Pagnevaartdreef Bosschenhoofd vastgesteld Bijlagen bij toelichting.pdf
Tekst van het document
drijvende waterweegbree, groenknolorchis, kruipend moerasscherm, zomerschroeforchis
Zoogdieren
bever, hamster, hazelmuis, lynx, Noordse woelmuis, otter, wolf, wilde kat
Walvisachtigen
bruinvis, bultrug, butskop (hille), dwergpotvis, dwergvinvis, gestreepte dolfijn, gewone dolfijn, gewone spitsdolfijn, gewone vinvis, griend, grijze dolfijn, kleine zwaardwalvis, narwal, Noordse vinvis, orka, potvis, spitsdolfijn van Gray, tuimelaar, walrus witflankdolfijn, witsnuitdolfijn, witte dolfijn
Vleermuizen
Bechsteins vleermuis, bosvleermuis, Brandts vleermuis, franjestaart, gewone baardvleermuis, gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, grijze grootoorvleermuis, grote hoefijzerneus, grote rosse vleermuis, ingekorven vleermuis, kleine dwergvleermuis, kleine hoefijzerneus, laatvlieger, meervleermuis, mopsvleermuis, Noordse vleermuis, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis, tweekleurige vleermuis, vale vleermuis, watervleermuis
Amfibieën
boomkikker, geelbuikvuurpad, heikikker, kamsalamander, knoflookpad, poelkikker, rugstreeppad, vroedmeesterpad childpad, zandhagedis
Reptielen Vissen
houting, steur
Vlinders
apollovlinder, boszandoog, donker pimpernelblauwtje, grote vuurvlinder, moerasparelmoervlinder, monarchvlinder, pimpernelblau wtje, teunisbloempijlstaart, tijmblauwtje, zilverstreephooibeestje
Libellen
bronslibel, gaffellibel, gevlekte witsnuitlibel, groene glazenmaker, mercuurwaterjuffer, Noordse winterjuffer, oostelijke wit snuitlibel, rivierrombout, sierlijke witsnuitlibel
Insecten
brede geelrandwaterroofkever, gestreepte waterroofkever, heldenbok, juchtleerkever, oeveraas, vermiljoenkever
Overig
Bataafse stroommossel, platte schijfhoren
R 14400.004 versie D1
Artikel 3.5. In het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn appelvink, baardman, beflijster, bergeend, bergfluiter, bijeneter, blauwborst, blauwe kiekendief, boerenzwaluw, bontbekplevie r, bonte strandloper, bonte vliegenvanger, boomklever, boomkruiper, boompieper, boomvalk, bosrietzanger bosruiter, bosuil, braamsluiper, brandgans, bruine arie, fitis, fluiter, geelgors, gekraagde roodstaart, gele kwikstaart, geoorde fuut, glanskop, goudhaan, grasmus, graspieper, graszanger, grauwe kiekendief, grauwe klauwier, grauwe vliegenvanger, griel, groene specht, groenling, grote bonte specht, grote gele kwikstaart, grote karekiet, grote stern, grote zilverreiger, havik, heggenmus, hop, huiszwaluw, ijsvogel, kerkuil, klapekster, klein waterhoen, kleine barmsijs, kleine bonte specht, kleine karekiet, kleine plevier, kleine zilverreiger, kleinst waterhoen, kluut, kneu, koolmees, koereiger, kraanvogel, krekelzanger, kortsnavelboomkruiper, kruisbek, kuifmees, kwak, kwartelkoning, lepelaar, matkop, middelste bonte specht, nachtegaal, Noordse stern, oehoe, oeverloper, oeverpieper, oeverzwaluw, ooievaar, orpheusspotvogel, paapje, pestvogel, pimpelmees, poelruiter, porseleinhoen, purperreiger, putter, ransuil, rietgors, rietzanger, rode wouw, roerdomp, roodborst,
roodborsttapuit, roodhalsfuut, rouwkwikstaart, sijs, s langenarend, slechtvalk, smelleken, snor, sperwer, spotvogel, sprinkhaanzanger, steenuil, steltkluut, strandplevier, taigaboomkruiper, tapuit, tjiftjaf, torenvalk, tuinfluiter, velduil, visarend, visdief, vuurgoudhaan, wespendief, wielewaal, winterkoning, witbandkruisbek, witte kwikstaart, witwangstern, nachtzwaluw, woudaap, zeearend, zwarte mees, zwarte ooievaar, zwarte roodstaart, zwarte specht, zwarte stern, zwarte wouw, zwartkop, zwartkopmeeuw
Vogels
Tabel V. Verbodsbepalingen en toelichting Artikel 3.10 Wet natuurbescherming Artikel 3.10. Andere soorten Het is verboden om: 1. 2. 3.
In het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, vlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A1, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen. De vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen. Vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B2, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
Toelichting Het gaat bij artikel 10 om in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, vlinders, libellen en kevers. Dieren zijn opgenomen in bijlage onderdeel A1. Planten zijn opgenomen in bijlage onderdeel B2 van de Wet natuurbescherming. Voor een aantal zoogdieren, amfibieen en reptielen geldt per provincie een vrijstelling onder bepaalde voorwaarden. Dit verschilt per provincie. De betreffende soorten zijn aangegeven met een sterretje. Daarnaast is op het landelijke. Soorten Dieren
Planten
Zoogdieren
aardmuis*, boommarter, bosmuis*, bunzing*, damhert, das, dwergmuis*, dwergspitsmuis*, edelhert, eekhoorn*, egel*, ei kelmuis, gewone bosspitsmuis*, gewone zeehond, grote bosmuis, grijze zeehond, haas*, hermelijn*, huisspitsmuis*, konijn*, molmuis, ondergrondse woelmuis*, ree*, rosse woelmuis*, steenmarter*, tweekleurige bosspitsmuis*, veldmuis*, veldspitsmuis, vos*, waterspitsmuis, wezel*, wild zwijn, woelrat*
Amfibieën
Alpenwatersalamander, bruine kikker*, gewone pad*, kleine watersalamander*, meerkikker*, middelste groene kikker*, vinpootsalamander, vuursalamander
Reptielen
adder, hazelworm*, levendbarende hagedis*, ringslang
Vissen
beekdonderpad, beekprik, elrits, gestippelde alver, grote modderkruiper, kwabaal
vlinders
aardbeivlinder, bosparelmoervlinder, bruin dikkopje, bruine eikenpage, donker pimpernelblauwtje, duinparelmoervlinder, gentiaanblauwtje, grote parelmoervlinder, grote vos, grote vuurvlinder, grote weerschijnvlinder, iepenpage, kleine heivlinder, kleine ijsvogelvlinder, kommavlinder, pimpernelblauwtje, sleedoornpage, spiegeldikkopje, veenbesblauwtje, veenbesparelmoervlinder, veenhooibeestje, veldparelmoervlinder, zilveren maan
Libellen
beekrombout, bosbeekjuffer, donkere waterjuffer, gevlekte glanslibel, gewone bronlibel, hoogveenglanslibel, Kempense heidelibel, speerwaterjuffer
Overige soorten
Europese rivierkreeft, vliegend hert
akkerboterbloem, akkerdoornzaad, akkerogentroost, beklierde ogentroost, berggamander, bergnachtorchis, blaasvaren, blauw guichelheil, bokkenorchis, bosboterbloem, bosdravik, brave hendrik, brede wolfsmelk, breed wollegras, bruinrode wespenorchis, dennenorchis, dreps, echte gamander, franjegentiaan, geelgroene wespenorchis, geplooide vrouwenmantel, getande veldsla, gevlekt zonneroosje, glad biggenkruid, gladde zegge, groene nachtorchis, groensteel, groot spiegelklokje, grote bosaardbei, grote leeuwenklauw, honingorchis, kalkboterbloem, kalketrip, karthuizeranjer, karwijselie, kleine ereprijs, kleine schorseneer, stijve wolfsmelk, kleine wolfsmelk, kluwenklokje, knollathyrus, knolspirea, korensla, kranskarwij, kruiptijm, lange zonnedauw, liggende ereprijs, moerasgamander, muurbloem, naakte lathyrus, naaldenkervel, pijlscheefkalk, roggelelie, rood peperboompje, rozenkransje, ruw parelzaad, scherpkruid, schubvaren, schubzegge, smalle raai, spits havikskruid, steenbraam
R 14400.004 versie D1
Volgens artikel 3.31 zijn de verboden, bedoeld in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd overeenkomstig een door het Ministerie van Economische Zaken goedgekeurde gedragscode en die plaatsvinden in het kader van bestendig beheer, bestendig gebruik, of ruimtelijke ontwikkeling of inrichting. Houtopstanden De bescherming van houtopstanden onder conform hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming heeft als doel om het aanwezige areaal bos in Nederland te behouden. Onder houtopstanden vallen alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van tien are of meer of rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat. Binnen de Wet natuurbescherming zijn op houtopstanden de artikelen van toepassing die zijn opgenomen in tabel VI. Tabel VI.
Bescherming houtopstanden in de Wet natuurbescherming
Artikel 4.1
De artikelen uitgezonderd artikel 4.6 zijn niet van toepassing op: a) Houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; b) Houtopstanden op erven of in tuinen; c) Fruitbomen en windschermen om boomgaarden; d) Naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, indien niet ouder dan twintig jaar; e) Kweekgoed; f) Wegbeplantingen, beplantingen langs waterwagen en eenrijige beplantingen langs landbouwgronden bestaande uit wilgen en populieren; g) het dunnen van een houtopstand; h) uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: 1. ten minste eens per tien jaar worden geoogst; 2. bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en 3. zijn aangelegd na 1 januari 2013.
Artikel 4.2
1. Het is verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaande melding daarvan bij gedeputeerde staten. 3. Gedeputeerde staten kunnen het vellen van houtopstanden telkens voor ten hoogste vijf jaar verbieden ter bescherming van bijzondere natuur- of landschapswaarden.
Artikel 4.3 lid 1 en 2
Ingeval een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, of anderszins teniet is gegaan, draagt de rechthebbende zorg voor het op bosbouwkundig verantwoorde wijze herbeplanten van dezelfde grond binnen drie jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand. De rechthebbende vervangt binnen drie jaar na de herbeplanting, bedoeld in het eerste lid, herbeplanting die niet is aangeslagen.
Artikel 4.4 lid 1
De artikelen 4.2, eerste en derde lid, en 4.3, eerste en tweede lid, zijn niet van toepassing op: het vellen van houtopstanden en herbeplanten op een wijze die is beschreven in en aantoonbaar wordt gerealiseerd overeenkomstig een door Onze Minister goedgekeurde gedragscode. het vellen van houtopstanden ter uitvoering van een instandhoudingsmaatregel of een passende maatregel in het kader van natuurontwikkeling en -beheer
Artikel 4.5
R 14400.004 versie D1
Gedeputeerde staten kunnen ontheffing verlenen van artikel 4.3, eerste en tweede lid, ten behoeve van herbeplanting op andere grond, indien de herbeplanting voldoet aan bij provinciale verordening gestelde regels.
Bijlage 2
Verklarende woordenlijst
Externe werking Niet alleen activiteiten in een Natura 2000-gebied/NNN hebben invloed op de staat van instandhouding van het gebied, ook activiteiten buiten het gebied kunnen de natuurwaarden in een gebied beïnvloeden. Dit wordt "externe werking" genoemd. Er bestaat geen ruimtelijke grens voor externe werking: bepalend zijn de effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van de soorten en habitattypen in het Natura 2000-gebied/NNN, ongeacht de afstand tot het beschermde gebied. Expert Judgement Inschatting van een deskundige op grond van zijn kennis en ervaring. Foerageerhabitat Het gebied waarbinnen een soort voedsel zoekt. Foerageren Zoeken en vinden van voedsel door dieren (jachtgebied). Functioneel leefgebied Hiermee wordt het gebied dat is benodigd om de functionaliteit van een voortplantingsplaats of van een vaste- rust of voortplantingsplaats te behouden. Een nestlocatie of voortplantingsplaats kan bijvoorbeeld alleen succesvol functioneren, wanneer er voldoende habitat (schuilgelegenheid, voedsel etc.) van voldoende kwaliteit aanwezig is om te kunnen paren, eieren te leggen en jongen groot te brengen. Gunstige staat van instandhouding Er is sprake van een gunstige staat van instandhouding van een soort of habitattype als de omstandigheden waarin de soort of het habitattype voorkomt perspectief bieden op een duurzaam voortbestaan van die soort of dat habitattype.
Habitat Omvat de plaatsen waar een bepaald organisme voorkomt doordat de abiotische en biotische factoren (niet levende en levende natuur) van die plaatsen voldoen aan de eisen en toleranties die het organisme stelt om te kunnen overleven, groeien en zich voortplanten. Kraamverblijfplaats Voortplantingsplaats van vleermuizen. Het gaat hierbij vaak om de vrouwelijke exemplaren van een kolonie (ook wel kraamgroep genoemd) die gezamenlijk hun jongen grootbrengen. De aantallen vleermuizen in een kraamgroep kan oplopen tot meerdere honderden exemplaren. Landschappelijk inpassingsplan Het inpassen van ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied middels een ontwerp van de groenvoorziening, dat voldoet aan het beleid ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit. Hierdoor wordt zorg gedragen dat een ruimtelijke ontwikkeling past in het landschap. Landhabitat Amfibieën zijn voor de voortplanting afhankelijk van water. Buiten de voortplantingsperiode maakt de soortgroep gebruik van landhabitat als onderdeel van het leefgebied. Landhabitat voor amfibieën omvat onder andere structuurrijke of opgaande vegetatie zoals (loof)bos, houtwallen, struikgewas, heide, ruigtekruiden, vegetaties en moeras. Mitigerende maatregelen Maatregelen die negatieve effecten bij een ingreep voorkomen of reduceren.
Omgevingscheck Een omgevingscheck wordt uitgevoerd bij verlies van leefgebied van een jaarrond beschermde functie van een soort die door een ingreep (tijdelijk) verloren gaat. De omgeving van de ingreep wordt door een ter zake deskundige beoordeeld op aanwezigheid van voldoende alternatief leefgebied en/of potentiële verblijfplaatsen. Ontheffing De Wet natuurbescherming is bedoeld om planten- en diersoorten die vrij in het wild leven te beschermen. Om deze kwetsbare soorten te beschermen bevat de Wet natuurbescherming een aantal verbodsbepalingen. Onder bepaalde voorwaarden mogen de activiteiten wel doorgaan, daarvoor kan een ontheffing benodigd zijn. Een ontheffing is een besluit waarbij in een individueel concreet geval een uitzondering op een wettelijk verbod wordt gemaakt.
R 14400.004 versie D1
Paarverblijfplaats Dit is een verblijfplaats die hoofdzakelijk in het najaar (september/oktober) door vleermuizen worden gebruikt om te paren. Eén mannetje kan een dergelijke verblijfplaats met meerdere vrouwtjes delen. In de omgeving van de paarverblijfplaats wordt veelal door het territoriale mannetje middels baltsvluchten getracht vrouwtjes aan te lokken. Projectplan Een projectplan dient als begeleidend document voor een ontheffingsaanvraag. In het projectplan zijn maatregelen verwoord waarmee de functionaliteit van een rust- of voortplantingsplaats van een beschermde soort behouden blijft en schade aan individuen wordt voorkomen. Populatie Een biologische populatie is een groep individuen van dezelfde soort die zich onderling voortplant en als zodanig geïsoleerd is van andere zulke groepen. Rode Lijst Rode Lijsten laten zien welke soorten zijn verdwenen en welke soorten in een gebied sterk zijn achteruitgegaan of zeldzaam zijn. Er bestaan verschillende Rode Lijsten. Voor vogels, voor zoogdieren, planten, paddenstoelen, insecten en voor allerlei andere soortgroepen. Rode Lijsten hebben geen officiële juridische status. Plaatsing op de lijst maakt een dier dus nog geen 'beschermde diersoort' in de zin van de Wet natuurbescherming. De Rode Lijsten hebben in de praktijk wel een belangrijke signaleringfunctie.
Door de Rode Lijst te raadplegen, kunnen alle instellingen die met natuurbehoud te maken hebben rekening houden met bedreigde soorten. Significant negatief effect Een effect is in het kader van de Wet natuurbescherming significant als de instandhoudingsdoelen van het Natura 2000gebied dreigen te worden aangetast. Het begrip 'significant' staat centraal in de toepassing van het beschermingsregime voor Natura 2000-gebieden bij zowel vaststelling van beheerplannen als de vergunningverlening. Het bepaalt of een uitvoerige toetsing, een zogenaamde passende beoordeling, moet worden uitgevoerd. Indien als gevolg van een ingreep de toekomstige oppervlakte habitat of leefgebied, aantal van een soort of kwaliteit van een habitat lager zal worden dan zoals bedoeld in de instandhoudingsdoelstelling, dan kan sprake zijn van significante gevolgen. Voor het goede begrip, de soorten hoeven er niet te zitten, het gebied moet geschikt zijn voor de soorten. Voortplantingsplaats of rustplaats Een plek binnen het leefgebied van een soort die essentieel is voor de levenscyclus van een individu. De Wet natuurbescherming omschrijft niet exact wat een vaste rust- of voortplantingsplaats is. Dit is soortafhankelijk. Vliegroute Een vaste route die door vleermuizen wordt gebruikt tussen de verblijfplaatsen naar foerageergebieden.
Winterverblijfplaats Verblijfplaats die gebruikt wordt om de periode van winterrust te overbruggen. Voor vleermuizen zijn dit vorstvrije, maar koele en vochtige plekken. Er kans sprake zijn van massaverblijfplaatsen, verblijfplaatsen van kleine groepen of één of enkele individuen. Zomerverblijfplaats Buiten de kraamperiode worden deze door groepjes vrouwtjes en jongen gebruikt, in de kraamperiode door individuele mannetjes.
R 14400.004 versie D1
Bijlage 2 Effecten op NNN-gebied
39
Nee-tenzij-toets Pagnevaartdreef 8 Bosschenhoofd In het kader van het Natuurnetwerk Nederland
1 Nee-tenzij-toets Pagnevaartdreef 8 Bosschenhoofd | RA22200-01
Colofon In opdracht van
Horsthuis Bouwmanagement
Contactpersoon
Krijn Horsthuis
Datum
15 december 2022
Kenmerk
RA22200-01
Aantal pagina’s
19
Status rapport
Concept
Contactpersoon
Benjamin Backx
Telefoonnummer
06 1511 4537
info@ecoassist.nl Backx, B.J.A., 2022. Nee-tenzij-toets Pagnevaartdreef 8
Wijze van citeren
Bosschenhoofd. In het kader van het Natuurnetwerk Nederland. Rapport RA22200-01. Eco Assist, Helmond.
Eco Assist B.V.
Eco Assist is lid van het Netwerk Groene Bureaus:
Wildenborchlaan 62
brancheorganisatie voor kwaliteitsverbetering en
5709 RR Helmond
belangenbehartiging
06 15 114 537 info@ecoassist.nl www.ecoassist.nl Eco Assist B.V. is niet aansprakelijk voor gevolgschade, alsmede voor schade welke voortvloeit ui t toepassingen van de resultaten van werkzaamheden of andere gegevens verkregen van Eco Assist; opdrachtgever vrijwaart Eco Assist voor aanspraken van derden in verband met deze toepassing. © copyright Eco Assist B.V. / Horsthuis Bouwmanagement Dit rapport is vervaardigd op verzoek van Horsthuis Bouwmanagement. Niets uit deze rapportage mag worden vermenigvuldigd of openbaar gemaakt worden zonder voorafgaand schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Eco Assist, noch mag he t zonder een dergelijke toestemming worden gebruikt voor enig ander werk dan waarvoor het is vervaardigd.
2 Nee-tenzij-toets Pagnevaartdreef 8 Bosschenhoofd | RA22200-01
Inhoudsopgave
COLOFON ..................................................................................................................................... 2 INHOUDSOPGAVE ......................................................................................................................... 3 1.
INLEIDING ............................................................................................................................. 5
1.1 AANLEIDING ............................................................................................................................ 5 1.2 DOEL ...................................................................................................................................... 5 2.
PLANGEBIED & INGREEP ........................................................................................................ 6
2.1 LOCATIE .................................................................................................................................. 6 2.2 BESCHRIJVING ......................................................................................................................... 6 2.3 VOORGENOMEN INGREEP ........................................................................................................ 6 3.
WET- EN REGELGEVING .......................................................................................................... 8
3.1.
ALGEMEEN ........................................................................................................................ 8
3.2.
INGREPEN BINNEN NATUURNETWERK NEDERLAND ............................................................. 8
3.3.
NATUURNETWERK NEDERLAND PROVINCIE NOORD-BRABANT ............................................. 9
3.4.
VERORDENING RUIMTE NOORD-BRABANT .........................................................................10
4.
WERKWIJZE ..........................................................................................................................11
5.
NEE-TENZIJ-TOETS ................................................................................................................12
5.1 HUIDIGE EIGENSCHAPPEN EN NATUURWAARDEN NNB ............................................................12 5.2 AMBITIE- EN BEHEERTYPE .......................................................................................................12 5.3 FLORA- EN FAUNA ..................................................................................................................14 5.4 ALTERNATIEVENAFWEGING ....................................................................................................15
3 Nee-tenzij-toets Pagnevaartdreef 8 Bosschenhoofd | RA22200-01
5.5 EFFECTBEOORDELING .............................................................................................................15 5.5.1 GELUID ...............................................................................................................................16 5.5.2 VERLICHTING .......................................................................................................................16 5.5.3 BETREDING .........................................................................................................................17 6.
CONCLUSIE ...........................................................................................................................18
7.
BRONNEN ............................................................................................................................19
7.1 RAPPORTAGES & BOEKEN .......................................................................................................19 7.2 WEBSITES ..............................................................................................................................19
4 Nee-tenzij-toets Pagnevaartdreef 8 Bosschenhoofd | RA22200-01
1. Inleiding 1.1 Aanleiding Horsthuis Bouwmanagement BV is bezig met de voorbereidingen om op een perceel in Bosschenhoofd twee nieuwe woningen te realiseren. Uit een ecologische quickscan uitgevoerd door Econsultancy (Zwartjes, 2020) is gebleken dat hierbij mogelijk negatieve effecten optreden op het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Hierdoor is het noodzakelijk om in het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) een Nee-tenzij-toets uit te voeren. Eco Assist heeft deze toets uitgevoerd in opdracht van Horsthuis Bouwmanagement.
1.2 Doel Deze nee-tenzij-toets beantwoord de volgende vragen: Is er sprake van significant negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN ten gevolge van de ingreep? Is een vervolgstap in de vorm van het opstellen van een compensatiepl an noodzakelijk om nadelige gevolgen van de ingreep op de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN te voorkomen?
5 Nee-tenzij-toets Pagnevaartdreef 8 Bosschenhoofd | RA22200-01
2. Plangebied & ingreep 2.1 Locatie Het plangebied is gelegen aan de Pagnevaartdreef 8 in Bosschenhoofd (Noord-Brabant). (Noord-Brabant). In Figuur 1 is de begrenzing van het plangebied weergegeven.
Figuur 1. Ligging van het plangebied, met de begrenzing in rood weergegeven. Bron ondergrond: OpenStreetMap, 2022.
2.2 Beschrijving Het plangebied bestaat uit een onbebouwd perceel bestaande uit grasland met zomereiken en beuken. Aan de randen bestaat het plangebied voornamelijk uit beuken met een ondergroei van klimop. Voor een nadere beschrijving van het plangebied en de directe omgeving daarvan verwijzen zijn naar de rapportage van de ecologische quickscan voor de ingreep (Zwartjes, 2020).
2.3 Voorgenomen ingreep Het voornemen is om het perceel om te vormen tot twee bouwkavels waarop bij beiden een woning gerealiseerd wordt met bijbehorende tuin. Daartoe worden vrijwel alle bomen en de overige vegetatie verwijderd om het gebied bouwrijp te maken. Een impressie van de voorgenomen ingreep is weergegeven in Figuur 3.
6 Nee-tenzij-toets Pagnevaartdreef 8 Bosschenhoofd | RA22200-01
Figuur 2. Planschets toekomstige inrichting plangebied. Bron: Dhondt.
7 Nee-tenzij-toets Pagnevaartdreef 8 Bosschenhoofd | RA22200-01
3. Wet- en regelgeving 3.1. Algemeen Het Natuurnetwerk Nederland is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. De volgende gebieden vallen onder het NNN: bestaande natuurgebieden, waaronder de twintig Nationale Parken; gebieden waar nieuwe natuur wordt aangelegd; landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; ruim zes miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de kustzone van de Noordzee en de Waddenzee; alle Natura 2000-gebieden. De provincies zijn verantwoordelijk voor het NNN op land. Het Rijk is verantwoordelijk voor het NNN van de grote wateren. De Wet ruimtelijke ordening (Wro) is de basis voor de vaststelling van het ruimtelijke beleid op rijks-, provinciaal en gemeentelijk niveau, waarbij plannen van een hogere overheid doorwerken naar lagere overheden. Het NNN en de bescherming hiervan is geborgd in de provinciale Verordening Ruimte (inclusief omgevingsplannen) en de landelijke Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR). Begrenzingen en doelen en/of doelsoorten verschillen per provincie, maar zijn altijd geheel of gedeeltelijk vastgelegd in provinciale omgevingsplannen en verordeningen. Deze zijn bindend voor het vaststellende bestuursorgaan: gemeenten dienen de bescherming vast te leggen in hun bestemmingsplannen.
3.2. Ingrepen binnen Natuurnetwerk Nederland De wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN mogen niet door een ingreep worden aangetast. Alle (mogelijke) effecten van een voorgenomen ingreep moeten daarop dan ook worden getoetst. Middels een effecttoets dient een ruimtelijke ontwikkeling binnen het NNN onderzocht te worden op de effecten die de ingreep heeft op de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN. Met de resultaten van het onderzoek wordt een analyse gemaakt van de invloed die de ruimtelijke ingreep mogelijk kan hebben op het NNN. Voor ing repen binnen
8 Nee-tenzij-toets Pagnevaartdreef 8 Bosschenhoofd | RA22200-01
het NNN geldt het 'nee, tenzij'-principe. Voor het NNN betekent dit dat nieuwe projecten worden getoetst volgens het 'nee, tenzij'-regime. Een project dat de natuur significant (te veel) aantast, mag niet worden toegestaan in het bestemmingsplan (nee), tenzij: het een groot openbaar belang dient; er geen alternatieven zijn buiten de betreffende natuur. Voor ingrepen die aantoonbaar aan de criteria voldoen geldt het vereiste dat de nadelige gevolgen worden gemitigeerd en resterende schade wordt gecompenseerd. Voor meer informatie over het NNN en het toetsingskader wordt verwezen naar de website van de Rijksoverheid (http://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/natuur -enbiodiversiteit/natuurnetwerk-nederland).
3.3. Natuurnetwerk Nederland provincie Noord-Brabant De provincie Noord-Brabant, waarbinnen het plangebied valt, geeft invulling aan het NNN en is daartoe het Bevoegd Gezag. Het NNN wordt binnen de provincie Noord-Brabant benoemd als Natuurnetwerk Brabant (NNB). Het is een netwerk van deels bestaande en deels nieuwe natuurgebieden die door ecologische verbindingszones met elkaar verbonden zijn. Hierdoor kunnen dieren zich makkelijker verplaatsen tussen verschillende natuurgebieden. Zo wordt de biodiversiteit (het totaal van en de variatie in planten en dieren) bevorderd. Het beleid voor het natuurbeheer, landschapsbeheer en agrarisch natuurbeheer is vastgelegd in het Natuurbeheerplan Noord-Brabant 2023. Op de interactieve kaart van het natuurbeheerplan (te raadplegen is via de website van de provincie) is het NNB te zien. De concrete ambities staan beschreven in het natuurbeheerplan. Hierin staan 2 kaarten: de beheertypekaart en de ambitiekaart. De beheertypekaart laat zien hoe natuur en landschap in Noord-Brabant er nu voor staan. En de ambitiekaart geeft aan hoe zij eruit moeten gaan zien. Wanneer nadelige gevolgen van een ingreep of activiteit op de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNB niet voorkomen kunnen worden dient er compensatie plaats te vinden conform de regels voor natuurcompensatie zoals opgenomen in de Verordening Ruimte van de provincie.
9 Nee-tenzij-toets Pagnevaartdreef 8 Bosschenhoofd | RA22200-01
3.4. Verordening ruimte Noord-Brabant De regels voor natuurcompensatie ten gevolge van aantasting van het Natuurnetwerk Nederland liggen vast in de Verordening Ruimte. De beleidsregels voor natuurcompensat ie uit de Verordening Ruimte moeten ervoor zorgen dat er bij onontkoombare aantastingen van natuur- en landschapswaarden geen "netto verlies" aan waarden optreedt. Voor een nadere toelichting en uitwerking van regels voor natuurcompensatie verwijzen wij na ar de Verordening Ruimte Noord- Brabant.
10 Nee-tenzij-toets Pagnevaartdreef 8 Bosschenhoofd | RA22200-01
4. Werkwijze Om te komen tot een volledige effecttoets zijn de volgende stappen doorlopen: 1.
Op 26 oktober 2022 werd het plangebied en door ecoloog Benjamin Backx MSc. bezocht. Hierbij werden de in het plangebied aanwezige ruimtelijke structuren en habitats geïnventariseerd.
2.
Het afwegingskader van het Natuurnetwerk Brabant (NNB) van de provincie Noord-Brabant is doorlopen, waarbij gekeken is naar de mogelijke effecten die de ingreep heeft op de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNB.
3.
Er wordt aangegeven of in het kader van het Natuurnetwerk Nederland nog nadere stappen nodig zijn.
11 Nee-tenzij-toets Pagnevaartdreef 8 Bosschenhoofd | RA22200-01
5. Nee-tenzij-toets 5.1 Huidige eigenschappen en natuurwaarden NNB Het plangebied ligt op een afstand van enkele meters van de grens van het NNB (zie Figuur 3). De nabijgelegen delen van het NNB liggen op een afstand van 7 tot 11 meter van de grens van het plangebied.
Figuur 3. Ligging van het plangebied, met de begrenzing in rood aangegeven. De begrenzing van het NNB is met oranje weergegeven. Bron ondergrond: PDOK, 2022. Erg mooi plaatje
Het NNB bestaat rondom het plangebied uit droge bossen met ook grotendeels volgroeide bomen voornamelijk bestaande uit zomereik, beuk, esdoorn, acacia en enkele sparren. Met plaatselijk soorten als klimop en laurierkers. De ondergroei is door een dikke strooisellaag maar in beperkte mate aanwezig en heeft geen bijzondere floristische waarden. De smalle strook NNB grenzend aan de Pagnevaardreef bestaat voornamelijk uit een beukenhaag met enkele jonge esdoorns en een bodem welke vrijwel volledig bedekt is me t klimop. Het gedeelte ten noorden van de Pagnevaardreef hoort bij het kerkhof. De delen ten oosten van het plangebied maken onderdeel van een particulier terrein waartoe het plangebied zelf momenteel ook nog toe behoort.
5.2 Ambitie- en beheertype In het Natuurbeheerplan Noord-Brabant 2023 zijn alle delen nabij het plangebied welke onderdeel uitmaken van het NNB zowel op de beheertypenkaart als de ambitiekaart opgenomen als type ‘N16.03 Droog bos met productie. (zie Figuur 4).
12 Nee-tenzij-toets Pagnevaartdreef 8 Bosschenhoofd | RA22200-01
Figuur 4. Gedeelte van het NNB nabij het plangebied met natuurbeheertype ‘N16.03 Droog bos met productie’ weergegeven met bruin. Bron: www.brabant.nl
N16.03 Droog bos met productie Droog bos met productie bestaat uit verschillende, veelal van oorsprong aangeplante, bosopstanden van den, (winter)eik, beuk, Douglas, lariks of fijnspar. De voedselarmere delen worden grotendeels gedomineerd door den, eik en beuk, op de wat rijkere bodems is er een hogere groei van beuk, Douglas, lariks en spar en heeft betere mengingsmogelijkheden. Dit bostype is de productievariant van het bostype dennen-, eiken- en beukenbos (zonder productie; 15.02). Het bostype komt voor op een voedselarme tot lemige, zandige, zure ondergrond van het Droge Zandlandschap zoals op de Veluwe, delen van Drenthe en Brabant. Lokaal is het bostype te vinden in het Heuvellandschap, kalkarme duinen en strandwallen. Het bostype is veelal uit hakhout, heide- en stuifzandterreinen ontstaan, maar kan ook aangelegd zijn op voormalige landbouwgronden waardoor de bovengrond verrijkt is.
13 Nee-tenzij-toets Pagnevaartdreef 8 Bosschenhoofd | RA22200-01
Het is het omvangrijkste bostype en combineert een redelijk tot goede groei met een ruime variatie aan en mengingsmogelijkheden van loof- en naaldboomsoorten, vooral op de wat lemigere bosgroeiplaatsen. Het maakt dit type tot het belangrijkste type voor de houtproductie. De diversiteit is (nog) relatief laag. Dit wordt onder andere veroorzaakt door de uniforme aanleg en beheer in het verleden, door de jonge leeftijd van de bossen en onvoldoende abiotische kwaliteit als gevolg van verzuring en vermesting. Oudere bossen en bossen op of grenzend aan oude bosgroeiplaatsen, hebben een relatief hoge natuurpotentie vooral wanneer deze een gevarieerde structuur met een substantieel aandeel zware bomen en dood hout hebben. De betekenis voor de biodiversiteit bestaat vooral uit (vaak bedreigde) paddenstoelen, korst- en bladmossen, enkele vaatplanten, insecten en broedvogels. Droog bos met productie kan bestaan uit meer lichtere bossen door (menging en van) den, lariks, eik en berk of meer donkere bossen (door mengingen) met beuk, Douglas en fijnspar. De armere delen blijven bij spontane ontwikkeling hoofdzakelijk een door dennen -, eiken en beuken gedomineerd bos. Op de wat rijkere delen leidt spontane ontwikkeling tot een bos waarin (combinaties van) beuk, Douglas, lariks of spar zullen gaan overheersen, vaak ten koste van den en eik.
Het bostype combineert productieve soorten en een substantieel aandeel kwaliteitsbomen. In de loop van tijd ontstaan, mede door het beheer beïnvloedt, verschillende ontwikkelingsfasen, een gevarieerde bosstructuur, een menging van boomsoorten en op de grond dood hout. Spontane ontwikkelingen leiden (de komende decennia) vaak naar een dichter, vrij eenvormig bos met natuurlijke verjonging van beperkte samenstelling en matige productiepotentie. Natuurlijke verstoringen zoals windworp hebben (vooralsnog) een beperkt effect hierop. De bedekking, samenstelling en doorgroeiperspectieven van loofbomen, struiken en struwelen worden sterk beperkt door de mate waarin herbivoren aanwezig zijn (edelhert, ree). Vaak is menselijk beheer, zoals kap, begrazingsbeheer en inbreng van strooiselverrijkende soorten (zie Droge bos variant zonder productie; 15.02), nodig om dynamiek, variatie en vestigingsmilieus te bevorderen. Met aanvullende bosverjongingsactiviteiten met primair lokaal gewenste inheemse boom - en struiksoorten wordt een nieuwe gewenste bosgeneratie van voldoende ecologische kwaliteit gerealiseerd.
5.3 Flora- en fauna Voor een uitgebreide beschrijving van de potentieel aanwezige beschermde flora - en fauna in het plangebied en de directe omgeving daarvan verwijzen wij naar de eerder uitgevoerde quickscan (Zwartjes, 2020). Hieruit blijkt dat de directe omgeving van het plangebied
14 Nee-tenzij-toets Pagnevaartdreef 8 Bosschenhoofd | RA22200-01
mogelijk onderdeel uitmaakt van het leefgebied van beschermde soorten, vinpootsalamander en Alpenwatersalamander. Bij het nader onderzoek naar landhabitat binnen het plangebied zijn deze soorten niet aangetroffen (Backx, 2022), maar mogelijk zijn zij wel aanwezig buiten het plangebied. Beschermde gebiedsfuncties van overige zwaarder en strikt beschermde soorten, zoals jaarrond beschermde nesten en verblijfplaatsen van vleermuizen, zijn niet aangetroffen binnen het plangebied en de verstoringszone van de ingreep. In de omliggende bospercelen behorende tot het NNB voor zover nabij het plangebied gelegen (100 m) is nog geen gevarieerde bosstructuur ontstaan, met veel dood hout en een weelderige struiklaag en bodemvegetatie. Daar waar vegetatie aanwezig is be staat deze nog uit algemene ruigtekruiden. De floristische waarde is daarmee laag en zeker niet bijzonder ten opzichte van andere droge productiebossen.
5.4 Alternatievenafweging De woningen worden ontwikkeld op eigen grond met als voordeel dat er geen nieuwe gronden verworven hoeven te worden. Binnen het perceel ligt de voorgenomen locatie het verste verwijderd van het NNB en het dichtste bij reeds bestaande woningen. Daarmee is er geen variant mogelijk binnen het perceel met minder effect op het NNB.
5.5 Effectbeoordeling Om te bepalen of er sprake is van negatieve effecten op het NNB optreden moet onderzocht worden of de ingreep niet leidt tot significante vermindering van de oppervlakte van de (natuur-)gebieden of de samenhang tussen deze gebieden. Daarnaast moet worden getoetst of effecten optreden op de ‘wezenlijke waarden en kenmerken’ van de bij het NNB gestelde natuurdoelen en natuurkwaliteit. Hierbij wordt gekeken naar de volgende natuurdoelen: Bestaande en potentiële waarden van het ecosysteem waaronder ook de bijbehorende vereiste omgevingsfactoren zoals donkerte, bodem, water en milieu. De robuustheid en de aaneen geslotenheid van het natuurnetwerk. De verbindingsfunctie van het gebied voor soorten en ecosystemen. De aanwezigheid van bijzondere soorten. Doordat het plangebied buiten het NNB gelegen is vinden er geen directe effecten zoals ruimtebeslag of versnippering plaats. Daarmee leidt de ingreep ook niet tot een aantasting van de robuustheid en de aaneen geslotenheid van het natuurnetwerk en d e verbindingsfunctie van het gebied voor soorten en ecosystemen. Mogelijk te verwachten
15 Nee-tenzij-toets Pagnevaartdreef 8 Bosschenhoofd | RA22200-01
negatieve effecten ten gevolge van externe werking zijn daarmee beperkt tot en toename in verstoring, wat een negatief effect kan hebben op de donkerte in het NNB en de aanwezigheid van bijzondere soorten. Deze effecten kunnen optreden ten gevolge van uitstraling van geluid, licht en extra betreding van het NNB. Deze mogelijke effecten worden in de onderstaande paragrafen nader toegelicht.
5.5.1 Geluid In de bestaande situatie maakt het plangebied onderdeel uit van de tuin van de woning aan het Patershof 3. In de nieuwe situatie wordt deze tuin in drieën gedeeld, waarbij twee delen de tuin van de nieuwe woningen gaan vormen en het resterende deel behouden blijft als tuin van Patershof 3. In de gebruiksfase zal het gebruik van het gebied niet significant afwijken van de huidige situatie. De nieuwe tuinen zijn verder van het NNB gelegen dan de bestaande tuin van Patershof 3. Bovendien zijn er in de bestaande situatie ook al woningen aanwezig die even ver of dichter bij het NNB gelegen zijn zoals de eerder genoemde woning aan het Patershof 3 en de woning aan de Pagnevaartdreef 1. Het gedeelte direct grenzend aan de Pagnevaartdreef ligt direct grenzend aan een vrij drukke autoweg. Dieren welke erg gevoelig zijn voor verstoring door geluid worden door de reeds aanwezige menselijke activiteit in het gebied niet verwacht in deze delen van het NNB. Het is daarmee niet te verwachten dat de ingreep leidt tot een significante toename in verstoring van het NNB ten opzichte van de huidige situatie. Door de werkzaamheden voor de bouw van de woningen treedt tijdelijk een verstoring op binnen het plangebied en de directe omgeving daarvan.
Doordat de werkzaamheden uitsluitend overdag plaatsvinden nabij een bestaande drukke weg en niet in het bosperceel zelf is deze verstoring in het NNB rondom het plangebied echter beperkt. Verstoring van nacht actieve dieren zal dierdoor niet optreden. Overdag is er door het vele verkeer maar ook door de reeds aanwezige woningen in het gebied al veel verstoring aanwezig waarmee dieren die hiervoor gevoelig zijn zich dan ophouden in andere rustigere delen van het bosperceel of in hun verblijfplaatsen. Hierdoor worden ook tijdens de aanlegfase geen significant negatieve effecten ten gevolge van een tijdelijke toename in geluid verwacht.
5.5.2 Verlichting Woningen worden in Nederland vrijwel altijd voorzien van verlichting. Uitstraling van verlichting naar omliggende delen van het NNB kan ertoe leiden dat nachtactieve dieren het gebied gaan vermijden. Dit beperkt de omvang van het leefgebied van deze soorten, maar beperkt bijvoorbeeld ook de functie van het NNB als ecologische verbindingszone. Daarnaast leidt kunstmatige verlichting tot negatieve effecten op plantengroei en een verstoring van 16 Nee-tenzij-toets Pagnevaartdreef 8 Bosschenhoofd | RA22200-01
het bioritme van dieren. Wanneer alle toegepaste verlichting echter zo aangebracht wordt dat deze uitsluitend het woonperceel zelf verlicht door deze goed te richten en uitstraling naar de omgeving wordt voorkomen door het toepassen van de juiste armaturen worden negatieve effecten op het NNB voorkomen. Doordat de bouwactiviteiten overdag plaatsvinden leiden deze niet tot extra lichtverstoring in het NNB.
5.5.3 Betreding Het NNB ten noorden van de Pagnevaardreef is momenteel onderdeel van de tuin van de naastgelegen woning, omheind door een hekwerk. De ingreep leidt niet tot extra betreding van dit gedeelte van het NNB omdat het niet toegankelijk is. De overige nabij gelegen delen van het NNB liggen op het perceel dat in de huidige situatie onderdeel uitmaakt van de tuin van Patershof 3 en in de toekomstige situatie toegankelijk zal zijn vanuit de tuin van de meest oostelijke nieuw te bouwen woning, maar niet langer vanuit het Patershof 3. De voorgenomen ingreep leidt daarmee niet tot een toename in betreding van het omliggende NNB.
17 Nee-tenzij-toets Pagnevaartdreef 8 Bosschenhoofd | RA22200-01
6. Conclusie De ingreep vindt niet plaats in het NNB. Ten gevolge van de ingreep vindt mogelijk een tijdelijke verstoring plaats in een beperkt gedeelte van het totale gebied dat onderdeel uitmaakt van het NNB op deze locatie. Alle delen van het NNB waar het plangebied nabij gelegen is zijn door de provincie Noord-Brabant bestemd op de beheertypenkaart en ambitiekaart als type ‘N16.03 Droog bos met productie’. Door de werkzaamheden overdag plaatsvinden in een gebied waar al veel menselijke activiteit aanwezig is blijft de verstoring binnen het NNB zeer beperkt. Als de verlichting beperkt blijft tot de bouwpercelen en niet uitstraalt naar het NNB zijn ook permanente effecten op het NNB niet te verwachten. Significant negatieve effecten van de ingreep op de wezenlijke waarden en kenmerken van het NNB zijn dan ook redelijkerwijs uitgesloten. Compensatie is dan ook niet noodzakelijk om negatieve effecten op het NNB te voorkomen.
18 Nee-tenzij-toets Pagnevaartdreef 8 Bosschenhoofd | RA22200-01
7. Bronnen 7.1 Rapportages & boeken Backx, B.J.A., 2022. Nader onderzoek amfibieën Pagnevaartdreef 8 Bosschenhoofd. Rapport RA22175-01. Eco Assist, Helmond. Zwartjes N., 2020. Rapportage quickscan Wet natuurbescherming Pagnevaartdreef te Bosschenhoofd. Rapportnummer 14400.004.
7.2 Websites www.brabant.nl www.kaartenbank.brabant.nl
19 Nee-tenzij-toets Pagnevaartdreef 8 Bosschenhoofd | RA22200-01
Bijlage 3 Nader onderzoek amfibieën
59
Nader onderzoek amfibieën Pagnevaartdreef 8 Bosschenhoofd In het kader van de Wet natuurbescherming
1 Nader onderzoek amfibieën Pagnevaardreef 8 Bosschenhoofd | RA22175-01
Colofon In opdracht van
Horsthuis Bouwmanagement
Contactpersoon
Krijn Horsthuis
Datum
3 november 2022
Kenmerk
RA22175-01
Aantal pagina’s
8
Status rapport
Concept
Contactpersoon
Benjamin Backx
Telefoonnummer
06 1511 4537
info@ecoassist.nl Backx, B.J.A., 2022. Nader onderzoek amfibieën
Wijze van citeren
Pagnevaartdreef 8 Bosschenhoofd. Rapport RA22175-01. Eco Assist, Helmond.
Eco Assist B.V.
Eco Assist is lid van het Netwerk Groene Bureaus:
Wildenborchlaan 62
brancheorganisatie voor kwaliteitsverbetering en
5709 RR Helmond
belangenbehartiging
06 15 114 537 info@ecoassist.nl www.ecoassist.nl Eco Assist B.V. is niet aansprakelijk voor gevolgschade, alsmede voor schade welke voortvloeit uit toepassingen van de resultaten van werkzaamheden of andere gegevens verkregen van Eco A ssist; opdrachtgever vrijwaart Eco Assist voor aanspraken van derden in verband met deze toepassing. © copyright Eco Assist B.V./ Horsthuis Bouwmanagement Dit rapport is vervaardigd op verzoek van Horsthuis Bouwmanagement. Niets uit deze rapportage mag worden vermenigvuldigd of openbaar gemaakt worden zonder voorafgaand schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Eco Assist, noch mag het zonder een dergelijke toestemming worden gebruikt voor enig ander werk dan waarvoor het is vervaardigd.
2 Nader onderzoek amfibieën Pagnevaardreef 8 Bosschenhoofd | RA22175-01
1.
Inleiding
1.1 Aanleiding Horsthuis Bouwmanagement is bezig met de voorbereidingen om op een perceel in Bosschenhoofd twee nieuwe woningen te realiseren. Uit een ecologische quickscan uitgevoerd door Econsultancy (Zwartjes, 2020) is gebleken dat in het plangebied nader onderzoek uitgevoerd moest worden naar de aanwezigheid van landhabitat van de Alpenwatersalamander en vinpootsalamander. Dit onderzoek is door Eco Assist uitgevoerd namens Horsthuis Bouwmanagement.
2.
Plangebied
2.1 Locatie Het plangebied is gelegen aan de Pagnevaartdreef 8 in Bosschenhoofd (Noord-Brabant). (Noord-Brabant). In Figuur 1 is de begrenzing van het plangebied weergegeven.
Figuur 1. Ligging van het plangebied, met de begrenzing in rood aangegeven. Bron ondergrond: OpenStreetMap, 2022. Een impressie van het plangebied (en de directe omgeving) gedurende het veldbezoek is weergegeven in de onderstaande foto’s.
3 Nader onderzoek amfibieën Pagnevaardreef 8 Bosschenhoofd | RA22175-01
4 Nader onderzoek amfibieën Pagnevaardreef 8 Bosschenhoofd | RA22175-01
5 Nader onderzoek amfibieën Pagnevaardreef 8 Bosschenhoofd | RA22175-01
3.
Werkwijze
3.1 Methode Het onderzoek was erop gericht om aan te tonen dan wel uit te sluiten dat er functioneel leefgebied van de Alpenwatersalamander en of vinpootsalamander aanwezig is binnen het plangebied in de vorm van landhabitat. Daartoe is op 26 oktober 2022 een veldonderzoek uitgevoerd door amfibieëndeskundige Benjamin Backx MSc. van Eco Assist. Tijdens het veldbezoek was het weer geschikt met een temperatuur van 17 ᵒC, droog met een zuiderwind van 2 Bft. Omdat er een koudere periode aan vooraf is gegaan is te verwachten dat een groot deel van de salamanders in Noord-Brabant zich al ophouden in hun landhabitat. Het onderzoek is overdag uitgevoerd in de in de optimale periode voor onderzoek naar het landbiotoop van Alpenwatersalamanders en vinpootsalamanders. Deze loopt namelijk van juni tot en met oktober. Daarbij is op aanwezige natuurlijke en onnatuurlijke maar geschikte schuilplaatsen gezocht naar de salamanders. Dit door te zoeken tussen de strooisellaag en middels het omkeren van stenen, hout en andere objecten waar de dieren onder weg kunnen kruipen. Dit doen zij in de regel tijdens deze periode om zich voor te bereiden op de overwintering en daarnaast om overdag vochtig te blijven en verscholen voor eventuele predatoren.
3.2 Volledigheid inventarisatie Voor de Alpenwatersalamander en vinpootsalamander bestaan er geen door de overheid opgestelde protocollen, zoals een kennisdocument. Voor deze soorten is daarom gebruik gemaakt van onderzoeksmethodes welke gebruikelijk zijn in het werkveld en breed gedragen worden binnen de adviesbureaus welke aangesloten zijn bij het Netwerk Groene Bureaus (NGB). Dit is vastgelegd in de soorteninventarisatieprotocollen van het NGB (Soortinventarisatieprotocollen in het kader van de Wet natuurbescherming, 2017). Een inventarisatie is altijd een steekproef gebaseerd op momentopnames. Daardoor is niet volledig uitgesloten dat soorten en functies die niet waargenomen werden gedurende het onderzoek op een ander tijdstip wel aanwezig zijn. Dit is acceptabel omdat de Wet natuurbescherming een initiatiefnemer vraagt te doen wat redelijkerwijs van hem verwacht kan worden. Met de gekozen methode en inspanning is voldoende invulling gegeven aan de Zorgplicht (paragraaf 1.11) van de Wet natuurbescherming. Wat betreft het vooronderzoek heeft de initiatiefnemer gedaan wat redelijkerwijs van hem verwacht kan worden.
6 Nader onderzoek amfibieën Pagnevaardreef 8 Bosschenhoofd | RA22175-01
4.
Resultaten
Tijdens het onderzoek zijn ondanks het gericht afzoeken van het plangebied en de directe omgeving daarvan geen Alpenwatersalamanders, vinpootsalamanders of andere strikt beschermde amfibieën aangetroffen. Binnen het plangebied zel f waren geschikte schuilplaatsen maar in beperkte mate aanwezig. Het grootste deel bestaat uit intensief beheerd kort gemaaid grasland en kale grond zonder schuilplaatsen. De randen met een strooisellaag waren beter geschikt. Een stapel houtstammetjes van gezaagde bomen en een hoopje met takken en stenen boden wel erg geschikte plekjes voor amfibieën om weg te kruipen. Ondanks dat alle stammen en stenen gekeerd zijn werden ook hier geen amfibieën aangetroffen.
5. Toetsing aan de Wet natuurbescherming 5.1 Effecten Binnen het plangebied zijn ondanks gericht zoeken door een ervaren amfibieëndeskundige in zijn geheel geen Alpenwatersalamanders of vinpootsalamanders aangetroffen. De aanwezigheid van functioneel landhabitat en overwinteringsplaatsen voor deze soorten is dan ook redelijkerwijs uitgesloten voor het plangebied. De voorgenomen ingreep leidt daarmee niet tot negatieve effecten op de strikt beschermde Alpenwatersalamander en vinpootsalamander.
5.2 Toets Wet natuurbescherming Binnen het plangebied zijn geen beschermde functies voor de Alpenwatersalamander en vinpootsalamander aanwezig. De voorgenomen ingreep leidt dan ook niet tot overtreding van de Wet natuurbescherming met betrekking tot deze soorten. Het is dan ook niet noodzakelijk vervolgstappen te nemen of maatregelen te treffen om effecten op Alpenwatersalamanders en vinpootsalamanders te voorkomen.
7 Nader onderzoek amfibieën Pagnevaardreef 8 Bosschenhoofd | RA22175-01
6.
Conclusie en aanbevelingen
6.1 Conclusie •
In het plangebied zijn geen Alpenwatersalamanders of vinpootsalamanders aangetroffen. De aanwezigheid van vaste rust- en verblijfplaatsen (overwinteringsplaatsen) en functioneel leefgebied voor deze soorten is dan ook redelijkerwijs uitgesloten binnen het plangebied.
•
Met de uitvoering van de ingreep wordt de Wet natuurbescherming niet overtreden met betrekking tot het verstoren, doden of verwonden van Alpenwatersalamanders of vinpootsalamanders of de aantasting van beschermde functies van het gebied voor deze soorten.
6.2 Aanbevelingen •
Bij de ingreep moet rekening gehouden worden met het broedseizoen van algemeen beschermde broedvogels (welke voor de meeste soorten loopt van maart tot en met augustus) om verstoring van broedende vogels en daarmee overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen. Daarnaast dient in het kader van de Algemene zorgplicht uit de Wet natuurbescherming bij het verwijderen van de vegetatie zorgvuldig gewerkt te worden om het onnodig doden en verwonden van dieren te voorkomen.
7.
Bronnen
Zwartjes N., 2020. Rapportage quickscan Wet natuurbescherming Pagnevaartdreef te Bosschenhoofd. Rapportnummer 14400.004. www.ngb.nl
8 Nader onderzoek amfibieën Pagnevaardreef 8 Bosschenhoofd | RA22175-01
Bijlage 4 Verkennend bodemonderzoek
68
VERKENNEND BODEMONDERZOEK PAGNEVAARTDREEF TE BOSSCHENHOOFD
Rapportage verkennend bodemonderzoek Pagnevaartdreef te Bosschenhoofd Opdrachtgever
Horsthuis Bouwmanagement BV Patershof 3 4744 GC Bosschenhoofd
Contactpersoon
Dhr. B. Horsthuis
Rapportnummer
14400.001
Versienummer
D1
Status
Eindrapportage
Datum
17 december 2020
Vestiging
Zuid-Holland Max Euwelaan 21-29 3062 MA Rotterdam 088 – 500 1600 rotterdam@econsultancy.nl
Opsteller
De heer Y. Boswinkel, MA
Paraaf Kwaliteitscontrole
Mevrouw ing. M.M.A. van Neerven
Paraaf
Kwaliteitszorg Econsultancy is lid van de Vereniging Kwaliteitsborging Bodembeheer (VKB). De VKB is een vereniging van bodemadviesen -onderzoeksbureaus en heeft als doel kwaliteitsborging en continue verbetering van de dienstverlening van haar leden op het gebied van bodembeheer. Het VKB keurmerk geeft opdrachtgevers de zekerheid dat het uitvoerend bureau werkt conform de eisen die de VKB aan haar leden stelt op het gebied van competenties en integriteit van medewerkers en het toepassen van vigerende normen en onderzoeksprotocollen. Econsultancy werkt volgens een dynamisch kwaliteits- en milieusysteem, zoals beschreven in het kwaliteits- en milieuhandboek. Ons kwaliteits- en milieusysteem is gecertificeerd volgens de eisen in de NEN-EN-ISO 9001 en NEN-EN-ISO 14001. Betrouwbaarheid Dit bodemonderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving. Een bodemonderzoek wordt in zijn algemeenheid echter uitgevoerd door het steekproefsgewijs bemonsteren van de bodem, waardoor het, op basis van de resultaten van een bodemonderzoek, onmogelijk is garanties af te geven ten aanzien van de milieuhygiënische bodemkwaliteit. Daarnaast betreft het bodemonderzoek een momentopname.
Econsultancy accepteert op voorhand geen aansprakelijkheid ten aanzien van mogelijke beslissingen die de opdrachtgever naar aanleiding van het door Econsultancy uitgevoerde bodemonderzoek neemt.
INHOUDSOPGAVE 1
INLEIDING .................................................................................................................................. 1
2
AFBAKENING ONDERZOEKSLOCATIE ................................................................................... 1
3
MILIEUHYGIËNISCH VOORONDERZOEK BODEM ................................................................. 2 3.1 3.2 3.3 3.4 3.5 3.6 3.7 3.8 3.9
Geraadpleegde bronnen ................................................................................................... 2 Historisch en huidig gebruik onderzoekslocatie ............................................................... 2 Toekomstige situatie ......................................................................................................... 2 Calamiteiten ...................................................................................................................... 3 Uitgevoerd(e) bodemonderzoek(en) op de onderzoekslocatie ........................................ 3 Aangrenzende terreindelen/percelen ............................................................................... 3 Terreininspectie ................................................................................................................ 3 Informatie lokale of regionale achtergrondgehalten ......................................................... 4 Bodemopbouw en geohydrologie ..................................................................................... 4
4
CONCLUSIES MILIEUHYGIËNISCH VOORONDERZOEK BODEM (ONDERZOEKSOPZET) 5
5
VELDWERK ................................................................................................................................ 5 5.1 5.2
5.3
6
LABORATORIUMONDERZOEK ................................................................................................ 7 6.1 6.2 6.3
7
Algemeen.......................................................................................................................... 5 Grondonderzoek ............................................................................................................... 5 5.2.1 Uitvoering veldwerk ............................................................................................ 5 5.2.2 Zintuiglijke waarnemingen .................................................................................. 6 Grondwateronderzoek ...................................................................................................... 6 5.3.1 Uitvoering veldwerk ............................................................................................ 6 5.3.2 Bemonstering ..................................................................................................... 6
Uitvoering analyses .......................................................................................................... 7 Toetsingskader ................................................................................................................. 7 Resultaten grond- en grondwatermonsters ...................................................................... 8
SAMENVATTING, CONCLUSIES EN ADVIES ........................................................................ 10
BIJLAGEN: 1. 2a. 2b. 3. 4a. 4b. 5a.
- Topografische ligging van de locatie - Locatieschets - Foto's onderzoekslocatie - Boorprofielen - Analysecertificaten - Getoetste analyseresultaten Circulaire bodemsanering - Toetsingskader Circulaire bodemsanering 14400.001
1
INLEIDING
Horsthuis Bouwmanagement BV heeft aan Econsultancy opdracht verleend voor het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek op de locatie Pagnevaartdreef te Bosschenhoofd. Het bodemonderzoek is uitgevoerd in het kader van de bestemmingsplanwijziging. Het verkennend bodemonderzoek heeft tot doel met een relatief geringe onderzoeksinspanning vast te stellen of op de onderzoekslocatie een grond- en/of grondwaterverontreiniging aanwezig is, teneinde te bepalen of er milieuhygiënische belemmeringen zijn voor de bestemmingsplanwijziging van de onderzoekslocatie. Het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem is verricht conform de NEN 5725:2017 "Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek". Het bodemonderzoek is uitgevoerd conform de NEN 5740+A1:2016 "Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond". Het veldwerk en de bemonstering zijn uitgevoerd onder certificaat op grond van de BRL SIKB 2000 "Veldwerk bij milieuhygiënisch bodem- en waterbodemonderzoek", protocollen 2001 en 2002 en de daarin gestelde eisen. De analyseresultaten zijn getoetst aan het toetsingskader uit de Circulaire bodemsanering en aan de achtergrondwaarden voor grond uit de Regeling bodemkwaliteit (bijlage B, tabel 1).
Econsultancy is onder meer gecertificeerd voor de protocollen 2001 en 2002 van de BRL SIKB 2000. In dat kader verklaart Econsultancy geen eigenaar van de onderzoekslocatie te zijn of te worden.
2
AFBAKENING ONDERZOEKSLOCATIE
Het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem omvat de onderzoekslocatie en direct hieraan grenzende terreindelen binnen een afstand van 25 meter. De onderzoekslocatie (± 2.600 m²) is gelegen aan de Pagnevaartdreef te Bosschenhoofd (zie bijlage 1). Het perceel, waar de onderzoekslocatie deel van uitmaakt, is kadastraal bekend gemeente Hoeven, sectie G, nummer 3730. Volgens het Actueel Hoogtebestand Nederland bevindt het maaiveld zich op een hoogte van circa 10,5 m +NAP en zijn de coördinaten van het midden van de onderzoekslocatie X = 96.634, Y = 397.331.
R 14400.001 versie D1
Pagina 1 van 10
3
MILIEUHYGIËNISCH VOORONDERZOEK BODEM
3.1
Geraadpleegde bronnen
Voorafgaand aan de uitvoering van de veldwerkzaamheden is een milieuhygiënisch vooronderzoek bodem uitgevoerd op basis van de NEN 5725. In tabel 1 zijn de in het kader van het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem geraadpleegde bronnen weergegeven. Van de locatie en de directe omgeving zijn uit verschillende informatiebronnen gegevens verzameld over het historische, huidige en toekomstige gebruik, eventuele calamiteiten, eventueel eerder uitgevoerde bodemonderzoeken, de bodemopbouw en geohydrologie, verhardingen, kabels en leidingen. Tabel 1.
Geraadpleegde bronnen Onderdeel
Bron
Historisch, huidig en toekomstig gebruik
Eigenaar (contactpersoon de heer B. Horsthuis ), d.d. 3 december 2020
Bouw-/milieudossier, ondergrondse tanks, calamiteiten, eerder uitgevoerd bodemonderzoek
Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant (contactpersoon de heer G. Metz), d.d. 2 december 2020 Gemeente Halderberge (contactpersoon mevrouw R. van Diepen) d.d. 10 december 2020