CConstaterende datHalderberge
Koppel je AI →
Document · PDF

NL.IMRO.1655.BP4013-C001 Toelichting.pdf

Gemeenteraad 11 februari 2021, gemeente HalderbergeBij agendapunt: 9: Bestemmingsplan Esdoornlaan Bosschenhoofd23.435 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

29

Bestemmingsplan ‘Esdoornlaan’

c. gebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere permanente voorzieningen dienen te worden geconcentreerd binnen een bouwperceel. De begrenzing van het beoogde bouwvlak is zodanig afgestemd dat hieraan toepassing wordt gegeven. Voorwaarden ad b: a. Toepassing van de lagenbenadering omvat de effecten op de ondergrond. In hoofdstuk 5 van dit plan wordt ingegaan op deze effecten. b. Toepassing van de lagenbenadering omvat de effecten op de netwerklaag. Voor onderhavig initiatief behoeft slechts infrastructuur voor bestemmingsverkeer te worden aangelegd. Voor het overige heeft het planvoornemen geen effect op een natuurnetwerk, het energienetwerk en waterwegen. De afwikkeling van het verkeer is beschreven in hoofdstuk 3. c. Toepassing van de lagenbenadering omvat de effecten op de bovenste laag. De effecten op het milieu zijn beschreven in hoofdstuk 5. Er wordt geen effect verwacht op de bovenste laag. Voorwaarden ad c: Er dient rekening te worden gehouden met meerwaardecreatie. Hiervoor geldt dat met onderhavig initiatief invulling wordt gegeven aan kwaliteitsverbetering door invulling te geven aan een locatie met daarop een verwilderd landschap. Verdere verloedering wordt daarmee voorkomen en het gebied krijgt een nieuwe kwaliteitsimpuls. De meerwaarde van dit plan wordt in de beeldkwaliteitparagraaf (par. 3.6) en de duurzaamheidparagraaf (par. 3.7) van dit plan gemotiveerd.

De kwaliteitsverbetering van het landschap maakt tevens deel uit van de meerwaardecreatie. Algemene conclusie Het plangebied is in de Interim omgevingsverordening van de provincie Noord-Brabant gelegen binnen het ‘Landelijk gebied’, waarvoor tevens de aanduiding ‘Verstedelijking afweegbaar’ van toepassing is. Binnen deze aanduiding kan voorzien worden in een stedelijke ontwikkeling. Met voorliggend plan wordt aansluiting gevonden bij het bestaand stedelijk gebied en wordt bovendien een nieuw cluster van stedelijke bebouwing gerealiseerd. De meerwaardecreatie is onder andere gemotiveerd in een paragraaf beeldkwaliteit en duurzaamheid. Daarnaast wordt het plan voorzien van een passende landschappelijke inpassing ter realisatie van een duurzame overgang tussen stedelijk en landelijk gebied. Artikel 3.11 Grondwaterbeschermingsgebied Toetsingskader Lid 1 Een bestemmingsplan van toepassing op Grondwaterbeschermingsgebied strekt mede tot bescherming van de kwaliteit van het grondwater en de bodem. Lid 2 Een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid stelt regels die: • functies en activiteiten beperken die risico’s geven voor de kwaliteit van het grondwater, zoals stedelijke ontwikkeling, het houden van evenementen en milieubelastende activiteiten die (potentieel) schadelijke stoffen gebruiken;

30

Gemeente Halderberge

• •

het risico op schade aan de bodem en het zich daarin bevindende grondwater voorkomen; het gebruik van schadelijk uitloogbaar bouwmateriaal verbieden.

Lid 3 Als schadelijk uitloogbaar bouwmateriaal wordt in ieder geval aangemerkt: • zink, lood, koper; • gewolmaniseerd hout; • teerbitumen. Beoordeling Het bestemmingsplan stelt regels ter bescherming van het grondwater. Deze regels zijn vervat in artikel 10.2 van de planregels ‘Milieuzone – grondwaterbeschermingsgebied’. Artikel 3.12 Boringsvrije zone Toetsingskader Lid 1 Een bestemmingsplan van toepassing op Boringsvrije Zone strekt mede tot het behoud van de weerstandbiedende bodemlagen. Lid 2 Een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid stelt regels die het risico op schade aan de bodem en het zich daarin bevindende grondwater voorkomen. Beoordeling Het bestemmingsplan stelt regels ter bescherming van het grondwater. Deze regels zijn vervat in artikel 10.3 van de planregels ‘Milieuzone – grondwaterbeschermingsgebied’. 4.4

Regionaal beleid Perspectief op wonen en woningbouw West-Brabant West (2019) Toetsingskader Het woningbouwprogramma van de gemeente Halderberge 2018-2022 komt voort uit ‘Perspectief op wonen en woningbouw West-Brabant West’ en geeft visie over wonen en woningbouw op regionaal niveau. Het “Perspectief op wonen en woningbouw West-Brabant West 2019” geeft een actuele visie van de subregio West op de toekomstige ontwikkelingen op de regionale woningmarkt. Ook geeft dit document het actuele bestuurlijke afsprakenkader weer, die een resultaat is van regionale samenwerking, afstemming en afweging. Het regionale perspectief is een doorontwikkeling van de eerder Regionale Agenda Wonen en zet in op vernieuwen en versterken van de regionale samenwerking. Naast een lange termijn perspectief voor de subregio met regio specifieke opgaven en prioriteiten bevat deze een concrete uitvoeringsgerichte agenda voor de korte termijn.

31

Bestemmingsplan ‘Esdoornlaan’

In het kader van een duurzaam verstedelijkingsbeleid legt de regio prioriteit bij zorgvuldig en zuinig ruimtegebruik. Daarbij is het van belang om de gemeentelijke woningbouwprogramma’s in te zetten op binnenstedelijke (transformatie)locaties en voor het herbestemmen van leegstaand vastgoed. Daarmee vormt het perspectief ook een zorgvuldige afweging en verantwoording in het kader van de ladder voor duurzame verstedelijking. Naast specifieke aandacht voor herstructurerings- en transformatieopgaven wil de subregio West meer nadruk leggen op de bestaande woningvoorraad, met verduurzaming van de voorraad. Voor wat betreft de nieuwbouwopgave wil de regio inzetten op een vraaggericht, flexibel planaanbod met ruimte voor nieuwe woonvormen. Beoordeling Nieuwbouw dient zoveel mogelijk in het teken te staan van een strategische toevoeging op de bestaande woonvoorraad. Woningen waar veel vraag naar is worden ontwikkeld. Conclusie De kwantitatieve en kwalitatieve woningbouwbehoefte is dieper uitgewerkt in het gemeentelijke Woningbouwprogramma 2018-2028. 4.5

Gemeentelijk beleid Woningbouwprogramma 2018-2028 Toetsingskader Op 14 december 2017 heeft de gemeenteraad het woningbouwprogramma 2018-2028 vastgesteld. Hierin zijn de woningbouwplannen opgenomen die voor de komende jaren op het programma staan. Ze passen bij de geprognotiseerde behoefte aan woningen in die periode. Het gaat hierbij om ruim 1000 woningen. In het programma zijn zowel de projecten van de gemeente als van ontwikkelaars en de woningcorporatie opgenomen. Binnen het vastgestelde woningbouwprogramma is er ruimte voor nieuwe ontwikkelingen. Maatschappelijke ontwikkelingen als gewijzigde marktomstandigheden en veranderende demografische prognoses en behoeften vragen om monitoren en, waar nodig, het bijstellen van opgaven en daarmee flexibiliteit in programmering. Het woningbouwprogramma gaat uit van 322 flexibele ruimte woningen. Beoordeling De 20 woningen aan de Esdoornlaan passen binnen de flexibele ruimte van 322 woningen. Conclusie Het initiatief voldoet aan het woningbouwprogramma 2018-2018. Woonvisie 2016-2020: Halderberge, hét groene hart van de regio West-Brabant Toetsingskader De woonvisie omvat het woonbeleid van de gemeente Halderberge. Halderberge is een woongemeente met een unieke diversiteit aan kernen, bijzonder cultuurhistorisch erfgoed

32

Gemeente Halderberge

en is een recreatieve en toeristische trekpleister. Op het gebied van wonen zijn er vier Halderbergse woonwaarden die als een rode draad door de woonvisie lopen: 1. Goed wonen voor iedereen in een groen, veelzijdig en landelijk woonmilieu 2. De vijf dorpen met unieke kernkwaliteiten 3. Duurzame ontwikkeling in bouwen en wonen 4. Ruimte voor initiatief en samenwerking In de woonvisie worden doelen en ambities voor de komende 5 jaar geschetst. Deze zijn gekoppeld aan de woonagenda voor 4 thema’s, te weten; goed wonen voor iedereen, toekomstbestendig wonen, sociaal wonen en wonen en zorg. Halderberge is het “groene hart” van West-Brabant. Gezamenlijk met partners op het gebied van wonen realiseert de gemeente de doelen en ambities van deze woonvisie. De ambitie is om de bevolkingsprognose waarin een afname van het aantal inwoners verwacht wordt te gaan beïnvloeden. Daarnaast wordt een bijdrage geleverd aan een evenwichtige bevolkingsopbouw en een vitale en draagkrachtige samenleving door het bieden van gevarieerde woonmilieus en brede keuzemogelijkheden aan woningzoekenden en aan de verschillende doelgroepen in deze woonvisie. Het handhaven en versterken van de bestaande woonkwaliteit en identiteit van de 5 kernen staat voorop.

Daarnaast ligt de focus voor een toekomstbestendige woningvoorraad op de kwaliteit van de bestaande woningvoorraad en de mogelijkheden binnen het bestaand vastgoed. Om te kunnen voldoen aan de woningbehoefte is het de ambitie om het woningbouwprogramma uit te voeren waarbij wordt ingezet op het bouwen voor de actuele woningbehoeften zowel kwantitatief waarbij de provinciale bevolkings- en woningbehoefteprognose de richtlijn voor het woningbouwprogramma is als in kwalitatieve aspecten. De nieuwbouwwoningen en locaties die nog toegevoegd worden aan het woningbouwprogramma moeten een aantoonbare meerwaarde leveren, woningbouwontwikkelingen moeten ladder-proof zijn in het kader van de ladder voor duurzame verstedelijking, uitgangspunt bij nieuwbouwontwikkelingen is dat deze voldoen aan Politiekeurmerk Veilig Wonen (wonen en woonomgeving) en wordt ernaar gestreefd om vooruitlopend energieneutraal te zijn vooruitlopend op het bouwbesluit 2020. Beoordeling Bosschenhoofd is de op één na kleinste kern van Halderberge. Bosschenhoofd is een ruime, rustige en groene woonkern die goed gelegen is ten opzichte van de snelweg. Het voorzieningenaanbod in de kern is beperkt. De afgelopen jaren zijn er veel projecten gerealiseerd in Bosschenhoofd dit heeft geleid tot een groei van de kern. Het centrumgebied heeft met de realisatie van het Bossche hart een positieve impuls gekregen.

Kansen voor Bosschenhoofd: • Handhaven van het aantrekkelijke, ruime en rustige woonmilieu • Na realisatie van de projecten uit het woningbouwprogramma zijn er kansen voor • kleinschalige toevoegingen van woningen, vernieuwbouw en (collectief) particulier opdrachtgeverschap) • In Bosschenhoofd wordt door de gemeente ingezet op het behoud van het woonmilieu 33

Bestemmingsplan ‘Esdoornlaan’

Met onderhavig bestemmingsplan worden de planologische mogelijkheden voor de bouw van grondgebonden rijwoningen, vrijstaande woningen en vooral twee-onder-een-kap woningen gecreëerd. Uit de woonvisie blijkt dat Halderberge meer woningbouw voor de middeninkomens en de hogere middeninkomens beoogt. Het plan voorziet vooral in woningen voor de middeninkomens en de hogere middeninkomens. Conclusie De realisatie van grondgebonden woningen past binnen de gemeentelijke behoefte aan woningen voor de middeninkomens en hogere middeninkomens. Het initiatief voldoet daarmee aan één van de belangrijke doelstellingen van de woonvisie. Structuurvisie Halderberge 2025, 2013 Toetsingskader De ‘Structuurvisie Halderberge’ geeft richting aan de gewenste ruimtelijke inrichting van het gemeentelijk grondgebied waardoor voor een ieder in algemene zin duidelijk is of bepaalde initiatieven daarbinnen passen. Voor het gemeentebestuur is de structuurvisie een belangrijk kader voor de afweging van concrete ruimtelijke beslissingen en voor de inzet daartoe van uitvoeringsinstrumenten, zoals het vaststellen van bestemmingsplannen, het beschikbaar stellen van financiële middelen en het sluiten van (bestuurs-) overeenkomsten. De structuurvisie gaat tevens in op de wijze waarop het gemeentebestuur zich voorstelt de voorgenomen ontwikkeling te doen verwezenlijken.

Bij de verwezenlijking zal uiteraard voldaan moeten worden aan de verordeningen van hogere overheden, zoals provincie en rijk. Ten aanzien van nieuwe woningbouwlocaties is de gemeente terughoudend. Nieuwe uitleg voor woningbouw of voorzieningen kan worden opgevangen binnen de al bestaande logische ruimtelijke begrenzingen van de kernen. Woningbouw dient vooral ter vervanging en moet inspelen op de veranderende samenstelling van de bevolking en de wensen van de markt. Daarmee is er voldoende ruimte binnen de grenzen van de kernen om kwalitatief te groeien. In de structuurvisie wordt per kern aangegeven welk toekomstbeeld de gemeente heeft, zo ook voor Bosschenhoofd. De gemeente wil dat het woningbouwprogramma aan de westzijde van de kern tot ontwikkeling komt. Dit is een gebied binnen de bestaande logische ruimtelijke begrenzing. In dit gebied is ruimte voor kavels met bebouwing in een groene setting. Beoordeling Aan de randen van de kernen zijn enkele uitloopgebieden gesitueerd waar op termijn ontwikkelingen mogelijk zijn. Het gaat enerzijds om het gebied ten westen van In de strategie verbreden worden functies toegevoegd aan gebieden waarvan de hoofdfunctie in principe prima functioneert. De variëteit aan functies in deze gebieden wordt als het ware verbreed. Binnen de te verbreden gebieden zijn vijf soorten gebieden te onderscheiden.

Het plangebied ligt een van de ‘Uitloopgebieden’. Aan de randen van de kernen zijn enkele uitloopgebieden gesitueerd die op waar op termijn ontwikkelingen mogelijk zijn. Het gaat enerzijds om het gebied ten westen van Bosschenhoofd, begrensd door de Bosschenhoofdsestraat, de Willeke Joostenstraat en de Margrietstraat en de bestaande bebouwing.

34

Gemeente Halderberge

Analyse Bosschenhoofd (links) en toekomstbeeld (rechts) (bron: Structuurvisie Halderberge 2025).

Gelet op de ruimtelijke structuur leent het gebied zich voor een programmatische invulling met aandacht voor de landschappelijke overgang naar het buitengebied. Er is ruimte voor ruime kavels met bebouwing in een groene setting. Een soortgelijke situatie doet zich voor in de zone rond de Bornhemweg ten noorden van Oudenbosch. Onderhavig plangebied ligt in het uitloopgebied ten westen van Bosschenhoofd, waarbinnen uitbreiding mogelijk is voor ruim opgezette woonkavels in een groene setting. Onderhavig initiatief voldoet aan dit aspect.

Uitsnede kaart verbreden (bron: Structuurvisie Halderberge 2025).

Conclusie Het woningbouwplan is passend binnen de plannen voor de westelijke rand van Bosschenhoofd en daarmee wordt past het plan binnen de kaders van de structuurvisie.

35

Bestemmingsplan ‘Esdoornlaan’

36

Gemeente Halderberge

5

MILIEU- EN PLANOLOGISCHE ASPECTEN

5.1

Inleiding Toetsing juncto art. 3.1.6 Bro Met betrekking tot een (ontwerp-)bestemmingsplan staat in artikel 3.2 van de Algemene wet bestuursrecht vermeld: 'bij de voorbereiding van een besluit vergaart het bestuursorgaan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen'. Artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening bepaalt dat rekening moet worden gehouden met de uitkomsten van het met toepassing van artikel 3.2 van de Algemene wet bestuursrecht verrichte onderzoek. Daarnaast moet ook worden getoetst aan het Besluit m.e.r. Ten behoeve van het onderhavige plan heeft onderzoek plaatsgevonden naar een aantal uitvoeringsaspecten. Hieronder wordt verslag gedaan van de uitkomsten van het gepleegde onderzoek. De onderzoeksrapporten zijn als bijlagen gevoegd bij dit bestemmingsplan. Achtereenvolgens worden behandeld: • bodem; • waterhuishouding; • cultuurhistorie; • archeologie; • natuur: • flora en fauna; • akoestiek; • bedrijven en milieuzonering; • externe veiligheid; • kabels en leidingen; • luchtkwaliteit; • milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling.

5.2

Bodem Toetsing Op basis van art. 3.1.6, lid 1 onder f Bro geldt dat in een toelichting op een ruimtelijk besluit de inzichten over de uitvoerbaarheid van dat besluit worden neergelegd. Ten aanzien van het aspect bodemkwaliteit staat, op basis van vaste jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State (ABRvS), voorop dat de vaststelling van de aanwezigheid van verontreinigingen in de bodem, de noodzaak van sanering van verontreinigde locaties en de wijze waarop deze saneringen moeten worden uitgevoerd, zijn geregeld in afzonderlijke wetgeving met eigen procedures. Dat doet er niet aan af dat het bevoegd gezag het ruimtelijk besluit pas kan nemen indien, voor zover redelijkerwijs valt in te zien, een eventuele bodemverontreiniging niet aan de uitvoerbaarheid in de weg staat (22 december 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BO8297, r.o. 2.18.4; 27 juni 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW9569, r.o. 2.10.3). Daarbij geldt als uitgangspunt dat de bodem in principe geschikt dient te zijn voor de beoogde functie. De bodemkwaliteit mag geen onaanvaardbaar risico vormen voor de gebruikers van de bodem.

37

Bestemmingsplan ‘Esdoornlaan’

Beoordeling Milon heeft in mei 2019 een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd ter plaatse van het plangebied. De rapportage van het onderzoek is opgenomen als bijlage 2 van deze toelichting. Onderstaand worden de belangrijkste bevindingen uiteengezet. Het onderzoek heeft geleid tot een goed beeld van de (water)bodemkwaliteit ter plaatse van de onderzoekslocatie. Ter plaatse zijn ten hoogste licht verhoogde gehaltes in de grond aangetoond en licht tot matig verhoogde concentraties in het grondwater. Nader onderzoekt naar de licht tot matig verhoogde waarden wordt niet zinvol geacht. Wat betreft de milieuhygiënische bodemkwaliteit bestaat, ons inziens, geen belemmering voor het huidige en toekomstige gebruik van de locatie. Geadviseerd wordt het grondwater niet te gebruiken voor bijvoorbeeld drinkwater, beregening of veedrenking. Conclusie Op basis van het bodemonderzoek kan gesteld worden dat binnen de huidige functieklasse geen gebruiksbeperkingen hoeven te worden gesteld aan de onderzoekslocatie. De verkregen resultaten geven geen aanleiding tot het uitvoeren van een nader bodemonderzoek. Geconcludeerd kan worden dat de bodem in het plangebied geschikt is voor de realisatie van woningbouw. 5.3

Waterhuishouding Toetsingskader In ruimtelijke plannen dient aandacht besteed te worden aan waterhuishoudkundige aspecten. Daarbij staan naast een duurzaam waterbeheer de integrale afweging en het creëren van maatwerk voorop. Water moet altijd bekeken worden in het licht van het watersysteem of stroomgebied waarin een stad of een dorp ligt. Een goede afstemming van waterbeleid en ruimtelijke ordening, ook in het direct aangrenzende gebied, is daarom noodzakelijk. De integratie van water in ruimtelijke plannen vindt plaats via de zogenaamde watertoets. Concreet betekent de watertoets, dat een plan een zogenaamde waterparagraaf dient te bevatten, die keuzes ten aanzien van de waterhuishoudkundige aspecten gemotiveerd beschrijft. Daarin dient een wateradvies van de waterbeheerder te worden meegenomen. De watertoets is wettelijk verankerd in artikel 3.1.6 lid 1, sub b Bro. Beleid provincie Noord-Brabant en Waterschap De waterschappen Aa en Maas, Brabantse Delta en De Dommel hebben in de NoordBrabantse Waterschapsbond (NBWB) besloten om de keuren te uniformeren en tegelijkertijd te dereguleren. Hierbij is aangehaakt bij het landelijke uniformeringsproces van de Unie van Waterschappen. Er is conform het nieuwe landelijke model een sterk gedereguleerde keur opgesteld, met bijbehorende algemene regels en beleidsregels. Deze zijn voor de drie waterschappen gelijkluidend.

De nieuwe uniforme keuren zijn gezamenlijk in werking getreden op 1 maart 2015. In de nieuwe keur is opgenomen dat het in beginsel verboden is om zonder vergunning neerslag door toename van verhard oppervlak of door afkoppelen van bestaand oppervlak, tot afvoer naar een oppervlaktewaterlichaam te laten komen. Dit verbod is van toepassing tenzij: a. Het afkoppelen van verhard oppervlak maximaal 10.000 m2 is, of; b. De toename van verhard oppervlak maximaal 2.000 m 2 is, of;

38

Gemeente Halderberge

c. De toename van verhard oppervlak bestaat uit een groen dak. d. De toename van verhard oppervlak tussen 2.000 m2 en 10.000 m2 is en compenserende maatregelen zijn getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan, in de vorm van een voorziening met een minimale retentiecapaciteit conform de rekenregel: Benodigde retentiecapaciteit (in m3) = toename verhard oppervlak (in m2) x Gevoeligheidsfactor x 0,06 Daarbij dient de voorziening te voldoen aan de volgende voorschriften: a. De bodem van de voorziening dient boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) te liggen; b. De afvoer uit de voorziening via een functionele bodempassage naar het grondwater en/of via een functionele afvoerconstructie naar het oppervlaktewater plaatsvindt. Indien een afvoerconstructie wordt toegepast, dient deze een diameter van 4 cm te hebben; c. Daarnaast moet er altijd een overloopconstructie zijn, om uitspoeling naar de sloot te voorkomen. Beleid gemeente Het gemeentelijk water- en rioleringsbeleid is 19 augustus 2019 vastgelegd in het Gemeentelijk Rioleringsplan 2020-2023. Het GRP is een beleidsplan dat op hoofdlijnen de invulling van de gemeentelijke watertaken weergeeft. Door middel van het GRP legt de gemeente vast wat men wil bereiken en wat de rol van burgers en bedrijven is ten aanzien van afval-, hemel-, en grondwater. Het GRP vervult vier hoofdfuncties: 1.

Kader gemeentelijke zorgplichten • overzicht beleidskeuzes en ambities ten aanzien van stedelijk afvalwater, hemelwater en grondwater. 2. Interne afstemming • met andere vakdisciplines binnen de gemeentelijke organisatie en met onze waterpartners. 3. Externe afstemming • met burgers en bedrijven. 4. Continuïteit en voortgangsbewaking • vanwege de relatief lange levensduur van stedelijke watervoorzieningen en kapitaalintensieve investeringen is een lange termijn aanpak essentieel (begroting, investeringen en evaluatie). Met het GRP draagt Halderberge bij aan de volgende omgevingsgerichte lange termijn doelstellingen: • bescherming van de volksgezondheid; • droge voeten (bebouwd gebied); • schoon water en een schone bodem. De gemeente heeft de zorgplicht voor de inzameling van stedelijk afvalwater. In gebieden waar de gemeente inzameling en transport van stedelijk afvalwater niet doelmatig vinden en de provincie ontheffing van de zorgplicht heeft verleend moet de houder van het

39

Bestemmingsplan ‘Esdoornlaan’

afvalwater zelf zorgen voor de verwerking van het afvalwater. Met het in werking treden van de Omgevingswet vervalt de provinciale ontheffingsbevoegdheid en mag de gemeente Halderberge samen met het waterschap Brabantse Delta zelf bepalen wat doelmatig is. Bedrijfsafvalwater, dat niet op dezelfde manier kan worden behandeld als huishoudelijk afvalwater is geen stedelijk afvalwater. Omdat de gemeente hier geen zorgplicht voor heeft kunnen desgewenst bestaande of nieuwe aansluitingen van bedrijven worden geweigerd als dit ten goede komt van de zuivering Afvalwater dient zoveel mogelijk afzonderlijk van regen- en grondwater te worden afgevoerd. Regen- en grondwater voeren de gemeente bij voorkeur niet af naar de RWZI. De gemeentelijke zorg voor het beheer van afvloeiend hemelwater heeft betrekking op het afvloeiend hemelwater van openbaar terrein en afvloeiend hemelwater dat niet op particulier terrein kan worden verwerkt. De eigenaar van het terrein waarop het hemelwater valt is primair verantwoordelijk voor de verwerking van het hemelwater. De gemeente hoeft het hemelwater afkomstig van particulier terrein niet te ontvangen. Voor iedere ontwikkeling die leidt tot nieuwe verharding, ongeacht de omvang van deze ontwikkeling, geldt een bergingseis van 7 mm voor de eerste 1.000 m 2. Voor verharding boven de 1.000 m2 geldt een bergingseis van 60 mm, conform de keur.

Voor ontwikkelingen op bestaande verharde locaties (inbreidingen, verbouwingen, herstructureringen) met een oppervlak groter dan 1.000 m 2 geldt een bergingseis van 60 mm voor het totale oppervlak. In de geest van de gehanteerde voorkeursvolgorde past de gemeente als principe toe dat zoveel als mogelijk retentie (dicht)bij de bron moet worden gerealiseerd. In de praktijk komt dit neer op in eerste instantie realisatie van retentie op eigen terrein en in tweede instantie realisatie van retentie binnen de plangrenzen van het te realiseren project waarvoor de retentie wordt gerealiseerd. Halderberge heeft de wens om voldoende open water binnen de gemeentegrenzen te hebben. Doordat de eis tot retentie te combineren met de voorkeursvolgorde is het gevolg dat er van nature oppervlaktewater wordt gerealiseerd bij nieuwe ontwikkelingen. De gemeente draagt zorg voor het in openbaar gebied treffen van maatregelen teneinde structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken, mits dit doelmatig is en voor zover er geen verantwoordelijkheid bestaat voor de waterbeheerder of de provincie. De perceeleigenaar is wettelijk gezien primair zelf verantwoordelijk voor het oplossen van zijn eigen grondwaterprobleem.

Overheden die (in)direct betrokken zijn bij de bescherming van drinkwater hebben een verantwoordelijkheid voor de invulling van de zorgplicht drinkwater. Deze zorgplicht is opgenomen in de Drinkwaterwet. De zorgplicht drinkwater geldt zowel voor de bescherming van bronnen van drinkwater als voor de infrastructuur. Beoordeling Milon heeft in juli 2020 een watertoets uitgevoerd. Deze is als bijlage 3 toegevoegd bij onderhavige toelichting. Hierna worden de belangrijkste adviezen uiteengezet.

40

Gemeente Halderberge

Berging hemelwater bij extreme neerslag In onderstaande tabel is weergegeven hoe de verhardingssituatie er in de toekomstige situatie uitziet. Met het Waterschap en de gemeente Halderberge is besproken welke verhardingspercentages er zijn gerekend. In de huidige situatie is er 23 m2 aan bebouwing aanwezig. De parkeerplaatsen worden aangelegd met grastegels en worden derhalve niet als verhard oppervlak gerekend. De ontwikkeling op de onderzoekslocatie heeft, zoals blijkt uit de tabel, tot gevolg dat het verhard oppervlak toeneemt met circa 5.572 m2. Op de onderzoekslocatie dient 334,32 m³ hemelwater opgevangen /geïnfiltreerd te worden.

Berekening opgave waterberging. Bron: waterparagraaf Milon, 2020.

Uit de waterparagraaf van Milon blijkt wat de geohydrologische situatie in het plangebied is. De onderzoekslocatie heeft een globale hoogteligging van 7,6 meter boven NAP. Vanaf maaiveld tot circa 3,5 m-mv is een Zandige eenheid, hoofdzakelijk bestaande uit midden en fijn zand, met weinig zandige klei en grof zand en een spoor klei, veen en grind(formatie van Boxtel). De volgende laag (3,5 – 10 m-mv) bestaat uit zandige eenheid, hoofdzakelijk bestaande uit midden, fijn en grof zand, met weinig klei en zandige klei en een spoor veen, bruinkool en grind (formatie van Stramproy). Op 10 m-mv tot 18 m-mv bevindt zich de formatie van Waalre. Deze laag bestaat uit zandige eenheid, hoofdzakelijk bestaande uit midden, fijn en grof zand, met weinig klei en zandige klei en een spoor veen, bruinkool en grind. Onder de deklaag tot circa 75 m-mv bevindt zich een laag hoofdzakelijk bestaande uit midden en grof zand, met weinig zandige klei, fijn zand en grind en een spoor klei en veen (Formatie van Peize en Formatie van Waalre). Uit de waterkaart van het waterschap blijkt dat ten noorden van de onderzoekslocatie een A-watergang is gelegen. In de digitale Wateratlas is te herleiden dat er goede mogelijkheden zijn voor infiltratie. In de digitale 41

Bestemmingsplan ‘Esdoornlaan’

Wateratlas van provincie Noord-Brabant is de gemiddelde grondwaterstand aangegeven door middel van zogenaamde grondwatertrappen. De gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) ter plaatse van het toekomstig bebouwde terrein geeft een GHG aan van 0,8- tot 1,0 m-mv en een gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG) van 1,6 tot 2,0 m-mv. In het noordelijke deel van de locatie is ruimte gereserveerd voor een waterbergingsvoorziening Compositie 5 stedenbouw bv heeft in het landschappelijk inpassingsplan de waterbergingsopgave geïntegreerd. In het plan is aandacht voor een onderhoudsstrook langs de Turfvaart van 5 meter. Er is tevens sprake van een minimale doorrijbreedte van 4 meter en bomen langs de onderhoudsstrook staan minimaal 10 meter uit elkaar. Op het inpassingsplan is dit aangegeven.

Dimensionering wadi. Bron: Compositie 5 stedenbouw bv, 2020.

De waterbergende voorziening betreft een tweedelige wadi met bloemrijk grasland. De wadi heeft een capaciteit van 334 m3. Deze wadi wordt met een talud van 2:1 aangelegd vanaf het maaiveld. De diepte bedraagt 0,5 m. De waking bedraagt 0,2 m en krijgt een talud van 5:1. Er wordt een verbinding gemaakt tussen beide compartimenten, zodat bij hevige regenbuien het hemelwater zich kan verdelen over beide delen. Er wordt vanuit de

42

Gemeente Halderberge

wadi een overstortvoorziening aangelegd naar de a-watergang. Gezien de toename van het verhard oppervlak (minder dan 10.000 m2) is hiervoor geen watervergunning benodigd en is met zekerheid gewaarborgd dat het water het gebied kan verlaten bij hevige regenval. Infiltratie naar het grondwater vindt plaats via een functionele bodempassage. De dimensionering van de waterberging is onderstaand weergegeven. Conclusie Alle wateraspecten zijn in dit bestemmingsplan zorgvuldig afgewogen. In de regels wordt een voorwaardelijke verplichting opgenomen, die de berging van de benodigde 334 m³ garandeert. Tevens wordt de wadi opgenomen in het landschappelijk inpassingsplan, welke wordt geborgd in de regels. Met het plan wordt tegemoet gekomen aan de uitgangspunten van het waterschap en de gemeente wat betreft hydrologisch neutrale ontwikkeling. 5.4

Archeologie Toetsingskader In Europees verband is het zogenaamde ‘Verdrag van Malta’ tot stand gekomen. Uitgangspunt van dit verdrag is het archeologisch erfgoed zo veel mogelijk te behouden. Waar dit niet mogelijk is, dient het bodemarchief met zorg ontsloten te worden. Bij het ontwikkelen van ruimtelijk beleid moet het archeologisch belang vanaf het begin meewegen in de besluitvorming. Sinds 2007 kent Nederland de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz, gewijzigde Monumentenwet 1988). Op basis van deze wet zijn gemeenten verplicht een archeologisch beleid te voeren. Daarbij hoort ook dat de archeologische waarden en verwachtingen binnen de gemeente inzichtelijk gemaakt moeten worden. Verder stelt de Wamz 2007 dat gemeenten archeologieparagrafen moeten opnemen in bestemmingsplannen. Het doel hiervan is om het ‘bodemarchief’ zoveel mogelijk te beschermen. De archeologische resten in de bodem vormen een belangrijke bron van informatie over het verleden. In het bijzonder voor die perioden of aspecten van het verleden waarvan geen of weinig schriftelijke bronnen bewaard zijn gebleven of waarover niet of nauwelijks is geschreven. Sinds de invoering van deze wet zijn gemeenten belast met de zorgplicht voor het archeologisch erfgoed. Dit is niet veranderd met de inwerkingtreding van de Erfgoedwet (1-7-2016).

Sindsdien is het behoud en beheer van het Nederlandse erfgoed geregeld door één integrale Erfgoedwet. De omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving zal in de nieuwe Omgevingswet worden geregeld, die in 2021 in werking zal treden. Het uitgangspunt is dat de beschermingsniveaus zoals die in de eerdere wetten en regelingen golden, worden gehandhaafd. Gemeentelijke beleidsnota Halderberge ‘Ons geschreven verleden’ Gemeentelijke beleidsnota Halderberge ‘Ons geschreven verleden’ Het archeologiebeleid van de gemeente Halderberge van 22 september 2011 heeft tot doel het archeologisch erfgoed van de gemeente te beschermen en ontsluiten. Bij alle ruimtelijke plannen en ontwikkelingen, op structuur-, bestemmings- en vergunningsniveau, dienen de archeologische waarden volwaardig te worden meegewogen. Om een goede afweging te kunnen maken is archeologische kennis noodzakelijk. Als basiskennis dienen de vastgestelde archeologische advieskaarten. Vaak is meer gedetailleerde informatie

43

Bestemmingsplan ‘Esdoornlaan’

noodzakelijk om een goede afweging te kunnen maken voor het beschermen van het archeologisch erfgoed. Om deze informatie te verkrijgen, dient onderzoek plaats te vinden.

Uitsnede ‘Archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart’. Bron: Beleidsnota Archeologie gemeente Halderberge – Ons ongeschreven verleden (2011)’.

Om inzicht te krijgen in welke archeologische vondsten in de gemeente Halderberge verwacht kunnen worden, hanteert de gemeente een archeologische verwachtingskaart. Deze kaart maakt een onderscheidt tussen het buitengebied en het stedelijk gebied. Het plangebied is gelegen in het stedelijk gebied. In dit gebied zijn twee verwachtingswaarden mogelijk: • Een hoge archeologische verwachting: in deze zone (kern en verspreide bebouwing) wordt de grootste kwantiteit aan archeologische vindplaatsen (historische bebouwing) verwacht. Voorafgaand aan bodemingrepen is adequaat archeologisch onderzoek noodzakelijk. • Een lage archeologische verwachting: in het overige deel van het stedelijk gebied wordt de kans op het aantreffen van archeologische vindplaatsen (historische bebouwing) klein geacht. Voor deze gebieden gelden in principe geen restricties ten aanzien van de geplande ingrepen.

44

Gemeente Halderberge

Beoordeling In juli 2019 is door ADC ArcheoProjecten een archeologisch onderzoek uitgevoerd. Deze rapportage is toegevoegd als bijlage 4. Uit het bureau- en booronderzoek blijkt dat het plangebied is gelegen op een terrasachtige hoogte die bedekt is met dekzand. Dit betreft verspoeld dekzand. Slechts in één boring is een restant van een podzolprofiel waargenomen, in de overige boringen is geen bodemvorming waargenomen en ligt de Ahorizont met een scherpe overgang op de C-horizont. Dikwijls is ook nog een AC-horizont aanwezig. Het plangebied krijgt om die reden een lage verwachting voor alle perioden. Conclusie Met archeologisch onderzoek is aangetoond dat de kans op archeologische sporen klein is. De dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’ is n.a.v. een positief selectieadvies verwijderd van het plangebied. Het selectieadvies is opgenomen in bijlage 4. Het initiatief is aanvaardbaar met betrekking tot het aspect archeologie. 5.5

Cultuurhistorie Toetsingskader Per 1 januari 2012 is de Modernisering Monumentenzorg (MoMo) in werking getreden. Als gevolg van de MoMo wijzigt de Bro (artikel 3.1.6, lid 5). Wat eerst voor alleen archeologie gold, geldt nu ook voor al het cultureel erfgoed. In de toelichting van het bestemmingsplan dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. De opsteller en vaststeller van het bestemmingsplan is daarmee dus verplicht om breder te kijken dan alleen naar het facet archeologie. Ook de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Beoordeling Beleid provincie Noord-Brabant In de provincie Noord-Brabant dienen in het kader van het behoud van waardevolle cultuurhistorische elementen en archeologische vindplaatsen, bestemmingsplannen te worden getoetst aan de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW). Hierop staan de bepalende cultuurhistorische elementen aangeven. Het plangebied ligt in gebiedspaspoort ‘West-Brabantse Venen’. Een van de doelstellingen voor dit gebied is “het duurzaam en in samenhang behouden van het bodemarchief (o.a.

door afstemming van het gemeentelijk archeologiebeleid) van het archeologisch landschap ‘Dekzandrug Bosschenhoofd-Hoeven’ “. De relatief lage ligging van grote delen van de gemeente, de aanwezigheid van slecht doorlatende en slecht wateropenmende (leem)lagen dicht aan de oppervlakte en de veelal haaks op de natuurlijke afwateringsrichting gelegen dekzandruggen, zorgden ervoor dat het gemeentelijk grondgebied sterk vernatte. Daardoor ontstonden omvangrijke veenpakketten. Deze veenbedekking is door natuurlijke erosie vrijwel volledig verdwenen. De oude Turfvaart wordt aangemerkt als een lijn van redelijk hoge geografische waarde. Het plan is op de schaal van de hele regio echter is het plangebied op de schaal van de

45

Bestemmingsplan ‘Esdoornlaan’

regio te kleinschalig. Er zijn geen aanknopingspunten om invulling te geven aan het beleid voor de regio.

Uitsnede Cultuurhistorische Waardenkaart waarop het plangebied is weergegeven met een rood kader (Bron: Provincie Noord-Brabant, 2017).

Beleid gemeente Halderberge Het gemeentebestuur van Halderberge wil met de ‘Beleidsnota cultureel erfgoed Halderberge’ (2011) naar een beleid waarin sprake is van zorgvuldig omgaan met de aanwezige cultuurhistorische waarden binnen Halderberge. Binnen de grenzen van Halderberge is Bosschenhoofd zonder twijfel het jongste dorp. Aan het einde van de Middeleeuwen was er grote bedrijvigheid bij het direct ten noorden van het huidige dorp gelegen turfhoofd Bosschenhoofd. Het optrekken van bebouwing naast het hoofd was echter verboden. Na 1600 raakte het turfhoofd in onbruik. De nederzetting bij deze voormalige turfvaart is tussen 1600 en 1800 ontstaan toen door de neergaande agrarische conjunctuur veelal werkloze landarbeiders en boerenzonen illegaal een klein deel van de Hoevense Heide ontgonnen en zo een bescheiden nederzet ting ontstond aan de weg tussen Oudenbosch en Rucphen. Pas tussen 1840 en 1860 werd het gebied ontsloten en groeide de schaarse bevolking in de heidegehuchten tot één gemeenschap. Tijdens de grote ontginningen aan het einde van de 19e eeuw ontwikkelde het dorp zich voorspoedig. Na de tweede wereldoorlog heeft de nederzetting zich aanvankelijk bescheiden ontwikkeld. Pas na de komst van de grootschalige recreatieve voorzieningen in de directe omgeving, waardoor nieuwe bestaansmiddelen voor de inwoners werden gevonden, breidde Bosschenhoofd zich uit.

46

Gemeente Halderberge

Uitsnede Cultuurhistoriekaart Halderberge, waarop het plangebied is weergegeven met een rood kader (Bron: Provincie Noord-Brabant, 2017).

Ook de gemeente Halderberge heeft een Cultuurhistorische Waardenkaart. De gemeentelijke kaart is een verfijning van de provinciale kaart. In dit geval biedt deze geen nieuwe informatie ten opzichte van de provinciale kaart. De betreffende turfvaart is het enige, ten opzichte van het plangebied, nabijgelegen cultuurhistorisch waardevolle element (blauwe lijn op de ‘Uitsnede Cultuurhistoriekaart Halderberge’). Deze staat tevens genoemd in het provinciale beleid. De waarden van de turfvaart worden met de ontwikkeling van 20 grondgebonden woningen niet aangetast. Conclusie De ontwikkeling wordt uitgevoerd met een passende landschappelijke inpassing aan de westzijde van het plangebied. De beoogde ontwikkeling heeft geen nadelige consequenties voor de cultuurhistorische waarden van de regio. 5.6

Natuur Toetsingskader De Wet natuurbescherming (Wnb) is een wet van 16 december 2015, houdende regels ter bescherming van de natuur. De Wet natuurbescherming is in werking getreden op 1 januari 2017 en vervangt daarmee het voorheen geldende wettelijke stelsel voor de natuurbescherming, zoals neergelegd in de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. De wet regelt ten eerste de taken en bevoegdheden ten behoeve van de bescherming van natuurgebieden en planten- en diersoorten. Daarnaast bevat de wet onder meer bepalingen over de jacht en over houtopstanden. In de Wet natuurbescherming is de Europese regelgeving omtrent natuurbescherming, zoals vastgelegd in de Vogelrichtlijn (Richtlijn 2009/147/EG, 30 november 2009) en Habitatrichtlijn (Richtlijn 92/43/EEG, 21 mei 1992) als uitgangspunt genomen. De gebiedsbescherming van de Natura 2000-gebieden is geregeld in hoofdstuk 2 van de Wnb.

47

Bestemmingsplan ‘Esdoornlaan’

Beoordeling Het plangebied is niet gelegen in een Natura-2000 gebied. Wel zijn in de omgeving van het plangebied drie natuurgebieden gelegen: Hollands Diep, Brabantse Wal en De Maatjes, Wuustwezelheide en Groot Schieveld. Deze zijn alle drie op een afstand van 13/14 km gelegen. Natura 2000-gebieden en Beschermde Natuurmonumenten kunnen schade ondervinden wegens diverse aspecten, zoals verdroging, oppervlakteverlies, verontreiniging, versnippering, optische verstoring, verzuring en vermesting. In onderhavige situatie is er sprake van woningbouw. Gelet op de aard van onderhavig initiatief is er geen sprake van relevante emissies. Bovendien is de afstand tot de beschermde gebieden dermate groot dat relevante deposities of overige effecten op de beschermde natuurgebieden zijn uitgesloten. Onderhavige ontwikkeling heeft derhalve met zekerheid geen mogelijk effect tot gevolg op de Natura 2000-gebieden en Beschermde Natuurmonumenten. Met een stikstofdepositieberekening is aangetoond dat de planontwikkeling geen negatieve effecten heeft op beschermde natuurgebieden (zie bijlage 5). De resultaten worden ondersteund door de ‘Handreiking woningbouw en AERIUS’ van de rijksoverheid (februari 2020), omdat de handreiking is bedoeld voor woningbouw op zandgronden. Deze woningen worden op zandgronden gebouwd.

In de handreiking staat dat het verplicht is om een AERIUS-berekening uit te voeren: ‘Om juridisch zeker te zijn dat het project daadwerkelijk geen depositie in natuurgebieden veroorzaakt is het noodzakelijk ieder initiatief te toetsen in AERIUS.’ De handreiking noemt als vuistregel wel indicaties van stikstofdepositie op Natura-2000 gebieden in mol/ha/jaar voor bouwprojecten van 50, 100, 250 en 500 woningen op een afstand van 1 t/m 10 kilometer vanaf Natura-2000 gebieden. Uit deze handreiking blijkt dat een bouwproject van 50 woningen op 7 km of meer van Natura-2000 geen nadelige effecten heeft op Natura-2000 gebieden. Conclusie Het plan voldoet aan natuurbescherming. 5.7

de

richtlijnen

voor

gebiedsbescherming

van

de

Wet

Flora en fauna Toetsingskader De Wet natuurbescherming (Wnb) is een wet van 16 december 2015, houdende regels ter bescherming van de natuur. De Wet natuurbescherming is in werking getreden op 1 januari 2017 en vervangt daarmee het voorheen geldende wettelijke stelsel voor de natuurbescherming, zoals neergelegd in de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. De wet regelt ten eerste de taken en bevoegdheden ten behoeve van de bescherming van natuurgebieden en planten- en diersoorten. Daarnaast bevat de wet onder meer bepalingen over de jacht en over houtopstanden. In de Wet natuurbescherming is de Europese regelgeving omtrent natuurbescherming, zoals vastgelegd in de Vogelrichtlijn (Richtlijn 2009/147/EG, 30 november 2009) en Habitatrichtlijn (Richtlijn 92/43/EEG, 21 mei

48

Gemeente Halderberge

1992) als uitgangspunt genomen. Voor de soortenbescherming is wettelijk bovendien rechtstreeks verwezen naar het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn. Het beschermingsregime betreffende soorten (flora en fauna) is opgenomen in hoofdstuk 3 van de Wnb. De verbodsbepalingen zijn hierbij afhankelijk gesteld van de soort (en daarmee de opname van die soort op de diverse lijsten) en de voorgenomen handelingen. Bovendien is een algemeen geldende zorgplicht opgenomen om handelingen achterwege te laten of maatregelen te treffen, om te voorkomen dat nadelige gevolgen ontstaan voor in het wild levende dieren en planten. Conform de Wet natuurbescherming is de initiatiefnemer bij ruimtelijke ingrepen verplicht op de hoogte te zijn van mogelijke voorkomende beschermde soorten binnen het plangebied. Vanuit die kennis dienen plannen en projecten getoetst te worden aan eventuele strijdigheid met de verbodsbepalingen uit de Wnb. Conform vaste jurisprudentie kan een plan worden vastgesteld indien aannemelijk wordt gemaakt dat het aspect flora en fauna niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. Beoordeling De Roever Omgevingsadvies heeft in maart 2019 een quickscan flora en fauna uitgevoerd in het plangebied. Bijbehorende notitie is opgenomen als bijlage 6 van de toelichting. Onderstaand worden de belangrijkste bevindingen uiteengezet.

Voor de volgende soortgroepen is een nader onderzoek of een ontheffing Soortenbescherming niet noodzakelijk gebleken: flora, overige zoogdieren, vogels, vissen, amfibieën, reptielen en ongewervelden. De in het plangebied te verwachten soorten genieten lichte bescherming onder de Soortenbescherming; een algehele vrijstelling voor ruimtelijke ontwikkeling is hierop van toepassing. Broedvogels Gelet op de in het plangebied aanwezige biotopen zijn negatieve effecten op vogelsoorten uitgesloten. Nader onderzoek of een ontheffing Soortenbescherming is niet noodzakelijk. Werkzaamheden binnen het broedseizoen zijn mogelijk indien is vastgesteld dat er, met het werken volgens een werkprotocol, geen nesten van broedvogels worden verstoord. Jaarrond beschermde nesten van vogels Het plangebied heeft potentie als nestplaats voor vogelsoorten die jaarrond beschermd zijn. Nader onderzoek naar het voorkomen van de sperwer is noodzakelijk. Vleermuizen Tijdens het terreinbezoek overdag is beoordeeld of de locatie geschikt is voor vleermuizen. Hierbij is onderscheid gemaakt in migratieroute, foerageergebied en verblijfplaats. De te rooien bomen zijn mogelijk essentieel als vliegroute voor vleermuizen en een belangrijk foerageergebied voor vleermuizen.

Nader onderzoek naar het voorkomen van vleermuizen volgens het landelijke vleermuisprotocol (2017) is noodzakelijk om de functie van het plangebied in beeld te brengen. Vervolgens kunnen mitigerende maatregelen en een ontheffing in het kader van de Soortenbescherming noodzakelijk blijken.

49

Bestemmingsplan ‘Esdoornlaan’

Vleermuisonderzoek Veldbiologische Werken heeft in het najaar 2019 en voorjaar 2020 vleermuizenonderzoek gedaan. De planlocatie is bezocht op 10 september 2019, 29 september 2019, 20 april 2020, 27 mei 2020 en 19 juni 2020. Onderstaand worden de resultaten van het onderzoek behandeld. De rapportage is opgenomen als bijlage 7 van de toelichting. Het open gedeelte binnen de planlocatie wordt door vleermuizen gebruikt om te foerageren. Een enkele keer is bij deze open plek contactroep waargenomen van Gewone dwergvleermuis, maar kon niet herleidt worden tot kenmerkend en terugkerend baltsgedrag van deze soort. Foerageergedrag en paar-/baltsgedrag werd veeleer waargenomen in de woonwijk ten oosten van het plangebied. Voor vleermuissoorten uit de woonwijk, o.a. Laatvlieger en Gewone dwergvleermuis is de planlocatie slechts een tussenstop net na het uitvliegen of voor het invliegen om nog even bij te eten, waarna wordt doorgevlogen naar achterliggende weiden. De westzijde van het plangebied (bosrand) is in gebruik als lijnvormig element door o.a. Rosse vleermuis, Laatvlieger, Gewone dwergvleermuis en een enkel exemplaar van Watervleermuis. De west en noordzijde van de planlocatie kunnen een corridor vormen voor vleermuizen naar opgaande begroeiing (laanbeplanting, tuinen en bos) in de omgeving. De bomen binnen het plangebied hebben alle een geringe diameter (max. 2025 cm.).

Holtes, kieren en spleten die mogelijk duiden op verblijfplaats voor boombewonende vleermuissoorten zijn in deze bomen niet aangetroffen. De grote boom (Populier) ten zuidwesten van de planlocatie herbergt ook geen mogelijkheden voor verblijf boombewonende vleermuissoorten (holtes, kieren, spleten). Kort na uitvliegen is het aantal vleermuizen op deze planlocatie hoog. Geconstateerd werd dat vleermuizen (vnl. Gewone dwergvleermuis en Laatvlieger) vanuit de woonwijk aan de oostzijde, het plangebied invliegen (open plek) om in het plangebied korte tijd te foerageren. Er is geen kraamindicerend gedrag of paar-/baltsgedrag waargenomen innen het plangebied. Ook zijn er geen jonge vleermuizen op de sonogrammen zichtbaar. Het is redelijkerwijs uit te sluiten dat de geplande werkzaamheden (bouw woningen met behoud van delen bos) een negatief effect hebben op vleermuizen. Vastgesteld foerageergebied blijft met de geplande herinrichting behouden in de vorm van open bos en woningen met tuinen. Vliegroutes blijven behouden in de vorm van te behouden boszomen. Hierbij dient wel opgemerkt te worden dat in de boszomen geen openingen mogen ontstaan van meer dan 20 m. Op basis van de verkregen inzichten van dit aanvullend vleermuisonderzoek is het redelijkerwijs niet aannemelijk dat vleermuizen verstoord worden, schade ondervinden of gedood worden door de geplande werkzaamheden.

Gebruiksfuncties voor vleermuizen blijven behouden, Mogelijke overtreding Wet natuurbescherming is redelijkerwijs uit te sluiten. Uilen en Roofvogelonderzoek Veldbiologische werken heeft naar aanleiding van de resultaten van de quickscan aanvullend een uilen- en roofvogelonderzoek uitgevoerd. Locatieonderzoeken naar Uilen hebben plaatsgevonden op 21 februari, 4 maart, 13 maart en 20 maart 2020. Tevens is

50

Gemeente Halderberge

gedurende de aanvullende vleermuisonderzoeken (zie bijlage 7) gelet op aanwezigheid van Uilen. De rapportage van het uilen- en roofvogelonderzoek is toegevoegd als bijlage 8 van de toelichting. Onderstaand worden de resultaten behandeld. Volgens de verspreidingsgegevens-NDFF kunnen nabij of op de planlocatie de Steenuil, Bosuil en Kerkuil voorkomen. Door het afspelen van geluidsmateriaal van verschillende uilen, waaronder Steenuil, is geen daarop reagerend antwoord gehoord van Steenuil. Er zijn geen sporen van Steenuil aangetroffen in of in de nabijheid van de planlocatie. Ook zijn geen Steenuilen (roepend) waargenomen in de omgeving van het plangebied (straal t.o.v. plangebied 3 km.). Er zijn geen broedkasten voor Steenuil aangetroffen en/of bekend uit de omgeving van het plangebied. Tijdens het vleermuisonderzoek in september 2019 is Bosuil binnen de planlocatie hoorbaar aangetroffen (alarmroep). Tijdens de onderzoeken in 21 februari, 4 maart, 13 maart en 20 maart en 4 april zijn geen verdere waarnemingen of geluidsopnamen gedaan van Bosuil. De Bosuil was afwezig gedurende deze periode. Uitwerpselen/krijtstrepen, prooiresten en braakballen werden niet aangetroffen. Er zijn geen bomen in het plangebied aanwezig met holtes die kunnen duiden op nestplaats voor Bosuil. Stamdiameter 20 cm. (max. 25 cm.).

In het plangebied en in de omgeving van het plangebied zijn geen broedkasten voor Bosuil aanwezig en/of bekend. In de omgeving van het plangebied zijn geen verdere waarnemingen (geluid) gedaan van Bosuil. De Kerkuil is niet waargenomen op de planlocatie, ook zijn geen sporen gevonden van Kerkuil die duiden op aanwezigheid van Kerkuil, zoals uitwerpselen/krijtstrepen en braakballen. Onderzoek van de bomen en daaronder aanwezige vegetatie leverde geen sporen (krijtstrepen) of braakballen op. Uit de directe omgeving van het plangebied zijn geen broedlocaties (incl. broedkasten) voor Kerkuil bekend. Roofvogels zoals onder andere Sperwer, Buizerd en Bosuil maken geen gebruik van de planlocatie. Bosuil is éénmalig aangetroffen (alarmroep tijdens vleermuisonderzoek). Het plangebied kan hierdoor niet aangemerkt worden als essentieel leefgebied (vaste nest-, rust- en roestplaats) voor Bosuil. Door ontbreken van sporen (uitwerpselen, prooiresten, braakballen, etc.) is het redelijkerwijs aannemelijk dat uilen en andere roofvogels geen gebruik maken van het plangebied. Mogelijk negatieve effecten door de voorgenomen ingreep op uilen en andere roofvogels zijn redelijkerwijs uit te sluiten. Een ontheffing Wet natuurbescherming is niet aan de orde. Er hoeven geen verdere maatregelen te worden getroffen. In algemene zin blijft de zorgplicht voor broedende vogels gelden.

Conclusie De bestemmingsplanwijziging heeft geen negatieve invloed op de beschermde soorten. Een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming is niet nodig. Mitigerende maatregelen zijn niet nodig.

51

Bestemmingsplan ‘Esdoornlaan’

5.8

Weg-, rail- en vliegverkeerslawaai

5.8.1 Wegverkeerslawaai Toetsingskader Op basis van artikel 76 van de Wet geluidhinder (Wgh) dienen bij de vaststelling van een bestemmingsplan, wijzigingsplan of uitwerkingsplan als bedoeld in art. 3.6 lid 1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) de waarden als bedoeld in art. 82 t/m 85 van de Wgh in acht te worden genomen, indien dat plan gelegen is in een zone rondom een weg-, rail- en vliegverkeer als bedoeld in art. 74 lid 1 Wgh en (het betreffende onderdeel van) dat plan mogelijkheden biedt voor: • de realisatie van woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen en van geluidsgevoelige terreinen (functies zoals genoemd in art. 1 Wgh en art 1.2 Bgh – het Besluit geluidhinder zoals gewijzigd op 4 april 2012); • de aanleg van een nieuwe weg en/ of een reconstructie van een bestaande weg; • functiewijzigingen van een niet-geluidsgevoelige functie in een geluidsgevoelige functie (bijvoorbeeld via afwijkings- of wijzigingsbevoegdheid). De onderzoekszone voor wegen zoals bedoeld in art. 74 lid 1 Wgh is afhankelijk van de hoeveelheid rijbanen (zie de tabel hierna). Artikel 74 lid 2 Wgh regelt dat indien de bovengenoemde ontwikkelingen zijn gelegen binnen een als 'woonerf' aangeduid gebied of in een zone nabij wegen waarvoor een maximum snelheidsregime van 30 km/u geldt, de betreffende waarden niet in acht hoeven te worden genomen. Stedelijk

Buitenstedelijk

Aantal rijstroken

Aantal meter aan weerszijden van de weg

5 of meer

350 m

600 m

3 of 4

350 m

400 m

1 of 2

200 m

250 m

Tabel: afstand onderzoekszones wegen (bron: Wet geluidhinder).

Uit een akoestisch onderzoek moet blijken of, indien sprake is van een van de bovengenoemde ontwikkelingen binnen een zone als bedoeld in art. 74 lid 1 Wgh, deze binnen de waarden valt zoals deze voor diverse typen ontwikkelingen is vastgelegd in de Wgh. De grenswaarde voor de toelaatbare etmaalwaarde van de equivalente geluidbelasting van wegen binnen zones langs wegen is voor woningen 48 dB. In bijzondere gevallen is een hogere waarde mogelijk; Burgemeester en Wethouders zijn binnen de grenzen van de gemeente en onder voorwaarden bevoegd tot het vaststellen van een hogere waarde voor de ten hoogst toelaatbare geluidsbelasting. Beoordeling In september 2019 heeft De Roever een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen als bijlage 9 bij deze toelichting. Onderstaand worden de belangrijkste bevindingen uiteengezet. Ter plaatse van de gevoelige objecten is de geluidbelasting als gevolg van het wegverkeer ter plaatse van de Margrietstraat en de Bosschenhoofdsestraat inzichtelijk gemaakt. Hieruit

52

Gemeente Halderberge

blijkt dat als gevolg van het wegverkeer ter plaatse van deze wegen respectievelijk ten hoogste 43 dB en 47 dB wordt berekend. De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt hiermee niet overschreden als gevolg van het wegverkeer. Ter plaatse van de meeste beschouwde woonblokken bedraagt de cumulatieve geluidbelasting 50 dB of lager. Dit is te kwalificeren als een redelijk tot zeer goed woon- en leefklimaat. Het Bouwbesluit gaat ervan uit dat de karakteristieke geluidwering van een gevel van normale bouwkundige opzet op zijn minst 20 dB bedraagt. De cumulatieve geluidbelasting van 33 dB (vereist binnenniveau) + 20 dB (minimale geluidwering) = 53 dB wordt niet overschreden. Nader onderzoek naar de geluidwering van de gevels is niet nodig. Conclusie Uit een akoestisch onderzoek blijkt dat de hoogst toelaatbare geluidsbelasting van 48 dB niet wordt overschreden. Doordat reeds vanuit het Bouwbesluit eisen worden gesteld aan de geluidsisolatie van de uitwendige scheidingsconstructie, kan in onderhavige situatie voor alle woningen een acceptabel woon- en leefklimaat gegarandeerd worden. 5.8.2 Railverkeerslawaai Toetsingskader De regels voor de projectie van woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen en geluidsgevoelige terreinen binnen de geluidzones van spoorwegen zijn opgenomen in artikel 106 en 107 van de Wet geluidhinder. Hierbij wordt doorverwezen naar het Besluit geluidhinder.

Artikel 4.1 van dit besluit bepaalt dat, indien bij de vaststelling of herziening van een bestemmingsplan of van een wijzigings- of uitwerkingsplan, geluidsgevoelige gebouwen worden gerealiseerd, rekening moet worden gehouden met de in het Besluit geluidhinder opgenomen waarden ten aanzien van spoorweglawaai. Indien er sprake is van het realiseren van dergelijke objecten binnen de geluidszones van geluidsgezoneerde spoorwegen zal met een akoestisch onderzoek aangetoond moeten worden dat aan de normstelling kan worden voldaan, of dat hiervoor een ontheffing kan worden verleend. Beoordeling en conclusie Het plangebied ligt op ongeveer 565 meter van de spoorlijn Roosendaal – Breda. De geluidzone van deze spoorlijn bedraagt op deze locatie 600 meter. De geluidbelasting op de dichtstbijzijnde woning bedraagt ongeveer 50 dB. De voorkeursgrenswaarde van 55 dB wordt niet overschreden. Railverkeerslawaai vormt geen belemmering voor het plan. 5.8.3 Vliegverkeerslawaai Toetsingskader Op 17 mei 2013 hebben Provinciale Staten van de provincie Noord-Brabant, overeenkomstig de ‘Regelgeving Burgerluchthavens en Militaire Luchthavens’ (RBML) de ‘Verordening luchthavenbesluit luchthaven Seppe Noord-Brabant’ (verder: luchthavenbesluit) vastgesteld. Dit luchthavenbesluit voor de luchthaven Seppe (in 2014 omgedoopt tot Breda International Airport) is in werking getreden op 4 september 2013.

In dit luchthavenbesluit is in artikel 8 het luchthavengebied en in artikel 9 het beperkingengebied van Breda International Airport vastgesteld. In de artikelen 10, 11 en 12 van het luchthavenbesluit zijn de gebieden vastgesteld waarbinnen regels gelden ten 53

Bestemmingsplan ‘Esdoornlaan’

aanzien van respectievelijk geluid, externe veiligheid en vliegveiligheid (zonering). Binnen deze aangewezen gebieden rondom het luchthavengebied van Breda International Airport, niet per definitie overeenkomend met het beperkingengebied, zijn de regels als opgenomen in het Besluit burgerluchthavens, voor zover deze betrekking hebben op de bestemming en het gebruik van gronden, van toepassing. Op Breda International Airport is geen sprake van een vaste luchtverkeersleiding, waardoor de artikelen 15 en 16 in het Besluit burgerluchthavens niet van toepassing zijn. Op 11 april 2014 is een eerste wijziging op het luchthavenbesluit vastgesteld, in werking getreden per 23 augustus 2014.

Geluidscontouren in Lden (bron: Verordening luchthavenbesluit luchthaven Seppe Noord-Brabant, d.d. 23-08-2014). Plangebied met gele ster gemarkeerd.

In het luchthavenbesluit zijn, op basis van het Besluit burgerluchthavens, diverse grenswaarden opgenomen. Grenswaarden definiëren de milieuruimte waarbinnen een luchthaven moet opereren. Deze gelden volgens de Wet luchtvaart voor de exploitant, de gebruikers en indien aanwezig de luchtverkeersdienstverleners. Het Besluit burgerluchthavens werkt deze grenswaarden verder uit. Op basis van deze grenswaarden kan een ruimtelijke indeling van de luchthaven en het gebied er om heen worden opgesteld. De grenswaarden voor Breda International Airport zijn vastgelegd in de Verordening luchthavenbesluit luchthaven Seppe. Beoordeling en conclusie Het plangebied ligt niet binnen de geluidscontouren zoals vastgelegd in de ‘Verordening luchthavenbesluit luchthaven Seppe Noord-Brabant’. Zie figuur hieronder. Vliegverkeerslawaai vormt geen belemmering voor het plan.

54

Gemeente Halderberge

5.9

Bedrijven en milieuzonering Toetsingskader Door het aanbrengen van een zone tussen bedrijvigheid en milieugevoelige bestemmingen (zoals woningbouw) kan de overlast ten gevolge van bedrijfsactiviteiten zo laag mogelijk gehouden worden. Zonering is met name van toepassing bij nieuwbouw van woningen en andere gevoelige functies in de directe omgeving van een bedrijf en bij vestiging van een nieuw bedrijf in de directe omgeving van gevoelige bestemmingen. Op basis van de VNGbrochure 'Bedrijven en Milieuzonering 2009' (hierna: VNG-brochure) wordt onder milieugevoelige functies verstaan: woningen, woongebieden, ziekenhuizen, scholen en verblijfsrecreatie. Sommige functies kunnen zowel milieubelastend als milieugevoelig zijn (bijvoorbeeld ziekenhuizen en scholen). De VNG-publicatie onderscheidt twee omgevingstypen: 1. Het omgevingstype rustige woonwijk en rustig buitengebied Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven of kantoren) voor. Langs de randen (in de overgang naar mogelijke bedrijfsfuncties) is weinig verstoring door verkeer. Een vergelijkbaar omgevingstype qua aanvaardbare milieubelasting is een rustig buitengebied, (eventueel inclusief verblijfsrecreatie), een stiltegebied of een natuurgebied. 2.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://gemeenteraad.halderberge.nl/api/v1/meetings/478/documents/14596