NL.IMRO.1655.BP4013-C001 Toelichting.pdf
Tekst van het document
Het omgevingstype gemengd gebied Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend. Beoordeling In onderhavig geval is sprake van het type rustige woonwijk, aangezien het plan voornemens is de realisatie van een woonbuurt met uitsluitend woonfuncties mogelijk te maken. Aan de oost- en noordzijde grenst het plangebied aan bestaande woonbuurten. Het dichtstbijzijnde bedrijf, een boom- en fruitteeltbedrijf, ligt op een afstand van ongeveer 80 meter van het plangebied. Voor deze inrichting geldt een richtafstand van 30 meter voor het aspect geluid (SBI-2008 code 011, 012, 013). In het geval dat gespoten wordt met gewasbeschermingsmiddelen voor de teeltgronden geldt een aan te houden afstand van 50 meter. Aan deze richtafstanden wordt ruimschoots voldaan.
In de omgeving van het plangebied liggen verder geen milieu-inrichtingen die mogelijk een belemmering vormen voor het planvoornemen. Bedrijven zijn op ruim voldoende afstand van het woongebied gelegen. Hierdoor wordt het woon- en leefklimaat binnen het plangebied in voldoende mate gegarandeerd en wordt het bedrijf niet in de bedrijfsactiviteiten beperkt.
55
Bestemmingsplan ‘Esdoornlaan’
Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect bedrijven en milieuzonering geen belemmering vormt voor het voorliggende plan. Ter plaatse is een goed woon- en leefklimaat verzekerd. 5.10 Geurhinder Toetsingskader De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt vanaf 1 januari 2007 het toetsingskader voor vergunningverlening, als het gaat om geurhinder vanwege dierverblijven van veehouderijen. De Wgv geeft onder andere normen voor de voorgrondbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object. Met de voorgrondbelasting wordt de geurbelasting van een individuele veehouderij bedoeld en wel van díe veehouderij welke de meeste geur op het geurgevoelige object veroorzaakt, hetzij omdat het een grote veehouderij betreft, hetzij omdat de veehouderij dicht bij het geurgevoelige object is gelegen; de dominante veehouderij. De gemeente Halderberge heeft geen geurverordening vastgesteld. Derhalve zijn de geurnormen uit de Wet geurhinder en veehouderij van toepassing. Halderberge is niet gelegen buiten een concentratiegebied van veehouderijen. In artikel 3 van de Wgv zijn de geurnormen op gevoelige objecten bepaald.
Een omgevingsvergunning met betrekking tot een veehouderij wordt geweigerd indien de geurbelasting van die veehouderij op een geurgevoelig object, gelegen buiten een concentratiegebied, binnen de bebouwde kom meer bedraagt dan 2,0 odour units per kubieke meter lucht. Onverminderd artikel 3 van de Wgv bedraagt de afstand van de buitenzijde van een dierenverblijf tot de buitenzijde van een geurgevoelig object ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen. Voorts zijn enkele veehouderijen in de omgeving van het plangebied gelegen. Onderstaand een weergave van deze veehouderijen met de bijbehorende afstanden. Adres
Veehouderij
Richtafstand
Bosschenhoofdseweg 23 Zegge Bosschenhoofdseweg 19 Zegge
Melkveehouderij
100 meter
Gemeten afstand 300 meter
Melk- en kalfkoeienbedrijf
100 meter
410 meter
Uit bovenstaande tabel blijkt dat ruimt wordt voldaan aan richtafstanden van de omliggende veehouderijen. Vanwege de grote afstand tot veehouderijen wordt aangenomen dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied. De achtergrondbelasting binnen het plangebied is goed. Dit wordt bevestigd door de achtergrondbelastingkaart (percentage geurgehinderden).
56
Gemeente Halderberge
Uitsnede achtergrondbelastingkaart (bron: Atlas Leefomgevingskwaliteit, 2019). Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect geurhinder geen belemmering vormt voor het voorliggende plan. Ter plaatse is een goed woon- en leefklimaat verzekerd. 5.11 Gezondheid en endotoxinen Toetsingskader Op 7 juli 2016 zijn de onderzoeksrapporten ‘Veehouderij en gezondheid omwonenden (VGO)’ en ‘Emissies van endotoxinen uit de Veehouderij’ gepubliceerd, waarin wordt aangetoond dat omwonenden rond veehouderijen gezondheidsrisico’s lopen door blootstelling aan emissies afkomstig van deze veehouderijen Endotoxinen zijn voor luchtwegklachten een relevante component in de (fijn) stofemissie. Beoordeling De voorgenomen ontwikkeling heeft een minimale toename van fijn stof tot gevolg (voertuigbewegingen van bewoners). De te verrichten beoordeling kijkt nu met name of de beoogde woning een onaanvaardbare hoge endotoxinebelasting zal ondergaan. In een straal van 2 kilometer rond het plangebied zijn slechts twee veehouderijen gelegen, aan de Bosschenhoofdseweg 23 en 19. Beide bedrijven emitteren geen fijn stof op grond van de verleende vergunningen. Vanwege de grote afstand tot stallen wordt niet verwacht dat endotoxinen een bedreiging zullen vormen voor de gezondheid van toekomstige bewoners binnen het plangebied. Het plangebied ligt buiten de zone van 2 kilometer van geitenhouderijen.
Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect gezondheid en endotoxinen geen belemmering vormt voor onderhavige ontwikkeling. Er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de beoogde woningen in het plangebied.
57
Bestemmingsplan ‘Esdoornlaan’
5.12 Luchtkwaliteit Toetsingskader In het kader van een planologische procedure dient te worden aangetoond dat voldaan wordt aan de wettelijke normen voor wat betreft luchtkwaliteit. Hierbij dient het effect op de luchtkwaliteit in de omgeving als gevolg van een nieuwe ontwikkeling, als ook de toetsing aan de Wet luchtkwaliteit in beeld te worden gebracht. Op 15 november 2007 is de ‘Wet luchtkwaliteit’ (Wlk) in werking getreden. Met de Wlk wordt de wijziging van de Wet milieubeheer op het gebied van luchtkwaliteitseisen (Hoofdstuk 5 titel 2 Wm, Stb. 2007, 414) bedoeld. In de Wlk zijn luchtkwaliteitseisen opgenomen voor luchtverontreinigende stoffen in de buitenlucht. Met name de stoffen stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10) worden beleidsmatig relevant geacht. Het luchtkwaliteitsonderzoek beperkt zich dan ook tot deze twee stoffen.
Een bestemmingsplan kan worden vastgesteld indien aannemelijk kan worden gemaakt dat: • door de vaststelling (van het besluit), al dan niet in combinatie met maatregelen, de luchtkwaliteit niet in betekenende mate (NIBM) verslechtert (maximaal 1,2 μg/m³) (Wm artikel 5.16.1.c), ofwel dat; • de luchtkwaliteit door de vaststelling (van het besluit), al dan niet in combinatie met de maatregelen, per saldo verbetert of tenminste gelijk blijft (Wm artikel 5.16.1.b.1°), ofwel dat; • bij een beperkte verslechtering van de luchtkwaliteit vanwege de vaststelling (van het besluit), de luchtkwaliteit in een gebied rondom de inrichting per saldo verbetert (Wm artikel 5.16.1.b.2°). De verbetering en verslechtering zullen beide moeten gelden voor overschrijdingssituaties en dienen te worden betrokken op de concentraties van NO 2 en/of PM10, ofwel dat; • er geen grenswaarden worden overschreden. In het Besluit ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM) en de ministeriële regeling ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Regeling NIBM) zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM. De 'regeling niet in betekenende mate bijdragen' kan in sommige situaties worden toegepast. Voor projecten die de hoeveelheid fijn stof en stikstofdioxide in de lucht met maximaal 3% verhogen hoeven geen aanvullende maatregelen getroffen te worden.
Het project draagt dan niet in betekende mate (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging. Wanneer hiervan sprake is, wordt voldaan aan artikel 5.16 eerste lid, onder c van de Wm en kan een uitgebreid luchtonderzoek achterwege blijven. De Regeling NIBM geeft voor een aantal categorieën van projecten een (getalsmatige) invulling aan de NIBM-grens. Het gaat om woningbouw- en kantoorprojecten en enkele soorten van inrichtingen (bijv. emplacementen, kassen en andere landbouwinrichtingen). Beoordeling Onderhavig plan betreft de realisatie van maximaal 20 grondgebonden woningen. De beoogde functie heeft geen significante verkeersaantrekkende werking. De ondergrens van NIBM betreft de realisatie van 1500 woningen en één ontsluitingsweg. Deze grens wordt niet gehaald; waardoor de ontwikkeling als NIBM is aan te merken.
58
Gemeente Halderberge
Ter beoordeling van het woon- en leefklimaat is gebruik gemaakt van GCN kaarten (Grootschalige concentratiekaarten Nederland). Deze kaarten zijn beschikbaar gesteld per 15 maart 2017. De gemiddelde concentratie stikstofdioxide (NO2) binnen de gemeente Halderberge varieert tussen de 15 en 25 µg/m3. De grenswaarden voor een jaargemiddelde fijnstofconcentratie van 40 µg/m3 wordt niet overschreden. De gemiddelde fijn stof concentratie (PM10) binnen de gemeente Halderberge varieert tussen de 18 en 20 µg/m3. De grenswaarde voor een jaargemiddelde fijnstofconcentratie van 40 µg/m 3 wordt niet overschreden.
Stikstofdioxide en fijn stof concentraties in de gemeente Halderberge. Bron: grootschalige concentratie- en depositiekaarten Nederland (GCN en GDN, 2018).
Voor PM10 geldt voor het jaargemiddelde een grenswaarde van 40 µg/m 3. Het 24uursgemiddelde van 50 µg/m3 mag maximaal 35 dagen per kalenderjaar worden overschreden. Voor NO2 geldt voor het jaargemiddelde een grenswaarde van 40 µg/m 3. Het 24-uursgemiddelde van 200 µg/m3 mag maximaal 18 dagen per kalenderjaar worden overschreden. Conclusie Uit het voorgaande blijkt dat de luchtkwaliteit vanwege het plan niet in betekenende mate verslechterd. Geconcludeerd kan worden dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor de onderhavige wijziging. 5.13 Externe veiligheid Op basis van de risicokaart kan vastgesteld worden of er in de omgeving van het plangebied sprake is van bijzondere (BEVI)inrichtingen of vervoer van gevaarlijke stoffen die een belemmering voor het planvoornemen zouden kunnen vormen in het kader van de externe veiligheid. 5.13.1 Inrichtingen en externe veiligheid Toetsingskader Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) is gericht aan het bevoegd gezag inzake de Wet milieubeheer en de Wet ruimtelijke ordening en heeft onder meer tot doel om bij nieuwe situaties toetsing aan de risiconormen te waarborgen. In de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) zijn o.a. standaardafstanden opgenomen waarbij wordt voldaan aan de grens- en richtwaarden voor het plaatsgebonden risico. Het Bevi is van
59
Bestemmingsplan ‘Esdoornlaan’
toepassing op vergunningplichtige risicovolle bedrijven en de nabijgelegen al dan niet geprojecteerde (beperkt) kwetsbare objecten. In artikel 2, lid 1 van het Bevi is opgesomd wat wordt verstaan onder risicovolle bedrijven. In artikel 1 van het Bevi wordt toegelicht wat wordt verstaan onder (beperkt) kwetsbare objecten. Voor de toepassing van het Bevi, wordt een nieuw ruimtelijk besluit gezien als een nieuwe situatie. Beoordeling Het plan ligt niet binnen het invloedsgebied van Bevi-inrichtingen. Zodoende zijn deze risicobronnen niet relevant voor het plan.
Uitsnede risicokaart met het plangebied aangeduid (bron: landelijke risicokaart)
5.13.2 Transport en externe veiligheid Toetsingskader Beoordeling van de risico’s veroorzaakt door het vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor, het water en de weg dient plaats te vinden aan de hand van het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), als in werking per 1 april 2015. Bij het besluit horen grensen richtwaarden voor het plaatsgebonden risico en richtlijnen voor de toepassing van de rekenmethodiek en de verantwoording van het groepsrisico. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen langs transportassen die deel uitmaken van het Basisnet Weg, Water en/of Spoor kan de berekening van het plaatsgebonden risico achterwege blijven. Hiervoor gelden namelijk de afstanden die in bijlage I, II en III van de Regeling basisnet zijn opgenomen. Op deze afstanden mag het plaatsgebonden risico vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen niet meer bedragen dan 10-6 per jaar. Voor het Basisnet Weg geldt dat daar waar in de tabel van bijlage 2 van het Bevt de afstand ‘0’ is vermeld het plaatsgebonden risico vanwege het vervoer op het midden van de weg niet meer mag bedragen dan 10-6 per jaar.
60
Gemeente Halderberge
Beoordeling De A58 is een transportroute voor gevaarlijke stoffen op circa 1,1 km van het plangebied. Volgens de referentieaantallen conform de website van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu, vinden transporten plaats in de categorie GT4 (zeer toxische gassen), hetgeen een stofgroep is die een invloedsgebied heeft van > 4km. Voor het spoortraject geldt dat dit circa 400 meter van het plangebied is gelegen en hierover transport plaatsvindt van de stofcategorieën ‘B3’ en ‘D4’ met beide een invloedsgebied van > 4km. Om die reden dient op basis van artikel 7 van het Bevt ingegaan te worden op de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. Men hoeft uitsluitend rekening te houden met toxische scenario’s. Veiligheidsvoorschriften bij toxische scenario’s zijn opgenomen in het standaard advies van de veiligheidsregio Midden- en West-Brabant. Een standaard advies van de veiligheidsregio Midden- en West-Brabant is een afdoende verantwoording van de veiligheidsrisico’s. Dit standaardadvies inclusief de standaard verantwoording van het groepsrisico is als bijlage 11 toegevoegd aan de toelichting. 5.13.3 Buisleidingen en externe veiligheid Toetsingskader Beoordeling van de risico's veroorzaakt door het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen geschiedt aan de hand van het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb), als in werking getreden per 1 januari 2011.
Ten aanzien van het Bevb bestaat de noodzaak om een ruimtelijke reservering op te nemen voor het plaatsgebonden risico (PR) en een verantwoording van het groepsrisico (GR) van relevante buisleidingen. Binnen de PR 10-6 risicocontour mogen geen kwetsbare objecten aanwezig zijn en zo mogelijk ook geen beperkt kwetsbare objecten. Het verwachte aantal aanwezigen binnen het invloedsgebied van de buisleiding moet worden verantwoord. dat invloedsgebied reikt bij brandbare vloeistoffen tot net buiten de 10-6 contour, voor leidingen met aardgas en chemicaliën moet dat per geval berekend worden. Beoordeling Op ruim 600 meter ten westen en ruim 850 meter zuiden van het plangebied ligt een aardgasbuisleiding met een uitwendige diameter van 324 mm en een werkdruk van maximaal 40 bar. De hogedruk aardgasleiding Z-529, die ten westen ligt, heeft een werkdruk van 66 bar. Het plan is gelegen buiten het invloedsgebied van buisleidingen en zodoende zijn deze risicobronnen niet relevant voor het plan. 5.13.4 Eindconclusie Op basis van het voorgaande kan worden geconcludeerd dat het aspect externe veiligheid geen belemmering vormt voor het plangebied. 5.14 Kabels, leidingen en straalpaden Toetsingskader Kabels en leidingen De hierna volgende kabels en leidingen zijn planologisch relevant, voor zover zij geen deel uitmaken van een inrichting zoals bedoeld in de Wet milieubeheer.
1) • hoogspanningsverbindingen van 50 kV en hoger; • buisleidingen voor transport van aardgas met een uitwendige diameter van meer dan 50 mm en een druk van meer dan 16 bar; 61
Bestemmingsplan ‘Esdoornlaan’
• buisleidingen voor transport van aardolieproducten met een uitwendige diameter van meer dan 70 mm en een druk van meer dan 16 bar; • buisleidingen met een diameter van 400 mm of meer buiten de bebouwde kom; • buisleidingen voor transport van andere stoffen dan aardgas en aardolieproducten, die risico’s met zich meebrengen voor mens en/of leefomgeving wanneer deze leidingen beschadigd raken2) 1. ‘Leidingen die deel uitmaken van een inrichting’ zijn leidingen binnen de inrichtingsgrens die in beheer zijn van de drijver van de inrichting én leidingen die in beheer zijn van derden waarmee een product wordt geleverd aan de betreffende inrichting (Laatgenoemde leidingen hebben een zgn. functionele binding met de inrichting, zoals bedoeld in de Wet milieubeheer). 2. Onder zgn. ‘leidingen voor andere stoffen dan aardgas en aardolieproducten’ worden in ieder geval leidingen verstaan voor transport van nafta, waterstof, koolstofdioxide, stikstof, zuurstof, ethyleen en propyleen.
Beoordeling Kabels en leidingen Op ruim 600 meter ten westen en ruim 850 meter zuiden van het plangebied ligt een aardgasbuisleiding met een uitwendige diameter van 324 mm en een werkdruk van maximaal 40 bar. Ter plaatse van het plangebied zelf zijn geen planologisch relevante kabels en leidingen aanwezig. Indien nodig zal in een later stadium van onderhavig plan een KLIC-melding worden uitgevoerd. Conclusie Er zijn geen planologisch relevante kabels en leidingen aanwezig binnen het plangebied of in de directe nabijheid ervan. De dichtstbijzijnde relevante leiding is de aardgasleiding ten westen en zuiden van het plangebied. Deze ligt echter dusdanig ver van het plangebied verwijderd, dat deze geen belemmering vormt voor het planvoornemen. Het aspect kabels, leidingen en straalpaden vormt dan ook geen belemmering voor onderhavig bestemmingsplan. 5.15 Milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling Toetsingskader Behalve aan de uitvoeringsaspecten bedoeld in de Awb en het Bro dient ook te worden getoetst aan de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r of er sprake is van een mogelijke verplichting tot het opstellen van een milieueffectrapportage. Een milieueffectrapportage (MER), en de bijbehorende procedure (m.e.r.), is een hulpmiddel om de belangen van het milieu volwaardig te betrekken bij de besluitvorming omtrent plannen en projecten.
Het gaat hierbij wel enkel om plannen en projecten die kunnen leiden tot initiatieven waarmee het milieu mogelijk nadelig kan worden beïnvloed. Als uitgangspunt geldt voor plannen de onderstaande criteria om te beoordelen of een MER noodzakelijk is: 1. Plannen die kaderstellend zijn voor toekomstige m.e.r.- (beoordelings)plichtige besluiten (boven de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r.); 2. Plannen waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000 gebieden; 3. Plannen en activiteiten die o.g.v. een provinciale milieuverordening zijn aangewezen als MER-plichtig. Per 1 april 2011 is het Besluit m.e.r gewijzigd. De belangrijkste aanleidingen hiervoor zijn de modernisering van de m.e.r wetgeving in 2010 en de uitspraak van het Europese Hof
62
Gemeente Halderberge
van 15 oktober 2009 (HvJ EG 15 oktober 2009, zaak C-255/08 – Commissie vs. Nederland). Deze wijziging heeft gevolgen voor eerstgenoemd criteria om te beoordelen of een MER noodzakelijk is. Uit deze uitspraak volgt dat de omvang van een project niet het enige criterium mag zijn om wel of geen me.r.(-beoordeling) uit te voeren. Ook als een project onder de drempelwaarde uit de C- of D-lijst blijft, kan een project belangrijke nadelige gevolgen hebben, als het bijvoorbeeld in of nabij een kwetsbaar natuurgebied ligt. Gemeenten en provincies moeten daarom per 1 april van 2011 ook bij 'kleine projecten' (projecten onder de drempelwaarden van de C- of D-lijst) beoordelen of een m.e.r.(beoordeling) nodig is. Dit wordt de 'vormvrije m.e.r.-beoordeling' genoemd. Deze beoordeling houdt in dat er bekeken moet worden of er bij het initiatief sprake is van dusdanig bijzondere omstandigheden of milieueffecten dat er toch een MER moet worden opgesteld. Hierbij wordt gekeken naar de selectiecriteria uit bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn (2011/92/EU), welke o.a. de omvang van het project, de cumulatie met andere projecten en het gebruik van natuurlijke hulpbronnen betreffen.
Beoordeling noodzakelijkheid m.e.r.-beoordeling Een plan is kaderstellend voor een toekomstig m.e.r.- (beoordelings)plichtig besluit indien er sprake is van een overschrijding van de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r. In onderhavige situatie is er sprake van de bouw van 20 grondgebonden woningen. Een dergelijke activiteit wordt niet genoemd op de C-lijst. Het bouwen van woningen komt wel voor op de D-lijst, onder categorie D11.2, ‘de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.’ Bij een dergelijke activiteit is er sprake van een m.e.r.beoordelingsplichtig besluit indien de activiteit betrekking heeft op: 1. een oppervlakte van 100 hectare of meer; 2. een aaneengesloten gebied en 2000 woningen of meer omvat; 3. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. Onderhavige ontwikkeling heeft betrekking op de realisatie van maximaal 20 grondgebonden woningen en blijft daarmee ruimschoots onder de gestelde grenswaarde. Geconcludeerd kan worden dat het plan derhalve niet kaderstellend is voor een m.e.r.(beoordelings)plichtig besluit. Wat betreft het eerste criterium geldt er derhalve geen plicht tot het opstellen van een MER. Als bijlage 11 van de toelichting is een aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling toegevoegd. Het besluit hierover is 26 mei 2020 genomen.
Hieruit zijn geen belangrijke nadelige milieugevolgen gebleken, waaruit bovendien geconcludeerd kan worden dat er geen noodzaak is tot het opstellen van een MER. Ten aanzien van het tweede criterium inzake een mogelijke MER-plicht, geldt dat er bij onderhavige situatie geen sprake is van een plan waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Onderhavige ontwikkeling heeft met zekerheid geen mogelijk significant effect op de Natura 2000-gebieden. Ten aanzien van het derde criterium geldt dat onderhavige activiteit niet is aangewezen als MER-plichtig op grond van de Provinciale milieuverordening.
63
Bestemmingsplan ‘Esdoornlaan’
Conclusie Zoals beschreven is er bij onderhavig plan geen sprake van een verplichting tot het opstellen van een MER en het doorlopen van de m.e.r.-procedure o.g.v. het Besluit m.e.r., de Wet natuurbescherming of de Provinciale milieuverordening. Uit de vormvrije m.e.r.beoordeling volgt dat er geen sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen. Er is dus voldaan aan de wettelijke verplichtingen hieromtrent.
64
Gemeente Halderberge
6
JURIDISCHE PLANBESCHRIJVING
6.1
Inleiding Dit hoofdstuk bespreekt de wijze waarop het ruimtelijk en functioneel beleid voor het plangebied in het bestemmingsplan is vertaald. Bij het opstellen van de juridische regeling heeft het uitgangspunt centraal gestaan dat er een regeling geboden wordt die de ontwikkeling van het plangebied mogelijk maakt.
6.2
Vergunningverlening en handhaving Voor een goede vergunningverlening zijn transparante richtlijnen nodig hoe om te gaan met bouwvergunningen, omgevingsvergunning voor het aanleggen, afwijkingen, wijzigingen en eventueel afwijkingen. Met name de laatste categorie is lastig te benoemen. Een algemene richtlijn is dat de eerste jaren er in principe niet afgeweken wordt van het nieuwe plan tenzij er een noodzaak aanwezig is vanuit maatwerk. Voor de vergunningverlening zijn verordeningen van andere overheden ook van belang. Denk hierbij aan het ontgrondingenbeleid en de landschapsverordening, waterverordening en milieuverordening van de provincie en het waterbeleid (de keur) van het Waterschap. Van geval tot geval dient de relevante wet- en regelgeving van deze overheden in beeld te worden gebracht. Het handhavingsbeleid van de gemeente is verwoord in eigen beleid. De beleidsvisie bevat het integrale handhavingsbeleid dat de gemeente Halderberge gaat voeren ten aanzien van de gemeentelijke handhavingstaken op het gebied van openbare orde en veiligheid, brandveiligheid, bouwen, milieu en ruimtelijke ordening. Aan de hand van de bestaande wet- en regelgeving is een inventarisatie gemaakt van alle gemeentelijke handhavingstaken.
Om te kunnen komen tot een adequate handhaving en een juiste prioritering is vervolgens een vertaalslag gemaakt aan de hand van het risicoafwegingsmodel ‘DBC-Risico’. DBC staat voor Diagnose Behandel Combinatie. Dit risicomodel gaat er vanuit dat de prioriteit van een bepaalde handhavingstaak (ten opzichte van een andere handhavingstaak) wordt bepaald door de negatieve effecten die optreden indien op die overtreding niet of onvoldoende wordt gehandhaafd in combinatie met de kans dat een overtreding zal plaatsvinden. Hoe groter het negatieve effect van een overtreding en hoe groter de kans daarop, des te hoger komt de betreffende taak op de prioriteitenlijst te staan. Door op deze prioriterende wijze de uitvoering van de handhaving af te stemmen, kan doelmatig en kostenefficiënt worden gehandhaafd. De huidige wet- en regelgeving – en dan met name de Wabo en het Bor – noodzaakt tot een integraal handhavingsbeleid en daarmee ook tot een integraal toezicht. Voor zover dat in praktijk nog niet of onvoldoende gebeurt, betekent dit dat de handhavende taken en het daarmee gepaard gaande toezicht van de verschillende handhavende instanties en vakdisciplines (nog beter) op elkaar dient te worden afgestemd. Dit vergt een hoge mate van coördinatie en het nastreven van eenduidigheid; zowel op het vlak van preventief als repressief toezicht.
65
Bestemmingsplan ‘Esdoornlaan’
De gemeente Halderberge bepaalt in de jaarlijkse uitvoeringsprogramma’s welke zaken preventief en repressief worden opgepakt en zo ja, in welke mate. Deze keuze zal worden gemaakt op basis van: • de mate waarin een (vermeende) overtreding zich leent voor repressief toezicht, zonder dat dit ten koste gaat van een adequaat handhavingsniveau c.q. uitvoerbaarheid van preventief toezicht en het rendement daarvan; • de dan geldende politiek-maatschappelijke agenda; • de beschikbare manuren (bij een tekort zullen er meer taken repressief worden opgepakt). Ongeacht de in het uitvoeringsprogramma te maken indeling in preventief en repressief toezicht, kan te allen tijde tegen een overtreding worden opgetreden. In het geval er bij controles strijdigheden/overtredingen zijn geconstateerd, dienen er vervolgstappen gezet te worden. Er wordt dan echter niet klakkeloos overgegaan tot een sanctietraject. Als eerste vervolgstap wordt namelijk onderzoek gedaan naar de vraag of er omstandigheden zijn die, ondanks het beginselprincipe tot handhaving, noodzaken om van handhaving af te zien. In dat kader wordt er onderzoek gedaan naar de vraag of de strijdigheid/overtreding direct of op termijn te legaliseren is of dat er zich dringende omstandigheden voordoen die noodzaken tot gedogen.
Pas indien is vastgesteld dat de omstandigheden tot legalisering of gedogen zich niet voordoen, wordt een sanctietraject ingezet langs de lijn die beschreven is in hoofdstuk 5 van het handhavingsbeleid. Daarbij dient overigens opgemerkt te worden dat de vraag of legalisering of gedogen aan de orde is opnieuw kan opspelen als er tijdens het sanctietraject gegevens bekend worden die de vraag om te legaliseren of gedogen tijdens het ingezette sanctietraject actueel maken. 6.3
Opbouw van de regels Het bestemmingsplan bestaat uit regels en een verbeelding, vergezeld van een toelichting. De regels en de verbeelding vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. De regels zijn zodanig opgesteld dat wordt aangesloten bij het gemeentelijk handboek. De verbeelding heeft de rol van visualisering van de bestemmingen. De verbeelding omvat de gronden die voor de ontwikkeling van het plan van belang zijn. De keuze van de bestemmingen en de situering van de bestemmingsvlakken is gebaseerd op de huidige ruimtelijke situatie en de gewenste functies. Voorts sluit de opzet van de verbeelding aan op de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012). De regels regelen hoe de betreffende gronden mogen worden gebruikt en bebouwd. De bestemmingen zijn zo opgenomen dat voldoende rechtszekerheid bestaat voor omwonenden en andere gebruikers van het gebied en de omliggende gebieden. De regels bestaan uit vier hoofdstukken, te weten: • inleidende regels; • bestemmingsregels; • algemene regels; • overgangs- en slotregels. In de toelichting wordt gemotiveerd waarom sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Ondanks het feit dat de toelichting geen onderdeel uitmaakt van het juridisch plangedeelte,
66
Gemeente Halderberge
fungeert de toelichting wel als interpretatiekader voor de uitleg van de regels, indien hierover interpretatieverschillen blijken te bestaan. Hoofdstuk 1 ‘Inleidende regels’ Artikel 1 ‘Begrippen’ In dit artikel worden begrippen gedefinieerd, die in de regels worden gehanteerd. Bij de toetsing aan het bestemmingsplan moet worden uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis. Artikel 2 ‘Wijze van meten’ In dit artikel wordt aangegeven hoe de hoogte en andere maten, die bij het bouwen in acht genomen dienen te worden, gemeten moeten worden. Hoofdstuk 2 ‘Bestemmingsregels’ Het stramien voor de regels is vastgelegd in de SVBP 2012. De regels van een bestemming worden als volgt opgebouwd en benoemd: • bestemmingsomschrijving; • bouwregels; • nadere eisen; • afwijken van de bouwregels; • specifieke gebruiksregels; • afwijken van de gebruiksregels; • omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden; • omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk; • wijzigingsbevoegdheid. Duidelijk zal zijn dat een regel niet alle elementen hoeft te bevatten. Dit kan per bestemming verschillen. Groen (artikel 3) Binnen de bestemming ‘Groen’ is met name openbaar groen opgenomen dat een structurele betekenis heeft voor de beleving van de buurt of voor de ecologische structuur.
Het verschil met de groenvoorzieningen bijvoorbeeld uit de bestemming ‘Verkeer’ is dat in deze bestemming de structurele groenvoorzieningen worden opgenomen. Naast het feitelijke groen zijn binnen deze bestemming onder meer ook speelvoorzieningen (evenals kunstgrasvelden), nutsvoorzieningen, parkeren, bruggen voor langzaam verkeer en voeten fietspaden toegestaan. In de regels worden voorwaardelijke verplichtingen opgenomen, waarmee de realisatie van voldoende waterberging en landschappelijke inpassing binnen de bestemming ‘Groen’ wordt gerealiseerd. Bebouwing is uitsluitend toegestaan in de vorm van bouwwerken, geen gebouwen zijnde. De maximale hoogten voor de verschillende bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn in de planregels vastgelegd.
67
Bestemmingsplan ‘Esdoornlaan’
Verkeer (artikel 4) Alle wegen en enkele verblijfsgebieden binnen het plangebied krijgen de bestemming ‘Verkeer’. Verder vallen binnen deze bestemming de openbare ruimten, parkeervoorzieningen en de groenvoorzieningen die niet worden gerekend tot het structurele groen van het gebied. Binnen deze bestemming is uitwisselbaarheid van verschillende functies in het openbare gebied toegestaan. Bebouwing is uitsluitend toegestaan in de vorm van bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Gebouwen zijn enkel toegestaan ten behoeve van nutsvoorzieningen. De maximale hoogten voor de verschillende bouwwerken zijn in de planregels vastgelegd. Wonen (artikel 5) Binnen de bestemming ‘Wonen’ zijn de woningbouwlocaties opgenomen. Tuinen, eventuele achterpaden en andere privéruimten zijn daarbij inbegrepen. Daarnaast zijn de gronden bestemd voor het voorzien in de parkeerbehoefte, groenvoorzieningen, water, nutsvoorzieningen en speelvoorzieningen. Het plan staat uitsluitend grondgebonden woningen van het type aaneengebouwd, tweeaan-een en vrijstaand toe. Grondgebonden woningen mogen enkel binnen het bouwvlak gebouwd worden.
Hoofdstuk 3 ‘Algemene regels’ Artikel 6 Anti-dubbeltelbepaling De anti-dubbeltelbepaling moet op grond van het Besluit ruimtelijke ordening worden opgenomen om bijvoorbeeld te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein niet nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. Artikel 7 Algemene bouwregels In dit artikel worden regels geformuleerd voor ondergronds bouwen. Artikel 8 Algemene gebruiksregels In dit artikel wordt aangegeven welk gebruik voor het gehele plangebied in elk geval als strijdig gebruik wordt beschouwd. Daarnaast worden voorwaarden genoemd voor een beroeps- of bedrijfsactiviteit aan huis. Voldoende parkeergelegenheid is via deze regels geborgd. De aanleg en instandhouding van een landschappelijk inpassingsplan en voldoende waterberging wordt eveneens via de algemene gebruiksregels verzekerd. Artikel 9 Algemene aanduidingsregels In dit artikel worden de aanduidingen ‘luchtvaartverkeerzone’, ‘milieuzone grondwaterbeschermingsgebied’ en ‘milieuzone – boringsvrije zone’ beschreven.
–
Grondwaterbeschermingsgebieden liggen rondom waterwingebieden. In zo’n gebied kunnen meerdere bestemmingen liggen, zoals verkeer, wonen en bedrijven. Vervuiling van het grondwater is echter niet toegestaan. Binnen een grondwaterbeschermingsgebied is er een 25-jaarszone en een 100-jaarszone. De 25-jaarszone is een gebied waar een beschermende kleilaag ontbreekt. In zeer kwetsbare gebieden ligt hier nog een 100-
68
Gemeente Halderberge
jaarszone omheen. Deze ‘schillen’ zijn aangebracht om voldoende tijd te hebben om maatregelen te nemen om de zuivering van het drinkwater aan te passen, als er onverhoopt een verontreiniging optreedt. Binnen grondwaterbeschermingsgebieden mag voor bijvoorbeeld funderingen of kelders niet dieper worden gegraven dan 3 m onder het peil, om de kwaliteit van het grondwater te beschermen. Tot een diepte van 3 m zijn de risico’s voor het grondwater beperkt. Burgemeester en wethouders kunnen een omgevingsvergunning verlenen waarmee wordt toegestaan om een bouwwerk te bouwen dat dieper ligt dan 3 m. Er moet een zorgvuldige afweging plaatsvinden om te zorgen dat de risico’s voor de kwaliteit van het grondwater niet toenemen. Voor bouwwerken dieper dan 3 m onder het peil is onderzoek naar de effecten op het grondwater noodzakelijk. Hier uitleg toevoegen over de diepte: is nu 3 meter, wordt wellicht aangepast, gemeente moet overleggen met provincie. Burgemeester en wethouders moeten, voordat zij de omgevingsvergunning verlenen, overleggen met de provincie (ODZOB). De ODZOB zal adviseren over de risico’s van de werkzaamheden. De interim omgevingsverordening van de provincie Noord-Brabant bevat instructieregels richting gemeenten. Een van die instructieregels is dat het bestemmingsplan voor een boringsvrije zone mede moet zorgen voor behoud van de beschermende kleilaag in de bodem.
Hieraan geeft de gemeente invulling door middel van een aanlegvergunningenstelsel voor activiteiten in de bodem die de beschermende kleilaag kunnen doorboren. Boringsvrije zones liggen als een schil rond de waterwingebieden. Bij een boringsvrije zone wordt het water gewonnen uit een dieper pakket die wordt afgesloten door een kleilaag. Boringsvrije zones zijn daarom minder kwetsbaar dan grondwaterbeschermingsgebieden. Artikel 10 Algemene afwijkingsregels In deze regels wordt aan het bevoegd gezag de bevoegdheid gegeven om af te wijken van de bestemmingsregels en onderliggende bouwregels op het gebied van onder andere afwijkingen in maatvoering en overschrijding van bebouwingsgrenzen door meetverschillen. Tevens wordt de mogelijkheid geboden om publieksgerichte beroeps- of bedrijfsactiviteit. Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen. Hoofdstuk 4 ‘Overgangs- en slotregels’ Dit hoofdstuk omvat twee artikelen: Artikel 11 Overgangsrecht Dit artikel betreft het overgangsrecht met betrekking tot gebruik van onbebouwde gronden en bouwwerken dat afwijkt van het bestemmingsplan op het moment dat dit rechtskracht verkrijgt. Dit gebruik mag worden voortgezet. Wijziging van het afwijkend gebruik is slechts toegestaan indien de afwijking hierdoor wordt verkleind. Daarnaast zijn overgangsregels opgenomen ten aanzien van het bouwen.
Een bouwwerk dat afwijkt van de bouwregels van het bestemmingsplan op het moment dat dit rechtskracht verkrijgt, mag gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd, of na een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd. De afwijking mag daarbij naar aard en omvang niet worden vergroot. Daarvan mag eenmalig bij een omgevingsvergunning worden afgeweken tot maximaal 10% van de inhoud van het bouwwerk. Het overgangsrecht is niet van toepassing op bouwwerken die reeds in strijd waren met het voorgaande geldende bestemmingsplan.
69
Bestemmingsplan ‘Esdoornlaan’
Artikel 12 Slotregel De regels kunnen worden aangehaald onder de naam: regels van het bestemmingsplan “Esdoornlaan Bosschenhoofd”.
70
Gemeente Halderberge
7
ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID
7.1
Inleiding In dit hoofdstuk wordt de economische uitvoerbaarheid beschreven. Indien het bestemmingsplan voorziet in de uitvoering van werken door de gemeente moet de financieel-economische uitvoerbaarheid hiervan worden aangetoond. Er wordt nader ingegaan op de grondexploitatie en de koppeling met het exploitatieplan.
7.2
Toepassing Grondexploitatiewet De Wet ruimtelijke ordening maakt het vaststellen van een exploitatieplan verplicht voor een aantal bouwactiviteiten wanneer de bouw planologisch mogelijk wordt gemaakt in een bestemmingsplan, een wijziging van een bestemmingsplan of een projectafwijkingsbesluit. De bouwplannen waarbij een exploitatieplan verplicht is staan in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening. Dit betreft onder meer plannen voor de bouw van een of meer woningen en de bouw van een of meer andere hoofdgebouwen. Bovendien is een exploitatieplan nodig als locatie-eisen (aan openbare ruimte of woningcategorieën) gesteld moeten worden en/of het bepalen van een tijdvak of fasering noodzakelijk is. Geen exploitatieplan is nodig indien het verhaal van de kosten van grondexploitatie anderszins verzekerd is en er geen fasering of tijdvak behoeft te worden vastgelegd én geen locatie-eisen (aan openbare ruimte of woningbouwcategorieën) hoeven te worden vastgesteld.
7.3
Economische uitvoerbaarheid Het voorliggende initiatief betreft de realisatie van een nieuwe woonbuurt met 20 wooneenheden. Derhalve is het plan exploitatieplanplichtig. De gemeente Halderberge sluit met de initiatiefnemer een anterieure overeenkomst af, waarin de verantwoordelijkheid voor planschade, plankosten, leges en afspraken omtrent bovenwijkse - en civieltechnische zaken worden vastgelegd. Hierbij dient vermeld te worden dat de gemeente alleen medewerking verleent aan het initiatief, als de exploitatiekosten van het initiatief voor de gemeente niet negatief zijn. De exploitatie is op deze manier verzekerd. Voor de realisatie van het plan hoeft door de gemeente geen investering gedaan te worden. In een tweede overeenkomst worden afspraken omtrent de realisatie, uitvoering en beheer van het landschappelijk inpassingsplan vastgelegd.
7.4
Conclusie Door het sluiten van een anterieure overeenkomst is de economische uitvoerbaarheid ten aanzien van de exploitatiekosten verzekerd.
71
Bestemmingsplan ‘Esdoornlaan’
72
Gemeente Halderberge
8
PROCEDURE
8.1
Vooroverleg Artikel 3.1.1 van het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro) geeft aan dat bij de voorbereiding van een bestemmingsplan burgemeester en wethouders overleg met de besturen van bij het plan betrokken waterschappen plegen. Waar nodig plegen zij tevens overleg met besturen van andere gemeenten, met de provincie, de inspecteur voor de ruimtelijke ordening en met eventuele andere diensten van Rijk en provincie die belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn. De provincie Noord-Brabant heeft op 3 juli 2020 bericht slechts enkele tekstuele opmerkingen te hebben. Deze zijn verwerkt in de toelichting. Ten aanzien van de waterbergingsopgave en de nabijheid van de A-watergang is tijdig overleg gevoerd met waterschap Brabantse Delta. Tevens is naar aanleiding van de vooroverlegreactie van het waterschap overleg gevoerd met de gemeente Halderberge en het Waterschap. Tijdens dit tweede overleg is de wijze van berekenen van de wateropgave overeengekomen, alsmede de wijze waarop dit geborgd wordt in het plan. De waterbergende voorziening is geborgd in de regels en in het landschappelijk inpassingsplan, als bijlage van de regels, van onderhavig bestemmingsplan. In de regels is het minimaal benodigde aantal kubieke meter aan waterberging geborgd.
Tevens is de uitvoering van de waterbergende voorziening toegevoegd aan het landschappelijke inpassingsplan en gekoppeld aan de planregels. Vanuit de veiligheidsregio is opgemerkt dat het standaard advies van de brandweer en de standaard verantwoording van het groepsrisico van regio Midden-West Brabant kan worden overgenomen. Dit advies is opgenomen als bijlage 12 bij de toelichting. Overige inspraakreacties van overlegpartners zijn toegevoegd als bijlage 13 bij de toelichting. Deze reacties hebben niet tot inhoudelijke wijzigingen van het plan geleid.
8.2
Inspraak Het gemeentebestuur kan op grond van de inspraakverordening de ingezetenen van de gemeente en belang hebbende natuurlijke personen en rechtspersonen bij de voorbereiding van (herziening van) bestemmingsplannen betrekken. In relatie daarmee bepaalt artikel 150 van de Gemeentewet onder meer dat in een gemeentelijke inspraakverordening moet worden geregeld op welke wijze bovenbedoelde personen en rechtspersonen hun mening kenbaar kunnen maken. Op woensdag 28 augustus 2019, van 19:00 tot 21:00, heeft de ontwikkelaar een omgevingsdialoog georganiseerd in Hotel de Reiskoffer. Bewoners van de gemeente Halderberge zijn hierover geïnformeerd met een persbericht in de Halderbergse Bode en de gemeentelijke facebookpagina. Tijdens de inloopavond zijn het concept stedenbouwkundig plan en de verbeelding van het bestemmingsplan gepresenteerd. Enkele bewoners hebben wat vragen gesteld naar 73
Bestemmingsplan ‘Esdoornlaan’
aanleiding van de plannen. Een verslag van de omgevingsdialoog is toegevoegd als bijlage 14 bij de toelichting. 8.3
Zienswijzen Het ontwerp bestemmingsplan ‘Esdoornlaan Bosschenhoofd’ heeft vanaf donderdag 1 oktober 2020 gedurende zes weken, tot en met 11 november 2020, ter inzage gelegen. Eenieder is in de gelegenheid gesteld zienswijzen in te dienen. Er zijn vier zienswijzen ingediend. Deze hebben niet geleid tot inhoudelijke aanpassingen van het plan. Zienswijze met nummer B 23 heeft geleid tot een cijfermatige aanpassing van de parkeerbalans, deze voldeed reeds aan de gemeentelijke parkeernota, maar de berekening was niet helemaal conform het meest actuele stedenbouwkundige plan. De zienswijzenota is toegevoegd als bijlage 15 van de toelichting.
8.4
Beroep Na vaststelling wordt het plan voor de tweede maal zes weken ter visie gelegd. Gedurende deze periode kunnen belanghebbenden tegen het vaststellingsbesluit beroep instellen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Indien geen beroep wordt ingesteld, is het plan na deze beroepstermijn onherroepelijk en treedt het plan in werking.
74
Gemeente Halderberge
Verbeelding