiervan met betrekking tot alle binnen het onderdeel grondexploitaties opgenomen projecten blijkt uit het Meerjaren Perspectief Grondexploitaties (MPG) 2023-2032 (het totale MPG is als bijlage bij deze Zomernota gevoegd). Op basis van alle lopende projecten, de gecalculeerde risico’s, de inschatting van de baten en de lasten van de projecten en de prognoses over de vastgoedmarkt, geeft dit MPG een doorkijk vanuit het verleden naar de toekomst van de in beheer en ontwikkeling zijnde complexen, vallend onder het taakveld grondbedrijf. Een dergelijke berekening vormt altijd een momentopname. Tal van gebeurtenissen hebben invloed op het exploitatieresultaat. Het is dan ook van groot belang om de berekening regelmatig te actualiseren. In dit MPG zijn op basis van de genoemde geactualiseerde exploitatieberekeningen, de financiële consequenties van alle grondbedrijf-activiteiten vertaalt in een meerjarige staat van reserves en voorzieningen grondexploitaties. De beginstand van deze staat is altijd 1 januari van het redactiejaar, in dit geval 2023.

Bovendien is er aansluiting tussen de exploitatieberekeningen en de zogeheten staten P die in de Jaarrekening worden vermeld. Een exploitatieberekening geeft meerjarig inzicht in de verwachte kosten en opbrengsten van een activiteit. Optelling van alle activiteiten binnen het taakveld grondbedrijf per jaarschijf zijn de basis voor de begroting voor het taakveld grondbedrijf. Het MPG en alle onderliggende berekeningen bieden hiervoor het meest actuele kader. 3.4.2 Woningbouwprogramma 2018 - 2028 Op 14 december 2017 is door uw raad het woningbouwprogramma 2018-2028 vastgesteld. Op basis van dit programma en de actuele ontwikkelingen binnen dit woningbouwprogramma zijn alle grondexploitatieberekeningen geactualiseerd en zijn waarderingen van grondposities bijgesteld. Deze actualisatie en waardering van de grondpositie is ook verwerkt in de Jaarrekening 2022. 3.4.3 Toerekening personele lasten Op basis van hetgeen toegestaan is volgens de notitie Grondbeleid in begroting en jaarstukken van de commissie BBV is bepaald welke bedragen reëel zijn om toe te rekenen aan de verschillende projecten binnen de grondexploitaties. Deze toerekening is limitatief. Het gaat hierbij alleen om vervaardigingskosten in relatie tot het transformeren van ruwe grond naar bouwrijpe grond van projecten welke gecategoriseerd mogen worden als Bouwgronden in Exploitatie (BIE).

Alle andere werkzaamheden die nodig zijn om bouwgronden in exploitatie te brengen (zoals een totale visie voor een gebied of voorbereidende werkzaamheden hiervoor) mogen niet meer worden toegerekend aan projecten binnen de grondexploitatie. Al een aantal jaren wordt de plankostenscan van de VNG gehanteerd om de personele lasten toe te rekenen aan de grondexploitaties.

69

Op basis van de bijgestelde grondexploitaties is in onderstaand staatje aangegeven welke personele lasten in de komende jaren aan de grondexploitatie-projecten worden toegerekend (x € 1.000).

Totaal toe te rekenen personele lasten

2023

2024

2025

2026

167

167

132

117

Bij de uitgangspunten voor de Programmabegroting 2024 is aangegeven hoe de toe te rekenen personele lasten in de Begroting worden verwerkt. 3.4.4 Financiële positie grondexploitaties Voor de beoordeling van de financiële situatie van de grondexploitaties zijn een aantal gegevens een belangrijke graadmeter. Het betreft hier o.a. de volgende variabelen: • De ontwikkeling van de reservepositie van de grondexploitaties; • Het verloop van de totale boekwaarde van de complexen binnen de grondexploitaties; • De ontwikkeling van de reserve bovenwijkse voorzieningen; • Geraamd saldo complexen op contante waarde. Onderstaand worden deze variabelen toegelicht. De ontwikkeling van de reservepositie van de grondexploitaties De uitgangspunten van het actuele woningbouwprogramma zijn verwerkt in de geactualiseerde grondexploitatieberekeningen. Indien de projecten conform deze uitgangspunten worden uitgevoerd zal de algemene reserve grondexploitaties groeien van € 3,7 miljoen per 1-1-2023 naar ca. € 8,2 miljoen op 31-12-2027. In onderstaand schema is het verloop van de algemene reserve grondexploitaties weergegeven (x € 1.000)

Algemene reserve grondexploitaties

1-1-2023

1-1-2024

1-1-2025

1-1-2026

3.679

3.680

3.680

3.752

Het verloop van de totale boekwaarde van de complexen binnen de grondexploitaties De boekwaarde van de complexen welke binnen de grondexploitaties worden geadministreerd, wordt enerzijds beïnvloed door de vervaardigingskosten die gemaakt moeten worden om ruwe gronden naar woonrijpe gronden te transformeren en anderzijds door de opbrengsten die deze woonrijpe gronden kunnen genereren. Op basis van het vastgestelde woningbouwprogramma zal de totale boekwaarde van de complexen in de periode 2023 - 2032 afnemen van ca. € 14,0 miljoen naar € 0. De ontwikkeling van de reserve bovenwijkse voorzieningen Voor wat betreft de onttrekkingen aan de reserve bovenwijkse voorzieningen is gerekend met een uitname zoals die is opgenomen in de Nota kostenverhaal. De voeding van deze reserve is gebaseerd op de aantallen woningen zoals deze zijn geprognosticeerd in de herziene kostprijsberekeningen bij de Jaarrekening 2022. Uit de geactualiseerde grondexploitatieberekeningen blijkt op dit moment dat er nog een toevoeging aan de reserve bovenwijkse voorzieningen wordt verwacht van ca. € 1,4 miljoen. Als gevolg van de geplande stortingen en onttrekkingen laat deze reserve een positief verloop zien. In 2021 en 2022 heeft een voorfinanciering plaatsgevonden vanuit de algemene reserve grondexploitaties.

Met de verwachte positieve saldi kan dit in de komende jaren terugestort worden in de algemene reserve grondexploitaties. In onderstaand schema is het verloop van de reserve bovenwijkse voorzieningen weergegeven (x € 1.000). Verloop bovenwijkse voorzieningen

2023

2024

2025

2026

0

360

488

760

Toevoegingen

600

218

272

61

Onttrekking

240

90

0

0

Saldo 31-12

360

488

760

821

Saldo 1-1

70

Geraamd saldo complexen op contante waarde Naast de boekwaarden zijn ook de nog te verwachten kosten en opbrengsten in beeld gebracht voor de projecten die in exploitatie zijn. Op basis hiervan zijn onderstaand de projecten weergegeven met een verwacht financieel resultaat (winstgevend of verliesgevend) op basis van de nominale waarde en de contante waarde per 1-1-2023 (x € 1.000). Project

Resultaat nominale waarde

Resultaat contante waarde

3.909

3.541

1

1

532

492

216 Mgr. Meeuwissenstraat / Kerkstraat

-2.723

-2.670

315 Hoeven Oost-cluster Lindelommer

-488

-460

316 Uitbr. Hoeven Bovendonksestraat

73

68

504 Klooster Stampersgat e.o.

-2.412

-2.364

913 Oud Gastel Noord

-2.844

-2.788

Totaal

-3.952

-4.181

106 Sportpark Pagnevaart 143 Bornhemweg 144 Havendijk

Op basis van de contante waarde geven de projecten die positief sluiten nog een resultaat van in totaal ca. € 4,1 miljoen. De projecten die negatief sluiten hebben een verwacht resultaat van in totaal ca. € 8,3 miljoen. Voor de projecten met een verwacht verlies is reeds een voorziening gevormd op basis van deze contante waarde. 3.4.5 Risico's Doordat in de Jaarrekening 2022 de voorzieningen voor de verliesgevende projecten wederom zijn geactualiseerd, is het grootste deel van het risico binnen de grondexploitaties ondervangen. Echter aanvullende verliesvoorzieningen en afwaarderingen kunnen nog nodig zijn op basis van onderstaande risico’s. • De verkoopprijs binnen de diverse projecten is vastgesteld op een bedrag van € 330 per m2. Doordat de werkelijke uitgifteprijs anders kan worden, kan dit leiden tot andere opbrengsten dan waar nu in de exploitatieberekeningen van is uitgegaan. Ook de ontwikkelingen in de markt, zoals fluctuatie van de huizenprijzen, kunnen van invloed zijn op de grondprijs. • Er is gekozen voor een gespreide fasering op basis van het vastgestelde reële woningbouwprogramma. Door een stagnatie in de bouw van woningen zou deze fasering in werkelijkheid anders kunnen worden. Hierdoor zullen de rentelasten over het geïnvesteerd vermogen toenemen. • Het algemene rentepercentage dat gebruikt wordt binnen de grondexploitaties is 0,71%.

Door (voornamelijk) externe factoren kan dit percentage hoger of lager uitvallen waardoor de resultaten van de berekeningen af gaan wijken. • Indien projecten door wet- en regelgeving niet langer uitgevoerd kunnen worden op de manier zoals die gepland waren kunnen hierdoor financiële verliezen ontstaan. Hierdoor kunnen naast de financiële verliezen ook wijzigingen optreden in het aantal te realiseren woningen, wat weer gevolgen heeft voor het saldo van de reserve bovenwijkse voorzieningen. Op basis van de bovenstaande risico’s is het totale risicobedrag voor de grondexploitaties bepaald op € 2,3 miljoen. Dit bedrag is opgenomen in de berekening van het totale weerstandsvermogen van de gemeente Halderberge.

71

72

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://gemeenteraad.halderberge.nl/api/v1/meetings/558/documents/16314