CConstaterende datHalderberge
Koppel je AI →
Document · PDF

Havendijk Kom Noord, deelgebieden 2 en 6, Oudenbosch vastgesteld 1.pdf

Gemeenteraad 18 april 2024, gemeente HalderbergeBij agendapunt: 7: Vaststellen bestemmingsplan Havendijk Kom Noord, deelgebieden 2 en 6 Oudenbosch27.200 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Waterparagraaf Beleid Beleid Waterschap Brabantse Delta Het waterschap Brabantse Delta is verantwoordelijk voor het waterbeheer in de gemeente Halderberge. Het beleid van het waterschap is opgenomen in het 'Waterbeheerprogramma 2022-2027', welke is vastgesteld op 1 december 2021. De 'Keur Waterschap Brabantse Delta 2015' bevat vervolgens regels met daarin verboden en verplichtingen ten aanzien van het oppervlaktewater en grondwater. De drie Brabantse waterschappen (Aa en maas, De Dommel en Brabantse Delta) hanteren sinds 1 maart 2015 dezelfde uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. Deze uitgangspunten zijn geformuleerd in de 'beleidsregel Hydrologische uitgangspunten voor afvoeren van hemelwater'. Bij toename en afkoppeling van het verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat de plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. Bij een toename van het verhard oppervlak van meer dan 500 m2 is er vanuit het waterschap een compensatieverplichting. Tot 500 m2 is de gemeente het bevoegd gezag.

Beschermingszones waterk ering Zoals de naam al aanduidt, is de Havendijk een waterkering voor het naastgelegen kanaal, de Mark. De Havendijk is ook als zodanig opgenomen in de vastgestelde legger van Waterschap Brabantse Delta, zijnde een regionale waterkering, onderdeel rivieren. Overeenkomstig de Leggerkaart is het plangebied gedeeltelijk gelegen binnen 'Beschermingszone A' van de waterkering. Dit betreft een profiel van vrije ruimte, waar volgens de Keur ontwikkelingen in basis niet mogelijk zijn. Daarnaast is het plangebied

28

gedeeltelijk gelegen binnen ‘Beschermingszone B’ van diezelfde waterkering, waarbij slechts met vergunning en onder voorwaarden ontwikkelingen mogelijk zijn. Binnen 'Beschermingszone A' staan geen ruimtelijke ontwikkelingen c.q. fysieke ingrepen gepland. Voor de fysieke ingrepen binnen 'Beschermingszone B' wordt een vergunning overeenkomstig de voorwaarden uit de Keur aangevraagd. Hieromtrent is reeds overleg gevoerd met Waterschap Brabantse Delta en is het stedenbouwkundig plan hierop aangepast.

Figuur 4.1 Beschermingszones regionale waterkering (plangebied is rood omlijnd)

GRP Halderberge, 2020-2023 De gemeente Halderberge heeft het waterbeleid opgenomen in het 'GRP Halderberge, 2020-2023'. Met betrekking tot de omgang met afstromend hemelwater van daken en terreinverharding wordt aangegeven dat de verantwoordelijkheid primair bij de perceeleigenaar ligt. Als van de perceeleigenaar redelijkerwijs niet kan worden vereist dat het afvloeiend hemelwater op of in de bodem of in het oppervlaktewater wordt gebracht zal de gemeente zorgen voor een geschikte voorziening voor de afvoer van het hemelwater, mits dat op een doelmatige manier kan. Deze primaire verantwoordelijkheid van de perceeleigenaar geldt vooral in nieuwe situaties. Bij nieuwbouw is de initiatiefnemer (projectontwikkelaar, particulier of gemeente) dus verantwoordelijk voor het gescheiden verwerken van hemelwater en het hydrologisch neutraal houden van de effecten van de ruimtelijke ontwikkeling. Bij verbouwingen en kleinschalige vervangende nieuwbouw (in bestaand stedelijk gebied) dient de eigenaar, vooruitlopend op de toekomst, alvast een gescheiden riolering aan te leggen tot aan de perceelsgrens. In gescheiden gerioleerde wijken en bij nieuwbouw zal de particulier het hemelwater gescheiden van het afvalwater moeten aanbieden. In drukrioleringsgebieden en bij gebruik van een IBA dient de particulier het hemelwater op zijn perceel zelf te verwerken.

De gemeente Halderberge vindt dat de omgang met en

29

verwerking van hemelwater een gedeelde verantwoordelijkheid is, waarvoor ze samen met de burgers en de bedrijven aan de lat staan. Ze geven hier een praktische invulling aan door waterberging te eisen bij ontwikkelingen, een voorkeursvolgorde na te streven voor de omgang met water, voldoende open water te creëren, initiatieven vanuit de maatschappij te stimuleren en het beleid te verankeren in plan(ontwikkelingen). Hierna volgen de belangrijkste hydrologische uitgangspunten voor de opvang van hemelwater: Voor iedere ontwikkeling die leidt tot nieuwe verharding, ongeacht de omvang van deze ontwikkeling, geldt een bergingseis van 7 mm voor de eerste 1.000 m2. Voor verharding boven de 1.000 m2 geldt een bergingseis van 60 mm, conform de Keur. Voor ontwikkelingen op bestaande verharde locaties (inbreidingen, verbouwingen, herstructureringen) met een oppervlak groter dan 1.000 m2 geldt een bergingseis van 60 mm voor het totale oppervlak. Voorkeur voor water vasthouden; dus retentievoorzieningen die infiltratie van regenwater bevorderen of realisatie van oppervlaktewater (sloten, greppels en vijvers). Slechts in het geval dat bovengrondse retentie niet mogelijk blijkt te zijn, passen we maatregelen als ondergrondse bergingskelders (bergen) of verruimen van de (regenwater)riolering (afvoeren) toe.

In de geest van de gehanteerde voorkeursvolgorde passen we als principe toe dat zoveel als mogelijk retentie (dicht)bij de bron moet worden gerealiseerd. In de praktijk komt dit neer op in eerste instantie realisatie van retentie op eigen terrein en in tweede instantie realisatie van retentie binnen de plangrenzen van het te realiseren project waarvoor de retentie wordt gerealiseerd. Compensatieopgave De verhardingsopgave van het te ontwikkelen plan, welke wordt afgezet tegen het relevante beleid omtrent de waterbergingsopgave als gevolg van (de toename van) het verhard oppervlak, bepaalt de te compenseren waterberging en de mogelijke oplossingsrichtingen hiervoor. Deze worden in onderhavige paragraaf belicht. Vanwege het van toepassing zijnde beleid is zowel de verhardingsopgave van de huidige als de beoogde situatie inzichtelijk gemaakt. De verhardingsopgave voor de bestaande situatie is indicatief opgesteld op basis van beschikbare luchtfoto’s. De verhardingsopgave voor de nieuwe situatie is aangeleverd door de opdrachtgever en opgesteld op basis van het stedenbouwkundig plan (zie Bijlage 2) . De verhardingsopgave wordt weergegeven in tabel 4.1.

Tabel 4.1 Verhardingsopgave plangebied

Uitgaande van voorgaande tabel en de daarin opgenomen verhardingsopgave neemt de totale verharding ten opzichte van de huidige situatie af met circa 3.304 m². Gesteld kan worden dat er overeenkomstig de Keur geen waterwetvergunning en compenserende maatregelen met betrekking tot de opvang van hemelwater worden verlangd. Vanuit het gemeentelijke beleid wordt wel een compenserende maatregel met betrekking tot de opvang van hemelwater verlangd. Op basis van het gemeentelijke beleid geldt voor ontwikkelingen op bestaande verharde

30

locaties (inbreidingen, verbouwingen, herstructureringen) met een oppervlak groter dan 1.000 m² een bergingseis van 60 mm voor het totale oppervlak. Op basis van dit gegeven en de verhardingsopgave kan de maatgevende berging worden bepaald aan de hand van de volgende formule: 4.696 m² (verhard oppervlak) x 0,06 m³ (benodigde retentiecapaciteit per m²) Op basis hiervan dient een waterberging gerealiseerd te worden van in totaal 281,76 m³, bij voorkeur in bovengrondse infiltratievoorzieningen zoals sloten, greppels of wadi’s. In en nabij het plangebied zijn voldoende mogelijkheden om deze bergingscapaciteit te realiseren, dit bijvoorbeeld in de vorm van verlagingen in de groenstroken (het creëren van wadi’s, watergangen en/of vijvers). Bij toepassing van voornoemde oplossingsrichtingen, met voldoende bergend vermogen, in de verdere uitwerking van het plan zal het aspect water geen belemmering vormen voor de uitvoering van het planvoornemen. Geadviseerd wordt om bij nadere uitwerking van de plannen het waterschap in een vroeg stadium te betrekken en tevens een gedetailleerd waterhuishoudkundig plan uit te laten werken door een (civieltechnisch) specialist. Op deze wijze moet voorkomen worden dat de toekomstige voorzieningen onjuist gedimensioneerd worden, op de verkeerde diepte worden aangelegd of onvoldoende functioneren.

Conclusie Bij toepassing van de voorgenoemde oplossingsrichtingen, met voldoende bergend vermogen, in de verdere uitwerking van het plan zal het aspect water geen belemmering vormen voor de uitvoering van het planvoornemen. Er dient tevens een rioleringsplan opgesteld te worden waarin zowel de opvang van het het vuil- als het hemelwater inzichtelijk gemaakt wordt.

4.4

Flora- en fauna

Vanuit Europese- en nationale regelgeving dient onderzocht te worden welke effecten de voorgenomen ingreep heeft op beschermde gebieden (Natura 2000 en Natuurnetwerk Nederland) en op beschermde flora en fauna.

Natura 2000-gebieden Nederland kent 162 Natura 2000-gebieden. Dit Natura 2000-netwerk bestaat uit gebieden die zijn aangewezen onder de Vogelrichtlijn en onder de Habitatrichtlijn. Beide Europese richtlijnen zijn belangrijke instrumenten om de Europese biodiversiteit te waarborgen. Alle gebieden zijn geselecteerd op grond van het voorkomen van soorten en habitattypen die vanuit Europees oogpunt bescherming nodig hebben.

Natuurnetwerk Nederland (NNN) / Natuurnetwerk Brabant (NNB) Het Natuurnetwerk Nederland is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Ook alle grote wateren en de gehele Noordzee behoren tot het NNN. Voor deze gebieden is het Rijk verantwoordelijk. De provincies zijn verantwoordelijk voor het Natuurnetwerk Nederland op het land. Het Natuurnetwerk Brabant maakt onderdeel uit van het Natuurnetwerk Nederland.

Ecologische quickscan Om inzicht te krijgen in de aanwezige ecologische waarden is door Eco Assist een

31

ecologische quickscan opgesteld. Het onderzoek is als Bijlage 7 toegevoegd aan dit bestemmingsplan. Hieronder worden enkel de conclusies weergegeven.

Gebiedsbescherming Natura 2000-gebieden Het plangebied ligt ruim buiten de invloedsfeer van Natura 2000-gebieden voor alle mogelijk effecten met uitzondering van verrijkende effecten ten gevolge van stikstofdepositie. Gezien de afstand en de aard en duur van de werkzaamheden worden kansen op negatieve effecten van stikstofuitstoot en depositie op daarvoor gevoelige habitattypen en de leefgebieden van soorten met instandhoudingsdoelstellingen als laag ingeschat. De stikstofdepositie kan in de gebruiksfase toenemen. Dit is sterk afhankelijk van de uitstoot die de nieuwbouw met zich meebrengt en die is afhankelijk van zaken als de verwarming van de gebouwen en het aantal verkeersbewegingen van de toekomstige gebruikers. Om hier rechtszekerheid over te krijgen dient voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase een stikstofberekening (AERIUS-berekening) uitgevoerd te worden. Zie hiervoor paragraaf 4.5.

Natuurnetwerk Nederland (NNN)/ Natuurnewerk Brabant (NNB) De ingreep vindt niet plaats in het NNN. Daarnaast zijn negatieve effecten op wezenlijke waarden en kenmerken van het NNB ten gevolge van externe werking uitgesloten. Hierdoor is een vergunning of nadere toetsing in de vorm van een Nee-tenzij-toets niet noodzakelijk.

Houtopstanden Binnen het plangebied zijn geen bomen aanwezig welke gekapt dienen te worden ten behoeve van de ingreep welke onderdeel uitmaken van een bosperceel van meer den 10 are of een rijbeplanting van tenminste 20 bomen. Hierdoor is er ook geen sprake van effecten op bomen welke vallen onder het gedeelte beschermde houtopstanden uit de Wet natuurbescherming. Artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming is hierdoor niet van toepassing.

Soortenbescherming Planten Uit de directe omgeving van het plangebied zijn geen beschermde vaatplanten bekend. Oude bebouwing of muren welke kunnen fungeren als groeiplaats voor beschermde muurplanten zijn geheel afwezig in het plangebied. Alle overige beschermde vaatplanten stellen zeer specifieke eisen aan hun standplaats. Deze zijn binnen het plangebied niet aanwezig. Doordat de aanwezigheid van beschermde vaatplanten in het plangebied uitgesloten is leidt de ingreep voor deze soorten niet tot een negatief effect of overtreding van de Wet natuurbescherming.

Vogels Binnen het plangebied en de directe omgeving daarvan zijn geen beschermde functies van broedvogels met jaarrond beschermde nesten uit categorie 1 t/m 4 te verwachten. Daarmee zijn negatieve effecten op deze soorten ook uitgesloten. Voor vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten uit categorie 5, zoals ekster, koolmees en pimpelmees zijn voldoende alternatieve broedlocaties aanwezig in de directe omgeving van het plangebied. Voor de andere mogelijk aanwezige soorten broedvogels geldt dat de werkzaamheden buiten het broedseizoen uitgevoerd dienen te worden. Werkzaamheden die uitgevoerd

32

worden tijdens het broedseizoen kunnen leiden tot het verlaten van nesten met eieren of jongen en brengen de functionaliteit van de nesten in gevaar en zijn een overtreding van de Wet natuurbescherming, artikel 3.1, lid 1 en 2. Voor het broedseizoen stelt de wet geen vaste begin- of einddatum. Normaal gesproken loopt het broedseizoen voor de meeste vogelsoorten van 15 maart tot 15 juli. Wanneer niet buiten het broedseizoen gewerkt kan worden, moet het plangebied voorafgaande aan de werkzaamheden door een deskundige op het gebied van beschermde soorten onderzocht worden op de aanwezigheid van broedgevallen. Ook is het in dat geval aan te raden het afval dat vrijkomt in het plangebied (ruim) voor het broedseizoen te verwijderen, om de kans op broedgevallen binnen het plangebied te beperken. Het is voor de voorgenomen ingreep niet mogelijk ontheffing te verkrijgen voor het verstoren van broedgevallen van vogelsoorten welke van nature broeden in Europa en op natuurlijke wijze in Nederland gekomen zijn.

Vleermuizen In de gebouwen binnen het plangebied zijn verblijfplaatsen van vleermuizen redelijkerwijs uitgesloten op basis van dit onderzoek. Ook zijn er geen bomen met potentieel geschikte verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig. De aanwezigheid van essentieel foerageergebied of vaste vliegroutes van vleermuizen zijn eveneens uitgesloten binnen het plangebied. Hierdoor is overtreding van de Wet natuurbescherming ten aanzien van vleermuizen niet aan de orde. Daarbij is het wel van belang dat in het plangebied zowel in de aanlegfase als in de gebruiksfase geen verlichting wordt toegepast welke uitstraalt naar de omgeving, waar wel vaste rust- en verblijfplaatsen en vaste vliegroutes van vleermuizen aanwezig kunnen zijn.

Overige zoogdieren Uit de resultaten van het onderzoek blijkt dat verder geen beschermde gebiedsfuncties voor zoogdiersoorten te verwachten zijn waarvoor geen vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkelingen geldt. De ingreep leidt voor deze soorten dan ook niet tot een overtreding van de Wet natuurbescherming.

Reptielen Gedurende het veldbezoek zijn geen reptielen waargenomen binnen het plangebied. Het plangebied ligt ver buiten het bekende verspreidingsgebied van muurhagedis. Op grond van het ontbreken van voor overige reptielen geschikte ecotopen in het plangebied (zoals schrale vegetatie met voldoende rustige, zonnige plekken) kan de aanwezigheid daarvan eveneens uitgesloten worden. Doordat de aanwezigheid van reptielen in het plangebied uitgesloten is leidt de ingreep voor deze soorten niet tot een negatief effect of overtreding van de Wet natuurbescherming.

Amfibieën Uit het plangebied en de directe omgeving daarvan zijn geen waarnemingen van beschermde amfibieën bekend. Binnen het plangebied en hieraan direct grenzend ligt geen water, waarmee voortplantingswateren van amfibieën ook uitgesloten zijn. Ook zijn binnen het plangebied geen pionierssituaties aanwezig waar soorten als de rugstreeppad gebruik van kunnen maken als voortplantingsbiotoop of landhabitat. Tijdens de werkzaamheden kan dit ontstaan en rugstreeppadden kunnen als enige amfibieënsoort in Nederland relatief grote afstanden afleggen in korte tijd. Maar gezien de rugstreeppad nergens bekend is uit Oudenbosch (NDFF) wordt ook in dat geval kolonisatie niet verwacht. De aanwezigheid van beschermde amfibieën is in het plangebied dan ook uitgesloten.

33

De kleine watersalamander, gewone pad, bruine kikker, bastaardkikker en meerkikker zijn door alle provincies voor ruimtelijke ingrepen vrijgesteld van de Wet natuurbescherming. Doordat de aanwezigheid van beschermde amfibieën in het plangebied uitgesloten is leidt de ingreep voor deze soorten niet tot een negatief effect of overtreding van de Wet natuurbescherming. Ook is kolonisatie door rugstreeppadden gedurende de uitvoeringsfase redelijkerwijs uitgesloten omdat de soort niet bekend is uit het dorp en omstreken.

Vissen Doordat in het plangebied geen oppervlaktewater aanwezig is zijn beschermde vissen niet aanwezig en leidt de ingreep niet tot een negatief effect op beschermde vissen.

Vlinders en libellen In het plangebied komen geen voedselarme wateren of vegetaties met waardplanten voor die geschikt zijn als leefgebied voor beschermde libellen en dagvlinders. De aanwezigheid van beschermde libellen en vlinders kan daarom redelijkerwijs worden uitgesloten. Doordat de aanwezigheid van beschermde vlinders en libellen in het plangebied uitgesloten is leidt de ingreep voor deze soorten niet tot een negatief effect of overtreding van de Wet natuurbescherming.

Overige ongewervelden Uit het plangebied en de directe omgeving daarvan zijn geen overige beschermde ongewervelden bekend (NDFF). Op basis van de gebiedskenmerken en de ligging van het plangebied in stedelijk gebied worden overige beschermde ongewervelden ook niet verwacht. Doordat de aanwezigheid van overige beschermde ongewervelden in het plangebied redelijkerwijs uitgesloten is leidt de ingreep voor deze soorten niet tot een negatief effect of overtreding van de Wet natuurbescherming.

Conclusie Op grond van de mogelijke effecten die op kunnen treden ten gevolge van de ingreep blijkt dat deze niet door de Wet natuurbescherming wordt verhinderd. Wel dient tijdens de uitvoering van werkzaamheden rekening gehouden te worden met het broedseizoen en de algemene zorgplicht. Daarnaast dient een werkprotocol opgesteld te worden ter goedkeuring van de gemeente. De ingreep heeft geen significant negatief effect op gebieden welke onderdeel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Ook worden bij de ingreep geen bomen gekapt welke vallen onder beschermde houtopstanden uit de Wet natuurbescherming. Voor Natura 2000-gebieden is de kans op negatieve effecten nihil. Om hier rechtszekerheid over te verkrijgen is in paragraaf 4.5 een AERUIS-berekening uitgevoerd voor de gebruiksfase. Het aspect flora en fauna vormt geen belemmering voor de vaststelling van voorliggend bestemmingsplan.

4.5

Stikstofdepositie

De bescherming van de Natura 2000-gebieden is geregeld in de Wet natuurbescherming. In zowel de Habitat- als de Vogelrichtlijn zijn de gebieden opgenomen welke als Natura 2000-gebied worden aangemerkt. Ten behoeve van de instandhouding van de natuurgebieden dienen negatieve effecten te worden uitgesloten, waardoor onder andere onderzoek plaats dient te vinden naar de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Hiervoor is sinds 1 juli 2021 de Wet stikstofreductie en natuurverbetering (Wsn) van kracht.

34

Beoordeling Het plan is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000-gebied. De meest nabij gelegen Natura 2000-gebieden zijn 'Hollands Diep' en 'Krammer Volkerak'. Deze gebieden zijn gelegen op respectievelijk 9 en 12 kilometer afstand tot het plangebied. Het beoogde plan mag in beginsel geen negatieve effecten veroorzaken op de omliggende Natura2000-gebieden. Daarnaast maakt het voorliggende plan deel uit van een grotere gebiedsontwikkeling. De verschillende deelprojecten zullen qua doorlooptijd elkaar overlappen. Om de effecten van de gehele gebiedsontwikkeling inzichtelijk te krijgen is een stikstofonderzoek uitgevoerd waarbij alle deelprojecten betrokken zijn. Met het voorgeschreven programma AERIUS Calculator 2023 is de depositie van de gehele gebiedsontwikkeling op het oppervlak van de omliggende Natura 2000-gebieden inzichtelijk gemaakt. In Bijlage 8 is de berekening en bijbehorende rapportage opgenomen.

Conclusie Uit de uitgevoerde berekeningen kan geconcludeerd worden dat zowel gedurende de aanlegfase als de gebruiksfase voor de planontwikkeling aan de Havendijk ong. te Oudenbosch de stikstofbijdrage 0,00 mol/ha/jaar bedraagt. Hierdoor kan het initiatief niet tot significante negatieve effecten leiden ter plaatse van de Natura 2000 gebieden. Hiertoe moet in de aanlegfase gebruik worden gemaakt van de mobiele werktuigen zoals aangegeven in onderhavig onderzoek. Voor wat betreft het aspect stikstofdepositie zijn er derhalve vanuit de Wet natuurbescherming geen belemmeringen voor de realisatie van het initiatief. Het aanvragen van een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming is niet aan de orde.

4.6

Cultureel erfgoed

Vanaf 1 juli 2016 bundelt de Erfgoedwet bestaande wet- en regelgeving voor het behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. In de toelichting van het bestemmingsplan dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische en archeologische waarden rekening is gehouden. Het doel hiervan is om het 'bodemarchief' zoveel mogelijk te beschermen. De archeologische resten in de bodem vormen een belangrijke bron van informatie over het verleden. In het bijzonder voor die perioden of aspecten van het verleden waarvan geen of weinig schriftelijke bronnen bewaard zijn gebleven of waarover niet of nauwelijks is geschreven.

4.6.1

Cultuurhistorie

Provincie Noord-Brabant Op basis van de Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie Noord-Brabant kan worden geconcludeerd dat er geen monumenten van cultuurhistorische waarde in de nabijheid van het plangebied aanwezig zijn.

35

Figuur 4.2 Uitsnede Cultuurhistorische Waardenkaart Provincie Noord-Brabant (plangebied is blauw omlijnd)

De Havendijk, gelegen ten westen van het plangebied, is aangeduid als historisch geografische lijn met een hoge waarde. De beoogde ontwikkeling wijzigt niets aan de Havendijk. De cultuurhistorische waarden blijven daarmee ook behouden en worden niet aangetast. Binnen het plangebied bevinden zicht verder geen elementen van specifieke cultuurhistorische waarden.

Gemeente Halderberge Het gemeentebestuur van Halderberge wil met de Beleidsnota cultureel erfgoed Halderberge "Inspirerend Verleden" naar een beleid waarin sprake is van zorgvuldig omgaan met de aanwezige cultuurhistorische waarden binnen Halderberge. De gemeente heeft de cultuurhistorische waarden vastgelegd in de 'Cultuurhistoriekaart Halderberge'. De gemeentelijke kaart is een verfijning van de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart.

36

Figuur 4.3 Uitsnede Cultuurhistoriekaart gemeente Halderberge (plangebied is rood omlijnd)

Op basis van de Cultuurhistoriekaart Halderberge maakt het plangebied deel uit van het inundatiegebied 'Zuider Frontier'. Een inundatiegebied is een gebied dat ten behoeve van de verdediging onder enkele decimeter water kon worden gezet. Het onder water zetten van het land, bijvoorbeeld door een dijk door te steken, was eeuwenlang een veel toegepaste tactiek in tijden van oorlog. Het doel was een onbegaanbaar en onbevaarbaar terrein te creëren om de vijand tegen te houden. Het inundatiegebied bestrijkt vrijwel het gehele noordelijk grondgebied van Halderberge. Voor dit gebied geldt op basis van de Cultuurhistoriekaart Halderberge geen concreet beleidsadvies.

Conclusie In onderhavig planvoornemen worden er geen elementen van cultuurhistorische waarden aangetast. Het aspect cultuurhistorie staat de ontwikkeling derhalve ook niet in de weg.

4.6.2

Archeologie

Beleidsnota archeologie gemeente Halderberge 'Ons ongeschreven verleden' Het archeologiebeleid van de gemeente Halderberge heeft tot doel haar archeologische erfgoed te beschermen en ontsluiten als bron van het 'gemeenschappelijke geheugen en als middel voor wetenschappelijke studie, zonder meer maatschappelijke lasten in het leven te roepen dan strikt noodzakelijk. Bij alle ruimtelijke plannen en ruimtelijke ontwikkelingen, op structuur-, bestemmings- en vergunningsniveau, dienen de archeologische waarden volwaardig te worden meegewogen.

37

Figuur 4.4 Uitsnede archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart stedelijk gebied (plangebied is rood omlijnd)

Op basis van de bovenstaande archeologische advieskaart van de gemeente Halderberge is onderhavig plangebied gelegen in het 'overig stedelijk gebied'. Voor dit gebied geldt een lage archeologische verwachting en is het uitvoeren van een archeologisch onderzoek niet verplicht.

Conclusie Onderhavig planvoornemen is niet in strijd met de beleidsnota archeologie van de gemeente Halderberge. Het aspect archeologie vormt derhalve geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.7

Verkeer en parkeren

4.7.1

Verkeer

De ontwikkeling van Havendijk Kom Noord naar een woongebied zorgt ook voor een toename van het verkeer in en rondom het gebied. De gemeente Halderberge heeft daarom een verkeersanalyse laten uitvoeren waarin antwoord wordt gegeven op de volgende vier vragen: 1. 2. 3. 4.

Hoeveel verkeer genereert de nieuwe ontwikkeling? Kunnen de wegen in het plangebied de nieuwe verdeling van het verkeer aan? Hoe is het verkeer vanuit deelgebied 5/ begraafplaats het beste te ontsluiten? Vraagt de ontwikkeling wel of geen doorsteek tussen deelgebied 2-6 en 3?

In de verkeersanalyse wordt antwoord gegeven op de gestelde onderzoeksvragen en wordt er vervolgens advies gegeven voor het verkeerskundig meest geschikte scenario. De volledige verkeersanalyse is aan dit bestemmingsplan toegevoegd als Bijlage 9, hieronder volgen enkel de conclusies.

38

Beoordeling en conclusie verkeer De volledige ontwikkeling van alle deelgebieden van Havendijk Kom Noord zal maximaal 495 extra voertuigbewegingen per etmaal genereren. In de verkeersanalyse wordt geconcludeerd dat de toename aan verkeer niet zal leiden tot een negatief effect op de verkeersveiligheid en afwikkeling. Het verkeerskundig meest geschikte scenario is te creëren door deelgebied 5 en de begraafplaats ieder een eigen aansluiting te geven op de parallelstructuur en richting het zuiden te ontsluiten op de bestaande verharde parallelstructuur. Hiervoor dient de bestaande onverharde parallelweg vanaf de nieuwe aansluiting van deelgebied 5 te worden verhard. Geadviseerd wordt om het profiel van de nieuwe verharding in te richten volgens de optimale CROW-richtlijnen voor een erftoegangsweg type 2. Daarnaast zal de bestaande fysieke afsluiting van de parallelstructuur ter hoogte van de Havendijk 10 noordwaarts worden verplaatst ter hoogte van de Havendijk 12a. Vanaf de nieuwe fysieke afsluiting zal de paralellstructuur richting het noorden worden verhard voor langzaam verkeer. Deelgebieden 2 en 6 worden ontsloten via de bestaande parallelstructuur. Deelgebieden 4 en 3 worden ontsloten via de bestaande infrastructuur aan de Strijmondlaan. Een doorsteek tussen deelgebied 2-6 en 3 is verkeerskundig mogelijk, maar niet noodzakelijk.

4.7.2

Parkeren

Het benodigde aantal parkeerplaatsen binnen het plangebied wordt berekend op basis van de 'Kadernota Parkeren 2023-2027' van de gemeente Halderberge. In de parkeernota is de locatie van het plangebied aangeduid als 'gebied B'. Conform de parkeernota geldt:

Tabel 4.2 Parkeernormering Kadernota Parkeren 2023-2027

In het plangebied worden 20 woningen gerealiseerd. Het betreft allen koopwoningen, maar wel in verschillende uitvoeringen. In onderstaand overzicht is het benodigd aantal parkeerplaatsen weergegeven.

Tabel 4.3 Benodigd aantal parkeerplaatsen op basis van de parkeernormen

39

Op eigen terrein worden diverse parkeerplaatsen aangelegd. Maar ook in de openbare ruimte bevinden zich parkeerplaatsen. In onderstaande tabel is weergegeven hoeveel parkeerplaatsen er in het plan aanwezig zijn. Hierbij is rekening gehouden met de in de Nota parkeernormen opgenomen rekenfactoren voor parkeervoorzieningen bij woningen.

Tabel 4.4 Aantal aanwezige parkeerplaatsen binnen het plangebied

Conclusie parkeren Er is op basis van voorliggende verkaveling wordt voldaan aan de parkeernormen van de gemeente Halderberge. Bij de aanvraag van een omgevingsvergunning bouwen zal uiteindelijk getoetst worden aan de dan geldende parkeernormen. Om dit te kunnen waarborgen is hiervoor in de regels een specifieke bepaling opgenomen.

4.8

Bedrijven en milieuzonering

In de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' van de Vereniging Nederlandse Gemeenten (hierna: VNG) wordt informatie gegeven over de gemiddelde milieubelasting van de verschillende typen bedrijven en instellingen. De milieucategorie geeft daarbij een indicatie over de afstand, die tussen de diverse bedrijfstypen en een rustige woonwijk of een milieugevoelig object dient te worden aangehouden, om hinder uit te sluiten of althans tot een aanvaardbaar niveau te beperken. De richtafstanden van de VNG-publicatie gelden tot het gebiedstype 'rustige woonwijk'. In bepaalde gevallen is echter sprake van een 'gemengd gebied'. Dit is bijvoorbeeld het geval bij een lint in een dorpskern waar meerdere functies naast elkaar zitten. Of bij een gebied dat langs een ontsluitingsweg ligt of een gebied in het buitengebied met meerdere functies. De afstanden tot de milieucategorieën zijn in de onderstaande tabel weergegeven. Milieu categorie

Richtafstand tot "rustige woonwijk" 1 10 2 30 3.1 50 3.2 100 4.1 200 4.2 300 5.1 500 5.2 700 5.3 1000 6 15000 Tabel 4.3 Richtafstanden VNG-publicatie

Richtafstand tot "gemengd gebied" 0 10 30 50 100 200 300 500 700 1000

Beoordeling

40

Havendijk Kom Noord is gelegen in aan de noordelijke rand van de kern Oudenbosch, aan de grens tussen het stedelijk gebied en het buitengebied. Binnen het gebied en de nabije omgeving zijn meerdere bedrijven gevestigd, waaronder ook in onderhavig plangebied. Voor de beoordeling van onderhavig plangebied zou de omgeving kunnen worden getypeerd als een 'gemengd gebied'. De beoogde ontwikkeling van Havendijk Kom Noord voorziet echter in de transformatie van het gebied naar een samenhangend woongebied met circa 58 koopwoningen, waarvan 20 in onderhavig plangebied. In de toekomstige situatie zullen de bedrijfsbestemmingen binnen het gebied grotendeels verdwijnen. Hiervan uitgaande wordt er voor de beoordeling van onderhavig plangebied uitgegaan van de VNG-richtafstanden tot een 'rustige woonwijk'.

Figuur 4.5 Weergave omliggende bedrijven met bijbehorende VNG-richtafstanden

De functies ter plaatse van a en b zijn of komen te vervallen. Ter plaatse van a is in 2019 reeds een bestemmingsplan vastgesteld ten behoeve van woningbouw. De woningen zijn reeds gerealiseerd en er vinden derhalve geen bedrijfsactiviteiten meer plaats. Ter plaatse van b bevond zich het kinderdagverblijf OkiDoki. Het kinderdagverblijf is sinds al geruime tijd niet meer in gebruik en het betreft nu een leegstaand pand. De locatie wordt meegenomen in het bestemmingsplan 'Havendijk Kom Noord, Oudenbosch' dat vanaf 24 mei 2023 reeds als ontwerpbestemmingsplan ter visie heeft gelegen. Op de locatie van OkiDoki is woningouw voorzien. Onderdeel van het bestemmingsplan 'Havendijk Kom Noord, Oudenbosch' betreft ook de hierboven aangeduide locatie c. Dit is de begraafplaats. de begraafplaats blijft behouden maar kent een herinrichting op het terrein. Naast de begraafplaats bevindt zich reeds woningbouw welke maatgevend zijn. De begraafplaats vormt dan ook geen belemmering voor voorliggend bestemmingsplan.

41

Bepalende bedrijven/functies zijn: 1. Havendijk 10d (De Kroon Salades) In het vigerende bestemmingsplan 'Kom Oudenbosch' is het noordelijke bedrijfsperceel, gelegen binnen het plangebied, aangeduid met de functieaanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - bereiden salades'. Voorheen was op deze locatie het bedrijf De Kroon Salades gevestigd. Op de locatie werden kant-en-klaar maaltijden bereidt, wat valt in een milieucategorie 3.1. In de huidige situatie is De Kroon Salades niet meer gevestigd binnen het perceel en wordt er van deze milieuactiviteit ook geen gebruik meer gemaakt. Middels onderhavige transformatie zal de bedrijfsbestemming ook komen te vervallen binnen het plangebied.

2. Schuitevaartstraat 4a (sportschool) Het plangebied grenst in het oosten aan sportschool. Een sportschool is een categorie 2 inrichting met een richtafstand van 30 meter tot een 'rustige woonwijk'. Het perceel van de sportschool grenst direct aan het plangebied. Bij de situering van de woningen is echter rekening gehouden met de richtafstand van 10 meter, waarbij uitgegaan was van een 'gemengd gebied'. Nu de richtafstanden ten aanzien van een 'rustige woonwijk' aangehouden moeten worden zijn de woningen gelegen binnen de richtafstand. Aan de oostzijde van de sportschool zijn echter al bestaande woningen aanwezig waar de sportschool rekening mee moet houden. De verwachting is dan ook dat de bewoners geen overlast zullen ondervinden van de sportschool. Bij de omgevingsvergunning voor het bouwen van woningen zal nog aandacht geschonken worden aan eventuele afscherming van het geluid, zoals bijvoorbeeld het plaatsen van kokowall als erfafscheiding. Op deze manier kan ook in de tuin een goed woon- en leefklimaat gegarandeerd worden.

3. Drimmelaarstraat 40 (cafetaria) Aan de Drimmelaarstraat 40 is een cafetaria gevestigd. Dit betreft een categorie 1 inrichting met een richtafstand van 10 meter tot een 'rustige woonwijk'. De afstand tussen de cafetaria en de woonbestemming bedraagt minimaal 30 meter. De cafetaria vormt derhalve geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling van het plangebied.

4. Havendijk 5 (betonreparatiebedrijf) Ter hoogte van de Havendijk 5 is de mogelijkheid tot een betonreparatiebedrijf bestemd. Deze bestemming valt onder milieucategorie 3.2, waarbij een richtafstand geldt van 100 meter tot een 'rustige woonwijk'. Onderhavig plangebied is gelegen op circa 165 meter afstand, waarmee er wordt voldaan aan de richtafstand. Aan de Havendijk zijn daarnaast al bestaande woningen gelegen op een kortere afstand tot dit bedrijfsperceel, er is derhalve sprake van een al bestaande woonomgeving waar al woningen op kortere afstand aanwezig zijn. Op basis hiervan kan er voor onderhavig plangebied worden uitgegaan dat er geen onevenredige milieuoverlast wordt verwacht vanuit het bedrijf aan de Havendijk 5 en dat de ontwikkeling van onderhavig plangebied ook geen belemmering zal vormen voor de bedrijfsuitvoering.

5. Havendijk 7 (timmermansbedrijf) Ter hoogte van de havendijk 7 is een timmernmansbedrijf met een maximum oppervlakte van 340 m2 toegestaan. Deze bestemming valt onder milieucategorie 3.2, waarbij een richtafstand geldt van 100 meter tot een 'rustige woonwijk'. Onderhavig plangebied is gelegen op circa 195 meter afstand, waarmee er wordt voldaan aan de richtafstand. Aan de Havendijk zijn daarnaast al bestaande woningen gelegen op een kortere afstand tot dit bedrijfsperceel, er is derhalve sprake van een al bestaande woonomgeving waar al woningen op kortere afstand aanwezig zijn. Op basis hiervan kan er voor onderhavig

42

plangebied worden uitgegaan dat er geen onevenredige milieuoverlast wordt verwacht vanuit het bedrijf aan de Havendijk 7 en dat de ontwikkeling van onderhavig plangebied ook geen belemmering zal vormen voor de bedrijfsuitvoering.

6. Rioolgemaal Havendijk Aan de Havendijk 10b is een rioolgemaal gelegen van het Waterschap Brabantse Delta. Het rioolgemaal betreft een categorie 2 inrichting en met een richtafstand van 30 meter tot een 'rustige woonwijk'. Bij het gemaal zijn door het waterschap geurbeperkende maatregelen getroffen om overlast te beperken. Ten behoeve van de ontwikkeling van deelgebied 6 is er een geuronderzoek uitgevoerd om te bepalen in welke mate er overlast kan worden verwacht van het rioolgemaal en of er maatregelen genomen dienen te worden. Het geuronderzoek wordt nader toegelicht in paragraaf 4.9. Uit dit onderzoek is gebleken dat sprake is van een aanvaardbaar hinderniveau.

7. Bedrijventerrein Havendijk 9 - 23 Ten noordwesten van het plangebied liggen een aantal bedrijfsbestemmingen aan de Havendijk. Op basis van het daar geldende bestemmingsplan zijn ter plaatse bedrijven toegestaan in milieucategorie 1 en 2, alsmede agrarisch verwante en agrarisch technische hulobedrijven in categorie 3.1. Hievoor geldt een maximale VNG-richtafstand van 50 meter tot een 'rustige woonwijk'. De afstand tot het plangebied bedraagt circa 230 meter, waarmee er voldaan wordt aan de richtafstand en er geen belemmeringen worden verwacht vanuit dit gebied en vice versa.

Conclusie De bedrijven in de omgeving van het plangebied vormen geen belemmering voor onderhavig planvoornemen. De richtafstanden zijn gemeten tot aan de woonbestemming omdat in de tuinen ook sprake moet zijn van een goed woon- en leefklimaat. Bij een tweetal bedrijven wordt daar niet aan voldaan. Ten aanzien van de sportschool kunnen maatregelen getroffen in de vorm van een geluidwerende erfafscheiding. Dit zal bij de omgevingsvergunning bouwen nader bekeken worden. Daarnaast is onderzocht dat ook ten aanzien van het rioolgemaal sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat binnen de woonbestemmingen (en dus ook de tuinen). Daarnaast zal de ontwikkeling van het plangebied ook geen belemmerende werking hebben op de uitvoering van de bedrijfsactiviteiten. Het aspect bedrijven en milieuzonering staat de uitvoering van het bestemmingsplan derhalve niet in de weg.

4.9

Geur

4.9.1

Veehouderijen

Bij ruimtelijke ontwikkelingen nabij agrarische bedrijven is het aspect geurhinder van belang. Er moet worden aangetoond dat het plan geen belemmering vormt voor agrarische bedrijven en dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van het plan. De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) betreft een wet waarmee de nationale regels inzake geurhinder ten opzichte van de tot veehouderijen behorende dierenverblijven vastgesteld staan. De Wet geurhinder en veehouderij heeft tot doel het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van geurbelasting, onder andere als gevolg van emissies door bedrijven. Indirect heeft de Wgv ook consequenties voor de totstandkoming van geurgevoelige objecten en dus voor de ruimtelijke ordening, dit wordt ‘omgekeerde werking’ genoemd. Voor wat betreft geurhinder van veehouderijen betekent dit dat de volgende aspecten in ogenschouw moeten worden genomen:

43

a. Wordt er een onevenredige inbreuk gemaakt op de mogelijkheden voor bedrijfsontwikkeling van de nabij gelegen veehouderijen? b. Is ter plaatse van het plangebied een goed woon- en verblijfklimaat gegarandeerd? Beoordeling In Bestand Veehouderijen Bedrijven van de provincie Noord-Brabant (Web-bvb) zijn alle veehouderijbedrijven opgenomen. Op basis van de Web-bvb wordt geconcludeerd dat ter plaatse van de Bornhemweg 139 een veehouderijbedrijf is gevestigd waar vrouwelijk jongvee tot 2 jaar en melk- en kalfkoeien ouder dan 2 jaar worden gehouden.

Figuur 4.6 Uitsnede Web-bvb Brabant

De gemeente Halderberge heeft geen eigen geurbeleid. De te hanteren afstand tussen de woning en het emissiepunt van de veehouderij bedraagt in de bebouwde kom minimaal 100 meter en in het buitengebied minimaal 50 meter. De afstand tussen het onderhavig plangebied en de veehouderij aan de Bornhemweg 139 bedraagt circa 550 meter, derhalve wordt er voldaan aan de minimaal aan te houden afstand. De transformatie van het plangebied belemmert de bedrijfsvoering van het veehouderijbedrijf dan ook niet. Op de kaart 'Achtergrondbelasting geur' van de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant (ODZOB) is de cumulatieve (bij elkaar opgetelde) geurbelasting van alle veehouderijen weergegeven. Op deze kaart is de achtergrondbelasting, veroorzaakt door de aanwezigheid van intensieve veehouderijen, opgenomen in odour units per kubieke meter (ouE/m3). Op basis van onderstaande uitsnede is er voor onderhavig plangebied sprake van een geurbelasting van veehouderijen van minder dan 1,5 ouE/m3.

Op basis van onderstaande kaart is sprake van een zeer goede kwaliteit van de leefomgeving. De leefkwaliteit op de kaart van de ODZOB is berekend voor een concentratiegebied. Het initiatief ligt echter in een niet-concentratiegebied. De leefkwaliteit

44

op de kaart is positiever dan de werkelijkheid. Het is zeer aannamelijk dat vanwege de 'zeer goede' leefkwaliteit op de kaart er alsnog sprake is van minimaal een 'redelijk goede' leefkwaliteit in werkelijkheid.

Figuur 4.7 Uitsnede kaart veehouderijen (bron: ODZOB kaarten)

Conclusie Op basis van de bovenstaande beoordeling wordt er ter plaatse van het plangebied geen geurhinder verwacht vanuit veehouderijen. Het aspect geurhinder veehouderijen staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.

4.9.2

Rioolgemaal

Ter plaatse van de Havendijk 10a is een rioolgemaal gelegen. Zoals aangegeven in paragraaf 4.8 geldt hiervoor een VNG-richtafstand van 30 meter tot een rustige woonwijk. Ten behoeve van onderhavige woningbouwontwikkeling is in het kader van een goede ruimtelijke ordening een geuronderzoek uitgevoerd. De volledige rapportage van het geuronderzoek is aan voorliggend bestemmingsplan toegevoegd als Bijlage 10.

Beoordeling Middels het geuronderzoek is de geuremissie en -immissie vanuit het rioolgemaal onderzocht. Hierbij is de geuremissie bepaald aan de hand van geurkengetallen uit de Activiteitenregeling en is de geuremissie bepaald middels berekeningen. De berekende geurimmissie is vervolgens getoetst aan het acceptabele geurhinderniveau zoals opgenomen in het Activiteitenbesluit. In de Activiteitenregeling milieubeheer zijn onderbouwde emissiekengetallen opgenomen voor diverse procesonderdelen van rioolwaterzuiveringsinstallaties. Het rioolgemaal valt onder het onderdeel ontvangwerk. Hieronder worden namelijk onderdelen verstaan zoals putten, vijzels en dergelijke die overeenkomen met een rioolgemaal. De emissiekengetallen voor een ontvangwerk bedragen volgens bijlage 5 van de Activiteitenregeling milieubeheer 65 ou/s per m2 voor een percentage aanvoer vrij verval van 0-25% en 9,5 ou/s per m2 voor een percentage aanvoer vrij verval van 76-100%. Het rioolstelsel van de gemeente Halderberge betreft een stelsel onder vrij verval. Derhalve

45

wordt gerekend met een emissiekengetal van 9,5 ou/s per m2, hetgeen met een oppervlakte van 10,5 m2 resulteert in een emissie van 100 ou/s. Het rioolgemaal is voorzien van een geurreducerend filter waarmee de geuremissie voor 50% wordt gereduceerd. Op basis van het bovenstaande is voor het rioolgemaal uitgegaan van een continue geuremissie van 50 ou/s, oftewel 1,8 MouE/uur gedurende het gehele etmaal en jaar. Bij het vollopen van het bassin ontstaat geurende verdringingslucht die via een buis door het geurreducerend filter wordt geleid. Het filtermateriaal wordt jaarlijks beoordeeld op kleur en vervangen. In het onderzoek zijn rekenpunten opgenomen ter plaatse van de gevels van de beoogde nieuwe woningen in deelgebieden 2 en 6. De hoogste geurbelasting zal plaatsvinden ter hoogte van de meest nabijgelegen woning op kavel 12. De geurbelasting ter plaatse van onderhavige woning bedraagt 0,27 OU/m3 en blijft ruimschoots binnen de norm van 0,5 OU/m3 bij 98-percentiel voor geurgevoelige objecten.

Conclusie Ter plaatse van nieuwe woningen blijven de geurconcentraties binnen de norm van 0,5 Oue/m3 als 98-percentiel. Hiermee kan geconcludeerd worden dat sprake zal zijn van een aanvaardbaar hinderniveau.

4.9.3

Conclusie geur

Vanuit de omliggende veehouderijen en het rioolgemaal aan de Havendijk 10a wordt in onderhavig plangebied geen onevenredige geurhinder verwacht. Het aspect geur vorm derhalve geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling.

4.10

Luchtkwaliteit

In het kader van een planologische procedure dient te worden aangetoond dat voldaan wordt aan de wettelijke normen voor wat betreft luchtkwaliteit. Hierbij dient het effect op de luchtkwaliteit in de omgeving als gevolg van een nieuwe ontwikkeling, als ook de toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' in beeld te worden gebracht. De 'Wet luchtkwaliteit' voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het Rijk, provincies en gemeenten werken in het NSL-programma samen aan maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren tot de normen, ook in gebieden waar nu de normen voor luchtkwaliteit niet worden gehaald (overschrijdingsgebieden). De programma aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. De inwerkingtreding van het NSL heeft gevolgen voor het NIBM. Een plan is vanaf 1 augustus 2009 NIBM als het een toename van de concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2) veroorzaakt die niet meer bedraagt dan 3 % van de jaargemiddelde concentratie van die stof. Dit komt overeen met een toename van maximaal 1,2 microgram/m³ voor zowel PM10 en NO2. Voor woningbouw is in de NIBM-regeling een grens opgenomen van 1.500 nieuwe woningen met één ontsluitingsweg en 3.000 nieuwe woningen met twee ontsluitingswegen.

Plannen voor woningbouw met een omvang onder deze grens beschouwt de Wet luchtkwaliteit als ‘niet in betekenende mate’. Deze plannen mogen zonder verdere toetsing worden gerealiseerd.

Beoordeling De ontwikkeling van de Havendijk Kom Noord voorziet in de realisatie van 52 woningen, waarvan circa 20 in onderhavig plangebied. Het aantal te ontwikkelen woningen ligt

46

daarmee ruim onder de hiervoor genoemde grenzen. Volledigheidshalve is er wel met behulp van de NIBM-tool onderzocht of het extra verkeer als gevolg van de ontwikkeling een 'niet in betekenende mate' bijdrage heeft op de luchtkwaliteit.

Figuur 4.8 Berekening NIBM-tool voor bijdrage extra verkeer op luchtkwaliteit

Zoals op figuur 4.8 is af te lezen behoort onderhavig plan vanwege de relatief beperkte omvang tot de categorie van gevallen die 'niet in betekenende mate' bijdragen aan luchtverontreiniging. Een toets aan de 3% (bijdrage aan de jaargemiddelde norm voor fijnstof en stikstofdioxide) kan derhalve achterwege blijven. De blootstelling aan luchtverontreiniging (lokale luchtkwaliteit) dient echter wel in kaart te worden gebracht en te worden getoetst aan de hierbij gestelde eisen. Via het centraal Instrument monitoring Luchtkwaliteit (CIML) zijn de concentraties van fijnstof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) voor de jaren 2021 en 2030 af te lezen op de dichtstbijzijnde rekenpunten aan de Zandeweg te Oudenbosch. De concentraties zijn hieronder in de tabel weergegeven. Hieruit blijkt dat de grenswaarden niet worden overschreden.

Tabel 4.4 Concentraties aan de Zandeweg, Oudenbosch (bron: CIML-kaart)

Naast de monitoringstool zijn ook de Schone lucht Kaarten van het RIVM geraadpleegd op de Atlas Leefomgeving. Op deze kaarten is te zien dat ter plaatse van het plangebied geen sprake is van een overschrijding van de grenswaarden van roet (EC), fijnstof en stikstofdioxide. Aan de hand van de resultaten van de monitoringstool en de Schone lucht Kaarten van de Atlas Leefomgeving kan worden geconcludeerd dat ter plaatse van onderhavig plangebied sprake is van een goed woon- en leefklimaat ten aanzien van de luchtkwaliteit.

47

Figuur 4.9 Uitsneden Schone lucht Kaarten (RIVM, Atlas Leefomgeving, afgelezen d.d. 25 ok tober 2023)

Conclusie Uit bovenstaande beoordeling blijkt dat de bijdrage van het initiatief 'niet in betekende mate' is en derhalve geen nader onderzoek benodigd is. Tevens kan geconcludeerd worden dat ter plaatse van het plangebied sprake is van een goed woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit. Het aspect luchtkwaliteit staat de beoogde ontwikkeling dan ook niet in de weg.

4.11

Externe veiligheid

Bij externe veiligheid gaat het om de gevaren die de directe omgeving loopt in het geval er iets mis mocht gaan tijdens de opslag, productie, of het transport van gevaarlijke stoffen. De daaraan verbonden risico's moeten aanvaardbaar blijven. Binnen de externe veiligheid worden twee normstellingen gehanteerd: het Plaatsgebonden Risico (PR) richt zich vooral op de te realiseren basisveiligheid voor burgers; het Groepsrisico (GR) stelt beperkingen aan de maatschappelijke ontwrichting als gevolg van calamiteiten met gevaarlijke stoffen. Vervoer van gevaarlijke stoffen kan plaatsvinden over spoor, weg, water en door buisleidingen. Daarnaast kunnen inrichtingen gevaarlijke stoffen opslaan. Externe veiligheid heeft betrekking op de risico’s voor personen ten gevolge van het gebruik van infrastructuur of het uitvoeren van activiteiten waarbij het voornamelijk gaat om de gevaren die de directe omgeving loopt, als er iets mis gaat bij de productie, de behandeling en/of het vervoer van gevaarlijke stoffen. Bij de inventarisatie van risicobronnen rondom het plangebied is met name gebruik

48

gemaakt van de "Risicokaart Nederland".

Figuur 4.10 Uitsnede Risicokaart Nederland (bron: Atlas Leefomgving)(plangebied is blauw omlijnd)

Beoordeling Inrichtingen Er zijn nabij het plangebied twee inrichtingen met gevaarlijke stoffen aanwezig. Eén ten noorden en één ten zuiden van het plangebied betreffen beide LPG-tankstations en zijn gelegen op respectievelijk 400 en 300 meter. De plaatsgebonden risico-contouren van deze inrichtingen reiken niet tot aan het plangebied. Het invloedsgebied van een LPG-tankstation bedraagt 150 meter. Het plangebied is daarmee buiten het invloedsgebieden van beide inrichtingen gelegen. Op circa 5 kilometer is Shell Nederland Chemie BV gelegen (niet zichtbaar in figuur 4.10). Het invloedsgebied hiervan bedraagt 10,5 kilometer en is derhalve over het plangebied gelegen. Het groepsrisico van Shell Moerdijk overschrijdt de oriëntatiewaarde. Er is sprake van een verantwoording van het groepsrisico. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de standaard verantwoording en het standaard advies. Deze zijn als Bijlage 11 en Bijlage 12 toegevoegd aan het bestemmingsplan.

Transportroute rijksweg A17 De rijksweg A17 maakt deel uit van het Basisnet waarover gevaarlijke stoffen worden getransporteerd en ligt op circa 1,8 kilometer ten westen van het plangebied. Omdat het plangebied niet is gelegen binnen het verantwoordingsgebied van 200 meter van deze transportroute is een berekening van het groepsrisico niet aan de orde. Als gevolg van de stofcategorie LT3 die over de A17 wordt vervoerd bedraagt de maximale effectafstand echter wel 4 kilometer. Dat betekent dat bij een calamiteit iedereen en/of de gebouwen binnen 4 kilometer van de rijksweg gevolgen van kan hebben. Een beperkte verantwoording van het groepsrisico is dan ook noodzakelijk. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de standaard verantwoording en het standaard advies. Deze zijn als Bijlage 11 en Bijlage 12 toegevoegd aan het bestemmingsplan.

49

Transportroute spoorlijn Roosendaal - Lage Zwaluwe De spoorlijn die door de kern Oudenbosch loopt is gelegen op een afstand van 1 kilometer van het plangebied. Voor de trajecten van het doorgaande spoor, ter hoogte van het plangebied, geldt op grond van het Basisnet Spoor, dat er sprake is van een plaatsgebonden risicocontour van 10-6 per jaar van 18 meter vanaf het hart van het doorgaand spoor. Het plaatsgebonden risico reikt niet tot aan het plangebied. Het plangebied is eveneens niet gelegen in het plasbrandaandachtsgebied (PAG), dat zich uitstrekt tot 30 meter vanaf het doorgaande spoor. Wanneer een locatie is gelegen op meer dan 200 meter van een transportroute is een berekening van het groepsrisico niet nodig aangezien de toevoeging van personen op deze afstand niet meer van invloed is op de hoogte van het groepsrisico. Als gevolg van de stofcategorie zeer toxische gassen (B3) en vloeistoffen (D4) bedraagt de maximale effectafstand echter wel 4 kilometer. Dat betekent dat bij een calamiteit iedereen en/of de gebouwen binnen 4 kilometer van het spoor hier gevolgen van kan hebben. Een beperkte verantwoording van het groepsrisico is dan ook noodzakelijk. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de standaard verantwoording en het standaard advies. Deze zijn als Bijlage 11 en Bijlage 12 toegevoegd aan het bestemmingsplan.

Transportroute Havendijk Onderhavig plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van het transport van gevaarlijke stoffen over de Havendijk. De Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant (OMWB) heeft in 2018 een inventarisatie gedaan naar transporten van gevaarlijke stoffen over gemeentelijke en provinciale wegen. Volgens deze inventarisatie vinden er ter hoogte van het plangebied 42 transporten van brandbare gassen (stofcategorie GF3) per jaar plaats over deze weg. Het plangebied ligt binnen 200 meter van deze transportroute. Er dient derhalve getoetst te worden aan de artikelen 7 en 8 van het besluit externe veiligheid transportroutes. Hiervoor kunnen de vuistregels van de Handleiding Risicoanalyse Transport (HART) gebruikt worden. Routetype: weg binnen de bebouwde kom (50 km/uur) Plaatsvonden risico Vuistregel 1:

Er is geen sprake van een 10-5-contour

Een weg binnen de bebouwde kom heeft geen 10-5-contour Vuistregel 2: Er is geen sprake van een 10-5-contour -6 Een weg binnen de bebouwde kom heeft geen 10 -contour Groepsrisico Toetsing oriëntatiewaarde Vuistregel 1:

Er is enkel sprake van GF3. RBMII is niet van toepassing.

Wanneer de vervoersstroom gevaarlijke stoffen in tankwagens (bulkvervoer) stoffen bevat uit de categorieën LT3, GT4 of GT5 (ongeacht de aantallen) pas dan RBM II toe.

50

Vuistregel 2:

Als kengetal ten aanzien van personendichtheid per ha voor een rustige Wanneer GF3 minder is dan 10 maal de woonwijk kan 25 pers/ha aangehouden drempelwaarde in Tabel 1-8 (eenzijdige worden. Uitgaande van een worst case bebouwing) of 10 maal de drempelwaarde in benadering wordt in dit geval 30 Tabel 1-9 (2-zijdige bebouwing) wordt de aangehouden. oriëntatiewaarde van het groepsrisico niet overschreden. De dichtstbijzijnde woningen zijn gelegen op 15 meter. Uitgaande van een worst case benadering wordt uitgegaan van 10 meter. Er is sprake van een tweezijdige bebouwing. De drempelwaarde bedraagt 3.250 42 transporten is minder dan 10* 3.250 De oriëntatiewaarde wordt derhalve niet overschreden. Toetsing 10% van de oriëntatiewaarde Vuistregel 1:

Er is enkel sprake van GF3. RBMII is niet van toepassing.

Wanneer de vervoersstroom gevaarlijke stoffen in tankwagens (bulkvervoer) stoffen bevat uit de categorieën LT3, GT4 of GT5 (ongeacht de aantallen) pas dan RBM II toe. Vuistregel 2: 42 is kleiner dan 3.250 De 10% oriëntatiewaarde wordt niet overschreden. Wanneer GF3 minder is dan de drempelwaarde in Tabel 1-6 (een-zijdige bebouwing) of in Tabel 1-7 (2-zijdige bebouwing) wordt 10% van de oriëntatiewaarde niet overschreden. Vanwege de ligging binnen het invlooedsgebied is wel een beperkte verantwoording van het groepsrisico nodig. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de standaard verantwoording en het standaard advies. Deze zijn als Bijlage 11 en Bijlage 12 toegevoegd aan het bestemmingsplan.

Buisleidingen Op circa 1,9 km afstand ten zuiden van het plangebied is een buisleidingenstraat aanwezig. Deze straat bestaat enerzijds uit een aardgastransportleiding en anderzijds de pijpleiding Rotterdam - Antwerpen. De aardgastransportleiding kent de volgende kenmerken: Uitwendig diameter Maximale werkdruk Z-529-27 16 inch

66,2 bar

100% letaliteitsgrens 100 meter

1% letaliteitsgrens 210 meter

hieruit is op te maken dat het plangebied is gelegen buiten het invloedsgebied van de aardgastransportleiding. De brandstofleiding Rotterdam-Antwerpen betreft een leiding waardoor petroleum getransporteerd wordt. Deze leiding kent de volgende kenmerken

51

Stofnaam

PR 10-6

RAPL maatschappij Petroleum

34 meter

1% letaliteitsgrens Diameter Max. werkdruk 45 meter 34 inch 52 bar

De leiding heeft een PR 10-6 contour van 34 meter. Het invloedsgebied van leidingen waardoor aardolieproducten worden vervoerd is beperkt (45 meter) en reikt niet tot het plangebied van voorliggend bestemmingsplan. De leiding is derhalve niet relevant voor de beoogde ontwikkeling in het plangebied.

Aandachtsgebieden conform Omgevingswet Op 1 januari 2024 treedt de Omgevingswet in werking. Onderdeel van de Omgevingswet is het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Het plaatsgebonden risico blijft gehandhaafd. Het groepsrisico wordt gekoppeld aan zogenaamde aandachtsgebieden en wordt een kwalitatieve beoordeling; de verplichte berekening verdwijnt. Er zijn drie soorten aandachtsgebieden: Brandaandachtsgebied (voorheen plasbrandaandachtsgebied); Explosieaandachtsgebied; Gifwolkaandachtsgebied. Aan de aandachtsgebieden kunnen voorschriftengebieden zijn verbonden waarvoor extra bouweisen gelden t.a.v. nieuwbouw. In de Atlas Leefomgeving is een kaart in ontwikkeling waarop de aandachtsgebieden zijn weergegeven. De locatie is niet gelegen binnen een brandaandachtsgebied of explosieaandachtsgebied. De gifwolkaandachtsgebieden zijn nog niet in de Atlas Leefomgeving opgenomen. In het Besluit kwaliteits leefomgeving is aangegeven dat ten aanzien van een de afstand van een gifwolkaandachtsgebied uitgegaan moet worden van 1,5 km. Over de spoorlijn gaan toxische stoffen welke een gifwolk kunnen veroorzaken in geval van een calamiteit. De afstand va de spoorlijn tot het plangebied bedraagt 1 km en is derhalve binnen het gifwolkaandachtsgebied gelegen. Gifwolkaandachtsgebieden kunnen niet als voorschriftengebied worden aangewezen.

Om toch te komen tot voldoende bescherming tegen gifwolken gelden (voor nieuwbouw) generieke bouweisen zoals het meest geschikte ventilatiesysteem, zoals we deze nu kennen vanuit het Bouwbesluit 2012. Dit is tevens aangegeven bij de beperkte verantwoording groepsrisico hierna.

Beperkte verantwoording groepsrisico a. zelfredzaamheid Gezien de afstand van de spoorlijn tot het plangebied dient rekening te worden gehouden met het risico van een toxische wolk. In geval van het zich voordoen van een scenario met een toxische wolk, dienen bewoners de ramen en deuren te sluiten en eventuele luchtbehandelingsystemen af te sluiten. Geadviseerd wordt bij de nieuwbouw maatregelen te treffen ten aanzien van luchtdichtheid (en toepassing van een centrale afzetmogelijkheid van ventilatie- en aircosystemen. Bij de nadere uitwerking van bouwplannen dient hiermee rekening gehouden te worden. Aangenomen word dat de bewoners zich zelfstandig kunnen voortbewegen en in veiligheid kunnen brengen bij eventuele calamiteiten. Er is geen sprake van een zorg gerelateerde zorgfunctie ter plaatse. Van belang is dat bewoners tijdig gewaarschuwd worden. Het plangebied ligt binnen het dekkingsgebied van een waarschuwings- en alarmeringsinstallatie. Daarnaast is NL Alert operationeel voor vele mobiele telefoons. Dit kan worden gebruikt om de bevolking in geval van een calamiteit te waarschuwen.

52

b. bestrijdbaarheid Om effectief en efficiënt hulp te kunnen bieden ten tijde van een ongeval zijn de opkomsttijd, de bereikbaarheid en de bluswatervoorzieningen van belang. De hulpverleningsdiensten moeten voldoende capaciteit beschikbaar hebben om alle effecten binnen een kort tijdsbestek te kunnen bestrijden. Om een brand in het plangebied te kunnen bestrijden is het noodzakelijk dat er voldoende primair en secundair bluswater aanwezig is. Voor ruimtelijke ontwikkelingen wordt de aanwezigheid van bluswater in het kader van de omgevingsvergunning bouwen getoetst. In de omgeving van het plangebied moet een bluswatervoorziening aanwezig zijn die binnen drie minuten na aankomst van een tankautospuit deze van bluswater kan voorzien. Het plangebied is via het wegennet goed bereikbaar voor voertuigen van hulpverleningsdiensten.

Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.12

M.e.r.-beoordeling

Behalve aan de uitvoeringsaspecten bedoeld in de Awb en het Bro dient ook te worden getoetst aan de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r of er sprake is van een mogelijke verplichting tot het opstellen van een milieueffectrapportage. Een milieueffectrapportage (m.e.r.) is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten die kunnen leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Er zijn drie onafhankelijke aanvliegroutes die kunnen leiden tot een m.e.r.-plicht. Bepalend hierbij is de activiteit (of zijn de activiteiten) waarop het plan of besluit betrekking heeft. Het betreft de volgende drie stappen: 1. Toetsing aan het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). Hiermee wordt getoetst of het plan voorziet in, of een kader vormt voor, activiteiten die (mogelijk) belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu. Bij toetsing aan het Besluit m.e.r. zijn er vier mogelijkheden: a. Het plan of besluit is direct m.e.r.-plichtig. b. Het plan of besluit bevat activiteiten uit kolom 1 van onderdeel D van de bijlage van het Besluit m.e.r., en ligt boven de (indicatieve) drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 'gevallen', van onderdeel D. Het besluit moet eerst worden beoordeeld om na te gaan of er sprake is van m.e.r.-plicht: het besluit is dan m.e.r.-beoordelingsplichtig.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.halderberge.nl/api/v1/meetings/577/documents/16851