CConstaterende datHalderberge
Koppel je AI →
Document · PDF

Zomernota 2022 Definitief.pdf

Gemeenteraad 14 juli 2022, gemeente HalderbergeBij agendapunt: 8: Zomernota 202218.290 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Extra benodigde capaciteit voor uitvoering collegewerkprogramma

36

4 Gevolgen coronacrisis

37

38

Impact coronacrisis

4.1.1 Inleiding In deze paragraaf geven wij u een update van de laatste ontwikkelingen ten opzichte van de Jaarrekening 2021. De informatie zoals opgenomen in deze paragraaf geeft een beeld van de situatie januari t/m mei 2022. 4.1.2 Gemeentefonds Het Rijk heeft in de september- en decembercirculaire 2021 voor het uitkeringsjaar 2022 een aanvullend compensatiepakket corona bekend gemaakt. Het gaat om eenmalige extra rijksmiddelen voor gemeentelijk schuldenbeleid (totaal € 30 miljoen), bijzondere bijstand (totaal € 15 miljoen), re-integratie (totaal € 55 miljoen) en de gemeenteraadsverkiezingen (totaal € 30 miljoen). Deze extra middelen ter compensatie van de gevolgen van de coronacrisis vertalen zich voor onze gemeente in een hogere uitkering uit het gemeentefonds in 2022 van ca. € 142.000. Algemene uitkering is vrij besteedbaar De uitkeringen uit het gemeentefonds zijn, zoals u wellicht weet, nadrukkelijk niet geoormerkt. Dat geldt in sterke mate voor de algemene uitkering. Dit betekent dat de ontvangen compensatiebedragen niet worden geoormerkt. De uitkeringen uit het gemeentefonds zijn vrij aanwendbaar en besteedbaar. Gemeenten worden via de algemene uitkering op globale wijze gecompenseerd voor de lasten(stijgingen) die horen bij de gemeentelijke taken. De ontvangen rijksmiddelen uit het (eerste) compensatiepakket worden daarom als totaalbedrag meegenomen.

Dat er geen één-op-één koppeling tussen de baten (uitkeringen gemeentefonds) en de lasten is, komt ook tot uitdrukking in de verantwoordingswijze: uitkeringen uit het gemeentefonds moeten worden verantwoord op één taakveld en mogen niet worden verantwoord op andere taakvelden in de Begroting of Jaarrekening. 4.1.3 Impact op de organisatie Na het uitbreken van de crisis was de doelstelling een zo adequaat mogelijke uitvoering van de landelijke en lokale maatregelen en naar zoveel mogelijk continuïteit van de reguliere werkzaamheden en van noodzakelijke (digitale) besluitvorming. Hier zijn de nodige interne maatregelen voor genomen. Continuiteit organisatie Vanaf eind maart zijn de laatste coronamaatregelen afgeschaft. Daarmee is ook het thuiswerkadvies komen te vervallen. De medewerkers kunnen hierdoor hun werkzaamheden weer op kantoor uitvoeren. Dienstverlening Tijdens de coronacrisis zijn de openeningstijden aangepast om de dienstverlening zo optimaal vorm te geven. Vooralsnog is er voor gekozen om deze openingstijden te handhaven. Er zijn op dit moment verder geen relevante ontwikkelingen te melden. 4.1.4 Impact op de lokale samenleving In deze paragraaf geven we u een update van relevante ontwikkelingen ten opzichte van de Jaarrekening 2021. Onderstaand zijn, niet limitatief, de gevolgen van de corona-crisis op diverse lokale doelgroepen en organisaties weergegeven.

Afschaffen maatregelen De belangrijkte ontwikkeling de afgelopen periode zijn het afschaffen van de coronamaatregelen. De laatste maatregelen zijn op 23 maart jl. afgeschaft. Alleen de basismaatregelen zoals o.a. was je handen, nies of hoest in je ellebogen en blijf thuis bij klachten blijven bestaan. Hiermee is de samenleving weer "open" gegaan. Er zijn op dit moment dan ook geen relevante ontwikkelingen te melden.

39

4.1.5 Financiele gevolgen en risico's van de coronacrisis De coronacrisis treft de lokale samenleving op diverse manieren. Niet alleen sociaal hebben de getroffen rijksmaatregelen een impact. Ook financieel treft de coronacrisis de lokale samenleving. Onderstaand is, niet limitatief, aangegeven welke financiële gevolgen en impact de coronacrisis heeft op de lokale samenleving. Noodfonds Bij de vaststelling van de Zomernota 2020, zijn de maatregelen van het noodfonds verder geconcretiseerd en gecommuniceerd richting organisaties, instellingen en verenigingen. Hierbij geven wij u een korte update van een aantal maatregelen ten opzichte van de Jaarrekening 2021. Als bepaalde maatregelen niet worden benoemd, dan zijn daar op dit moment geen ontwikkelingen over te melden.

•

Compensatie huisvestingslasten Het kabinet heeft aan gemeenten middelen beschikbaar gesteld om vrijwilligersorganisaties voor cultuur en sport te compenseren in hun coronaschade van 1 januari tot 1 oktober 2021. Veertien culturele, drie sportverenigingen en een stichting voor kindervakantiewerk hebben een ondersteuningsverzoek ingediend. Het college heeft besloten 16 verenigingen financieel te compenseren voor coronaschade en twee verzoeken af te wijzen. De sportverenigingen worden gecompenseerd vanuit het noodfonds. De overige verenigingen worden gecompenseerd van uit de ontvangen rijksmiddelen.

Velenging looptijd maatregelen lokaal noodfonds De looptijd van de maatregelen van het lokale noodfonds loopt tot 1 juli 2022. Op dit moment wordt door de rijksoverheid aangegeven dat in het najaar mogelijk weer diverse maatregelen moeten worden genomen als gevolg van corona. Gezien deze landelijke ontwikkelingen, de onzekerheid over de impact van een nieuwe coronagolf en eventuele rijksmaatregelen, wordt de looptijd van het lokale noodfonds verlengd tot eind 2022. Door de looptijd te verlengen tot het einde van het jaar, biedt dit de mogelijkheid om daar waar nodig ondersteuning te bieden.

40

Financiële mutaties

4.2.1 Financiële mutaties Mutaties Coronacrisis

2022

2023

2024

2025

2026

V/N

Compensatie gemeentefonds

142

0

0

0

0

V

Thuiswerkplekken

-61

0

0

0

0

N

Tijdelijke capaciteit hulp bij financiële zorgen

-32

0

0

0

0

N

Subsidieregeling meerkosten corona wmo en jeugd

-79

0

0

0

0

N

Extra bijdrage carnavalsverenigingen

-4

0

0

0

0

N

Aanvullende subsidie maatschappelijk werk

-59

0

0

0

0

N

Minderopbrengst OZB

-15

0

0

0

0

N

Compensatie culturele verenigingen

-33

0

0

0

0

N

Lokaal noodfonds: Compensatie corona sportverenigingen

-19

0

0

0

0

N

Sociaal en mentaal welzijn en leefstijl: Aanpak eenzaamheid

-20

0

0

0

0

N

Sociaal en mentaal welzijn en leefstijl: pilot wijk ggzer

-92

0

0

0

0

N

Mutatie reserve compensatie coronacrisis

271

0

0

0

0

V

0

0

0

0

0

Totaal Mutaties Coronacrisis 4.2.2 Toelichting

Compensatie gemeentefonds In de september- en decembercirculaire 2021 is een aanvullend compensatiepakket corona opgenomen. Zie de toelichting op het gemeentefonds hierboven. Thuiswerkplekken Als gevolg van de corornacrisis waarbij de medewerkers zo veel als mogelijk volgens de richtlijnen van het Rijk thuiswerken, is in 2021 gestart met de implementatie van het thuiswerken en hybride werken. Bij de Zomernota 2021 is hiervoor een budget van € 100.000 beschikbaar gesteld. Het resterende budget zal in 2022 worden ingezet voor de verdere implementatie van het thuiswerken. Tijdelijke capaciteit hulp bij financiële zorgen Gelet op de impact van de coronacrisis en de inwerkingtreding van de nieuwe wet per 1 januari 2022 is voor hulp bij financiële zorgen een tijdelijke uitbreiding van de formatie nodig om de toenemende aantallen aanvragen op te vangen.

41

Subsidieregeling meerkosten corona wmo en jeugd Voor zorgaanbieders Wmo en jeugd die meerkosten hebben als gevolg van de coronacrisis was voor het jaar 2020 een subsidieregeling "meerkostenregeling corona" opengesteld. Ook voor meerkosten over het jaar 2021 wordt een dergelijke regeling opengesteld. De regeling wordt regionaal gecöordineerd door de gemeente Roosendaal. Voor de kosten van deze regeling wordt vooralsnog uitgegaan van het bedrag dat voor meerkosten wmo en jeugd van het rijk wordt ontvangen. Voor Halderberge is dit ca.€ 79.000. Extra bijdrage carnavalsverenigingen Vanwege de coronamaatregelen kon carnaval niet op de normale manier gevierd worden. Samen met de caranvalsstichtingen is gezocht naar een alternatieve manier om invulling te geven aan carnaval. De stichtingen hebben een extra bijdrage ontvangen om de aciviteiten in de kernen op een veilige manier mogelijk te maken. Aanvullende subsidie maatschappelijk werk Surplus heeft een aanvullende subsidie ontvangen om de wachttijd voor het algemeen maatschappelijk werk (AMW) in te lopen, en daarmee de inwoners tijdige en passende ondersteuning te kunnen bieden die nodig is. De aanmeldingen voor het AMW zijn toegenomen tussen de lockdowns in, waardoor een wachttijd is ontstaan die met de bestaande formatie niet was in te lopen.

Om deze reden is er voor gekozen om een tijdelijke uitbreiding van formatie in te zetten om deze wachttijd in te korten. Minderopbrengst OZB Er is een COVID correctie niet-woningen toegepast voor bedrijven die ten gevolge van de lockdown te maken hebben gehad met verplichte sluiting (winkels, horeca, kappers, cultuur en sport). De WOZ-waarde van deze panden is eenmalig verlaagd waardoor in 2022 minder OZB betaald hoeft te worden. Compensatie culturele en sportverenigingen Het kabinet heeft aan gemeenten middelen beschikbaar gesteld om vrijwilligersorganisaties voor cultuur en sport te compenseren in hun coronaschade van 1 januari tot 1 oktober 2021. Veertien culturele, drie sportverenigingen en een stichting voor kindervakantiewerk hebben een ondersteuningsverzoek ingediend. Het college heeft besloten 16 verenigingen financieel te compenseren voor coronaschade en twee verzoeken af te wijzen. De sportverenigingen worden gecompenseerd vanuit het noodfonds. De overige verenigingen worden gecompenseerd van uit de ontvangen rijksmiddelen. Aanpak eenzaamheid Tijdens de Week tegen eenzaamheid is de kerngroep 'Naar een hechte gemeenschap' in 2021 in gesprek gegaan met inwoners en diverse organisaties over het thema 'Eenzaamheid'.

Naast het bespreekbaar maken van 'Eenzaamheid' wilde de kerngroep een beeld krijgen van de eenzaamheid onder inwoners van Halderberge; in hoeverre de Corona situatie van invloed is geweest op het gevoel van eenzaamheid en welke ideeën er leven om eenzaamheid tegen te gaan. Op basis van de uitkomsten van deze gesprekken is de kerngroep ‘Naar een hechte gemeenschap’ tot de conclusie gekomen dat als gevolg van de corona pandemie ‘herstelwerkzaamheden’ moeten plaatsvinden om het netwerk weer aan te halen en te versterken. Daarom wil de kerngroep ‘Naar een hechte gemeenschap’ in 2022 inzetten op het versterken van het netwerk, het netwerk te ondersteunen door hen te voorzien van meer kennis en vaardigheden omtrent het thema eenzaamheid en ten behoeve van het netwerk een vrijwilligerscampagne op te zetten, zodat zij over voldoende vrijwilligers beschikken om hun activiteiten uit te kunnen voeren. Pilot wijk ggz-er De laatste jaren ziet de gemeente een toename van meldingen over personen met verward gedrag. Deze meldingen komen binnen bij de politie die actie onderneemt. Vaak gaat het over personen met verward gedrag die niet of nauwelijks overlast geven, crimineel of gevaarlijk zijn. Hier ligt geen hoofdtaak voor de politie. Om deze personen beter te kunnen helpen en ondersteunen, is een pilot gestart om een wijk ggz-er in te zetten.

Deze wijk ggz-er maakt op laagdrempelige wijze contact met de inwoner om zo zijn verward gedrag te kunnen duiden en te verminderen en eventueel toe te leiden naar de juiste zorg en/of ondersteuning. Mutatie reserve compensatie coronacrisis De stand van de reserve compensatie coronacrisis per 1-1-2022 bedraagt € 800.431. Per saldo wordt bij de Zomernota een bedrag van € 270.957 aan de reserve compensatie coronacrisis onttrokken. Het saldo van de reserve na deze toevoeging bedraagt € 529.474. Via de P&C cyclus informeren wij u over de inzet van deze reserve.

42

Claims Naast de reeds gemaakte kosten is er ook nog een aantal claims dat nog ten laste komt van de reserve compensatie coronacrisis. Dit zijn: Lokaal noodfonds Voor het lokaal noodfonds is een totaalbedrag van € 100.000 beschikbaar gesteld. Hiervan resteert nog een bedrag van € 49.116. Na verrekening van de claims bedraagt het saldo van de reserve compensatie coronacrisis € 480.358 positief.

43

44

5 Kadernota 2023 - 2026

45

46

Uitgangspunten Programmabegroting 2023

5.1.1 Algemeen Voor het opstellen van de begroting is het van belang dat de raad de uitgangspunten voor het opstellen van de Programmabegroting 2023 vaststelt. Deze uitgangspunten, die tevens zijn gehanteerd bij het opstellen van deze Zomernota 2022 – 2026, staan hieronder vermeld. Hieronder is een aantal algemene uitgangspunten genoemd die gehanteerd worden bij het opstellen van de Programmabegroting 2023. • De meerjarenbegroting 2023 – 2026 wordt opgesteld overeenkomstig het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten (BBV), de Financiële verordening Halderberge, het Gemeenschappelijk Financieel Toezichtkader (GTK) van de provincie Noord-Brabant en de begrotingscirculaire 2022 van de provincie NoordBrabant van 29 maart 2022. • Bij de opstelling van de Begroting 2023 worden de begrotingswijzigingen betreffende het jaar 2022 tot en met de raadsvergadering van 14 juli 2022 meegenomen. • In de Begroting 2023 wordt zoveel mogelijk rekening gehouden met autonome ontwikkelingen, zoals het (verwachte) aantal inwoners, woonruimten, uitkeringsgerechtigden, bouwvergunningen, e.d. Verder wordt er zoveel mogelijk rekening gehouden met (opgelegd) rijksbeleid. In principe worden autonome ontwikkelingen door het rijk gecompenseerd middels de algemene uitkering uit het Gemeentefonds.

Het kan echter zo zijn, dat het rijk uit bezuinigingsoverwegingen besluit tot geen of een gedeeltelijke compensatie. • De ramingen van de uitkeringen uit het gemeentefonds in deze Zomernota 2022 – 2026 zijn gebaseerd op de uitkomsten van de meicirculaire 2022 en de laatste specificaties van de algemene uitkering. De uitkomsten van de septembercirculaire 2022 worden indien mogelijk (afhankelijk van de verschijningsdatum van deze circulaire) meegenomen in de Programmabegroting 2023. • Bij de berekening van de algemene uitkering is rekening gehouden met de (verwachte) areaalontwikkeling van de WOZ-capaciteit en de verwachte ontwikkeling van de aantallen eenheden zoals woonruimten, inwoners en bijstandsgerechtigden. 5.1.2 Prijs- en loonontwikkeling • In de huidige meerjarenbegroting is voor de jaren 2022 – 2025 uitgegaan van 1,5% inflatie. Deze inflatie is structureel in de meerjarenraming opgenomen. De huidige inflatieverwachting bedraagt voor 2022 5,9% en voor 2023 2,2% (CPB, Centraal Economisch Plan 2022, inflatie, geharmoniseerde consumentenprijsindex). Gezien de verwachte inflatiecijfers wordt voorgesteld bij de opstelling van de meerjarenbegroting 2023 – 2026 het inflatiepercentage te verhogen naar 4% per jaar. • Voor de ontwikkeling van de salarissen wordt, naast de periodieke verhogingen, rekening gehouden met de loonstijgingen als gevolg van de cao.

De huidge cao voor gemeenteambtenaren loopt tot 1 januari 2023. In de huidige meerjarenraming is vanaf 2023 een loonsverhoging opgenomen van 1,5% per jaar. Voorgesteld wordt bij de opstelling van de meerjarenbegroting 2023 – 2026, in afwachting van de nieuwe cao, uit te gaan van een loonstijging van 3% per jaar in 2023 en 2024 en 1,5% per jaar vanaf 2025. • De totale kosten van de professionele instellingen (zoals de bibliotheek) hebben een gemengd karakter. Deze verhouding is in zijn algemeenheid ongeveer 30% materialen en diensten en 70% lonen. Voorgesteld wordt voor de subsidies aan professionele instellingen voor de meerjarenbegroting 2023 – 2026 een indexering van 4% te hanteren, gelijk aan het inflatiepercentage. • Voorgesteld wordt voor de overige subsidies, conform de huidige begroting, geen indexering toe te passen in de meerjarenbegroting 2023 – 2026. • Voor de verbonden partijen wordt de bijdrage opgenomen zoals deze in de Begroting 2023 van de betreffende verbonden partij is vastgesteld.

47

• •

De tarieven van de OZB stijgen jaarlijks met het inflatiepercentage. In de (meerjaren)begroting 2023 – 2026 wordt uitgegaan van een stijging van de tarieven met 4% per jaar. De inkomstenbudgetten stijgen eveneens met het inflatiepercentage van 4% per jaar.

5.1.3 Rentebeleid • Het gehanteerde rentebeleid is opgenomen in de Financiële verordening Halderberge. • Er wordt geen rente berekend over de eigen financieringsmiddelen. • Rentekosten worden verzameld op het taakveld Treasury en via dit taakveld toegerekend aan de overige taakvelden. • Voor de toerekening van de rente aan de investeringen wordt een renteomslag opgesteld. De werkelijke rentekosten worden hierin afgezet tegen de boekwaarden van de activa en de voorraden en monden uit in een gemiddeld rentepercentage. Dit rentepercentage, dat wordt afgerond op een veelvoud van een half procent, wordt bij het opstellen van de Programmabegroting 2023 berekend. De rente wordt toegerekend aan het taakveld waarvoor het activum is aangeschaft. • Indien sprake is van projectfinanciering wordt de rente rechtstreeks toegerekend aan het betreffende activum. Dit is bij twee gebouwen het geval, namelijk het gemeentehuis aan de Parklaan te Oudenbosch en de nieuwbouw van het Markland College. • De toe te rekenen rente aan de grondexploitaties is gebaseerd op de daadwerkelijk te betalen rente. Het over het vreemd vermogen te hanteren rentepercentage wordt bepaald op grond van het gewogen gemiddelde rentepercentage van de leningenportefeuille van de gemeente naar de verhouding vreemd vermogen / totaal vermogen op de balans.

De rente wordt toegerekend over de boekwaarde van de bouwgronden in exploitatie per 1 januari van het begrotingsjaar. 5.1.4 Reserves en voorzieningen • Het beleid inzake reserves en voorzieningen is opgenomen in de Financiële verordening Halderberge. • Bij het opstellen van de Programmabegroting 2023 worden de bestaande reserves en voorzieningen indien nodig geactualiseerd. • Conform het rentebeleid vindt geen inflatiecorrectie plaats op de reserves en voorzieningen. 5.1.5 Activa • De activa worden geactiveerd en afgeschreven conform het BBV en de Financiële verordening Halderberge. • Activa met een verkrijgingsprijs van minder dan € 20.000 worden niet geactiveerd, uitgezonderd gronden en onbewerkte terreinen die altijd worden geactiveerd. Bij de bepaling van het bedrag van € 20.000 wordt gekeken naar het totaal van de investering en niet naar de prijs per afzonderlijk goed. 5.1.6 Toerekening personele lasten • Personele lasten worden toegerekend aan de tarieven van de afvalstoffen- en rioolheffing, investeringen en grondexploitaties. Daarnaast worden kosten in rekening gebracht bij ontwikkelaars in het kader faciliterend grondbeleid.

• Op basis van de urenraming bij de Begroting 2023 worden de personele kosten (inclusief overhead) die betrekking hebben op de taakvelden riolering en afvalverwijdering en -verwerking doorberekend in de tarieven van respectievelijk de rioolheffing en de afvalstoffenheffing. Het budgettair voordeel wat hierdoor ontstaat komt volledig ten gunste van de exploitatie. • In het BBV is bepaald dat activa worden gewaardeerd tegen de verkrijgings-of vervaardigingsprijs. Hieronder vallen ook personeelskosten die direct aan een actief zijn toe te rekenen. In de Financiële verordening Halderberge is opgenomen dat met ingang van 2021 personele kosten (exclusief overhead) worden doorberekend aan investeringen. De personeelskosten worden uitgedrukt in een percentage van de totale kosten van de investering. Het berekende percentage wordt zowel op de raming voor het investeringsplan in de Begroting als voor de realisatie toegepast. Op basis van het huidige investeringsprogramma is een inschatting gemaakt van de toe te rekenen kosten. Hierbij is uitgegaan van een gemiddeld investeringsniveau voor de komende jaren en de beschikbare reguliere capaciteit. • Op basis van de plankostenscan van de VNG worden de personele lasten (inclusief overhead) berekend die kunnen worden toegerekend aan de grondexploitaties.

• Op basis van de Nota Kostenverhaal kunnen kosten van faciliterend grondbeleid worden doorberekend aan externe ontwikkelaars. Het door te berekenen bedrag wordt per project bepaald op basis van een plankostenscan. • Het budgettair voordeel wat ontstaat door de toerekening van personele lasten aan investeringen, grondexploitaties en faciliterend grondbeleid, komt deels ten gunste van de exploitatie (€ 350.000 in 2023, € 300.000 in 2024 en € 250.000 structureel vanaf 2025). 48

•

•

Op basis van het collegewerkprogramma 2022-2026, Samen aan de Slag! wordt in 2023 een reserve flexibele schil gevormd van € 750.000. Wanneer er meer investeringen, grondexploities en projecten gedaan worden en er een hoger bedrag aan personele lasten kan worden toegerekend dan het hierboven genoemde bedrag, wordt het meerdere toegevoegd aan de reserve flexibele schil. Het college kan de reserve flexibele schil inzetten voor aanvullende capaciteit om de geplande (investerings-)projecten en grondexploitaties ook daadwerkelijk te kunnen realiseren. Het college zorgt er hierbij voor dat de investering in de flexibele schil op een transparante en effectieve manier wordt ingezet en rapporteert hierover aan de raad via de P&C-cyclus.

5.1.7 Gemeentefonds Algemeen De meicirculaire 2022 vormt de basis voor de meerjarenraming van de uitkeringen uit het gemeentefonds in deze Zomernota 2022 – 2026. De meicirculaire geeft informatie over de verwachte ontwikkeling van de omvang van het gemeentefonds. De jaarlijkse mutatie van de omvang van het gemeentefonds wordt aangeduid met de term accres. De omvang van het gemeentefonds is gekoppeld aan de ontwikkeling van de accresrelevante rijksuitgaven (normeringsmethodiek). Daarnaast melden de beheerders van het gemeentefonds (de minister van BZK en de staatssecretaris van Financiën) in de meicirculaire de verwachte (landelijke) ontwikkeling van de aantallen eenheden van diverse verdeelmaatstaven, de zogeheten uitkeringsbasis, en de eventuele taakmutaties en/of beleidsintensiveringen. Wanneer er een taak van het Rijk naar de gemeenten wordt overgeheveld of de gemeenten er een extra taak bij krijgen, ontvangen de gemeenten hiervoor doorgaans middelen van het Rijk. Deze rijksmiddelen worden veelal toegevoegd aan het Gemeentefonds. De verdeling van deze rijkmiddelen kan dan plaatsvinden via de algemene uitkering of een afzonderlijke decentralisatieuitkering.

Behoedzaamheidsreserve lager accres In de meerjarenraming van de algemene uitkering (2022 - 2026) houden wij er rekening mee dat het werkelijke accres vanaf het jaar 2022, dat naar verwachting definitief vastgesteld wordt in de meicirculaire 2023, zo’n € 300.000 lager uitvalt ten opzichte van de huidige accresraming (stand meicirculaire 2022). Daarbij gaan wij er vooralsnog vanuit dat de huidige normeringssystematiek (ook wel trap-op-trap-af-systematiek) voor de komende jaren gehandhaafd blijft. BTW-compensatiefonds (BCF) In de meerjarenraming van de algemene uitkering wordt er geen rekening gehouden met een eventuele ruimte onder het BCF-plafond. Septembercirculaire 2022 en Begroting 2023 Indien de planning van het bestuurlijke besluitvormingstraject het toelaat zullen de gevolgen van de septembercirculaire 2022 worden meegenomen bij de opstelling van de Begroting 2023. Ontwikkeling aantal eenheden (uitkeringsbasis) De meicirculaire geeft onder meer actuele informatie over de bedragen per eenheid per verdeelmaatstaf, de uitkeringsfactor (vermenigvuldigingsfactor voor alle gemeenten) en de landelijke ontwikkeling van de aantallen eenheden van een aantal verdeelmaatstaven.

Afhankelijk van de verdeelmaatstaf worden de aantallen eenheden gebaseerd op informatie binnen de eigen organisatie of verbonden partij (burgerzaken, Werkplein Hart van West-Brabant, Belastingsamenwerking West-Brabant), de meest actuele informatie vanuit het ministerie van BZK, de verwachte landelijke trend zoals opgenomen in de meicirculaire en/of op basis van een prognose gebaseerd op gegevens uit het verleden (trend). 5.1.8 Post onvoorziene uitgaven De post onvoorziene uitgaven is samen met het begrotingssaldo de vrije bestedingsruimte in de begroting. In de huidige meerjarenraming is € 100.000 opgenomen. De post onvoorziene uitgaven is niet per programma, maar in zijn geheel onder de algemene dekkingsmiddelen opgenomen.

49

50

Ontwikkeling lokale heffingen en tarieven

5.2.1 Algemeen Jaarlijks stelt de gemeenteraad de tarieven vast voor de gemeentelijke heffingen. Dat gebeurt via de afzonderlijke verordeningen voor die heffingen. De uitgangspunten die de raad hierbij hanteert, komen voort uit het bestuursakkoord en het collegeprogramma voor de jaren 2022 t/m 2026. Daarnaast is de raad gebonden aan diverse wettelijke bepalingen. Voor zover relevant zijn deze hieronder opgenomen. Wettelijke bepalingen: • de tarieven van de afvalstoffen- en de rioolheffing zijn maximaal 100% kostendekkend; • datzelfde geldt voor de tarieven van de leges. Binnen de legesverordening is kruissubsidiëring toegestaan. Zie voor een toelichting het onderdeel leges. Lokale ambities: In het bestuursakkoord 2022 – 2026 is aangegeven dat Halderberge de ambitie houdt om voor de totale lastendruk één van de goedkopere woongemeenten van de regio te blijven.

Gezien de wettelijke bepalingen en de lokale ambities wordt voorgesteld om bij de bepaling van de tarieven van de diverse gemeentelijke heffingen voor 2023 uit te gaan van de volgende uitgangspunten: • de tarieven van de onroerendezaakbelasting (OZB) stijgen met het inflatiepercentage, waarna bij het opstellen van de verordening voor 2023 nog correctie plaatsvindt voor de waardeontwikkeling; • de kostendekkendheid van de tarieven voor de rioolheffing is 100% en de compensabele BTW wordt in deze tarieven doorberekend; • de kostendekkendheid van de tarieven voor de afvalstoffenheffing is 100% en de compensabele BTW wordt in deze tarieven doorberekend. 5.2.2 Onroerendezaakbelasting (OZB) Via het raadsbesluit van 15 december 2016 over de oprichting van de Economische Koepel Halderberge heeft uw raad besloten om vanaf 2017 het tarief voor de OZB voor niet-woningen extra te verhogen. Voor 2017 in eerste instantie met 2,5% en voor de jaren daarna met 5%. Deze opslag is gehandhaafd tot en met 2022. Op 7 oktober 2021 heeft uw raad besloten deze opslag vanaf 2023 te laten vervallen (besluit over de economische visie Halderberge). Dit is verwerkt in de voorlopige tarieven. In het collegewerkprogramma is opgenomen dat de gemeente Halderberge de ambitie heeft om voor wat betreft de lastendruk één van de goedkoopste gemeenten in de regio kan te blijven.

Gezien de uitgangspunten voor de rioolheffing en de afvalstoffenheffing dat die 100% kostendekkend moeten zijn, kan daar alleen door beperking van de tarieven voor de onroerendezaakbelasting sturing aan worden gegeven. Indien dat gewenst is, zal dat in de begroting 2023 worden aangegeven. Vooralsnog wordt uitgegaan van de gebruikelijke indexering. Bij de berekening van de OZB-tarieven en -opbrengsten worden de volgende uitgangspunten gehanteerd: • voor de waarde van de woningen en niet-woningen wordt uitgegaan van de waardepeildatum 1 januari 2022; • uit oogpunt van voorzichtigheid wordt er beperkt rekening gehouden met areaalontwikkeling; • er wordt tariefdifferentiatie toegepast tussen woningen en niet-woningen om de lastendruk evenwichtiger te verdelen; • de tarieven worden geïndexeerd met het voorgestelde inflatiepercentage ad 4% voor de begroting van 2023; • de indexering van de tarieven wordt gecorrigeerd voor de verwachte waardeontwikkeling; • het tarief voor niet-woningen wordt gecorrigeerd voor de sinds 2017 aangebrachte opslag van 5% voor de uitgaven van de Economische Koepel Halderberge.

51

In onderstaande tabel is aangegeven wat de OZB-tarieven worden. De waardeontwikkeling voor woningen en nietwoningen is nog niet beschikbaar. Bij het opstellen van de Begroting 2023 en de verordening voor de onroerendezaakbelasting zal de waardeontwikkeling zoals die dan bekend is, worden meegenomen. Deze wordt te zijner tijd door de Belastingsamenwerking West-Brabant verstrekt. Voorlopige ontwikkeling tarieven 2023: OZB

2022

2023

Verschil

OZB woningen eigenaar

0,0977%

0,1016%

4,0%

OZB niet-woningen gebruik

0,2156%

0,2134%

-1,0%

OZB niet-woningen eigenaar

0,2413%

0,2389%

-1,0%

5.2.3 Afvalstoffenheffing Bij de berekening van de afvalstoffenheffing zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd: • er wordt uitgegaan van 100% kostendekkendheid; • de compensabele BTW wordt in de tarieven van de afvalstoffenheffing volledig doorberekend; • bij de baten wordt het geraamde dividend van Saver geheel meegenomen; • bij de ontwikkeling van de lasten is uitgegaan van het door SAVER aangegeven inflatiepercentage van 6,2%; • in de lasten zijn de kosten van het grondstoffencentrum van Saver meegenomen; - het tarief voor de afvalstoffenheffing bestaat uit een vast en een variabel deelhet vaste deel is voor iedere belastingplichtige gelijk; - het variabele deel van het tarief wordt bepaald door de wijze van aanbieding van het afval, via een container of via inworp in een ondergrondse container, en het volume van de container, 140 of 240 liter; • bij de berekening van de tarieven wordt uitgegaan van gemiddeld 12 ledigingen per jaar van zowel de 240-liter als de 140-liter containers en 46 inworpen in een ondergrondse container; • als het aantal ledigingen of inworpen hoger is dan het gemiddelde aantal wordt een opslag in rekening gebracht; • de ledigingen en stortingen worden na afloop van het kalenderjaar in rekening gebracht; • bij de opstelling van de jaarrekening komt het saldo van baten en lasten op het product afvalverwijdering en – verwerking ten laste of ten

gunste van de voorziening afvalstoffenheffing. Een negatief saldo kan alleen worden verrekend voor zover de voorziening daarvoor toereikend is; • bij het berekenen van de tarieven is ervoor gekozen om alleen een meerjarig effect van het aantal ledigingen en/of inworpen mee te nemen. Dit betekent dat het aantal ledigingen of inworpen wordt bijgesteld als sprake is van een wijziging die zich minimaal drie jaar heeft voorgedaan. Hierdoor worden ongewenste schommelingen in het tarief voorkomen. Conform het voorgaande is het aantal ledigingen van een 240 liter container voor 2023 bijgesteld naar 12. Voorlopige ontwikkeling tarieven 2023: Afvalstoffenheffing

2022

2023

Verschil

Vast tarief per aansluiting

€ 179,64

€ 183,87

2,35%

Tarief per lediging 240-liter container

€ 10,63

€ 11,60

9,13%

Tarief per lediging 140-liter container

€ 6,20

€ 6,77

9,19%

Tarief inworp ondergrondse afvalcontainer

€ 1,77

€ 1,93

9,04%

52

5.2.4 Rioolheffing Op 1 januari 2008 is de Wet Gemeentelijke Watertaken in werking getreden. Deze wet regelt dat naast de kosten voor afvoer en verwerking van afvalwater ook de kosten voor afvoer van hemelwater via de verbrede rioolheffing verhaald kunnen worden. Daarnaast worden ook de kosten voor voorzieningen die verband houden met het grondwaterpeil via de verbrede rioolheffing verhaald. De verwachte kosten liggen vast in het Gemeentelijk RioleringsPlan (GRP) 2020-2023 dat in september 2019 is vastgesteld. De algemene uitgangspunten voor de berekening van de tarieven voor de rioolheffing blijven ongewijzigd en zijn als volgt: • er wordt uitgegaan van 100% kostendekkendheid; • de compensabele BTW wordt in de tarieven van de rioolheffing doorberekend; • bij de ontwikkeling van de lasten is uitgegaan van een inflatiepercentage van 4%; • bij de opstelling van de Jaarrekening wordt het verschil tussen de werkelijke baten en lasten verbonden aan de rioolheffing, verrekend met de voorziening overschotten riolering; Voorlopige ontwikkeling tarieven 2023: Rioolheffing

2022

2023

Verschil

Eenpersoonshuishouden

€ 172,56

€ 184,56

6,95%

meerpersoonshuishouden

€ 230,16

€ 246,12

6,93%

bedrijven tot 500 m3

€ 230,16

€ 246,12

6,93%

€ 0,28

€ 0,29

3,57%

Grootverbruik per m3 vanaf per 501 m3

5.2.5 Toeristenbelasting Via het besluit voor vaststelling van de Economische visie 2021 – 2025 van 7 oktober 2021 heeft de gemeenteraad besloten om het tarief voor de toeristenbelasting in 2023 met € 0,20 te laten stijgen tot € 1,35 per persoon per overnachting. Dit geldt niet voor de watertoeristenbelasting. Dat tarief stijgt met het voorgestelde inflatiepercentage van 4%. Het nieuwe tarief voor de watertoeristenbelasting wordt daarmee € 1,20 per persoon per etmaal. 5.2.6 Leges In de Legesverordening is een groot aantal diensten opgenomen waarvoor de gemeente leges in rekening mag brengen. De tarieven hiervan mogen niet meer dan kostendekkend zijn. De bij de legesverordening behorende tarieventabel is verdeeld in 3 titels: • Algemene dienstverlening • Dienstverlening vallend onder fysieke leefomgeving/omgevingsvergunning • Dienstverlening vallend onder Europese dienstenrichtlijn De wet spreekt van een maximale kostendekking van 100% op het niveau van de verordening. Dit impliceert dat sommige tarieven hoger kunnen zijn dan nodig is om de geraamde kosten te dekken en dat andere tarieven lager zijn dan nodig is om de geraamde kosten te dekken. Indien dit het geval is, is sprake van kruissubsidiëring. In de gemeente Halderberge zijn niet van ieder product afzonderlijk de kosten bepaald. Dit vindt minimaal plaats op het niveau van productcategorie of zelfs hoger.

Derhalve is het mogelijk dat kruissubsidiëring plaatsvindt. Kruissubsidiëring kent enkele uitzonderingen: • er is geen kruissubsidiëring toegestaan tussen de dienstverlening vallend onder de Europese dienstenrichtlijn en de overige dienstverlening; • de wetgeving over de omgevingsvergunning gaat ervan uit dat alleen binnen de omgevingsvergunning kruissubsidiëring kan worden toegepast en niet met dienstverlening erbuiten. In titel 1 zijn tarieven opgenomen voor algemene dienstverlening. Hieronder vallen een aantal producten waarvoor van Rijkswege wettelijke tarieven worden bepaald. Voorgesteld wordt om voor 2023, net als in voorgaande jaren, de maximaal toegestane tarieven aan te houden. Dit tarief wordt naar beneden afgerond op een veelvoud van € 0,05. Voor de overige tarieven wordt voorgesteld om op de tarieven van 2022 een indexering toe te passen van 4% en de uitkomst hiervan af te ronden op een veelvoud van € 0,05. In afwijking hiervan wordt voorgesteld om de tarieven in hoofdstuk 1 van de tarieventabel (dienstverlening voor een huwelijk of geregistreerd partnerschap), voor zover wettelijk toegestaan, af te ronden op hele euro’s.

53

In titel 2 van de Tarieventabel zijn de leges opgenomen voor de dienstverlening vallend onder de fysieke leefomgeving. Deze leges veranderen door de komst van de Omgevingswet. De inwerkingtreding van deze wet is al enkele malen uitgesteld, maar momenteel wordt uitgegaan van 1 januari 2023. De legesverordening voor 2023 en de bijbehorende tarieventabel zal worden aangepast aan de dienstverlening die vanaf 2023 door de gemeente plaatsvindt. Momenteel is nog niet duidelijk welke dienstverlening dat is en hoe hoog de leges moeten zijn. Dat wordt momenteel onderzocht, waarna de legesverordening kan worden opgesteld. U wordt daar later via de Begroting 2023 en de legesverordening voor 2023 nader over geïnformeerd. In titel 3 van de tarieventabel zijn de tarieven opgenomen voor vergunningverlening op het gebied van horeca, organisatie van evenementen, markten en andere niet specifiek genoemde aangelegenheden. Voorgesteld wordt om de tarieven voor 2023 ten opzichte van 2022 te verhogen met het inflatiepercentage van 4% en vervolgens af te ronden op een veelvoud van € 0,05. Hierboven zijn per titel de uitgangspunten opgenomen voor de tariefontwikkeling voor 2023. Het kan echter wenselijk zijn om wegens bijzondere redenen of voor specifieke tarieven een afwijkend voorstel te doen. Indien dat het geval is, zal dat in de begroting of de legesverordening voor 2023 nader worden toegelicht.

5.2.7 Lijkbezorgingsrechten Voor de lijkbezorgingsrechten gelden de volgende uitgangspunten: • ieder tarief dekt in principe voor 100% de kosten die verbonden zijn aan de verleende dienst; • uitzondering hierop zijn de tarieven voor de rechten voor een graf of urnennis voor kinderen onder 12 jaar; • bij het verlenen van rechten wordt een logische opbouw gehanteerd, waarbij het tarief voor 20 jaar tweemaal zo hoog is als het tarief voor 10 jaar (en naar rato ook voor andere looptijden); • de tarieven voor het verlengen van rechten zijn even hoog als de tarieven voor het verlenen van rechten; • het jaartarief voor het reserveren van een bijzonder graf bestaat naast een dekking voor de administratieve kosten uit een aandeel voor de dekking van het onderhoud (1/10 deel van het 10-jaarstarief voor het verlenen van een recht); • de geraamde structurele kosten voor het onderhoud van de begraafplaats worden verdeeld over de maximale capaciteit van de begraafplaats. Deze capaciteit bedraagt 2203 plaatsen (zowel gewone graven als urnengraven en -nissen); • Alle tarieven worden afgerond op eenheden van € 0,05. 5.2.8 Marktgelden Het tarief voor het innemen van een standplaats op de markt bedraagt in 2022 € 2,40 per m¹.

Voorgesteld wordt om voor het tarief voor 2023 een indexering toe te passen van 4% ten opzichte van het tarief van 2022 en de uitkomst hiervan naar boven af te ronden op een veelvoud van € 0,05. Het nieuwe tarief voor 2023 wordt dan € 2,50 per m¹. De bijdrage in de promotiekosten bedraagt in 2022 per marktdag of gedeelte daarvan € 0,10 per m¹. Dit tarief wordt niet geïndexeerd en blijft daarmee ook in 2023 € 0,10 per m¹. Voor de doorberekening van de elektriciteitskosten zijn aparte categorieën gemaakt. De verdeling in categorieën is gemaakt op basis van de apparatuur die wordt gebruikt. Aangezien de tarieve nvoor elektriciteit in 2022 sterk zijn gestegen (en nog steeds stijgen), wordt later dit jaar bekeken of en in hoeverre de bedragen voor het verbruik van elektriciteit moeten stijgen. Uitgangspunt blijft dat de verbruiker betaalt voor de werkelijke kosten. 5.2.9 Lastendruk De ontwikkeling van de woonlasten voor huishoudens in de gemeente Halderberge kan in beeld worden gebracht door middel van de lastendruk. Dit is een vergelijking van meerdere jaren van de som van de afvalstoffenheffing, de rioolheffing en, bij koopwoningen, de onroerendezaakbelasting. Hierbij is onderscheid gemaakt tussen eenpersoons- en meerpersoonshuishoudens.

54

Lastendruk 2022*

Lastendruk 2023

Afvalstoffenheffing meerpersoonshuishouden

€ 317,83

€ 323,07

1,65%

Rioolheffing meerpersoonshuishouden

€ 230,16

€ 246,12

6,93%

OZB eigenaar

€ 275,51

€ 286,53

4,00%

Totaal lastendruk meerpersoonshuishouden met huurwoning

€ 547,99

€ 569,19

3,87%

Totaal lastendruk meerpersoonshuishouden eigen woning¹

€ 823,50

€ 855,72

3,91%

Lastendruk 2022*

Lastendruk 2023

Afvalstoffenheffing eenpersoonshuishouden

€ 254,04

€ 265,11

4,36%

Rioolheffing eenpersoonshuishouden

€ 172,56

€ 184,56

6,95%

OZB eigenaar

€ 275,51

€ 286,53

4,00%

Totaal lastendruk eenpersoonshuishouden met huurwoning

€ 426,60

€ 449,67

5,41%

Totaal lastendruk eenpersoonshuishouden eigen woning¹

€ 702,11

€ 736,20

4,86%

Overzicht ontwikkeling woonlasten meerpersoonshuishouden

Overzicht ontwikkeling woonlasten eenpersoonshuishouden

Stijging/ daling

Stijging/ daling

* Bij de berekening van de OZB voor eigenaren is uitgegaan van een woning met een gemiddelde WOZ-waarde van € 282.000 (bron: CBS) tegen het werkelijke tarief van 2022. In de begroting 2022 was dat nog € 259.000 tegen het tarief van 2022 waar de waardeontwikkeling nog niet in was verrekend. Daardoor wijkt het bedrag voor OZB iets af van de Begroting 2022. Conclusie Voor meerpersoonshuishoudens met een eigen woning stijgen de woonlasten in 2023 met 3,91% ten opzichte van 2022. Hierbij dient in acht te worden genomen dat het gemiddelde aantal ledigingen vaneen 240 liter container bij de afvalstoffenheffing voor 2023 verlaagd is van 13 naar 12. Daardoor zijn de gemiddelde kosten per huishouden wat lager geworden. Voor eenpersoonshuishoudens met een eigen woning stijgen de lasten met 4,86%. Daar speelt de wijziging van het aantal ledigingen geen rol, omdat het gemiddeld aantal ledigingen voor een 140 liter container al op 12 stond. Ook voor huishoudens met een huurwoning stijgen de woonlasten ten opzichte van 2022. Voor meerpersoonshuishoudens met 3,87% en voor alleenstaanden met 5,41%. 5.2.10 Kwijtscheldingsbeleid Indien een belastingplichtige niet of over te weinig financiële middelen beschikt om de belastingaanslag te voldoen en niet beschikt over vermogen, kan de belastingplichtige onder bepaalde voorwaarden in aanmerking komen voor kwijtschelding.

Voorgestel wordt om voor de begroting 2023 een kwijtscheldingspercentage te hanteren van 100%. Concreet betekent dit dat belastingplichtigen die een vermogen hebben onder de norm en een inkomen hebben van 100% van het minimuminkomen (volgens bijstandsnorm) of lager in aanmerking komen voor gehele of gedeeltelijke kwijtschelding. Het kabinet heeft in 2021 besloten om de mogelijkheden voor het verlenen van kwijtschelding te verruimen. Voor AOWers en volledig gehandicapten zou de vermogensnorm met € 2.000 worden verhoogd. Dit moet echter nog steeds worden bekrachtigd in de Nadere regels voor kwijtschelding van gemeentelijke belastingen. Pas daarna kunnen gemeenten, geheel of gedeeltelijk, gebruik maken van deze verruimde vermogensnorm. Indien hiertoe in 2022 wordt besloten, zal voor 2023 voorgesteld worden om maximaal gebruik te maken van de verruimde vermogensnorm. Belastingplichtigen kunnen alleen kwijtschelding aanvragen voor de afvalstoffenheffing, de rioolheffing en de onroerendezaakbelasting. Omdat het gebruikersdeel van de onroerendezaakbelasting al een aantal jaren geleden is afgeschaft, komt echter bijna niemand in aanmerking voor kwijtschelding van de onroerendezaakbelasting. Voor de overige heffingen kunnen belastingplichtigen geen verzoek doen tot kwijtschelding.

55

56

Weerstandsvermogen en risicobeheersing

5.3.1 Inleiding Naast een sluitende meerjarenraming is ook het weerstandsvermogen een indicator voor de financiële positie van een gemeente. Het weerstandsvermogen wordt uitgedrukt in een indicator van de weerstandscapaciteit ten opzichte van de risico’s. Gehanteerde uitgangspunten berekening benodigde weerstandscapaciteit In de voorbereiding op de Zomernota 2022 heeft er naast een inventarisatie van nieuwe risico’s ook een herijking van de bestaande risico’s plaats gevonden. De geïnventariseerde risico’s zijn vervolgens opgenomen in NARIS en opnieuw berekend. Daarbij is een onderscheid gemaakt in structurele risico’s en incidentele risico’s. Bij de berekening van de benodigde weerstandscapaciteit zijn de volgende uitgangpunten gehanteerd. 1. Opgenomen zijn risico’s die, op relatief eenvoudige wijze, financieel zijn te vertalen. 2. Elke risico wordt berekend aan de hand van de volgende parameters: - kans van optreden (bandbreedte 10% - 90%). - minimaal financieel gevolg, verwacht financieel gevolg en maximaal financieel gevolg als het risico zich voordoet. 3. Bij de berekening van de benodigde weerstandscapaciteit is er rekening mee gehouden dat niet alle risico’s zich tegelijkertijd zullen voordoen: de benodigde weerstandscapaciteit bedraagt 95% van het totaal aan berekende risicobedragen. 4.

De gemeente krijgt voor structurele risico’s vier jaar de tijd om de financiële gevolgen van deze risico’s, fasegewijs, in de begroting/meerjarenraming op te nemen. Dit uitgangpunt vertaalt zich in een vermenigvuldigingsfactor van 2,5 voor structurele risico’s (jaar 1: 100%, jaar 2: 75%, jaar 3: 50%, jaar 4: 25%; totaal 250%).

57

5.3.2 Weerstandscapaciteit De weerstandscapaciteit bestaat uit de middelen en de mogelijkheden die de gemeente heeft om onverwachte kosten (risico’s) op te kunnen vangen. De weerstandscapaciteit op begrotingsbasis bestaat uit de volgende onderdelen. • De algemene reserves (inclusief algemene reserve grondexploitaties) • De vrije begrotingsruimte (post onvoorziene uitgaven en het begrotingssaldo) • Vrij besteedbare bestemmingsreserves • De onbenutte belastingcapaciteit • Eventuele stille reserves In de onderstaande tabel is de verwachte weerstandscapaciteit voor 2023 weergegeven (x € 1.000). Weerstandscapaciteit

Zomernota 2022

Algemene reserve

10.705

Algemene reserve grondexploitaties

3.312

Reserve Borchwerf II

200

Egalisatiereserve rente

960

Post onvoorziene uitgaven

100

Begrotingsruimte

799

Vrij besteedbare bestemmingsreserves Onbenutte belastingcapaciteit Stille reserves Totaal weerstandscapaciteit

1.593 PM 17.669

In de Programmabegroting 2022 en diverse raadsbesluiten zijn voor de komende jaren toevoegingen en onttrekkingen aan de algemene reserve opgenomen. In onderstaande tabel is het verwachte verloop van de algemene reserve in de jaren 2022 - 2026 opgenomen (x € 1.000).

58

Verloop algemene reserve

2022

2023

2024

2025

2026

Saldo 1-1

8.392

10.705

9.584

9.584

9.584

9.584

9.584

9.584

Toevoegingen Saldo Jaarrekening 2021 Saldo Begroting 2022

938 1.311

Verkoopopbrengst St. Anna

374

Winstuitkering Borchwerf

1.563

Vrijval egalisatiereserve BBZ Saldo Zomernota 2022

150 4

Dorpshuis De Steiger

86

Onttrekkingen RES/Transitievisie warmte

-145

Vitaal buitengebied

-150

Religieus erfgoed

-435

Aankoop pastorie

-949

Bijdrage supermarkt Bosschenhoofd

-50

Actieplan verbeteren lokale democratie

-60

Tarieven jeugdzorg

-188

Afwaardering Markland college Dorpshuis De Steiger Saldo 31-12

-952 -50

-255

10.705

9.584

59

5.3.3 Risico's In onderstaande tabel is het totale risicobedrag weergegeven (x € 1.000).

Risico's

Risicobedrag

Incidentele risico's

840

Structurele risico's

3.226

Totaal risicobedrag

4.066

Waarvan risico's sociaal domein

1.819

De 10 grootste risico's worden hierna toegelicht.

Risico

Risicobedrag

Tekort jeugdzorg

844

Stijging materiaalkosten investeringen

552

CAO en andere loonontwikkelingen

367

Tekort Wmo hulp bij het huishouden

332

Tekort Wmo begeleiding

319

Wateroverlast

249

Tekort BUIG

200

Schade aan wegen agv omleidingsroutes en sluipverkeer

125

Tekort Wmo voorzieningen

125

Vorst- en dooischade

124

Tekort jeugdzorg Omdat de uitvoering van de Jeugdwet een open-einde regeling betreft, bestaat het risico dat het beschikbare budget wordt overschreden. Dit risico is ingeschat op maximaal 10% van het budget voor jeugdzorg. Stijging materiaalkosten investeringen Door de huidige marktsituatie, met name als gevolg van de oorlog in Oekraïne, stijgen de materiaal- en brandstofkosten bij aannemers en leveranciers. Het risico bestaat dat de investeringskredieten die in het Investeringsprogramma zijn opgenomen niet meer toereikend zijn om de geplande werkzaamheden binnen het geraamde bedrag uit te kunnen voeren. CAO en andere loonontwikkelingen Voor de ontwikkeling van de salarissen wordt, naast de periodieke verhogingen, rekening gehouden met de loonstijgingen als gevolg van de cao. De huidge cao voor gemeenteambtenaren loopt tot 1 januari 2023. In de huidige meerjarenraming is vanaf 2023 een loonsverhoging opgenomen van 1,5% per jaar. Bij de uitgangpunten voor de Programmabegroting 2023 wordt voorgesteld bij de opstelling van de meerjarenbegroting 2023 – 2026, in afwachting van de nieuwe cao, uit te gaan van een loonstijging van 3% per jaar in 2023 en 2024 en 1,5% per jaar vanaf 2025. Een extra loonstijging van 1% betekent voor Halderberge een structurele stijging van de loonkosten met ca. € 155.000 per jaar.

60

Tekort Wmo hulp bij het huishouden Omdat de uitvoering van de Wmo-voorziening hulp bij het huishouden een open-einde regeling betreft, bestaat het risico dat het beschikbare budget wordt overschreden. Dit risico is ingeschat op maximaal 10% van het budget voor hulp bij het huishouden. Tekort Wmo begeleiding Omdat de uitvoering van de Wmo-voorziening begeleiding een open-einde regeling betreft, bestaat het risico dat het beschikbare budget wordt overschreden. Dit risico is ingeschat op maximaal 10% van het budget voor begeleiding. Wateroverlast Het klimaat is aan het veranderen. We krijgen meer en meer te maken met buien waarin binnen een korte tijd veel water valt. Het afwateringssysteem kan dergelijke intensieve regenbuien niet aan. De kans op wateroverlast in zowel stedelijk als landelijk gebied neemt daarom toe. De laatste jaren is daarom enorm veel geïnvesteerd in het treffen van maatregelen om wateroverlast tegen te gaan. De gevolgen van waterlast kunnen zijn: • Verzakkingen van wegen als gevolg van uitspoeling. • Herstellen verzakkingen en breuken in het riool. • Schoonmaken van ondergelopen gebieden. • Inzet van pompen voor het wegpompen van water in de ondergelopen gebieden. • In ernstige gevallen evacueren en opvangen bewoners. In de begroting is geen rekening gehouden met deze gebeurtenissen.

Wel zijn er middelen voor het onderhoud aan wegen en riolering ter voorkoming van mogelijke overlast. Weersomstandigheden blijven echter een risico. Tekort BUIG Van het rijk wordt een gebundelde uitkering (BUIG) ontvangen voor de uitvoering van de Particiaptiewet, IOAW, IOAZ en BBZ. Omdat de uitvoering hiervan een open-einde regeling betreft, bestaat het risico dat het beschikbare budget wordt overschreden. Dit risico is ingeschat op maximaal 7,5% van de rijksbijdrage. Bij een (stuctureel) tekort van meer dan 7,5% kan een beroep worden gedaan op de vangnetregeling. Schade aan wegen als gevolg van omleidingen en sluiproutes Door reconstructies aan wegen kunnen schades ontstaan aan die wegen die worden aangewezen als omleidingsroute bij deze werkzaamheden. Daarnaast worden wegen ook gebruikt door sluipverkeer omdat het verkeer naast de omleidingsroutes haar eigen weg kiest. Met deze mogelijke schades is geen rekening gehouden in de begroting maar vormt wel een risico. Tekort Wmo voorzieningen Omdat de uitvoering van de Wmo-voorzieningen (woonvoorzieningen, vervoersvoorzieningen, rolstoelen) een openeinde regeling betreft, bestaat het risico dat het beschikbare budget wordt overschreden. Dit risico is ingeschat op maximaal 10% van het budget voor Wmo-voorzieningen.

Vorst- en dooischade Jaarlijks is er financieel ruimte voor het uitvoeren van onderhoud aan wegen, verhardingen en kunstwerken. In de begroting is geen rekening gehouden met mogelijke schades als gevolg van een dergelijke weersomstandigheden. Die hebben zich tot op heden nog niet voorgedaan, maar vormen wel een risico. 5.3.4 Weerstandsvermogen Op basis van de weerstandscapaciteit en de verwachte risico’s kan een uitspraak worden gedaan over het weerstandsvermogen. Het weerstandsvermogen is het vermogen van de gemeente om financiële tegenvallers op te kunnen vangen zonder dat de normale bedrijfsvoering wordt aangetast. Het weerstandsvermogen bestaat uit de relatie tussen de beschikbare weerstandscapaciteit (de middelen waarover de gemeente kan beschikken om niet begrote kosten die onverwachts en substantieel zijn te dekken) en de benodigde weerstandscapaciteit (de risico’s waarvoor geen voorzieningen of verzekeringen zijn afgesloten). Deze relatie kan op een eenvoudige wijze in de volgende vergelijking worden weergegeven: Ratio weerstandsvermogen = Beschikbare weerstandscapaciteit / Benodigde weerstandscapaciteit (risico's). De ratio weerstandsvermogen is berekend op € 17.669.000 / € 4.066.000 = 4,35.

61

De ratio voor het weerstandsvermogen is als volgt gecategoriseerd. Situatie

Ratio weerstandsvermogen

Betekenis weerstandsvermogen

A

X > 2,0

Hoog

B

1,5 < X < 2,0

Ruim voldoende

C

1,0 < X < 1,5

Voldoende

D

0,5 < X < 1,0

Onvoldoende

E

X < 0,5

Ruim onvoldoende

De ratio van het weerstandsvermogen is voor 2023 berekend op 4,35. Dit is te categoriseren als hoog. Zoals ook bij de eerder genoemde uitgangspunten is aangegeven, is bij de berekening van benodigde weerstandscapaciteit rekening gehouden met zowel incidentele als structurele risico’s. Hierdoor heeft het benodigde weerstandsvermogen ook een meerjarig karakter voor de komende 4 jaar. Dit zal vervolgens jaarlijks bij de Zomernota en Begroting worden bijgesteld met de inzichten op dat moment. De stijging ten opzichte van de ratio, zoals die voor het jaar 2022 was berekend in de Programmabegroting 2022 (3,77), is het gevolg van een stijging van de weerstandscapaciteit met € 2,7 miljoen (18%) en een stijging van het totale risicobedrag met € 0,1 miljoen (2%). De stijging van de weerstandscapaciteit is met name het gevolg van: 1. Toevoegen van de winstuitkering Borchwerf van € 1,6 miljoen aan de algemene reserve. 2. Toevoegen van het saldo van de Programmabegroting 2022 van € 1,3 miljoen aan de algemene reserve. 3. Toevoegen van het saldo van de Jaarrekening 2021 van € 0,9 miljoen aan de algemene reserve. 4. Onttrekken van de kosten voor aankoop van de pasotrie van € 0,9 miljoen aan de algemene reserve. De stijging van de risico's is met name het gevolg van: 1. Het opnemen van een risico van € 0,6 miljoen voor stijging van materiaalkosten voor investeringen. 2.

Een daling van het risco tekort BUIG met € 0,4 miljoen doordat er per saldo (lasten uitkeringen via de begroting van Werkplein HvWB en baten rijksbijdrage BUIG) hogere lasten in de raming voor 2023 zijn opgenomen.

62

Meerjaren Perspectief Grondexploitaties

5.4.1 Inleiding De werkwijze van de gemeente om de ruimtelijke doelstellingen binnen de gemeente te realiseren en op welke wijze de daartoe beschikbare grondbeleid instrumenten (kunnen) worden ingezet is vastgelegd in de Nota grondbeleid 2020 gemeente Halderberge. De actuele financiële vertaling hiervan met betrekking tot alle binnen het onderdeel grondexploitaties opgenomen projecten blijkt uit het Meerjaren Perspectief Grondexploitaties (MPG) 2022-2031 (het totale MPG is als bijlage bij deze Zomernota gevoegd). Op basis van alle lopende projecten, de gecalculeerde risico’s, de inschatting van de baten en de lasten van de projecten en de prognoses over de vastgoedmarkt, geeft dit MPG een doorkijk vanuit het verleden naar de toekomst van de in beheer en ontwikkeling zijnde complexen, vallend onder het taakveld grondbedrijf. Een dergelijke berekening vormt altijd een momentopname. Tal van gebeurtenissen hebben invloed op het exploitatieresultaat. Het is dan ook van groot belang om de berekening regelmatig te actualiseren. In dit MPG zijn op basis van de genoemde geactualiseerde exploitatieberekeningen, de financiële consequenties van alle grondbedrijf-activiteiten vertaalt in een meerjarige staat van reserves en voorzieningen grondexploitaties. De beginstand van deze staat is altijd 1 januari van het redactiejaar, in dit geval 2022.

Bovendien is er aansluiting tussen de exploitatieberekeningen en de zogeheten staten P die in de Jaarrekening worden vermeld. Een exploitatieberekening geeft meerjarig inzicht in de verwachte kosten en opbrengsten van een activiteit. Optelling van alle activiteiten binnen het taakveld grondbedrijf per jaarschijf zijn de basis voor de begroting voor het taakveld grondbedrijf. Het MPG en alle onderliggende berekeningen bieden hiervoor het meest actuele kader. 5.4.2 Woningbouwprogramma 2018 - 2028 Op 14 december 2017 is door uw raad het woningbouwprogramma 2018-2028 vastgesteld. Op basis van dit programma en de actuele ontwikkelingen binnen dit woningbouwprogramma zijn alle grondexploitatieberekeningen geactualiseerd en zijn waarderingen van grondposities bijgesteld. Deze actualisatie en waardering van de grondpositie is ook verwerkt in de Jaarrekening 2021. 5.4.3 Toerekening personele lasten Op basis van hetgeen toegestaan is volgens de notitie Grondbeleid in begroting en jaarstukken van de commissie BBV is bepaald welke bedragen reëel zijn om toe te rekenen aan de verschillende projecten binnen de grondexploitaties. Deze toerekening is limitatief. Het gaat hierbij alleen om vervaardigingskosten in relatie tot het transformeren van ruwe grond naar bouwrijpe grond van projecten welke gecategoriseerd mogen worden als Bouwgronden in Exploitatie (BIE).

Alle andere werkzaamheden die nodig zijn om bouwgronden in exploitatie te brengen (zoals een totale visie voor een gebied of voorbereidende werkzaamheden hiervoor) mogen niet meer worden toegerekend aan projecten binnen de grondexploitatie. Al een aantal jaren wordt de plankostenscan van de VNG gehanteerd om de personele lasten toe te rekenen aan de grondexploitaties. Op basis van de bijgestelde grondexploitaties is in onderstaand staatje aangegeven welke personele lasten in de komende jaren aan de grondexploitatie-projecten worden toegerekend (x € 1.000).

Totaal toe te rekenen personele lasten

2022

2023

2024

2025

292

193

193

137

63

Bij de uitgangspunten voor de Programmabegroting 2023 is aangegeven hoe de toe te rekenen personele lasten in de Begroting worden verwerkt. 5.4.4 Financiële positie grondexploitaties Voor de beoordeling van de financiële situatie van de grondexploitaties zijn een aantal gegevens een belangrijke graadmeter. Het betreft hier o.a. de volgende variabelen: • De ontwikkeling van de reservepositie van de grondexploitaties; • Het verloop van de totale boekwaarde van de complexen binnen de grondexploitaties; • De ontwikkeling van de reserve bovenwijkse voorzieningen; • Geraamd saldo complexen op contante waarde. Onderstaand worden deze variabelen toegelicht. De ontwikkeling van de reservepositie van de grondexploitaties De uitgangspunten van het actuele woningbouwprogramma zijn verwerkt in de geactualiseerde grondexploitatieberekeningen. Indien de projecten conform deze uitgangspunten worden uitgevoerd zal de algemene reserve grondexploitaties groeien van € 3,7 miljoen per 1-1-2022 naar ca. € 6,6 miljoen op 31-12-2031. Naast de algemene reserve grondexploitaties bestaat binnen de grondexploitaties nog de risicoreserve Borchwerf. Deze reserve dient om het renterisico dat voortvloeit uit onze deelname in Borchwerf BV voor 5 jaren af te kunnen dekken. Het benodigde saldo van deze reserve is per 1-1-2022 gehandhaafd op € 400.000.

Naar verwachting zal deze reserve in 2022 vrijvallen ten gunste van de algemene reserve grondexploitaties. In onderstaand schema is het verloop van de algemene reserve grondexploitaties en de risicoreserve Borchwerf weergegeven (x € 1.000)

Algemene reserve grondexploitaties Risicoreserve Borchwerf

1-1-2022

1-1-2023

1-1-2024

1-1-2025

3.700

4.292

4.292

4.576

400

0

0

0

Het verloop van de totale boekwaarde van de complexen binnen de grondexploitaties De boekwaarde van de complexen welke binnen de grondexploitaties worden geadministreerd wordt enerzijds beïnvloed door de vervaardigingskosten die gemaakt moeten worden om ruwe gronden naar woonrijpe gronden te transformeren en anderzijds door de opbrengsten die deze woonrijpe gronden kunnen genereren. Op basis van het vastgestelde woningbouwprogramma zal de totale boekwaarde van de complexen in de periode 2022 - 2031 afnemen van ca. € 13,0 miljoen naar € 0. De ontwikkeling van de reserve bovenwijkse voorzieningen Voor wat betreft de onttrekkingen aan de reserve bovenwijkse voorzieningen is gerekend met een uitname zoals die is opgenomen in de Nota kostenverhaal. De voeding van deze reserve is gebaseerd op de aantallen woningen zoals deze zijn geprognosticeerd in de herziene kostprijsberekeningen bij de Jaarrekening 2021. Uit de geactualiseerde grondexploitatieberekeningen blijkt op dit moment dat er nog een toevoeging aan de reserve bovenwijkse voorzieningen wordt verwacht van ca. € 1,4 miljoen. Als gevolg van de geplande stortingen en onttrekkingen dreigt de reserve in 2022 negatief te worden. Dit is volgens het BBV niet toegestaan. In de loop van 2022 zal bezien worden of de reserve werkelijk negatief wordt.

Indien dit het geval blijkt, zal een bedrag vanuit de algemene reserve grondexploitaties in de reserve bovenwijkse voorzieningen worden gestort, zodat er een positief saldo blijft bestaan. In onderstaand schema is het verloop van de reserve bovenwijkse voorzieningen weergegeven (x € 1.000). Verloop bovenwijkse voorzieningen

2022

2023

2024

2025

0

-102

-163

-80

Toevoegingen

598

179

173

137

Onttrekkingen

700

240

90

0

Saldo 31-12

-102

-163

-80

57

Saldo 1-1

64

Geraamd saldo complexen op contante waarde Naast de boekwaarden zijn ook de nog te verwachten kosten en opbrengsten in beeld gebracht voor de projecten die in exploitatie zijn. Op basis hiervan zijn onderstaand de projecten weergegeven met een verwacht financieel resultaat (winstgevend of verliesgevend) op basis van de nominale waarde en de contante waarde per 1-1-2022 (x € 1.000). Project

Resultaat nominale waarde

Resultaat contante waarde

106 Sportpark Pagnevaart

1.355

1.227

122 Albano lob C - 2e fase

28

27

143 Bornhemweg

4

4

887

804

-2.730

-2.677

14

14

315 Hoeven Oost-cluster Lindelommer

-537

-506

316 Uitbr. Hoeven Bovendonksestraat

302

284

-2.066

-2.025

601 Korenweide II/III

149

147

913 Oud Gastel Noord

-2.868

-2.812

Totaal

-5.462

-5.514

144 Havendijk 216 Mgr. Meeuwissenstraat / Kerkstraat 314 Reuzelaarterrein

504 Klooster Stampersgat e.o.

De projecten die positief sluiten geven een resultaat op contante waarde van ca. € 2,5 miljoen. De plannen met een negatief resultaat bedragen op contante waarde in totaal ca. € 8,0 miljoen. Voor de projecten met een verwacht verlies is conform het BBV een voorziening gevormd. 5.4.5 Risico's Doordat in de Jaarrekening 2021 de voorzieningen voor de verliesgevende projecten wederom zijn geactualiseerd, is het grootste deel van het risico binnen de grondexploitaties ondervangen. Echter aanvullende verliesvoorzieningen en afwaarderingen kunnen nog nodig zijn op basis van onderstaande risico’s. • De verkoopprijs binnen de diverse projecten is vastgesteld op een bedrag van € 300 per m2. Doordat de werkelijke uitgifteprijs anders kan worden, kan dit leiden tot andere opbrengsten dan waar nu in de exploitatieberekeningen van is uitgegaan. Ook de ontwikkelingen in de markt, zoals fluctuatie van de huizenprijzen, kunnen van invloed zijn op de grondprijs. • Er is gekozen voor een gespreide fasering op basis van het vastgestelde reële woningbouwprogramma. Door een stagnatie in de bouw van woningen zou deze fasering in werkelijkheid anders kunnen worden. Hierdoor zullen de rentelasten over het geïnvesteerd vermogen toenemen. • Het algemene rentepercentage dat gebruikt wordt binnen de grondexploitaties is 0,67%.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://gemeenteraad.halderberge.nl/api/v1/meetings/532/documents/15657