Toelichting Bijlagen NL.IMRO.1655.BP6021-C001 2022-07-12.pdf
Tekst van het document
7
Bluswatervoorziening Binnen de gemeente is een overzicht beschikbaar van de bluswatervoorziening. De Veiligheidsregio heeft deze (grote) bronnen geïnventariseerd. Op grond van het Bouwbesluit worden eisen gesteld aan benodigde bluswatervoorziening. Op verzoek van de Veiligheidsregio wordt, indien het plangebied een nieuw uitbreidingsplan, industrieterrein met Brzo-inrichtingen of een grootschalige ontwikkeling betreft, in dit kader advies gevraagd met betrekking tot bluswatervoorziening. Bereikbaarheid De gemeente heeft een hoofdwegenstructuur voor de brandweer vastgesteld. Deze hoofdwegenstructuur voldoet aan de eisen die de brandweer hieraan stelt. Mate van zelfredzaamheid van de aanwezigen De zelfredzaamheid van aanwezigen in het plangebied hangt van diverse factoren af. In onderstaande tabel is de zelfredzaamheid voor een aantal standaard functies beoordeeld.
Scenario
Toxisch (giftig)
Explosie
Gebouwtype
Woning Kantoor Detailhandel Bedrijf Bijzonder Kwetsbaar Woning Kantoor Detailhandel Bedrijf Bijzonder Kwetsbaar
Afwegingscriteria Fysieke Zelfstandig gesteldheid heid personen personen + + + + -
+ + + + -
Alarmeringsmogelijkheden personen en aanwezigen +/+ + +/+
+ + + + -
+ + + + -
+/+ + +/+
VluchtMogelijkheden Gebouw & omgeving + + + +/+
GevaarInschattingsmogelijkheden scenario +/+/+/+/+/-
+/+/+/+/+/-
+/+/+/+/+/-
Over het algemeen wordt geconcludeerd dat de zelfredzaamheid redelijk tot goed is. Voor bijzonder kwetsbare objecten waar verminderd zelfredzame personen aanwezig zijn (zoals kinderdagverblijf en zorginstelling) is de zelfredzaamheid beperkt. Eerder genoemde maatregelen en voorzieningen verbeteren de vlucht- en schuilmogelijkheden en daarmee ook de zelfredzaamheid van personen in het plangebied. Conclusie Op basis van het bovenstaande wordt geconcludeerd dat er personen in het plangebied worden blootgesteld aan externe veiligheidsrisico’s, ook na het treffen van maatregelen. De besproken maatregelen dragen wel bij aan het verminderen van de gevolgen die zich voordoen bij één van de beschreven scenario’s. De Veiligheidsregio is voldoende ingericht om tijdig de noodzakelijke hulpverleningscapaciteit van de beschreven scenario’s te leveren. Op basis van de beschouwde scenario’s en het gelijkblijvende groepsrisico acht de gemeente het Wro- of Wabo-besluit verantwoord.
8
Bijlage 1: Stroomschema standaard verantwoording Bijlage 2: Kaart zone indeling standaard verantwoording Bijlage 3: Standaard advies Veiligheidsregio
9
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
3. Vooroverlegreactie Brandweer Midden- en WestBrabant, Waterschap Brabantse Delta en Provincie Noord-Brabant
Bijlagen toelichting 191830 | 12-07-2022
Gemeentehuis Halderberge Parklaan 15 4731 GJ Oudenbosch
Onderwerp:
Uw schrijven van Uw kenmerk Zaaknummer Ons Kenmerk Behandeld door Doorkiesnummer Datum Verzenddatum
: : : : : : : :
12 april 2021 411852 413425 de heer T. Roos 076 564 13 83 14 april 2021 15 april 2021
wateradvies voorontwerp bestemmingsplan Nattestraat 10-12 te Oudenbosch
Geachte heer, mevrouw,
Op 12 april 2021 heeft u voorontwerp bestemmingsplan Nattestraat 10-12 te Oudenbosch toegestuurd met het verzoek om conform de watertoets een advies uit te brengen zoals bedoeld in artikel 3.1.1 lid 1 van het Besluit ruimtelijke ordening. Naar aanleiding van het voorontwerp bestemmingsplan hebben wij de volgende op- en aanmerkingen. Het waterschap Brabantse Delta is verantwoordelijk voor het waterbeheer in de gemeente op basis van de volgende wettelijke kerntaken: het zuiveringsbeheer, watersysteembeheer, beheer van dijken, beheer van vaarwegen en nautisch beheer. Het watersysteembeheer -waaronder grondwater- heeft daarbij twee doelen: zowel de zorg voor gezond water als de zorg voor voldoende water van voldoende kwaliteit. Het beleid en de daarmee samenhangende doelen van het waterschap zijn opgenomen in het waterbeheerplan 2016-2021, wat tot stand is gekomen in samenspraak met de waterpartners. Zo zijn bijvoorbeeld relevante waterthema’s gekoppeld aan de belangrijkste ruimtelijke ontwikkelingen in de regio. Daarnaast heeft het waterschap waar nodig nog toegespitst beleid en beleidsregels op de verschillende thema’s/speerpunten uit het waterbeheersplan en heeft het waterschap een eigen verordening; De Keur en de Legger. De Keur bevat gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer.
De legger geeft aan waar de waterstaatswerken plus bijbehorende beschermingszones liggen, aan welke afmetingen en vorm die moeten voldoen en wie onderhoudsplichtig is. Veelal is voor deze ingrepen een watervergunning van het waterschap benodigd. In sommige gevallen vallen de werkzaamheden onder een Algemene regel. Dan kan er onder voorwaarden sprake zijn van vrijstelling van de vergunningsplicht. De Keur en de Algemene regels zijn te raadplegen via de site van waterschap Brabantse Delta. Het waterschap hanteert bij nieuwe ontwikkelingen het principe van waterneutraal bouwen, waarbij gestreefd wordt naar het behoud of herstel van de ‘natuurlijke’ waterhuishoudkundige situatie. Vanwege dit principe wordt bij uitbreiding van verhard oppervlak voor de omgang met hemelwater uitgegaan van de voorkeursvolgorde infiltreren, bergen, afvoeren. De technische eisen en uitgangspunten voor het ontwerp van watersystemen zijn opgenomen in de ‘beleidsregel Afvoer hemelwater door toename en afkoppelen van verhard oppervlak en de hydrologische uitgangspunten bij de keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’. Wij verzoeken u in de waterparagraaf aandacht te schenken aan het gebruik van milieuvriendelijke bouwmaterialen en het achterwege laten van uitlogende bouwmaterialen, zoals lood, koper, zink en zacht PVC.
Deze stoffen kunnen zich ophopen in het water(bodem)systeem en hebben hierdoor een zeer nadelige invloed op de water(bodem)kwaliteit en ecologie. Planregels Waterschap Brabantse Delta Postbus 5520, 4801 DZ Breda T 076 564 10 00 F 076 564 10 11 E info@brabantsedelta.nl I www.brabantsedelta.nl K.v.K.nr: 51 181 584 IBAN NL88 NWAB 0636 7592 02 BIC NWABNL2GXXX BTW.nr: NL812566762B01
Geen opmerkingen. Verbeelding Geen opmerkingen. Overige opmerkingen In Nederland leidt klimaatverandering tot hogere temperaturen, meer (extreme) neerslag, drogere zomers en een stijgende zeespiegel. Het gaat daarbij niet alleen om geleidelijke veranderingen. Extreem weer, zoals hittegolven en forse regen- en hagelbuien, zal steeds vaker voorkomen en tot meer schade en slachtoffers leiden. Klimaat adaptief bouwen en inrichten biedt een kans om van gebieden een aantrekkelijk leef- en vestigingslocatie te maken met meer groen en ruimte voor water in de bebouwde omgeving en voor meer innovatieve bouwvormen. Hiermee worden ook andere doelen dan klimaatadaptie gediend, zoals een gezonde en veilige leefomgeving, biodiversiteit en het verhogen van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Verschillende decentrale overheden en regio’s werken actief aan klimaat adaptief bouwen en inrichten. Voorbeelden van concrete maatregelen zijn te vinden op de site van Rijksoverheid www.rijksoverheid.nl/documenten/brochures/2020/04/30/handreiking-regelgeving-klimaat-adaptiefbouwen-en-inrichten. Tot slot wijzen u erop dat er voor het uitvoeren van werkzaamheden in of rondom oppervlaktewaterlichamen of waterkeringen en voor het onttrekken/infiltreren van grondwater, gebods- of verbodsbepalingen kunnen gelden op basis van de Keur.
Veelal is voor werkzaamheden die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer een vergunning van het waterschap benodigd. In sommige gevallen kan een werkzaamheid onder een Algemene regel vallen, waardoor er onder voorwaarden sprake kan zijn van een vrijstelling van de vergunningplicht. De Keur en de Algemene regels zijn onder andere te raadplegen op de website van het waterschap (www.brabantsedelta.nl). Voor meer informatie hierover kunt u contact opnemen met de afdeling vergunningen via telefoonnummer 076 564 13 45. Wateradvies Aangezien de belangrijkste uitgangspunten voor het waterschap naar wens zijn opgenomen in het bestemmingsplan geven wij een positief wateradvies. Wij vertrouwen erop u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd. Voor nadere informatie kunt u contact opnemen met de de heer T.W.M. Roos van het waterschap via telefoonnummer 076 564 13 83. Hoogachtend, Namens het dagelijks bestuur, Teammanager vergunningen, mr. B.P. de Jong
-2-
Brabantlaan 1 Postbus 90151 5200 MC ’s-Hertogenbosch Telefoon (073) 681 28 12
Gemeente Halderberge Postbus 5 4730 AA OUDENBOSCH
Fax (073) 680 76 80 www.brabant.nl IBAN NL86INGB0674560043
Bereikbaarheid openbaar vervoer en fiets: www.brabant.nl/route
Onderwerp
Datum
Voorontwerp-bestemmingsplan ‘Nattestraat 10-12, Oudenbosch’
28 april 2022 Ons kenmerk
C2295330/5067336
Geacht college,
Uw kenmerk
-
In het kader van het wettelijk vooroverleg heeft u ons om een reactie gevraagd op het voorontwerp-bestemmingsplan ‘Nattestraat 10-12, Oudenbosch’. Wij hebben het plan bekeken aan de hand van de provinciale belangen zoals die zijn verwoord in de Brabantse Omgevingsvisie en de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant (IOV). Deze documenten zijn te raadplegen via www.omgevingswetinbrabant.nl.
Contactpersoon
G.A.M. (Gerard) van den Broek Telefoon
(06) 52 79 42 03 Email
gvdbroek@brabant.nl Bijlage(n)
Het plan is in overeenstemming met onze provinciale belangen, waarbij wij opmerken dat met betrekking tot het ‘Afsprakenkader kwaliteitsverbetering van het landschap’ in het algemeen en de toepassing daarvan nog nader ambtelijk contact zal worden opgenomen met uw gemeente.
Provincie Noord-Brabant,
P.M.A. van Beek, projectleider Uitvoering Wro In verband met geautomatiseerd verwerken is dit document digitaal ondertekend.
-
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
4. Ecologische Quickscan, Maassen ecologisch advies en onderzoek, rapportnummer 2007-3, 27 juli 2020
Bijlagen toelichting 191830 | 12-07-2022
Maassen Ecologisch Advies en Onderzoek J.F.G. Maassen
Herontwikkeling percelen Nattestraat 10 en 12 te Oudenbosch
Ecologische quickscan
Ecologische quickscan – Herontwikkeling Nattestraat 10 en 12 te Oudenbosch
2
Ecologische quickscan – Herontwikkeling Nattestraat 10 en 12 te Oudenbosch
J.F.G. Maassen
Herontwikkeling Nattestraat 10 en 12 te Oudenbosch Ecologische quickscan Datum 27-7-2020
3
Ecologische quickscan – Herontwikkeling Nattestraat 10 en 12 te Oudenbosch
4
Ecologische quickscan – Herontwikkeling Nattestraat 10 en 12 te Oudenbosch
Maassen ecologisch advies en onderzoek Jan Mosmanslaan 23 5237 BB ’s-Hertogenbosch T 073-6410858 maassen36@ziggo.nl K.v.K 64413152 btw-id NL001289728826 rek.no NL55 INGB 0003 0208 71
Projectno. Tekst en samenstelling Foto’s Foto op omslag In opdracht van
Wijze van citeren Contactpersoon Status Datum
2007-3 J.F.G. Maassen J.F.G. Maassen J.F.G. Maassen Adviesbureau Schoenmakers Molenzicht 2 4881 BW Zundert J.F.G. Maassen, Herontwikkeling perceel Mw. A.Jochems (Schoenmakers advies) Definitief 27-7-2020
© 2020 Maassen Ecologisch Advies en Onderzoek, ‘s-Hertogenbosch
Dit rapport is vervaardigd op verzoek van de opdrachtgever zoals hierboven aangegeven en is zijn eigendom. Niets uit deze rapportage mag worden vermenigvuldigd of openbaar gemaakt worden door middel van scanning, druk, internet, fotokopie of andere wijze zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever Maassen Ecologisch Advies en Onderzoek, noch mag het zonder deze toestemming voor een ander doel gebruikt worden dan waarvoor het vervaardigd is. Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving ten aanzien van de natuurwetgeving. Het onderzoek betreft een momentopname en geeft een inschatting van de geschiktheid van de onderzoeklocatie voor beschermde soorten. Het incidenteel voorkomen van beschermde soorten is echter nooit met zekerheid te voorspellen. Maassen Ecologisch Advies en Onderzoek is niet aansprakelijk voor vervolgschade, alsmede schade die voortvloeit uit toepassingen van de resultaten van de werkzaamheden of andere verstrekte gegevens. De opdrachtgever vrijwaart Maassen Ecologisch Advies en Onderzoek voor aanspraken van derden in verband met deze toepassing.
5
Ecologische quickscan – Herontwikkeling Nattestraat 10 en 12 te Oudenbosch
6
Ecologische quickscan – Herontwikkeling Nattestraat 10 en 12 te Oudenbosch
Inhoud 1
2
3
4
5
6
7
Inleiding 1.1 Aanleiding 1.2 Doelstelling 1.3 Toetsingskader 1.4 Leeswijzer Het plangebied, beoogde ontwikkeling en ingrepen 2.1 Ligging van het plangebied 2.2 Inrichting en het huidig gebruik van het plangebied 2.3 Beoogde ingrepen en ontwikkelingen Wettelijk kader 3.1 Inleiding 3.2 Soortenbescherming 3.3 Gebiedsbescherming 3.5 Bijzondere provinciale beschermingszones 3.6 Rode Lijst Onderzoeksresultaat en effectenbeoordeling 4.1 Methodiek 4.2 Gebiedsbescherming 4.2.1 Natura 2000 4.2.2 Provinciale beschermingszones. 4.3 Soortenbescherming 4.3.1 Vaatplanten en bladmossen 4.3.2 Zoogdieren (grondgebonden) 4.3.3 Zoogdieren (vleermuizen) 4.3.4 Vogels 4.3.5 Reptielen 4.3.6 Amfibieën 4.3.7 Vissen 4.3.8 Vlinders en libellen 4.3.9 Overige ongewervelden 4.4 Bescherming houtopstanden Conclusie 5.1 Samenvatting effectenbeoordeling 5.2 Toetsing aan de Wet natuurbescherming Voorzorgsmaatregelen, mitigatie en aanbeveling 6.1 Algemene voorzorgsmaatregelen 6.2 Bijzondere voorzorg- en mitigatiemaatregelen 6.2 Aanbeveling en advies Bronnen Bijlage 1 - Toelichting soortenbescherming Bijlage 2 - Soorten van de Vogelrichtlijn Bijlage 3 - Soorten van de Habitatrichtlijn Bijlage 4 - Nationaal beschermde soorten (‘andere soorten’) Bijlage 5 - Soorten met een vrijstelling
7
9 9 9 9 9 11 11 11 13 15 15 15 17 18 19 21 21 22 22 23 26 26 26 29 31 33 34 35 36 37 38 39 39 40 43 43 43 43 45 47 48 49 52 55
Ecologische quickscan – Herontwikkeling Nattestraat 10 en 12 te Oudenbosch
8
Ecologische quickscan – Herontwikkeling Nattestraat 10 en 12 te Oudenbosch
1 INLEIDING 1.1 Aanleiding De initiatiefnemer heeft het voornemen om middels een partiële bestemmingsplanherziening de bestemmingen van de bestaande agrarische bedrijfswoningen op de locaties Nattestraat 10 en 12 om te zetten naar ‘Wonen’. Een deel van het agrarisch bouwvlak achter op het perceel Nattestraat 10, waar een moderne boomkwekerijloods is gevestigd, blijft daarbij gehandhaafd. Een deel van bedrijfsgebouwen worden gesloopt. Adviesbureau Schoenmakers te Zundert heeft de opdracht om deze ontwikkeling mogelijk te maken binnen de gestelde wettelijke kaders. Deze wettelijke kaders eisen ook een ecologisch onderzoek in de vorm van een quickscan flora en fauna. Maassen Ecologisch Advies en Onderzoek is aangezocht om deze quickscan uit te voeren.
1.2 Doelstelling Doormiddel van deze quickscan worden aanwezige beschermde natuurwaarden in beeld gebracht en de mogelijke effecten daarop als gevolg van de beoogde herontwikkeling. Het doel van dit onderzoek is het vaststellen/uitsluiten van aanwezigheid van beschermde soorten die zijn opgenomen in paragraaf 3.1, 3.2 en 3.3 van de Wet natuurbescherming. Beoordeeld wordt welke wijze en in welke mate de beoogde ontwikkeling effect kan hebben op het (mogelijk) voorkomen van beschermde soorten. Aanvullend wordt bepaald of ontwikkelingen effect hebben op beschermde natuurwaarden van nabijgelegen Natura 2000- gebieden, gebieden die behoren tot het Natuurnetwerk Nederland, speciale provinciale beschermingszones en houtopstanden die op basis van de Wet natuurbescherming zijn beschermd. Als de beoogde ontwikkeling kan leiden tot negatieve effecten die een overtreding van verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming tot gevolg kunnen hebben, wordt de noodzaak voor een ontheffingsaanvraag beoordeeld en/of doet deze quickscan aanbeveling voor vervolgstappen om overtreding van deze verbodsbepalingen te voorkomen.
1.3 Toetsingskader Deze quickscan toets aan • Wet natuurbescherming op de onderdelen o Wnb soortenbescherming: hoofdstuk o Wnb gebiedsbescherming o Wnb houtopstanden •
Provinciale regelgeving op de onderdelen o Groenblauwe mantel o Natuur Netwerk Brabant
•
Gemeentelijke regelgeving op het onderdeel o APV-bomenkap
9
Ecologische quickscan – Herontwikkeling Nattestraat 10 en 12 te Oudenbosch
1.4 Leeswijzer In hoofdstuk 2 worden de inrichting van het plangebied, de ligging van het plangebied in de omgeving en de voorgenomen ingrepen en herontwikkeling beschreven. In hoofdstuk 3 wordt het wettelijk kader geschetst dat de Wet natuurbescherming en de provinciale regelgeving biedt. Hoofdstuk 4 beschrijft in het eerste onderdeel de uitvoering van het onderzoek en de methoden die hierbij gehanteerd worden. In de volgende onderdelen van dit hoofdstuk worden de gebiedsbescherming en soortenbescherming behandeld. Per gebied en soortgroep wordt behandeld welk effect de ingrepen op beschermde soorten en gebieden kunnen hebben. In hoofdstuk 5 worden de mogelijke effecten die tot een overtreding van de Wet natuurbescherming kunnen leiden op beschermde gebieden en soorten kort samengevat. Aangegeven wordt welke overtredingen van wetsartikelen mogelijk zijn en voor welke ingrepen vervolgonderzoek en/of ontheffing nodig zijn. In hoofdstuk 6 wordt aangegeven welk voorzorg- en mitigatiemaatregelen gewenst zijn om overtredingen te voorkomen.
10
Ecologische quickscan – Herontwikkeling Nattestraat 10 en 12 te Oudenbosch
2 HET PLANGEBIED, BEOOGDE ONTWIKKELING EN INGREPEN. 2.1 Ligging van het plangebied Fig.1. Ligging van het plangebied (rood vlak) in de omgeving. Luchtfoto: Google Earth
Het plangebied is gelegen in het agrarisch buitengebied van de gemeente Halderberg op de korte afstand van 0,7 km zuidelijk van de bebouwde kom van Oudenbosch. Het traject van de nieuwe aangelegde rondweg langs de zuidkant van Oudenbosch loop op de zeer korte afstand van 0,1 km noordelijk van het plangebied en verbreekt voor het autoverkeer de rechtstreekse verbindingsfunctie van de Nattestraat met de gebouwde kom van Oudenbosch. Grootschalige sierteelt en bomenteelt zijn binnen dit agrarisch buitengebied met een hoge bebouwingsdichtheid een belangrijk activiteit. Op een korte afstand zuidelijk van het plangbied ligt een uitgstrekt bosgebied dat bestaat uit het landgoed de Wildert en aansluitend daarop een waterwingebied. Door dit gebied loopt de Pagnevaart, een oude turfvaart. Open water en permanent watervoerende watergangen ontbreken binnen de directe omgeving. De bodem bestaat uit lemige zandbodems die bodemkundig als beekeerdgronden worden aangemerkt.
2.2. Inrichting en huidig gebruik van het plangebied Het procedurele plangebied waar de herbestemmingsprocedure van toepassing is betreft de erven behorende bij de adressen Nattestraat 10 en 12. Op Nattestraat 12 vinden er geen fysieke ingrepen plaats en is de herontwikkeling van zuiver procedurele aard en valt daarom buiten het onderzoeksgebied. Het erf van Nattestraat 10 bevat drie grote bedrijfsschuren (de nummers 1,2 en 4 op fig.2), een lage loods (no.5 en 6) en een woning (no.3) omgeven door een goed onderhouden siertuin met hagen en veel wintergroene sierstruiken. Het voorste deel van het erf met woonhuis, siertuin en voorste deel van de lage loods die ingericht en tot voor kort in gebruik was als winkel (no.5), vallen geheel buiten de ingreep. De ingreep heeft betrekking op het achterliggende deel van het erf met bedrijfsgebouwen die gegroepeerd zijn rond een groot met betonplaten bestraat oppervlak. De bedrijfsgebouwen betreffen een voormalige veestal, een hoge schuur, een grote moderne loods en het achterste deel (no.6) van de voornoemde lage loods. Het voorste deel (no.5) van de lage loods is afgesloten en ingericht als winkelruimte en wordt niet gesloopt. De grote
11
Ecologische quickscan – Herontwikkeling Nattestraat 10 en 12 te Oudenbosch
moderne loods (no.1) is gevestigd op het achterste deel van het erf, op het vlak waar de agrarisch bestemming blijft gehandhaafd. De hoge splinternieuwe loods is geheel opgetrokken uit metalen plaatwerk en dusdanig afgewerkt dat deze met gesloten deuren geen toegang voor beschermde fauna biedt. Deze schuur functioneert als nieuwe bedrijfsruimte voor de boomkwekerij en blijft dus intact. Ook de voormalige veestal (no.2) blijft intact; deze verkeert in goede staat van onderhoud, is ordelijke ingericht en in gebruik voor activiteiten van hobbymatige aard. De hoge schuur (no.4), direct aan de zuidkant van de voormalige veestal, en het achterste deel (no.6) van lage loods betreft de bebouwing die gesloopt wordt. Beide gebouwen verkeren in slechte staat van onderhoud en bevatten daken van golfplaten zonder dakbeschot en plafondplaten. De hoge schuur is aan de voorkant afgesloten door hoge metalen garagedeuren en in gebruik als stalling voor caravans. De schuur is, waarschijnlijk in een later stadium, aan de achterkant uitgebreid met een lage aanbouw van blokken beton. Deze aanbouw fungeerde als extra stalruimte. De zijgevels bestaan uit versleten plankwerk en bakstenen. Het deel van de lage loods dat gesloopt wordt, is van voren open en aan de achterkant afgedicht met metalen golfplaten. Dit deel van de loods is in gebruik voor stalling van landbouwwerktuigen.
De open ruimte rond deze bebouwing is grotendeels bestraat met grote betonplaten; en kleiner deel ter hoogte van de lage loods, is verhard met steenslag en kleurrijk begroeit met onkruiden. Het enige opgaand groen binnen de invloed van de ingreep dat mogelijk wordt verwijderd betreft een groepje verwaarloosde laagstamfruitbomen met wat struikgewas aan de achtergevel van de lage loods.
Fig.2.Het plangebied ligt binnen de omkadering. Het deel binnen de gele stippellijn verkrijgt een woonbestemming; aan het deel binnen de rode omkaderding is uitsluitende een bedrijfsbestemming toegekend. De te slopen bebouwing is blauw gemarkeerd. (Luchtfoto Google Earth)
2.3 Beoogde ingrepen en ontwikkelingen. De beoogde ontwikkelingen betreffen de volgende. -Het perceel waar adres Nattestraat 12 is gevestigd en het grootse deel van het erf van Nattestraat 10 verkrijgt een woonbestemming, waarbij de bedrijfsbestemming vervalt.
12
Ecologische quickscan – Herontwikkeling Nattestraat 10 en 12 te Oudenbosch
-Een klein deel van het erf van Nattestraat 10, het bestemmingsvlak waarop het nieuwe bedrijfsgebouw is gevestigd, behoudt zijn agrarische bedrijfsbestemming. -Van de bestrating wordt een strook ter hoogte van de begrenzing tussen het bedrijfsbestemmingsvlak en woonbestemmingsvlak op adres Nattestraat 10 opgebroken voor de aanplant van een haag. -Voor deze ontwikkeling behoeven geen substantiële houtstructuren geamoveerd worden. Binnen de invloed van de ingrepen ontbreken houtopstanden die kapvergunningsverplichting zijn of als beschermde houtopstand aangemerkt kunnen worden.
Midden de te slopen grote schuur, links veestal en geheel rechts de te slopen lage loods.
Binnenkant van de te slopen schuur.
Voorkant van de te slopen schuur
De te slopen lage loods
Zicht op nieuwe schuur.
Woning met siertuin.
13
Ecologische quickscan – Herontwikkeling Nattestraat 10 en 12 te Oudenbosch
14
Ecologische quickscan – Herontwikkeling Nattestraat 10 en 12 te Oudenbosch
3. WETTELIJK KADER 3.1. Inleiding Op 1 januari 2017 is de nieuwe Wet Natuurbescherming van kracht geworden. Deze wet vervangt 3 wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en Faunawet. Zowel in de voorgaande als nieuwe wetgeving zijn de nationale natuurwetgeving en internationale richtlijnen en verdragen verankerd, zoals Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn, Wetland-Conventie, Conventie van Bern, Cites en Verdrag van Ramsar. De wet is opgesplitst in de bescherming van soorten (soortbescherming) en bescherming van gebieden (gebiedsbescherming).
3.2 Soortenbescherming Bij de Wet Natuurbescherming gelden een aantal verbodsbepaling ter bescherming van planten- en diersoorten (zie bijlage). De wet kent twee beschermingsniveaus waarbij drie categorieën beschermde soorten worden onderscheiden. • Europees beschermde soorten volgens de Vogelrichtlijn • Europees beschermde soorten volgens de Habitatrichtlijn. • Nationaal beschermde soorten. Europees beschermde soorten Het zwaarst beschermingsniveau gelden de Europees beschermde soorten. De bescherming van vogels is op Europees niveau geformaliseerd doormiddel van de Vogelrichtlijn en die van de overige soortgroepen doormiddel van de Habitatrichtlijn. De Europese bescherming middels de Habitatrichtlijn beschermd soorten van de Habitatrichtlijn bijlage IV en het verdrag van Bonn bijlage I, voor zover hun natuurlijke verspreidingsgebied zich in Nederland bevindt. Dit betreffen o.a. alle vleermuissoorten die in Nederland en Europa inheems zijn. Op deze soorten is het beschermingsregime van § 3.2 van de Wet natuurbescherming van toepassing. Voor soorten van Verdrag van Bonn bijlage II is de bescherming bij ingang van de Wet Natuurbescherming opgeheven of deze vallen onder het beschermingsregiem van nationaal beschermde soorten (zie verder bijlage 1).
Nationaal beschermde soorten (“andere soorten”) Voor nationaal beschermde soorten geldt een zwakker beschermingsregiem en er kan per provincie en per soort vrijstelling verleend worden voor ingrepen die betreffen ruimtelijke ontwikkeling en bestendig beheer en onderhoud. Voor alle inheemse diersoorten, beschermt of onbeschermd, geldt de zorgplicht. De zorgplicht wil zeggen dat men deze niet onnodig mag doden, verwonden of beschadigen. Voor onbeschermde soorten geldt geen ontheffingsplicht maar alleen de zorgplicht. De ‘andere’ nationale soorten staan vermeld in bijlage A en B van de wet die hoort bij artikel 3.10 en 3.11. Op deze bijlage staan soorten uit de soortgroepen zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten. Het betreft een limitatieve lijst. Op deze soorten (zie bijlage 4) is het beschermingsregime van § 3.3 van de Wet natuurbescherming van toepassing. Bescherming verblijfplekken Ook verblijfplaatsen van soorten uit beide categorieën die als “vast” kunnen worden aangemerkt zijn beschermd en worden aangeduid als jaarrond beschermde verblijfplekken. Deze bescherming geldt alleen de vaste verblijfplaatsen van vogels en zoogdieren. Een vaste verblijfplek betreft een verblijfplek waarnaar een dier regelmatig terugkeert en niet slechts éénmalig voor een specifieke functie gebruikt wordt, zoals de nesten van de meeste vogels.
Voor soorten die onder de
15
Ecologische quickscan – Herontwikkeling Nattestraat 10 en 12 te Oudenbosch
Vogelrichtlijn vallen zijn er verschillende gradaties in beschermingsniveau, afhankelijk hoe kwetsbaar de instandhouding van de soort is in relatie tot gebruik van de vaste verblijfplek (zie hoofdstuk 3.3). In samenhang met de verblijfplek wordt ook de leefomgeving beschermd zover deze van belang is om het functioneren van de verblijfplek mogelijk te maken. Ontheffingsplicht Onder de Wet natuurbescherming is niet altijd een ontheffing nodig bij handelingen met gevolgen voor beschermde plant- en diersoorten. Vaak kunnen maatregelen getroffen worden zodat verbodsbepalingen niet worden overtreden, zoals de werkzaamheden uitvoeren buiten de kwetsbare periode, het aanpassen van de werkvolgorde of de werkzaamheden faseren in ruimte en tijd. In sommige gevallen kan er gebruik gemaakt worden van vrijstelling. Een vrijstelling is een uitzondering op een wettelijk verbod, die wordt vastgelegd voor een van tevoren bepaalde categorie van gevallen. Een toegepaste vorm van vrijstelling is onder meer door het werken met een door het ministerie van LNV goedgekeurde gedragscode, door middel van een Programmatische Aanpak of via een provinciale verordening.
Vrijstelling doormiddel van een goedgekeurde gedragscode geldt voor alle vogelsoorten en nationaal beschermde soorten, zowel voor werkzaamheden in het kader van bestendig beheer en onderhoud als voor werkzaamheden in het kader van ruimtelijke inrichting en ontwikkeling (een verschil met voorgaande wetgeving). Beschermingsregiem soorten vogelrichtlijn §3.1Wnb
Beschermingsregiem soorten Habitatrichtlijn §3.2 Wnb
Beschermingsregiem andere soorten §3.3 Wnb
Art 3.1 lid 1 Het is verboden in het wild levende vogels opzettelijk te doden of te vangen.
Art3.5 lid 1 Het is verboden om soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen
Art 3.10 lid 1a Het is verboden om soorten opzettelijk te doden of te vangen
Art 3.1 lid 2 Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen
Art 3.5 lid 4 Het is verboden voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren te beschadigen of te vernielen
Art 3.10 lid 1b Het is verboden de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen
Art 3.1 lid 3 Het is verboden eieren te rapen en deze onder zich te hebben
Art 3.5 lid 3 Het is verboden om eieren van dieren in de natuur opzettelijk te vernielen en te rapen.
Niet van toepassing
Art 3.1 lid 4 en lid 5 Het is verboden vogels opzettelijk te storen, tenzij de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.
Art 3.5 lid 2 Het is verboden dieren opzettelijk te verstoren
Niet van toepassing
Niet van toepassing
Art 3.5 lid 5 Het is verboden plantensoorten in hum natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
Art 3.10 lid 1c Het is verboden plantensoorten in hum natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
Als dergelijke garanties niet kunnen worden gegeven moet men afhankelijk van de soort en ingreep ontheffing aanvragen van artikelen geformuleerd in de Vogelrichtlijn (§3.1 Wnb), of Habitatrichtlijn (§ 3.2 Wnb) of het beschermingsregiem “Andere soorten” (nationaal beschermde soorten) (§3.3 Wnb). Voor jaarrond beschermde verblijfplekken en functionele leefomgeving van soorten die onder de Habitatrichtlijn en Vogelrichtlijnen vallen is respectievelijk artikel 3.5 lid 4 en artikel 3.1 lid 2 van toepassing en geldt een verbod om de verblijfplekken en functioneel leefgebied te verstoren. De wet beschermt jaarrond beschermde verblijfplekken van nationaal beschermde soorten volgens artikel
16
Ecologische quickscan – Herontwikkeling Nattestraat 10 en 12 te Oudenbosch
3.10 lid 1b. Bij deze categorie is, evenals bij vogels waarvan de nestelplekken niet jaarrond beschermd zijn, het verbod tot opzettelijke verstoring niet van toepassing, noch de bescherming van de functionele leefomgeving. Onder de term “opzettelijk” moet men ook de zgn. “voorwaardelijke” opzet verstaan; dat betekent dat de initiatiefnemer zich bewust moet zijn van de effecten van zijn handelingen. Zorgplicht In de Wet natuurbescherming is in artikel 1.11 een zorgplicht opgenomen: Iedereen dient voldoende zorg in acht te nemen voor de in het wild levende dieren en planten, en ook voor hun directe leefomgeving. De zorg houdt in ieder geval in dat eenieder die weet of kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen voor flora of fauna kunnen worden veroorzaakt, verplicht is alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd om die gevolgen te voorkomen of, voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken. De zorgplicht geldt altijd, en voor alle planten en dieren, of ze beschermd zijn of niet, en in het geval dat ze beschermd zijn ook als er ontheffing of vrijstelling is verleend.
Toetsing In tegenstelling met de voorgaande Flora en Faunawet is de bescherming in mindere mate individueel en dient de staat van instandhouding van de gehele populatie meer in aanmerking genomen te worden. Een ontheffingsaanvraag wordt o.a. beoordeeld op de volgende punten: • aanwezigheid van aanvaardbare alternatieve mogelijkheden • aanwezigheid van een wettelijk belang • de staat van instandhouding van de soort en behoud van functionaliteit van de verblijfplek. Het wettelijk belang betreft, afhankelijk van de status van de soort, een Nationaal wettelijk belang (Vrijstellingsbesluit) of een Europees wettelijk belang (Habitatrichtlijn of Vogelrichtlijn). Deze wettelijke belangen hebben o.a. betrekking op de openbare veiligheid, volksgezondheid, veiligheid luchtvaart en bescherming van flora en fauna.
3.3 Gebiedsbescherming De gebiedsbescherming onderscheidt twee typen beschermde natuurgebieden •
•
De gebieden die op Europees niveau een bescherming genieten en aangewezen zijn in het kader van de Habitatrichtlijn (HR), Vogelrichtlijn (VR) en Verdrag van Ramsar (wetlands). Deze gebieden vallen onder de noemer van Natura 2000 en betreffen gebieden van grote ecologische waarde. Natuurgebieden en verbindingsstructuren die op landelijke basis zijn ingesteld en vallen onder het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Deze natuurgebieden en hun onderlinge verbindingen vormen een samenhangend ecologisch netwerk. De NNN is de opvolging van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS).
Natura 2000-gebied Ook hier genieten de gebieden die onder een Europees beschermingsregime vallen de meest striktste bescherming.
17
Ecologische quickscan – Herontwikkeling Nattestraat 10 en 12 te Oudenbosch
Voor beide categorieën van beschermde gebieden geldt dat activiteiten die een negatief effect hebben op de kwaliteit van de gebieden in het algemeen verboden zijn. Uitgezonderd zijn activiteiten binnen Natura 2000 gebied die uitgevoerd worden in het kader van vastgelegde beheersplannen ten behoeve van Natura 2000 doelen. Een ontheffing wordt alleen verleend als er geen reële alternatieven zijn, de staat van instandhouding van soorten niet in gevaar komt en er sprake is van een groot openbaar belang, dat o.a. de volksgezondheid en openbare veiligheid kan betreffen. De ontheffingsverlening gaat veelal gepaard onder strikte voorwaarden en beperkingen en er is altijd sprake van een compensatieplicht. Bij Natura 2000 gebied wordt doormiddel van een voortoets beoordeeld of er negatieve effecten verwacht kunnen worden en in hoeverre deze als significant beoordeeld kunnen worden. Bij niet-significante negatieve effecten volgt een “lichte “beoordeling doormiddel van een Verslechteringtoets. Bij significante negatieve effecten wordt de “zware” route gevolgd doormiddel van een Passende beoordeling en ADC-toets.
3.4 Bijzondere provinciale beschermingszones Natuur Netwerk Nederland (NNN-gebied) Het uitgangspunt voor de bescherming van gebieden die vallen onder Natuurnetwerk Nederland is de eis dat de wezenlijke kenmerken en waarden van deze gebieden niet door een ingreep worden aangetast. In of in de directe nabijheid van een NNN-gebied geldt het ‘Nee, tenzij’ principe. In principe zijn geen ontwikkelingen toegestaan die de ‘wezenlijke kenmerken of waarden’ aantasten. Groenblauwe mantel De provincie Noord-Brabant heeft in de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening (2010) een keuze gemaakt voor behoud en versterking van de kwaliteiten van het landelijk gebied. Voor dit doel zijn 2 robuuste structuren ingesteld; de agrarische structuur en de groenblauwe structuur. De groenblauwe structuur bestaat uit de Groenblauwe mantel en het kerngebied Groenblauw. De Groenblauwe mantel is een buffer tussen het kerngebied Groenblauw met het agrarisch en verstedelijkt gebied. Het kerngebied Groenblauw bestaat uit de ecologische hoofdstructuur (NNN) inclusief de ecologische verbindingszones en de gebieden voor behoud en herstel van watersystemen.
De Groenblauwe mantel geeft naast de ontwikkeling van een robuust en veerkrachtig water- en natuursysteem ook ruimte voor de ontwikkeling van gebruiksfuncties, zoals landbouw en recreatie, mits deze bijdragen aan de kwaliteiten van natuur, water en landschap; Vanuit de watercomponent wordt vooral ingezet op het kwantitatief en kwalitatief herstel van kwelstromen. In Artikel 6 van de Verordening ruimte 2014 van de provincie Noord-Brabant worden de doelstellingen van de Groenblauwe mantel geformuleerd en de verbodsbepalingen die gelden voor de Groenblauwe mantel. Deze verbodsbepalingen verbieden activiteiten die in strijd zijn met de hiervoor aangegeven doelstellingen met betrekking tot natuurbescherming, behoudt van landschappelijke kwaliteiten, bescherming van watersystemen en behoudt van bufferfunctie met het groenblauwe kerngebied.
3.5 Bescherming houtopstanden De Wet natuurbescherming § 4.1. Houtopstanden vervangt de voormalige Boswet, waarbij dezelfde voorwaarden grotendeels gelden. Evenals de Boswet betreft de bescherming in het algemeen houtopstanden buiten de bebouwde kom zover deze een groter oppervlak van 10 are hebben of een rij van meer dan 20 bomen betreffen, geen deel uitmaken van begroeiingen op erven of in tuinen en geen aanplant voor cultuurdoeleinden en houtwinning betreffen. Er geldt een meld- en heraanplant plicht.
18
Ecologische quickscan – Herontwikkeling Nattestraat 10 en 12 te Oudenbosch
3.6 Rode lijsten Rode lijsten geven een overzicht van soorten die uit Nederland zijn verdwenen of duidelijk achteruit zijn gegaan. Rode lijsten hebben een signaleringfunctie en geen juridische status. Plaatsing op de lijst betekent daarom niet automatisch dat de soort beschermd is. Daarvoor is opname van de soort onder de Wet natuurbescherming nodig. De Rode lijsten zijn richtinggevend voor toekomstig beleid. Van overheden en terrein beherende organisaties wordt verwacht dat zij bij beleid en beheer rekening houden met de Rode lijsten.
19
Ecologische quickscan – Herontwikkeling Nattestraat 10 en 12 te Oudenbosch
20
Ecologische quickscan – Herontwikkeling Nattestraat 10 en 12 te Oudenbosch
4. ONDERZOEKSRESULTAAT 4.1 Methodiek Literatuuronderzoek In het kader van deze quickscan heeft een bronnenonderzoek plaatsgevonden, waarbij is gekeken naar gebiedsgerichte bescherming en mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten in het plangebied en directe omgeving. Er is voor het soortenonderzoek gebruikgemaakt van gegevens van diverse websites, o.a. van de nationale databank (NDFF), kennisdocumenten en diverse verspreidingsatlassen. Voor de gebiedsgerichte bescherming is gekeken naar de ligging van het plangebied ten opzichte van relevante natuurterreinen in de omgeving, de ligging ten opzichte van Natuurbeschermingswet-gebieden als Habitat- en Vogelrichtlijngebieden en Natuurnetwerk Nederland (NNN), en bijzonder provinciale beschermingszones (Groenblauwe mantel). Daarvoor is o.a. gebruik gemaakt van de website van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en die van de provincie Noord- Brabant. Bron van de NDFF-gegevens die in het verslag vermeld worden is: NDFF - quickscanhulp.nl; datum van levering 24-7-2020. Veldonderzoek Het veldbezoek werd op 20-7-2020 tussen 11.00 en 12.00 uur uitgevoerd door dhr. J. Maassen. Tijdens het veldbezoek was het rond de graden 24 C, windstil (wk1) en weinig bewolkt. Een weertype dat als getypeerd kan worden als gemiddeld zomers weer.
Tijdens de uitgevoerde veldonderzoeken zijn de aanwezige biotopen in het plangebied vastgesteld. Ook is onderzoek gedaan naar biotopen en natuurwaarden in de directe aangrenzende omgeving waarop ontwikkelingen binnen het plangebied van invloed op kunnen zijn. Aan de hand van de aanwezige biotopen kan worden bepaald of er mogelijk beschermde soorten voorkomen. Naast de biotopen zijn directe en indirecte aanwijzingen opgenomen, die kunnen duiden op het voorkomen van beschermde soorten. Behalve het fysiek aantreffen van exemplaren van soorten is er ook gelet op bijv. holen, uitwerpselen, prooiresten, braakballen vraat-, loop- en veegsporen. Deze waarnemingen zijn bij de beoordeling betrokken. De aanwezige biotopen zijn vergeleken met de habitateisen van beschermde planten- en diersoorten. Op basis van deze vergelijking is beoordeeld welke van deze soorten in het plangebied kunnen voorkomen. De bevindingen van het veldbezoek en het literatuuronderzoek zijn verwerkt in onderstaande notitie.
21
Ecologische quickscan – Herontwikkeling Nattestraat 10 en 12 te Oudenbosch
4.2 Gebiedsbescherming 4.2.1 Natura 2000 Fig.4 Ligging van de plangebieden (binnen de rode cirkel) ten opzichte van Natura 2000 gebied (rood gearceerd). Bron: Provincie Noord-Brabant
Ligging
De dichts nabije Nederlandse Natura-2000 gebied is het Hollands Diep op 10 km afstand noordelijk van het plangebied. Op grotere afstanden hemelsbreed, variërend tussen de 17 tot 20 km westelijk van het plangebied, liggen de Brabantse Wal, Markiezaat en Oosterschelde. Het Hollands Diep is een voormalig estuariumgebied met getijdegrienden, vloedbossen, slikken en gorzen. Het Natura-2000 Brabantse Wal en daarop aansluitend De Kalmhoutse Heide bevat kwetsbare en stikstofgevoelige natuur van vochtige heide en zwak gebufferde vennen. De Markiezaat en Oosterschelde bevat robuustere en meer kust gebonden natuur van moeras, natte graslanden en open water.
Wettelijk en beleidskader
Externe werking De Wet natuurbescherming onderscheid naast een directe aantasting, de interne werking, ook een indirecte aantasting door factoren die op afstand van invloed zijn, de zgn. externe werking. Stikstof In de ‘Handreiking woningbouw en Aerius’ (januari 2020) van de Rijksoverheid blijkt uit de algemene conclusie dat bij maximaal 50 laagbouwwoningen, gebouwd op zandgrond op minimaal 7 km afstand van een Natura 2000-gebied, de stikstofdepositie onder gemiddelde omstandigheden 0,00 mol/ha/jaar op Natura 2000-gebied is. Voor projecten met een stikstofdepositie van 0,00 mol/ha/jaar hoeft geen vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming te worden aangevraagd. In de andere gevallen op kortere afstand van een Natura 2000-gebied en/of voor de bouw van meer woningen waarbij de depositie mogelijk hoger is dan 0,00 mol/ha/jaar is alsnog een Aeriusberekening nodig.
22
Ecologische quickscan – Herontwikkeling Nattestraat 10 en 12 te Oudenbosch
Effectenbeoordeling
Oppervlak Het plangebied en omliggende gebied maakt geen deel uit van Natura2000gebied. Van een directe aantasting en afname van areaal aan beschermd natuurgebied is daarom geen sprake. Externe werking op korte afstand Alle Natura 2000 gebieden liggen op voldoende ruime afstand om geen negatieve invloeden verwacht worden van factoren met een externe werking die met een korte reikwijdte op afstand werken, als bodemtrillingen, geluids- en lichtbelasting. Stikstof Stikstofdepositie is de enige factor die hier ook op grotere afstand werkzaam kan zijn en op basis van een externe werking van bijzonder negatieve invloed kan zijn op kwetsbare natuurgebieden. In de uitvoerende fase kan een tijdelijke verhoging van de factor stikstofdepositie plaats vinden ten gevolge de uitstoot van het bouwverkeer en machines die tijdens de sloopwerkzaamheden gebruikt worden. Daar een deel van de bedrijfsbestemming vervalt wordt eerder een afname dan een toename van de stikstofdepositie in de nieuwe situatie verwacht. Uit de ‘Handreiking woningbouw en Aerius’ van de Rijksoverheid blijkt dat op basis van ligging en omvang van de voorgenomen projectontwikkeling de stikstofdepositie op Natura 2000-gebied op 0,00 mol/ha/jaar kan worden gesteld waardoor een Aeriusberekening niet is vereist.
Voor projecten met een stikstofdepositie van 0,00 mol/ha/jaar hoeft geen vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming worden aangevraagd. Conclusie Negatieve effecten op Natura 2000 gebied die tot kwaliteitsverlies en overschrijding van de gestelde normen leiden kunnen geheel uitgesloten worden gelet op de afstand, schaal en aard van de voorgenomen ontwikkelingen. Een toetsing aan de Natura 2000 wetgeving wordt daarom niet noodzakelijk geacht.
4.2.2 Provinciale beschermingszones. NNN-gebied ligging
NNN-gebied De dichts nabij NNB-gebieden liggen op een afstand van ongeveer 0,6 km zuidwestelijk en zuidoostelijk van het plangebied. Dit betreft wat versnipperd NNBgebied van het beheertype van N16.03 van Droog bos met productie. Op iets grotere afstand van 1,25 km zuidelijk ligt groter aaneengesloten NNB-gebied waaraan ook het beheertype van N16.03 van Droog bos met productie is toegekend. Dit bosgebied betreft het landgoed De Wildert en aansluitend daarop een waterwingebied.
23
Ecologische quickscan – Herontwikkeling Nattestraat 10 en 12 te Oudenbosch
Fig.6 Het plangebied ligt binnen de rode cirkel Groen: NNN/NNBgebied Blauwgroen: blauwgroene mantel Geel: gelegen buiten provinciale beschermingszones. Bron: Ruimtelijke Plannen
Toelichting
Voor NNN-gebied geldt de externe werking alleen indien sprake is van een aantasting van wezenlijke waarden en kenmerken zoals die in het beheerplan zijn vastgelegd. Zover de externe werking betrekking heeft op de toevoer van stoffen door lucht en water geldt deze alleen in het kader van de Wet natuurbescherming (Natura 2000-gebied) en niet voor NNN-gebied.
NNB-gebied Beleidskader
De Interim omgevingsverordening NB stelt in artikel 3.16 dat als een bestemmingsplan gelegen buiten het Natuur Netwerk Brabant leidt tot een aantasting van de wezenlijke ecologische waarden en kenmerken van het Natuur Netwerk Brabant anders dan door de verspreiding van stoffen in lucht of water, negatieve effecten waar mogelijk worden beperkt en de overblijvende, negatieve effecten worden gecompenseerd.
NNB-gebied effecten
Het plangebied en omliggende gebied maakt geen onderdeel uit van de NNN/EHS gebied. Van een directe aantasting en afname van areaal aan NNN-gebied is daarom geen sprake. De dichtstbijzijnde gebieden die vallen onder het Natuurnetwerk Brabant (NNB) en liggen op voldoende afstand om negatieve effecten die de wezenlijke waarden en kenmerken van NNB-gebied ten gevolge van de voorgenomen ontwikkeling aantasten geheel uit te sluiten.
Conclusie
Negatieve effecten die de wezenlijke waarden en kenmerken van NNB-gebied aantasten kunnen geheel uitgesloten worden. Een toetsing aan het NNN/EHSbeleid wordt niet noodzakelijk geacht.
Groenblauwe mantel Ligging In het Provinciaal milieu- en waterplan 2016-2021 van de provincie Noord-Brabant wordt het plangebied aangeduid als gelegen buiten de structuur ‘Groenblauwe mantel’ en buiten het “Zoekgebied voor behoud en herstel van watersystemen”.
24
Ecologische quickscan – Herontwikkeling Nattestraat 10 en 12 te Oudenbosch
Fig.6 Het plangebied ligt binnen de rode cirkel. Verklaring Blauwgroen: blauwgroene mantel Groen: NNB-gebied Rood gearceerd: zoekgebied behoud en herstel van watersystemen Bron: Ruimtelijke Plannen provincie Noord-Brabant
Effectenbeoordeling
Het plangebied ligt buiten Groenblauwe mantel, Attentiezone waterhuishouding en het gebied voor Herstel en behoud van watersystemen waardoor negatieve effecten die een overtreding van §3.2.4 artikel 3.32 en §3.2.3 art 3.26 en art 3.27 van de Interim omgevingsverordening NB uitgesloten kunnen worden.
Conclusie
Door de ligging van het plangebied buiten de speciale provinciale beschermingszones van Groenblauwe mantel, Attentiezone waterhuishouding en het gebied voor Herstel en behoud van watersystemen kunnen overtredingen van §3.2.4 artikel 3.32 en §3.2.3 art 3.26 en 3.27 van de Interim omgevingsverordening NB uitgesloten worden.
25
Ecologische quickscan – Herontwikkeling Nattestraat 10 en 12 te Oudenbosch
4.3 Soortenbescherming 4.3.1 Vaatplanten Bescherming en voorkomen Wnb §3.2
Wnb §3.3
NDFF-gegevens
Habitatrichtlijn Een viertal inheemse plantensoorten zijn strikt beschermd middels bijlage 4 van de Habitatrichtlijn. Deze vaatplanten betreffen de drijvende waterweegbree, kruipend moerasscherm, groenknolorchis en zomerschroeforchis. Voor bijlage 4-soorten geldt de strikte bescherming ook buiten hun prioritair aangewezen habitatgebieden. Genoemde soorten zijn te strikt gebonden aan een hoogwaardig natuurlijk milieu van water, moerassen en vochtige heide en blauwgraslanden om binnen de directe omgeving van het plangebied te verwachten. De drijvende waterweegbree is als habitatrichtlijnsoort landelijk de minst zeldzame vaatplant en komt tamelijk wijdverspreid in de provincie Noord-Brabant voor. De soort is gebonden aan een hoogwaardige zachte waterkwaliteit van beken en vennen. Nationale bescherming Onder de nationale bescherming vallen 76 soorten vaatplanten waarvan de meeste uiterst zeldzaam zijn. Onder deze beschermingscategorie een hoog aandeel zeldzame akkeronkruiden die als gevolg van de intensivering van de akkerbouw vrijwel uit het agrarisch landschap verdwenen zijn. Een aantal zeer zeldzame soorten uit onderhavige beschermingscategorie groeit op stenige standplaatsen en kan op oude muren aangetroffen worden. In tegenstelling tot de voormalige Flora- en Faunawet zijn door de Wet natuurbescherming niet alle orchideeënsoorten meer beschermd.
Onder de nationale bescherming vallen zo’n 8 soorten die allen in de provincie Noord-Brabant uiterst zeldzaam of uitgestorven zijn. De NDFF-gegevens melden geen beschermde soorten binnen de 1 kmstraal. Binnen de 1-5 km-straal worden een aantal beschermde akkeronkruiden gemeld.
Waarnemingen Tijden het veldbezoek werden binnen de invloedsfeer van de ingrepen enkele algemene onkruiden van verstoorde droge bodem waargenomen die men verwachten kan: o.a. klein streepzaad, zachte ooievaarsbek, harig knopkruid, Canadese fijnstraal en klein vogelpootje. Effecten beoordeling
Conclusie De begroeiing is van een te algemeen soort om bijzondere botanische waarden te verwachten. Negatieve effecten op beschermde plantensoorten kunnen geheel uitgesloten worden. De condities ontbreken om deze te verwachten.
4.3.2 Zoogdieren (grondgebonden) Voorkomen en bescherming Habitatrichtlijn Wnb§3.2
Habitatrichtlijn Onder de Europese bescherming van de Habitatrichtlijn vallen een aantal zeezoogdieren, die vanzelfsprekend binnenlands uitgesloten kunnen worden.
26
Ecologische quickscan – Herontwikkeling Nattestraat 10 en 12 te Oudenbosch
Binnenlands kunnen als Europees beschermde zoogdieren wel bever, otter, noordse woelmuis en verschillende soorten vleermuizen verwacht worden. De groep van vleermuizen wordt in een apart hoofdstuk behandeld. De bever is een soort die vanuit het rivierengebied steeds verder via de beekdalen zuidwaarts in Brabant oprukt. Ook van de otter vertoont een soortgelijk verspreidingspatroon, maar is alsnog veel zeldzamer. Uitgezonderd van vleermuizen ligt het plangebied in het algemeen te ver buiten het landelijk verspreidingsgebied en specifiek habitatgebied van soorten waarvoor het strikte beschermingsregime van de Habitatrichtlijn geldt om deze te verwachten. Nationaal beschermd (‘andere soorten’) Wnb §3.3
Nationaal bescherming zonder vrijstelling Op basis van ligging en landschappelijke omgeving kunnen in de nabijheid van het plangebied een aantal soorten uit het middelzware beschermingsregiem waarvoor geen vrijstelling geldt verwacht worden. Dit betreffen eekhoorn, das, kleine marterachtigen en steenmarter. De bescherming zonder vrijstelling van kleine marterachtigen, als wezel, bunzing en hermelijn geldt alleen de provincies Noord-Brabant en Noord-Holland. Deze soorten komen vrij algemeen voor en zijn moeilijk vast te stellen. Kleine marterachtigen verplaatsen zich vooral via lijnvormige landschapselementen zoals houtwallen en greppels. Landschapselementen in een geschikt habitat voor kleine marterachtigen zijn o.a. struwelen, hoge graslandvegetatie, houtstapels, holle bomen, houtwallen, takkenrillen of stapels stenen of puin. Voor de bunzing is water in de nabijheid van belang. Kleine marterachtigen zijn moeilijk vast te stellen op basis van een kort en éénmalig veldbezoek. De steenmarter is een soort van steenachtige biotopen en schuilplaatsen. De soort komt met name voor aan de rand van dorpen en steden, maar is ook te vinden nabij boerderijen en kleinschalige cultuurlandschappen. De steenmarter vindt vaste verblijfplaatsen in oude schuurtjes met weinig menselijke activiteit of woningen met toegankelijke zolder-, en of kruipruimten.
De steenmarter laat gewoonlijk duidelijke sporen na als uitwerpselen, prooiresten, stank en krabsporen. De voorkeurshabitat voor eekhoorn bestaat uit gemengde bossen, bosrijke tuinen, parken en houtwallen, daar waar voedselmogelijkheden voorhanden zijn. De das kent een grootschaliger landschapsgebruik dan voornoemde soorten en onderhoudt verblijfplekken buiten de directe bebouwde omgeving. Het zwaartepunt van het Brabants verspreidingsgebied van de das is geconcentreerd in de oostelijke helft van de provincie en in het bijzonder noordoostelijk deel van de provincie. Nationale bescherming met vrijstelling Een nationale bescherming met vrijstelling geldt voor een aantal algemene zoogdieren die in de meeste gevallen als uitgesproken cultuurvolger gelden. Uit deze beschermingscategorie kunnen in het bijzonder binnen de bebouwde omgeving in het algemeen, een aantal kleine zoogdiersoorten als gewone bosspitsmuis, huisspitsmuis, bosmuis, veldmuis en egel verwacht worden. Deze zullen zich voornamelijk op terreindelen waar voldoende dekking door begroeiing is ophouden. Grotere soorten als ree, haas en vos zullen kunnen de directe nabijheid van bebouwing mijden indien er geen duidelijke voedselbron
27
Ecologische quickscan – Herontwikkeling Nattestraat 10 en 12 te Oudenbosch
is. Voor al deze soorten is slechts de zorgplicht van toepassing, d.w.z. dat onnodig doden of verwonden vermeden dient te worden. Effectenbeoordeling NDFF-gegevens Habitatrichtlijn De eerste Habitatrichtlijnsoort (bever) buiten vleermuizen wordt door de NDFFgegevens pas binnen de 5 -10 km vermeldt. Overige soorten Uit het middelzware beschermingsregiem van andere soorten waarvoor gen vrijstelling geldt vermelden de NDFF-gegevens binnen de 1 km-straal alleen de eekhoorn. De das, steenmarter, boommarter en bunzing worden pas binnen de 1-5 km-straal vermeldt. Voor de enige andere beschermde soort (egel) die binnen de 1 km-straal vermeld wordt en andere kleine zoogdiersoorten (rosse woelmuis, veldmuis, huisspitsmuis) die verwacht kunnen worden geldt een vrijstelling. Waarneming
Tijdens het veldbezoek werden geen waarnemingen van zoogdieren of aanwezigheidssporen daarvan geconstateerd.
Effecten
Habitatrichtlijn Uitgezonderd van vleermuizen (die hier in een apart hoofdstukje behandeld worden) ligt het plangebied te ver buiten het landelijk verspreidingsgebied en specifiek habitatgebied van soorten waarvoor het strikte beschermingsregiem van de Habitatrichtlijn geldt om deze in de nabije omgeving te verwachten. De bever, de enige habitatrichtlijnsoort die binnen de 10 km-straal voorkomt, kan uitsluitend verwacht worden binnen het habitatgebied van stromend water met begeleidende ooi- en moerasbossen. Dit biotooptype ontbreekt geheel binnen het plangebied en directe omgeving waardoor de soort geheel uitgesloten kan worden. ‘Andere soorten’ Hoewel de eekhoorn in de directe omgeving kan worden verwacht, ontbreken binnen de invloedsfeer van de ingreep bomen die de eekhoorn voedsel en nestgelegenheid kunnen bieden. Door de afwezigheid van bomen is het terreindeel waar de ingrepen plaats vinden geheel ongeschikt om deel uit te maken van het leefgebied van de eekhoorn. Voor marterachtigen biedt de deze omgeving een inrichting en gebruik die ongeschikt is om marterachtigen een ongestoord verblijf te bieden. De steenmarter kan geheel uitgesloten worden daar sporen ontbreken en de bewoners ook niet bekend zijn met de soort (de soort blijft meestal niet onopgemerkt).
Niet uitgesloten kan worden dat het plangebied deel uitmaakt van het leefgebied van bunzing en wezel, echter goede verblijfsmogelijkheden in houtstapels, puinhopen, bebouwing e.d. ontbreken.
Conclusie
Negatieve effecten op verblijfplekken van beschermde diersoorten waarvoor geen vrijstelling geldt kunnen binnen de invloedsfeer van de ingrepen geheel uitgesloten worden, noch aantasting van beschermd functioneel leefgebied voor de instandhouding van jaarrond beschermde verblijfplekken. Kleine beschermde zoogdieren waarvoor een vrijstelling en alleen de zorgplicht geldt,
28
Ecologische quickscan – Herontwikkeling Nattestraat 10 en 12 te Oudenbosch
als huisspitsmuis, egel, veldmuis en bosmuis, kunnen nooit geheel uitgesloten. Voor deze soorten geldt uitsluitend de zorgplicht.
4.3.3 Zoogdieren (vleermuizen) Bescherming en voorkomen Alle in Nederland voorkomende vleermuizen staan vermeld in Tabel 3 bijlage IV Bescherming van de Europese habitatrichtlijn en zijn daardoor op Europees niveau Wnb § 3.2 beschermd. Deze bescherming betreft ook de vaste rust- en verblijfplaatsen. Onder deze vaste rust- en verblijfplaatsen wordt verstaan:” het gehele systeem waarvan een populatie gebruik maakt tijdens de jaarcyclus van de soort”.
Vleermuizen onderhouden verschillende type verblijfplekken als paarverblijven, winterverblijven, kraamverblijven en zomerverblijven. Voor de staat van instandhouding van de lokale populatie van de soort zijn de kraamverblijven en de grote winterverblijven van het grootst belang. In gebruik van paarverblijven zijn vleermuizen het meest flexibel. In de loop van het seizoen wisselen vleermuizen regelmatig van verblijfplaats waarbij gebruik wordt gemaakt van vaste routes tussen de verblijfplekken. Eveneens tussen foerageergebieden en verblijfplaatsen onderhouden vleermuizen vaste routes. Bij het gebruik van deze routes oriënteren vleermuizen zich op lijnvormige elementen in het landschap zoals bomenlanen, kanalen en houtwallen. Dit gehele systeem van verbindingsroutes en foerageergebieden die het functioneren van de verblijfplaatsen voor hun specifieke functies mogelijk maakt wordt de functionele leefomgeving genoemd. Ingrepen binnen de functionele leefomgeving die het functioneren van de verblijfplaatsen aantasten worden door de wetgever gelijkgesteld aan de aantasting van verblijfplekken zelf. In deze zin is de functionele leefomgeving even strikt beschermd als de verblijfplekken.
Voorkomen en verspreiding
Op basis van landschapskenmerken worden binnen de directe omgeving vooral soorten van het open en half besloten landschap die in enige mate als cultuurvolger gelden verwacht worden. De betreft in de eerste instantie de gewone dwergvleermuis; de meest algemene vleermuis in Nederland die vrijwel overal binnen de bebouwde omgeving voorkomt en voornamelijk in of aan bebouwing verblijft. De laatvlieger is eveneens voor zijn verblijf geheel afhankelijk van verbouwing en na de gewone dwergvleermuis de meest algemene vleermuissoort in Nederland. In tegenstelling tot de gewone dwergvleermuis is de laatvlieger meer een soort die boven het open veld foerageert. Een andere algemene soort die ook veel boven open terrein foeragerend kan worden aangetroffen en met grote zekerheid binnen landschappelijke omgeving verwacht kan worden, is de boom bewonende rosse vleermuis. Deze soort is voor zijn verblijfplekken afhankelijk van oude bomen van lanen, bossen en stadsparken.
Effectenbeoordeling De NDFF-gegevens vermelden binnen de 1 km-straal alleen de zeer algemene NDFF gewone dwergvleermuis. Binnen de1-5 km-straal wordt relatief een groot aantal soorten vermeldt, waaronder zeldzamere soorten als baardvleermuis, franjestaart, meervleermuis, bosvleermuis en grijze grootoorvleermuis. Daar vleermuizen een breed landschapsgebruik kennen kunnen deze gegevens ook als relevant voor de omgeving van het plangebied beschouwd worden.
29
Ecologische quickscan – Herontwikkeling Nattestraat 10 en 12 te Oudenbosch
Toelichting
Tijdens de veldbezoeken wordt onderzoek gedaan naar verblijfplekken, verblijfssporen en verblijfsmogelijkheden in en aan bebouwing en bomen. Vleermuisverblijfplaatsen in bebouwing kunnen in het algemeen aangetroffen worden onder dakpannen, tussen dakbeschot, boeiboorden, onder gevelbekleding, in spleten en kieren in muren of in de spouw door open stootvoegen. In bomen kan verblijf gevonden in holtes, gaten en diepe spleten en achter loshangende schors. Tijdens inspecties op zicht worden zelden verblijvende vleermuizen aangetroffen. Ook sporen die wijzen op vleermuizenverblijf zijn meestal schaars. De verblijfplekken worden meestal ontdekt op basis van het gedrag van vleermuizen na het verlaten van de verblijfplek. Hiervoor is uitgebreider onderzoek nodig tijdens de uren dat vleermuizen actief zijn en over een langere periode binnen de jaarlijkse actieve seizoenen. Tijdens het veldonderzoek worden daarom in de eerste instantie een inschatting gemaakt van de verwachtingskans op basis van de aanwezige verblijfsmogelijkheden.