CConstaterende datHalderberge
Koppel je AI →
Document · PDF

Bovenstraat 43, Hoeven vastgesteld 1 Bijlagen bij toelichting.pdf

Gemeenteraad 23 maart 2023, gemeente HalderbergeBij agendapunt: 7: Vaststelling bestemmingsplan Bovenstraat 43 in Hoeven25.957 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Bijlage 2 Quickscan Natuurwetgeving

Bovenstraat 43, Hoeven, vastgesteld

84

Quickscan natuurwetgeving Bovenstraat 43 te Hoeven

Quickscan natuurwetgeving Bovenstraat 43 te Hoeven

Opdrachtgever

: De heer C.A. Dekkers Bovenstraat 43 4741 AT HOEVEN

Projectnummer

: 20170151

Status rapport / versie nr.

: Definitief 02

Datum

: 28 augustus 2017

Opgesteld door

: ing. G. Spruijt

Gecontroleerd door

: ing. G. Moret

Voor akkoord

: mr. ir. H. Wenting

Paraaf :

Versie nr.

Datum

Omschrijving

Opgesteld door

Gecontroleerd door

D01

21-08-2017

Quickscan natuurwetgeving

GS

GM

D02

28-08-2017

Aanpassen plangrenzen en activiteiten

GM

KJ

Postbus 4156 4900 CD Oosterhout Hoevestein 20b 4903 SC Oosterhout

t.(0162) 456481 f.(0162) 435588 info@ageladviseurs.nl www.ageladviseurs.nl

AGEL adviseurs D02 Quickscan natuurwetgeving De heer C.A. Dekkers Bovenstraat 43 te Hoeven

INHOUD

1

2

3

4

6

blz.

INLEIDING

2

1.1

Aanleiding en doelstelling

2

1.2

Leeswijzer

2

SITUATIE EN PLANVORMING

3

2.1

Gebiedsbeschrijving

3

2.2

Ruimtelijke ontwikkeling

3

WET- EN REGELGEVING

4

3.1

Inleiding

4

3.2

Gebiedsbescherming

4

3.3

Soortenbescherming

5

QUICKSCAN

6

4.1

Onderzoeksmethodiek

6

4.2

Scan gebiedsbescherming

7

4.2.1

Europese Natura 2000-gebieden

7

4.2.2

Nationaal Natuurnetwerk (NNN) & houtopstanden

7

4.3

5

20170151 augustus 2017 blad 1

Scan soortenbescherming

8

4.3.1

Inleiding

8

4.3.2

Flora

8

4.3.3

Zoogdieren (inclusief vleermuizen)

8

4.3.4

(Broed)vogels

9

4.3.5

Reptielen

11

4.3.6

Amfibieën

11

4.3.7

Vissen

12

4.3.8

Insecten (ongewervelde)

12

CONCLUSIE/AANBEVELINGEN

13

5.1

Gebiedsbescherming

13

5.2

Soortenbescherming

13

GERAADPLEEGDE BRONNEN

16

BIJLAGEN 1. Foto’s veldinventarisatie plangebied 2. Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen 3. Gegevens Quickscanhulp

© AGEL adviseurs 2017 Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie of op welke andere wijze dan ook zonder voorgaande toestemming van AGEL adviseurs, noch mag het zonder een dergelijke toestemming worden gebruikt voor enig ander werk dan waarvoor het is vervaardigd.

AGEL adviseurs D02 Quickscan natuurwetgeving De heer C.A. Dekkers Bovenstraat 43 te Hoeven

1 1.1

20170151 augustus 2017 blad 2

INLEIDING Aanleiding en doelstelling

In opdracht van de heer C.A. Dekkers is door AGEL adviseurs een quickscan natuurwetgeving uitgevoerd ten behoeve van een ruimtelijke procedure voor het perceel Bovenstraat 43 te Hoeven. De ruimtelijke procedure moet de splitsing van het perceel, uitbreiding van het bouwvlak van de bestaande woning en de realisatie van een tweede woning mogelijk maken. Doel van de quickscan natuurwetgeving is het inzichtelijk maken of beschermde natuurwaarden in het plangebied aanwezig zijn en welke betekenis die hebben voor de verdere uitvoering. Tevens wordt bekeken of er door de geplande ontwikkeling negatieve effecten te verwachten zijn op beschermde gebieden. 1.2

Leeswijzer

In hoofdstuk 2 zal ingegaan worden op de ligging van de onderzoekslocatie en het gebruik van het plangebied. Hoofdstuk 3 geeft een omschrijving van de huidige wet- en regelgeving en in hoofdstuk 4 wordt de onderzoeksmethodiek omschreven en worden de resultaten weergegeven van de uitgevoerde quickscan. De conclusie en aanbevelingen van de quickscan worden omschreven in hoofdstuk 5. Tot slot worden in hoofdstuk 6 de geraadpleegde bronnen vermeld.

AGEL adviseurs D02 Quickscan natuurwetgeving De heer C.A. Dekkers Bovenstraat 43 te Hoeven

2 2.1

20170151 augustus 2017 blad 3

SITUATIE EN PLANVORMING Gebiedsbeschrijving

Het plangebied is gelegen aan de rand van de bebouwde kom aan de Bovenstraat 43 te Hoeven. In figuur 2.1 is de situering van het plan ten opzichte van de omgeving globaal weergegeven. Het plangebied is momenteel al in gebruik als woonperceel met bijbehorende siertuin. In bijlage 1 zijn foto’s opgenomen van het plangebied ten tijde van het veldbezoek op d.d. 15 augustus 2017. Figuur 2.1: Situering plangebied met planlocatie rood omkaderd (bron: globespotter.cyclomedia.com).

N 2.2

Ruimtelijke ontwikkeling

De ruimtelijke procedure moet de splitsing van het perceel en de realisatie van een tweede woning mogelijk maken. Het geldende bestemmingsplan maakt de toevoeging van deze extra bouwmogelijkheid niet mogelijk. De extra bouwmogelijkheid zal ten zuiden van de huidige woning komen. Met de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling zal alleen de siertuin ten zuiden van de huidige woning komen te vervallen. Het groene kader rondom het huidige woonperceel blijft behouden. Wel zal hier een doorsteek gemaakt worden ten behoeve van de ontsluiting van de nieuwe woning. Met de realisatie van deze doorsteek zullen er geen bomen worden gerooid. Ter hoogte van de huidige woning zal het bestaande bouwvlak worden vergroot, om een toekomstige uitbreiding mogelijk te maken.

AGEL adviseurs D02 Quickscan natuurwetgeving De heer C.A. Dekkers Bovenstraat 43 te Hoeven

3 3.1

20170151 augustus 2017 blad 4

WET- EN REGELGEVING Inleiding

De Wet natuurbescherming (Wnb, per 1 januari 2017) regelt de bescherming van natuurgebieden die uniek zijn voor Nederland en Europa, de bescherming van planten en dieren en van bossen en andere houtopstanden. Voor de Wet natuurbescherming heeft de Europese regelgeving als uitgangspunt gediend. De Wet natuurbescherming is een samenvoeging van de drie oude wetten Flora- en faunawet, de Boswet en de Natuurbeschermingswet 1998. Deze nieuwe wet bestaat uit minder regels en is overzichtelijker dan de drie oude wetten. De uitvoering van de Wet natuurbescherming komt grotendeels in handen van de provincies. 3.2

Gebiedsbescherming

Natura 2000-gebieden De bescherming van de Europese Natura 2000-gebieden onder de Wet natuurbescherming is ongewijzigd. De Wnb richt zich met bescherming van natuurgebieden uitsluitend op Natura 2000-gebieden. Natura 2000 is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden waarin belangrijke flora en fauna voorkomen, gezien vanuit een Europees perspectief. In Nederland zijn ruim 160 Natura 2000-gebieden. Per Natura 2000-gebied zijn (instandings)doelen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Handelingen of activiteiten binnen en buiten beschermde natuurgebieden die schadelijk kunnen zijn voor de doelstellingen van het gebied zijn verboden, tenzij door het bevoegd gezag hier vergunning voor is verleend. Hierbij wordt het ‘Nee, tenzij’ principe gebruikt. Regulier beheer en bestaand gebruik zijn opgenomen in Natura 2000beheerplannen. Na vaststelling van de beheerplannen hoeft daarvoor geen ontheffing aangevraagd te worden (bijlage 2). Programmatische Aanpak Stikstof De op 1 juli 2015 van kracht gegane Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) blijft onveranderd van kracht met de ingang van Wnb. De PAS heeft betrekking op 118 Natura 2000-gebieden met voor stikstof gevoelige habitattypen en leefgebieden van soorten. De PAS is van toepassing op activiteiten, evenementen en ruimtelijke ingrepen die een toename van stikstof kunnen veroorzaken binnen de begrenzing van een PAS-gebied.

Natuurnetwerk Nederland Wat betreft gebiedsbescherming, vervalt de bescherming van de Beschermde natuurmonumenten. Deze vallen echter vrijwel altijd (op enkele kleine gebieden na) binnen Natura 2000 of het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen EHS). De bescherming van NNN wordt in de AMvB, als onderdeel van de Wet Ruimtelijke Ordening, geborgd. De Provincie is verantwoordelijk voor de aanwijzing, begrenzing en de doelstellingen van de NNN-gebieden in een verordening (vaak natuurbeheerplan). De provinciale verordening bevat tevens regels voor bestemmingsplannen in de NNN. Het ruimtelijke beleid voor het NNN ken het “nee, tenzij” principe en is gericht op ‘behoud, herstel en ontwikkeling van de wezenlijke waarden en kenmerken’ van het NNN. Houtopstanden De bescherming richt zich op de instandhouding van het bosareaal. Bij houtopstanden groter dan 10 are of 20 rijbomen gelegen buiten de bebouwde kom geldt een meldplicht, herplantplicht en mogelijke oplegging van een kapverbod.

AGEL adviseurs D02 Quickscan natuurwetgeving De heer C.A. Dekkers Bovenstraat 43 te Hoeven

3.3

20170151 augustus 2017 blad 5

Soortenbescherming

Het doel van de Wet natuurbescherming is het in stand houden en beschermen van in het wild voorkomende planten- en dierensoorten. De algemene zorgplicht die geldt is dat men bij werkzaamheden met mogelijk negatief effect op planten en dieren, maatregelen dient te nemen (binnen wat redelijkerwijs van men verwacht kan worden) om onnodige schade aan planten of dieren te voorkomen. De Wet natuurbescherming onderscheidt drie verschillende beschermingsregimes, met elk hun eigen verbodsbepalingen. De eerste twee categorieën zijn gebaseerd op de door de Europese Unie opgestelde Vogelrichtlijn (uit 1979) en Habitatrichtlijn (uit 1992). Het derde beschermingsregime betreft soorten die niet op Europees niveau beschermd zijn, maar wel op nationaal niveau (aangeduid als “andere soorten”). In tabel 3.3 is aangegeven hoe de verbodsbepalingen per beschermingsregime luiden en in bijlage 2 het te doorlopen stappenplan soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen. 1. Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn (Wnb-vrl, artikel 3.1)

Dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels. Van alle inheemse vogelsoorten zijn de nesten gedurende het broeden beschermd.

2. Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn (Wnb-hrl, artikel 3.5)

Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, bijlage I en II van het Verdrag van Bern en bijlage I van het Verdrag van Bonn.

3. Beschermingsregime andere soorten (Wnb-andere soorten, artikel 3.10)

Dit zijn soorten die genoemd zijn in bijlage A van de Wnb. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland. De beschermde status van soorten in dit beschermingsregime kan echter per provincie verschillen. Provincies hebben de bevoegdheid om bij de provinciale verordening vrijstelling te verlenen voor nationaal beschermde soorten.

Tabel 3.3: Verbodsbepalingen Wet natuurbescherming.

AGEL adviseurs D02 Quickscan natuurwetgeving De heer C.A. Dekkers Bovenstraat 43 te Hoeven

4

QUICKSCAN

4.1

Onderzoeksmethodiek

20170151 augustus 2017 blad 6

Het onderzoeken naar de beschermstatus van het plangebied en beschermde natuurgebieden in de omgeving wordt uitgevoerd door te toetsen aan twee beschermkaders: de Wet natuurbescherming en het Natuurnetwerk Nederland. Onderzocht wordt of:  het plangebied deel uitmaakt van een beschermd gebied;  door de geplande ingreep een negatieve invloed te verwachten is op de aanwezige beschermde gebieden in de omgeving. De mogelijke aanwezigheid van beschermde dieren en/of planten wordt aan de hand van de volgende gegevens bepaald:  Gegevens van Quickscanhulp (NDFF);  Landelijke verspreidingsatlassen;  Provinciale gegevens;  Een oriënterend veldbezoek. De Quickscanhulp vervangt de noodzaak diverse verspreidingsatlassen te moeten raadplegen om te weten welke soorten qua verspreiding mogelijk in het plangebied voorkomen. De gegevens zijn afkomstig uit de databanken van talloze organisaties, verenigd in de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF). Het Natuurloket verzorgt het beheer en de exploitatie van de NDFF in opdracht van BIJ12. Alle ingevoerde gegevens in de NDFF worden per soortgroep gevalideerd door een validatieteam (landelijke soortexperts) van de NDFF.

In de Quickscanhulp is er voor gekozen om voorlopig de vrijstellingen per bevoegd gezag (provincies en Ministerie van EZ) niet in de Quicksscanhulp.nl te verwerken. Dit omdat hier de komende tijd nog veranderingen in verwacht worden en dat de gegevens beter volledig kunnen zijn, dan niet volledig genoeg. Voor deze quickscan is Verordening natuurbescherming NoordBrabant op 15-08-2017 geraadpleegd om de vrijstellingen van de provincie Noord Brabant te raadplegen. Verder is gebruik gemaakt van bestaande atlasgegevens uit de Atlas van de Nederlandse Broedvogels (SOVON, 2002) en verspreidingsgegevens van RAVON (De amfibieën en reptielen van Nederland, 2009). Deze bronnen vermelden soortgegevens uurhokken (5 bij 5 kilometer), en betreffen dan ook globale gegevens. Hoofdstuk 6 vermeld de geraadpleegde bronnen. Doel van het oriënterende veldbezoek is om een indruk te krijgen van de biotopen ter plaatse en het beoordelen van de geschiktheid voor verschillende soortengroepen. Het oriënterend veldbezoek is uitgevoerd op d.d. 15 augustus 2017 (17 graden, bewolkt, droog en windkracht 3 zuidwest). Het oriënterende veldbezoek heeft nadrukkelijk niet de status van een volledige veldinventarisatie. Zowel het tijdstip (actieve seizoen van verschillende soortgroepen) als het eenmalige karakter zijn hiervoor niet toereikend.

Het eenmalige oriënterende veldbezoek geeft slechts een globaal beeld van aanwezige soorten en habitat op basis van een momentopname. Zie voor een impressie van het oriënterend veldbezoek de foto’s in bijlage 1.

AGEL adviseurs D02 Quickscan natuurwetgeving De heer C.A. Dekkers Bovenstraat 43 te Hoeven

4.2

Scan gebiedsbescherming

4.2.1

Europese Natura 2000-gebieden

4.2.2

Nationaal Natuurnetwerk (NNN) & houtopstanden

20170151 augustus 2017 blad 7

Het plangebied bevindt zich niet in de nabijheid van een gebied dat is aangewezen in het kader van de Europese Natura 2000-gebieden. Op een afstand van 15,2 kilometer ten oosten van het plangebied ligt het Natura 2000-gebied “Ulvenhoutse bos”. Het Natura 2000-gebied betreft een habitatrichtlijngebied en PAS-gebied. De voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling betreft de realisatie van een enkele woning. Deze wijziging van de gebruiksfunctie van het plangebied zal niet leiden tot een toename in uitstoot van stikstofdepositie waarbij significant negatieve effecten door stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden te verwachten zijn. Andere verstorende factoren zoals oppervlakteverlies, versnippering, verdroging en verstoring door trilling, licht en geluid zijn met de voorgenomen planontwikkeling niet van toepassing. Het plangebied maakt geen onderdeel uit van het Nationaal natuurnetwerk of Natuurnetwerk Brabant (NNB). De ligging van gebieden die onderdeel uitmaken van NNN of NNB zijn in het navolgende figuur (4.2.2) weergegeven. Het dichtstbijzijnde gebied dat behoort tot het NNB betreft de houtopstand langs de Opperstraat ten westen van het plangebied en is aangeduid als het type ‘Bossingel en bosje (L01.04)’. Met de voorgenomen planontwikkeling is er geen sprake van directe vernietiging van het NNB.

Aangezien het beoogde plan geen directe relatie heeft met een gebied dat is aangewezen als NNB en geen verbindende functie vervult zijn negatieve effecten uit te sluiten. Van negatieve uitstralingseffecten door geluid, licht en verdroging op het Nationaal Natuurwerk of Natuurnetwerk Brabant is geen sprake. In het plangebied staan geen beschermde houtopstanden. Figuur 4.2.2: Kaart NNB, planvorming rood omcirkeld (bron: Natuurbeheerplan Provincie Noord-Brabant).

N

AGEL adviseurs D02 Quickscan natuurwetgeving De heer C.A. Dekkers Bovenstraat 43 te Hoeven

4.3

Scan soortenbescherming

4.3.1

Inleiding

20170151 augustus 2017 blad 8

In deze paragraaf worden op basis van de verspreidingsgegevens uit de geraadpleegde literatuur en het oriënterend veldbezoek de beschermde soorten die in de Wet natuurbescherming (Wnb) staan en die mogelijk in het plangebied voor kunnen komen beschreven en getoetst aan de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling. De Wnb kent een apart beschermingsregime voor soorten die vanuit nationaal oogpunt beschermd dienen te worden. Het betreft hier:  soorten van de Vogelrichtlijn (Wnb-vrl);  soorten van de Habitatrichtlijn (Wnb-hrl);  andere soorten (Wnb-andere soorten). Daarnaast maken het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn onderdeel uit van de Wnb. Of dier- en plantensoorten wettelijk beschermd zijn of niet, te allen tijde geldt de zorgplicht. De zorgplicht houdt in dat een ieder voldoende zorg in acht moet nemen voor de in het wild levende dieren en planten, alsmede voor hun directe leefomgeving. In bijlage 3 zijn de gegevens van de Quickscanhulp weergegeven.

4.3.2

Flora

Bronnenonderzoek In de directe omgeving van het plangebied zijn bij de Quickscanhulp geen beschermde vaatplanten bekend. Bij de provincie Noord-Brabant zijn met betrekking tot de aanwezigheid van flora in het plangebied geen waarnemingen bekend. Veldinventarisatie Het groen in het plangebied waar de woning zal worden gerealiseerd en de uitbreiding van het bouwvlak van de bestaande woning betreft een siertuin. Deze siertuin bestaat uit gazon met enkele borders met buxus en een volgroeide Cedrus atlantica. Aan de rand van het huidige woonperceel staat een houtwal met volgroeide zomereiken en onder begroeiing van heesters zoals hazelaar, vuilboom, esdoorn etc.. Gezien het huidige gebruik, de aanwezige biotopen en de gecultiveerde staat van het plangebied kunnen zeldzame soorten (zoals tongvaren) zich niet handhaven en worden beschermde (vaat)planten dan ook niet binnen het plangebied verwacht. Aangeplante of gezaaide exemplaren van beschermde soorten zijn niet beschermd in de Wet natuurbescherming, omdat het geen natuurlijke groeiplaatsen betreft.

4.3.3

Zoogdieren (inclusief vleermuizen)

Bronnenonderzoek In de Quickscanhulp worden alle habitatrichtlijn (Europees niveau) en andere soorten (nationaal niveau) benoemd, dus ook de soorten waarvoor door de provincie Noord-Brabant vrijstellingen is verleend. Deze soorten waarvoor vrijstelling is verleend betreffen onder andere de aardmuis, bosmuis, egel, haas, konijn, ree, vos etc.. Volgens de Quickscanhulp komen de volgende soorten voor op korte afstand van het plangebied waarvoor geen provinciale vrijstelling is verleend:      

Bunzing; Das; Eekhoorn; Gewone dwergvleermuis; Laatvlieger; Rosse vleermuis;

Bescherming:

Wnb- andere soorten Wnb- andere soorten Wnb- andere soorten Wnb-hrl Wnb-hrl Wnb-hrl

Afstand: 0-1 km 0-1 km 0-1 km 0-1 km 0-1 km 0-1 km

AGEL adviseurs D02 Quickscan natuurwetgeving De heer C.A. Dekkers Bovenstraat 43 te Hoeven

  

Ruige dwergvleermuis; Watervleermuis; Meervleermuis.

20170151 augustus 2017 blad 9

Wnb-hrl Wnb-hrl Wnb-hrl

0-1 km 0-1 km 1-5 km

Veldinventarisatie Vleermuizen zijn aan de hand van hun voorkeur voor verblijfplaats onder te verdelen in twee groepen, gebouw- en boombewonende soorten. Ook zijn er soorten die beiden gebruiken als verblijfplaats. Daarnaast maken verschillende vleermuizen onderscheid tussen zomer- en winterverblijven. Tijdens het veldbezoek zijn mogelijke rust- en verblijfplaatsen van boom- en gebouwbewonende vleermuizen, op basis van de checklist inschatting vooronderzoek vleermuizen (vleermuisprotocol), onderzocht. Met de voorgenomen planontwikkeling zullen er geen wijziging plaats vinden aan het bestaande woonhuis en bijgebouw. Wel zal er een houten tuinhuisje worden gesloopt. Dit betreft een houten prefab enkelwandig tuinhuisje met dakleren leien. Dit gebouwtje is niet geschikt als vaste rust-, verblijf-, kraam of paarplaats van gebouwbewonende vleermuissoorten. Met de voorgenomen planontwikkeling zal er een volgroeide Cedrus atlantica worden gerooid. Deze boom was gedurende het veldbezoek goed te inventariseren op eventuele holtes, loshangende schors etc. Op twee meter hoogte zit een ondiep spechtengat. Deze holte is te ondiep om als vaste rust-, verblijf-, kraam of paarplaats van boombewonende vleermuissoorten te dienen. Overige spleten, holtes etc. zijn niet aanwezig.

Met het rooien van de boom is geen sprake van het aantasten van vaste verblijfplaatsen van boombewonende vleermuissoorten. Naast verblijfplaatsen zijn ook essentiële vliegroutes en foerageergebieden beschermd. Vliegroutes zijn lijnvormige elementen, vaak een bomenrij, waaraan vleermuizen zich oriënteren. Vleermuizen hebben deze oriëntatie nodig om zich van hun verblijfplaats naar hun foerageergebied te verplaatsen. Foerageergebieden kunnen onder andere bestaan uit bomen, opgaande gewassen en open water. Met de voorgenomen planontwikkeling zullen de eikenbomen in de houtwal niet worden gerooid. Hierdoor is het aantasten van vliegroutes en foerageergebieden niet aan de orde en in de directe omgeving zijn voldoende alternatieve aanwezig. Indien er eikenbomen in de houtwal worden gerooid, waarbij er een grote onderbreking ontstaat (kruinruimte >10m) of bomen met een grote stamdiameter (>3dm) zal er nader onderzoek naar vliegroutes, foerageergebied en eventuele verblijfplaatsen van vleermuizen dienen plaats te vinden. Er zijn tijdens het oriënterende veldbezoek geen zoogdieren waargenomen. Gedurende het veldbezoek is grondig gezocht naar sporen zoals uitwerpselen, vraatsporen zoals afgebeten veren of loopsporen van onder andere marterachtigen. Deze zijn niet aangetroffen.

Verwacht wordt dat enkele soorten waarvoor door de provincie Noord-Brabant vrijstellingen is verleend zoals haas, konijn en een aantal muissoorten voor kunnen komen binnen de onderzoeklocatie. De eekhoorn zal sporadisch gebruik maken van het siertuin, maar dit zal meer in de vorm zijn van het oppikken van afgevallen eikels. In de eikenbomen van de houtwal zijn geen nesten van de eekhoorn aangetroffen.

4.3.4

(Broed)vogels

Bronnenonderzoek Conform de Quickscanhulp zijn er binnen een afstand van één km van het plangebied dertien vogelsoorten waargenomen die vallen onder het beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn. Van deze vogelsoorten zijn er zes roofvogels, drie zangvogels, twee uilachtige, één

AGEL adviseurs D02 Quickscan natuurwetgeving De heer C.A. Dekkers Bovenstraat 43 te Hoeven

20170151 augustus 2017 blad 10

zwaluwachtige en één ooievaarachtige. Bij de provincie Noord-Brabant is met betrekking tot de aanwezigheid van vogelsoorten in het plangebied en de directe omgeving alleen informatie beschikbaar ouder dan 3 jaar. Deze informatie is verouderd en mag niet meer als actueel beschouwd worden. Van een aantal vogelsoorten zijn de nesten jaarrond beschermd en moeten er mitigerende maatregelen getroffen worden indien er een activiteit plaatsvindt die de nestlocatie kan beschadigen of de gunstige staat van instandhouding in gevaar kan brengen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in vijf categorieën, waarbij nesten van vogelsoorten van categorie 1 t/m 4 jaarrond beschermd zijn en de nesten van soorten onder categorie 5 beschermd zijn als er onvoldoende alternatieven zijn.  

 

Categorie 1: Nesten die, behalve gedurende het broedseizoen als nest, buiten het broedseizoen in gebruik zijn als vaste rust- en verblijfplaats; Categorie 2: Nesten van koloniebroeders die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing of biotoop. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar; Categorie 3: Nesten van vogels, zijnde geen koloniebroeders, die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar; Categorie 4: Vogels die jaar in jaar uit gebruik maken van hetzelfde nest en die zelf niet of nauwelijks in staat zijn een nest te bouwen; Categorie 5: Nesten van vogels die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed of de directe omgeving daarvan, maar die wel over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen.

Veldinventarisatie Voor wat betreft de bescherming van inheemse vogelsoorten, zijn deze grofweg in twee groepen te verdelen. Enerzijds soorten waarbij hun nest en functionele leefomgeving is beschermd gedurende de periode dat ze aan het broeden zijn; anderzijds de soorten waarbij hun nesten en functionele leemomgeving het hele jaar door zijn beschermt. Globaal loopt de broedperiode van vogels in Nederland van half maart tot en met half juli. Echter, als buiten deze periode vogels broeden zijn ook die beschermd. Tijdens het veldbezoek is specifiek aandacht besteed aan de aanwezigheid van roofvogels en rust- en verblijfplaats van deze roofvogels. Nesten (of nesten van voorgaande jaren) van in bomen broedende jaarrond beschermde (roof)vogels zijn ten tijde van het oriënterende veldbezoek niet waargenomen. Nesten van gebouwbewonende jaarrond beschermde vogelsoorten (zoals kerkuilen) en eventuele sporen (braakballen, roestplaats etc.) zijn door de afwezigheid van geschikte gebouwen niet aangetroffen in het plangebied. De mogelijkheid bestaat dat (roof)vogels op een andere manier gebruik maken van het plangebied, bijvoorbeeld als foerageergebied en/of als vaste aanvliegroute tussen verblijfplaats en foerageergebied. Direct buiten het plangebied zijn meerdere groene elementen aanwezig welke met de voorgenomen planontwikkeling ongewijzigd blijven.

Het aantasten van het foerageergebied en/of groene elementen zal gezien de aard van de voorgenomen ruimtelijke ingreep, ligging binnen de bebouwde kom en het omliggend groen geen negatieve invloeden uitoefenen op het leefgebied van (roof)vogels. Daarnaast is er voldoende alternatief foerageergebied aanwezig in de omgeving van het plangebied.

AGEL adviseurs D02 Quickscan natuurwetgeving De heer C.A. Dekkers Bovenstraat 43 te Hoeven

20170151 augustus 2017 blad 11

Er zijn geen gierzwaluwen dan wel huismussen waargenomen. De gebouwen binnen het plangebied zijn niet voorzien van dakpannen en relatief laag. De gebouwen zijn ongeschikt voor gierzwaluwen dan wel huismussen om in te nestelen. Gezien de gebouwen in de directe omgeving, de aanwezige vegetatie (ontbreken ruigte, voedselbronnen) binnen het plangebied en het groen buiten het plangebied is niet te verwachten dat het plangebied een essentiële functie vervult voor huismussen als foerageergebied. Ten tijde van het oriënterend veldbezoek is er één overvliegende houtduif waargenomen. In het plangebied is het mogelijk dat algemene vogelsoorten tot broeden komen. Broedende vogels in en direct rond het plangebied mogen niet verstoord worden met de voorgenomen planontwikkeling. Verstorende activiteiten zoals bouwwerkzaamheden (heien) dienen daarom gestart te worden buiten de broedperiode. Als deze vogels bij het zoeken van een nestlocatie merken dat het plangebied en/of de directe omgeving te verstorend is door activiteiten, zullen ze elders een geschikte nestlocatie zoeken. Indien binnen de broedperiode gestart dient te worden met de voorgenoemde werkzaamheden, is dit mogelijk als aantoonbaar is vastgesteld dat er geen broedende vogels in en direct rond het plangebied aanwezig zijn.

4.3.5

Reptielen

Bronnenonderzoek De meeste reptielen houden zich voornamelijk op in geleidelijke overgangssituaties tussen natuurlijke biotopen in bos-, heide- en veengebieden. Er zijn geen noemenswaardige verspreidingsgegevens bekend bij RAVON en de Quickscanhulp. Veldinventarisatie In het plangebied zelf zijn geen reptielen aangetroffen of eventueel geschikte biotopen. Gezien de terreingesteldheid van het plangebied en het gebruik is niet te verwachten dat het plangebied een cruciale rol vervult voor reptielen.

4.3.6

Amfibieën

Bronnenonderzoek In de Quickscanhulp worden alle habitatrichtlijn (Europees niveau) en andere soorten (nationaal niveau) benoemd, dus ook de soorten waarvoor door de provincie Noord-Brabant vrijstellingen is verleend. Deze soorten waarvoor vrijstelling is verleend betreffen onder andere de bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander. Soorten welke voorkomen op een afstand van 1 tot 5 km van het plangebied conform de Quickscanhulp waarvoor geen vrijstelling is verleend betreffen de Alpenwatersalamander en vinpootsalamander (Wnb-andere soorten). Er zijn geen noemenswaardige verspreidingsgegevens bekend bij RAVON. Veldinventarisatie De Alpenwatersalamander komt vooral voor in beboste gebieden (loofbos) of kleinschalige landschappen met heggen en struwelen. De vinpootsalamander heeft zijn voorkeur voor grotere bos- en heidegebieden op zandgronden waar hij zich voorplant in heidevennen, bosvijvers en poelen. Deze biotopen en oppervlakte water of een geschikt landhabitat voor salamanders komen niet voor in het plangebied. Het plangebied vormt een zeer marginaal leefgebied voor algemeen voorkomende amfibieën gezien de afwezigheid van zowel een geschikt waterhabitat als landhabitat. Algemeen voorkomende amfibieën zijn licht beschermd. Strikt beschermde amfibiesoorten eisen echter een veel specifieker en stabieler leefgebied dan in het plangebied aanwezig is.

De zwaardere beschermde soorten zijn niet te verwachten.

AGEL adviseurs D02 Quickscan natuurwetgeving De heer C.A. Dekkers Bovenstraat 43 te Hoeven

20170151 augustus 2017 blad 12

Voor algemeen voorkomende amfibiesoorten als gewone pad en de bruine kikker geldt een vrijstelling in de provincie Noord-Brabant. Met de voorgenomen planontwikkeling zal er geen oppervlakte water worden gedempt of vergraven. Negatieven effecten zijn niet te verwachten op de beschermde amfibiesoorten.

4.3.7

Vissen

Bronnenonderzoek Vanuit de Quickscanhulp zijn geen beschermde vissoorten in de directe omgeving van het plangebied waargenomen. Veldinventarisatie In het plangebied is geen oppervlakte water aanwezig, waardoor er geen sprake is van het aantasten van beschermde vissoorten (bijv. grote modderkruiper). Een ontheffing van de Wet natuurbescherming en/of compensatie is daarom niet noodzakelijk.

4.3.8

Insecten (ongewervelde)

Bronnenonderzoek Vanuit de Quickscanhulp komt de gevlekte witsnuitlibel (Wnb-hrl) op korte afstand (1-5 km) van het plangebied voor. Uit de verdere literatuurstudie is het niet aannemelijk dat er in het plangebied beschermde ongewervelde voorkomen. Veldinventarisatie Tijdens het veldbezoek zijn geen insecten waargenomen. De habitateisen van beschermde soorten binnen deze groep zijn vaak zeer locatie specifiek en gebonden aan zeer bijzondere biotopen. Iedere soort is afhankelijk van een bepaald habitat. Deze habitats (met name heide en (laag)veen, grote rivieren (rivierrombout) en oude, rottende eiken) liggen niet in het plangebied. Het groen in het plangebied is sterk gecultiveerd. Hierdoor is het niet aannemelijk dat er in het plangebied beschermde ongewervelde voorkomen.

AGEL adviseurs D02 Quickscan natuurwetgeving De heer C.A. Dekkers Bovenstraat 43 te Hoeven

5 5.1

20170151 augustus 2017 blad 13

CONCLUSIE/AANBEVELINGEN Gebiedsbescherming

Het plangebied bevindt zich niet in de nabijheid van een gebied dat is aangewezen in het kader van de Europese Natura 2000-gebieden. Op een afstand van 15,2 kilometer ten oosten van het plangebied ligt het Natura 2000-gebied “Ulvenhoutse bos”. Het Natura 2000-gebied betreft een habitatrichtlijngebied en PAS-gebied. De voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling betreft de realisatie van een enkele woning. Deze wijziging van de gebruiksfunctie van het plangebied zal niet leiden tot een toename in uitstoot van stikstofdepositie waarbij significant negatieve effecten door stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden te verwachten zijn. Andere verstorende factoren zoals oppervlakteverlies, versnippering, verdroging en verstoring door trilling, licht en geluid zijn met de voorgenomen planontwikkeling niet van toepassing. Het plangebied maakt geen onderdeel uit van het Nationaal natuurnetwerk (NNN) of Natuurnetwerk Brabant (NNB). Het dichtstbijzijnde gebied dat behoort tot het NNB betreft de houtopstand langs de Opperstraat ten westen van het plangebied en is aangeduid als het type ‘Bossingel en bosje (L01.04)’. Met de voorgenomen planontwikkeling is er geen sprake van directe vernietiging van het NNB. Aangezien het beoogde plan geen directe relatie heeft met een gebied dat is aangewezen als NNB en geen verbindende functie vervult zijn negatieve effecten uit te sluiten.

Van negatieve uitstralingseffecten door geluid, licht en verdroging op het Nationaal Natuurwerk of Natuurnetwerk Brabant is geen sprake. In het plangebied staan geen beschermde houtopstanden. 5.2

Soortenbescherming

In de Wet natuurbescherming is een zorgplicht opgenomen. Dit houdt in dat voorafgaand aan de ingreep alle maatregelen dienen te worden getroffen om nadelige gevolgen op flora en fauna voor zover mogelijk te voorkomen, te beperken of ongedaan te maken. Deze zorgplicht geldt altijd en voor alle soorten, ook als er ontheffing of vrijstelling is verleend. Binnen het plangebied zijn geen potentiële natuurlijke groeiplaatsen voor beschermde (vaat)planten aanwezig. Beschermde (vaat)planten worden dan ook niet binnen het plangebied verwacht. Aangeplante of gezaaide exemplaren van beschermde soorten zijn niet beschermd in de Wet natuurbescherming (Wnb), omdat het geen natuurlijke groeiplaatsen betreft. Een ontheffing van de Wnb en/of compensatie is daarom niet noodzakelijk. Er zijn tijdens het oriënterende veldbezoek geen zoogdieren waargenomen. Gedurende het veldbezoek is grondig gezocht naar sporen zoals uitwerpselen, vraatsporen zoals afgebeten veren of loopsporen van marterachtigen. Deze zijn niet aangetroffen. Verwacht wordt dat enkele soorten waarvoor door de provincie Noord-Brabant vrijstellingen is verleend zoals haas, konijn en een aantal muissoorten voor kunnen komen binnen de onderzoeklocatie. De eekhoorn zal sporadisch gebruik maken van het siertuin, maar dit zal meer in de vorm zijn van het oppikken van afgevallen eikels.

In de eikenbomen van de houtwal zijn geen nesten van de eekhoorn aangetroffen. Tijdens het veldbezoek zijn mogelijke rust- en verblijfplaatsen van boom- en gebouwbewonende vleermuizen, op basis van de checklist inschatting vooronderzoek vleermuizen (vleermuisprotocol), onderzocht. Met de voorgenomen planontwikkeling zullen er geen wijzigingen plaatsvinden aan het bestaande woonhuis en bijgebouw.

AGEL adviseurs D02 Quickscan natuurwetgeving De heer C.A. Dekkers Bovenstraat 43 te Hoeven

20170151 augustus 2017 blad 14

Wel zal er een houten tuinhuisje worden gesloopt. Dit betreft een houten prefab enkelwandig tuinhuisje met dakleren leien. Dit gebouwtje is niet geschikt als vaste rust-, verblijf-, kraam of paarplaats van gebouwbewonende vleermuissoorten. Met de voorgenomen planontwikkeling zal er een volgroeide Cedrus atlantica worden gerooid. Deze boom was gedurende het veldbezoek goed te inventariseren op eventuele holtes, loshangende schors etc. Op twee meter hoogte zit een ondiep spechtengat. Deze holte is te ondiep om als vaste rust-, verblijf-, kraam of paarplaats van boombewonende vleermuissoorten te dienen. Overige spleten, holtes etc. zijn niet aanwezig. Met het rooien van de boom is geen sprake van het aantasten van vaste verblijfplaatsen van boombewonende vleermuissoorten. Naast verblijfplaatsen zijn ook essentiële vliegroutes en foerageergebieden beschermd. Vliegroutes zijn lijnvormige elementen, vaak een bomenrij, waaraan vleermuizen zich oriënteren. Vleermuizen hebben deze oriëntatie nodig om zich van hun verblijfplaats naar hun foerageergebied te verplaatsen. Foerageergebieden kunnen onder andere bestaan uit bomen, opgaande gewassen en open water. Met de voorgenomen planontwikkeling zullen de eikenbomen in de houtwal niet worden gerooid.

Hierdoor is het aantasten van vliegroutes en foerageergebieden niet aan de orde en in de directe omgeving zijn voldoende alternatieve aanwezig. Indien er eikenbomen in de houtwal worden gerooid, waarbij er een grote onderbreking ontstaat (kruinruimte >10m) of bomen met een grote stamdiameter (>3dm) zal er nader onderzoek naar vliegroutes, foerageergebied en/of eventuele verblijfplaatsen van vleermuizen dienen plaats te vinden. Gedurende het veldbezoek zijn er geen vogels waargenomen. Alle van nature in Nederland in het wild levende vogels zijn beschermd in het kader van de Vogelrichtlijn. In het plangebied is het mogelijk dat algemene vogelsoorten tot broeden komen (broedtijd circa half maart tot en met half juli). Broedende vogels in en direct rond het plangebied mogen niet verstoord worden met de voorgenomen planontwikkeling. Verstorende activiteiten zoals bouwwerkzaamheden (bijv. heien) dienen daarom gestart te worden buiten de broedperiode. Als deze vogels bij het zoeken van een nestlocatie merken dat het plangebied en/of de directe omgeving te verstorend is door activiteiten, zullen ze elders een geschikte nestlocatie zoeken. Indien binnen de broedperiode gestart dient te worden met de voorgenoemde werkzaamheden, is dit mogelijk als aantoonbaar is vastgesteld dat er geen broedende vogels in en direct rond het plangebied aanwezig zijn.

Tijdens het veldbezoek is specifiek aandacht besteed aan de aanwezigheid van roofvogels en rust- en verblijfplaats van deze roofvogels. Nesten (of nesten van voorgaande jaren) van in bomen broedende jaarrond beschermde (roof)vogels zijn ten tijde van het oriënterende veldbezoek niet waargenomen. Nesten van gebouwbewonende jaarrond beschermde vogelsoorten (zoals kerkuilen) en eventuele sporen (braakballen, roestplaats etc.) zijn door de afwezigheid van geschikte gebouwen niet aangetroffen in het plangebied. De mogelijkheid bestaat dat (roof)vogels op een andere manier gebruik maken van het plangebied, bijvoorbeeld als foerageergebied en/of als vaste aanvliegroute tussen verblijfplaats en foerageergebied. Direct buiten het plangebied zijn meerdere groene elementen aanwezig welke met de voorgenomen planontwikkeling ongewijzigd blijven. Het aantasten van het foerageergebied en/of groene elementen zal gezien de aard van de voorgenomen ruimtelijke ingreep, ligging binnen de bebouwde kom en het omliggend groen geen negatieve invloeden uitoefenen op het leefgebied van (roof)vogels. Daarnaast is er voldoende alternatief foerageergebied aanwezig in de omgeving van het plangebied.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.halderberge.nl/api/v1/meetings/548/documents/15978