Zomernota 2021 DEFINITIEF.pdf
Tekst van het document
57
Septembercirculaire 2021 en Begroting 2022 Indien de planning van het bestuurlijke besluitvormingstraject het toelaat zullen de gevolgen van de septembercirculaire 2021 worden meegenomen bij de opstelling van de Begroting 2022. Ontwikkeling aantal eenheden (uitkeringsbasis) De meicirculaire geeft onder meer actuele informatie over de bedragen per eenheid per verdeelmaatstaf, de uitkeringsfactor (vermenigvuldigingsfactor voor alle gemeenten) en de landelijke ontwikkeling van de aantallen eenheden van een aantal verdeelmaatstaven. Afhankelijk van de verdeelmaatstaf worden de aantallen eenheden gebaseerd op informatie binnen de eigen organisatie of verbonden partij (burgerzaken, Werkplein Hart van West-Brabant, Belastingsamenwerking West-Brabant), de meest actuele informatie vanuit het ministerie van BZK, de verwachte landelijke trend zoals opgenomen in de meicirculaire en/of op basis van een prognose gebaseerd op gegevens uit het verleden (trend). 4.1.9 Post onvoorziene uitgaven De post onvoorziene uitgaven is samen met het begrotingssaldo de vrije bestedingsruimte in de begroting. In de huidige meerjarenraming is € 100.000 opgenomen. De post onvoorziene uitgaven is niet per programma, maar in zijn geheel onder de algemene dekkingsmiddelen opgenomen.
Indien er na de begrotingsopstelling een begrotingssaldo voor het jaar 2022 resteert, dan wordt dit toegevoegd aan de post onvoorziene uitgaven.
58
Ontwikkeling lokale heffingen en tarieven
4.2.1 Algemeen Jaarlijks stelt de gemeenteraad de tarieven vast voor de gemeentelijke heffingen. Dat gebeurt via de afzonderlijke verordeningen voor die heffingen. De uitgangspunten die de raad hierbij hanteert komen gedeeltelijk voort uit het Raadsprogramma 2018 – 2022. Deze zijn overgenomen in deze Zomernota. Daarnaast is de raad gebonden aan diverse wettelijke bepalingen. Deze zijn, voor zover van toepassing, hieronder opgenomen. Wettelijke bepalingen: • de tarieven van de afvalstoffen- en de rioolheffing zijn maximaal 100% kostendekkend; • datzelfde geldt voor de tarieven van de leges. Binnen de legesverordening is kruissubsidiëring toegestaan. Zie voor een toelichting het onderdeel leges. Lokale keuzes: In het Raadsprogramma 2018 – 2022 zijn de lokale keuzes aangegeven. Voor de lasten van inwoners en bedrijven is daarbij aangegeven dat de stijging beperkt zal zijn. De term beperkt komt tot uiting in de zaken die genoemd staan in de kolom ‘wat gaan we ervoor doen’. Daarin worden de volgende uitgangspunten genoemd: • geen hondenbelasting invoeren; • de verhoging van de onroerendezaakbelasting wordt beperkt tot ten hoogste het inflatiepercentage; • de rioolheffing en de afvalstoffenheffing zijn volledig kostendekkend.
Gezien de wettelijke bepalingen en de lokale keuzes wordt voorgesteld om bij de bepaling van de tarieven van de diverse gemeentelijke heffingen uit te gaan van de volgende uitgangspunten: • de tarieven van de onroerendezaakbelasting (OZB) stijgen in 2022 met het inflatiepercentage, waarna nog correctie plaatsvindt voor de waardeontwikkeling; • bij de bepaling van de mate van kostendekkendheid wordt de BTW in de tarieven van de rioolheffing doorberekend; • bij de bepaling van de mate van kostendekkendheid wordt de BTW in de tarieven van de afvalstoffenheffing doorberekend. 4.2.2 Onroerendezaakbelasting (OZB) Bij de berekening van de OZB opbrengsten worden de volgende uitgangspunten gehanteerd: • er wordt uitgegaan van de waardepeildatum 1-1-2021; • uit oogpunt van voorzichtigheid wordt er beperkt rekening gehouden met areaalontwikkeling; • er wordt tariefdifferentiatie toegepast tussen woningen en niet-woningen om de lastendruk evenwichtiger te verdelen; • de indexering van het tarief bedraagt 1,5%; • bij de vaststelling van de tarieven wordt rekening gehouden met de verwachte waardeontwikkeling; • in het tarief voor niet-woningen is rekening gehouden met een opslag van 5% voor de uitgaven van de Economische Koepel Halderberge. In onderstaande tabel is aangegeven wat het OZB tarief wordt bij een inflatie van 1,5%.
De waardeontwikkeling in 2020 voor woningen en niet-woningen is nog niet beschikbaar. Bij het opstellen van de Begroting 2022 en de verordening voor de onroerendezaakbelasting zal de waardeontwikkeling in 2020 zoals die dan bekend is, worden meegenomen. Deze wordt te zijner tijd door de Belastingsamenwerking West-Brabant verstrekt.
59
Voorlopige ontwikkeling tarieven 2022: OZB
2021
2022
Verschil
OZB woningen eigenaar
0,1042%
0,1058%
1,5%
OZB niet-woningen gebruik
0,2151%
0,2183%
1,5%
OZB niet-woningen eigenaar
0,2407%
0,2443%
1,5%
4.2.3 Afvalstoffenheffing Bij de berekening van de afvalstoffenheffing zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd: • bij de berekening van de tarieven van de afvalstoffenheffing wordt uitgegaan van 100% kostendekkendheid; • sinds 2017 is de compensabele BTW in de tarieven van de afvalstoffenheffing volledig doorberekend. Dit wordt voorgezet in 2022; • het geraamde dividend van Saver wordt deels betrokken bij de berekening van de kostendekkendheid van de tarieven voor de afvalstoffenheffing. Op basis van de omzet is berekend welk deel betrekking heeft op de diensten voor de vier aandeelhouders. Dat heeft geresulteerd in een percentage van 85% van de omzet van Saver dat gerealiseerd wordt door de diensten voor deze vier aandeelhouders. Dit houdt ook in dat 85% van het totale dividend wordt betrokken bij de berekening van de afvalstoffenheffing. De overige 15% komt ten gunste van de algemene middelen; • in de lasten zijn de kosten van het grondstoffencentrum van Saver meegenomen; • het tarief voor de afvalstoffenheffing bestaat uit een vast en een variabel deel; - het vaste deel is voor iedere belastingplichtige gelijk; -
• • • •
•
het variabele deel van het tarief wordt bepaald door de wijze van aanbieding van het afval, via een container of via inworp in een ondergrondse container, en het volume van de container, 140 of 240 liter; bij de berekening van de tarieven wordt uitgegaan van gemiddeld 13 ledigingen per jaar van zowel de 240-liter als de 140-liter containers en 46 inworpen in een ondergrondse container; de ledigingen en stortingen worden na afloop van het kalenderjaar in rekening gebracht; bij de opstelling van de Jaarrekening komt het saldo van baten en lasten op het product afvalverwijdering en – verwerking ten laste of ten gunste van de voorziening afvalstoffenheffing. Een negatief saldo kan alleen worden verrekend voor zover de voorziening daarvoor toereikend is; bij het berekenen van de tarieven is ervoor gekozen om alleen een meerjarig effect van het aantal ledigingen en/of inworpen mee te nemen. Dit betekent dat het aantal ledigingen of inworpen wordt bijgesteld als sprake is van een wijziging die zich minimaal drie jaar heeft voorgedaan. Hierdoor worden ongewenste schommelingen in het tarief voorkomen.; De tarieven van Saver worden jaarlijks geïndexeerd.
Voor 2022 is door Saver een indexering van de tarieven met 1,9% aangegeven. Dit leidt tot de volgende tarieven voor 2022: Afvalstoffenheffing
2021
2022
Verschil
Vast tarief per aansluiting
€ 170,16
€ 178,01
4,61%
Tarief per lediging 240-liter container
€ 10,00
€ 10,53
5,30%
Tarief per lediging 140-liter container
€ 5,83
€ 6,14
5,32%
Tarief inworp ondergrondse afvalcontainer
€ 1,67
€ 1,76
5,39%
60
4.2.4 Rioolheffing Op 1 januari 2008 is de Wet Gemeentelijke Watertaken in werking getreden. Deze wet regelt dat naast de kosten voor afvoer en verwerking van afvalwater ook de kosten voor afvoer van hemelwater via de verbrede rioolheffing verhaald kunnen worden. Daarnaast worden ook de kosten voor voorzieningen die verband houden met het grondwaterpeil via de verbrede rioolheffing verhaald. De verwachte kosten liggen vast in het Gemeentelijk RioleringsPlan (GRP) 2020-2023 dat in september 2019 is vastgesteld. De algemene uitgangspunten voor de berekening van de tarieven voor de rioolheffing blijven ongewijzigd en zijn als volgt: • bij de berekening van de tarieven van de rioolheffing wordt uitgegaan van 100% kostendekkendheid; • de compensabele BTW wordt in de tarieven van de rioolheffing doorberekend; • bij de ontwikkeling van de lasten is uitgegaan van een inflatiepercentage van 1,5%; • bij de opstelling van de Jaarrekening wordt het verschil tussen de werkelijke baten en lasten verbonden aan de rioolheffing, verrekend met de voorziening overschotten riolering; Voorlopige ontwikkeling tarieven 2022: Rioolheffing
2021
2022
Verschil
Eenpersoonshuishouden
€ 167,64
€ 172,20
2,72%
meerpersoonshuishouden
€ 223,56
€ 229,56
2,68%
bedrijven tot 500 m3
€ 223,56
€ 229,56
2,68%
€ 0,27
€ 0,28
3,70%
Grootverbruik per m3 vanaf per 501 m3
4.2.5 Toeristenbelasting Via het besluit voor vaststelling van de Verordening toeristenbelasting 2019 heeft de gemeenteraad besloten om het tarief voor de toeristenbelasting voor 2019 ook te laten gelden voor de jaren 2020 t/m 2022. Dit betekent dat het tarief in 2022 niet wijzigt en gehandhaafd wordt op € 1,15 per overnachting. 4.2.6 Leges In de Legesverordening is een groot aantal diensten opgenomen waarvoor de gemeente leges in rekening mag brengen. De tarieven hiervan mogen niet meer dan kostendekkend zijn. De bij de legesverordening behorende tarieventabel is verdeeld in 3 titels: • Algemene dienstverlening • Dienstverlening vallend onder fysieke leefomgeving/omgevingsvergunning • Dienstverlening vallend onder Europese dienstenrichtlijn De wet spreekt van een maximale kostendekking van 100% op het niveau van de verordening. Dit impliceert dat sommige tarieven hoger kunnen zijn dan nodig is om de geraamde kosten te dekken en dat andere tarieven lager zijn dan nodig is om de geraamde kosten te dekken. Indien dit het geval is, is sprake van kruissubsidiëring. In de gemeente Halderberge zijn niet van ieder product afzonderlijk de kosten bepaald. Dit vindt minimaal plaats op het niveau van productcategorie of zelfs hoger. Derhalve is het mogelijk dat kruissubsidiëring plaatsvindt.
Kruissubsidiëring kent enkele uitzonderingen: • er is geen kruissubsidiëring toegestaan tussen de dienstverlening vallend onder de Europese dienstenrichtlijn en de overige dienstverlening; • de wetgeving over de omgevingsvergunning gaat ervan uit dat alleen binnen de omgevingsvergunning kruissubsidiëring kan worden toegepast en niet met dienstverlening erbuiten. In titel 1 zijn tarieven opgenomen voor algemene dienstverlening. Hieronder vallen een aantal producten waarvoor van Rijkswege wettelijke tarieven worden bepaald. Voorgesteld wordt om voor 2022, net als in voorgaande jaren, de maximaal toegestane tarieven aan te houden. Dit tarief wordt naar beneden afgerond op een veelvoud van € 0,05.
61
Voor de overige tarieven wordt voorgesteld om op de tarieven van 2021 een indexering toe te passen van 1,5% en de uitkomst hiervan af te ronden op een veelvoud van € 0,05. In afwijking hiervan wordt voorgesteld om de tarieven in hoofdstuk 1 van de tarieventabel (dienstverlening voor een huwelijk of geregistreerd partnerschap), voor zover wettelijk toegestaan, af te ronden op hele euro’s. In titel 2 van de Tarieventabel zijn de leges opgenomen voor de dienstverlening vallend onder de fysieke leefomgeving. Op 27 mei 2021 werd het bericht ontvangen dat de inwerkingtreding van de Omgevingswet is uitgesteld naar 1 juli 2022. Door de Omgevingswet veranderen de leges die de gemeente in rekening mag brengen. Vanaf de datum van inwerkingtreding is dan ook een aanpassing van de legesverordening nodig. Voor het eerste halfjaar van 2022 worden alleen de tarieven van de bestaande legesverordening geïndexeerd. Voor het tweede halfjaar zal een aangepaste legesverordening aan de raad worden aangeboden. Paragraaf 2.3.1.1 gaat specifiek over bouwactiviteiten. Hiervoor is een staffel opgenomen. Voorgesteld wordt om het basisbedrag van 2021 van de staffel te indexeren met 1,5% en de uitkomst daarvan af te ronden op een veelvoud van € 5. Het basisbedrag voor 2022 wordt daarmee € 250 (was € 245).
Verder is de staffel zodanig logisch opgebouwd dat het bedrag van de start van een trede in de staffel gelijk is aan het maximum van de voorgaande trede. De percentages wijzigingen niet. In titel 3 van de tarieventabel zijn de tarieven opgenomen voor vergunningsverlening op het gebied van horeca, organisatie van evenementen en markten en verdere niet specifiek genoemde aangelegenheden. Voorgesteld wordt om de tarieven voor 2022 ten opzichte van 2021 te verhogen met het inflatiepercentage van 1,5% en vervolgens naar beneden af te ronden op een veelvoud van € 0,05. Hierboven zijn per titel de uitgangspunten opgenomen voor de tariefontwikkeling voor 2022. Het kan echter wenselijk zijn om wegens bijzondere redenen of voor specifieke tarieven een afwijkend voorstel te doen. Indien dat het geval is, zal dat in de Begroting of de Legesverordening voor 2022 nader worden toegelicht. 4.2.7 Lijkbezorgingsrechten Voor de lijkbezorgingsrechten wordt aangesloten op de uitgangspunten zoals die bij het vaststellen van de verordening voor 2021 zijn bepaald.
Dit betekent het volgende: • ieder tarief dekt in principe voor 100% de kosten die verbonden zijn aan de verleende dienst; • uitzondering hierop zijn de tarieven voor de rechten voor een graf of urnennis voor kinderen onder 12 jaar; • bij het verlenen van rechten wordt een logische opbouw gehanteerd, waarbij het tarief voor 20 jaar tweemaal zo hoog is als het tarief voor 10 jaar (en naar rato ook voor andere looptijden); • de tarieven voor het verlengen van rechten zijn even hoog als de tarieven voor het verlenen van rechten; • het jaartarief voor het reserveren van een bijzonder graf bestaat naast een dekking voor de administratieve kosten uit een aandeel voor de dekking van het onderhoud (1/10 deel van het 10-jaarstarief voor het verlenen van een recht); • de geraamde structurele kosten voor het onderhoud van de begraafplaats worden verdeeld over de maximale capaciteit van de begraafplaats. Deze capaciteit bedraagt 2203 plaatsen (zowel gewone graven als urnengraven en -nissen); • Alle tarieven worden afgerond op eenheden van € 0,05. 4.2.8 Marktgelden Het tarief voor het innemen van een standplaats op de markt bedraagt in 2021 € 2,35 per m¹. Voorgesteld wordt om voor het tarief voor 2022 een indexering toe te passen van 1,5% ten opzichte van het tarief van 2021 en de uitkomst hiervan naar boven af te ronden op een veelvoud van € 0,05.
Het nieuwe tarief voor 2022 wordt dan € 2,40 per m¹. De bijdrage in de promotiekosten bedraagt in 2021 per marktdag of gedeelte daarvan € 0,10 per m¹. Dit tarief wordt niet geïndexeerd en blijft daarmee ook in 2022 € 0,10 per m¹. Voor de doorberekening van de stroomkosten zijn categorieën gemaakt voor de doorberekening van de energiekosten. De verdeling in categorieën is gemaakt op basis van de apparatuur die wordt gebruikt. Voorgesteld wordt om op deze staffel een indexering van 1,5% te laten plaatsvinden en de uitkomst naar boven af te ronden op een veelvoud van € 1.
62
4.2.9 Lastendruk De ontwikkeling van de woonlasten voor huishoudens in de gemeente Halderberge kan in beeld worden gebracht door middel van de lastendruk. Dit is een vergelijking van meerdere jaren van de som van de afvalstoffenheffing, de rioolheffing en, bij koopwoningen, de onroerendezaakbelasting. Hierbij is onderscheid gemaakt tussen eenpersoons- en meerpersoonshuishoudens. Lastendruk 2021
Lastendruk 2022
Afvalstoffenheffing meerpersoonshuishouden
€ 300,16
€ 314,90
4,91%
Rioolheffing meerpersoonshuishouden
€ 223,56
€ 229,56
2,68%
OZB eigenaar
€ 269,88
€ 273,93
1,50%
Totaal lastendruk meerpersoonshuishouden met huurwoning
€ 523,72
€ 544,46
3,96%
Totaal lastendruk meerpersoonshuishouden eigen woning¹
€ 793,60
€ 818,39
3,12%
Lastendruk 2021
Lastendruk 2022
Afvalstoffenheffing eenpersoonshuishouden
€ 240,12
€ 251,69
4,82%
Rioolheffing eenpersoonshuishouden
€ 167,64
€ 172,20
2,72%
OZB eigenaar
€ 269,88
€ 273,93
1,50%
Totaal lastendruk eenpersoonshuishouden met huurwoning
€ 407,76
€ 423,89
3,96%
Totaal lastendruk eenpersoonshuishouden eigen woning¹
€ 677,64
€ 697,82
2,98%
Overzicht ontwikkeling woonlasten meerpersoonshuishouden
Overzicht ontwikkeling woonlasten eenpersoonshuishouden
Stijging/ daling
Stijging/ daling
Bij de berekening van de lastendruk is uitgegaan van een woning met een gemiddelde WOZ-waarde van € 259.000 per 1 januari 2020 (bron: CBS). Die waarde is in 2021 ongewijzigd gelaten, omdat de waarde per 1 januari 2021 nog niet bekend is. Conclusie Voor meerpersoonshuishoudens met een eigen woning stijgen de woonlasten in 2022 met 3,12% ten opzichte van 2021. Voor eenpersoonshuishoudens is dat 2,98%. Voor huishoudens met een huurwoning stijgen de woonlasten ten opzichte van 2021 zowel voor meerpersoonshuishoudens als voor alleenstaanden met 3,96%. 4.2.10 Kwijtscheldingsbeleid Indien een belastingplichtige niet of over te weinig financiële middelen beschikt om de belastingaanslag te voldoen en niet beschikt over vermogen, kan de belastingplichtige onder bepaalde voorwaarden in aanmerking komen voor kwijtschelding. Voorgesteld wordt om voor de Begroting 2022 een kwijtscheldingspercentage te hanteren van 100%. Concreet betekent dit dat belastingplichtigen die een vermogen hebben onder de norm en een inkomen hebben van 100% van het minimuminkomen (volgens bijstandsnorm) of lager in aanmerking komen voor gehele of gedeeltelijke kwijtschelding. Belastingplichtigen kunnen alleen kwijtschelding aanvragen voor de afvalstoffenheffing, de rioolheffing en de onroerendezaakbelasting.
Omdat het gebruikersdeel van de onroerendezaakbelasting al een aantal jaren geleden is afgeschaft, komt echter bijna niemand in aanmerking voor kwijtschelding van de onroerendezaakbelasting. Voor de overige heffingen kunnen belastingplichtigen geen verzoek doen tot kwijtschelding. Vanaf 2011 heeft de gemeenteraad de mogelijkheid om bepaalde verruimingen met betrekking tot de kwijtscheldingsregels toe te passen. In 2011 is dat gebeurd voor kwijtscheldingsverzoeken van ondernemers. De gemiste opbrengsten als gevolg van de verleende kwijtschelding worden betrokken bij de berekening de tarieven van de afvalstoffenheffing en de rioolheffing.
63
64
Weerstandsvermogen en risicobeheersing
4.3.1 Inleiding Naast een sluitende meerjarenraming is ook het weerstandsvermogen een indicator voor de financiële positie van een gemeente. Het weerstandsvermogen wordt uitgedrukt in een indicator van de weerstandscapaciteit ten opzichte van de risico’s. Gehanteerde uitgangspunten berekening benodigde weerstandscapaciteit In de voorbereiding op de Zomernota 2021 heeft er naast een inventarisatie van nieuwe risico’s ook een herijking van de bestaande risico’s plaats gevonden. De geïnventariseerde risico’s zijn vervolgens opgenomen in NARIS en opnieuw berekend. Daarbij is een onderscheid gemaakt in structurele risico’s en incidentele risico’s. Bij de berekening van de benodigde weerstandscapaciteit zijn de volgende uitgangpunten gehanteerd. 1. Opgenomen zijn risico’s die, op relatief eenvoudige wijze, financieel zijn te vertalen. 2. Elke risico wordt berekend aan de hand van de volgende parameters: - kans van optreden (bandbreedte 10% - 90%). - minimaal financieel gevolg, verwacht financieel gevolg en maximaal financieel gevolg als het risico zich voordoet. 3. Bij de berekening van de benodigde weerstandscapaciteit is er rekening mee gehouden dat niet alle risico’s zich tegelijkertijd zullen voordoen: de benodigde weerstandscapaciteit bedraagt 95% van het totaal aan berekende risicobedragen. 4.
De gemeente krijgt voor structurele risico’s vier jaar de tijd om de financiële gevolgen van deze risico’s, fasegewijs, in de begroting/meerjarenraming op te nemen. Dit uitgangpunt vertaalt zich in een vermenigvuldigingsfactor van 2,5 voor structurele risico’s (jaar 1: 100%, jaar 2: 75%, jaar 3: 50%, jaar 4: 25%; totaal 250%).
65
4.3.2 Weerstandscapaciteit De weerstandscapaciteit bestaat uit de middelen en de mogelijkheden die de gemeente heeft om onverwachte kosten (risico’s) op te kunnen vangen. De weerstandscapaciteit op begrotingsbasis bestaat uit de volgende onderdelen. • De algemene reserves (inclusief algemene reserve grondexploitaties) • De vrije begrotingsruimte (post onvoorziene uitgaven en het begrotingssaldo) • Vrij besteedbare bestemmingsreserves • De onbenutte belastingcapaciteit • Eventuele stille reserves In de onderstaande tabel is de verwachte weerstandscapaciteit voor 2022 weergegeven (x € 1.000). Weerstandscapaciteit
Zomernota 2021
Algemene reserve
5.351
Algemene reserve grondexploitaties
4.150
Reserve Borchwerf II
300
Egalisatiereserve rente
955
Post onvoorziene uitgaven
100
Begrotingsruimte
338
Vrij besteedbare bestemmingsreserves
-
Onbenutte belastingcapaciteit
1.557
Stille reserves
PM
Totaal weerstandscapaciteit
12.751
4.3.3 Risico's In onderstaande tabel is het totale risicobedrag weergegeven (x € 1.000).
Risico's
Risicobedrag
Incidentele risico's
423
Structurele risico's
3.754
Totaal risicobedrag
4.177
Waarvan risico's sociaal domein
2.320
De 10 grootste risico's worden hierna toegelicht.
66
Risico
Risicobedrag
Tekort jeugdzorg
752
Tekort BUIG
744
CAO en andere loonontwikkelingen
334
Tekort Wmo begeleiding
308
Tekort Wmo hulp bij het huishouden
284
Wateroverlast
237
Stijging van het rentepercentage over het geïnvesteerde vermogen
124
Schade aan wegen agv omleidingsroutes en sluipverkeer
120
Vorst- en dooischade
119
Tekort Wmo voorzieningen
118
Tekort jeugdzorg Omdat de uitvoering van de Jeugdwet een open-einde regeling betreft, bestaat het risico dat het beschikbare budget wordt overschreden. Dit risico is ingeschat op maximaal 10% van het budget voor jeugdzorg. Tekort BUIG Van het rijk wordt een gebundelde uitkering (BUIG) ontvangen voor de uitvoering van de Particiaptiewet, IOAW, IOAZ en BBZ. Omdat de uitvoering hiervan een open-einde regeling betreft, bestaat het risico dat het beschikbare budget wordt overschreden. Dit risico is ingeschat op maximaal 7,5% van de rijksbijdrage. Bij een (stuctureel) tekort van meer dan 7,5% kan een beroep worden gedaan op de vangnetregeling. CAO en andere loonontwikkelingen Voor de ontwikkeling van de salarissen wordt, naast de periodieke verhogingen, rekening gehouden met de loonstijgingen als gevolg van de cao. De cao voor gemeenteambtenaren is per 1 januari 2021 afgelopen. De VNG en de vakbonden zijn in overleg over een nieuwe cao. In de huidige meerjarenraming is vanaf 2021 een loonsverhoging opgenomen van 1,5% per jaar. Bij de uitgangpunten voor de Programmabegroting 2022 wordt voorgesteld bij de opstelling van de meerjarenbegroting 2022 – 2025 de geraamde loonsverhoging, in afwachting van de nieuwe cao, te handhaven op 1,5% per jaar, gelijk aan het inflatiepercentage. Een extra loonstijging van 1% betekent voor Halderberge een structurele stijging van de loonkosten met ca.
€ 146.000 per jaar. Tekort Wmo begeleiding Omdat de uitvoering van de Wmo-voorziening begeleiding een open-einde regeling betreft, bestaat het risico dat het beschikbare budget wordt overschreden. Dit risico is ingeschat op maximaal 10% van het budget voor begeleiding. Tekort Wmo hulp bij het huishouden Omdat de uitvoering van de Wmo-voorziening hulp bij het huishouden een open-einde regeling betreft, bestaat het risico dat het beschikbare budget wordt overschreden. Dit risico is ingeschat op maximaal 10% van het budget voor hulp bij het huishouden.
67
Wateroverlast Het klimaat is aan het veranderen. We krijgen meer en meer te maken met buien waarin binnen een korte tijd veel water valt. Het afwateringssysteem kan dergelijke intensieve regenbuien niet aan. De kans op wateroverlast in zowel stedelijk als landelijk gebied neemt daarom toe. De laatste jaren is daarom enorm veel geïnvesteerd in het treffen van maatregelen om wateroverlast tegen te gaan. De gevolgen van waterlast kunnen zijn: • Verzakkingen van wegen als gevolg van uitspoeling. • Herstellen verzakkingen en breuken in het riool. • Schoonmaken van ondergelopen gebieden. • Inzet van pompen voor het wegpompen van water in de ondergelopen gebieden. • In ernstige gevallen evacueren en opvangen bewoners. In de begroting is geen rekening gehouden met deze gebeurtenissen. Wel zijn er middelen voor het onderhoud aan wegen en riolering ter voorkoming van mogelijke overlast. Weersomstandigheden blijven echter een risico. Schade aan wegen als gevolg van omleidingen en sluitroutes Door reconstructies aan wegen kunnen schades ontstaan aan die wegen die worden aangewezen als omleidingsroute bij deze werkzaamheden. Daarnaast worden wegen ook gebruikt door sluipverkeer omdat het verkeer naast de omleidingsroutes haar eigen weg kiest. Met deze mogelijke schades is geen rekening gehouden in de begroting maar vormt wel een risico.
Vorst- en dooischade Jaarlijks is er financieel ruimte voor het uitvoeren van onderhoud aan wegen, verhardingen en kunstwerken. In de begroting is geen rekening gehouden met mogelijke schades als gevolg van een dergelijke weersomstandigheden. Die hebben zich tot op heden nog niet voorgedaan, maar vormen wel een risico. Tekort Wmo voorzieningen Omdat de uitvoering van de Wmo-voorzieningen (woonvoorzieningen, vervoersvoorzieningen, rolstoelen) een openeinde regeling betreft, bestaat het risico dat het beschikbare budget wordt overschreden. Dit risico is ingeschat op maximaal 10% van het budget voor Wmo-voorzieningen. Stijging van het rentepercentage over het geïnvesteerde vermogen Voor 2021 en verder wordt er binnen de grex-berekeningen rekening gehouden met het rentepercentage van 0,76%. Het uitgangspunt voor de berekening van het risico is dat dit percentage met maximaal 2% toeneemt tot 2,76%. Op basis van dit percentage is in beeld gebracht welk gevolg dit heeft op de contante waarde van alle projecten binnen de grondexploitaties. Overige risico's Gevolgen coronacrisis De risico's van de coronacrisis zijn niet opgenomen in de tien grootste risico's. Het betreft met name incidentele risico's voor 2021. De berekening van de weerstandsratio heeft betrekking op 2022.
Voor een toelichting op de (financiële) risico's van de coronacrisis verwijzen wij u naar hoofdstuk 3 van deze Zomernota. 4.3.4 Weerstandsvermogen Op basis van de weerstandscapaciteit en de verwachte risico’s kan een uitspraak worden gedaan over het weerstandsvermogen. Het weerstandsvermogen is het vermogen van de gemeente om financiële tegenvallers op te kunnen vangen zonder dat de normale bedrijfsvoering wordt aangetast. Het weerstandsvermogen bestaat uit de relatie tussen de beschikbare weerstandscapaciteit (de middelen waarover de gemeente kan beschikken om niet begrote kosten die onverwachts en substantieel zijn te dekken) en de benodigde weerstandscapaciteit (de risico’s waarvoor geen voorzieningen of verzekeringen zijn afgesloten). Deze relatie kan op een eenvoudige wijze in de volgende vergelijking worden weergegeven: Ratio weerstandsvermogen = Beschikbare weerstandscapaciteit / Benodigde weerstandscapaciteit (risico's). De ratio weerstandsvermogen is berekend op € 12.751.000 / € 4.177.000 = 3,05.
68
De ratio voor het weerstandsvermogen is als volgt gecategoriseerd. Situatie
Ratio weerstandsvermogen
Betekenis weerstandsvermogen
A
X > 2,0
Hoog
B
1,5 < X < 2,0
Ruim voldoende
C
1,0 < X < 1,5
Voldoende
D
0,5 < X < 1,0
Onvoldoende
E
X < 0,5
Ruim onvoldoende
De ratio van het weerstandsvermogen is voor 2022 berekend op 3,05. Dit is te categoriseren als hoog. Zoals ook bij de eerder genoemde uitgangspunten is aangegeven, is bij de berekening van benodigde weerstandscapaciteit rekening gehouden met zowel incidentele als structurele risico’s. Hierdoor heeft het benodigde weerstandsvermogen ook een meerjarig karakter voor de komende 4 jaar. Dit zal vervolgens jaarlijks bij de Zomernota en Begroting worden bijgesteld met de inzichten op dat moment. De daling ten opzichte van de ratio, zoals die voor het jaar 2021 was berekend in de Programmabegroting 2021 (4,35), is het gevolg van een daling van de weerstandscapaciteit met € 5,4 miljoen (30%). Het totale risicobedrag van € 4,1 miljoen is nagenoeg gelijk aan de Programmabegroting 2021. De daling van de weerstandscapaciteit is met name het gevolg van diverse mutaties in de algemene reserve ten opzichte van de Begroting 2021: 1. Een daling van € 3 miljoen als gevolg van het later ontvangen van de winstuitkering Borchwerf. De winstuikering wordt nu verwacht in 2021 en 2022. In het programma Ruimtelijke en economische ontwikkelingen is een nadere toelichting opgenomen; 2. Een daling van € 1,4 miljoen als gevolg van het vormen van een voorziening voor het wegwerken van achterstallig; onderhoud van wegen ad. € 1,4 miljoen. Een raadsbesluit van 3 juni 2021; 3.
Een daling van afgerond € 730.000 als gevolg van mutaties volgend uit raadsbesluiten over het Religieus Erfgoed (raad april 2017 en oktober 2020), het Vitaal Buitengebied (€ 166.000) en de bijdrage aan de supermarkt in Bosschenhoofd ad. € 50.000. Met de motie "Aanspraak op reserves Brabant Water en Saver" van 2 juli 2020 is het college verzocht om met Brabant Water en Saver in gesprek te gaan om hun te vragen om een flink deel van hun reserves te laten terugvloeien naar de gemeenten. Hieronder is de stand van zaken aangegeven. Brabant Water Op initiatief van de gemeenten Zundert, Etten-Leur, Altena en Halderberge is een brief opgesteld waarin Brabant Water wordt verzocht om jaarlijks dividend uit te laten keren. Een andere optie was om Brabant Water eenmalig een deel van het eigen vermogen uit te laten keren. Omdat dit slechts een incidenteel voordeel oplevert werd deze optie niet gesteund door de meeste gemeenten. Het verzoek wordt gesteund door nog 15 gemeenten. Deze 19 gemeenten gezamenlijk vertegenwoordigen 32,4% van het aandelenvermogen. Om een kans van slagen te hebben moet een meerderheid worden behaald. Mogelijk sluiten zich nog meer gemeenten aan tijdens de Algemene Vergadering van Aandeelhouders van 18 juni 2021. De uitkomst hiervan was bij het opstellen van de Zomernota 2021 nog niet bekend.
Saver In de Algemene Vergadering van Aandeelhouders van 11 december 2020 stond de herkapitalisatie van Saver N.V. op de agenda. In deze AVA is de afspraak gemaakt dat er in overleg met de ambtelijke werkgroep Saver N.V., waarin ambtelijke vertegenwoordigers van de aandeelhoudende gemeenten vertegenwoordigd zijn, drie scenario's voor de herkapitalisatie van Saver N.V. nader worden uitgewerkt door Saver N.V. Besluitvorming over de herkapitalisatie zou plaatsvinden in de eerstvolgende reguliere AVA, die in de maand juni gepland is. De verwachting is echter dat er in de eerstvolgende reguliere AVA nog geen besluit kan worden genomen over de herkapitalisatie, omdat tot op heden twee van de drie scenario's nog nader moeten worden uitgewerkt.
69
4.3.5 Ontwikkeling financiële kengetallen In het Collegewerkprogramma 2018-2022, Samen Vooruit! zijn bij het onderdeel Financiën doelstellingen opgenomen voor de gewenste ontwikkeling van de financiële positie van de gemeente. Die doelstellingen zijn als volgt: • een sluitende begroting voor nu en in de toekomst; • een betere vermogenspositie; • de stijging van de lasten voor inwoners en bedrijven blijft beperkt; • het weerstandvermogen blijft goed; • we houden een goede financiële basis en blijven realistisch; • In control blijven op de financiën en een heldere communicatie naar alle partijen. Deze paragraaf gaat in op de ontwikkeling van de vermogenspositie. Voor het bereiken van deze doelstelling zijn concrete maatregelen aangegeven in het collegewerkprogramma. Een van de maatregelen is om tweemaal per jaar de voortgang van de financiële kengetallen te controleren. Gezien het omvangrijke investeringsprogramma hebben wij in deze Zomernota tussentijds een extra rapportagemoment ingebouwd. Zoals aangegeven in het collegewerkprogramma wordt gestreefd naar een verbetering van de vermogenspositie. Hierbij bedraagt de solvabiliteit minimaal 20%. Op de langere termijn sturen we op een netto schuldquote onder de 90%. Ten opzichte van de Programmabegroting 2021 zijn er diverse ontwikkelingen in het investeringsprogramma geweest.
De volgende tabel laat de omvang van het huidige investeringsprogramma zien ten opzichte van de begroting. Jaar
Begroting
Zomernota
Verschil
2021
10.177.000
12.474.000
2.297.000
2022
16.535.000
23.049.000
6.514.000
2023
13.219.000
16.274.000
3.055.000
2024
2.180.000
5.723.000
3.543.000
2025
2.180.000
4.031.000
1.851.000
Alle jaren laten een toename zien ten opzichte van het eerder aan uw raad voorgelegde investeringsprogramma. Ten opzichte van de programmabegroting 2021 wordt dit met name veroorzaakt door de volgende investeringen: • 2021: naar voren schuiven deel investering Markland College, atletiekbaan, IHP onderwijs • 2022: reconstructies wegenbeheerplan, IHP onderwijs • 2023: reconstructies wegenbeheerplan, uitbreiding parkeerplaatsen, dorpshuizen, IHP onderwijs • 2024: reconstructies wegenbeheerplan, dorpshuizen • 2025: reconstructies wegenbeheerplan (maar stond nog niet in de begroting 2025) De investeringen kunnen niet uit eigen middelen worden betaald. Daarom moet de gemeente daar externe financiering voor aantrekken. Het aantrekken van externe financiering in de vorm van geldleningen zorgt voor verandering van de financiële kengetallen. In de Programmabegroting 2021 werd al aangegeven dat de kengetallen schuldquote en solvabiliteit in grote mate worden beïnvloed door het financieel omvangrijke investeringsprogramma en dat daardoor de gewenste verbetering nauwelijks mogelijk is. Door de uitbreiding van het investeringsprogramma geldt dat nog meer. De netto schuldquote zou zich volgens de Begroting 2021 ontwikkelen van ca. 90% in 2021 naar ca. 112% in 2024. De solvabiliteit ging van ca. 18% in 2021 naar ca. 15% in 2024.
Door de toename van het investeringsprogramma zal die ontwikkeling naar verwachting nog sterker worden, waardoor de vermogenspositie verder onder druk komt te staan, ook op de langere termijn. Bij de Programmabegroting 2022 worden de kengetallen op basis van een geactualiseerde liquiditeitsplanning geactualiseerd. Het is dan ook belangrijk om de vermogenspositie te gaan verbeteren, met name door incidentele voordelen onder andere vanuit de investeringen (zoals ontvangen subsidies, aanbestedingsvoordelen) toe te voegen aan de reserves. Bij de Programmabegroting 2022 zal het college met een voorstel komen met maatregelen om de vermogenspositie te verbeteren.
70
Meerjaren Perspectief Grondexploitaties
4.4.1 Inleiding De werkwijze van de gemeente om de ruimtelijke doelstellingen binnen de gemeente te realiseren en op welke wijze de daartoe beschikbare grondbeleid instrumenten (kunnen) worden ingezet is vastgelegd in de Nota grondbeleid 2019 gemeente Halderberge. De actuele financiële vertaling hiervan met betrekking tot alle binnen het onderdeel grondexploitaties opgenomen projecten blijkt uit het Meerjaren Perspectief Grondexploitaties (MPG) 2021-2030 (het totale MPG is als bijlage bij deze Zomernota gevoegd). Op basis van alle lopende projecten, de gecalculeerde risico’s, de inschatting van de baten en de lasten van de projecten en de prognoses over de vastgoedmarkt, geeft dit MPG een doorkijk vanuit het verleden naar de toekomst van de in beheer en ontwikkeling zijnde complexen, vallend onder het taakveld grondbedrijf. Een dergelijke berekening vormt altijd een momentopname. Tal van gebeurtenissen hebben invloed op het exploitatieresultaat. Het is dan ook van groot belang om de berekening regelmatig te actualiseren. In dit MPG zijn op basis van de genoemde geactualiseerde exploitatieberekeningen, de financiële consequenties van alle grondbedrijf-activiteiten vertaalt in een meerjarige staat van reserves en voorzieningen grondexploitaties. De beginstand van deze staat is altijd 1 januari van het redactiejaar, in dit geval 2021.
Bovendien is er aansluiting tussen de exploitatieberekeningen en de zogeheten staten P die in de Jaarrekening worden vermeld. Een exploitatieberekening geeft meerjarig inzicht in de verwachte kosten en opbrengsten van een activiteit. Optelling van alle activiteiten binnen het taakveld grondbedrijf per jaarschijf zijn de basis voor de begroting voor het taakveld grondbedrijf. Het MPG en alle onderliggende berekeningen bieden hiervoor het meest actuele kader. 4.4.2 Woningbouwprogramma 2018 - 2028 Op 14 december 2017 is door uw raad het woningbouwprogramma 2018-2028 vastgesteld. Op basis van dit programma en de actuele ontwikkelingen binnen dit woningbouwprogramma zijn alle grondexploitatieberekeningen geactualiseerd en zijn waarderingen van grondposities bijgesteld. Deze actualisatie en waardering van de grondpositie is ook verwerkt in de Jaarrekening 2020. 4.4.3 Toerekening personele lasten Op basis van hetgeen toegestaan is volgens de notitie Grondbeleid in begroting en jaarstukken van het BBV is bepaald welke bedragen reëel zijn om toe te rekenen aan de verschillende projecten binnen de grondexploitaties. Deze toerekening is limitatief. Het gaat hierbij alleen om vervaardigingskosten in relatie tot het transformeren van ruwe grond naar bouwrijpe grond van projecten welke gecategoriseerd mogen worden als Bouwgronden in Exploitatie (BIE).
Alle andere werkzaamheden die nodig zijn om bouwgronden in exploitatie te brengen (zoals een totale visie voor een gebied of voorbereidende werkzaamheden hiervoor) mogen niet meer worden toegerekend aan projecten binnen de grondexploitatie. Al een aantal jaren wordt de plankostenscan van de VNG gehanteerd om de personele lasten toe te rekenen aan de grondexploitaties. Op basis van de bijgestelde grondexploitaties is in onderstaand staatje aangegeven welke personele lasten in de komende jaren aan de grondexploitatie-projecten worden toegerekend (x € 1.000).
Totaal toe te rekenen personele lasten
2021
2022
2023
2024
387
254
156
111
71
Bij de uitgangspunten voor de Programmabegroting 2022 is aangegeven hoe de toe te rekenen personele lasten in de Begroting worden verwerkt. De structurele financiële effecten van de bovengenoemde toerekening zijn meegenomen in de Zomernota 2021. 4.4.4 Financiële positie grondexploitaties Voor de beoordeling van de financiële situatie van de grondexploitaties zijn een aantal gegevens een belangrijke graadmeter. Het betreft hier o.a. de volgende variabelen: • De ontwikkeling van de reservepositie van de grondexploitaties; • Het verloop van de totale boekwaarde van de complexen binnen de grondexploitaties; • De ontwikkeling van de reserve bovenwijkse voorzieningen; • Geraamd saldo complexen op contante waarde. Onderstaand worden deze variabelen toegelicht. De ontwikkeling van de reservepositie van de grondexploitaties De uitgangspunten van het actuele woningbouwprogramma zijn verwerkt in de geactualiseerde grondexploitatieberekeningen. Indien de projecten conform deze uitgangspunten worden uitgevoerd zal de algemene reserve grondexploitaties groeien van € 3,7 miljoen per 1-1-2021 naar ca. € 5,2 miljoen op 31-12-2030. Naast de algemene reserve grondexploitaties bestaat binnen de grondexploitaties nog de risicoreserve Borchwerf. Deze reserve dient om het renterisico dat voortvloeit uit onze deelname in Borchwerf BV voor 5 jaren af te kunnen dekken.
Het benodigde saldo van deze reserve is per 1-1-2021 gehandhaafd op € 400.000. In de komende jaren zal deze reserve vrijvallen ten gunste van de algemene reserve grondexploitaties. In onderstaand schema is het verloop van de algemene reserve grondexploitaties en de risicoreserve Borchwerf weergegeven (x € 1.000)
Algemene reserve grondexploitaties Risicoreserve Borchwerf
1-1-2021
1-1-2022
1-1-2023
1-1-2024
3.679
4.150
4.355
4.455
400
300
100
0
Het verloop van de totale boekwaarde van de complexen binnen de grondexploitaties De boekwaarde van de complexen welke binnen de grondexploitaties worden geadministreerd wordt enerzijds beïnvloed door de vervaardigingskosten die gemaakt moeten worden om ruwe gronden naar woonrijpe gronden te transformeren en anderzijds door de opbrengsten die deze woonrijpe gronden kunnen genereren. Op basis van het vastgestelde woningbouwprogramma zal de totale boekwaarde van de complexen in de periode 2021 - 2030 afnemen van ca. € 12,8 miljoen naar € 0. De ontwikkeling van de reserve bovenwijkse voorzieningen Voor wat betreft de onttrekkingen aan de reserve bovenwijkse voorzieningen is gerekend met een uitname zoals die is opgenomen in de Nota kostenverhaal. De voeding van deze reserve is gebaseerd op de aantallen woningen zoals deze zijn geprognosticeerd in de herziene kostprijsberekeningen bij de Jaarrekening 2020. Uit de geactualiseerde grondexploitatieberekeningen blijkt op dit moment dat er nog een toevoeging aan de reserve bovenwijkse voorzieningen wordt verwacht van ca. € 1,0 miljoen. Als gevolg van de geplande stortingen en onttrekkingen dreigt de reserve in 2021 negatief te worden. Dit is volgens het BBV niet toegestaan. In de loop van 2021 zal bezien worden of de reserve werkelijk negatief wordt.
Indien dit het geval blijkt, zal een bedrag vanuit de algemene reserve grondexploitaties in de reserve bovenwijkse voorzieningen worden gestort, zodat er een positief saldo blijft bestaan. In onderstaand schema is het verloop van de reserve bovenwijkse voorzieningen weergegeven (x € 1.000). Verloop bovenwijkse voorzieningen
2021
2022
2023
2024
Saldo 1-1
715
-83
-226
-196
Toevoegingen
350
97
270
129
Onttrekkingen
1.148
240
240
90
Saldo 31-12
-83
-226
-196
-157
72
Geraamd saldo complexen op contante waarde Naast de boekwaarden zijn ook de nog te verwachten kosten en opbrengsten in beeld gebracht voor de projecten die in exploitatie zijn. Op basis hiervan zijn onderstaand de projecten weergegeven met een verwacht financieel resultaat (winstgevend of verliesgevend) op basis van de nominale waarde en de contante waarde per 1-1-2021 (x € 1.000). Project
Resultaat nominale waarde
Resultaat contante waarde
106 Sportpark Pagnevaart
806
716
122 Albano lob C - 2e fase
105
103
5
5
-2.623
-2.522
313 Hoeven Bovendonksestraat
-122
-120
314 Reuzelaarterrein
123
121
315 Lindelommer
-685
-646
48
44
-2.063
-2.022
601 Korenweide II/III
150
147
913 Oud Gastel Noord
-2.956
-2.841
Totaal
-7.213
-7.015
143 Bornhemweg 216 Mgr. Meeuwissenstraat / Kerkstraat
316 Uitbreiding Bovendonksestraat 504 Klooster Stampersgat e.o.
De projecten die positief sluiten geven een resultaat op contante waarde van ruim € 1,1 mln. De plannen met een negatief resultaat bedragen op contante waarde in totaal ca. € 8,2 mln. Voor de projecten met een verwacht verlies is conform het BBV een voorziening gevormd. 4.4.5 Risico's Doordat in de Jaarrekening 2020 de voorzieningen voor de verliesgevende projecten wederom zijn geactualiseerd is een fors deel van het risico binnen de grondexploitaties ondervangen. Echter aanvullende verliesvoorzieningen en afwaarderingen kunnen nog nodig zijn op basis van onderstaande risico’s. • De verkoopprijs binnen de diverse projecten zijn vastgesteld op een bedrag van € 265 per m2. Doordat de werkelijke uitgifteprijs anders kan worden kan dit leiden tot andere opbrengsten dan waar nu in de exploitatieberekeningen van is uitgegaan. Ook de ontwikkelingen in de markt, zoals fluctuatie van de huizenprijzen, kunnen van invloed zijn op de grondprijs. • Er is gekozen voor een gespreide fasering op basis van het vastgestelde reële woningbouwprogramma. Door een verslechtering van de woningmarkt zou deze fasering nog meer uitgespreid kunnen worden. Hierdoor zullen de rentelasten verder stijgen. • Het algemene rentepercentage dat gebruikt wordt binnen de grondexploitaties is 0,76%.
Door (voornamelijk) externe factoren kan dit percentage hoger of lager uitvallen waardoor de resultaten van de berekeningen af gaan wijken. • Indien projecten door wet- en regelgeving niet langer uitgevoerd kunnen worden op de manier zoals die gepland waren kunnen hierdoor financiële verliezen ontstaan, hierdoor kunnen naast de financiële verliezen ook wijzigingen optreden in het aantal te realiseren woningen, wat weer gevolgen heeft voor het saldo van de reserve bovenwijkse voorzieningen. Op basis van de bovenstaande risico’s is het totale risicobedrag voor de grondexploitaties bepaald op € 2,4 miljoen. Dit bedrag is opgenomen in de berekening van het totale weerstandsvermogen van de gemeente Halderberge.
73
74