CConstaterende datHalderberge
Koppel je AI →
Document · PDF

Bovenstraat 70 vastgesteld Toelichting.pdf

Gemeenteraad 28 september 2023, gemeente HalderbergeBij agendapunt: 7: Bestemmingsplan Bovenstraat 70 Hoeven13.975 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering staat de uitvoering van het bestemmingsplan derhalve niet in de weg.

4.6

Archeologie en cultuurhistorie

Vanaf 1 juli 2016 bundelt de Erfgoedwet bestaande wet- en regelgeving voor het behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. In de toelichting van het bestemmingsplan dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische en archeologische waarden rekening is gehouden.

31

4.6.1

Archeologie

In Europees verband was het zogenaamde 'Verdrag van Malta' tot stand gekomen. Uitgangspunt van dit verdrag was het archeologisch erfgoed zo veel mogelijk in situ te behouden. Sindsdien geldt dat waar dit niet mogelijk is, dient het bodemarchief met zorg ontsloten te worden. Bij het ontwikkelen van ruimtelijk beleid moet het archeologisch belang vanaf het begin meewegen in de besluitvorming. Het Verdrag is in 1998 geratificeerd (Monumentenwet) en op 1 september 2007 via de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (Wamz) geïmplementeerd. De Wamz was een wijzigingswet en omvatte een wijziging van de monumentenwet 1988, de Wet Milieubeheer, de Ontgrondingenwet en de Woningwet, op grond waarvan overheden onder andere bij bodemingrepen verplicht rekening moesten houden met het behoud van archeologische waarden. Sinds de invoering van deze wet zijn gemeenten belast met de zorgplicht voor het archeologische erfgoed. Dit is niet veranderd met de inwerkingtreding van de Erfgoedwet (1-7-2016). Sindsdien is het behoud en beheer van het Nederlandse erfgoed geregeld door één integrale Erfgoedwet. De omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving zal in de nieuwe Omgevingswet worden geregeld, die naar verwachting in 2023 in werking zal treden. Het uitgangspunt is dat de beschermingsniveaus zoals die in de eerdere wetten en regelingen golden, worden gehandhaafd.

Beleidsnota archeologie gemeente Halderberge 'Ons ongeschreven verleden' Het archeologiebeleid van de gemeente Halderberge heeft tot doel haar archeologische erfgoed te beschermen en ontsluiten als bron van het 'gemeenschappelijke geheugen en als middel voor wetenschappelijke studie, zonder meer maatschappelijke lasten in het leven te roepen dan strikt noodzakelijk. Bij alle ruimtelijke plannen en ruimtelijke ontwikkelingen, op structuur-, bestemmings- en vergunningsniveau, dienen de archeologische waarden volwaardig te worden meegewogen.

Figuur 4.3 Uitsnede archeologische advieskaart gemeente Halderberge (plangebied is rood omlijnd)

Op basis van de archeologische advieskaart van de gemeente Halderberge heeft onderhavig plangebied een middelhoge verwachtingswaarde voor vindplaatsen van late landbouwers. De zuidelijke rand van het plangebied kent daarnaast een hoge archeologische verwachtingswaarde voor vindplaatsen uit één of meerdere perioden.

32

Ter bescherming van de eventueel in de grond aanwezige archeologische waarden is het plangebied in het vigerend bestemmingsplan 'Kom Hoeven' voorzien van de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2'. Ter plaatse van deze dubbelbestemmingen is het uitvoeren van archeologisch onderzoek verplicht bij werkzaamheden groter dan 500 m2 en dieper dan 0,6 m-mv. Onderhavig planvoornemen overschrijdt deze maten, derhalve is door Transect B.V een archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek uitgevoerd en vervolgens een archeologisch proeflsleuvenonderzoek. De rapportages van deze onderzoeken zijn als Bijlage 8 en Bijlage 9 aan het bestemmingsplan toegevoegd. Hieronder worden enkel de conclusies weergegeven.

Beoordeling Het archeologisch vooronderzoek bestaat enerzijds uit een bureauonderzoek en anderzijds uit een inventariserend veldonderzoek door middel van boringen. Op basis van het vooronderzoek blijkt dat in het plangebied sprake is van een hoge archeologische verwachting voor de periode Neolithicum tot en met de Late Middeleeuwen. Middels het proefsleuvenonderzoek is de archeologische verwachtingswaarde van het plangebied getoetst en aangevuld door middel van het opsporen en het waarderen van eventueel aanwezige archeologische resten. Het onderzoek geeft, voor zover mogelijk, inzicht in de aard, datering, omvang, gaafheid, conservering en begrenzing van de mogelijk aanwezige archeologische resten. Als zodanig dient de vraagstelling te worden beantwoord of in het plangebied archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, of deze behoudenswaardig zijn en onder welke randvoorwaarden behoud mogelijk is. Tijdens het proefsleuvenonderzoek zijn vijf werkputten aangelegd (circa 267 m2, 7,5 % van het plangebied). Tijdens het onderzoek is geen archeologische vindplaats aangetroffen in het plangebied. Er zijn enkel grondsporen in de vorm van recente verstoringen en natuurlijke sporen van boomplantgaten aangetroffen. In één van de recente verstoringen is één vondst in de vorm van een versierde industrieel witte keramiek scherf aangetroffen.

De middelhoge tot hoge verwachting van het plangebied op het aantreffen van archeologische resten uit de periode Neolithicum tot en met de Late Middeleeuwen zijn met dit onderzoek uitgebleven. Met het proefsleuvenonderzoek is de archeologische verwachting, zoals gespecificeerd in het vooronderzoek , getoetst en bijgesteld naar laag. Op basis van de resultaten van het proefsleuvenonderzoek zijn geen archeologische resten en daarmee geen archeologische vindplaats aangetroffen. Op basis hiervan wordt geadviseerd het plangebied archeologisch vrij te geven voor de toekomstige ontwikkelingen.

Conclusie Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de vaststelling van voorliggend bestemmingsplan.

4.6.2

Cultuurhistorie

Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. De bescherming van cultuurhistorische elementen is vastgelegd in de Monumentenwet 1988 (die nog geldt als overgangsrecht binnen de Erfgoedwet). Deze wet is vooral gericht op het behouden van historische elementen voor latere generaties.

33

Provincie Noord-Brabant In de provincie Noord-Brabant dienen in het kader van het behoud van waardevolle cultuurhistorische elementen en archeologische vindplaatsen, ruimtelijke plannen te worden getoetst aan de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW). Hierop staan de beeldbepalende cultuurhistorische elementen aangegeven. De Bovenstraat is aangeduid als historische geografische lijn met een redelijke hoge waarde. De beoogde ontwikkeling wijzigt niks aan de Bovenstraat en deze zal zijn historische waarden ook behouden. Binnen het plangebied bevinden zich verder geen specifieke waarden.

Figuur 4.4 Uitsnede Cultuurhistorische waardenkaart Provincie Noord-Brabant (plangebied is rood omlijnd)

Gemeente Halderberge Het gemeentebestuur van Halderberge wil met de Beleidsnota cultureel erfgoed Halderberge - Inspirerend verleden (2011) naar een beleid waarin sprake is van zorgvuldig omgaan met de aanwezige cultuurhistorische waarden binnen Halderberge. Langs de weg tussen Bovendonk en Etten, die parallel aan de rand tussen het klei- en zandgebied was gelegen, verrees vanaf het einde van de 13e eeuw een reeks hoeven. In verband met de systematische lineaire opzet kan men spreken van een middeleeuwse randhoeven nederzetting. De stedenbouwkundige ontwikkelingen in de periode 1850-1940 die zich in Hoeven hebben voorgedaan zijn over het algemeen zeer kleinschalig van karakter. De gemeente Halderberge heeft de cultuurhistorische waarden vastgelegd in een Cultuurhistorische Waardenkaart. De gemeentelijke kaart is een verfijning van de provinciale kaart. In dit geval biedt dit geen nieuwe informatie ten opzichte van de provinciale kaart.

34

Figuur 4.5 Uitsnede Cultuurhistoriekaart gemeente Halderberge (plangebied is rood omlijnd)

Beoordeling en conclusie Aan de CHW-kaarten van zowel de provincie Noord-Brabant als de gemeente Halderberge is te zien dat er geen beeldbepalende cultuurhistorische elementen aanwezig zijn binnen het plangebied. Onderhavig planvoornemen heeft derhalve geen negatieve effecten op cultuurhistorische elementen, waarmee het aspect cultuurhistorie niet ven verdere invloed is.

4.7

Luchtkwaliteit

De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). Daarnaast is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) van kracht. Bij de start van nieuwe bouwprojecten moet onderzocht worden of het effect van een nieuw initiatief relevant is voor de luchtkwaliteit. Er is geen relevantie als aannemelijk kan worden gemaakt, dat de luchtkwaliteit "niet in betekenende mate" aangetast wordt. Op 15 november 2007 is het onderdeel luchtkwaliteit van de Wet milieubeheer in werking getreden (Stb. 2007,141). Kern van de wet is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Hierin wordt gereguleerd hoe moet worden omgegaan met overschrijdingen op het gebied van de luchtkwaliteit. Het NSL houdt rekening met nieuwe ontwikkelingen zoals bouwprojecten of de aanleg van infrastructuur. Projecten die passen binnen de voorwaarden van het NSL behoeven niet meer te worden getoetst aan de grenswaarden die gelden voor luchtkwaliteit. Ook projecten die 'Niet in betekende mate' (NIBM) van invloed zijn op de luchtkwaliteit behoeven niet te worden getoetst aan deze grenswaarden. Hieronder vallen onder andere woningbouwprojecten met minder dan 1.500 woningen. Een plan is NIBM als het een toename van de concentratie van fijn stof (PM10) of

35

stikstofdioxide (NO2) veroorzaakt die niet meer bedraagt dan 3% van de jaargemiddelde concentratie van die stof. Dit komt overeen met een toename van maximaal 1,2 microgram/m3 voor zowel PM10 en NO2.

Beoordeling Onderhavig planvoornemen betreft de realisatie van een 6 woningen op een onbebouwde perceel te midden van een bestaande woonwijk. Het planvoornemen behoort vanwege de relatief beperkte omvang tot de categorie van gevallen die 'niet in betekenende mate' bijdragen aan luchtverontreiniging. Een toets aan de 3% grens (bijdrage aan de jaargemiddelde norm voor fijnstof en stikstofdioxide) kan derhalve achterwege blijven. De blootstelling aan luchtverontreiniging (lokale luchtkwaliteit) dient echter wel in kaart te worden gebracht en te worden getoetst aan de hierbij gestelde eisen. Via de NSL-Monitoringstool zijn de concentraties van de nabijgelegen rekenpunten voor de jaren 2020 en 2030 afgelezen op de dichtstbijzijnde rekenpunten aan de Bovendonksestraat. De concentraties zijn hieronder in de tabel weergegeven. Hieruit blijkt dat de grenswaarden niet worden overschreden.

Tabel 4.5 Concentraties luchtkwaliteit

Conclusie Uit bovenstaande beoordeling blijkt dat de bijdrage van de het initiatief 'niet in betekende mate' is en derhalve geen nader onderzoek benodigd is. Tevens kan geconcludeerd worden dat ter plaatse van het plangebied sprake is van een goed woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit. Het aspect luchtkwaliteit staat de beoogde ontwikkeling dan ook niet in de weg.

4.8

Geur

Bij ruimtelijke ontwikkelingen nabij agrarische bedrijven is het aspect geurhinder van belang. Er moet worden aangetoond dat het plan geen belemmering vormt voor agrarische bedrijven en dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van het plan.

36

Figuur 4.6 Uitsnede Bestand Veehouderij Bedrijven, Provincie Noord-Brabant (plangebied met rode lijn aangeduid)

Beoordeling In figuur 4.6 zijn de nabijgelegen (voormalige) veehouderijbedrijven weergegeven, te weten:

De Heul 10 Dit betreft een voormalig veehouderijbedrijf welke in 2015 is beëindigd. Per 11 november 2015 is de melding voor de gehele veestand ingetrokken. Er is dan ook geen sprake van enige geurbelasting op de nieuwe woning.

Hermansstraat 4 De afstand tot dit veehouderijbedrijf bedraagt ruim 300 meter. Op korte afstand tot het veehouderijbedrijf bevinden zich reeds woningen. Er mag dan ook worden aangenomen dat ter plaatse van Bovenstraat 70 een voldoende tot goed woon- en leefklimaat aanwezig zal zijn. Ook zal, vanwege de dichterbij gelegen woningen, de nieuwe woningen aan Bovenstraat 70 geen extra beperking vormen voor het bestaande veehouderijbedrijf.

GES-kaart Daarnaast kan ook op basis van de GES-kaart (Gezondheids Effect Screening, zie figuur 4.7) bevestigd worden dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat ten aanzien van geur. Op de GES-kaart wordt de GES-score getoond op basis van de opgetelde geurbelasting veroorzaakt door veehouderijen. De GES scores zijn gebaseerd op een bepaalde kans op geurhinder. Voor voorliggend plangebied bedraagt de GES score 1, wat inhoudt dat er 0 tot 5 % hinderkans is, dit wordt als acceptabel beschouwd.

37

Figuur 4.7 Uitsnede kaart GES Geur veehouderij (bron: Atlas Leefomgeving)

Conclusie Het aspect geur vormt dan ook geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.9

Parkeren

Het benodigde aantal parkeerplaatsen binnen het plangebied wordt berekend op basis van de 'Kadernota Parkeren 2017-2021' van de gemeente Halderberge. In de nota is de locatie van het plangebied aangeduid als 'gebied C'. Conform de nota geldt voor woningen van 90 m2 of groter een parkeernorm van 2,3. In het plangebied worden 6 woningen gerealiseerd, derhalve dienen er binnen het plangebied 14 (6 x 2,3 = 13,8) parkeerplaatsen te worden gerealiseerd om te voldoen aan de gestelde parkeereis. De nota stelt dat de benodigde parkeerplaatsen binnen het plangebied dienen gerealiseerd te worden. Om te voorkomen dat bezoekers van het gebied geen gebruik kunnen maken van de private parkeerplaatsen wordt een deel van de gerealiseerde parkeerplaatsen openbaar toegankelijk. Binnen het plangebied worden in totaal 15 parkeerplaatsen gerealiseerd, waarvan 4 openbaar toegankelijk zijn. In de werkelijke situatie komt de capaciteit van een parkeerplaats echter niet altijd overeen met de theorie. Grote auto's en scheef parkeren zijn voorbeelden van factoren die van invloed zijn op de werkelijke parkeercapaciteit. In de parkeernota zijn derhalve de onderstaande rekenfactoren opgenomen om de werkelijke parkeercapaciteit per parkeervoorziening te berekenen.

38

Tabel 4.6 Rekenfactoren parkeervoorzieningen bij woningen (Kadernota Parkeren 2017-2021)

De drie nieuwe vrijstaande woningen aan het verlengde van de Wilgenroos worden voorzien van een dubbele oprit zonder garage. Van de drie woningen aan de Pinksterbloemlaan, wordt één woning voorzien van een garage met enkele oprit. De andere twee woningen aan de Pinksterbloemlaan worden beiden voorzien van een garage met dubbele oprit. Naast de private parkeerplaatsen worden er in het openbaar gebied nog vier openbare toegankelijke parkeerplaatsen gerealiseerd. Alle parkeerplaatsen binnen het plangebied worden minimaal 2,5 meter breed en 5 meter diep. De dubbele opritten binnen het plangebied worden derhalve minimaal 5 meter breed. Daarmee voldoen de parkeervoorzieningen binnen het plangebied aan de gestelde minimale afmetingen uit de Kadernota Parkeren 2017-2021. In de onderstaande tabel is te zien hoe er in het onderhavig plan wordt voldaan aan de parkeereis van de Kadernota Parkeren gemeente Halderberge.

Tabel 4.7 Tabel parkeervoorzieningen plangebied

Conclusie Uit de bovenstaande beoordeling blijkt dat er kan worden voldaan aan de Kadernota Parkeren 2017-2021 van de gemeente Halderberge. De parkeervoorzieningen binnen het plangebied voldoen aan de minimale afmetingen en de gestelde parkeernorm. Daarnaast wordt het parkeren binnen het plangebied opgelost en deels openbaar toegankelijk.

39

4.10

Externe veiligheid

Bij externe veiligheid gaat het om de gevaren die de directe omgeving loopt in het geval er iets mis mocht gaan tijdens de opslag, productie, of het transport van gevaarlijke stoffen. De daaraan verbonden risico's moeten aanvaardbaar blijven. Binnen de externe veiligheid worden twee normstellingen gehanteerd: het Plaatsgebonden Risico (PR) richt zich vooral op de te realiseren basisveiligheid voor burgers; het Groepsrisico (GR) stelt beperkingen aan de maatschappelijke ontwrichting als gevolg van calamiteiten met gevaarlijke stoffen. Vervoer van gevaarlijke stoffen kan plaatsvinden over spoor, weg, water en door buisleidingen. Daarnaast kunnen inrichtingen gevaarlijke stoffen opslaan. Externe veiligheid heeft betrekking op de risico’s voor personen ten gevolge van het gebruik van infrastructuur of het uitvoeren van activiteiten waarbij het voornamelijk gaat om de gevaren die de directe omgeving loopt, als er iets mis gaat bij de productie, de behandeling en/of het vervoer van gevaarlijke stoffen. Voor de inventarisatie van de risico's als gevolg van gevaarlijke stoffen kan de Nederlandse risicokaart gebruikt worden. Hiervan is hieronder een uitsnede weergegeven.

Figuur 4.8 Uitsnede Risicok aart Nederland (plangebied is blauw omcirkeld)

Beoordeling Risicovolle inrichtingen Zoals op de uitsnede van de risicokaart is te zien, zijn er nabij het plangebied (< 200 meter) geen risicovolle inrichtingen aanwezig. De dichtstbijzijnde risicovolle inrichting is gelegen ten oosten van de kern op een afstand van ruim 1,3 kilometer tot het plangebied en derhalve niet van invloed op de beoogde ontwikkeling.

Transportroute spoorlijn Roosendaal - Breda Op circa 780 meter ten zuiden van het plangebied loopt de spoorlijn tussen Roosendaal en Breda, welke deel uitmaakt van het Basisnet waarover gevaarlijke stoffen worden getransporteerd. Omdat het plangebied niet is gelegen binnen het verantwoordingsgebied

40

van 200 meter van deze transportroute is een berekening van het groepsrisico niet aan de orde. Het plangebied is wel gelegen binnen het invloedsgebied van verschillende stofcategorieën. Hiervoor is een beperkte verantwoording van het groepsrisico benodigd, die ingaat op de aspecten zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid.

Transportroute rijksweg A58 De rijksweg A58 maakt deel uit van het Basisnet waarover gevaarlijke stoffen worden getransporteerd en ligt op circa 1,4 kilometer ten zuiden van het plangebied. Omdat het plangebied niet is gelegen binnen het verantwoordingsgebied van 200 meter van deze transportroute is een berekening van het groepsrisico niet aan de orde. Het plangebied is wel gelegen binnen het invloedsgebied van verschillende stofcategorieën. Hiervoor is een beperkte verantwoording van het groepsrisico benodigd, die ingaat op de aspecten zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid.

Buisleidingen Op circa 750 meter ten zuiden van het projectgebied ligt een aardgasleiding van de Gasunie. De afstand tot de buisleiding is dusdanig groot dat het projectgebied niet binnen de invloedssfeer van deze leiding ligt. De buisleiding heeft een plaatsgebonden risicocontour (PR 10-6/jaar) van 0 meter ter hoogte van het plangebied. Daarnaast ligt het plangebied ook niet binnen invloedssfeer van andersoortige buisleidingen met gevaarlijke stoffen. Hierdoor zijn er geen beperkingen voor de ontwikkeling van het plangebied.

Verantwoording groepsrisico Onderhavige ontwikkeling is van beperkte aard en niet gelegen binnen een 200 meter zone van een risicovolle inrichting of transportroute waarover gevaarlijke stoffen worden getransporteerd. Het plangebied is wel gelegen binnen de invloedsgebieden van verschillende stofcategorieën die worden getransporteerd over zowel het spoor als de rijksweg A58, derhalve dient het groepsrisico wel te worden verantwoord. Volstaan kan worden met een beperkte verantwoording, hiervoor kan de standaard groepsrisico verantwoording van de gemeente Halderberge en bijbehorend standaardadvies van de brandweer worden gehanteerd, deze zijn als Bijlage 10 en Bijlage 11 toegevoegd.

Conclusie Ter plaatse van het projectgebied gelden geen belemmeringen wat betreft externe veiligheid. Het aspect externe veiligheid staat de beoogde ontwikkeling dan ook niet in de weg.

4.11

M.e.r.-beoordeling

Behalve aan de uitvoeringsaspecten bedoeld in de Awb en het Bro dient ook te worden getoetst aan de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r of er sprake is van een mogelijke verplichting tot het opstellen van een milieueffectrapportage. Een milieueffectrapportage (m.e.r.) is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten die kunnen leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Er zijn drie onafhankelijke aanvliegroutes die kunnen leiden tot een m.e.r.-plicht. Bepalend hierbij is de activiteit (of zijn de activiteiten) waarop het plan of besluit betrekking heeft. Het betreft de volgende drie stappen: 1. Toetsing aan het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). Hiermee wordt getoetst of het plan voorziet in, of een kader vormt voor, activiteiten die (mogelijk)

41

belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu. Bij toetsing aan het Besluit m.e.r. zijn er vier mogelijkheden: a. Het plan of besluit is direct m.e.r.-plichtig. b. Het plan of besluit bevat activiteiten uit kolom 1 van onderdeel D van de bijlage van het Besluit m.e.r., en ligt boven de (indicatieve) drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 'gevallen', van onderdeel D. Het besluit moet eerst worden beoordeeld om na te gaan of er sprake is van m.e.r.-plicht: het besluit is dan m.e.r.-beoordelingsplichtig. Voor een plan als bedoeld in kolom 3 ‘plannen' geldt geen m.e.r.-beoordelingsplicht, maar direct een (plan-)m.e.r.-plicht. c. Het plan of besluit bevat wel de activiteiten uit kolom 1, maar ligt beneden de drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 'gevallen', van onderdeel D: er moet beoordeeld worden of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling (als sprake is van een besluit) of het direct uitvoeren van een m.e.r. (als sprake is van een plan). Deze keuze wordt uiteindelijk in het bijbehorende plan of besluit gemotiveerd. d. De activiteit(en) of het betreffende plan en/of besluit wordt niet genoemd in het Besluit m.e.r.: er geldt geen m.e.r.-(beoordelings)plicht. 2.

In het geval van een plan: toetsing of het uitvoeren van een passende beoordeling in het kader van de Wet natuurbescherming voor dit plan verplicht is vanwege de hierin opgenomen activiteit(en). In dat geval is het plan mogelijk m.e.r.-plichtig. 3. Toetsing aan de provinciale milieuverordening. Door Provinciale Staten kunnen hierin aanvullend op het Besluit m.e.r. activiteiten worden aangewezen die kunnen leiden tot m.e.r.-plicht. Beoordeling en conclusie De activiteit die met het onderhavige bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt, betreft de realisatie van 6 woningen. De Raad van State heeft in een uitspraak van d.d. 15 januari 2020 (201901439/1/R1) dat een ontwikkeling van twaalf vrijstaande woningen in bestaand stedelijk gebied niet kan worden aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in kolom 1 van categorie 11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. Daarbij is ook van belang dat het ruimtebeslag van de voorziene bebouwing beperkt is. Nu de voorziene ontwikkeling geen stedelijk ontwikkelingsproject vormt, hoeft er geen m.e.r.-beoordeling te worden uitgevoerd. Daarnaast is ook in onderhavig hoofdstuk gebleken dat er geen belangrijke nadelige milieugevolgen optreden.

42

Hoofdstuk 5 5.1

Juridische planbeschrijving

Inleiding

Dit bestemmingsplan heeft tot doel een adequaat juridisch-planologische regeling te scheppen voor onderhavige ontwikkeling. Bij het opstellen van het bestemmingsplan is aansluiting gezocht bij de in de Wet ruimtelijke ordening en het Besluit ruimtelijke ordening geformuleerde uitgangspunten. Daarnaast vormen de regels van het bestemmingsplan 'Kom Hoeven', welke is vastgesteld op 14 maart 2013, het uitgangspunt. Het bestemmingsplan biedt een flexibele, juridische regeling, zonder dat hierdoor de rechtszekerheid van de burger wordt geschaad. Het bestemmingsplan bestaat uit: de toelichting; de planregels; de verbeelding. De toelichting heeft geen juridisch bindende werking. De toelichting heeft wel een belangrijke functie voor de onderbouwing van het plan en ook bij de verklaring van de bestemmingen en planregels, en in het bijzonder ten aanzien van de regels inzake nadere eisen en afwijkingen. De planregels vormen de juridische regels voor gebruik van de gronden, de toegelaten bebouwing en het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De verbeelding geeft de geografische ligging van de bestemmingen en aanduidingen weer. De verbeelding vormt samen met de planregels het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. Hierna wordt inhoudelijk ingegaan op de bestemmingen en de aanduidingen binnen het onderhavige bestemmingsplan.

5.2

Opzet regels

De indeling van de planregels is als volgt: Hoofdstuk 1 Inleidende regels Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels Hoofdstuk 3 Algemene regels Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels Hoofdstuk 1 Inleidende regels Artikel 1 Begrippen In dit artikel zijn de begrippen die in de planregels worden gehanteerd gedefinieerd. Bij de toetsing aan het bestemmingsplan moet worden uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis.

Artikel 2 Wijze van meten In dit artikel is aangegeven hoe de hoogte en andere maten, die bij het bouwen in acht genomen dienen te worden, gemeten moeten worden.

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels

43

Artikel 3 Groen Binnen deze bestemming zijn de groenvoorzieningen opgenomen. Ook het aanleggen van verharding is mogelijk. Ten behoeve van de aanleg, onderhoud en instandhouding van de waterbergende voorzieningen, is een deel van de als 'Groen' bestemde gronden aangeduid met de functieaanduiding 'specifieke vorm van groen - waterberging'.

Artikel 4 Verkeer Binnen de bestemming 'Verkeer' zijn wegen en paden toegestaan, evenals de parkeerplaatsen. Binnen de bestemming zijn uitsluitend toegestaan bouwwerken, geen gebouwen zijnde, die ten dienste staan van deze bestemming, alsmede gebouwen ten behoeve van nutsvoorzieningen en garageboxen.

Artikel 5 Wonen Deze bestemming is toegekend aan de nieuw te bouwen burgerwoningen. Hoofdgebouwen mogen binnen de bestemming 'wonen' worden gebouwd rekening houdend met de maatvoering in de regels.

Hoofdstuk 3 Algemene regels Artikel 6 Anti-dubbeltelregel In dit artikel is bepaald dat gronden, die al eens als berekeningsgrondslag voor bouwen hebben gediend, niet nogmaals als zodanig kunnen dienen.

Artikel 7 Algemene bouwregels Dit artikel bevat regels ten aanzien van afwijkende bestaande bebouwing, ondergronds bouwen en vervangende nieuwbouw van woningen.

Artikel 8 Algemene gebruiksregels In dit artikel is nader omschreven welke vormen van gebruik in ieder geval als strijdig met het bestemmingsplan worden aangemerkt.

Artikel 9 Algemene aanduidingsregels In dit artikel is de gebiedsaanduiding naar aanleiding van het obstakelbeheergebied luchtvaartverkeerzone opgenomen.

Artikel 10 Algemene afwijkingsregels In dit artikel is een aantal algemene afwijkingsmogelijkheden opgenomen. Deze afwijkingen betreffen onder meer het overschrijden van de maximaal toegestane maten en afmetingen.

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels Artikel 11 Overgangsrecht Voor volgens de regels afwijkende bestaande bebouwing is voor de omvang, het onderhoud en de herbouw een overgangsregel opgenomen. Dit artikel bevat tevens een overgangsregel ten aanzien van het voortzetten van bestaand gebruik dat in strijd met het

44

bestemmingsplan is.

Artikel 12 Slotregel Hier wordt vermeld onder welke naam de regels van dit bestemmingsplan kunnen worden aangehaald.

5.3

Verbeelding

De verbeelding is opgesteld conform de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP2012). Dit uit zich met name in de structuur en opmaak van de regels en verbeelding. De verbeelding opgebouwd en gecodeerd volgens IMRO 2012 en de Praktijkrichtlijn bestemmingsplannen 2012. Hiermee wordt aangesloten bij de landelijke richtlijn voor het benoemen van de bestemmingen, het bijbehoren kleurgebruik, het gebruik en de vorm van aanduidingen en dergelijken. Op de planverbeelding zijn de volgende onderdelen opgenomen: de plangrens; de verschillende bestemmingen; bouwvlakken; maatvoeringsvlakken; functie- en bouwaanduidingen; De gronden gelegen binnen de grens van het plangebied zijn geregeld binnen dit bestemmingsplan. De kleuraanduiding op de planverbeelding geeft aan om welke bestemming het gaat. Het bouwvlak geeft de begrenzing weer waarbinnen gebouwen mogen worden opgericht. De overige aanduidingen geven een specifieke situatie weer, waarvoor in de regels een aparte regeling is opgenomen.

45

Hoofdstuk 6 6.1

Financiële uitvoerbaarheid

Inleiding

Dit hoofdstuk beschrijft de onderdelen die zijn doorlopen voor het zekerstellen van de economische uitvoerbaarheid van onderhavig bestemmingsplan. Indien het bestemmingsplan voorziet in de uitvoering van werken door de gemeente moet de financieel-economische uitvoerbaarheid hiervan worden aangetoond. Er wordt nader ingegaan op de grondexploitatie en de koppeling met het exploitatieplan.

6.2

Toepassing grondexploitatie

In de Wro is in afdeling 6.4 de regelgeving rondom grondexploitatie (Grexwet) opgenomen. Centrale doelstelling van de Grexwet is om in de situatie van particuliere grondexploitatie te komen tot een verbetering van het gemeentelijke kostenverhaal en de versterking van de gemeentelijke regie bij locatieontwikkeling. In artikel 6.12 van de Wro is bepaald dat de gemeenteraad een exploitatieplan vaststelt voor gronden waarop een bouwplan is voorgenomen. In artikel 6.12 van de Wro is bepaald dat de gemeenteraad een exploitatieplan vast moet stellen voor gronden waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen. Bij drie ruimtelijke besluiten kan het nodig zijn om een exploitatieplan vast te stellen, namelijk bij de vaststelling van een bestemmingsplan, wijzigingsplan of afwijkingsbesluit. Om daadwerkelijk na te kunnen gaan of een exploitatieplan noodzakelijk is, dient beoordeeld te worden of er sprake is van een bouwplan zoals bedoeld in artikel 6.2.1. Besluit ruimtelijke ordening (Bro).

In dit artikel is omschreven om welke bouwplannen het gaat, namelijk: de bouw van een of meer woningen; de bouw van een of meer andere hoofdgebouwen; de uitbreiding van een hoofdgebouw met ten minste 1.000 m² of met een of meer woningen; de verbouwing van een of meer aangesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor woondoeleinden, mits ten minste 10 woningen worden gerealiseerd; de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor detailhandel, dienstverlening, kantoor of horecadoeleinden, mits de cumulatieve oppervlakte van de nieuwe functies tenminste 1.500 m² bedraagt; de bouw van kassen met een oppervlakte van ten minste 1.000 m². Bovendien is een exploitatieplan nodig als locatie-eisen (aan openbare ruimte of woningcategorieën) gesteld moeten worden en/of het bepalen van een tijdvak of fasering noodzakelijk is. Een exploitatieplan is niet noodzakelijk wanneer de kosten van grondexploitatie anderszins verzekerd zijn.

Beoordeling en conclusie Ten behoeve van dit plan is een anterieure overeenkomst gesloten tussen de initiatiefnemer en de gemeente Halderberge. In deze overeenkomst is het kostenverhaal opgenomen en is tevens afgesproken dat het openbaar gebied wordt overgedragen aan de gemeente. Het kostenverhaal bestaat enerzijds uit de plankosten en bovenwijkse voorzieningen en anderzijds eventuele planschade. Het opstellen van een exploitatieplan is derhalve in dit

46

geval niet noodzakelijk.

47

Hoofdstuk 7 7.1

M aatschappelijke uitvoerbaarheid

Omgevingsdialoog

Participatie wordt een belangrijke pijler onder de toekomstige Omgevingswet. Derden (waaronder omwonenden) moeten in een vroegtijdig stadium worden betrokken bij de voorbereiding van beleids- en besluitvorming. Van belang is dat de buurt betrokken wordt bij het planvoornemen. Als initiatiefnemer moet kennis worden genomen van eventuele bezwaren, wensen en belangen van omwonenden. Bij de voorbereidingen van onderhavig planvoornemen heeft de initiatiefnemer een omgevingsdialoog uitgevoerd met de omwonenden van het plangebied. Op 7 maart 2022 heeft er in eerste instantie een persoonlijk gesprek plaatsgevonden met de aan het plan grenzende bewoners. Ze waren tevreden met het feit dat zij op deze manier werden geïnformeerd over het project, wel waren ze liever in een eerder stadium al ingelicht over het voornemen. Inhoudelijk op het project gaven ze aan zich zorgen te maken over de invulling van de noordzijde van het plangebied. In verband met hun sociale veiligheid gaven ze aan hier liever geen doorsteek tussen de Pinksterbloemlaan en de Wilgenroos te zien. Op 8 maart 2022 zijn alle omwonenden van het plangebied uitgenodigd voor een inloopavond in Sporthal de Parrestee te Hoeven. Tijdens de inloopavond zijn de omwoners geïnformeerd over het planvoornemen en in de gelegenheid gesteld om te reageren op het planvoornemen.

Een verslag van de omgevingsdialoog is in Bijlage 12 van dit bestemmingsplan opgenomen. Naar aanleiding van de ingekomen reacties is het plan in samenspraak met de omwonenden en de gemeente op enkele punten gewijzigd. Met name de invulling van de noordzijde van het plangebied was hierbij een belangrijk aandachtspunt.

7.2

Vooroverleg

In artikel 3.1.1 van het Bro is vastgelegd dat tijdens de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg moet worden gepleegd met instanties die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn. Daarbij zijn met name genoemd het waterschappen en diensten van provincie en Rijk. Ten aanzien van bekendmaking van het plan is artikel 3:6 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Voorts is in artikel 3.1.6 van het Bro bepaald dat de uitkomsten van het in artikel 3.1.1 bedoelde overleg in de toelichting van het plan moeten worden beschreven. In het kader van het vooroverleg is het concept-ontwerpbestemmingsplan verstuurd naar de betrokken vooroverlegpartners: Provincie Noord-Brabant; Brandweer Midden- en West-Brabant; N.V. Nederlandse Gasunie; Rijkswaterstaat Zuid-Nederland. De ingekomen reacties hebben niet geleid tot aanpassingen van het bestemmingsplan. De volledige vooroverlegreacties zijn aan dit bestemmingsplan toegevoegd als Bijlage 13, 14, 15 en 16.

48

7.3

Zienswijzen

Na het wettelijk vooroverleg wordt dit bestemmingsplan gedurende zes weken ter visie gelegd als ontwerpbestemmingsplan. Binnen deze termijn is eenieder in de gelegenheid om zienswijzen op het plan in te dienen. De zienswijzen worden samengevat en van commentaar voorzien. Deze zienswijzen zullen worden beoordeeld op het feit of, en zo ja, in hoeverre het ontwerp aanpassing behoeft. Vervolgens zal het college de raad voorstellen het bestemmingsplan al dan niet gewijzigd vast te stellen. Het ontwerpbestemmingsplan heeft van 9 maart 2023 tot 20 april 2023 voor eenieder ter inzage gelegen. Gedurende deze termijn van zes weken zijn er geen zienswijzen ingediend op het ontwerpbestemmingsplan.

7.4

Beroep

Na vaststelling wordt het plan voor de tweede maal zes weken ter visie gelegd. Gedurende deze periode kunnen belanghebbenden en niet-belanghebbenden tegen het vaststellingsbesluit beroep instellen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Indien geen beroep wordt ingesteld, is het plan na deze beroepstermijn onherroepelijk en treedt het plan in werking.

49

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.halderberge.nl/api/v1/meetings/561/documents/16355