CConstaterende datHalderberge
Koppel je AI →
Document · PDF

NL.IMRO.1655.BP4012-C001 Toelichting.pdf

Gemeenteraad 22 april 2021, gemeente HalderbergeBij agendapunt: 5: Vaststelling bestemmingsplan Margriethof Bosschenhoofd23.788 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

de ondergrond, zoals de bodem, het grondwater en archeologische waarden;

32

Gemeente Halderberge

b. de netwerklaag, zoals infrastructuur, natuurnetwerk, energienetwerk, waterwegen waaronder een goede, multimodale afwikkeling van het personenen goederenvervoer. c. de bovenste laag zoals cultuurhistorische en landschappelijke waarden, de omvang van de functie en de bebouwing, de effecten op bestaande en toekomstige functies, de effecten op volksgezondheid, veiligheid en milieu. 3. Door de factor tijd actief te benutten wordt rekening gehouden met de herkomstwaarde, vanuit het verleden, de (on)omkeerbaarheid van optredende effecten en de toekomstwaarde gelet op duurzaamheid en toekomstbestendigheid. Ad c) – meerwaarderecreatie (3.8) 1. Meerwaardecreatie omvat een evenwichtige benadering van de economische, ecologische en sociale aspecten die in een gebied en bij een ontwikkeling zijn betrokken, waaronder: a. de mogelijkheid om opgaven en ontwikkelingen te combineren waardoor er meerwaarde ontstaat; b. de bijdrage van een ontwikkeling aan andere opgaven en belangen dan die rechtstreeks met de ontwikkeling gemoeid zijn. 2. De fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit, bedoeld in artikel 3.9 Kwaliteitsverbetering landschap kan deel uitmaken van de meerwaardecreatie. Beoordeling Voorwaarden ad a: a. De toedeling van functies dient in beginsel plaats te vinden binnen bestaand ruimtebeslag voor bebouwing. Met onderhavig initiatief is hiervan geen sprake. b.

Bij een stedelijke ontwikkeling dient toepassing te worden gegeven aan de ladder voor duurzame verstedelijking. Hieraan is in paragraaf 4.2 getoetst en er wordt aan voldaan. c. gebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere permanente voorzieningen dienen te worden geconcentreerd binnen een bouwperceel. De begrenzing van het beoogde bouwvlak is zodanig afgestemd dat hieraan toepassing wordt gegeven. Voorwaarden ad b: a. Toepassing van de lagenbenadering omvat de effecten op de ondergrond. In hoofdstuk 5 van dit plan wordt ingegaan op deze effecten. b. Toepassing van de lagenbenadering omvat de effecten op de netwerklaag. Voor onderhavig initiatief behoeft slechts infrastructuur voor bestemmingsverkeer te worden aangelegd. Voor het overige heeft het planvoornemen geen effect op een natuurnetwerk, het energienetwerk en waterwegen. De afwikkeling van het verkeer is beschreven in hoofdstuk 3. c. Toepassing van de lagenbenadering omvat de effecten op de bovenste laag. De effecten op het milieu zijn beschreven in hoofdstuk 5. Er wordt geen effect verwacht op de bovenste laag. Voorwaarden ad c: Er dient rekening te worden gehouden met meerwaardecreatie. Hiervoor geldt dat met onderhavig initiatief invulling wordt gegeven aan kwaliteitsverbetering door invulling te geven aan een locatie met daarop een verwilderd landschap. Verdere verloedering wordt

33

Bestemmingsplan ‘Margriethof’

daarmee voorkomen en het gebied krijgt een nieuwe kwaliteitsimpuls. De meerwaarde van dit plan wordt in de beeldkwaliteitparagraaf (par. 3.6) en de duurzaamheidparagraaf (par. 3.7) van dit plan gemotiveerd. De kwaliteitsverbetering van het landschap maakt tevens deel uit van de meerwaardecreatie. Algemene conclusie Het plangebied is in de Interim omgevingsverordening van de provincie Noord-Brabant gelegen binnen het ‘Landelijk gebied’, waarvoor tevens de aanduiding ‘Verstedelijking afweegbaar’ van toepassing is. Binnen deze aanduiding kan voorzien worden in een stedelijke ontwikkeling. Met voorliggend plan wordt aansluiting gevonden bij het bestaand stedelijk gebied en wordt bovendien een nieuw cluster van stedelijke bebouwing gerealiseerd. De meerwaardecreatie is onder andere gemotiveerd in een paragraaf beeldkwaliteit en duurzaamheid. Daarnaast wordt het plan voorzien van een passende landschappelijke inpassing ter realisatie van een duurzame overgang tussen stedelijk en landelijk gebied. Artikel 3.11 Grondwaterbeschermingsgebied Toetsingskader Lid 1 Een bestemmingsplan van toepassing op Grondwaterbeschermingsgebied strekt mede tot bescherming van de kwaliteit van het grondwater en de bodem.

Lid 2 Een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid stelt regels die: • functies en activiteiten beperken die risico’s geven voor de kwaliteit van het grondwater, zoals stedelijke ontwikkeling, het houden van evenementen en milieubelastende activiteiten die (potentieel) schadelijke stoffen gebruiken; • het risico op schade aan de bodem en het zich daarin bevindende grondwater voorkomen; • het gebruik van schadelijk uitloogbaar bouwmateriaal verbieden. Lid 3 Als schadelijk uitloogbaar bouwmateriaal wordt in ieder geval aangemerkt: • zink, lood, koper; • gewolmaniseerd hout; • teerbitumen. Beoordeling Het bestemmingsplan stelt regels ter bescherming van het grondwater. Deze regels zijn vervat in artikel 10.2 van de planregels ‘Milieuzone – grondwaterbeschermingsgebied’. De functie wonen is voorts een gebruiksfunctie die binnen emissiecategorie 1 valt in het kader van milieubescherming. Artikel 3.12 Boringsvrije zone Toetsingskader Lid 1 Een bestemmingsplan van toepassing op Boringsvrije Zone strekt mede tot het behoud van de weerstandbiedende bodemlagen.

34

Gemeente Halderberge

Lid 2 Een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid stelt regels die het risico op schade aan de bodem en het zich daarin bevindende grondwater voorkomen. Beoordeling Het bestemmingsplan stelt regels ter bescherming van het grondwater. Deze regels zijn vervat in artikel 10.3 van de planregels ‘Milieuzone – grondwaterbeschermingsgebied’. 4.4

Regionaal beleid Perspectief op wonen en woningbouw West-Brabant West (2019) Toetsingskader Het woningbouwprogramma van de gemeente Halderberge 2018-2022 komt voort uit ‘Perspectief op wonen en woningbouw West-Brabant West’ en geeft visie over wonen en woningbouw op regionaal niveau. Het “Perspectief op wonen en woningbouw West-Brabant West 2019” geeft een actuele visie van de subregio West op de toekomstige ontwikkelingen op de regionale woningmarkt. Ook geeft dit document het actuele bestuurlijke afsprakenkader weer, die een resultaat is van regionale samenwerking, afstemming en afweging. Het regionale perspectief is een doorontwikkeling van de eerder Regionale Agenda Wonen en zet in op vernieuwen en versterken van de regionale samenwerking. Naast een lange termijn perspectief voor de subregio met regio specifieke opgaven en prioriteiten bevat deze een concrete uitvoeringsgerichte agenda voor de korte termijn. In het kader van een duurzaam verstedelijkingsbeleid legt de regio prioriteit bij zorgvuldig en zuinig ruimtegebruik. Daarbij is het van belang om de gemeentelijke woningbouwprogramma’s in te zetten op binnenstedelijke (transformatie)locaties en voor het herbestemmen van leegstaand vastgoed. Daarmee vormt het perspectief ook een zorgvuldige afweging en verantwoording in het kader van de ladder voor duurzame verstedelijking.

Naast specifieke aandacht voor herstructurerings- en transformatieopgaven wil de subregio West meer nadruk leggen op de bestaande woningvoorraad, met verduurzaming van de voorraad. Voor wat betreft de nieuwbouwopgave wil de regio inzetten op een vraaggericht, flexibel planaanbod met ruimte voor nieuwe woonvormen. Beoordeling Nieuwbouw dient zoveel mogelijk in het teken te staan van een strategische toevoeging op de bestaande woonvoorraad. Woningen waar veel vraag naar is worden ontwikkeld. Conclusie De kwantitatieve en kwalitatieve woningbouwbehoefte is dieper uitgewerkt in het gemeentelijke Woningbouwprogramma 2018-2028.

35

Bestemmingsplan ‘Margriethof’

4.5

Gemeentelijk beleid Woningbouwprogramma 2018-2028 Toetsingskader Op 14 december 2017 heeft de gemeenteraad het woningbouwprogramma 2018-2028 vastgesteld. Hierin zijn de woningbouwplannen opgenomen die voor de komende jaren op het programma staan. Ze passen bij de geprognotiseerde behoefte aan woningen in die periode. Het gaat hierbij om ruim 1000 woningen. In het programma zijn zowel de projecten van de gemeente als van ontwikkelaars en de woningcorporatie opgenomen. Binnen het vastgestelde woningbouwprogramma is er ruimte voor nieuwe ontwikkelingen. Maatschappelijke ontwikkelingen als gewijzigde marktomstandigheden en veranderende demografische prognoses en behoeften vragen om monitoren en, waar nodig, het bijstellen van opgaven en daarmee flexibiliteit in programmering. Het woningbouwprogramma gaat uit van 322 flexibele ruimte woningen. Beoordeling De 26 woningen met het plan Margriethof passen binnen de flexibele ruimte van 322 woningen. Conclusie Het initiatief voldoet aan het woningbouwprogramma 2018-2018. Woonvisie 2016-2020: Halderberge, hét groene hart van de regio West-Brabant Toetsingskader De woonvisie omvat het woonbeleid van de gemeente Halderberge. Halderberge is een woongemeente met een unieke diversiteit aan kernen, bijzonder cultuurhistorisch erfgoed en is een recreatieve en toeristische trekpleister.

Op het gebied van wonen zijn er vier Halderbergse woonwaarden die als een rode draad door de woonvisie lopen: 1. Goed wonen voor iedereen in een groen, veelzijdig en landelijk woonmilieu 2. De vijf dorpen met unieke kernkwaliteiten 3. Duurzame ontwikkeling in bouwen en wonen 4. Ruimte voor initiatief en samenwerking In de woonvisie worden doelen en ambities voor de komende 5 jaar geschetst. Deze zijn gekoppeld aan de woonagenda voor 4 thema’s, te weten; goed wonen voor iedereen, toekomstbestendig wonen, sociaal wonen en wonen en zorg. Halderberge is het “groene hart” van West-Brabant. Gezamenlijk met partners op het gebied van wonen realiseert de gemeente de doelen en ambities van deze woonvisie. De ambitie is om de bevolkingsprognose waarin een afname van het aantal inwoners verwacht wordt te gaan beïnvloeden. Daarnaast wordt een bijdrage geleverd aan een evenwichtige bevolkingsopbouw en een vitale en draagkrachtige samenleving door het bieden van gevarieerde woonmilieus en brede keuzemogelijkheden aan woningzoekenden en aan de verschillende doelgroepen in deze woonvisie.

36

Gemeente Halderberge

Het handhaven en versterken van de bestaande woonkwaliteit en identiteit van de 5 kernen staat voorop. Daarnaast ligt de focus voor een toekomstbestendige woningvoorraad op de kwaliteit van de bestaande woningvoorraad en de mogelijkheden binnen het bestaand vastgoed. Om te kunnen voldoen aan de woningbehoefte is het de ambitie om het woningbouwprogramma uit te voeren waarbij wordt ingezet op het bouwen voor de actuele woningbehoeften zowel kwantitatief waarbij de provinciale bevolkings- en woningbehoefteprognose de richtlijn voor het woningbouwprogramma is als in kwalitatieve aspecten. De nieuwbouwwoningen en locaties die nog toegevoegd worden aan het woningbouwprogramma moeten een aantoonbare meerwaarde leveren, woningbouwontwikkelingen moeten ladder-proof zijn in het kader van de ladder voor duurzame verstedelijking, uitgangspunt bij nieuwbouwontwikkelingen is dat deze voldoen aan Politiekeurmerk Veilig Wonen (wonen en woonomgeving) en wordt ernaar gestreefd om vooruitlopend energieneutraal te zijn vooruitlopend op het bouwbesluit 2020. Beoordeling Bosschenhoofd is de op één na kleinste kern van Halderberge. Bosschenhoofd is een ruime, rustige en groene woonkern die goed gelegen is ten opzichte van de snelweg. Het voorzieningenaanbod in de kern is beperkt. De afgelopen jaren zijn er veel projecten gerealiseerd in Bosschenhoofd dit heeft geleid tot een groei van de kern.

Het centrumgebied heeft met de realisatie van het Bossche hart een positieve impuls gekregen. Kansen voor Bosschenhoofd: • Handhaven van het aantrekkelijke, ruime en rustige woonmilieu • Na realisatie van de projecten uit het woningbouwprogramma zijn er kansen voor • kleinschalige toevoegingen van woningen, vernieuwbouw en (collectief) particulier opdrachtgeverschap) • In Bosschenhoofd wordt door de gemeente ingezet op het behoud van het woonmilieu Met onderhavig bestemmingsplan worden de planologische mogelijkheden voor de bouw van grondgebonden rijwoningen, vrijstaande woningen en vooral twee-onder-een-kap woningen gecreëerd. Uit de woonvisie blijkt dat Halderberge meer woningbouw voor de middeninkomens en de hogere middeninkomens beoogt. Het plan voorziet vooral in woningen voor de middeninkomens en de hogere middeninkomens. Conclusie De realisatie van grondgebonden woningen past binnen de gemeentelijke behoefte aan woningen voor de middeninkomens en hogere middeninkomens. Het initiatief voldoet daarmee aan één van de belangrijke doelstellingen van de woonvisie. Structuurvisie Halderberge 2025, 2013 Toetsingskader De ‘Structuurvisie Halderberge’ geeft richting aan de gewenste ruimtelijke inrichting van het gemeentelijk grondgebied waardoor voor een ieder in algemene zin duidelijk is of bepaalde initiatieven daarbinnen passen.

Voor het gemeentebestuur is de structuurvisie een belangrijk kader voor de afweging van concrete ruimtelijke beslissingen en voor de inzet daartoe van uitvoeringsinstrumenten, zoals het vaststellen van

37

Bestemmingsplan ‘Margriethof’

bestemmingsplannen, het beschikbaar stellen van financiële middelen en het sluiten van (bestuurs-) overeenkomsten. De structuurvisie gaat tevens in op de wijze waarop het gemeentebestuur zich voorstelt de voorgenomen ontwikkeling te doen verwezenlijken. Bij de verwezenlijking zal uiteraard voldaan moeten worden aan de verordeningen van hogere overheden, zoals provincie en rijk. Ten aanzien van nieuwe woningbouwlocaties is de gemeente terughoudend. Nieuwe uitleg voor woningbouw of voorzieningen kan worden opgevangen binnen de al bestaande logische ruimtelijke begrenzingen van de kernen. Woningbouw dient vooral ter vervanging en moet inspelen op de veranderende samenstelling van de bevolking en de wensen van de markt. Daarmee is er voldoende ruimte binnen de grenzen van de kernen om kwalitatief te groeien. In de structuurvisie wordt per kern aangegeven welk toekomstbeeld de gemeente heeft, zo ook voor Bosschenhoofd. De gemeente wil dat het woningbouwprogramma aan de westzijde van de kern tot ontwikkeling komt. Dit is een gebied binnen de bestaande logische ruimtelijke begrenzing. In dit gebied is ruimte voor kavels met bebouwing in een groene setting.

Analyse Bosschenhoofd (links) en toekomstbeeld (rechts) (bron: Structuurvisie Halderberge 2025).

Beoordeling Aan de randen van de kernen zijn enkele uitloopgebieden gesitueerd waar op termijn ontwikkelingen mogelijk zijn. Het gaat enerzijds om het gebied ten westen van In de strategie verbreden worden functies toegevoegd aan gebieden waarvan de hoofdfunctie in principe prima functioneert. De variëteit aan functies in deze gebieden wordt als het ware verbreed. Binnen de te verbreden gebieden zijn vijf soorten gebieden te onderscheiden. Het plangebied ligt een van de ‘Uitloopgebieden’. Aan de randen van de kernen zijn enkele uitloopgebieden gesitueerd die op waar op termijn ontwikkelingen mogelijk zijn. Het gaat enerzijds om het gebied ten westen van Bosschenhoofd, begrensd door de Bosschenhoofdsestraat, de Willeke Joostenstraat en de Margrietstraat en de bestaande bebouwing. Gelet op de ruimtelijke structuur leent het gebied zich voor een programmatische invulling met aandacht voor de landschappelijke overgang naar het buitengebied. Er is ruimte voor

38

Gemeente Halderberge

ruime kavels met bebouwing in een groene setting. Een soortgelijke situatie doet zich voor in de zone rond de Bornhemweg ten noorden van Oudenbosch. Onderhavig plangebied ligt in het uitloopgebied ten westen van Bosschenhoofd, waarbinnen uitbreiding mogelijk is voor ruim opgezette woonkavels in een groene setting. Onderhavig initiatief voldoet aan dit aspect.

Uitsnede kaart verbreden (bron: Structuurvisie Halderberge 2025).

Conclusie Het woningbouwplan is passend binnen de plannen voor de westelijke rand van Bosschenhoofd en daarmee wordt past het plan binnen de kaders van de structuurvisie.

39

Bestemmingsplan ‘Margriethof’

40

Gemeente Halderberge

5

MILIEU- EN PLANOLOGISCHE ASPECTEN

5.1

Inleiding Toetsing juncto art. 3.1.6 Bro Met betrekking tot een (ontwerp-)bestemmingsplan staat in artikel 3.2 van de Algemene wet bestuursrecht vermeld: 'bij de voorbereiding van een besluit vergaart het bestuursorgaan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen'. Artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening bepaalt dat rekening moet worden gehouden met de uitkomsten van het met toepassing van artikel 3.2 van de Algemene wet bestuursrecht verrichte onderzoek. Daarnaast moet ook worden getoetst aan het Besluit m.e.r. Ten behoeve van het onderhavige plan heeft onderzoek plaatsgevonden naar een aantal uitvoeringsaspecten. Hieronder wordt verslag gedaan van de uitkomsten van het gepleegde onderzoek. De onderzoeksrapporten zijn als bijlagen gevoegd bij dit bestemmingsplan. Achtereenvolgens worden behandeld: • bodem; • waterhuishouding; • cultuurhistorie; • archeologie; • natuur: • flora en fauna; • akoestiek; • bedrijven en milieuzonering; • externe veiligheid; • kabels en leidingen; • luchtkwaliteit; • milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling.

5.2

Bodem Toetsing Op basis van art. 3.1.6, lid 1 onder f Bro geldt dat in een toelichting op een ruimtelijk besluit de inzichten over de uitvoerbaarheid van dat besluit worden neergelegd. Ten aanzien van het aspect bodemkwaliteit staat, op basis van vaste jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State (ABRvS), voorop dat de vaststelling van de aanwezigheid van verontreinigingen in de bodem, de noodzaak van sanering van verontreinigde locaties en de wijze waarop deze saneringen moeten worden uitgevoerd, zijn geregeld in afzonderlijke wetgeving met eigen procedures. Dat doet er niet aan af dat het bevoegd gezag het ruimtelijk besluit pas kan nemen indien, voor zover redelijkerwijs valt in te zien, een eventuele bodemverontreiniging niet aan de uitvoerbaarheid in de weg staat (22 december 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BO8297, r.o. 2.18.4; 27 juni 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW9569, r.o. 2.10.3). Daarbij geldt als uitgangspunt dat de bodem in principe geschikt dient te zijn voor de beoogde functie. De bodemkwaliteit mag geen onaanvaardbaar risico vormen voor de gebruikers van de bodem.

41

Bestemmingsplan ‘Margriethof’

Beoordeling Wematech heeft in oktober 2017 een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd ter plaatse van het plangebied. De rapportage van het onderzoek is opgenomen als bijlage 3 van deze toelichting. Onderstaand worden de belangrijkste bevindingen uiteengezet. Op basis van de resultaten van de grondboringen kan geconcludeerd worden dat de bovengrond plaatselijk licht verontreinigd is met PAK. De overige bovengrond en de ondergrond zijn niet verontreinigd. Het grondwater van twee peilbuizen is licht verontreinigd met barium, kobalt, zink, xylenen, naftaleen, som, dichloorethenen, tetrachlooretheen en vinylchloride. Wanneer wordt getoetst aan het besluit bodemkwaliteit kan geconcludeerd worden dat zowel de bovengrond als de ondergrond voldoet aan de achtergrondwaarde. De eventueel tijdens de bouwactiviteiten vrijkomende bovengrond is geschikt voor het gebruik ter plaatse. Conclusie Op basis van het bodemonderzoek kan gesteld worden dat binnen de huidige functieklasse geen gebruiksbeperkingen hoeven te worden gesteld aan de onderzoekslocatie. De verkregen resultaten geven geen aanleiding tot het uitvoeren van een nader bodemonderzoek. Geconcludeerd kan worden dat de bodem in het plangebied geschikt is voor de realisatie van woningbouw. 5.3

Waterhuishouding Toetsingskader In ruimtelijke plannen dient aandacht besteed te worden aan waterhuishoudkundige aspecten. Daarbij staan naast een duurzaam waterbeheer de integrale afweging en het creëren van maatwerk voorop. Water moet altijd bekeken worden in het licht van het watersysteem of stroomgebied waarin een stad of een dorp ligt. Een goede afstemming van waterbeleid en ruimtelijke ordening, ook in het direct aangrenzende gebied, is daarom noodzakelijk. De integratie van water in ruimtelijke plannen vindt plaats via de zogenaamde watertoets. Concreet betekent de watertoets, dat een plan een zogenaamde waterparagraaf dient te bevatten, die keuzes ten aanzien van de waterhuishoudkundige aspecten gemotiveerd beschrijft. Daarin dient een wateradvies van de waterbeheerder te worden meegenomen. De watertoets is wettelijk verankerd in artikel 3.1.6 lid 1, sub b Bro. Beleid provincie Noord-Brabant en Waterschap De waterschappen Aa en Maas, Brabantse Delta en De Dommel hebben in de NoordBrabantse Waterschapsbond (NBWB) besloten om de keuren te uniformeren en tegelijkertijd te dereguleren. Hierbij is aangehaakt bij het landelijke uniformeringsproces van de Unie van Waterschappen. Er is conform het nieuwe landelijke model een sterk gedereguleerde keur opgesteld, met bijbehorende algemene regels en beleidsregels. Deze zijn voor de drie waterschappen gelijkluidend.

De nieuwe uniforme keuren zijn gezamenlijk in werking getreden op 1 maart 2015. In de nieuwe keur is opgenomen dat het in beginsel verboden is om zonder vergunning neerslag door toename van verhard oppervlak of door afkoppelen van bestaand oppervlak, tot afvoer naar een oppervlaktewaterlichaam te laten komen. Dit verbod is van toepassing tenzij: a. Het afkoppelen van verhard oppervlak maximaal 10.000 m2 is, of; b. De toename van verhard oppervlak maximaal 2.000 m 2 is, of;

42

Gemeente Halderberge

c. De toename van verhard oppervlak bestaat uit een groen dak. d. De toename van verhard oppervlak tussen 2.000 m2 en 10.000 m2 is en compenserende maatregelen zijn getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan, in de vorm van een voorziening met een minimale retentiecapaciteit conform de rekenregel: Benodigde retentiecapaciteit (in m3) = toename verhard oppervlak (in m2) x Gevoeligheidsfactor x 0,06 Daarbij dient de voorziening te voldoen aan de volgende voorschriften: a. De bodem van de voorziening dient boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) te liggen; b. De afvoer uit de voorziening via een functionele bodempassage naar het grondwater en/of via een functionele afvoerconstructie naar het oppervlaktewater plaatsvindt. Indien een afvoerconstructie wordt toegepast, dient deze een diameter van 4 cm te hebben; c. Daarnaast moet er altijd een overloopconstructie zijn, om uitspoeling naar de sloot te voorkomen. Beleid gemeente Het gemeentelijk water- en rioleringsbeleid is 19 augustus 2019 vastgelegd in het Gemeentelijk Rioleringsplan 2020-2023. Het GRP is een beleidsplan dat op hoofdlijnen de invulling van de gemeentelijke watertaken weergeeft. Door middel van het GRP legt de gemeente vast wat men wil bereiken en wat de rol van burgers en bedrijven is ten aanzien van afval-, hemel-, en grondwater. Het GRP vervult vier hoofdfuncties: 1.

Kader gemeentelijke zorgplichten • overzicht beleidskeuzes en ambities ten aanzien van stedelijk afvalwater, hemelwater en grondwater. 2. Interne afstemming • met andere vakdisciplines binnen de gemeentelijke organisatie en met onze waterpartners. 3. Externe afstemming • met burgers en bedrijven. 4. Continuïteit en voortgangsbewaking • vanwege de relatief lange levensduur van stedelijke watervoorzieningen en kapitaalintensieve investeringen is een lange termijn aanpak essentieel (begroting, investeringen en evaluatie). Met het GRP draagt Halderberge bij aan de volgende omgevingsgerichte lange termijn doelstellingen: • bescherming van de volksgezondheid; • droge voeten (bebouwd gebied); • schoon water en een schone bodem. De gemeente heeft de zorgplicht voor de inzameling van stedelijk afvalwater. In gebieden waar de gemeente inzameling en transport van stedelijk afvalwater niet doelmatig vinden en de provincie ontheffing van de zorgplicht heeft verleend moet de houder van het

43

Bestemmingsplan ‘Margriethof’

afvalwater zelf zorgen voor de verwerking van het afvalwater. Met het in werking treden van de Omgevingswet vervalt de provinciale ontheffingsbevoegdheid en mag de gemeente Halderberge samen met het waterschap Brabantse Delta zelf bepalen wat doelmatig is. Bedrijfsafvalwater, dat niet op dezelfde manier kan worden behandeld als huishoudelijk afvalwater is geen stedelijk afvalwater. Omdat de gemeente hier geen zorgplicht voor heeft kunnen desgewenst bestaande of nieuwe aansluitingen van bedrijven worden geweigerd als dit ten goede komt van de zuivering Afvalwater dient zoveel mogelijk afzonderlijk van regen- en grondwater te worden afgevoerd. Regen- en grondwater voeren de gemeente bij voorkeur niet af naar de RWZI. De gemeentelijke zorg voor het beheer van afvloeiend hemelwater heeft betrekking op het afvloeiend hemelwater van openbaar terrein en afvloeiend hemelwater dat niet op particulier terrein kan worden verwerkt. De eigenaar van het terrein waarop het hemelwater valt is primair verantwoordelijk voor de verwerking van het hemelwater. De gemeente hoeft het hemelwater afkomstig van particulier terrein niet te ontvangen. Voor iedere ontwikkeling die leidt tot nieuwe verharding, ongeacht de omvang van deze ontwikkeling, geldt een bergingseis van 7 mm voor de eerste 1.000 m2. Voor verharding boven de 1.000 m2 geldt een bergingseis van 60 mm, conform de keur.

Voor ontwikkelingen op bestaande verharde locaties (inbreidingen, verbouwingen, herstructureringen) met een oppervlak groter dan 1.000 m 2 geldt een bergingseis van 60 mm voor het totale oppervlak. In de geest van de gehanteerde voorkeursvolgorde past de gemeente als principe toe dat zoveel als mogelijk retentie (dicht)bij de bron moet worden gerealiseerd. In de praktijk komt dit neer op in eerste instantie realisatie van retentie op eigen terrein en in tweede instantie realisatie van retentie binnen de plangrenzen van het te realiseren project waarvoor de retentie wordt gerealiseerd. Halderberge heeft de wens om voldoende open water binnen de gemeentegrenzen te hebben. Doordat de eis tot retentie te combineren met de voorkeursvolgorde is het gevolg dat er van nature oppervlaktewater wordt gerealiseerd bij nieuwe ontwikkelingen. De gemeente draagt zorg voor het in openbaar gebied treffen van maatregelen teneinde structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken, mits dit doelmatig is en voor zover er geen verantwoordelijkheid bestaat voor de waterbeheerder of de provincie. De perceeleigenaar is wettelijk gezien primair zelf verantwoordelijk voor het oplossen van zijn eigen grondwaterprobleem.

Overheden die (in)direct betrokken zijn bij de bescherming van drinkwater hebben een verantwoordelijkheid voor de invulling van de zorgplicht drinkwater. Deze zorgplicht is opgenomen in de Drinkwaterwet. De zorgplicht drinkwater geldt zowel voor de bescherming van bronnen van drinkwater als voor de infrastructuur. Beoordeling Milon heeft in november 2020 een watertoets uitgevoerd. Deze is als bijlage 4 toegevoegd bij onderhavige toelichting. Onderstaand worden de belangrijkste adviezen uiteengezet.

44

Gemeente Halderberge

Berging hemelwater bij extreme neerslag In onderstaande tabel is weergegeven hoe de verhardingssituatie er in de toekomstige situatie uitziet. Hoefnagels Civiel Techniek bv heeft met het Waterschap en de gemeente Halderberge besproken welke verhardingspercentages er zijn gerekend. Op basis van de toename van verhard oppervlak van 5.705 m2. m2 geldt een bergingseis van 5.705 x 0,06 = 342,3 m3. Gezien de parkeerplaatsen in het plan worden aangelegd met grastegels worden deze meegerekend bij het onverhard oppervlak. Op de onderzoekslocatie dient 342,3 m3 hemelwater opgevangen /geïnfiltreerd te worden.

Berekening toename verhard oppervlak. Bron: Hoefnagels Civiel Techniek bv, 2020.

Het hemelwater kan geborgen worden in de wadi. De overstort bij extreme regenval vanuit de wadi vindt plaats op het bestaande HWA riool ter hoogte van de Margrietstraat. De wadi is op het stedenbouwkundig plan ingetekend (zie bijlage 1 van de toelichting). De planologische waarborging vindt plaats met een aanduiding ‘specifieke vorm van groen – waterberging’ (sg-wb) op de verbeelding. Deze aanduiding is gekoppeld aan de regels, waarin is bepaald dat ter plaatse van die aanduiding ten minste 345 m3 hemelwater opgevangen/geïnfiltreerd te worden. Infiltratievoorziening De wadi wordt centraal binnen het plangebied gerealiseerd. Deze krijgt een inhoud van 345 m3 en heeft een talud van 1:2. De bodem van de wadi bevindt zich op 7.4m boven N.A.P., het maximale peil bevindt zich op 7.9m boven N.A.P. De insteek vanaf het maaiveld bevind zich op 8.25 boven N.A.P. In de figuur hierna is de dimensionering weergegeven. De dimensionering van de infiltratievoorziening is op schaal toegevoegd als bijlage 3 van de planregels. Met een voorwaardelijke verplichting wordt eveneens de dimensionering van de infiltratievoorziening verplicht. Waterschap Brabantse Delta heeft aangegeven dat het realiseren van een werkende helofytenfilter in een wadi niet mogelijk is.

Het waterschap heeft in een mail van 15 oktober 2020 aangegeven dat helofyten continue water vereisen terwijl wadi’s in periodes van weinig regenval droog staan. 45

Bestemmingsplan ‘Margriethof’

Om de wadi toch een zuiverende werking te geven en invulling te geven aan de provinciale milieuverordening is het een optie om de toplaag van de wadi te voorzien van voldoende lutum, zodat verontreiniging gebonden kan worden. Met een jaarlijkse monitoring kan bepaald worden of vervanging van de toplaag nodig is om doorslag bij verzadiging te voorkomen. In de uitvoerende fase wordt rekening gehouden met deze eis van het waterschap. De eis is tevens doorvertaald naar de planregels van onderhavig bestemmingsplan.

Bovenaanzicht waterbergende voorziening. Bron: Hoefnagels Civiel Techniek bv, 2020.

46

Gemeente Halderberge

Dwarsprofiel dimensionering waterbergende voorziening. Bron: Hoefnagels Civiel Techniek bv, 2020.

Grondwaterbeschermingsgebied Het plangebied is gelegen in een beschermingszone grondwaterwinning, 25-jaarszone genaamd Seppe. Deze regelgeving is overgenomen in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant in de artikelen 3.11, grondwaterbeschermingsgebied en 3.12, boringsvrije zone. Binnen een grondwaterbeschermingsgebied is het verboden om een aantal inrichtingen op te richten. Dit betreft bedrijfsmatige activiteiten waarvan in onderhavig plan geen sprake is. Het is in een grondwaterbeschermingsgebied verboden om afstromend water van gebouwen en verhardingen op of in de bodem te lozen. Dit verbod geldt niet ten aanzien van gebouwen indien geen bouwmaterialen (zoals zink, bitumen, gecreosoteerd of gewolmaniseerd hout) worden gebruikt die tot gevolg hebben dat schadelijke stoffen door afspoelen of uitloging in het afstromend water kunnen komen, of indien afstromend water uitsluitend infiltreert via een doelmatig werkend zuiveringssysteem (dit kan een wadi zijn). De functie wonen is voorts een gebruiksfunctie die binnen emissiecategorie 1 valt in het kader van milieubescherming. Verontreiniging van het grondwater ten gevolge van de woonfunctie is niet te verwachten. Er worden geen uitloogbare materialen in en/of op woningen toegepast.

In de planregels zijn regels voor het grondwaterbeschermingsgebied en de boringsvrije zone uit de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant opgenomen (artikel 3.11 en 3.12 IOV). Afvalwater Hemelwater wordt te allen tijde gescheiden gehouden van huishoudelijk afvalwater. Hiermee wordt onnodige vervuiling tegen gegaan. Hergebruik van hemelwater voor huishoudelijke doeleinden op een dergelijke kleine schaal is niet rendabel en wordt dan ook niet gestimuleerd. Voor onderhavig plan wordt uitgegaan van een oplossingsrichting waarbij hemelwater wordt aangeboden aan een centraal gelegen wadi met zuiverende werking. Overstort vindt plaats op de aan te leggen hemelwaterriolering.

47

Bestemmingsplan ‘Margriethof’

Conclusie Alle wateraspecten zijn in dit bestemmingsplan zorgvuldig afgewogen. In de regels wordt een voorwaardelijke verplichting opgenomen, die de berging van 345m3 water, de gepresenteerde dimensionering en uitvoeringseis van de waterbergende voorziening garandeert. 5.4

Archeologie Toetsingskader In Europees verband is het zogenaamde ‘Verdrag van Malta’ tot stand gekomen. Uitgangspunt van dit verdrag is het archeologisch erfgoed zo veel mogelijk te behouden. Waar dit niet mogelijk is, dient het bodemarchief met zorg ontsloten te worden. Bij het ontwikkelen van ruimtelijk beleid moet het archeologisch belang vanaf het begin meewegen in de besluitvorming. Sinds 2007 kent Nederland de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz, gewijzigde Monumentenwet 1988). Op basis van deze wet zijn gemeenten verplicht een archeologisch beleid te voeren. Daarbij hoort ook dat de archeologische waarden en verwachtingen binnen de gemeente inzichtelijk gemaakt moeten worden. Verder stelt de Wamz 2007 dat gemeenten archeologieparagrafen moeten opnemen in bestemmingsplannen. Het doel hiervan is om het ‘bodemarchief’ zoveel mogelijk te beschermen. De archeologische resten in de bodem vormen een belangrijke bron van informatie over het verleden. In het bijzonder voor die perioden of aspecten van het verleden waarvan geen of weinig schriftelijke bronnen bewaard zijn gebleven of waarover niet of nauwelijks is geschreven.

Gemeentelijke beleidsnota Halderberge ‘Ons geschreven verleden’ Gemeentelijke beleidsnota Halderberge ‘Ons geschreven verleden’ Het archeologiebeleid van de gemeente Halderberge van 22 september 2011 heeft tot doel het archeologisch erfgoed van de gemeente te beschermen en ontsluiten. Bij alle ruimtelijke plannen en ontwikkelingen, op structuur-, bestemmings- en vergunningsniveau, dienen de archeologische waarden volwaardig te worden meegewogen. Om een goede afweging te kunnen maken is archeologische kennis noodzakelijk. Als basiskennis dienen de vastgestelde archeologische advieskaarten. Vaak is meer gedetailleerde informatie noodzakelijk om een goede afweging te kunnen maken voor het beschermen van het archeologisch erfgoed. Om deze informatie te verkrijgen, dient onderzoek plaats te vinden. Om inzicht te krijgen in welke archeologische vondsten in de gemeente Halderberge verwacht kunnen worden, hanteert de gemeente een archeologische verwachtingskaart. Deze kaart maakt een onderscheidt tussen het buitengebied en het stedelijk gebied. Het plangebied is gelegen in het stedelijk gebied. In dit gebied zijn twee verwachtingswaarden mogelijk: • Een hoge archeologische verwachting: in deze zone (kern en verspreide bebouwing) wordt de grootste kwantiteit aan archeologische vindplaatsen (historische bebouwing) verwacht.

Voorafgaand aan bodemingrepen is adequaat archeologisch onderzoek noodzakelijk. • Een lage archeologische verwachting: in het overige deel van het stedelijk gebied wordt de kans op het aantreffen van archeologische vindplaatsen (historische bebouwing) klein geacht. Voor deze gebieden gelden in principe geen restricties ten aanzien van de geplande ingrepen.

48

Gemeente Halderberge

Uitsnede ‘Archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart’. Bron: Beleidsnota Archeologie gemeente Halderberge – Ons ongeschreven verleden (2011)’.

Beoordeling De planlocatie ligt op de ‘Archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart deels in het gebied waarvoor een ‘lage archeologische verwachting’ geldt (groen) en deels in het gebied waarvoor een ‘middelhoge archeologische verwachting’ geldt (geel). Een archeologisch onderzoek is noodzakelijk omdat in dit gebied dieper dan de bouwvoor wordt gegraven ten behoeve van de ontwikkeling van woningbouw. In oktober 2017 is door ADC Archeoprojecten een verkennend archeologisch onderzoek uitgevoerd. Deze rapportage (december 2018) is toegevoegd als bijlage 5. Onderstaand worden de belangrijkste bevindingen uiteengezet. Op basis van het bureauonderzoek is een gespecificeerde verwachting opgesteld. Hieruit volgt dat het plangebied op de flank van een langgerekte dekzandrug is gelegen, die zich van het huidige Bosschenhoofd in noordoostelijke richting tot aan Hoeven uitstrekt. Op grond van de bodemopbouw en de geologische ontwikkeling van het gebied kunnen archeologische resten voorkomen vanaf het Laat-Paleolithicum. Eventuele resten zullen bestaan uit overblijfselen van kampementen van jager-verzamelaars en manifesteren zich als strooiingen van vuursteen en houtskool.

49

Bestemmingsplan ‘Margriethof’

De kans op resten vanaf de Bronstijd is echter betrekkelijk klein. Dit is ingegeven door de sterke vernatting van het landschap en grootschalige veenvorming in de omgeving van het plangebied. Het plangebied zelf kende als gevolg van de ligging op de flank van een dekzandrug vermoedelijk geen veendekking. De dekzandrug stak waarschijnlijk als een veenvrij ‘eiland’ boven het natte landschap uit en moet in potentie bewoonbaar zijn gebleven. Gezien het volledig ontbreken van vondsten uit de periode Bronstijd t/m Vroege Middeleeuwen op genoemde dekzandrug kan het evenwel niet worden uitgesloten dat de terreinomstandigheden in de praktijk toch minder gunstig waren en dat bewoning en/of beakkering hierdoor werden verhinderd. In het begin 14e eeuw werd het onderzoeksgebied ontsloten door een turfvaart, de Bossche-Vaart, en werd het lager gelegen gebied op grote schaal afgeveend. In deze periode ontstond ter plaatse van het huidige Bosschenhoofd enige bewoning. Oude kaarten bieden geen aanknopingspunten voor bewoning in de Late Middeleeuwen en de Nieuwe tijd in het plangebied. Mogelijk bestond landgebruik uit bos/hakhout. In de eerst helft van de 20e eeuw veranderde het landgebruik in bouwland. Vermoedelijk is in deze periode door bemesting en grondbewerking een dikke humushoudende bovenlaag ontstaan.

De kans bestaat dat hierdoor het oorspronkelijke bodemprofiel is verstoord en eventuele resten niet meer intact aanwezig zullen zijn. Ook door de bouw van loodsen in het zuidelijk deel van het plangebied kan het bodemprofiel zijn verstoord. Teneinde deze verwachting te toetsen en waar nodig aan te vullen is in het plangebied een verkennend booronderzoek uitgevoerd. Uit het booronderzoek blijkt dat de natuurlijke ondergrond uit leem en matig siltig, zeer fijn zand bestaat. Deze afzettingen wordt geïnterpreteerd als verspoelde dekzanden (Formatie van Boxel ). Hierop bevindt zich een 25 tot 60 cm dik akkerdek. ADC ArcheoProjecten adviseert om het terrein vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkeling. De regioarcheoloog onderschrift dit advies en heeft een positief selectieadvies afgegeven. Dit advies is eveneens opgenomen in bijlage 4. Conclusie Met archeologisch onderzoek is aangetoond dat de kans op archeologische sporen klein is. De dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’ is n.a.v. een positief selectieadvies verwijderd van het plangebied. Het initiatief is aanvaardbaar met betrekking tot het aspect archeologie. 5.5

Cultuurhistorie Toetsingskader Per 1 januari 2012 is de Modernisering Monumentenzorg (MoMo) in werking getreden. Als gevolg van de MoMo wijzigt de Bro (artikel 3.1.6, lid 5). Wat eerst voor alleen archeologie gold, geldt nu ook voor al het cultureel erfgoed. In de toelichting van het bestemmingsplan dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. De opsteller en vaststeller van het bestemmingsplan is daarmee dus verplicht om breder te kijken dan alleen naar het facet archeologie. Ook de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie dienen te worden

50

Gemeente Halderberge

meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Beoordeling Beleid provincie Noord-Brabant In de provincie Noord-Brabant dienen in het kader van het behoud van waardevolle cultuurhistorische elementen en archeologische vindplaatsen, bestemmingsplannen te worden getoetst aan de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW). Hierop staan de bepalende cultuurhistorische elementen aangeven. Het plangebied ligt in gebiedspaspoort ‘West-Brabantse Venen’. Een van de doelstellingen voor dit gebied is “het duurzaam en in samenhang behouden van het bodemarchief (o.a. door afstemming van het gemeentelijk archeologiebeleid) van het archeologisch landschap ‘Dekzandrug Bosschenhoofd-Hoeven’. De Margrietstraat wordt aangemerkt als een lijn van redelijk hoge geografische waarde. In de situering van de woningen wordt aansluiting gezocht op de waardevolle aspecten van de bebouwing aan de Margrietstraat. Het plan is op de schaal van de hele regio echter is het plangebied op de schaal van de regio te kleinschalig. Er zijn geen aanknopingspunten om invulling te geven aan het beleid voor de regio.

Uitsnede Cultuurhistorische Waardenkaart waarop het plangebied is weergegeven met een rood kader (Bron: Provincie Noord-Brabant, 2017).

Beleid gemeente Halderberge Het gemeentebestuur van Halderberge wil met de ‘Beleidsnota cultureel erfgoed Halderberge’ (2011) naar een beleid waarin sprake is van zorgvuldig omgaan met de aanwezige cultuurhistorische waarden binnen Halderberge.

51

Bestemmingsplan ‘Margriethof’

Binnen de grenzen van Halderberge is Bosschenhoofd zonder twijfel het jongste dorp. Aan het einde van de Middeleeuwen was er grote bedrijvigheid bij het direct ten noorden van het huidige dorp gelegen turfhoofd Bosschenhoofd. Het optrekken van bebouwing naast het hoofd was echter verboden. Na 1600 raakte het turfhoofd in onbruik. De nederzetting bij deze voormalige turfvaart is tussen 1600 en 1800 ontstaan toen door de neergaande agrarische conjunctuur veelal werkloze landarbeiders en boerenzonen i l legaal een klein deel van de Hoevense Heide ontgonnen en zo een bescheiden nederzet ting ontstond aan de weg tussen Oudenbosch en Rucphen. Pas tussen 1840 en 1860 werd het gebied ontsloten en groeide de schaarse bevolking in de heidegehuchten tot één gemeenschap. Tijdens de grote ontginningen aan het einde van de 19e eeuw ontwikkelde het dorp zich voorspoedig. Na de tweede wereldoorlog heeft de nederzetting zich aanvankelijk bescheiden ontwikkeld. Pas na de komst van de grootschalige recreatieve voorzieningen in de directe omgeving, waardoor nieuwe bestaansmiddelen voor de inwoners werden gevonden, breidde Bosschenhoofd zich uit. Ook de gemeente Halderberge heeft een Cultuurhistorische Waardenkaart. De gemeentelijke kaart is een verfijning van de provinciale kaart. In dit geval biedt deze geen nieuwe informatie ten opzichte van de provinciale kaart.

De betreffende turfvaart is het enige, ten opzichte van het plangebied, nabijgelegen cultuurhistorisch waardevolle element (blauwe lijn op de ‘Uitsnede Cultuurhistoriekaart Halderberge’). Deze staat tevens genoemd in het provinciale beleid. De waarden van de turfvaart worden met de ontwikkeling van 26 grondgebonden woningen niet aangetast.

Uitsnede Cultuurhistoriekaart Halderberge, waarop het plangebied is weergegeven met een rood kader (Bron: Provincie Noord-Brabant, 2017). Conclusie De ontwikkeling wordt uitgevoerd met een passende landschappelijke inpassing aan de westzijde van het plangebied. De beoogde ontwikkeling heeft geen nadelige consequenties voor de cultuurhistorische waarden van de regio. 5.6

Natuur Toetsingskader De Wet natuurbescherming (Wnb) is een wet van 16 december 2015, houdende regels ter bescherming van de natuur. De Wet natuurbescherming is in werking getreden op 1

52

Gemeente Halderberge

januari 2017 en vervangt daarmee het voorheen geldende wettelijke stelsel voor de natuurbescherming, zoals neergelegd in de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. De wet regelt ten eerste de taken en bevoegdheden ten behoeve van de bescherming van natuurgebieden en planten- en diersoorten. Daarnaast bevat de wet onder meer bepalingen over de jacht en over houtopstanden. In de Wet natuurbescherming is de Europese regelgeving omtrent natuurbescherming, zoals vastgelegd in de Vogelrichtlijn (Richtlijn 2009/147/EG, 30 november 2009) en Habitatrichtlijn (Richtlijn 92/43/EEG, 21 mei 1992) als uitgangspunt genomen. De gebiedsbescherming van de Natura 2000gebieden is geregeld in hoofdstuk 2 van de Wnb. Beoordeling Het plangebied is niet gelegen in een Natura-2000 gebied. Wel zijn in de omgeving van het plangebied drie natuurgebieden gelegen: Hollands Diep, Brabantse Wal en De Maatjes, Wuustwezelheide en Groot Schieveld. Deze zijn alle drie op een afstand van 13/14 km gelegen. Natura 2000-gebieden en Beschermde Natuurmonumenten kunnen schade ondervinden wegens diverse aspecten, zoals verdroging, oppervlakteverlies, verontreiniging, versnippering, optische verstoring, verzuring en vermesting. In onderhavige situatie is er sprake van woningbouw.

Het Programma Aanpak Stikstof is op 29 mei 2019 ongeldig verklaard door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Op dit moment is enkel bewezen dat een plan voldoet aan de Wet natuurbescherming indien met Aerius is aangetoond dat de stikstoftoename maximaal 0,00 mol/ha/jaar bedraagt. Het huidige softwareprogramma geeft waarden beneden de 0,05 mol niet exact aan. Aerius wordt in het najaar van 2019 aangepast, zodat het programma ook depositiewaarden tussen 0,00 en 0,05 berekent en aantoont. Compositie 5 stedenbouw bv heeft met een stikstofdepositieberekening aangetoond dat de planontwikkeling geen negatieve effecten heeft op beschermde natuurgebieden. De rapportage daarvan is opgenomen als bijlage 6 van de toelichting. Conclusie Het plan voldoet aan natuurbescherming. 5.7

de

richtlijnen

voor

gebiedsbescherming

van

de

Wet

Flora en fauna Toetsingskader De Wet natuurbescherming (Wnb) is een wet van 16 december 2015, houdende regels ter bescherming van de natuur. De Wet natuurbescherming is in werking getreden op 1 januari 2017 en vervangt daarmee het voorheen geldende wettelijke stelsel voor de natuurbescherming, zoals neergelegd in de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet.

53

Bestemmingsplan ‘Margriethof’

De wet regelt ten eerste de taken en bevoegdheden ten behoeve van de bescherming van natuurgebieden en planten- en diersoorten. Daarnaast bevat de wet onder meer bepalingen over de jacht en over houtopstanden. In de Wet natuurbescherming is de Europese regelgeving omtrent natuurbescherming, zoals vastgelegd in de Vogelrichtlijn (Richtlijn 2009/147/EG, 30 november 2009) en Habitatrichtlijn (Richtlijn 92/43/EEG, 21 mei 1992) als uitgangspunt genomen. Voor de soortenbescherming is wettelijk bovendien rechtstreeks verwezen naar het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn. Het beschermingsregime betreffende soorten (flora en fauna) is opgenomen in hoofdstuk 3 van de Wnb. De verbodsbepalingen zijn hierbij afhankelijk gesteld van de soort (en daarmee de opname van die soort op de diverse lijsten) en de voorgenomen handelingen. Bovendien is een algemeen geldende zorgplicht opgenomen om handelingen achterwege te laten of maatregelen te treffen, om te voorkomen dat nadelige gevolgen ontstaan voor in het wild levende dieren en planten. Conform de Wet natuurbescherming is de initiatiefnemer bij ruimtelijke ingrepen verplicht op de hoogte te zijn van mogelijke voorkomende beschermde soorten binnen het plangebied. Vanuit die kennis dienen plannen en projecten getoetst te worden aan eventuele strijdigheid met de verbodsbepalingen uit de Wnb.

Conform vaste jurisprudentie kan een plan worden vastgesteld indien aannemelijk wordt gemaakt dat het aspect flora en fauna niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. Beoordeling De Roever Omgevingsadvies heeft in september 2017 een quickscan flora en fauna uitgevoerd in het plangebied. Bijbehorende notitie is opgenomen als bijlage 7 van de toelichting. Onderstaand worden de belangrijkste bevindingen uiteengezet. Voor de volgende soortgroepen is een nader onderzoek of een ontheffing Soortenbescherming niet noodzakelijk gebleken: flora, overige zoogdieren, vogels, vissen, amfibieën, reptielen en ongewervelden. De in het plangebied te verwachten soorten genieten lichte bescherming onder de Soortenbescherming; een algehele vrijstelling voor ruimtelijke ontwikkeling is hierop van toepassing. Broedvogels Gelet op de in het plangebied aanwezige biotopen zijn negatieve effecten op vogelsoorten uitgesloten. Nader onderzoek of een ontheffing Soortenbescherming is niet noodzakelijk. Werkzaamheden binnen het broedseizoen zijn mogelijk indien is vastgesteld dat er, met het werken volgens een werkprotocol, geen nesten van broedvogels worden verstoord. Vleermuizen Tijdens het terreinbezoek overdag is beoordeeld of de locatie geschikt is voor vleermuizen. Hierbij is onderscheid gemaakt in migratieroute, foerageergebied en verblijfplaats.

Op de planlocatie zijn verschillende boomstructuren aanwezig die lijnvormige elementen vormen, waarmee deze voor de vleermuizen gebruikt kan worden als migratieroute. Tijdens de werkzaamheden zullen bomen en planten gerooid worden waardoor

54

Gemeente Halderberge

lijnvormige elementen op het perceel verdwijnen. Ter compensatie wordt de westelijke rand van het plangebied ingericht met een landschappelijke inpassingsplan. Uit dit plan blijkt dat diverse boomvormers worden geplant, waardoor een migratieroute voor vleermuizen behouden blijft. Nagegaan is of te slopen gebouwen potentie hebben als vaste rust- en verblijfplaats voor vleermuizen, het zij als kraamverblijfplaats, zomerverblijfplaats, paar- en/of baltsverblijfplaats, of als winterverblijfplaats. Op de planlocatie is geen bebouwing aanwezig. De aanwezige bomen zijn onderzocht op voor vleermuizen geschikte holtes en spleten, maar deze zijn niet aangetroffen. Mogelijk foerageren vleermuizen boven het plangebied, de planlocatie is rustig gelegen en omsloten met bomen. Daarnaast komen door de aanwezige vegetatie veel insecten voor op de planlocatie, waardoor deze geschikt is als foerageergebied voor vleermuizen. In de directe omgeving van de planlocatie is voldoende vergelijkbaar foerageergebied aanwezig. Conclusie De bestemmingsplanwijziging heeft geen negatieve invloed op de mogelijk aanwezige soorten. Onderhavig plan voldoet aan de vereisten voor de soortenbescherming, zoals bepaald in de Wet natuurbescherming. 5.8

Weg-, rail- en vliegverkeerslawaai Toetsingskader Op basis van artikel 76 van de Wet geluidhinder (Wgh) dienen bij de vaststelling van een bestemmingsplan, wijzigingsplan of uitwerkingsplan als bedoeld in art. 3.6 lid 1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) de waarden als bedoeld in art. 82 t/m 85 van de Wgh in acht te worden genomen, indien dat plan gelegen is in een zone rondom een weg als bedoeld in art. 74 lid 1 Wgh en (het betreffende onderdeel van) dat plan mogelijkheden biedt voor: • de realisatie van woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen en van geluidsgevoelige terreinen (functies zoals genoemd in art. 1 Wgh en art 1.2 Bgh – het Besluit geluidhinder zoals gewijzigd op 4 april 2012); • de aanleg van een nieuwe weg en/ of een reconstructie van een bestaande weg; • functiewijzigingen van een niet-geluidsgevoelige functie in een geluidsgevoelige functie (bijvoorbeeld via afwijkings- of wijzigingsbevoegdheid). De onderzoekszone voor wegen zoals bedoeld in art. 74 lid 1 Wgh is afhankelijk van de hoeveelheid rijbanen. De tabel hierna geeft hier een overzicht van: Stedelijk

Buitenstedelijk

Aantal rijstroken

Aantal meter aan weerszijden van de weg

5 of meer

350 m

600 m

3 of 4

350 m

400 m

1 of 2

200 m

250 m

Tabel: afstand onderzoekszones wegen (bron: Wet geluidhinder).

55

Bestemmingsplan ‘Margriethof’

Artikel 74 lid 2 Wgh regelt dat indien de bovengenoemde ontwikkelingen zijn gelegen binnen een als 'woonerf' aangeduid gebied of in een zone nabij wegen waarvoor een maximum snelheidsregime van 30 km/u geldt, de betreffende waarden niet in acht hoeven te worden genomen. Uit een akoestisch onderzoek moet blijken of, indien sprake is van een van de bovengenoemde ontwikkelingen binnen een zone als bedoeld in art. 74 lid 1 Wgh, deze binnen de waarden valt zoals deze voor diverse typen ontwikkelingen is vastgelegd in de Wgh. De grenswaarde voor de toelaatbare etmaalwaarde van de equivalente geluidbelasting van wegen binnen zones langs wegen is voor woningen 48 dB. In bijzondere gevallen is een hogere waarde mogelijk; Burgemeester en Wethouders zijn binnen de grenzen van de gemeente en onder voorwaarden bevoegd tot het vaststellen van een hogere waarde voor de ten hoogst toelaatbare geluidsbelasting. Beoordeling In december 2018 heeft Wematech een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen als bijlage 8 bij deze toelichting. Onderstaand worden de belangrijkste bevindingen uiteengezet. Wegverkeerslawaai Ter plaatse van de gevoelige objecten is de geluidbelasting als gevolg van het wegverkeer ter plaatse van de Margrietstraat, Bosschenhoofdsestraat en de Bosschenhoofdseweg inzichtelijk gemaakt.

Uit de rekenresultaten kan worden opgemaakt dat ten hoogste 54 dB berekend wordt ter plaatse van woonblok 1, waarmee de voorkeursgrenswaarde van 48 dB overschreden wordt. Ter plaatse van de overige woonblokken wordt de voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet overschreden. Als gevolg van het wegverkeer ter plaatse van de Margrietstraat dienen derhalve hogere grenswaarden aangevraagd te worden voor het zuidelijke woonblok. Railverkeerlawaai De geluidsbelasting ter plaatse van het plangebied bedraagt vanwege railverkeerslawaai maximaal 52 dB. Hieruit blijkt dat als gevolg van het railverkeer geen sprake is van een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde van 55 dB. Vliegverkeerslawaai Het plangebied ligt ruimschoots buiten de 48 dB contour van Breda International Airport. Geluidhinder als gevolg van vliegverkeer ter plaatse van de luchthaven mag niet worden verwacht ter plaatse van de te realiseren woningen. Ruimtelijke ordening Uit de resultaten blijkt dat ter plaatse van de referentiepunten en de zuid- en westgevel van woonblok 1 een cumulatieve geluidbelasting van 56–60 dB wordt berekend, wat is te kwalificeren als een matig woon- en leefklimaat. Ter plaatse van de overige geveldelen van de beschouwde woonblokken bedraagt de geluidbelasting <56 dB en is derhalve te kwalificeren als een redelijk tot zeer goed woon- en leefklimaat.

Doordat reeds vanuit het Bouwbesluit eisen worden gesteld aan de geluidsisolatie van de uitwendige

56

Gemeente Halderberge

scheidingsconstructie, kan in onderhavige situatie voor alle woningen een acceptabel woon- en leefklimaat gegarandeerd worden. Conclusie Uit een akoestisch onderzoek blijkt dat de hoogst toelaatbare geluidsbelasting van 48 dB wordt overschreden. Bij de gemeente Halderberge wordt een verzoek tot het verlenen van een hogere grenswaarden ingediend voor de geveldelen van de woonblokken waar de geluidbelasting meer dan 48 dB bedraagt. Mogelijk overweegt het bevoegd gezag de maximale snelheid ter plaatse van de Margrietstraat te verlagen van 80 km/h naar 60 km/h. Doordat reeds vanuit het Bouwbesluit eisen worden gesteld aan de geluidsisolatie van de uitwendige scheidingsconstructie, kan in onderhavige situatie voor alle woningen een acceptabel woon- en leefklimaat gegarandeerd worden. Het treffen van andere en/of aanvullende gelui reducerende maatregelen is vanuit financieel en stedenbouwkundig oogpunt niet als reële maatregel te stellen. 5.9

Bedrijven en milieuzonering Toetsingskader Door het aanbrengen van een zone tussen bedrijvigheid en milieugevoelige bestemmingen (zoals woningbouw) kan de overlast ten gevolge van bedrijfsactiviteiten zo laag mogelijk gehouden worden. Zonering is met name van toepassing bij nieuwbouw van woningen en andere gevoelige functies in de directe omgeving van een bedrijf en bij vestiging van een nieuw bedrijf in de directe omgeving van gevoelige bestemmingen. Op basis van de VNG-brochure 'Bedrijven en Milieuzonering 2009' (hierna: VNG-brochure) wordt onder milieugevoelige functies verstaan: woningen, woongebieden, ziekenhuizen, scholen en verblijfsrecreatie. Sommige functies kunnen zowel milieubelastend als milieugevoelig zijn (bijvoorbeeld ziekenhuizen en scholen). De VNG-publicatie onderscheidt twee omgevingstypen: 1. Het omgevingstype rustige woonwijk en rustig buitengebied Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven of kantoren) voor. Langs de randen (in de overgang naar mogelijke bedrijfsfuncties) is weinig verstoring door verkeer. Een vergelijkbaar omgevingstype qua aanvaardbare milieubelasting is een rustig buitengebied, (eventueel inclusief verblijfsrecreatie), een stiltegebied of een natuurgebied. 2.

Het omgevingstype gemengd gebied Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend.

57

Bestemmingsplan ‘Margriethof’

Beoordeling In onderhavig geval is sprake van het type rustige woonwijk, aangezien het plan voornemens is de realisatie van een woonbuurt met uitsluitend woonfuncties mogelijk te maken. Aan de oost- en noordzijde grenst het plangebied aan bestaande woonbuurten. Het dichtstbijzijnde bedrijf, Nishikigoi Farm Vof, een karperkwekerij, ligt op een afstand van ongeveer 150 meter van het plangebied. Voor deze inrichting geldt een richtafstand van 50 meter voor het aspect geur en geluid (SBI-2008 code 032). Aan deze richtafstand wordt ruimschoots voldaan. In paragraaf 5.10 worden de richtafstanden van de nieuwe woningen in relatie tot omliggende veehouderijen besproken. Dat betreft een toets aan het principe van de omgekeerde werking. In de omgeving van het plangebied liggen verder geen milieu-inrichtingen die mogelijk een belemmering vormen voor het planvoornemen. Bedrijven zijn op ruim voldoende afstand van het woongebied gelegen. Hierdoor wordt het woon- en leefklimaat binnen het plangebied in voldoende mate gegarandeerd en wordt het bedrijf niet in de bedrijfsactiviteiten beperkt. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect bedrijven en milieuzonering geen belemmering vormt voor het voorliggende plan. Ter plaatse is een goed woon- en leefklimaat verzekerd.

5.10 Geurhinder Toetsingskader De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt vanaf 1 januari 2007 het toetsingskader voor vergunningverlening, als het gaat om geurhinder vanwege dierverblijven van veehouderijen. De Wgv geeft onder andere normen voor de voorgrondbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object. Met de voorgrondbelasting wordt de geurbelasting van een individuele veehouderij bedoeld en wel van díe veehouderij welke de meeste geur op het geurgevoelige object veroorzaakt, hetzij omdat het een grote veehouderij betreft, hetzij omdat de veehouderij dicht bij het geurgevoelige object is gelegen; de dominante veehouderij. De gemeente Halderberge heeft geen geurverordening vastgesteld. Derhalve zijn de geurnormen uit de Wet geurhinder en veehouderij van toepassing. Halderberge is niet gelegen buiten een concentratiegebied van veehouderijen. In artikel 3 van de Wgv zijn de geurnormen op gevoelige objecten bepaald. Een omgevingsvergunning met betrekking tot een veehouderij wordt geweigerd indien de geurbelasting van die veehouderij op een geurgevoelig object, gelegen buiten een concentratiegebied, binnen de bebouwde kom meer bedraagt dan 2,0 odour units per kubieke meter lucht.

Onverminderd artikel 3 van de Wgv bedraagt de afstand van de buitenzijde van een dierenverblijf tot de buitenzijde van een geurgevoelig object ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen.

58

Gemeente Halderberge

Beoordeling De Wgv vormt uitsluitend het toetsingskader voor veehouderijen. Omgekeerd is het in het kader van een goede ruimtelijke ordening niet wenselijk dat gevoelige objecten binnen bestaande geurcontouren van veehouderijen worden opgericht. Nishikigoi Farm Vof, een karperkwekerij, ligt op een afstand van ongeveer 150 meter van het plangebied. Voor deze inrichting geldt een richtafstand van 50 meter voor het aspect geur en geluid (SBI-2008 code 032). Aan deze richtafstand wordt ruimschoots voldaan. Geconstateerd is dat het plangebied niet is gelegen in geurcontouren van veehouderijen die op basis van de Wet geurhinder en veehouderij gelden. Beredeneerd vanuit de omgekeerde werking kan worden geconcludeerd dat de bestaande kwekerij niet wordt gehinderd door de oprichting van gevoelige objecten. De woningen (gevoelige objecten) worden ruim buiten de vaste richtafstand van de karperkwekerij opgericht. Voorts zijn enkele veehouderijen in de omgeving van het plangebied gelegen. Onderstaand een weergave van deze veehouderijen met de bijbehorende afstanden. Adres Bosschenhoofdseweg 23 Zegge Bosschenhoofdseweg 19 Zegge

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.halderberge.nl/api/v1/meetings/487/documents/14696