CConstaterende datHalderberge
Koppel je AI →
Document · PDF

Pagnevaartdreef Bosschenhoofd vastgesteld Bijlagen bij toelichting.pdf

Gemeenteraad 13 juli 2023, gemeente HalderbergeBij agendapunt: 7: Bestemmingsplan Pagnevaartdreef Bosschenhoofd23.015 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Bijlagen bij toelichting

Opdrachtgever Particulier initiatief Auteur Bureau Dhondt Projectnummer S20054 IMRO-identificatie NL.IMRO.1655.BP4016-C001 Status vastgesteld Datum 30 mei 2023

Inhoudsopgave

Bijlagen bij toelichting Bijlage 1

Quickscan Wet natuurbescherming

5

Bijlage 2

Effecten op NNN-gebied

39

Bijlage 3

Nader onderzoek amfibieën

59

Bijlage 4

Verkennend bodemonderzoek

68

Bijlage 5

Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai

112

Bijlage 6

Watertoets

176

Bijlage 7

Stikstofonderzoek

213

Bijlage 8

Standaardadvies externe veiligheid

242

Bijlage 9

Standaard verantwoording groepsrisico

262

Bijlage 1 Quickscan Wet natuurbescherming

5

QUICKSCAN WET NATUURBESCHERMING PAGNEVAARTDREEF TE BOSSCHENHOOFD

Rapportage quickscan Wet natuurbescherming Pagnevaartdreef te Bosschenhoofd Opdrachtgever

Horsthuis Bouwmanagement BV Patershof 3 4744 GC Bosschenhoofd

Rapportnummer Versienummer

14400.004 D1

Status

Eindrapportage

Datum

18 december 2020

Vestiging

Zuid-Holland Max Euwelaan 21-29 3062 MA Rotterdam 088 - 5001600 rotterdam@econsultancy.nl

Opsteller

De heer N. Zwartjes, BSc

Paraaf

Kwaliteitscontrole

Mevrouw A.M. Vergeer, MSc

Paraaf

Kwaliteitszorg Econsultancy is lid van het Netwerk Groene Bureaus (NGB). Het NGB is een vereniging van ecologische advies- en onderzoeksbureaus die werkt aan de kwaliteit van advisering gericht op natuur, landschap, water, milieu en ruimte en die de belangen behartigt van groene adviesbureaus. Het Netwerk hanteert een gedragscode die opdrachtgevers en andere belanghebbenden een basis biedt om de leden aan te spreken op de kwaliteit van hun werk. Econsultancy werkt volgens een dynamisch kwaliteits- en milieusysteem, zoals beschreven in het kwaliteits- en milieuhandboek. Ons kwaliteits- en milieusysteem is gecertificeerd volgens de eisen in de NEN-EN-ISO 9001 en NEN-EN-ISO 14001. Betrouwbaarheid Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving ten aanzien van natuurwetgeving. Het onderzoek betreft een momentopname en geeft een inschatting van de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor beschermde soorten en het al dan niet voorkomen van soorten. De gebruikte informatie omtrent verspreiding van soorten is deels afkomstig uit de NDFF en mag niet zonder toestemming worden verstrekt aan derden of op enige andere wijze openbaar gemaakt worden.

Econsultancy accepteert op voorhand geen aansprakelijkheid ten aanzien van mogelijke beslissingen die de opdrachtgever naar aanleiding van het door Econsultancy uitgevoerde onderzoek neemt. In het algemeen kan gesteld worden dat een quickscan geldig is voor een periode van 2 tot 3 jaar, tenzij in deze periode de ecologische omstandigheden wezenlijk zijn veranderd en/of de Wet natuurbescherming, dan wel inzichten hieromtrent zijn gewijzigd. Bij uitstel van de uitvoering van een project met meer dan 3 jaar verdient het de aanbeveling de resultaten van de quickscan opnieuw te toetsen.

INHOUDSOPGAVE 1

INLEIDING .................................................................................................................................. 1

2

GEBIEDSBESCHRIJVING ......................................................................................................... 2 2.1 2.2

Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving ............................................................... 2 Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen ..................... 4

3

ONDERZOEKSMETHODIEK ..................................................................................................... 5

4

OVERZICHT VAN DE NATIONALE NATUURWETGEVING ..................................................... 6 4.1 4.2 4.3 4.4

5

AANGETROFFEN EN TE VERWACHTEN BESCHERMDE SOORTEN .................................. 9 5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6 5.7

6

Vogels ............................................................................................................................... 9 Vleermuizen .................................................................................................................... 10 Overige zoogdieren ........................................................................................................ 11 Reptielen en vissen ........................................................................................................ 12 Amfibieën ........................................................................................................................ 12 Ongewervelden............................................................................................................... 14 Vaatplanten..................................................................................................................... 14

TOETSING AAN SOORTENBESCHERMING ......................................................................... 15 6.1 6.2 6.3 6.4 6.5

7

Zorgplicht .......................................................................................................................... 6 Soortenbescherming ........................................................................................................ 6 Gebiedenbescherming ..................................................................................................... 7 Houtopstanden ................................................................................................................. 8

Broedvogels .................................................................................................................... 15 Vleermuizen .................................................................................................................... 15 Algemene grondgebonden zoogdieren .......................................................................... 15 Amfibieën ........................................................................................................................ 16 Overige soort(groep)en .................................................................................................. 16

TOETSING AAN GEBIEDENBESCHERMING ........................................................................ 17 7.1 7.2

Natura 2000 .................................................................................................................... 17 Natuurnetwerk Nederland ............................................................................................... 18

8

HOUTOPSTANDEN ................................................................................................................. 19

9

SAMENVATTING EN CONCLUSIES ....................................................................................... 20

Bijlage 1 Bijlage 2

toelichting verbodsbepalingen Wet natuurbescherming verklarende woordenlijst 14400.004

1

INLEIDING

Econsultancy heeft van Horsthuis Bouwmanagement BV opdracht gekregen voor het uitvoeren van een quickscan Wet natuurbescherming aan de Pagnevaartdreef te Bosschenhoofd. De quickscan Wet natuurbescherming is uitgevoerd in het kader van de voorgenomen realisatie van twee woningen op de onderzoekslocatie en heeft als doel in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten aanwezig of te verwachten zijn, die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve invloed kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. Tevens is beoordeeld of de voorgenomen ingreep invloed kan hebben op Natura 2000-gebieden, houtopstanden die middels de Wet natuurbescherming zijn beschermd, of op gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland. Econsultancy is lid van de branchevereniging "Netwerk Groene Bureaus" en werkt volgens de door het Netwerk opgestelde gedragscode en protocollen. In dat kader verklaart Econsultancy ten behoeve van de onderzoekslocatie niet eerder betrokken te zijn geweest voor ecologische advisering of ecologisch onderzoek.

R 14400.004 versie D1

Pagina 1 van 22

2 2.1

GEBIEDSBESCHRIJVING Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving

De onderzoekslocatie (± 2.600 m²) ligt aan de Patershof 3, circa 250 meter ten noordoosten van de kern van Bosschenhoofd. De toegang tot de nieuw te bouwen woningen komt aan de Pagnevaartdreef. De onderzoekslocatie is kadastraal bekend als gemeente Hoeven met code HVN00, sectie G en nummer 3730. In figuur 1 is de topografische ligging van de onderzoekslocatie weergegeven.

Figuur 1. Topografische ligging van de onderzoekslocatie.

De onderzoekslocatie betreft een onbebouwd perceel dat bestaat uit een halfopen grasland, met daarop bomen, bestaande uit zomereik en berk. In het noordelijke en westelijke deel van de onderzoekslocatie staan de beuken, onder de beuken is veel vegetatie aanwezig, wat voornamelijk bestaat uit klimop. Op het grasland en tussen de bomen in groeit diverse lage vegetatie zoals kruipende boterbloem, kleine leeuwenbek, gewone melkdistel, paarse dovenetel en gewoon biggenkruid. In het noordelijke en westelijke deel van de onderzoekslocatie liggen compacte grindhopen. Direct ten zuiden en ten westen van de onderzoekslocatie staan woonhuizen. Direct ten noorden van de onderzoekslocatie staat een kerk met daarnaast een woonhuis. Ten oosten van de onderzoekslocatie, op hetzelfde terrein, is een watergang in een vorm van een vijver aanwezig. In de vijver staat een oude toren van een voormalig klooster. Op hetzelfde terrein, ten oosten van de onderzoekslocatie, liggen ook diverse houtstapels. Ten oosten van de onderzoekslocatie ligt het Pagnevaartbos, waar het buitengebied van Bosschenhoofd begint. Op circa 1 kilometer ten zuiden van de onderzoekslocatie loopt een snelweg.

R 14400.004 versie D1

Pagina 2 van 22

In figuur 2 is een luchtfoto van de onderzoekslocatie en de directe omgeving weergegeven. De figuren 3 t/m 11 geven een impressie van de onderzoekslocatie, die zijn genomen tijdens het veldbezoek.

Figuur 2. Luchtfoto onderzoekslocatie en directe omgeving.

Figuur 3. Gedeelte van de onderzoekslocatie (zuidelijke kijkrichting).

Figuur 4. Gedeelte van de onderzoekslocatie (oostelijke kijkrichting).

Figuur 5. Gedeelte van de onderzoekslocatie (westelijke kijkrichting).

Figuur 6. Vijver direct ten oosten van de onderzoekslocatie.

Figuur 7. Woning direct ten westen van de onderzoekslocatie.

Figuur 8. Woning direct ten zuiden van de onderzoekslocatie.

R 14400.004 versie D1

Pagina 3 van 22

Figuur 9. Gedeelte van het terrein direct ten oosten van de onderzoekslocatie.

2.2

Figuur 10. Houtstapel die direct ten oosten van onderzoekslocatie ligt.

Figuur 11. Toren van een voormalig klooster, gelegen in de vijver, ten oosten van de onderzoekslocatie.

Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen

De initiatiefnemer is voornemens de diverse bomen op de onderzoekslocatie te verwijderen en op de onderzoekslocatie twee woningen te realiseren (Figuur 12).

Figuur 12. Planschets toekomstige situatie

R 14400.004 versie D1

Pagina 4 van 22

3

ONDERZOEKSMETHODIEK

Het onderzoek is uitgevoerd middels het verrichten van een veldbezoek en een bureauonderzoek. Op deze wijze is inzicht verkregen in de aanwezigheid van geschikt habitat en de daarbij te verwachten beschermde soorten, gesitueerd op of nabij de onderzoekslocatie. Het veldbezoek is afgelegd op 3 december 2020. Tijdens dit veldbezoek is de gehele onderzoekslocatie, alsmede de directe omgeving beoordeeld. Gedurende het veldbezoek is gelet op de mogelijke aanwezigheid van beschermde en bedreigde soorten op basis van het aanwezige habitat. Verder is aan de hand van verspreidingsa nagegaan welke bijzondere planten- en diersoorten er voor kunnen komen op de onderzoekslocatie en zijn omtrent gebiedsbescherming gegevens van de provincie Noord-Brabant opgevraagd. Actuele verspreidingsgegevens van flora en fauna zijn uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) opgevraagd. De quickscan Wet natuurbescherming is een toets van de ecologische potenties van de onderzoekslocatie en betreft geen volwaardig soort(en) specifiek onderzoek. Er zijn in het onderhavige onderzoek geen inventarisaties uitgevoerd van soorten en soortgroepen. Een ecologische inventarisatie beslaat meerdere veldbezoeken gedurende de voor de soortgroep meest gunstige periode van het jaar.

R 14400.004 versie D1

Pagina 5 van 22

4

OVERZICHT VAN DE NATIONALE NATUURWETGEVING

Dit hoofdstuk geeft achtergrondinformatie over de natuurwetgeving waaraan de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie wordt getoetst. Er wordt een globale toelichting gegeven ten aanzien van potentiële overtredingen van de Wet natuurbescherming bij de meest voorkomende soorten en soortgroepen. Dit hoofdstuk is niet toegespitst op de situatie op de onderzoekslocatie, maar geeft enkel een beschrijving van de vigerende wetgeving. De Wet natuurbescherming is gericht op: het beschermen en ontwikkelen van de natuur, mede vanwege de intrinsieke waarde en het behouden en herstellen van de biologische diversiteit; het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de natuur ter vervulling van maatschappelijke functies; het verzekeren van een samenhangend beleid gericht op het behoud en beheer van waardevolle landschappen, vanwege hun bijdrage aan de biologische diversiteit en hun cultuurhistorische betekenis, mede ter vervulling van maatschappelijke functies. De bevoegdheid voor het verlenen van ontheffingen en vrijstellingen bij soortenbescherming ligt grotendeels bij de provincies. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen).

Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. 4.1

Zorgplicht

Het eerste artikel in de Wet natuurbescherming heeft betrekking op de zorgplicht en heeft betrekking op het voorkomen of beperken van schade aan soorten en gebieden, voor zover deze niet middels overige verbodsbepalingen zijn gereguleerd. Het gaat daarbij in de praktijk vooral om minder streng beschermde soorten, waarbij het onnodig doden, verwonden of beschadigen dient te worden vermeden. In bijlage 1 wordt dit artikel nader toegelicht. 4.2

Soortenbescherming

Bij een quickscan wordt in beeld gebracht of er (potentiële) vaste rust- of voortplantingsplaatsen aanwezig zijn van de soorten uit de verschillende beschermingsregimes. Vervolgens wordt beoordeeld of de voorgenomen ingreep verstorend kan zijn en of nader onderzoek noodzakelijk wordt geacht. De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten; soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); andere soorten (artikel 3.10). In bijlage 1 worden deze artikelen nader toegelicht.

R 14400.004 versie D1

Pagina 6 van 22

4.3

Gebiedenbescherming

Indien een plangebied in of nabij een beschermd gebied is gelegen, dan dient te worden bepaald of er een (extern) effect valt te verwachten. Het gaat daarbij om Natura 2000-gebieden en gebieden behorend tot het Natuurnetwerk Nederland. 4.3.1

Natura 2000

Natura 2000 is de benaming voor een Europees netwerk van natuurgebieden waarin belangrijke flora en fauna voorkomen, gezien vanuit een Europees perspectief. Met Natura 2000 wil men deze flora en fauna duurzaam beschermen. De staatssecretaris van Economische Zaken heeft voor Nederland ruim 160 Natura 2000-gebieden aangewezen. Gezamenlijk hebben ze een oppervlak van ruim 1,1 miljoen hectare. Ze maken deel uit van een samenhangend netwerk van natuurgebieden in de Europese Unie die zijn aangewezen op grond van de vogelrichtlijn en habitatrichtlijn. Het doel van Natura 2000 is het keren van de achteruitgang van de biodiversiteit. Binnen een gebied kan spanning optreden tussen economie en ecologie. In een zogenaamd beheerplan leggen Rijk en provincies vast welke activiteiten, op welke wijze mogelijk zijn. Uitgangspunt is steeds het realiseren van ecologische doelen met respect voor en in een zorgvuldige balans met wat particulieren en ondernemers willen. Het opstellen gebeurt daarom in overleg met alle direct betrokkenen, zoals beheerders, gebruikers, omwonenden, gemeenten, natuurorganisaties en waterschappen. Samen geven ze invulling aan beleven, gebruiken en beschermen. Daar draait het om in de Nederlandse Natura 2000-gebieden (bron: Regiegroep Natura 2000).

Het is verboden zonder vergunning van gedeputeerde staten een project te realiseren dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000gebied. (artikel 2.7, lid 2). Handelingen die een negatieve invloed hebben op Natura 2000-gebieden, worden slechts onder strikte voorwaarden toegestaan. Een vergunning is vereist. Door middel van het Nederlandse vergunningsstelsel wordt een zorgvuldige afweging gewaarborgd. De vergunningen zullen beoordeeld en afgegeven worden door de desbetreffende provincie. 4.3.2

Natuurnetwerk Nederland

Het Natuurnetwerk Nederland is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het Natuurnetwerk Nederland bestaat uit: bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de Noordzee en de Waddenzee; alle Natura 2000-gebieden.

R 14400.004 versie D1

Pagina 7 van 22

Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, N werk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. 4.4

Houtopstanden

De bescherming van houtopstanden conform hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming heeft als doel om het aanwezige areaal bos in Nederland te behouden. Onder houtopstanden vallen alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van tien are of meer of rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat. In bijlage 1 (tabel VI) worden de regels nader toegelicht. Wanneer houtopstanden geveld worden, niet vallende onder artikel 4.1 van de Wet natuurbescherming, geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten van desbetreffende provincie (artikel 4.2 Wnb). Op basis van deze melding wordt door de provincie beoordeeld of de voorgenomen velling aanvaardbaar is in het kader van natuur- en landschapswaarden. Indien er geen bezwaar is om de houtopstanden te kappen, verplicht artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand op dezelfde grond houtopstanden opnieuw aan te planten. Er geldt een algehele vrijstelling van de herplantplicht voor houtopstanden die gekapt worden in het kader van natuurbeheer en natuurbehoud. Indien bij de voorgenomen ontwikkeling herplantplicht geldt, maar niet voldaan kan worden aan de herplantplicht op de projectlocatie zelf, dan dient een ontheffing aangevraagd te worden met betrekking tot de herplantplicht bij de desbetreffende provincie.

De provincie toetst vervolgens of voldaan wordt aan de bij de provinciale verordening gestelde regels voor herbeplanting op andere perceelsgronden. Deze regels hebben onder andere betrekking op de kwaliteit, oppervlakte en locatie van de andere grond en de natuurwaarde van de te vellen houtopstand. Tevens kan ontheffing verleend worden van herplantplicht ter plaatse, indien gewerkt wordt via een door het ministerie goedgekeurde gedragscode die gebruikt mag worden door een van de betrokken partijen voor een wijze van vellen en een wijze van herplanten.

R 14400.004 versie D1

Pagina 8 van 22

5

AANGETROFFEN EN TE VERWACHTEN BESCHERMDE SOORTEN

Het voorkomen van planten- en diersoorten in een gebied wordt mede bepaald door de aanwezigheid van geschikt leefgebied. Een soort kan in zijn leefgebied gebruik maken van verschillende plekken om te verblijven. Al deze plekken (biotopen) kunnen een bepaalde functie voor de soort vervullen. In dit hoofdstuk wordt op basis van het aanwezige habitat / verblijfsmogelijkheden samen met verspreidingsgegevens beschreven welke beschermde soorten binnen de onderzoekslocatie kunnen voorkomen. Afhankelijk van de soort wordt ingegaan op de potentiële aanwezigheid van vaste rust- of voortplantingsplaatsen, foerageergebied en verbindingsroutes. Tevens wordt beoordeeld of de voorgenomen plannen een negatief effect kunnen hebben op de mogelijk aanwezige beschermde soorten. In hoofdstuk 6 wordt beschreven welke juridische implicaties dit voor het project heeft. 5.1 5.1.1

Vogels Broedvogels categorie 1-4 (nesten jaarrond beschermd)

Deze categorie betreft broedvogels waarvan de nesten ook beschermd zijn op het moment dat ze niet voor de voortplanting in gebruik zijn (categorie 1-4 broedvogelsoorten). Volgens de verspreidingsgegevens van de NDFF zijn in de afgelopen 5 jaar binnen enkele kilometers van de onderzoekslocatie vogelsoorten waargenomen waarvan de nestlocaties jaarrond beschermd zijn. Deze categorie 1-4 broedvogelsoorten zijn: gierzwaluw, huismus, slechtvalk, roek, grote gele kwikstaart, kerkuil, steenuil, ooievaar, boomvalk, buizerd, havik, ransuil, sperwer, wespendief en zwarte wouw. De gierzwaluw, huismus en slechtvalk zijn in Nederland gebonden aan gebouwen als broedlocatie. Vanwege de afwezigheid van geschikte gebouwen op de onderzoekslocatie is het redelijkerwijs uit te sluiten dat deze soorten op de onderzoekslocatie broedt en dat deze soorten een negatief effect ondervindt van de voorgenomen ingreep. De kerk en de woning ten noorden van de onderzoekslocatie zijn wel geschikt als broedlocatie voor de gierzwaluw en huismus, gelet op de kantpannen aan de kopgevels, de ruimte onder de nokpan en de aanwezigheid van pannendaken met ruimte tussen het dak en de dakgoot. Door de afstand tot de ingreep tussen de onderzoekslocatie en de woningen wordt een effect op deze mogelijke broedlocaties niet verwacht. Nader onderzoek ten aanzien van deze soorten wordt niet benodigd geacht.

De roek broedt in opvallende kolonies met grote nesten. Tijdens het veldbezoek is geen roekenkolonie aangetroffen op de onderzoekslocatie, waardoor het redelijkerwijs is uit te sluiten dat de roek op de onderzoekslocatie broedt en een negatief effect ondervindt van de voorgenomen ingreep. De grote gele kwikstaart broedt het liefst bij stromend water in vegetatie of structuren die beschutting bieden. Dit is niet in geschikte vorm aanwezig op of nabij de onderzoekslocatie. De watergang is vrijwel stilstaand en in de oever ontbreken geschikte broedmogelijkheden. Het is daarom redelijkerwijs uit te sluiten dat deze soort op of nabij de onderzoekslocatie broedt en een negatief effect ondervindt van de voorgenomen ingreep. Nader onderzoek ten aanzien van de grote gele kwikstaart wordt niet benodigd geacht. De kerkuil broedt veelal in nestkasten en zeer incidenteel in boomholten. Verder broedt de soort in toegankelijke hoge, donkere en tochtvrije delen van boerenschuren, kerken en torens. Tijdens het veldbezoek zijn geen bomen aangetroffen met geschikte holtes voor de kerkuil, ook is er geen geschikte bebouwing aanwezig op de onderzoekslocatie voor de kerkuil. Vanwege het ontbreken van een geschikte broedlocatie is het redelijkerwijs uit te sluiten dat de kerkuil op de onderzoekslocatie broedt en een negatief effect ondervindt van de voorgenomen ingreep.

Nader onderzoek ten aanzien van de kerkuil wordt niet benodigd geacht.

R 14400.004 versie D1

Pagina 9 van 22

De steenuil broedt vaak in natuurlijke holtes van bomen, en in rustige hoeken en nissen van gebouwen of schuren, vaak op boerenerven. Door het ontbreken van een geschikte nest- en rustlocatie, kan redelijkerwijs worden uitgesloten dat zich op de onderzoekslocatie een beschermde functie voor de steenuil bevindt en dat deze soort op de onderzoekslocatie een negatief effect ondervindt van de voorgenomen ingreep. Nader onderzoek ten aanzien van de steenuil wordt niet benodigd geacht. De ooievaar broedt op ooievaarspalen en andere menselijke bouwwerken, maar soms ook in zelfgemaakte nesten in bomen. Ooievaarspalen en geschikte menselijke bouwwerken zijn niet aanwezig op de onderzoekslocatie. Tijdens het veldbezoek zijn geen grote nesten of andere sporen van de ooievaar waargenomen. Het is daarom voor deze soort redelijkerwijs uit te sluiten dat deze op of nabij de onderzoekslocatie broedt en een negatief effect ondervindt van de voorgenomen ingreep. Nader onderzoek ten aanzien van de ooievaar wordt niet benodigd geacht. De boomvalk, buizerd, havik, ransuil, sperwer, wespendief en zwarte wouw broeden in bossen of halfopen landschappen, vaak hoog in een boomkruin, waar ze grote nesten maken of hergebruiken. Tijdens het veldbezoek zijn geen grote nesten of andere sporen van de bovengenoemde soorten waargenomen.

Ook in de bomen in de nabije omgeving van de onderzoekslocatie zijn geen grote nesten waargenomen. De bomen konden goed worden overzien, doordat er geen blad aan de bomen zat ten tijde van het veldbezoek. Het is daarom voor deze vogelsoorten redelijkerwijs uit te sluiten dat deze soorten op en nabij de onderzoekslocatie broeden en een negatief effect ondervinden van de voorgenomen ingreep. Nader onderzoek ten aanzien van deze soorten wordt niet benodigd geacht. 5.1.2

Broedvogels categorie 5 (nesten in sommige gevallen jaarrond beschermd)

De broedvogels waarvan het nest in uitzonderlijke gevallen eveneens jaarrond is beschermd, zijn voornamelijk holenbroeders zoals spechten en mezen, of makers van grote nesten zoals ekster en zwarte kraai. Voor de vogelsoorten in deze categorie geldt een jaarronde nestbescherming enkel bij ecologisch zwaarwegende redenen. Tijdens het veldbezoek zijn op de onderzoekslocatie geen grote nesten of geschikte boomholtes aangetroffen die gebruikt kunnen worden door de bovengenoemde soorten. Het werken buiten het broedseizoen is voldoende om overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen (zie hoofdstuk 6). 5.1.3

Overige broedvogels

Van de overige voorkomende broedvogels zijn de nesten alleen beschermd op het moment dat ze als zodanig in gebruik zijn. Tijdens het veldbezoek zijn er geen nesten aangetroffen. Het werken buiten het broedseizoen of het ongeschikt maken van mogelijke nesten is voldoende om overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen (zie hoofdstuk 6). 5.2

Vleermuizen

Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF is de onderzoekslocatie gelegen in een deel van Nederland waar de volgende vleermuissoorten kunnen voorkomen: gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis, laatvlieger, meervleermuis, , baardvleermuis, kleine dwergvleermuis en watervleermuis.

R 14400.004 versie D1

Pagina 10 van 22

Verblijfplaatsen op de onderzoekslocatie De aanwezige bomen op de onderzoekslocatie zijn onderzocht op holtes, spleten en/of loshangend schors, die kunnen dienen als potentiële vaste rust- of voortplantingsplaats voor boombewonende vleermuizen, zoals de rosse vleermuis en watervleermuis. Deze zijn niet aangetroffen en daarmee zijn verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen uit te sluiten. Nader onderzoek ten aanzien van verblijfplaatsen van boombewonende vleermuissoorten wordt niet benodigd geacht. Verblijfplaatsen buiten de onderzoekslocatie Ten noorden van de onderzoekslocatie bevindt zich een kerk en een woning die geschikt zijn voor gebouwbewonende vleermuizen, gelet op de aanwezigheid van ruimtes onder de kantpannen en openingen in het dak. Ten westen van de onderzoekslocatie bevindt zich een toren van een voormalig klooster die geschikt is voor gebouwbewonende vleermuizen, gelet op de ruimte onder het dak (figuur 13). Door het treffen van maatregelen kan verstoring van eventueel aanwezige verblijfplaatsen op voorhand voorkomen worden (hoofdstuk 6).

Figuur 13. Toren van een voormalig klooster, met ruimte onder het dak (aangegeven met rode cirkel).

Foerageerhabitat De onderzoekslocatie zal, gelet op het aanwezige habitat, gebruikt kunnen worden door in de omgeving verblijvende vleermuizen om te foerageren. Door de voorgenomen ingreep zal het aanbod van foerageermogelijkheden niet in het geding komen, in de directe omgeving is meer geschikt foerageerhabitat voor vleermuizen aanwezig, zoals de tuinen van de omliggende woningen en erven. Vliegroutes Vleermuizen maken veelal gebruik van lijnvormige (donkere) landschapselementen als houtsingels, beken en lanen om zich te verplaatsen tussen verblijfplaatsen en foerageergebieden. Door de herinrichting van de onderzoekslocatie worden geen belangrijke vliegroutes verstoord. De bomen buiten de onderzoekslocatie zijn geschikter als vliegroute. Door het treffen van maatregelen kan verstoring van eventuele vliegroutes op voorhand voorkomen worden (hoofdstuk 6). 5.3

Overige zoogdieren

Alle zoogdieren in Nederland zijn beschermd. Voor sommige algemeen voorkomende soorten geldt een provinciale vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling. Op deze wijze is er onderscheid te maken in streng beschermde en minder streng beschermde soorten. Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF ligt de onderzoekslocatie binnen het verspreidingsgebied van de volgende streng beschermde grondgebonden zoogdieren: eekhoorn, bunzing en das.

R 14400.004 versie D1

Pagina 11 van 22

Streng beschermde soorten De onderzoekslocatie vormt geschikt habitat voor de eekhoorn. De hoge bomen op de onderzoekslocatie konden door het ontbreken van bladerdek goed worden onderzocht op de aanwezigheid van nesten. Er zijn geen nesten van eekhoorns aangetroffen, zodat de aanwezigheid van een vaste rust of voortplantingsplaats van eekhoorn kan worden uitgesloten. Verstoring ten aanzien van de eekhoorn als gevolg van de voorgenomen ingreep is niet aan de orde. Nader onderzoek naar de eekhoorn wordt niet noodzakelijk geacht. De onderzoekslocatie vormt ook geschikt habitat voor de bunzing. De bunzing maakt gebruik van diverse landschapstypen, maar de voorkeur gaat uit naar een kleinschalig landschap met voldoende schuilmogelijkheden. Op de onderzoekslocatie zijn er weinig tot geen geschikte schuilmogelijkheden voor de bunzing. Bij het maken van een schuilplaats gebruikt de bunzing voornamelijk oude holen van bijvoorbeeld: das, mol, konijn en vos. Tijdens het veldbezoek zijn er geen holen aangetroffen op de onderzoekslocatie zelf en nabij de onderzoekslocatie. Overigens is het dichtstbijzijnde levende exemplaar van de bunzing 2 kilometer ten noorden van de onderzoekslocatie waargenomen.

Het incidenteel voorkomen van de bunzing op de onderzoekslocatie kan niet worden uitgesloten, maar door onvoldoende schuilmogelijkheden, het ontbreken van holen en door de afstand van de waarneming van de bunzing in de NDFF kan redelijker wijs worden uitgesloten dat zich op de onderzoekslocatie een vaste rust- verblijfplaats van de bunzing bevindt. Nader onderzoek naar de bunzing wordt niet noodzakelijk geacht. De das komt volgens de verspreidingsgegevens voor in de omgeving. De onderzoekslocatie is door het ontbreken van reliëf en/of schuilmogelijkheden ongeschikt als vaste rust- of voortplantingsplaats door dassen. Tijdens het veldbezoek zijn op de onderzoekslocatie en de directe omgeving eveneens geen loop- of eetsporen, latrines en/of wissels aangetroffen die duiden op de aanwezigheid en/of het gebruik van de onderzoekslocatie door de das. Dassen zullen eerder hun leefgebied hebben in de nabij gelegen natuurgebieden en de aansluitende weilanden. Verstoring ten aanzien van de das als gevolg van de voorgenomen ingreep is niet aan de orde. Nader onderzoek naar de das wordt niet noodzakelijk geacht. Licht beschermde soorten De onderzoekslocatie vormt geschikt habitat voor een aantal soorten grondgebonden zoogdieren. gaat daarbij om algemene soorten als dwergmuis, egel, haas, konijn, vos, woelrat en huisspitsmuis, ree, rosse woelmuis, tweekleurige bosspitsmuis en veldmuis.

Voor deze algemeen voorkomende soorten geldt een algehele vrijstelling, mits de zorgplicht in acht genomen wordt (zie hoofdstuk 6). 5.4

Reptielen en vissen

Reptielen Volgens gegevens van de NDFF is er in de afgelopen 5 jaar in de directe omgeving van de onderzoekslocatie geen beschermde reptielen waargenomen. Vissen Vanwege het ontbreken van oppervlaktewater op de onderzoekslocatie kan deze soortgroep buiten beschouwing worden gelaten. 5.5

Amfibieën

Alle amfibieën in Nederland zijn beschermd. Voor sommige algemeen voorkomende soorten geldt een provinciale vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling. Op deze wijze is er onderscheid te maken in streng beschermde en minder streng beschermde soorten.

R 14400.004 versie D1

Pagina 12 van 22

Streng beschermde soorten Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF zijn in de afgelopen vijf jaar binnen enkele kilometers van de onderzoekslocatie de streng beschermde soorten alpenwatersalamander en vinpootsalaman-

De alpenwatersalamander is weinig kieskeurig wat betreft zijn landhabitat. De soort wordt onder andere aangetroffen op zandbodems, in weidelandschappen, struwelen en parken, maar ook regelmatig in sloten en tuinen. Het struweel, voornamelijk klimop (figuur 14), dat in het noordelijke deel van de onderzoekslocatie ligt, biedt potentieel geschikt zomerbiotoop en winterbiotoop voor de alpenwatersalamander. De soort is ook weinig kieskeurig qua voortplantingsbiotoop. In het voorjaar is hij in allerlei typen water te vinden, zolang het niet te snel stroomt of rijk aan vis is. Ze planten zich voort in het water vanaf half februari tot in juni, waarbij eieren op bladeren van waterplanten op de bodem worden afgezet. De onderzoekslocatie vormt geschikt landhabitat voor de alpenwatersalamander door de aanwezigheid van beschutting en door de nabijheid van geschikt voortplantingswater in de vorm van de vijver ten oosten van de onderzoekslocatie. Een overtreding op de verbodsbepalingen ten aanzien van deze soort is daarom niet uit te sluiten (hoofdstuk 6). De vinpootsalamander komt voornamelijk voor in bosgebieden op zandgrond. Aan de samenstelling van het bos worden weinig eisen gesteld. Het struweel, voornamelijk klimop (figuur 14), dat in het noordelijke deel van de onderzoekslocatie ligt, biedt potentieel geschikt zomerbiotoop en winterbiotoop voor de vinpootsalamander.

Ook diverse takken die in het struweel liggen hebben een positief effect op het potentieel geschikt zomerbiotoop en winterbiotoop. In Noord-Brabant en het noordelijke deel van Limburg is de vinpootsalamander te vinden in de grotere bos- en heidegebieden, waar de soort zich voortplant in heidevennen, bosvijvers en poelen. In de periode van half april tot en met half juni vindt de paring en ei afzet plaats, waarbij de eieren door het vrouwtje één voor één met behulp van de achterpoten vastgehecht wordt aan ondergedoken plantenbladeren. De onderzoekslocatie vormt geschikt landhabitat voor de vinpootsalamander door de aanwezigheid van beschutting en door de nabijheid van geschikt voortplantingswater in de vorm van de vijver ten oosten van de onderzoekslocatie. Een overtreding op de verbodsbepalingen ten aanzien van deze soort is daarom niet uit te sluiten (hoofdstuk 6).

Figuur 14. Klimop in het noordelijke deel van de onderzoekslocatie.

Licht beschermde soorten Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF zijn in de afgelopen 5 jaar binnen enkele kilometers van de onderzoekslocatie de volgende licht beschermde amfibieënsoorten waargenomen: bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander. Voor deze soorten geldt een provinciale vrijstelling van de Wet natuurbescherming. De bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander geven de voorkeur aan habitat met bosjes, overhoekjes en ruigten in kleinschalige landschappen met een vochtige bodem. Zij komen dan ook geregeld voor in bossen, parken, tuinen en weilanden. De gehele onderzoekslocatie biedt hierdoor een potentieel geschikt landhabitat voor deze soorten. Tijdens het

R 14400.004 versie D1

Pagina 13 van 22

veldbezoek zijn op de onderzoekslocatie geen waarnemingen gedaan van bovengenoemde soorten. Indien deze algemene amfibiesoorten aanwezig zijn tijdens de voorgenomen werkzaamheden, kunnen negatieve gevolgen voor hen ontstaan, waardoor het zaak is om aandacht te schenken aan de algemene zorgplicht (zie hoofdstuk 6). 5.6

Ongewervelden

Libellen Er zijn slechts enkele libellensoorten die binnen de Wet natuurbescherming een strenge bescherming genieten. Deze zijn voor wat betreft hun verspreiding gebonden aan specifieke habitateisen, die veelal alleen in natuurgebied zijn te vinden. Beschermde soorten zijn op de onderzoekslocatie niet te verwachten. Vlinders Beschermde vlinders stellen specifieke eisen aan het voortplantingshabitat. Bij het habitat is het belangrijk dat aan de eisen van alle stadia van de vlindersoort wordt voldaan. Voor de beschermde soorten in Nederland geldt dat deze veelal gebonden zijn aan zeldzame waardplanten, die vaak alleen in natuurterreinen zijn te vinden. Geschikte waardplanten voor beschermde vlindersoorten als sleedoornpage (sleedoorn), iepenpage (iep) en kleine ijsvogelvlinder (kamperfoelie) zijn op de onderzoekslocatie niet aanwezig. Het is uitgesloten dat er binnen de onderzoekslocatie geschikt habitat aanwezig is voor een (deel)populatie van een beschermde vlindersoort. Overige soorten Overige beschermde soorten, zoals vliegend hert, Europese rivierkreeft en platte schijfhoren, zijn op de onderzoekslocatie uit te sluiten. Er is geen geschikt habitat voor dergelijke beschermde soorten op de onderzoekslocatie aanwezig en er zijn geen waarnemingen bekend in de directe omgeving van de onderzoekslocatie. 5.7

Vaatplanten

Aangezien de locatie geheel bestaat uit gemaaid gras en bomen en gezien de aangetroffen plantensoorten is het niet te verwachten dat er beschermde of zeldzame plantensoorten op de locatie te vinden zijn. De aanwezigheid van water, de zuurgraad van de bodem, de beschikbare hoeveelheid voedingsstoffen, de hoeveelheid zonlicht en de antropogene beïnvloeding bepalen in hoeverre een groeiplaats voor een bepaalde plant geschikt is. Vanwege de specifieke eisen die de meeste beschermde soorten stellen aan de groeiomstandigheden zijn beschermde vaatplanten op de onderzoekslocatie niet te verwachten.

R 14400.004 versie D1

Pagina 14 van 22

6

TOETSING AAN SOORTENBESCHERMING

Als gevolg van de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie kunnen er overtredingen van verbodsbepalingen uit soortbeschermingsparagrafen uit de Wet natuurbescherming optreden. In dit hoofdstuk wordt beschreven voor welke soorten er sprake is van dreigende overtreding van de Wet natuurbescherming en of met eenvoudige maatregelen overtreding is te voorkomen. Verder wordt beschreven voor welke soorten een vervolgtraject noodzakelijk is, bijvoorbeeld omdat toetsing van de ingreep aan de Wet natuurbescherming op basis van de huidige onderzoeksinspanning niet mogelijk is, en wat de eventuele consequenties zijn ten aanzien van ontheffingen. 6.1

Broedvogels

Er zijn op de onderzoekslocatie geen jaarrond beschermde nesten aangetroffen. Voor de algemene broedvogelsoorten die op de onderzoekslocatie zijn te verwachten geldt dat, indien het groen buiten het broedseizoen wordt verwijderd, er geen overtredingen plaats zullen vinden met betrekking tot deze soorten. Artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming (Het is verboden nesten te beschadigen, te vernielen of weg te nemen) is van toepassing. De nesten mogen echter wel worden weggenomen wanneer deze op dat moment niet in gebruik zijn. In de Wet natuurbescherming wordt geen vaste periode gehanteerd voor het broedseizoen. Globaal kan voor het broedseizoen de periode maart tot september worden aangehouden. Indien binnen het broedseizoen gewerkt wordt, dient vooraf aan de werkzaamheden een broedvogelinspectie te worden uitgevoerd door een (ter zake kundige) ecoloog. 6.2

Vleermuizen

Verblijfplaatsen buiten de onderzoekslocatie In de naastgelegen kerk, woning en toren zijn mogelijk ook vleermuisverblijfplaatsen aanwezig. Op voorhand kan verstoring van deze verblijfplaatsen voorkomen worden door gepaste maatregelen te treffen. Door de verlichting tijdens de bouw en in de nieuwe situatie vleermuisvriendelijk in te richten zal de bebouwing niet in zijn functie beperkt worden. Vleermuisvriendelijke verlichting is amberkleurig, de armaturen zijn niet hoger dan de open stootvoegen, kozijnen en dakrand, de armaturen zijn weggericht van dezelfde openingen en de verlichting is zo min mogelijk diffuus. Vliegroutes De diverse bomen buiten de onderzoekslocatie kunnen fungeren als vliegroute voor in de omgeving verblijvende vleermuizen. Op voorhand kan verstoring van deze mogelijke vliegroute voorkomen worden door gepaste maatregelen te treffen. Door de verlichting vleermuisvriendelijk in te richten en de verlichting niet direct op de bomen te zetten zal de vliegroute niet in zijn functie beperkt worden. 6.3

Algemene grondgebonden zoogdieren

Voor de te verwachten soorten geldt dat de werkzaamheden mogelijk verstorend kunnen werken. Als gevolg van graafwerkzaamheden kunnen dieren verwond of gedood worden en holen kunnen worden verwijderd. Dit houdt een overtreding van artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming in. Voor de te verwachten soorten geldt, op grond van het provinciale soortenbeleid, bij ruimtelijke ontwikkelingen echter een vrijstelling, waardoor geen ontheffing hoeft te worden aangevraagd. Het is echter in het kader van de zorgplicht wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen. Het doden of verwonden kan plaatsvinden indien schuil- of voortplantingslocaties worden beschadigd. Dit kan door het verwijderen van stenenstapels, takkenhopen, bladeren en andere materialen die door langdurige opslag of aanwezigheid schuilplaatsen bieden. Het verwijderen van de materialen

R 14400.004 versie D1

Pagina 15 van 22

dient daarom buiten de gevoelige periode van voortplanting of winterrust plaats te vinden. Aanwezige dieren moeten de gelegenheid krijgen om veilig weg te komen. 6.4

Amfibieën

Streng beschermde soorten De alpenwatersalamander en vinpootsalamander zijn nationaal beschermde soorten, opgenomen in de Wet natuurbescherming onder artikel 3.10. Het is conform artikel 3.10 lid 1a verboden deze soorten opzettelijk te doden of te vangen. Conform artikel 3.10 lid 1b is het verboden om de vaste voortplantings- of rustplaatsen van deze soorten opzettelijk te beschadigen of vernielen. De onderzoekslocatie grenst aan geschikt voortplantingswater en bevat potentieel geschikt zomerbiotoop en winterbiotoop voor de bovengenoemde soorten. Om vast te stellen of deze beschermde soorten aanwezig zijn op de onderzoekslocatie dient er aanvullend ecologisch onderzoek plaats te vinden naar de functie van dit gebied voor de alpenwatersalamander en vinpootsalamander. Om de aanwezigheid van alpenwatersalamanders en vinpootsalamanders op de onderzoekslocatie vast te stellen wordt de onderzoeksmethode met betrekking tot zomerbiotoop, zoals beschreven in de soorteninventarisatieprotocollen van het Netwerk Groene Bureaus (Soortinventarisatieprotocollen in het kader van de Wet natuurbescherming, 2017), gehanteerd. Voor het nader onderzoek naar de alpenwatersalamander en de vinpootsalamander dienen vijf veldbezoeken overdag plaats te vinden in de periode juni tot en met oktober.

Bij het veldbezoek worden tapijttegels neergelegd, om vast te stellen of de onderzoekslocatie deel uitmaakt van het landhabitat van deze soorten. Indien de soorten worden aangetroffen, dienen er maatregelen getroffen te worden. Deze maatregelen dienen opgenomen te worden in een activiteitenplan en ter goedkeuring te worden voorgelegd aan bevoegd gezag middels een ontheffingsaanvraag. Licht beschermde soorten De werkzaamheden kunnen verstorend werken voor algemene amfibiesoorten die zich op de onderzoekslocatie bevinden. Door de werkzaamheden kunnen dieren gewond raken of worden gedood. Voor de te verwachten soorten geldt, op grond van het provinciale soortenbeleid, bij ruimtelijke ontwikkelingen een vrijstelling van de Wet natuurbescherming, waardoor geen ontheffing hoeft te worden aangevraagd. Het is echter in het kader van de zorgplicht wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen. Het doden of verwonden kan plaatsvinden indien schuil- of voortplantingslocaties worden beschadigd. Dit kan door het verwijderen van stenenstapels, takkenhopen, bladeren en andere materialen die door langdurige opslag of aanwezigheid schuilplaatsen bieden. Het verwijderen van de materialen dient daarom buiten de gevoelige periode van winterrust plaats te vinden.

Aanwezige dieren moeten de gelegenheid krijgen om veilig weg te komen. 6.5

Overige soort(groep)en

Overtredingen van de Wet natuurbescherming ten aanzien van beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn wegens het ontbreken van geschikt habitat/verblijfsmogelijkheden, op basis van verspreidingsgegevens, de aanwezigheid van voldoende alternatieven en/of gezien de aard van de ingreep in dit geval niet aan de orde.

R 14400.004 versie D1

Pagina 16 van 22

7

TOETSING AAN GEBIEDENBESCHERMING

In algemene zin kan er door een plan sprake zijn van negatieve gevolgen, op vanuit de Wet natuurbescherming aangewezen beschermde gebieden. In dit hoofdstuk wordt beschreven voor welke gebieden er mogelijk sprake is van negatieve effecten als gevolg van de voorgenomen ingrepen op de onderzoekslocatie. Verder wordt beschreven of een vervolgtraject noodzakelijk is en wat de eventuele consequenties zijn ten aanzien van vergunningen. 7.1

Natura 2000

De meest nabijgelegen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden, de Brabantse Wal en het KrammerVolkerak, bevinden zich op respectievelijk 14 en 16 kilometer afstand van de onderzoekslocatie (zie figuur 15).

Figuur 15. Ligging onderzoekslocatie ten opzichte van Natura 2000.

De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect, zoals toenamen van geluid, trilling, licht of depositie van stikstof. Externe effecten als gevolg van de voorgenomen plannen op de onderzoekslocatie zijn, gezien de afstand tot de meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden in combinatie met de aard van de plannen niet te verwachten. Vervolgonderzoek in het kader van de gebiedsbeschermingsparagrafen uit de Wet natuurbescherming wordt niet noodzakelijk geacht.

R 14400.004 versie D1

Pagina 17 van 22

7.2

Natuurnetwerk Nederland

De onderzoekslocatie maakt geen deel uit van het Natuurnetwerk. De onderzoekslocatie ligt echter wel in de nabijheid van een gebied, behorend tot het Natuurnetwerk Brabant. Het meest nabijgelegen gebied bevindt zich 7 meter ten zuiden van de onderzoekslocatie. In figuur 16 is de ligging van de onderzoekslocatie ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland weergegeven.

Figuur 16. Ligging onderzoekslocatie ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland.

Gelet op artikel 3.16 van de omgevingsverordening van de provincie Noord-Brabant uit 2020 worden beperkingen opgelegd vanuit het kader van het Natuurnetwerk Brabant wanneer deze gelegen zijn in het Natuurnetwerk Brabant of wanneer de activiteit een externe werking heeft op het Natuurnetwerk Brabant, vanwege geluid, licht of betreding. Door aard van de voorgenomen plannen op de onderzoeklocatie gecombineerd met de afstand, zullen de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Brabant worden aangetast. Omdat het hier gaat om een ontwikkeling buiten het NNB, is ook de regeling kwaliteitsverbetering landschap (artikel 3.9) van toepassing. Vervolgonderzoek in het kader van het Natuurnetwerk Brabant wordt noodzakelijk geacht. De afweging voor ingrepen met een extern effect op het NNN gaat volgens het .

R 14400.004 versie D1

Pagina 18 van 22

8

HOUTOPSTANDEN

De Wet natuurbescherming beschermt bos van minimaal 10 are en bomenrijen van minimaal 21 bomen, gelegen buiten de bebouwde kom (de zogenaamde 'houtopstanden'). Het is verboden deze houtopstanden geheel of gedeeltelijk te vellen zonder voorafgaande melding bij gedeputeerde staten. In dit hoofdstuk wordt beschreven of er bij de voorgenomen kap sprake is van meldingsplicht en herplantplicht conform artikel 4.2 en artikel 4.3 van de Wet natuurbescherming. Verder wordt beschreven of er vervolgmaatregelen getroffen dienen te worden ten behoeve van de voorgenomen houtkap. De bomen op de onderzoekslocatie vallen niet onder de definitie houtopstanden, als bedoeld in paragraaf 4.1 van de Wet natuurbescherming. De te vellen bomen op de onderzoekslocatie betreffen een houtopstand in een tuin, binnen de bebouwde kom. Voor deze houtopstand geldt geen meldingsplicht en herplantplicht.

R 14400.004 versie D1

Pagina 19 van 22

9

SAMENVATTING EN CONCLUSIES

Econsultancy heeft in opdracht van Horsthuis Bouwmanagement BV een quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd aan de Pagnevaartdreef te Bosschenhoofd. De initiatiefnemer is voornemens de bomen op de onderzoekslocatie te verwijderen en op de onderzoekslocatie twee woningen te realiseren De quickscan Wet natuurbescherming heeft tot doel om in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten, gebieden of houtopstanden aanwezig zijn die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve gevolgen kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. De aanwezigheid van geschikt habitat op de onderzoekslocatie voor de verschillende soorten en soortgroepen is weergegeven in tabel I. In de tabel is samengevat of de voorgenomen ingreep mogelijk verstorend kan werken en wat de consequenties zijn voor eventuele vervolgstappen, zoals soortgericht nader onderzoek of vergunningtrajecten. In de tabel is weergegeven of maatregelen noodzakelijk zijn om overtreding van de Wet natuurbescherming voor bepaalde soortgroepen te voorkomen.

R 14400.004 versie D1

Pagina 20 van 22

Tabel I.

Overzicht geschiktheid onderzoekslocatie voor soortgroepen en te nemen vervolgstappen Soortgroep

Geschikt habitat

Ingreep verstorend

Nader onderzoek

Ontheffingsaanvraag

Bijzonderheden / opmerkingen*

algemeen

ja

nee

nee

nee

verwijderen van nestgelegenheden buiten het broedseizoen uitvoeren. Indien binnen het broedseizoen gewerkt wordt (maart tot en met eind september), vooraf een broedvogelinspectie uit laten voeren.

jaarrond beschermd

matig

nee

nee

nee

-

verblijfplaatsen

nee

nee

nee

nee

aandacht voor verlichting van bebouwing en de bomen ten noorden en westen van de onderzoekslocatie, werken met vleermuisvriendelijk licht.

foerageergebied

ja

nee

nee

nee

-

vliegroutes

nee

nee

nee

nee

Aandacht voor verlichting van de bomenrijen buiten de onderzoekslocatie, werken met vleermuisvriendelijke verlichting.

Grondgebonden zoogdieren

ja

mogelijk

nee

nee

aandacht voor zorgplicht ten aanzien van algemene zoogdieren.

Amfibieën

ja

mogelijk

ja

mogelijk

Reptielen

nee

nee

nee

nee

-

Vissen

nee

nee

nee

nee

-

Libellen en vlinders

nee

nee

nee

nee

-

Overige ongewervelden

nee

nee

nee

nee

-

Vaatplanten

nee

nee

nee

nee

-

Gebied aanwezig

Ingreep verstorend

Nader onderzoek

Vergunningplicht

Natura 2000

14 km

nee

nee

nee

Natuurnetwerk Nederland

7m

mogelijk

ja

mogelijk

Houtopstanden

n.v.t

n.v.t

n.v.t

n.v.t

Broedvogels

Vleermuizen

Gebiedsbescherming

nader onderzoek van alpenwatersalamander en vinpootsalamander en aandacht voor zorgplicht ten aanzien van algemene amfibieën

nee, tenzij toetsing benodigd -

* Wijzigingen in het planvoornemen kunnen van invloed zijn op de uitkomst van het onderzoek.

Conclusie en aanbevelingen Geadviseerd wordt nader onderzoek uit te laten voeren naar de functie van de onderzoekslocatie voor de alpenwatersalamander en vinpootsalamander in de periode juni tot en met oktober. In deze periode dienen vijf veldbezoeken overdag plaats te vinden. Met betrekking tot Natuur Netwerk Nederland/Brabant zijn externe effecten zoals geluid, licht of betreding uitvoeren. Voor de boom- en gebouwbewonende vleermuizen geldt dat er geen nader onderzoek omtrent de aan- of afwezigheid van verblijfplaatsen, foerageergebied en vliegroute nodig is. Wel dient bij de werkzaamheden rekening gehouden te worden met mogelijke verblijfplaatsen van vleermuizen bij de nabijgelegen gebouwen en de potentiële functie van de nabijgelegen bomen als vliegroute. Om de

R 14400.004 versie D1

Pagina 21 van 22

functionaliteit van de omliggende verblijfplaatsen te behouden dient de verlichting vleermuisvriendelijk te zijn rondom de bebouwing en de bomen. Vleermuisvriendelijke verlichting is amberkleurig, de armaturen zijn weggericht van de bebouwing en bomen, en de verlichting is zo min mogelijk diffuus. Voor de algemene broedvogelsoorten die op de onderzoekslocatie zijn te verwachten geldt dat, indien de nestgelegenheden buiten het broedseizoen wordt verwijderd, er geen overtredingen plaats zullen vinden met betrekking tot deze soorten. In de Wet natuurbescherming wordt geen vaste periode gehanteerd voor het broedseizoen. Globaal kan voor het broedseizoen de periode maart tot eind september worden aangehouden. Indien binnen het broedseizoen gewerkt wordt, dient vooraf aan de werkzaamheden een broedvogelinspectie te worden uitgevoerd. Er dient ook rekening te worden gehouden met de algemene zorgplicht met betrekking tot algemene amfibie-, reptiel- en zoogdiersoorten waarbij al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen. Aantoonbaar werken conform de zorgplicht kan gebeuren door te handelen middels een op maat gemaakt ecologisch werkprotocol dat bij de uitvoerende partij onder de aandacht dient te worden gebracht.

Nader onderzoek met betrekking tot Natura-2000 gebieden en bescherming van houtopstanden wordt niet noodzakelijk geacht, gezien de voorgenomen plannen op de onderzoekslocatie.

Econsultancy Rotterdam, 18 december 2020

R 14400.004 versie D1

Pagina 22 van 22

GERAADPLEEGDE BRONNEN Ministerie van Economische Zaken 2016. Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen. Lees hier wat de Wet natuurbescherming daarover regelt. Versie 1.3, december 2016. Ministerie van Economische Zaken, Den Haag. Nationale Database Flora en Fauna (NDFF), uitvoerportaal; https://ndff-ecogrid.nl, zoekgebied 3 km rondom onderzoekslocatie, periode 2015-2020 Algemene websites www.sovon.nl (soortgegevens vogels) www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/ (Natura 2000-gebieden en Beschermde Natuurmonumenten) www.verspreidingsatlas.nl/ (verspreidingsgegevens NDFF) www.ravon.nl (soortgegevens amfibieën, reptielen en vissen) www.rijksoverheid.nl (natuurwetgeving) www.mijn.rvo.nl (natuurwetgeving) www.rvo.nl (nationale natuurwetgeving en soortenstandaarden) www.zoogdiervereniging.nl (soortgegevens zoogdieren) www.bij12.nl (Kennisdocumenten Soorten Natuurbescherming) Provinciale websites www.brabant.nl (NNN en beschermde gebieden in Noord-Brabant) www.brabant.nl (Omgevingsverordening Noord-Brabant 2020)

R 14400.004 versie D1

Bijlage 1 toelichting verbodsbepalingen Wet natuurbescherming Zorgplicht Het eerste artikel in de Wet natuurbescherming heeft betrekking op de zorgplicht en heeft betrekking op het voorkomen of beperken van schade aan soorten en gebieden, voor zover deze niet middels overige verbodsbepalingen zijn gereguleerd (zie tabel II). Het gaat daarbij in de praktijk vooral om minder streng beschermde soorten, waarbij het onnodig doden, verwonden of beschadigen dient te worden vermeden. Tabel II. Zorgplicht Artikel 1.11. Zorgplicht 1. 2.

Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. De zorg houdt in elk geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: a) dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, b) indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of c) voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt.

Overtreding van de zorgplicht is niet strafbaar gesteld; de zorgplicht kan wel door toepassing van zorgplicht brengt met zich mee dat wanneer men een bepaalde handeling wilt verrichten die gevolgen voor natuurwaarden zou kunnen hebben, men zich daaraan voorafgaand op de hoogte stelt van de aanwezige natuurwaarden, de kwetsbaarheid ervan en de mogelijke gevolgen daarvoor van het voorgenomen handelen. De zorgplicht is te allen tijde van toepassing, ook al vindt er geen overtreding van een verbodsbepaling plaats. Indien er aanleiding is maatregelen te nemen ten aanzien van de zorgplicht, zal dat voor het betreffende beschermde natuurgebied en de betreffende soortgroep in deze rapportage worden aangegeven. Soortenbescherming De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten; soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); andere soorten (artikel 3.10). In tabel III t/m V worden deze artikelen nader toegelicht.

R 14400.004 versie D1

Tabel III. Verbodsbepalingen en toelichting Artikel 3.1 Wet natuurbescherming Artikel 3.1. Soorten van de Vogelrichtlijn 1.

Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.

2. 3. 4. 5.

Toelichting Alle inheemse vogelsoorten in Nederland vallen onder de Vogelrichtlijn. De Vogelrichtlijn is een richtlijn vanuit de Europese Unie uit 1979 en heeft betrekking op de instandhouding van alle natuurlijk in het wild levende vogelsoorten op het Europese grondgebied van de Lidstaten waarop het Verdrag van toepassing is. De lijst met soorten is niet limitatief.

Tabel IV. Verbodsbepalingen en toelichting Artikel 3.5 Wet natuurbescherming Artikel 3.5. In het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn

1. 2. 3. 4. 5.

Het is verboden in het wild levende dieren van deze soorten in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van deze dieren te beschadigen of te vernielen. Het is verboden planten van soorten uit de Habitatrichtlijn of het Verdrag van Bern in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

Toelichting Het gaat bij artikel 3.5 over in het wild levende dieren van verschillende soortgroepen. In de wet wordt voor vogelsoorten uit bijlage II van het verdrag van Bern geen uitzondering gemaakt. Van de vogelsoorten die in Nederland voorkomen is hieronder een selectie gemaakt. Van de overige soortengroepen zijn alle soorten genoemd. Soorten Planten

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://gemeenteraad.halderberge.nl/api/v1/meetings/558/documents/16288