CConstaterende datHalderberge
Koppel je AI →
Document · PDF

Programmabegroting 2023 DEFINITIEF.pdf

Gemeenteraad 3 november 2022, gemeente HalderbergeBij agendapunt: 5: Programmabegroting 202333.679 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Administratiekosten

276.129

287.002

298.311

310.074

Archief

274.167

275.054

275.977

276.937

1.526.611

1.630.103

1.675.498

1.746.823

Juridisch en inkoop advies

193.828

201.093

208.641

216.987

Voorlichting en publicaties

229.237

223.207

247.335

231.629

10.398.387

10.414.193

10.496.048

10.662.358

-94.263

-92.893

-65.759

-65.713

10.304.124

10.321.300

10.430.289

10.596.645

Automatiseringskosten

Totaal overhead

Toegerekende overhead aan grondexploitaties

Netto overhead Hieronder word bovenstaand overzicht kort toegelicht.

61

Directie en management De salarislasten van de directie en het management mogen niet langer worden toegerekend aan de producten (nu taakvelden) maar behoren tot de overhead. Ondersteunende teams De salarislasten van de ondersteunende teams (team advies en team ondersteuning) mogen niet langer worden toegerekend aan de producten (nu taakvelden) maar behoren tot de overhead. Overige personeelslasten Naast de salarislasten van het gemeentepersoneel zijn er ook nog andere personele lasten. Hierbij moet gedacht worden aan de kosten voor vergaderingen, koffie- en thee voorziening, studiekosten, werving en selectie van personeel, medische kosten, kosten voor arbo maatregelen en overige voorzieningen voor het personeel. Huisvesting Dit betreft de lasten van het gemeentehuis, zoals energieverbruik, onderhoud, schoonmaak en de kapitaallasten van investeringskosten. Administratiekosten Onder de administratiekosten vallen de budgetten voor kopieerkosten, meubilair, boeken en abonnementen, drukwerk en papier, postverzorging en telefoonkosten. Archief De kosten voor archief betreffen het herstellen van archiefstukken en de bijdrage aan het West-Brabants Archief (WBA). Automatiseringslasten Dit zijn de lasten die betrekking hebben op de totale automatiseringskosten binnen de gemeentelijke organisatie.

Het gaat hierbij onder andere om vervangingskosten van hardware, aanschaf en onderhoud van software en datacommunicatie. Ook de kapitaallasten van de investeringen zijn hierin opgenomen. Juridisch en inkoop advies Dit betreft de kosten voor het inwinnen van extern juridisch advies en de advisering door het Inkoopbureau West-Brabant. Voorlichting en publicaties Dit betreft onder andere de kosten voor de publicaties in de Bode, burgerparticipatie (digipanel) en het bekend maken van regelgeving via de Gemeenschappelijke Voorziening Officiële Publicaties (GVOP). Toegerekende overhead aan grondexploitaties Een deel van de overhead mag conform de regelgeving worden toegerekend aan de grondexploitaties en in mindering worden gebracht op de kosten van het taakveld overhead. Dat is in bovenstaande tabel als negatieve regel weergegeven. Wat overblijft zijn de netto overheadkosten. N.B. Zowel bij de toerekening van de overhead aan de grondexploitaties als bij de toerekening aan de kostendekkende tarieven wordt dezelfde methodiek gebruikt. Voor alle berekeningen inzake toerekening van overhead wordt derhalve het bedrag gebruikt wat als totale overhead staat aangegeven.

62

1.8.3 Beleidsindicatoren De onderstaande verplichte indicatoren vallen onder het programma Overhead. Indicator

Jaarrekening 2021

Begroting 2022

Begroting 2023

Formatie1

6,22

6,40

6,70

Bezetting1

6,03

6,10

6,35

Apparaatskosten2

€ 275,17

€ 309,28

€ 334,88

Externe inhuur3

9,20%

2,11%

5,47%

Overhead4

9,42%

10,84%

11,34%

1 Fte per 1.000 inwoners 2 Kosten per inwoner in euro's 3 Kosten als % van de totale loonsom + totale kosten inhuur externen 4 Percentage van de totale lasten

1.8.4 Verbonden partijen Gemeenschappelijke regeling West-Brabants Archief (WBA) Doel of belang dat wordt behartigd:

Artikel 3 van de Archiefwet 1995 verplicht overheidsorganen om hun archieven in goede, geordende en toegankelijke staat te bewaren; artikel 14 regelt de openbaarheid en artikel 32 lid 2 het toezicht. Deze wettelijke taken zijn uitbesteed aan de gemeenschappelijke regeling WBA.

Beleidsvoornemens:De doelstellingen van de samenwerking: • Een bijdrage leveren aan een efficiënte en effectieve borging van de digitale informatie voor de bedrijfsvoering, verantwoording en controleerbaarheid nu en voor erfgoed in de toekomst. • Goede kwaliteit van beleidsontwikkeling en de uitvoering van kerntaken die voortvloeien uit de Archiefwet 1995 en lokale regelingen. • Geringe kwetsbaarheid van de uitvoering van kritische taken op het gebied van archiefbeheer en wettelijk toezicht op de nog niet overgebrachte archiefbescheiden. • Goede kwaliteit van innovatieve en eigentijdse dienstverlening aan de interne en externe klanten binnen de financiële ruimte die geboden is. Richtlijnen 2024

Beleidsmatige richtlijnen: 1. De deelnemers worden door het WBA meegenomen en ondersteund bij de consequenties van nieuwe wetgeving en de hieruit voortvloeiende beleidsdocumenten; 2. De deelnemers stellen jaarlijks, in overleg met het WBA, de prioriteiten binnen het uitvoeringsprogramma van de Beleidsvisie WBA; 3. Bij het jaarlijks stellen van prioriteiten binnen het uitvoeringsprogramma Beleidsvisie WBA, dienen vooraf(!) de financiële consequenties van die prioriteiten duidelijk te zijn bij de deelnemers. Financiële richtlijnen: Voor de financiële richtlijnen 2024 verwijzen wij u naar de paragraaf Verbonden Partijen.

63

Stichting Inkoopbureau West-Brabant Doel of belang dat wordt behartigd:

Het bieden (tegen lage kosten) van de beste toegevoegde waarde in inkoopoplossingen voor de deelnemende gemeenten, door het ontwikkelen en implementeren van ‘Best in Class’ inkoopbeleid, processen, methodieken, systemen en training. De SIW draagt dus bij aan een continue verbetering van het inkoop- en aanbestedingsbeleid, van de implementatie van dit beleid in de praktijk binnen de aan de SIW deelnemende gemeenten en aan borging van inkoop binnen het werkproces.

Beleidsvoornemens:SIW wil de organisatie in staat stellen om toonaangevend te zijn en te blijven, kwaliteit te leveren en een breed scala van dienstverlening aan te kunnen bieden. Richtlijnen 2024

Niet van toepassing

1.8.5 Wat mag het kosten? Programma Overhead

2022

2023

2024

2025

2026

0.4 Overhead

9.670.000

10.579.000

10.556.000

10.641.000

10.810.000

Totaal lasten Bestuur en dienstverlening

9.670.000

10.579.000

10.556.000

10.641.000

10.810.000

837.000

735.000

682.000

678.000

673.000

Kapitaallasten Investeringsprogramma 2023 - 2026

0

0

146.000

148.000

155.000

Direct toe te rekenen salarislasten

0

0

0

0

0

0.4 Overhead

257.000

275.000

235.000

211.000

214.000

Totaal baten Bestuur en dienstverlening

257.000

275.000

235.000

211.000

214.000

-9.413.000

-10.304.000

-10.321.000

-10.430.000

-10.596.000

Lasten per taakveld

Waarvan: Kapitaallasten bestaande activa

Baten per taakveld

Saldo

64

2 Paragrafen

65

66

Paragraaf Lokale heffingen

2.1.1 Inleiding De gemeente Halderberge kent diverse lokale heffingen. Deze kunnen onderverdeeld worden in belastingen, rechten en bestemmingsheffingen. Belastingen kunnen worden ingezet als algemeen dekkingsmiddel en de hoogte ervan is vrij te bepalen. Rechten worden geheven voor diensten die door de gemeente worden verleend. De hoogte ervan mag niet meer dan kostendekkend zijn. Bestemmingsheffingen zijn bedoeld voor de dekking van specifieke lasten voor collectieve voorzieningen. Ook hiervan mag de hoogte niet meer dan kostendekkend zijn. In de gemeente Halderberge komen de volgende heffingen voor: • belastingen: onroerendezaakbelasting, toeristenbelasting, watertoeristenbelasting • rechten: marktgelden, leges, lijkbezorgingsrechten • bestemmingsheffingen: rioolheffing, afvalstoffenheffing De lokale heffingen kunnen worden geheven op grond van de Gemeentewet of op grond van andere wetten, zoals de Wet milieubeheer en de Paspoortwet. Het beleid voor de lokale heffingen is vastgelegd in de diverse verordeningen en regelingen. De uitgangspunten die bij het vaststellen van de verordeningen zijn gehanteerd, komen gedeeltelijk voort uit het bestuursakkoord en het collegewerkprogramma 2022 - 2026. Daarnaast is de raad gebonden aan wettelijke bepalingen.

De uitgangspunten bestaan uit de volgende wettelijke bepalingen en lokale keuzes: Wettelijke bepalingen: • de tarieven van de afvalstoffen- en de rioolheffing zijn maximaal 100% kostendekkend; • datzelfde geldt voor de tarieven van de leges. Binnen de legesverordening is kruissubsidiëring toegestaan. Zie voor een toelichting hierop het onderdeel leges. Lokale ambities: In het bestuursakkoord 2022 – 2026 is aangegeven dat Halderberge de ambitie houdt om voor de totale lastendruk één van de goedkopere woongemeenten van de regio te blijven. Gezien de wettelijke bepalingen en de lokale ambities is in de begroting 2023 uitgegaan van de volgende uitgangspunten: • de tarieven van de onroerendezaakbelasting (OZB) stijgen met het inflatiepercentage, waarna bij het opstellen van de verordening voor 2023 nog correctie plaatsvindt voor de waardeontwikkeling; • de kostendekkendheid van de tarieven voor de rioolheffing is 100% en de compensabele BTW wordt in deze tarieven doorberekend; • de kostendekkendheid van de tarieven voor de afvalstoffenheffing is 100% en de compensabele BTW wordt in deze tarieven doorberekend. Via de Zomernota 2022 heeft de gemeenteraad reeds een besluit genomen over de lokale keuzes voor 2023. Dit was deels nog op hoofdlijnen. In deze paragraaf is dat overgenomen of verder uitgewerkt. Het inflatiepercentage wat in deze begroting is gehanteerd, bedraagt 4%.

Dit inflatiepercentage is overgenomen in de meeste tarieven. Indien een ander percentage is gehanteerd, wordt dat apart vermeld. 2.1.2 Toerekening van indirecte kosten aan de tarieven Sinds 2017 worden indirecte kosten (de overhead) apart verantwoord en buiten de administratie om toegerekend aan de kostendekkende tarieven. Dit gebeurt op basis van de personeelslasten die verbonden zijn aan een specifieke heffing in verhouding tot de totale personeelslasten van alle productieve activiteiten van de gemeente Halderberge (ofwel alle activiteiten exclusief overheadtaken). De uitkomst hiervan levert een percentage op wat wordt vermenigvuldigd met de totale overhead. Per heffing is het percentage van de toegerekende overhead apart vermeld. 67

2.1.3 Onroerendezaakbelasting (OZB) Onder de naam onroerendezaakbelasting wordt een belasting geheven van diegene die op 1 januari gebruik maakt en/ of in het bezit is van een pand. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen: • de gebruikersbelasting, die wordt opgelegd aan degene die een onroerende zaak, niet zijnde een woning, gebruikt; • de eigenarenbelasting, die wordt opgelegd aan de zakelijk gerechtigde (meestal de eigenaar) van een onroerende zaak. Via het raadsbesluit van 15 december 2016 over de oprichting van de Economische Koepel Halderberge (EKH) heeft uw raad besloten om vanaf 2017 het tarief voor de OZB voor niet-woningen extra te verhogen als dekking voor de helft van de uitgaven van de EKH (€ 120.000). Voor 2017 is het tarief in eerste instantie verhoogd met 2,5% en voor de jaren daarna met 5%. Deze opslag is gehandhaafd tot en met 2022. Op 7 oktober 2021 heeft uw raad door middel van het besluit over de economische visie besloten om de uitgaven van de EKH op een andere wijze te gaan dekken. De extra opbrengst van € 120.000 uit de OZB voor niet-woningen vervalt daarom vanaf 2023. Dit is verwerkt in de voorlopige tarieven. In het collegewerkprogramma is opgenomen dat de gemeente Halderberge de ambitie heeft om voor wat betreft de lastendruk één van de goedkoopste gemeenten in de regio kan te blijven.

Gezien de uitgangspunten voor de rioolheffing en de afvalstoffenheffing dat die 100% kostendekkend moeten zijn, kan daar alleen door beperking van de tarieven voor de onroerendezaakbelasting sturing aan worden gegeven. Zie de lastendruk verder op deze paragraaf voor een vergelijking met de regiogemeenten. Bij de raming van de OZB opbrengsten voor 2023 zijn de volgende uitgangspunten aangehouden: • voor de waarde van de woningen en niet-woningen is uitgegaan van de waardepeildatum 1 januari 2022; • uit oogpunt van voorzichtigheid is er beperkt rekening gehouden met areaalontwikkeling; • er is tariefdifferentiatie toegepast tussen woningen en niet-woningen om de lastendruk evenwichtiger te verdelen; • om de stijging van de lastendruk voor huishoudens te beperken, is het tarief voor woningen niet geïndexeerd met het inflatiepercentage van 4%, maar juist verlaagd met 1%; • de tarieven voor 2023 voor niet-woningen zijn in eerste instantie geïndexeerd met het voorgestelde inflatiepercentage ad 4% en daarna gecorrigeerd voor de sinds 2017 aangebrachte opslag voor de uitgaven van de Economische Koepel Halderberge.

Om € 120.000 te corrigeren is het tarief verlaagd met 3,3%, zodat de stijging van de tarieven beperkt blijft tot 0,7%; • de indexering van de tarieven wordt bij het opstellen van de verordening voor de onroerendezaakbelasting gecorrigeerd voor de verwachte waardeontwikkeling. Hieronder treft u de voorlopige tarieven voor 2023 aan. Bij het opstellen van de verordening op de heffing en invordering van de onroerendezaakbelasting voor 2023 zal het tarief nog worden aangepast met de op dat moment bekende gemiddelde waardeontwikkeling van resp. woningen en niet-woningen. Bij een waardestijging zal het tarief dalen, bij een waardedaling zal het tarief stijgen. In onderstaande tabel is nog geen waardeontwikkeling meegenomen. Met inachtneming van het voorgaande zijn de voorlopige tarieven momenteel als volgt: OZB

2022

2023

Verschil

OZB woningen eigenaar

0,0977%

0,0967%

-1,0%

OZB niet-woningen gebruik

0,2156%

0,2171%

0,7%

OZB niet-woningen eigenaar

0,2413%

0,2430%

0,7%

Opbrengsten OZB in 2023 De verwachte OZB opbrengst bedraagt ca. € 7.706.000. Een toename van het aantal woningen en/of niet-woningen (volume-ontwikkeling) leidt tot een toename van de OZB-opbrengsten, maar tegelijkertijd ook tot een afname van de algemene uitkering (via de inkomstenmaatstaven). Een toename van de waarde (prijsstijging) leidt niet tot een toename van de OZB-opbrengsten, omdat waardestijgingen gecompenseerd worden door een neerwaarts bijgesteld OZB-tarief (en vice versa).

68

2.1.4 Afvalstoffenheffing De gemeente zorgt voor het wekelijks ophalen van het huisvuil. Via de afvalstoffenheffing worden de kosten verbonden aan het verzamelen en het verwerken van het huisvuil verhaald op de burger. Sinds 1 januari 2014 hanteert de gemeente Halderberge gedifferentieerde tarieven voor de afvalstoffenheffing (ofwel diftar). Door afval goed te scheiden en de containers minder vaak aan straat te zetten kunnen inwoners van de gemeente zelf invloed uitoefenen op de variabele kosten. Op basis van de verwachtingen van lagere kosten door betere scheiding en het aantal keren dat de containers gemiddeld aan straat worden gezet, is het tarief berekend. Als uitgangspunt is het principe van 100% kostendekkendheid gebleven, waarbij de geraamde totale opbrengst net zo hoog is als de geraamde kosten. De afvalstoffenheffing is nog berekend op basis van het afvalbeleid voor de jaren 2019 t/m 2022. Het nieuwe plan moet nog aan de raad worden aangeboden.

Bij de raming van de opbrengst uit de afvalstoffenheffing zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd: • er is uitgegaan van 100% kostendekkendheid, met als enige uitzondering dat de kosten voor het ondergronds brengen van afvalcontainers in de milieuparkjes eenmalig niet zijn meegenomen in de berekening van de tarieven; • de compensabele BTW is in de tarieven van de afvalstoffenheffing volledig doorberekend; • bij de baten is het geraamde dividend van Saver geheel meegenomen; • bij de ontwikkeling van de lasten is uitgegaan van het door SAVER aangegeven inflatiepercentage van 6,2%; • in de lasten zijn de kosten van het grondstoffencentrum van Saver meegenomen; • het tarief voor de afvalstoffenheffing bestaat uit een vast en een variabel deel: - het vaste deel is voor iedere belastingplichtige gelijk; - het variabele deel van het tarief wordt bepaald door de wijze van aanbieding van het afval, via een container of via inworp in een ondergrondse container, en het volume van de container, 140 of 240 liter; • bij het berekenen van de tarieven is ervoor gekozen om alleen een meerjarig effect van het aantal ledigingen en/of inworpen mee te nemen. Dit betekent dat het aantal ledigingen of inworpen wordt bijgesteld als sprake is van een wijziging die zich minimaal drie jaar heeft voorgedaan. Hierdoor worden ongewenste schommelingen in het tarief voorkomen.

Conform het voorgaande is het aantal ledigingen van een 140 liter container voor 2023 bijgesteld naar 10 en het aantal ledigingen van een 240 liter container naar 12. Het aantal inworpen in een ondergrondse container is gehandhaafd op 46; • als het aantal ledigingen of inworpen hoger is dan het gemiddelde aantal wordt een opslag in rekening gebracht; • de ledigingen en stortingen worden na afloop van het kalenderjaar in rekening gebracht; • In 2023 ontvangen de inwoners van de gemeente Halderberge een aanslag waarop het vaste tarief van 2023 en het variabele tarief van 2022 (maal het werkelijk aantal ledigingen in 2022) in rekening wordt gebracht. Het werkelijk aantal ledigingen over 2023 wordt via de aanslag gemeentelijke belastingen in 2024 in rekening gebracht. • bij de opstelling van de jaarrekening komt het saldo van baten en lasten op het product afvalverwijdering en – verwerking ten laste of ten gunste van de voorziening afvalstoffenheffing. Een negatief saldo kan alleen worden verrekend voor zover de voorziening daarvoor toereikend is. Kosten die verbonden zijn aan de afvalstoffenheffing Bij het berekenen van het tarief voor de afvalstoffenheffing worden diverse kosten meegenomen. Allereerst vanzelfsprekend de directe kosten die verbonden zijn aan het ophalen van huishoudelijk afval. Dit betreft met name de kosten die door Saver in rekening worden gebracht.

Ook kosten die daar rechtstreeks mee verbonden zijn, zoals het stortrecht, de milieustraat en andere verwerkingskosten worden volledig meegenomen. Verleende kwijtscheldingen worden voor 55% meegenomen in de heffing, aangezien het aandeel afvalstoffenheffing hierin ongeveer dit percentage bedraagt. Het vegen van de straten wordt voor 40% meegenomen in de heffing. Het aandeel zwerfafval en -vuil in het straatafval is iets minder groot dan het aandeel bladafval. Een percentage van 40% wordt redelijk geacht voor dit aandeel. Voor de toerekening van de kosten van de overhead is een berekening uitgevoerd zoals aangegeven bij de algemene uitgangspunten voor de toerekening van indirecte kosten. Het percentage van de overheadkosten dat toegerekend is aan deze heffing bedraagt 1,88%. Opslag bij een aantal ledigingen of inworpen dat meer is dan gemiddeld Sinds 2020 wordt een opslag in rekening gebracht als het aantal ledigingen of inworpen op jaarbasis hoger is dan het gemiddelde aantal waar in de begroting van is uitgegaan. De opslag varieert en is afhankelijk van het volume van de container en het aantal ledigingen of inworpen boven het gemiddelde. Het gemiddeld aantal ledigingen en inworpen treft u aan onder de uitgangspunten. De staffel voor de opslagen treft u aan in de Verordening afvalstoffenheffing Halderberge.

69

Met inachtneming van het voorgaande zijn de belangrijkste tarieven voor 2023 als volgt: Afvalstoffenheffing

2022

2023

Verschil

Vast tarief per aansluiting

€ 179,64

€ 188,04

4,68%

Tarief per lediging 240-liter container

€ 10,63

€ 12,09

13,73%

Tarief per lediging 140-liter container

€ 6,20

€ 7,05

13,71%

Tarief inworp ondergrondse afvalcontainer

€ 1,77

€ 2,02

14,12%

* Bij de bepaling van het vaste tarief is rekening gehouden met het feit dat dit deelbaar moet zijn door 12. Dit in verband met de maandelijkse verrekening van aanslagen wegens vestiging of vertrek van personen. Opbrengst afvalstoffenheffing in 2023 De totale opbrengst voor de afvalstoffenheffing is geraamd op ca. € 4.152.000. Bij het opstellen van de jaarrekening wordt het verschil tussen de werkelijke baten en lasten verbonden aan de afvalstoffenheffing verrekend met de Voorziening overschotten afvalstoffenheffing. Momenteel is deze voorziening nagenoeg 0 en kan een eventueel tekort dus niet worden verrekend. Bij het opstellen van de jaarrekening zal op basis van het resultaat over dat jaar blijken of er een overschot of tekort is en of er een bedrag kan worden gestort in de voorziening. 2.1.5 Rioolheffing Op 1 januari 2008 is de Wet gemeentelijke watertaken in werking getreden. Deze wet regelt dat naast de kosten voor afvoer en verwerking van afvalwater ook de kosten voor afvoer van hemelwater via de verbrede rioolheffing verhaald kunnen worden. Daarnaast is het mogelijk om kosten voor voorzieningen die verband houden met het grondwaterpeil ook via de verbrede rioolheffing te verhalen. De verwachte kosten liggen vast in het in Gemeentelijk RioleringsPlan Halderberge (GRP) 2020 – 2023 dat in september 2019 door de gemeenteraad is vastgesteld.

Op basis van de kosten van het GRP voor het jaar 2023 zijn, uitgaande van 100% kostendekkendheid, de tarieven voor de rioolheffing berekend. Bij het bepalen van de rioolheffing is de methodiek van éénpersoons- en meerpersoonshuishoudens van toepassing. Bedrijven betalen tot een afname van 500 m³ het meerpersoonstarief. Bedrijven die meer dan 500m³ water afnemen worden gezien als grootverbruikers en betalen naast het meerpersoonstarief vanaf 501m³ een extra bedrag per m³. Bij de raming van de rioolheffing zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd: • er wordt uitgegaan van 100% kostendekkendheid; • de compensabele BTW is in de tarieven van de rioolheffing doorberekend; • bij de ontwikkeling van de lasten is uitgegaan van een inflatiepercentage van 4%; • bij de opstelling van de Jaarrekening wordt het verschil tussen de werkelijke baten en lasten verbonden aan de rioolheffing, verrekend met de voorziening overschotten riolering. Kosten die verbonden zijn aan de rioolheffing Bij het berekenen van het tarief voor de rioolheffing worden diverse kosten meegenomen. Allereerst vanzelfsprekend de directe kosten die verbonden zijn aan het beheer van de riolering. U dient hierbij te denken aan het reinigen van de riolering, energielasten voor het gebruik van de gemalen en onderzoekskosten aan het rioolsysteem en de waterketen.

Een ander onderdeel wat een flinke bijdrage levert aan de kosten betreft de kapitaallasten die verbonden zijn aan de investeringen in de riolering. Verleende kwijtscheldingen worden voor 45% meegenomen in de heffing, aangezien het aandeel rioolheffing hierin ongeveer dit percentage bedraagt. Het vegen van de straten wordt voor 50% meegenomen in de heffing. Het voorkomen dat zwerfvuil en bladafval in het riool terecht komt, zorgt ervoor dat er minder kosten uitgegeven hoeven te worden aan het beheer. Een percentage van 50% wordt redelijk geacht voor dit aandeel. Voor de toerekening van de kosten van de overhead is een berekening uitgevoerd zoals aangegeven bij de algemene uitgangspunten voor de toerekening van indirecte kosten. Het percentage van de overheadkosten dat toegerekend is aan deze heffing bedraagt 4,73%.

70

Rioolheffing

2022

2023

Verschil

Eenpersoonshuishouden

€ 172,56

€ 184,92

7,16%

meerpersoonshuishouden

€ 230,16

€ 246,60

7,14%

bedrijven tot 500 m3

€ 230,16

€ 246,60

7,14%

€ 0,28

€ 0,29

3,57%

Grootverbruik per m3 vanaf per 501 m3

* Bij de bepaling van de tarieven is rekening gehouden met het feit dat de bedragen deelbaar moeten zijn door 12. Dit in verband met de maandelijkse verrekening van aanslagen wegens vestiging of vertrek van personen Opbrengst rioolheffing in 2023 De totale inkomsten uit de rioolheffing zijn geraamd op ca. € 3.320.000. Bij de vaststelling van de jaarrekening wordt het verschil tussen de werkelijke baten en lasten die verbonden zijn aan de rioolheffing, verrekend met de Voorziening overschotten riolering. Op begrotingsbasis worden de tarieven voor de rioolheffing berekend op basis van 100% kostendekkendheid. Aan het eind van het begrotingsjaar wordt bij het opstellen van de jaarrekening bepaald wat uiteindelijk het verschil is tussen de begroting en de werkelijke lasten en baten. Dit verschil, dat zowel positief als negatief kan zijn, wordt verrekend met de Voorziening overschotten riolering. Voordelen worden in deze voorziening gestort en nadelen worden uit de voorziening onttrokken. 2.1.6 Toeristenbelasting Zoals de naam al aangeeft wordt deze belasting geheven van (water)toeristen. Omdat toeristen gebruik maken van de voorzieningen in de gemeente, maar de gemeente hiervoor niet gecompenseerd wordt via het Gemeentefonds, mogen gemeenten een deel van de kosten van deze voorzieningen verhalen op de toeristen via een toeristenbelasting.

Als toeristen worden aangemerkt personen die in de gemeente verblijven zonder dat ze in het bevolkingsregister van de gemeente zijn opgenomen. Tarief Via het besluit voor vaststelling van de Economische visie 2021 – 2025 van 7 oktober 2021 heeft de gemeenteraad besloten om het tarief voor de toeristenbelasting in 2023 met € 0,20 te laten stijgen tot € 1,35 per persoon per overnachting. Dit geldt niet voor de watertoeristenbelasting. Dat tarief stijgt met het voorgestelde inflatiepercentage van 4%. Het nieuwe tarief voor de watertoeristenbelasting wordt daarmee € 1,20 per persoon per etmaal. Opbrengst (water)toeristenbelasting in 2023 De jaarlijkse opbrengst van de (water)toeristenbelasting is geheel afhankelijk van het aantal overnachtingen. Onvoorziene omstandigheden, zoals in voorgaande jaren het Coronavirus, kunnen de opbrengst flink beïnvloeden. De geraamde opbrengst voor 2023 bedraagt ca. € 624.000. Dit betreft zowel de toeristenbelasting die geheven wordt voor toeristische accommodaties, als de toeristenbelasting die geheven wordt van exploitanten met accommodaties voor huisvesting van arbeidsmigranten. 2.1.7 Marktgelden Onder de naam marktgeld wordt een recht geheven voor het innemen van standplaatsen, als bedoeld in artikel 1 van de Verordening voor het marktwezen in de gemeente Halderberge, op het daarvoor bestemde terrein.

Het marktgeld wordt geheven op basis van het aantal strekkende meters van de marktkraam per marktdag of gedeelte daarvan met een minimum van 4 m¹. Daarnaast wordt een bijdrage in de promotiekosten in rekening gebracht en een vergoeding voor het gebruik van elektriciteit. Tarieven Het tarief van voorgaand jaar is verhoogd met een indexering van 4%. Om praktische redenen wordt het tarief na indexering afgerond op een veelvoud van € 0,05. Als gevolg hiervan wordt het tarief voor 2023 € 2,50 per m¹. De bijdrage voor de promotiekosten bedraagt net als voorgaande jaren per marktdag of gedeelte daarvan € 0,10 per m¹. Bij het innemen van een standplaats op een straatmarkt wordt meestal ook elektriciteit verbruikt. Die verbruikte elektriciteit belast de gemeente door aan de verbruiker. Gezien de stijgende prijzen voor elektriciteit is momenteel nog niet bekend wat de prijs voor het verbruik in 2023 gaat worden. Dat wordt nog nader onderzocht en zal worden opgenomen in de verordening voor de marktgelden voor 2023.

71

Opbrengst marktgelden in 2023 In de begroting is voor de marktgelden een opbrengst geraamd van ca. € 13.700. Toerekening overhead Voor de toerekening van de kosten van de overhead is een berekening uitgevoerd zoals aangegeven bij de algemene uitgangspunten voor de toerekening van indirecte kosten. Het percentage van de overheadkosten dat toegerekend is aan deze heffing bedraagt 0,13%. 2.1.8 Lijkbezorgingsrechten Voor het gebruik van de begraafplaats en voor het door of vanwege de gemeente verlenen van diensten in verband met de begraafplaats heft de gemeente zogeheten lijkbezorgingrechten. Voor de lijkbezorgingsrechten gelden de volgende uitgangspunten: • ieder tarief dekt in principe voor 100% de kosten die verbonden zijn aan de verleende dienst; • uitzondering hierop zijn de tarieven voor de rechten voor een graf of urnennis voor kinderen onder 12 jaar; • bij het verlenen van rechten wordt een logische opbouw gehanteerd, waarbij het tarief voor 20 jaar tweemaal zo hoog is als het tarief voor 10 jaar (en naar rato ook voor andere looptijden); • de tarieven voor het verlengen van rechten zijn even hoog als de tarieven voor het verlenen van rechten; • het jaartarief voor het reserveren van een bijzonder graf bestaat naast een dekking voor de administratieve kosten uit een aandeel voor de dekking van het onderhoud (1/10 deel van het 10-jaarstarief voor het verlenen van een

recht); • de geraamde structurele kosten voor het onderhoud van de begraafplaats worden verdeeld over de maximale capaciteit van de begraafplaats. Deze capaciteit bedraagt 2203 plaatsen (zowel gewone graven als urnengraven en -nissen); • alle tarieven worden afgerond op eenheden van € 0,05. Tarieven De tarieven worden op basis van de genoemde uitgangspunten berekend bij het opstellen van de verordening. Opbrengst in 2023 Voor 2023 is een opbrengst geraamd van ca. € 30.300. Dit dekt ca. 20% van de geraamde kosten. Voor de toerekening van de kosten van de overhead is een berekening uitgevoerd zoals aangegeven bij de algemene uitgangspunten voor de toerekening van indirecte kosten. Het percentage van de overheadkosten dat toegerekend is aan deze heffing bedraagt 0,31%. 2.1.9 Leges Op basis van artikel 229 van de Gemeentewet kunnen gemeenten rechten heffen ter zake van het genot van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten. Hieronder vallen onder meer de diensten voor het verstrekken van paspoorten, rijbewijzen en het in behandeling nemen van aanvragen voor omgevingsvergunningen. In de legesverordening is een groot aantal diensten van de gemeente Halderberge opgenomen waarvoor leges in rekening gebracht mogen worden. Deze staan in de bijbehorende tarieventabel.

Door de verwachte inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2023 is de tarieventabel flink aangepast. Van deze gelegenheid is ook gebruik gemaakt om de gebruikte termen in de tarieventabel te herzien en de tabel leesbaarder te maken. De tarieventabel is verdeeld in drie hoofdstukken (voorheen titels). Binnen een hoofdstuk is er een onderverdeling in paragrafen (voorheen hoofdstukken). De drie hoofdstukken zijn: • algemene dienstverlening; • dienstverlening en besluiten in het kader van de Omgevingswet; • en dienstverlening vallend onder Europese Dienstenrichtlijn en niet vallend onder hoofdstuk 2. De wet spreekt van een maximale kostendekking van 100% op het niveau van de verordening. Dit impliceert dat sommige tarieven hoger kunnen zijn dan nodig is om de geraamde kosten te dekken en dat andere tarieven juist lager kunnen zijn. Indien dit het geval is, is sprake van kruissubsidiering. In de gemeente Halderberge zijn niet van ieder product afzonderlijk de kosten bepaald. Dit vindt minimaal plaats op het niveau van productcategorie of zelfs hoger. Derhalve is het mogelijk dat kruissubsidiëring plaatsvindt.

72

Op het uitgangspunt van kruissubsidiëring binnen de verordening bestaan enkele uitzonderingen: • er is geen kruissubsidiëring toegestaan tussen de dienstverlening vallend onder de Europese dienstenrichtlijn en de overige dienstverlening; • de wetgeving over de omgevingsvergunning gaat ervan uit dat alleen binnen de omgevingsvergunning kruissubsidiëring kan worden toegepast en niet met dienstverlening erbuiten. Tarieven In hoofdstuk 1 van de tarieventabel zijn tarieven opgenomen voor algemene dienstverlening. Hieronder vallen een aantal producten waarvoor van Rijkswege wettelijke tarieven worden bepaald. Zoals besloten in de Zomernota 2022 worden hiervoor in 2023, net als in 2022, de maximaal toegestane tarieven aangehouden. De tarieven worden naar beneden afgerond op een veelvoud van € 0,05. Voor de overige tarieven is besloten tot een indexering met het inflatiepercentage van 4%. De tarieven worden afgerond op een veelvoud van € 0,05. In afwijking hiervan worden de tarieven in hoofdstuk 1 van de tarieventabel (dienstverlening voor een huwelijk of geregistreerd partnerschap), voor zover wettelijk toegestaan, afgerond op hele euro’s. In hoofdstuk 2 van de tarieventabel zijn de tarieven opgenomen voor de dienstverlening in het kader van de Omgevingswet. Door de verwachte inwerkingtreding van de Omgevingswet per 1 januari 2023 is het hoofdstuk geheel herzien.

Bij het opstellen van deze begroting waren de tarieven nog niet berekend. Dit gebeurt bij het voorbereiding van de besluitvorming over de legesverordening voor 2023. Indien de Omgevingswet onverhoopt niet in werking treedt per 1 januari 2023 zullen voor hoofdstuk 2 naast de tekstuele herzieningen alleen de tarieven geïndexeerd worden. De voorwaarden hiervoor zijn eerder opgenomen in de Zomernota 2022. In hoofdstuk 3 van de tarieventabel zijn de tarieven opgenomen voor vergunningsverlening op het gebied van horeca, organisatie van evenementen of markten, brandbeveiliging en verdere niet specifiek genoemde aangelegenheden. Deze tarieven worden verhoogd met het inflatiepercentage van 1,5% en vervolgens naar beneden afgerond op een veelvoud van € 0,05. Hierboven zijn per hoofdstuk de uitgangspunten opgenomen voor de tariefontwikkeling voor 2023. Het kan echter wenselijk zijn om wegens bijzondere redenen of voor specifieke tarieven een afwijkend voorstel te doen. Indien dat het geval is, zal dat bij het voorstel voor de legesverordening 2023 nader worden toegelicht. Baten en lasten leges In het onderstaande overzicht staan de verwachte baten en lasten die betrekking hebben op de dienstverlening waarvoor leges in rekening kunnen worden gebracht. Daarbij zijn de verwachte baten en lasten onderverdeeld naar de hoofdstukken in de tarieventabel. Hoofdstuk

Lasten 2023

Baten 2023

Kosten- dekking

1.

Algemene dienstverlening

1.088.465

247.969

23%

2.

Dienstverlening vallend onder fysieke leefomgeving / omgevingsvergunning

1.640.922

555.770

34%

3.

Dienstverlening vallend onder Europese dienstenrichtlijn

256.560

20.694

8%

Kosten die verbonden zijn aan de leges In de lasten die zijn opgenomen in bovenstaand overzicht bevinden zich alleen de directe kosten die verbonden zijn aan de betreffende leges. Dit betreft met name het personeel dat de dienst verleend. Indirecte kosten zijn wel meegeteld in het percentage kostendekking en zijn opgenomen conform hetgeen in de algemene toelichting aan het begin van deze paragraaf hierover is opgenomen. Binnen het hoofdstuk Algemene dienstverlening is er sprake van een gemiddelde kostendekking van 23%. Het belangrijkste aandeel binnen dit hoofdstuk zijn de reisdocumenten, ID kaarten en de rijbewijzen. De tarieven voor deze documenten zijn gelimiteerd. Hierdoor zijn er weinig tot geen mogelijkheden om de kostendekkendheid binnen dit hoofdstuk te verhogen.

73

Binnen het hoofdstuk Omgevingsvergunningen is voor het begrotingsjaar 2023 vooralsnog sprake van een kostendekking van 34%. De belangrijkste baten binnen dit hoofdstuk zijn de leges voor de omgevingsvergunningen en de leges voor de procedures Ruimtelijke Ordening. Op basis van een eerste inschatting is de legesopbrengst gecorrigeerd voor de inwerkingtreding van de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen die naar verwachting samen met de Omgevingswet zal worden ingevoerd. Het percentage kostendekking is voorlopig, aangezien de exacte gevolgen van de inwerkingtreding van de Omgevingswet en de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen nog in kaart gebracht moeten worden en de opstelling van de legesverordening en de tarieven nog in behandeling is. Binnen het hoofdstuk Europese dienstenrichtlijn is de kostendekking ca. 8%. Binnen dit hoofdstuk vallen de diverse APV vergunningen en vergunningen op basis van de Alcoholwet. 2.1.10 Kwijtscheldingsbeleid Indien een belastingplichtige niet of over te weinig financiële middelen beschikt om de belastingaanslag te voldoen en niet beschikt over vermogen, kan de belastingplichtige onder bepaalde voorwaarden in aanmerking komen voor kwijtschelding. In de Zomernota 2022 is een kwijtscheldingspercentage gehanteerd van 100%.

Concreet betekent dit dat belastingplichtigen die een vermogen hebben onder de norm en een inkomen hebben van 100% van het minimuminkomen (volgens bijstandsnorm) of lager in aanmerking komen voor gehele of gedeeltelijke kwijtschelding. Belastingplichtigen kunnen alleen kwijtschelding aanvragen voor de afvalstoffenheffing, de rioolheffing en de OZB. Omdat het gebruikersdeel van de OZB al geruime tijd is afgeschaft, komt echter bijna niemand in aanmerking voor kwijtschelding van de OZB (eigenaarsdeel). Voor de overige heffingen kunnen belastingplichtigen geen verzoek doen tot kwijtschelding. Vanaf 2011 heeft de gemeenteraad de mogelijkheid om bepaalde verruimingen met betrekking tot de kwijtscheldingsregels toe te passen. Sinds 2011 is dat reeds gebeurd voor kwijtscheldingsverzoeken van ondernemers. De gemiste opbrengsten als gevolg van de verleende kwijtschelding worden betrokken bij de berekening van de afvalstoffenheffing en de rioolheffing. Deze gemiste opbrengsten zijn bij de berekening van de tarieven in dit hoofdstuk meegenomen. Voor het jaar 2023 is een bedrag van € 270.000 aan kwijtschelding geraamd, bestaande uit 55% kwijtschelding van de afvalstoffenheffing (€ 148.500) en 45% kwijtschelding van de rioolheffing (€ 121.500). Deze percentages zijn ten opzichte van voorgaand jaar bijgesteld op basis van de werkelijke kwijtscheldinggegevens over 2021.

2.1.11 Vergelijk woonlasten Het Centrum voor Onderzoek van de Economie van de Lagere Overheden (COELO) geeft jaarlijks de ‘Atlas van de lokale lasten’ uit. Deze Atlas geeft inzicht in de woonlasten per gemeente (afvalstoffenheffing, rioolrecht en OZB) en de positie die de gemeenten ten opzichte van elkaar innemen. Voor een vergelijkend overzicht zijn de lasten van de afgelopen drie jaar van de gemeenten uit de De6 samenwerking met elkaar vergeleken, zowel voor meerpersoonshuishoudens als voor eenpersoonshuishoudens. Om de gemeentelijke woonlasten goed met elkaar te kunnen vergelijken hanteert Coelo een eigen berekeningswijze. Deze wijkt af van de waarden die de gemeente Halderberge hanteert in de tabel voor de lastendruk. Zo hanteert het Coelo voor de OZB heffing een gestandaardiseerd tarief, terwijl de gemeente Halderberge de werkelijke tarieven hanteert. Bij de afvalstoffenheffing gebruikt de gemeente het aantal ledigingen, terwijl het Coelo uitgaat van het gemiddeld aantal kilo restafval. Voor de vergelijking is dat niet erg. Die geeft een goed beeld van de onderlinge verhoudingen.

74

Gemiddelde woonlasten meerpersoonshuishoudens 1.250 1078

1.000

904 776

877 794817 816

811

769787

869 734

750

785

828

975

938 881

867

880

800 764

500

250

0 Landelijk 2020

2021

Etten-Leur

Halderberge

Moerdijk

Roosendaal

Rucphen

Zundert

2022

Gemiddelde woonlasten eepersoonshuishoudens 1.250 1018

1.000 826

750

705

737

787 760785

794

761 661679

605

929

906 846

789

839

695720

717 644

500

250

0 Landelijk 2020

2021

Etten-Leur

Halderberge

Moerdijk

Roosendaal

Rucphen

Zundert

2022

Zowel bij meerpersoonshuishoudens als bij eenpersoonshuishoudens liggen de woonlasten van Halderberge onder het landelijke gemiddelde. Onder de De6 gemeenten neemt de gemeente Halderberge bij de meerpersoonshuishoudens de vierde plaats in met de op drie na laagste woonlasten. Bij de eenpersoonshuishoudens neemt de gemeente Halderberge de tweede plaats in. Hierbij dient opgemerkt te worden dat de verschillen tussen de tweede, derde en vierde plaats erg gering zijn.

75

2.1.12 Lastendruk De ontwikkeling van de woonlasten voor huishoudens in de gemeente Halderberge kan in beeld worden gebracht door middel van de lastendruk. Dit is een vergelijking van meerdere jaren van de som van de afvalstoffenheffing, de rioolheffing en – bij koopwoningen - de onroerendezaakbelasting. Hierbij is onderscheid gemaakt tussen eenpersoons- en meerpersoonshuishoudens. Voor meerpersoonshuishoudens levert dit de volgende tabel op: Overzicht ontwikkeling woonlasten meerpersoonshuishouden

Lastendruk 2022

Lastendruk 2023

Stijging/ daling

Afvalstoffenheffing meerpersoonshuishouden

€ 317,83

€ 333,12

4,81%

Rioolheffing meerpersoonshuishouden

€ 230,16

€ 246,60

7,14%

OZB eigenaar

€ 275,51

€ 272,76

-1,00%

Totaal lastendruk meerpersoonshuishouden met huurwoning

€ 547,99

€ 579,72

5,79%

Totaal lastendruk meerpersoonshuishouden eigen woning¹

€ 823,50

€ 852,48

3,52%

Lastendruk 2022

Lastendruk 2023

Stijging/ daling

Afvalstoffenheffing eenpersoonshuishouden

€ 254,04

€ 258,54

1,77%

Rioolheffing eenpersoonshuishouden

€ 172,56

€ 184,92

7,16%

OZB eigenaar

€ 275,51

€ 272,76

-1,00%

Totaal lastendruk eenpersoonshuishouden met huurwoning

€ 426,60

€ 443,46

3,95%

Totaal lastendruk eenpersoonshuishouden eigen woning¹

€ 702,11

€ 716,22

2,01%

Voor eenpersoonshuishoudens is dit als volgt: Overzicht ontwikkeling woonlasten eenpersoonshuishouden

Voor meerpersoonshuishoudens met een eigen woning stijgen de woonlasten in 2023 met 3,52% ten opzichte van 2022. Voor eenpersoonshuishouden is dat 2,01%. Voor huishoudens met een huurwoning stijgen de woonlasten ten opzichte van 2022 met resp. 5,79% voor meerpersoonshuishoudens en 3,95% voor éénpersoonshuishoudens.

76

Paragraaf Weerstandsvermogen en risicobeheersing

2.2.1 Algemeen positie van een gemeente. Het weerstandsvermogen wordt uitgedrukt in een indicator van de weerstandscapaciteit ten opzichte van de risico’s. De Rekenkamer West-Brabant (hierna: rekenkamer) heeft in 2014 een onderzoek uitgevoerd naar de opzet en werking van het risicomanagementsysteem van de gemeente Halderberge. De aanbevelingen van de rekenkamer zijn uitgewerkt in een plan van aanpak risicomanagement, dat begin 2015 door het college is vastgesteld. Gehanteerde uitgangspunten berekening benodigde weerstandscapaciteit In de voorbereiding op de Begroting 2023 heeft er naast een inventarisatie van nieuwe risico’s ook een herijking van de bestaande risico’s plaats gevonden. De geïnventariseerde risico’s zijn vervolgens opgenomen in NARIS en opnieuw berekend. Daarbij is een onderscheid gemaakt in structurele risico’s en incidentele risico’s. Bij de berekening van de benodigde weerstandscapaciteit zijn de volgende uitgangpunten gehanteerd. 1. Opgenomen zijn risico’s die - op relatief eenvoudige wijze - financieel zijn te vertalen. 2. Elke risico wordt berekend aan de hand van de volgende parameters: - kans van optreden (bandbreedte 10% - 90%); - minimaal financieel gevolg, verwacht financieel gevolg en maximaal financieel gevolg als het risico zich voordoet. 3.

Bij de berekening van de benodigde weerstandscapaciteit is ermee rekening gehouden dat niet alle risico’s zich tegelijkertijd zullen voordoen: de benodigde weerstandscapaciteit bedraagt 95% van het totaal aan berekende risicobedragen. 4. De gemeente krijgt voor structurele risico’s vier jaar de tijd om de financiële gevolgen van deze risico’s - fasegewijs - in de begroting/meerjarenraming op te nemen; dit uitgangpunt vertaalt zich in een vermenigvuldigingsfactor van 2,5 voor structurele risico’s (jaar 1: 100%, jaar 2: 75%, jaar 3: 50%, jaar 4: 25%; totaal 250%). 2.2.2 Weerstandscapaciteit De weerstandscapaciteit bestaat uit de middelen en de mogelijkheden die de gemeente heeft om onverwachte kosten (risico’s) op te kunnen vangen. De weerstandscapaciteit op begrotingsbasis bestaat uit de volgende onderdelen. • De algemene reserves (inclusief algemene reserve grondexploitaties) • De vrije begrotingsruimte (post onvoorziene uitgaven en het begrotingssaldo) • Vrij besteedbare bestemmingsreserves • De onbenutte belastingcapaciteit • Eventuele stille reserves In de tabel op de volgende pagina is de verwachte weerstandscapaciteit voor 2023 weergegeven.

77

Weerstandscapaciteit

Begroting 2023

Algemene reserve

10.386

Algemene reserve grondexploitaties

3.913

Reserve Borchwerf II

-

Egalisatiereserve rente

960

Post onvoorziene uitgaven

100

Begrotingsruimte

316

Vrij besteedbare bestemmingsreserves Onbenutte belastingcapaciteit Stille reserves Totaal weerstandscapaciteit

2.130 PM 17.805

2.2.3 Risico's Op basis van de gehanteerde uitgangspunten, bedraagt de benodigde weerstandscapaciteit € 3.895.000.

Risico's

Risicobedrag

Incidentele risico's

289

Structurele risico's

3.606

Totaal risicobedrag

3.895

Waarvan risico's sociaal domein

1.890

De 10 grootste risico's worden hierna toegelicht.

Risico

Risicobedrag

Tekort jeugdzorg

903

CAO en andere loonontwikkelingen

368

Tekort Wmo begeleiding

331

Tekort Wmo huishoudelijke ondersteuning

331

Stijging materiaalkosten investeringen

303

Wateroverlast

247

Tekort BUIG

200

Tekort Wmo voorzieningen

125

Schade aan wegen agv omleidingsroutes en sluipverkeer

125

Vorst- en dooischade

124

78

Tekort jeugdzorg Omdat de uitvoering van de Jeugdwet een open-einde regeling betreft, bestaat het risico dat het beschikbare budget wordt overschreden. Dit risico is ingeschat op maximaal 10% van het budget voor jeugdzorg. CAO en andere loonontwikkelingen Voor de ontwikkeling van de salarissen wordt, naast de periodieke verhogingen, rekening gehouden met de loonstijgingen als gevolg van de cao. De cao voor gemeenteambtenaren is per 1 januari 2023 afgelopen. In de meerjarenraming 2023 - 2026 is, in afwachting van een nieuwe cao, een loonstijging van 3% per jaar in 2023 en 2024 en 1,5% per jaar vanaf 2025 opgenomen. Een extra loonstijging van 1% betekent voor Halderberge een structurele stijging van de loonkosten met ca. € 170.000 per jaar. Tekort Wmo begeleiding Omdat de uitvoering van de Wmo-voorziening begeleiding een open-einde regeling betreft, bestaat het risico dat het beschikbare budget wordt overschreden. Dit risico is ingeschat op maximaal 10% van het budget voor begeleiding. Tekort Wmo hulp bij het huishouden Omdat de uitvoering van de Wmo-voorziening hulp bij het huishouden een open-einde regeling betreft, bestaat het risico dat het beschikbare budget wordt overschreden.

Dit risico is ingeschat op maximaal 10% van het budget voor hulp bij het huishouden Stijging materiaalkosten investeringen Door de huidige marktsituatie, met name als gevolg van de oorlog in Oekraïne, stijgen de materiaal- en brandstofkosten bij aannemers en leveranciers. Het risico bestaat dat de investeringskredieten die in het Investeringsprogramma zijn opgenomen niet meer toereikend zijn om de geplande werkzaamheden binnen het geraamde bedrag uit te kunnen voeren. Wateroverlast Het klimaat is aan het veranderen. We krijgen meer en meer te maken met buien waarin binnen een korte tijd veel water valt. Het afwateringssysteem kan dergelijke intensieve regenbuien niet aan. De kans op wateroverlast in zowel stedelijk als landelijk gebied neemt daarom toe. De laatste jaren is daarom enorm veel geïnvesteerd in het treffen van maatregelen om wateroverlast tegen te gaan. De gevolgen van waterlast kunnen zijn: • Verzakkingen van wegen als gevolg van uitspoeling. • Herstellen verzakkingen en breuken in het riool. • Schoonmaken van ondergelopen gebieden. • Inzet van pompen voor het wegpompen van water in de ondergelopen gebieden. • In ernstige gevallen evacueren en opvangen bewoners. In de begroting is geen rekening gehouden met deze gebeurtenissen. Wel zijn er middelen voor het onderhoud aan wegen en riolering ter voorkoming van mogelijke overlast.

Weersomstandigheden blijven echter een risico. Tekort BUIG Van het rijk wordt een gebundelde uitkering (BUIG) ontvangen voor de uitvoering van de Particiaptiewet, IOAW, IOAZ en BBZ. Omdat de uitvoering hiervan een open-einde regeling betreft, bestaat het risico dat het beschikbare budget wordt overschreden. Dit risico is ingeschat op maximaal 7,5% van de rijksbijdrage. Bij een (stuctureel) tekort van meer dan 7,5% kan een beroep worden gedaan op de vangnetregeling. Tekort Wmo voorzieningen Omdat de uitvoering van de Wmo-voorzieningen (woonvoorzieningen, vervoersvoorzieningen, rolstoelen) een openeinde regeling betreft, bestaat het risico dat het beschikbare budget wordt overschreden. Dit risico is ingeschat op maximaal 10% van het budget voor Wmo-voorzieningen. Schade aan wegen als gevolg van omleidingen en sluiproutes Door reconstructies aan wegen kunnen schades ontstaan aan die wegen die worden aangewezen als omleidingsroute bij deze werkzaamheden. Daarnaast worden wegen ook gebruikt door sluipverkeer omdat het verkeer naast de omleidingsroutes haar eigen weg kiest. Met deze mogelijke schades is geen rekening gehouden in de begroting maar vormt wel een risico. Vorst en dooischade Jaarlijks is er financieel ruimte voor het uitvoeren van onderhoud aan wegen, verhardingen en kunstwerken.

In de begroting is geen rekening gehouden met mogelijke schades als gevolg van een dergelijke weersomstandigheden. Die hebben zich tot op heden nog niet voorgedaan, maar vormen wel een risico. 79

2.2.4 Weerstandsvermogen Op basis van de weerstandscapaciteit en de verwachte risico’s kan een uitspraak worden gedaan over het weerstandsvermogen. Het weerstandsvermogen is het vermogen van de gemeente om financiële tegenvallers op te kunnen vangen zonder dat de normale bedrijfsvoering wordt aangetast. Het weerstandsvermogen bestaat uit de relatie tussen de beschikbare weerstandscapaciteit (de middelen waarover de gemeente kan beschikken om niet begrote kosten die onverwachts en substantieel zijn te dekken) en de benodigde weerstandscapaciteit (de risico’s waarvoor geen voorzieningen of verzekeringen zijn afgesloten). Deze relatie kan op een eenvoudige wijze in de volgende vergelijking worden weergegeven. Ratio weerstandsvermogen =

Beschikbare weerstandscapaciteit Benodigde weerstandscapaciteit (risico’s)

De ratio voor het weerstandsvermogen is als volgt gecategoriseerd. Situatie

Ratio weerstandsvermogen

Betekenis weerstandsvermogen

A

X > 2,0

Hoog

B

1,5 < X < 2,0

Ruim voldoende

C

1,0 < X < 1,5

Voldoende

D

0,5 < X < 1,0

Onvoldoende

E

X < 0,5

Ruim onvoldoende

De ratio weerstandsvermogen is berekend op € 17.805.000 / € 3.895.000 = 4,57 Dit is te categoriseren als hoog. De ratio van het weerstandsvermogen is voor 2023 berekend op 4,57. Zoals ook bij de eerder genoemde uitgangspunten is aangegeven, is bij de berekening van benodigde weerstandscapaciteit rekening gehouden met zowel incidentele als structurele risico’s. Hierdoor heeft het benodigde weerstandsvermogen ook een meerjarig karakter voor de komende 4 jaar. Dit zal vervolgens jaarlijks bij de zomernota en begroting worden bijgesteld met de inzichten op dat moment. De stijging ten opzichte van de ratio, zoals die voor het jaar 2023 was berekend in de Zomernota 2022 (4,35), is het gevolg van een stijging van de weerstandscapaciteit met € 136.000 en een daling van de risico’s met € 171.000. De stijging van de weerstandscapaciteit is met name het gevolg van: 1. Een daling van de algemene reserve met € 319.000 als gevolg van de onttrekking van het saldo van de Najaarsnota 2022. 2. Een stijging van de algemene reserve van het grondbedrijf met € 601.000 en een daling van de reserve Borchwerf II met € 200.00. Voor een nadere toelichting zie de paragraaf Grondbeleid. 3. Een daling van het begrotingssaldo 2023 met € 482.000. Voor een toelichting op de verschillende mutaties wordt verwezen naar de uiteenzetting financiële positie. 4.

Een stijging van de onbenutte belastingcapaciteit met € 537.000 vanwege de waardestijging van de woningen en de daling van het OZB-tarief voor woningen in 2023. De daling van de risico’s is het gevolg van de lagere inschatting van het risico op de stijging van de materiaalkosten op investeringen. In de begroting 2023 is nu een stelpost opgenomen om een stijging van de materiaalkosten met 15% op te kunnen vangen. Met het risico dat nu blijft staan kan een stijging van de materiaalkosten met nog eens 15% worden opgevangen.

80

2.2.5 Kengetallen Inleiding Het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten (BBV) schrijft voor dat gemeenten vijf kengetallen in de begroting en jaarrekening opnemen. Door middel van deze kengetallen kunnen raadsleden eenvoudiger zicht krijgen op de financiële positie van de gemeente. Sinds de begroting 2016 zijn op grond van de voorschriften uit het BBV de volgende kengetallen in de begroting en de jaarrekening opgenomen: 1. netto schuldquote & de netto schuldquote gecorrigeerd voor alle verstrekte leningen; 2. de solvabiliteitsratio; 3. kengetal grondexploitaties; 4. de structurele exploitatieruimte; 5. en de belastingcapaciteit. Deze kengetallen beogen, in onderlinge samenhang, een bijdrage te leveren aan het inzicht in de financiële positie van de gemeente. Juist de onderlinge samenhang en het verloop gedurende meerdere jaren biedt het verlangde inzicht. Daarom is niet zinvol om op basis van één enkel kengetal conclusies te trekken. Kengetallen en de signaleringswaarde De kengetallen zijn primair bedoeld als instrument voor de raad en worden niet gebruikt als extra normeringsinstrument in het kader van het financieel toezicht door de provincies of het Rijk.

De gezamenlijke provinciale toezichthouders hebben echter geconstateerd dat het financiële beeld dat uit de kengetallen naar voren komt, voor de toezichthouder ook belangrijk is voor het inzicht in de financiële positie van de gemeente. Er is door de toezichthouders daarom besloten om voor het verkrijgen van een goed beeld, aan te sluiten bij de signaleringswaarden die afkomstig zijn uit onder meer de stresstest voor 100.000⁺ gemeenten. In de tabel hieronder is te zien welke waarden bij welke categorie (A, B of C) behoren. Categorie A is het minst risicovol en categorie C het meest risicovol. Kengetal

Categorie A

Categorie B

Categorie C

1a

Netto schuldquote

< 90%

90 - 130%

> 130%

1b

Netto schuldquote gecorrigeerd voor alle verstrekte leningen

< 90%

90 - 130%

> 130%

2

Solvabiliteitsratio

> 50%

20 - 50%

< 20%

3

Structurele exploitatieruimte

Begroting > 0%

Begroting 0%

Begroting < 0%

4

Grondexploitatie

< 20%

20 - 35%

> 35%

5

Belastingcapaciteit

< 95%

95 - 105%

> 105%

81

De volgende tabel laat de kengetallen zien vanaf de Jaarrekening 2021. Verloop van de kengetallen Verplichte kengetallen:

Jaarrekening 2021

Begroting 2022

Begroting 2023

Begroting 2024

Begroting 2025

Begroting 2026

Netto schuldquote

71,20%

102,91%

115,55%

120,38%

116,85%

117,16%

Netto schuldquote gecorrigeerd voor alle verstrekte leningen

68,71%

100,03%

113,25%

118,26%

114,76%

115,06%

Solvabiliteitsratio

19,36%

13,96%

12,69%

13,10%

14,13%

13,66%

Structurele exploitatieruimte

3,81%

1,76%

1,38%

2,58%

4,11%

1,02%

Grondexploitatie

5,73%

5,40%

2,73%

3,54%

0,79%

0,00%

Belastingcapaciteit

102,46%

101,35%

94,30%

101,64%

106,89%

110,93%

Als deze ontwikkeling wordt afgezet tegen de signaalwaarden ontstaat het volgende beeld: Indeling volgens signaleringswaarde

2023

2024

2025

2026

Netto schuldquote

B

B

B

B

Netto schuldquote gecorrigeerd voor alle verstrekte leningen

B

B

B

B

Solvabiliteitsratio

C

C

C

C

Structurele exploitatieruimte

A

A

A

A

Grondexploitatie

A

A

A

A

Belastingcapaciteit

A

B

C

C

Toelichting kengetallen Netto schuldquote en netto schuldquote gecorrigeerd voor alle verstrekte leningen De netto schuldquote geeft inzicht in het niveau van de schuldenlast van de gemeente ten opzichte van de eigen middelen. Hierbij geldt: hoe hoger de schuld, hoe hoger de netto schuldquote. Het geeft hiermee een indicatie in welke mate de rentelasten en aflossingen op de exploitatie drukken. Een hoge netto schuldquote hoeft op zichzelf geen probleem te zijn. Of dat het geval is, valt niet direct af te leiden uit de netto schuldquote zelf, maar hangt af van meerdere factoren. Zo kan een hoge schuld worden veroorzaakt doordat er leningen zijn afgesloten en die gelden vervolgens zijn doorgeleend aan andere partijen, die op hun beurt weer jaarlijks aflossen. In dat geval hoeft een hoge schuld geen probleem te zijn. Om inzicht te verkrijgen in hoeverre er sprake is van doorlenen, wordt de netto schuldquote zowel in- als exclusief doorgeleende gelden weergegeven (netto schuldquote gecorrigeerd voor alle verstrekte leningen). Op die manier wordt duidelijk wat het aandeel van de verstrekte leningen in de exploitatie is en ook wat dat betekent voor de schuldenlast. De provincie hanteert een signaalwaarde van 90%. Er blijft dan weinig leencapaciteit over om tegenvallers op te vangen. Een waarde van 130% wordt in beginsel aangegeven als kritische grens.

Boven die grens is sprake van een zeer hoge schuld en kan de houdbaarheid van de gemeentefinanciën in gevaar zijn. De gemeente zou dan terughoudend moeten zijn met investeringen en voorraden bouwgrond en leningen moeten afbouwen. De schuldquotes laten een stijgende lijn zien als gevolg van de benodigde financiering voor het omvangrijke investeringsprogramma. Deze verwachting was al eerder aangegeven in de vorige bestuursrapportages en dat wordt in deze begroting nogmaals bevestigd. Daardoor bevinden de schuldquotes zich ruimschoots in categorie B. Op basis van de huidige begroting is er de komende vier jaar nauwelijks sprake van verbetering. 82

De solvabiliteitsratio De solvabiliteitsratio geeft inzicht in de mate waarin de gemeente (op langere termijn) in staat is aan zijn financiële verplichtingen te voldoen. Onder de solvabiliteitsratio wordt verstaan het eigen vermogen als percentage van het totale balanstotaal. Het eigen vermogen van de gemeente bestaat uit de reserves (zowel de algemene reserve als de bestemmingsreserves) en het resultaat uit het overzicht van baten en lasten. Voor de solvabiliteitsratio geldt: hoe hoger de solvabiliteitsratio, hoe groter de weerbaarheid van de gemeente. Een solvabiliteit van 100% zou inhouden dat de gemeente geen schulden heeft. De solvabiliteitsratio bevindt zich normaal gesproken in categorie B (tussen 20% en 50%). Een solvabiliteitsratio in categorie A (< 20%) geeft een scheefgroei in de verhouding eigen / vreemd vermogen aan. De solvabiliteitsratio laat in de begroting een structureel beeld zien in categorie C. Dit beeld komt grotendeels overeen met het beeld uit de begroting 2022. In 2024 en 2025 is een verbetering zichtbaar, waarna in 2026 de solvabiliteit weer wat terug zakt. Structurele exploitatieruimte Voor de beoordeling van de financiële positie is het ook van belang te kijken naar de structurele baten en structurele lasten. Structurele baten zijn bijvoorbeeld de algemene uitkering uit het gemeentefonds en de opbrengsten uit de onroerendezaakbelasting.

Dit kengetal geeft aan hoe groot de structurele exploitatieruimte is, doordat wordt gekeken naar de structurele baten en structurele lasten en deze worden vergeleken met de totale baten. Een positief percentage betekent dat de structurele baten toereikend zijn om de structurele lasten (waaronder de rente en aflossing van leningen) te dekken. De relevantie van dit kengetal voor de beoordeling van de financiële positie schuilt erin dat het van belang is om te weten welke structurele ruimte een gemeente heeft om de eigen lasten te dragen, of welke structurele stijging van de baten of structurele daling van de lasten daarvoor nodig is. De kengetallen moeten daarbij in samenhang worden bezien. Wanneer bijvoorbeeld de grondexploitatie er niet toe bijdraagt om de schuldpositie te verminderen en de structurele exploitatie ruimte negatief is, geeft het kengetal belastingcapaciteit inzicht in de mogelijkheid tot hogere baten. De structurele exploitatieruimte wordt bepaald door het saldo van de structurele baten en lasten en het saldo van de structurele onttrekkingen en toevoegingen aan reserves te delen door de totale baten en dit uit te drukken in een percentage. De structurele exploitatieruimte bevindt zich in de jaren 2023 – 2026 in categorie A. Dit geeft aan dat de structurele baten toereikend zijn om de structurele lasten te dekken.

In andere woorden: er is nog wat ruimte om een mogelijke stijging van de structurele lasten te dekken of een daling van de structurele baten op te vangen. Grondexploitatie In het verleden is gebleken dat grondexploitatie een forse impact kan hebben op de financiële positie van een gemeente. Indien gemeenten of provincies leningen hebben afgesloten om grond te kopen voor een (toekomstige) woningbouwproject hebben zij een schuld. Bij de beoordeling van een dergelijke schuld is het van belang om te weten of deze schuld kan worden afgelost wanneer het project wordt uitgevoerd. Van de opbrengst van de woningen kan immers de schuld worden afgelost. Het kengetal grondexploitatie geeft aan hoe groot de grondpositie (de waarde van de grond) is ten opzichte van de totale baten. Wanneer de grond tegen de prijs van landbouwgrond is aangekocht, loopt een gemeente relatief gering risico. Het is dus belangrijk om te kunnen beoordelen of er een reële verwachting is of grondexploitatie kan bijdragen aan de verlaging van de schuld. Staat de grond tegen een te hoge waarde op de balans en moet die worden afgewaardeerd, dan leidt dit tot een lager eigen vermogen en dus een lager solvabiliteitsratio. Voor de berekening van dit kengetal worden bouwgronden in exploitatie gedeeld door de totale baten uit de programmabegroting en uitgedrukt in een percentage.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://gemeenteraad.halderberge.nl/api/v1/meetings/539/documents/15752