bijlagen toelichting.pdf
Tekst van het document
ecologische verbindingszone
2218
2218
bestaande houtwal
aan te planten houtwal 1072
1072
1073
1073 20.0
1074
20
1074
m
.0 m
m 30.0 m 20.0
1076
m
1
1
50.0
m 12.0
50.0
1 m
m 30.0
2
m 20.0
12.0
4
m
7 45.0
3
5
m
Ro o
g ewe aals send
m
38 1426
45.0
1428
1426
1425
NW SITUATIE BESTAAND
Kadastrale gemeente: Hoeven Sectie/nummer(s): H / 1072, 1073, 1076 1425, 1426, 1428 Schaal: 1:2000
N 862
w ZW
O z
opslag groen / grond opslag groen / grond / containers wasplaats + zeven grond stalling machines werkplaats kantoor / kantine parkeren
m
15.0
m
10.0
ZO
20.0
38 m
Ro o
NW SITUATIE BEOOGD
Kadastrale gemeente: Hoeven Sectie/nummer(s): H / 1072, 1073, 1076 1425, 1426, 1428 Schaal: 1:2000
g ewe aals send
1427
m
NO
N 862
NO
w ZW
O z
ZO
© VAN DUN ADVIES BV
RENVOOI 1 2 3 4 5 6 7
4 20.0
1424
6
1428
1425 1427
1424
1076
bestaande bebouwing te slopen bebouwing nieuwe bebouwing
Vestiging Gilze T. 013 5199458
opslag
Vestiging Someren
bestaande houtwal
T. 0493 745015
nieuwe houtwal ecologische verbindingszone
PROJECTNUMMER
TEKENAAR
DATUM
22058-001
GF
21-03-2022
TEKENING
SCHAAL
Situatietekening
1:2000
1e
BLAD
2e
1-01
3e
WIJZIGINGEN
ONDERWERP
info@vandunadvies.nl www.vandunadvies.nl
Agrarisch bedrijf aan de Roosendaalseweg 38 te Hoeven
i•
,...pté-j- , ,
.
,Queseir
, '\___ , i
\
;;;;,
o ooo c. o o 00000
l'i \ it
o
• 00 . 0 . 00000 :g.!., e 0 * 0 ' ! / 00000000 0000 0
1 1\
6.6
•
-
....
..C.,,
ii
"
".
%
1
4
.
, 05
ii ... .. .
oc>'0
•"'
Walnoot-1,6 'e* glihrji' -4
4.3
t li -
0q
'''c' 4, 41 , .. .... • ... o /,-1
or..40
mik.
Is ,...p.5.
,,,' •
Igélt 311>17
,
.
. ._
..,...._ 84
port , , -'-'- -1 A58
.9
-,
-
Okk
--
Cnat: °
n3
.
\. 1•\3.. 5
00".0 1
0t,Moe heide -
..
, ••• •
d ...„
•
'4
•
.
* •
• •
a r" ;$00.
5'. ,05.1 • doft
't 1 te"
'
.1 . ..),;*,
e" ii ". a" - • 43 it. •.t.
*°
• •**
5....
.... 1
•
o
R ..ii
\ ,.,,h, •
.,„-t.-__-_---' -' . ____. -:.-_,-0
,-- --
. •:
...1 . \ 1
Mil, , . II" •tatigg \
Ligging project
Gemeente : Halderberge Kadastraal bekend : gemeente Hoeven, sectie H. nr. 1072, 1076, 1425, 1426, 1428 X/Y :98531 x396853 Legenda
0
~
Bestaande beplanting
> ......-77-73
Struweelhaag
L'----"`--7
Bosssingel
0
Laanboom
50m
Inrichtings-/beplantingsplan voor: Naam
: fa. R. de Regt
Contactpersoon
: J. de Regt
Projectadres
: Roosendaalseweg 38
Postcode
: 4741 TV
Plaats
: Hoeven
Ontwerp : AS
Blad 1 van 1
d.d.: 19 — 9 — 2022 20 — 3 - 2023 Schaal 1 : 1500 Bij afdruk op A3
Stichting Het Noordbrabants Landschap Coördinatiepunt Landschapsbeheer Postbus 80 5076 ZH Haaren Telefoon 0411 — 622775 Fax 0411 — 623691
41.
Transect-rapport 4499 Hoeven, Roosendaalseweg 38 Gemeente Halderberge (NB) Archeologisch bureauonderzoek (BO) en inventariserend Veldonderzoek (IVO), verkennende fase
1
2
Overijsselhaven 127 3433 PH Nieuwegein
Auteur
M. Verboom-Jansen MSc
Versie
Versie 2.0
Projectcode
22100093
Datum
01-08-2023
Opdrachtgever
Loonbedrijf fa R. de Regt
Uitvoerder
Transect b.v.
T: 030-7620705 E: informatie@transect.nl
Overijsselhaven 127 3433 PH Nieuwegein Veldonderzoek
T. Nales (Senior KNA Prospector)
Onderzoeksmelding
5324019100
Bevoegde overheid
Gemeente Halderberge
Adviseur bevoegde overheid
Regioarcheologen West Brabant (RWB)
Status
Nog te beoordelen
Beheer documentatie
Transect, Nieuwegein
Voorblad
Foto van het plangebied ten tijde van het veldonderzoek (18-01-2023)
Autorisatie Naam Drs. T. Nales (Senior KNA Prospector)
Datum 01-08-2023
Paraaf
ISSN: 2211-7067
© Transect, Nieuwegein Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie of op welke wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgevers. Transect aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek.
3
Samenvatting In opdracht van Loonbedrijf fa. R. de Regt heeft Transect b.v. in januari 2023 een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd in een plangebied aan de Roosendaalseweg 38 te Hoeven (gemeente Halderberge). Het voornemen bestaat om een bestemmingsplanwijziging door te voeren ten behoeve van de sloop van de bestaande bebouwing en de nieuwbouw van bedrijfsloodsen. Het archeologische onderzoek is uitgevoerd in het kader van deze bestemmingsplanwijziging. Het archeologisch vooronderzoek bestaat hier uit een Archeologisch Bureauonderzoek (BO) en een Inventariserend veldonderzoek (IVO). De vraagstelling van deze onderzoeken richt zich op het vaststellen en toetsen van de archeologische verwachting en de bepaling in hoeverre de voorgenomen ingrepen in het kader van de planvorming effect hebben op eventuele archeologische resten in het gebied. •
•
Uit het bureauonderzoek blijkt het plangebied op de overgang van een zone met terrasafzettingen (al dan niet bedekt met dekzand) naar het beekdal van de voorloper van de Kibbelvaart te liggen. Het plangebied ligt daarbij grotendeels is in het beekdal. De terrasafzettingen worden in het zuidoosten van het plangebied verwacht. Ter plaatse van de hoger gelegen terrasafzettingswelvingen in het zuidoosten van het plangebied en ter plaatse van de beekdalglooiing (globaal de zuidelijke helft van het plangebied) geldt een hoge archeologische verwachting voor archeologische resten en/of sporen uit de periode Laat-PaleolithicumNeolithicum. Hogere delen van het landschap in de nabijheid van een beek waren namelijk gunstige locaties voor jachtkampen uit deze periode. Dit komt doordat de landschappelijke gradiënt voor een grote biodiversiteit zorgt en daarnaast kan het beekdal gebruikt worden als transportroute en voor drinkwater en visvangst. In de nabijheid van het plangebied zijn op de beekdalglooiing vondsten uit het Mesolithicum bekend. In het beekdal zelf (het noorden van het plangebied) is de archeologische verwachting op sporen van bewoning laag. Wel zouden hier water-gerelateerde vondsten aanwezig kunnen zijn.
Voor wat betreft de periode Bronstijd-LateMiddeleeuwen is de verwachting voor het plangebied laag, omdat het plangebied toen deel uit maakte van een veengebied dat doorgaans te nat voor bewoning was. Tevens is het veen door turfwinning verdwenen. In de omgeving van het plangebied zijn ook geen vondsten uit deze periode bekend. Vanaf de Late-Middeleeuwen werd het veengebied ontgonnen en bewoonbaar gemaakt. Het plangebied heeft daarom een middelhoge verwachting op resten uit de Late Middeleeuwen. De Kibbelvaart is ten tijde van de ontginning van het veengebied aangelegd, waarschijnlijk vanaf de 14e of 15e eeuw, en fungeerde als turfvaart. Sporen van bewoning uit de Nieuwe Tijd zijn op historische kaarten niet bekend. Voor wat betreft de periode Nieuwe Tijd is de archeologische verwachting daarom laag, maar echter ook niet volledig uit te sluiten. Na de veenwinning is immers door de aanleg van de vaarten de grondwaterstand dermate verlaagd dat landbouw mogelijk werd of zelfs bewoning. Uit het veldonderzoek werd de ligging van het plangebied in een overgangszone van een terrasafzettingswelving naar een beekdal bevestigd. In het zuidoosten ligt het maaiveld hoger en is verspoeld dekzand op leem en terrasafzettingen van de Formatie van Stramproy aanwezig.
In het noorden ontbreekt het leem en betreft het zand waarschijnlijk geremanieerd zand als onderdeel van het beekdal dat zich verder ten noorden van het plangebied uitstrekt. Ten noorden van het plangebied ligt tevens de Kibbelvaart, die ergens in de 14e of 15e eeuw is aangelegd. Het doel van de aanleg van deze vaart was de ontginning van het veen in het gebied en de waterstandsverlaging, zodat na de turfwinning het gebied voor landbouw in gebruik kon worden genomen op het moment het terrein niet te nat was. Uit de resultaten van het veldonderzoek wordt het beeld bevestigd van een relatief nat landschap, waarbij de top van het (verspoelde) dekzand is aangetast en omgewerkt. Dit is het gevolg van de huidige landbewerking, 4
maar mogelijk ook van de vroegere vervening (veenbrokken). De hoge mate van verstoring en de relatief natte landschappelijke ligging doen in ieder geval vermoeden dat de verwachting op een intacte archeologische resten in het plangebied laag is vanwege de natheid en de mate van verstoring. Er is echter binnen het plangebied één verdachte zone te onderscheiden. Tijdens het veldonderzoek zijn hier aan het maaiveld grote stukken baksteen waargenomen die qua ouderdom dateren in de Late Middeleeuwen of begin van de Nieuwe tijd (14e tot 15e eeuw). Wat de herkomst is van het steen is onduidelijk: op historische kaarten ligt deze zone namelijk precies op de overgang tussen het voormalige heide gebied en het historisch gecultiveerde gebied. De betekenis en herkomst van de vondsten is niet bekend. Het is niet uitgesloten dat het toevalsvondsten zijn die tijdens bemesting op de akker terecht zijn gekomen. Gezien de grootte van de brokken en de typering ervan kunnen ze echter ook een aanwijzing zijn voor een vindplaats op die plek. Het baksteen getuigt in ieder geval op resten die dateren uit de periode na de ontginning (vanaf de 14e eeuw, ten tijde van de aanleg van de Kibbelvaart). Daarom wordt aan deze zone een hoge archeologische verwachting toegekend. Advies Voor het grootste deel van het plangebied zijn in het kader van de voorgenomen plannen geen aanvullende maatregelen nodig.
Geadviseerd wordt het plangebied voor wat betreft archeologie vrij te geven. Op het moment dat onverhoopt toch archeologische zaken worden aangetroffen, geldt een wettelijke meldingsplicht conform de Erfgoedwet 2016, artikel 5.10 en 5.11, deze vondsten te melden bij de bevoegde overheid (gemeente Halderberge). Alleen voor de zone met een hoge archeologische verwachting (circa 2750 m2)wordt aanbevolen deze als zodanig in het bestemmingsplan uit te werken en op het moment er graafwerkzaamheden gepland worden ten behoeve van herontwikkeling hier een vervolgonderzoek in de vorm van een proefsleuvenonderzoek uit te voeren (Inventariserend veldonderzoek, karterende en waarderende fase). Dit onderzoek heeft als doel om de gedane vondsten in het gebied te verklaren. Voor een dergelijk onderzoek is op voorhand een Programma van Eisen (PvE) nodig, waarin de randvoorwaarden voor het onderzoek zijn vastgelegd. Dit PvE moet voor het onderzoek zijn beoordeeld en goedgekeurd door de gemeente Halderberge. In bijlage 9 is de ligging van de verdachte zone weergegeven op de huidige plantekening. Hieruit valt af te leiden dat het grootste deel van de zone niet bij de uiteindelijke planvorming betrokken is. Alleen zal er een houtwal op de zuidgrens worden gerealiseerd.
Voor deze houtwal wordt, omdat de verwachte verstoring (de wortelgroei) niet zodanig is dat een volledig complex verstoord zal worden, deze toe te laten. Er worden daarvoor geen archeologische maatregelen geadviseerd. Bovenstaande vormt een advies. Op grond van de resultaten van het rapport en het advies zal de bevoegde overheid (de gemeente Halderberge) een besluit nemen over de daadwerkelijke omgang met eventueel aanwezige archeologische waarden binnen het plangebied.
5
Inhoud 1.
Aanleiding
1
2.
Aard en doel van het archeologisch vooronderzoek
2
3.
Afbakening van het plan- en onderzoeksgebied
3
4.
Planvorming en consequenties toekomstig gebruik
5
5.
Beleidskader
6
6.
Landschap, geomorfologie en bodem
7
7.
Beschrijving bekende archeologische kenmerken
10
8.
Historische situatie, huidig gebruik en bodemverstoringen
13
9.
Gespecificeerde archeologische verwachting
18
10.
Resultaten veldonderzoek
21
11.
Beantwoording onderzoeksvragen
24
12.
Conclusie en Advies
25
13.
Geraadpleegde bronnen
27
Bijlage 1: Luchtfoto
29
Bijlage 2: :Planvorming
30
Bijlage 3: Archeologische beleidskaart van de gemeente Halderberge
31
Bijlage 4 : Geomorfologie
33
Bijlage 5: Hoogtekaart
34
Bijlage 6: Bodemkaart
36
Bijlage 7: Archeologische informatie
37
Bijlage 8: Boorpuntenkaart
38
Bijlage 9: Advieskaart en het plan
39
Bijlage 10: Foto’s van boringen
40
Bijlage 11: Boorbeschrijvingen
41
1
1. Aanleiding In opdracht van Loonbedrijf fa. R. de Regt heeft Transect b.v.1 in januari 2023 een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd in een plangebied aan de Roosendaalseweg 38 te Hoeven (gemeente Halderberge). Het voornemen bestaat om een bestemmingsplanwijziging door te voeren ten behoeve van de te realiseren bedrijfsactiviteiten. Het archeologisch onderzoek is uitgevoerd in het kader van deze bestemmingsplanwijziging. Het archeologisch vooronderzoek bestaat hier uit een Archeologisch Bureauonderzoek (BO) en een Inventariserend veldonderzoek (IVO). De vraagstelling van deze onderzoeken richt zich op het vaststellen en toetsen van de archeologische verwachting en de bepaling in hoeverre de voorgenomen ingrepen in het kader van de planvorming effect hebben op eventuele archeologische resten in het gebied.
1 Transect b.v. voldoet aan de eisen zoals gesteld in de kwaliteitsnorm ‘BRL SIKB 4000’, versie 4.1, en is gecertificeerd door
middel van een procescertificaat. Transect b.v. is certificaathouder van de volgende protocollen: ‘KNA Protocol 4001 Programma van Eisen’, ‘KNA Protocol 4002 Bureauonderzoek’, ‘Protocol 4003 Inventariserend Veldonderzoek, variant Overig’, ‘Protocol 4003 Inventariserend Veldonderzoek, variant Proefsleuven’ en ‘Protocol 4004 Opgraven’, en staat geregistreerd bij het RCE en de SIKB.
1
2. Aard en doel van het archeologisch vooronderzoek Het archeologisch vooronderzoek bestaat uit een gecombineerd onderzoek, te weten een Archeologisch Bureauonderzoek (BO) en een Inventariserend Veldonderzoek (IVO), verkennende fase. Het doel van het archeologisch bureauonderzoek is het specificeren van de archeologische verwachting, dat wil zeggen het aan de hand van beschikbare en nieuwe informatie over de archeologie, cultuurhistorie, geomorfologie, bodemkunde en grondgebruik, bepalen van de kans dat binnen het plangebied archeologische resten kunnen voorkomen. Hiervoor is onder andere het centraal Archeologisch Informatiesysteem (Archis) van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) geraadpleegd, waarin de Archeologische MonumentenKaart (AMK) is opgenomen. Aanvullende (cultuur)historische informatie is verkregen uit historische kaarten. Om inzicht te krijgen in de opbouw en ontwikkeling van het landschap zijn onder andere de bodemkaart en beschikbare geologische en geomorfologische kaarten geraadpleegd. Er is informatie opgevraagd bij de Heemkundevereniging Honderd Hoeven in Hoeven (via e-mail, d.d. 24-01-2023). Het bouwarchief zijn niet geraadpleegd. Een volledig overzicht van de geraadpleegde bronnen is opgenomen in hoofdstuk 14.
Het doel van het inventariserend veldonderzoek is het toetsen en waar mogelijk bijstellen van de gespecificeerde archeologische verwachting, door het verzamelen van informatie over de feitelijke bodemopbouw, bodemreliëf en bodemintactheid in het plangebied. Hiermee ontstaat inzicht in de landschapsvormende processen en landschappelijke eenheden uit het verleden. Op basis hiervan kan een oordeel worden gegeven over waar, wanneer en in hoeverre het gebied in het verleden geschikt was voor de mens. Het inventariserend veldonderzoek is uitgevoerd in de vorm van een booronderzoek (IVO-O). De toegepaste methodiek in het veld wordt beschreven bij de beschrijving van de veldresultaten (Hoofdstuk 10). Het onderzoek probeert hiermee aan de hand van feitelijke informatie antwoord te geven op de volgende vragen: • Hoe heeft het plangebied oorspronkelijk in het natuurlijk landschap gelegen? •
Zijn er binnen de bodemopbouw archeologisch relevante bodemniveaus te onderscheiden en hoe diep liggen deze?
•
In hoeverre zijn de archeologisch relevante bodemniveaus nog intact (verstoring, erosie, afdekkend substraat)?
•
Wat is de archeologische verwachting van het plangebied en in hoeverre is deze te differentiëren in laag, middelhoog en hoog?
Het resultaat van het archeologisch vooronderzoek is dit rapport met een conclusie omtrent het risico dat eventueel aanwezige archeologische waarden in het plangebied worden verstoord als gevolg van de voorgenomen plannen. Op basis van dit rapport neemt het bevoegde overheid een beslissing in het kader van de vergunningverlening of planprocedure. Het rapport bevat waar mogelijk gegevens over de – verwachte – aan- of afwezigheid, aard, omvang, ouderdom, gaafheid, conservering en (relatieve) kwaliteit van archeologische waarden. Het bureauonderzoek is uitgevoerd conform protocol 4002 van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie, versie 4.1 (KNA 4.1). Het inventariserend veldonderzoek is uitgevoerd conform protocol 4003 van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie versie 4.1 (KNA 4.1).
2
3. Afbakening van het plan- en onderzoeksgebied Gemeente
Halderberge
Plaats
Hoeven
Toponiem
Roosendaalseweg 38
Kaartblad
49F
Centrumcoördinaat
98.476/396.906
Binnen het archeologisch bureauonderzoek is onderscheid gemaakt in het plangebied en het onderzoeksgebied. Het plangebied is het gebied waarin de geplande bodemingrepen zullen plaatsvinden. Het onderzoeksgebied omvat het plangebied en een deel van het direct omringende gebied en wordt bij het onderzoek betrokken om tot een beter inzicht te komen in de archeologische, (cultuur)historische en bodemkundige situatie in het plangebied. Het onderzoeksgebied beslaat in dit geval een straal van circa 500 meter rond het plangebied. Het plangebied ligt aan de Roosendaalseweg 38 te Hoeven (gemeente Halderberge), tussen de Roosendaalseweg in het zuiden en de Kibbelvaart in het noorden. De ligging van het plangebied is weergegeven in figuur 1 en bijlage 1. Kadastraal gezien omvat het plangebied de percelen HVN00, sectie H nummers 1072, 1073, 1076, 1425, 1426 en 1428. De begrenzing is gebaseerd op de begrenzing van de voorgenomen bestemmingsplanwijziging. Het plangebied beslaat ongeveer 3,6 ha en is grotendeels in agrarisch gebruik. Aan de weg is een erf met een aantal gebouwen en een waterpartij aanwezig. De eigenaar en toekomstig gebruiker is Loonbedrijf fa. R. de Regt.
3
Figuur 1: Ligging van het plangebied (met rode lijnen aangegeven, bron: www.pdok.nl).
4
4. Planvorming en consequenties toekomstig gebruik Kader
Aanvraag bestemmingsplanwijziging
Oppervlakte plangebied
Circa 3,6 ha
Planvorming
Realiseren bedrijfsactiviteiten
Omvang verstoringen
Nieuwe bebouwing en opslag: ca. 5130 m2 Nieuwe houtwal: ca. 3790 m2 Ecologische verbindingszone: 1410 m2
Bodemverstorende werkzaamheden
Graafwerkzaamheden
Diepte verstoring
Vermoedelijk 40-100 cm -Mv
Het voornemen bestaat om een bestemmingsplanwijziging door te voeren ten behoeve van de te realiseren bedrijfsactiviteiten. In bijlage 2 zijn een situatietekening van de huidige en toekomstige situatie opgenomen. Vijf panden binnen het plangebied zullen worden gesloopt (bijlage 2). In de nieuwe situatie zal nieuwe bebouwing en zullen nieuwe opslag panden worden gerealiseerd (totaal ongeveer 5130 m2). Ook zal een nieuwe houtwal (ca. 3790 m2) en een nieuwe ecologische verbindingszone (ca. 1410 m2) worden aangelegd. De nieuwe parkeerplaats wordt ongeveer 475 m2. Van de voorgenomen werkzaamheden zijn nog een exacte ontgravingsdieptes bekend. Wat volgt is een inschatting van de ontgravingsdieptes: • Voordat de bebouwing wordt gerealiseerd zal grondverbetering plaatsvinden ter plaatse van de panden. Dit betekent dat de teelaarde van het maaiveld af wordt gehaald tot ongeveer 40 cm Mv, waarna grondverbetering wordt toegepast. Ook zal een opvang voor water worden gerealiseerd in een put/kelder. Hiervoor komt wordt de bodem tot ongeveer 1 m -Mv ontgraven. De nieuwe gebouwen zullen naar verwachting niet worden onderheid. • De nieuwe houtwal komt op het maaiveld te staan. Hoeveel de bodem wordt ontgraven voor de plantgaten is nog niet bekend. • Bij de ecologische verbindingszone zal vermoedelijk een flauw talud worden aangelegd richting de bestaande sloot.
De slootdiepte van de Kibbelvaart is ongeveer 80 cm -Mv. Dit is dus de maximale ontgravingsdiepte. Er zijn geen effecten op het grondwaterpeil voorzien.
5
5. Beleidskader Onderzoekskader
Aanvraag bestemmingsplanwijziging
Beleidskader
Bestemmingsplan Eerste herziening bestemmingsplan Buitengebied Halderberge (2017) Groter dan 500 m2 en dieper dan 40 cm –Mv
Onderzoeksgrens
In 1992 heeft Nederland het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed ondertekend; ook wel het Verdrag van Malta of Valletta genoemd, naar het eiland en de plaats waar het is ondertekend. Het Verdrag is in 1998 geratificeerd en op 1 september 2007 via de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (Wamz) geïmplementeerd. De Wamz is een wijzigingswet en omvat een wijziging van de Monumentenwet 1988, de Wet Milieubeheer, de Ontgrondingenwet en de Woningwet, op grond waarvan overheden onder andere bij bodemingrepen verplicht rekening moeten houden met het behoud van archeologische waarden. Sinds juli 2016 (Erfgoedwet) is het behoud en beheer van het Nederlandse erfgoed geregeld door één integrale Erfgoedwet. De omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving zal in de nieuwe Omgevingswet worden geregeld, die in 2023 in werking zal treden. In het bestemmingsplan “Eerste herziening bestemmingsplan Buitengebied Halderberge (2017)” heeft het plangebied een dubbelbestemming Waarde – Archeologie 2 en een dubbelbestemming WaardeArcheologie 3 (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl). Deze waardes zijn is gebaseerd op de gemeentelijke verwachtingskaart (Molenaar et al., 2005; bijlage 3). Hierop heeft het plangebied een hoge, middelhoge en lage archeologische verwachting.
Ter plaatse van de zone met een lage archeologische verwachting geldt geen dubbelbestemming archeologie in het bestemmingsplan. Voor een dubbelbestemming waarde-archeologie 2 en 3 geldt dat bij bouwwerken en/of bodemingrepen die meer beslaan dan 500 m2 en dieper reiken dan 40 cm -Mv archeologisch onderzoek noodzakelijk is. In het bestemmingsplan gelden dezelfde onderzoeksgrenzen voor de dubbelbestemming waardearcheologie 2 en waarde-archeologie 3. Gezien de grotere verstoringsoppervlakte en -diepte betekent dat in dit geval in het kader van de aanvraag van de bestemmingsplanwijziging een archeologisch (voor)onderzoek noodzakelijk is (zie hoofdstuk 4). In het kader van de planprocedure dient de aanvrager een rapport aan de gemeente te overleggen, waarin de archeologische waarde van het plangebied naar het oordeel van Burgemeester en Wethouders in voldoende mate is vastgesteld. Afhankelijk van de uitkomsten van het archeologisch (voor-)onderzoek dat hiervoor nodig is, kunnen aan de ontwikkeling regels worden verbonden ter behoud van belangrijke archeologische waarden. Deze kunnen bestaan uit technische aanpassingen of een veiligstellende opgraving. Het archeologisch vooronderzoek kan hiertoe worden uitgebreid met een al dan niet gecombineerd karterend en waarderend onderzoek, zodat op basis van de KNAwaarderingssystematiek een waardestelling kan worden opgemaakt.
6
6. Landschap, geomorfologie en bodem Archeoregio
Brabants zandgebied
Geomorfologie
Beekdalbodem Glooiing van beekdalzijde Terrasafzettingswelvingen
Maaiveld
+2,9 tot +5,7 m NAP
Bodem Grondwater
Gooreerdgronden, laarpodzolgronden V en VI
Landschapsgenese Hoeven bevindt zich in het Zuid-Nederlands (Brabantse) zandgebied op de rand van het zuidwestelijk zeekleigebied (Tebbens, 2016). De ondergrond in het gebied bestaat hoofdzakelijk uit pleistocene afzettingen, die deel uitmaken van de Formatie van Stramproy en Formatie van Boxtel (De Mulder et al., 2003; TNO, 2020), waarbij zeer diep in de ondergrond ook nog de Formatie van Waalre voor kan komen. De Formatie van Waalre bestaat voornamelijk uit afzettingen van een vroegere voorloper van de Rijn (circa 1,5 miljoen jaar geleden). De bovenzijde van dit pakket bestaat vaak hier uit een veelal meters dikke laag zware klei. Na de vorming van dit pakket zijn de afzettingen aan erosie blootgesteld, waardoor sprake is van een sterk gevarieerd reliëf. Doordat de pleistocene rivierafzettingen door een betrekkelijk dunne laag jonger sediment eolisch en fluvio-eolisch zand (Formatie van Stramproy en Formatie van Boxtel) is afgedekt, komt het destijds ontstane reliëf in het huidige landschap nog steeds tot uiting (Molenaar et al., 2005; www.dinoloket.nl). De Formatie van Stramproy bestaat uit overwegend zandige afzettingen van midden-Belgische rivieren (De Mulder et al., 2003).
Het dekzand (Formatie van Boxtel) ontstond toen als gevolg van een zeer koud klimaat verstuivingen van zand optraden, met name gedurende de koudste perioden van de laatste ijstijd, het Weichselien (circa 120000 tot 10000 jaar geleden). Het zand verstoof door sterke winden vanuit de drooggevallen beddingen van beken en rivieren en vanuit het drooggelegen Noordzee-bekken. Er was vanwege het barre klimaat geen vegetatie aanwezig die dergelijke verstuivingen kon voorkomen. Het zand werd als dekzand in een dunne deken op de oude rivierafzettingen afgezet in welvingen, kleine ruggen en vlakten. Grote dekzandruggen zijn er niet, aangezien er weinig sprake was van luwte zodat het dekzand kon worden ingevangen (Stouthamer et al., 2015). Vanaf het begin van het Holoceen (vanaf 10000 jaar geleden) trad een drastische klimaatsverbetering op. De gemiddelde jaartemperaturen stegen en het werd vochtiger waardoor vegetatiegroei kon toenemen. Hierdoor werd de zandverstuiving aan banden gelegd en trad in de top van het dekzand bodemvorming op (podzolering). In de lagere gebiedsdelen rondom de koppen en ruggen stroomden beken en kon als gevolg van de vernatting veenvorming optreden. Vanuit de lage delen werd een groot deel van West-Brabant met veen overdekt. Van een volledige veenbedekking is geen sprake geweest; er zijn altijd veenvrije terreindelen geweest (Molenaar et al., 2003).
Via de voorlopers van de huidige Kibbelvaart breidde het veen zich uit in het plangebied (Leenders, 2003). Volgens Vos (2015) lag het plangebied rond 9000 voor Chr. in het dal de voorloper van de huidige Kibbelvaart en is er vanaf 3850 voor Chr. veen aanwezig in het plangebied. Ook volgens de Turfdatabase van Antwerpen heeft binnen het gehele plangebied zeker veen gelegen (bron: https://www.provincieantwerpen.be/aanbod/dict/gis/digitale-kaarten.html). Het valt onder de veenuitgifte ‘Heulmeer’. 7
Ten noorden van de lijn Oudenbosch-Hoeven is het dekzand en eventueel aanwezige veen afgedekt door mariene afzettingen (Formatie van Naaldwijk, Laagpakket van Walcheren (voorheen Duinkerke IIIb)). De mariene afzettingen zijn tussen 1100 na Chr. en het begin van de 15 e eeuw of na de Sint Elisabethsvloed van 1421 afgezet (Molenaar et al., 2005). Het plangebied ligt ten zuiden van deze lijn (TNO, 2020). In het plangebied worden daarom geen mariene afzettingen verwacht, tenzij deze zich via de voorloper van de Kibbelvaart tot in het plangebied hebben kunnen uitstrekken. Geologie en lithologie Volgens de geologische kaart van TNO (2020) ligt in het zuiden van het plangebied de Formatie van Stramproy. In het noorden van het plangebied ligt het Laagpakket van Singraven, dat binnen de Formatie van Boxtel valt (TNO, 2020). In het Dinoloket is in de noordelijke helft van het plangebied een boring gezet. Hier zijn de fijne en matig grove zanden van het Laagpakket van Singraven tot 70 cm -Mv aanwezig (boring B49F1193; coördinaat 98.480 / 397.000, www.dinoloket.nl). Hieronder is tot 90 cm Mv leem aanwezig, dat daaronder overgaat in zwak siltige klei. Deze klei behoort volgens het Dinoloket tot de Formatie van Stramproy. Geomorfologie en maaiveldhoogte Volgens de geomorfologische kaart van Maas et al.
(2020) ligt het grootste gedeelte van het plangebied op een beekdalglooiing (kaartcode H42; bijlage 4; bron: www.pdok.nl). In het noorden van het plangebied ligt een beekdalbodem (kaartcode R42) en in het zuiden van het plangebied liggen terrasafzettingswelvingen, al dan niet bedekt met dekzand (kaartcode L41). Op het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN, versie 4) is te zien dat het plangebied op de overgang van hoog naar laag ligt (bijlage 5; bron: www.ahn.nl). Binnen het plangebied varieert de maaiveldhoogte van +2,9 tot +5,7 m NAP, waarbij de maaiveldhoogte het hoogst is in het zuidoosten van het plangebied en het laagst in het noorden. In de noordelijke helft van het plangebied is sprake van een lager gelegen zone met in het midden daarvan een ovaalvormige zone die weer iets hoger ligt (+3,15 ten opzichte van +2,95 m NAP; bijlage 5). Mogelijk is hier sprake van twee restgeulen. Ten noorden van het erf is een hoekige verlaging van het maaiveld aanwezig (bijlage 5). Het gaat om een zone van ongeveer 710 m2, waar de maaiveldhoogte ongeveer +3,7 m NAP is ten opzichte van ongeveer +4,1 m NAP ernaast. Vermoedelijk is hier dus sprake van een afgraving van ongeveer 40 cm.
Bodem en grondwater Volgens de bodemkaart zijn in het plangebied gooreerdgronden en laarpodzolgronden te verwachten, die bestaan uit leemarm en zwak lemig fijn zand (kaartcode pZn21-V, cHn21-VI; bijlage 6; bron: www.pdok.nl). De laarpodzolgronden worden verwacht ter plaatse van de terrasafzettingswelvingen in het zuidoosten van het plangebied (bijlage 6). Podzolgronden kenmerken zich door in- en uitspoelingslagen (B-horizonten) die indicatief zijn voor de mate van intactheid van de bodem. Bij Laarpodzolgronden is sprake van een matig dik mineraal dek van 30 tot 50 cm dikte. Gooreerdgronden zijn natte zandgronden met een minerale eerdlaag dunner dan 50 cm. Er zijn geen roestvlekken aanwezig of deze beginnen pas dieper dan 35 cm -Mv (De Bakker en Schelling, 1989). De grondwatertrap geeft een indicatie van de conservering van onverbrande organische vondsten, zoals hout, leer en bot. Boven de gemiddeld laagste grondwaterstand treden namelijk schommelingen in de grondwaterstand op, waardoor oxidatie en dus degradatie van onverbrande organische vondsten kan optreden. Binnen het plangebied wordt een grondwatertrap van V en VI verwacht. Dit betekent dat onverbrande organische archeologische resten boven 120 cm -Mv vermoedelijk al gedegradeerd
8
zijn. Anorganische vondsten zoals vuursteen en aardewerk kunnen ongeacht de grondwaterstand bewaard zijn gebleven.
9
7. Beschrijving bekende archeologische kenmerken Wettelijk beschermd monument
Nee
AMK terrein
Nee
Verwachting gemeentelijke kaart
Hoog, middelhoog en laag
Archeologische waarden en/of informatie
Niet binnen plangebied In omgeving is een vuursteen afslag uit het Mesolithicum bekend
Wettelijk beschermde status Het plangebied heeft volgens het centraal archeologisch informatiesysteem (Archis) van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) geen archeologisch wettelijk beschermde status (bijlage 7). Archeologische Monumentenkaart (AMK) Het plangebied is niet opgenomen op de Archeologische MonumentenKaart (AMK; bijlage 7). Archeologische verwachting Op de gemeentelijke verwachtingskaarten heeft het plangebied een hoge, middelhoge en lage archeologische verwachting (bijlage 3). De hoge verwachting is niet nader gespecificeerd per periode op de archeologische verwachtingskaarten. De middelhoge verwachting heeft betrekking op archeologische resten en/of sporen uit de periode Late-Middeleeuwen-Nieuwe Tijd. Ter plaatse van de middelhoge verwachtingszone is de verwachting op vindplaatsen van jagers en verzamelaars laag, en voor de periode Neolithicum-Vroege-Middeleeuwen laag tot middelhoog (bijlage 3). Voor de periode van de landbouwers is de verwachting gebaseerd op de bodemkaart en grondwatertrap (Molenaar et al., 2005). De hoge verwachtingszone is voor wat betreft jagers en verzamelaars gebaseerd op het voorkomen van flanken van beekdalen. Het beekdal zelf heeft een lage verwachting (Molenaar et al., 2005).
Bekende archeologische waarden In het plangebied zijn voor zover bekend in het verleden geen archeologische waarnemingen gedaan en heeft in het verleden niet eerder onderzoek plaatsgevonden. In de omgeving van het plangebied is wel informatie bekend (bijlage 7). In tabel 1 is een overzicht gegeven van de verschillende veldonderzoeken in de omgeving van het plangebied, in tabel 2 zijn de verschillende vondstmeldingen weergegeven. Bureauonderzoeken zijn buiten beschouwing gelaten omdat deze geen feitelijke informatie over de ondergrond en de daadwerkelijke aanwezige archeologische complexen leveren. Informatie uit overige bronnen Er is geen aanvullende informatie uit overige bronnen verkregen. Er is informatie opgevraagd bij de Heemkundevereniging Honderd Hoeven in Hoeven (via het contactformulier op de website, d.d. 2401-2023). Vanuit Heemkundevereniging Honderd Hoeven is geen aanvullende informatie ontvangen. Archeologisch gezien valt uit de resultaten van de reeds uitgevoerde onderzoeken in de omgeving af te leiden dat de ondergrond in veel gevallen tot in de C-horizont was verstoord. Op de glooiing van de beekdalzijde zijn vondsten het Mesolithicum bekend. De vondsten zijn gedaan op of nabij de hoger gelegen delen van de beekdalglooiing. De complextypen van de vondsten zijn niet bekend. 10
Tabel 1: Overzicht van de archeologische veldonderzoeken rondom het plangebied (<500 m).
Zaak-ID
Toponiem
Afstandwindrichting
Type onderzoek
Bevindingen
Bron
3983665100
Kibbelvaart
0 m ten oosten en 250 m ten westen
Bureauonderzoek en verkennend booronderzoek
Het onderzoek van Schutte (2016) beslaat 5 deellocaties, waarvan er twee dicht nabij het onderhavig plangebied liggen. Deze zijn hier besproken. Op basis van het bureauonderzoek gold voor beide deellocaties een hoge verwachting voor de periode Paleolithicum-Neolithicum en Middeleeuwen-Nieuwe Tijd. In de periode Bronstijd-Romeinse Tijd was het gebied te nat voor bewoning. Uit het verkennende booronderzoek blijkt dat de bodem tot in de C-horizont is verstoord (70 cm à 140 cm -Mv). De verstoring is vermoedelijk veroorzaakt door agrarische en mogelijk de aanleg van hemelwaterafvoer. Er is geen vervolgonderzoek aanbevolen.
Schutte (2016)
5157581100
Bremstraat
70 m ten zuiden
Bureauonderzoek en verkennend booronderzoek
Het onderzoek is uitgevoerd in het kader van het aanleggen en vervangen van een waterleiding. 70 m ten zuiden van het plangebied is alleen de waterleiding vervangen binnen het bestaande tracé, waardoor daar geen boringen zijn gezet. Bij de Achterhoeksestraat zijn wel boringen gezet (circa 800 m ten zuidwesten van het plangebied). onder de A-horizont is een menglaag aangetroffen van zandbrokken, leembrokken en/of baksteenresten. De bodem is verstoord tot in de C-horizont van het dekzand (0,25 à 100 cm -Mv/ 4,35 à 5,07 m NAP). Podzolbodems zijn niet aangetroffen. Er is geen vervolgonderzoek geadviseerd.
Teekens (2022)
2394469100
Oude Bredasepostbaan
270 m ten noorden
Proefsleuven
In verband met de aanleg van een gasleiding zijn op tracédelen proefsleuven aangelegd. Er zijn geen archeologisch relevante sporen en structuren aangetroffen. De proefsleuven die nabij
Keijers en Verhoeven (2013) 11
het plangebied zijn aangelegd bevatten recente verstoringen (met name kuilen) en een greppel uit de Nieuwe Tijd. Tijdens het verwijderen van de bouwvoor is een fragment aardewerk uit de 16e eeuw en een stukje porselein uit de 20e eeuw gevonden.
Tabel 2: Overzicht van de archeologische vondstmeldingen rondom het plangebied(<650 m).
Zaak-ID
Toponiem
Afstand-windrichting
Datering
Type onderzoek
Omschrijving vondstmelding
3045724100
Kibbelvaart
350 m ten noordoosten
Mesolithicum
Archeologisch: veldkartering
3045716100
Kibbelvaart
620 m ten noordoosten
Midden- tot LaatMesolithicum
Archeologisch: veldkartering
Vuursteen afslagen. De vondsten zijn verspreid over de akker aangetroffen, er is zijn geen duidelijke concentraties waargenomen. Wommersomkwartsiet afslag, gekerfde vuurstenen afslag, Wommersomkwartsiet klingschrabber. De vondsten zijn verspreid over de akker aangetroffen, er is zijn geen duidelijke concentraties waargenomen.
12
8. Historische situatie, huidig gebruik en bodemverstoringen Landschapstype2 Cultuurhistorische elementen
Veenkolonie van het West-Brabantse type 3
Nee
Aard historisch landgebruik
Heide, bouwland
Historische bebouwing aanwezig
Nee
Bebouwing van cultuurhistorische waarde
Nee
Het grondgebruik, dat over de jaren heen in het plangebied heeft plaatsgevonden, kan zijn sporen in de ondergrond hebben achtergelaten. Enerzijds herbergen oude kaarten informatie omtrent voormalig landgebruik die inzicht kan geven in de aanwezigheid van archeologische vindplaatsen (bijvoorbeeld historische boerenplaatsen en wegen), maar anderzijds ook in de negatieve effecten, die landgebruik op de oorspronkelijke bodem heeft gehad (en daarmee op eventueel aanwezige archeologische resten). Met dit laatste wordt niet alleen gedoeld op omwerking van de bodem door omwoeling, egalisatie, ontgraving en sanering, maar ook ophoging en ontwatering die kunnen hebben geleid tot verkleuring, verdroging en verstikking van de bodem. Historische achtergronden van het cultuurlandschap en -situatie Hoeven is vermoedelijk ontstaan in de tweede helft van de 13e eeuw. Het veen in de omgeving werd op grote schaal ontgonnen ten behoeve van brandstof en zoutwinning. Ten noorden van Oudenbosch hebben overstromingen plaatsgevonden, waaronder de St. Elisabethsvloed in 1421 (Molenaar et al., 2005). In de omgeving van het plangebied zijn dus geen overstromingen bekend. Het plangebied ligt aan de Turfvaart Kibbelvaart. Volgens Leenders (2003) was dit een vaart, maar geen hoofdvaart.
Volgens de Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie Noord-Brabant (CHW4) dateert de turfvaart waarschijnlijk uit 1600-1700. Waarschijnlijk dateert de vaart echter uit de Late Middeleeuwen, rond de 14e of 15e eeuw. De turfvaart is gelegen tussen de veenontginningen bij Rucphen en de samenvloeiing bij de Polder de Hoevensche Beemden met de Laaksche Vaart. De Kibbelvaart is van zeer hoge cultuurhistorische waarde. De Roosendaalseweg is op de CHW een lijn van redelijk hoge historische waarde. Op de kaart van Adan uit 1740-1875 is het plangebied niet te vinden (www.bhic.nl). Op het Kadastrale Minuutplan uit 1811-1832 is het plangebied onbebouwd (figuur 2). De omgeving van het plangebied stond bekend als ‘de Hei Hoef’. Rond 1900 is bebouwing langs de Roosendaalseweg aanwezig, maar niet in het plangebied (figuur 3). Rondom het erf waren percelen bouwland aanwezig, maar het noorden van het plangebied was in die tijd nog in gebruik als heide. Ook liep een noord-zuid georiënteerde weg door het plangebied, het zogenaamde “Heikens Padje”. Deze sluit aan op de “Baan van Breda naar Bergenopzoom”, en mogelijk ook op een brug over de Kibbelvaart. Op het Kadastrale Minuutplan is geen brug aanwezig. Het plangebied blijft tot 1900 onbebouwd. Tussen 1925 en 1955 is het grootste gedeelte van het heidegebied in gebruik genomen als weiland (figuur 4 en 5).
Ook waren enkele dwarssloten in het plangebied aanwezig. Tussen 1955 en 1980 is de Roosendaalseweg verbreed (aanleg snelweg A58) waardoor het plangebied aan de weg is komen te liggen (figuur 6). Vanaf toen was ook in het plangebied bebouwing aanwezig. Tussen 1980 en 2015 is de bebouwing langs de weg in
2 HISTLAND 1980; https://archis.cultureelerfgoed.nl/zoekenenvinden/#/kaart 3 HISTLAND 1980; https://archis.cultureelerfgoed.nl/zoekenenvinden/#/kaart 4 https://noord-brabant.maps.arcgis.com/apps/webappviewer/index.html?id=1dab0b45b3234fffa8090a4bc8ae06f8
13
het plangebied uitgebreid (figuur 7). Ook is een waterpartij in het zuidoosten van het plangebied gegraven (figuur 7; circa 320 m2). Militair Erfgoed Op de Indicatieve Kaart Militair Erfgoed (IKME) is het plangebied niet aangeduid als aandachtsgebied (www.ikme.nl). Ook zijn er geen verwachtingen op militaire objecten of aan oorlogen gerelateerde verschijnselen (https://rce.webgispublisher.nl/Viewer.aspx?map=militaire%5Flandschapskaart). Huidig gebruik en bodemverstoringen Het plangebied is grotendeels in agrarisch gebruik. Aan de weg is een erf met een aantal gebouwen en een waterpartij aanwezig. In welke mate nog archeologische resten en/of sporen aanwezig kunnen zijn is mede afhankelijk van de mate van intactheid van de bodem. Daarom zijn hier bekende en mogelijke bodemverstoringen besproken: • Ter plaatse van de huidige bebouwing is de ondergrond aangetast. Via de vorige eigenaar is informatie over de verstoringsdiepte verkregen. De woning is gefundeerd op staal, tot ongeveer 60 cm -Mv. Er is geen kelder onder aanwezig. De schuren en stallen zijn eveneens gefundeerd op staal tot ongeveer 60 cm -Mv (het stevige gele zand). Er zitten enkele mestgoten/-putten in de stallen tot 1 m -Mv. • Volgens de ontgrondingenkaart van Noord-Brabant is het plangebied niet ontgrond.5 Het perceel direct ten westen van het plangebied staat wel als ontgrond te boek.
• Door de opdrachtgever is een rapportage van een milieukundig onderzoek aangeleverd. Hieruit blijkt dat het plangebied niet verontreinigd is (Van Dijck-Oostvogels, 2023). Saneringen die de ondergrond al hebben aangetast zijn niet uitgevoerd. De boringen zijn uitgevoerd in het zuiden van het plangebied. Hieruit blijkt dat tot 110 à 200 cm -Mv zand aanwezig is, dat daaronder overgaat in leem (tot in ieder geval 300 cm -Mv). De bouwvoor is in de boringen over het algemeen 30 cm dik. In sommige boringen is tot 100 cm -Mv matig humeus donker grijsbruin zand aanwezig (Van Dijck-Oostvogels, 2023). Of dit een eerddek of een verstoring betreft is niet uit de boringen op te maken. • Ten noorden van het erf is een hoekige verlaging van het maaiveld aanwezig (bijlage 5). Het gaat om een zone van ongeveer 710 m2, waar de maaiveldhoogte ongeveer +3,7 m NAP is ten opzichte van ongeveer +4,1 m NAP ernaast. Vermoedelijk is hier dus sprake van een afgraving van ongeveer 40 cm.
5 https://noord-brabant.maps.arcgis.com/apps/webappviewer/index.html?id=1dab0b45b3234fffa8090a4bc8ae06f8
14
Figuur 2: Het plangebied (rood omlijnd) op het kadastrale Minuutplan uit 1811-1832 (bron: beeldbank.cultureelerfgoed.nl).
Figuur 3: Uitsnede van een topografische kaart uit 1900 (bron: www.topotijdreis.nl). Het plangebied is met rode lijnen weergegeven.
15
Figuur 4: Uitsnede van een topografische kaart uit 1925 (bron: www.topotijdreis.nl). Het plangebied is met rode lijnen weergegeven.
Figuur 5: Uitsnede van een topografische kaart uit 1955 (bron: www.topotijdreis.nl). Het plangebied is met rode lijnen weergegeven.
16
Figuur 6: Uitsnede van een topografische kaart uit 1980 (bron: www.topotijdreis.nl). Het plangebied is met rode lijnen weergegeven.
Figuur 7: Uitsnede van een topografische kaart uit 2015 (bron: www.topotijdreis.nl). Het plangebied is met rode lijnen weergegeven.
17
9.
Gespecificeerde archeologische verwachting
Archeologische verwachting en periode Het plangebied is gelegen op overgang van terrasafzettingen (al dan niet bedekt met dekzand) naar het beekdal van de voorloper van de Kibbelvaart. Het plangebied ligt grotendeels in het beekdal van de voorloper van de Kibbelvaart. De terrasafzettingen worden in het zuidoosten van het plangebied verwacht. • Ter plaatse van de hoger gelegen terrasafzettingswelvingen in het zuidoosten van het plangebied en ter plaatse van de beekdalglooiing (globaal de zuidelijke helft van het plangebied) geldt een hoge archeologische verwachting voor archeologische resten en/of sporen uit de periode LaatPaleolithicum-Neolithicum. Hogere delen van het landschap in de nabijheid van een beek waren namelijk gunstige locaties voor jachtkampen. Dit komt doordat de landschappelijke gradiënt voor een grote biodiversiteit zorgt en daarnaast kan het beekdal gebruikt worden als transportroute en voor drinkwater en visvangst. In de nabijheid van het plangebied zijn op de beekdalglooiing vondsten uit het Mesolithicum bekend. In het beekdal zelf (noorden van het plangebied) is de archeologische verwachting op sporen van bewoning laag. Wel zouden hier water-gerelateerde vondsten aanwezig kunnen zijn.
• Voor wat betreft de periode Bronstijd – Vroege Middeleeuwen is de verwachting voor het plangebied laag, omdat het plangebied toen deel uit maakte van een veengebied dat doorgaans te nat voor bewoning was. Tevens is het veen door turfwinning verdwenen. In de omgeving van het plangebied zijn ook geen vondsten uit deze periode bekend. • Vanaf de Late Middeleeuwen werd het veengebied ontgonnen. In principe kunnen archeologische resten vanaf de turfwinning verwacht worden. Het plangebied heeft daarom een middelhoge verwachting op resten uit de Late Middeleeuwen. De Kibbelvaart is ten tijde van de ontginning van het veengebied aangelegd, waarschijnlijk vanaf de 14e of 15e eeuw, en fungeerde als turfvaart. Sporen van bewoning uit de Nieuwe Tijd zijn op historische kaarten niet bekend. Voor wat betreft de periode Nieuwe Tijd is de archeologische verwachting daarom laag, maar echter ook niet volledig uit te sluiten. Na de veenwinning is immers door de aanleg van de vaarten de grondwaterstand dermate verlaagd dat landbouw mogelijk werd of zelfs bewoning. Stratigrafische positie en diepteligging Archeologische resten uit de periode Laat-Paleolithicum-Neolithicum bevinden zich op de hogere terreindelen in de top van het dekzand/de terrasafzettingen. Ter plaatse van de beekdalglooiing is ligt het archeologische niveau direct onder de A-horizont.
Gezien de verwachte gooreerdgronden, laarpodzolgronden en het milieukundige onderzoek (zie hoofdstuk 8) is dit vermoedelijk vanaf 30 cm Mv. Complextypen en omvang In het plangebied kunnen nederzettingssporen worden aangetroffen, hetzij in de vorm van (seizoensgebonden) jachtkampementen, hetzij in de vorm van verhoogde huisplaatsen (boerderijen): • Jachtkampementen kenmerken zich door een dichte vondstenconcentratie van onder andere fragmenten bewerkt vuursteen, hetgeen met name afhankelijk is van de langdurigheid en/of intensiteit van eventuele bewoning op die plek. De omvang ervan kan variëren tussen circa 100 en 1000 m2. De aanwezigheid hiervan is in eerste instantie afhankelijk van de intactheid van de bodem. Indien de bodem niet meer intact is, kan de archeologische verwachting voor deze periode worden bijgesteld naar laag. Diepe grondsporen uit het Laat-Paleolithicum-Mesolithicum worden immers niet verwacht. • Uit het Neolithicum kunnen ook nederzettingen en sporen van landgebruik aanwezig zijn. Dergelijke vindplaatsen bestaan over het algemeen uit een reeks grondsporen, die in de top van 18
• •
het dekzand/de terrasafzettingen zijn ingegraven. Hierbij valt te denken aan waterputten, afvalkuilen en beerputten. Hoewel vondstmateriaal aanwezig kan zijn van deze nederzettingsterreinen, ontbreekt het vaak aan een duidelijke vondstlaag. Nederzettingen kunnen honderden vierkante meters beslaan. In het beekdal in eventuele restgeulen kunnen watergerelateerde vondsten aanwezig zijn zoals kano’s, dumpsites en visfuiken. Resten uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd bestaan uit grondsporen. Deze zullen hoofdzakelijk herinneren aan landgebruik (m.n. greppels).
De gespecificeerde archeologische verwachting is samengevat in onderstaande tabel 3. Prospectiekenmerken, zoekstrategie en advies Op basis van de tijdens het bureauonderzoek verworven resultaten is het in eerste instantie de vraag wat de exacte ruimtelijke spreiding van de landschappelijke ondergrond is (waar ligt de grens tussen het dekzand en het beekdal) en of het archeologische niveau nog intact is. Bij onderzoeken in de omgeving is de ondergrond namelijk vaak aangetast door landbouw activiteiten, en in het zuiden van het plangebied is een erf aanwezig dat voor bodemverstoringen heeft gezorgd. De intactheid van de bodem is mede bepalend voor het vaststellen van de archeologische verwachting. Om dit te kunnen toetsen, dient de lithologische opbouw van de ondergrond en de mate van intactheid van de bodem te worden vastgelegd. Dit kan plaatsvinden door middel van een verkennend booronderzoek. Op grond van dit onderzoek kan dan een uitspraak worden gedaan of en in hoeverre archeologische resten en/of sporen te verwachten zijn. De werkwijze van het verkennende booronderzoek is beschreven in hoofdstuk 10.
19
Tabel 3: Gespecificeerde archeologische verwachtingstabel.
1
Archeologische verwachting Datering
2 3 4 5
Complextype Omvang Diepteligging Gaafheid en conservering
6
Locatie
7
Uiterlijke kenmerken (artefacten en type indicatoren) Mogelijke verstoringen
8
Reden Hoog Laat-Paleolithicum-Neolithicum Ligging op terrasafzettingswelvingen en een beekdalglooiing. In de omgeving zijn in de beekdalglooiing vondsten uit het Mesolithicum bekend. Ter plaatse van het beekdal is de verwachting op nederzettingen laag. Laag Bronstijd – Vroege Het plangebied lag in een nat veengebied. Er zijn Middeleeuwen uit archeologisch onderzoek geen vindplaatsen bekend die wijzen op het bestaan van mogelijk lokale bewoonbare omstandigheden. Tevens is het veen door turfwinning verdwenen. Middelhoog Late Middeleeuwen Gebied is bewoonbaar gemaakt door turfwinning. Laag Nieuwe Tijd Geen aanwijzingen voor bewoning op historische kaarten. Bewoning is echter niet volledig uit te sluiten, doordat het historisch landschap na de veenwinning vanaf de 14e eeuw is ontstaan. Kampementen, nederzettingen, huisplaatsen, sporen van landgebruik, water-gerelateerde resten 100-1000 m2 (omvang jachtkamp); 500-2000 m2 (omvang huisplaats, algemeen) Top van het dekzand/terrasafzettingswelvingen Boven 120 cm -Mv zijn onverbrande organische vondsten gedegradeerd. De terrasafzettingswelvingen worden in het zuidoosten van het plangebied verwacht en de beekdalglooiing in de zuidelijke helft van het plangebied. Vindplaatsen kenmerken zich naar verwachting door grondsporen en vondsten.
In het zuiden is een erf aanwezig met enkele gebouwen, waarbij de bodem tot 60 à 100 cm -Mv verstoord is. Ook veenwinning zal de ondergrond in het gebied kunnen hebben aangetast.
20
10. Resultaten veldonderzoek Onderzoeksmethodiek Het doel van het booronderzoek is het toetsen van de gespecificeerde archeologische verwachting in het plangebied, zoals deze is opgesteld in Hoofdstuk 9. Hiertoe is in het plangebied in het kader van de realisatie van een bedrijfsterrein een verkennend booronderzoek uitgevoerd (conform het opgestelde Plan van Aanpak; Verboom-Jansen, 2023). De boringen zijn daarbij gebruikt om zowel de mate van intactheid van de bodem als de bodemopbouw zelf te bepalen. In totaal zijn in het plangebied 16 boringen gezet (boring 1-16). De boringen hebben een diepte tot maximaal 230 cm –Mv en zijn handmatig gezet met behulp van een Edelmanboor met een diameter van 7 cm. Beneden de grondwaterspiegel (circa 150 cm -Mv) is gebruik gemaakt van een gutsboor met een diameter van 3 cm. De boringen zijn beschreven volgens de NEN5104 en de Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode (ASB; SIKB 2008). Deze beschrijvingen zijn terug te vinden in bijlage 9. De boringen zijn gelijkmatig in het plangebied uitgezet. De boringen zijn hierbij binnen het plangebied verdeeld in een boorgrid van 40 bij 50 m, waarbij de afstand tussen de boringen 50 m bedraagt en de afstand tussen de individuele raaien 40 m. De boringen op iedere raai verspringen 25 m ten opzichte van een boring op de voorgaande boorraai.
Alleen ter plaatse van het erf zijn boringen verplaatst naar locaties die zich voor booronderzoek leenden (vrij van verharding, begroeiing). De ligging van de boringen is opgenomen in bijlage 7. De coördinaten van de boorpunten zijn bepaald met een meetlint aan de hand van de bestaande topografie en de hoogte is aan de hand van het AHN bepaald (bron: www.ahn.nl). Veldwaarnemingen Het plangebied bestaat uit een braakliggende akker en een erf met een woning en twee schuren (adres Roosendaalseweg 38). Aan het maaiveld valt op dat het zuiden van het plangebied relatief hoger ligt dan het noorden van het plangebied. Er is hierbij sprake van een geleidelijk aflopende hoogte. Ten noorden van het plangebied, ten noorden van de noordelijke kavelsloot, ligt het maaiveld circa 1,0 m hoger dan het plangebied. Of dit natuurlijk is of het gevolg van graafwerkzaamheden is vanuit het terrein zelf niet te zien. Ook het erf in het zuidoosten van het plangebied ligt hoger. Dit is vermoedelijk wel het gevolg van ophoging. Foto’s van het plangebied ten tijde van het veldonderzoek zijn weergegeven in figuur 8.
Figuur 8: Foto's van het plangebied ten tijde van het veldonderzoek (19-11-2023).
Bodemopbouw en lithologie Onder in de boringen is zand aanwezig, dat kalkarm, matig gesorteerd en matig grof is. Tevens is het lichtbruingrijs van kleur. In het zuiden van het plangebied ligt dit zand op een diepte van een diepte van 110 tot 180 cm -Mv (1,8-3,2 m NAP). Het ligt hier begraven onder leem, dat donkergrijs en zandig is. De top van het leem bevindt zich op een diepte van 60 tot 80 cm -Mv (2,4 tot 3,4 m NAP) en is circa 30-70 cm dik. Zowel het leem als het zand zijn waarschijnlijk onderdeel van de Formatie van Stramproy en betreffen respectievelijk Hochflutlehm en terrasafzettingen. Alleen ter plaatse van boring 2 is de laag dikker (100 cm). Waarschijnlijk wijst dit op het voorkomen van een oude geul. Op het leem, en op de plekken waar het leem ontbreekt, ligt zand. Dit zand is waarschijnlijk verspoeld dekzand. Dit blijkt uit de matige sortering van het zand en de gevlektheid ervan. Dit zand is witgrijs van kleur. In het noorden van het plangebied is onder in de boringen uitsluitend sprake van lichtbruingrijs matig gesorteerd zand. Dit zand is matig tot slecht gesorteerd. Tevens ligt het lager ten opzichte van het verspoeld dekzand in het zuiden van het plangebied, op 35-50 cm -Mv (2,4 tot 2,7 m NAP).
Vanwege het ontbreken van leem en de sortering van het zand is het geïnterpreteerd als verspoeld pleistoceen zand, waarschijnlijk als onderdeel van de beekbedding die hier op basis van het bureauonderzoek te verwachten was. De top van het bodemprofiel bestaat uit een bouwvoor met een dikte van 35-55 cm. Deze bestaat uit matig siltig sterk humeus zand. Het doet soms zelfs venig aan. De laag is ontstaan als gevolg van ploegen en het ontginning van veen. Alleen bij het erf in het zuidoosten van het plangebied is sprake van een verstoorde al dan niet humeuze bovenlaag met een dikte van 100 cm. Deze laag is het gevolg van verstoring door graafwerkzaamheden, vermoedelijk ten behoeve van de aanleg van het erf hier. Archeologische indicatoren In het westen van het plangebied, in de omgeving van boring 4, zijn aan het maaiveld stukken bak- en natuursteen aanwezig. Het steen ligt relatief geconcentreerd rond deze plek (zie bijlage 8). Ook zijn in boring 4 in de bovengrond kleine fragmenten baksteen aangetroffen, in tegenstelling tot de bovengrond in de boringen in de rest van het plangebied. Een van de gevonden fragmenten baksteen aan het maaiveld dateert hierbij uit de 14e of 15e eeuw en betreft op basis van de vervaardiging waarschijnlijk een fragment van een oude kloostermop.
Twee andere fragmenten betreffen resten zogenaamd appelbloesem-baksteen, die eveneens in de Late Middeleeuwen-Nieuwe tijd dateren. Tot slot is er een brok kalkzandsteen. Kalkzandsteen is bouwmateriaal, dat in de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd voor bouwwerken gebruikt is. Opvallend aan de vondsten is de datering (Late Middeleeuwen/Nieuwe tijd) en de concentratie van de vondsten rondom boring 4. Foto’s van de vondsten zijn weergegeven in figuur 9. Archeologische interpretatie Uit het veldonderzoek werd de ligging van het plangebied in een overgangszone van een terrasafzettingswelving naar een beekdal bevestigd. In het zuidoosten ligt het maaiveld hoger en is verspoeld dekzand op leem en terrasafzettingen van de Formatie van Stramproy aanwezig. In het noorden ontbreekt het leem en betreft het zand waarschijnlijk geremanieerd zand als onderdeel van het beekdal dat zich verder ten noorden van het plangebied uitstrekt. Ten noorden van het plangebied ligt tevens de Kibbelvaart, die ergens in de 14e of 15e eeuw is aangelegd. Het doel van de aanleg van deze vaart was de ontginning van het veen in het gebied en de waterstandsverlaging, zodat na de turfwinning het gebied voor landbouw in gebruik kon worden genomen op het moment het terrein niet te nat was.
Uit de resultaten van het veldonderzoek wordt het beeld bevestigd van een relatief nat landschap, waarbij de top van het (verspoelde) dekzand is aangetast en omgewerkt. Dit is het gevolg van de huidige landbewerking, maar mogelijk ook van de vroegere vervening (veenbrokken). De hoge mate van verstoring en de relatief natte landschappelijke ligging doen in ieder geval vermoeden dat de verwachting op een intacte archeologische resten in het plangebied laag is
vanwege de natheid en de mate van verstoring. Er is echter binnen het plangebied één verdachte zone te onderscheiden. Tijdens het veldonderzoek zijn hier aan het maaiveld grote stukken baksteen waargenomen die qua ouderdom dateren in de Late Middeleeuwen of begin van de Nieuwe tijd (14e tot 15e eeuw). Wat de herkomst is van het steen is onduidelijk: op historische kaarten ligt deze zone namelijk precies op de overgang tussen het voormalige heide gebied en het historisch gecultiveerde gebied. De betekenis en herkomst van de vondsten is niet bekend. Het is niet uitgesloten dat het toevalsvondsten zijn die tijdens bemesting op de akker terecht zijn gekomen. Gezien de grootte van de brokken en de typering ervan kunnen ze echter ook een aanwijzing zijn voor een vindplaats op die plek. Het baksteen getuigt in ieder geval op resten die dateren uit de periode na de ontginning (vanaf de 14e eeuw, ten tijde van de aanleg van de Kibbelvaart). Daarom wordt aan deze zone een hoge archeologische verwachting toegekend.
Figuur 9: Vondsten gedaan nabij boring 4
11. Beantwoording onderzoeksvragen 1.
Hoe heeft het plangebied oorspronkelijk in het natuurlijk landschap gelegen? Het plangebied ligt deels op een beekdalglooiing en deels in een oud beekdal dat gedurende het holoceen met veen is dichtgegroeid. Later is het ontgonnen en afgegraven voor de turfwinning, waarna in het noorden een vaart is gegraven ten behoeve van de ontwatering van het gebied. Toch bleef het landschap relatief nat. Door landbewerking is de top van het pleistocene zand in het gebied omgewerkt.
2.
Zijn er binnen de bodemopbouw archeologisch relevante niveaus te onderscheiden en hoe diep liggen deze? Er is op basis van vondsten aan het maaiveld is de top van het verspoelde pleistocene zand rondom boring 4 aangeduid als archeologisch relevant. Dit bevindt zich op een diepte van 55 cm -Mv.
3.
In hoeverre zijn de archeologisch relevante niveaus nog intact (verstoring, erosie, afdekkend substraat)? Het grootste deel van het plangebied is archeologisch gezien zodanig aangetast dat er geen intacte resten meer te verwachten zijn. Ook was het daarvoor te nat. Wel zijn een aantal vondsten in een deel van het terrein gedaan, die wellicht toch op de aanwezigheid van grondsporen kunnen wijzen.
4.
Wat is de archeologische verwachting van het plangebied en in hoeverre is deze te differentiëren in laag, middelhoog en hoog? Op basis van de resultaten van het veldonderzoek is vastgesteld dat in het plangebied sprake is van een lage archeologische verwachting op de aanwezigheid van archeologische resten uit de periode Laat-Paleolithicum-Nieuwe tijd. Alleen in een zone rondom boring 4 zijn laatmiddeleeuwse vondsten gedaan, die mogelijk op de aanwezigheid van een vindplaats kunnen wijzen. Dat gebied behoudt een hoge archeologische verwachting.
12. Conclusie en Advies Conclusie • Uit het bureauonderzoek blijkt het plangebied op de overgang van een zone met terrasafzettingen (al dan niet bedekt met dekzand) naar het beekdal van de voorloper van de Kibbelvaart te liggen. Het plangebied ligt daarbij grotendeels is in het beekdal. De terrasafzettingen worden in het zuidoosten van het plangebied verwacht. Ter plaatse van de hoger gelegen terrasafzettingswelvingen in het zuidoosten van het plangebied en ter plaatse van de beekdalglooiing (globaal de zuidelijke helft van het plangebied) geldt een hoge archeologische verwachting voor archeologische resten en/of sporen uit de periode Laat-PaleolithicumNeolithicum. Hogere delen van het landschap in de nabijheid van een beek waren namelijk gunstige locaties voor jachtkampen uit deze periode. Dit komt doordat de landschappelijke gradiënt voor een grote biodiversiteit zorgt en daarnaast kan het beekdal gebruikt worden als transportroute en voor drinkwater en visvangst. In de nabijheid van het plangebied zijn op de beekdalglooiing vondsten uit het Mesolithicum bekend. In het beekdal zelf (het noorden van het plangebied) is de archeologische verwachting op sporen van bewoning laag. Wel zouden hier water-gerelateerde vondsten aanwezig kunnen zijn.
Voor wat betreft de periode Bronstijd-LateMiddeleeuwen is de verwachting voor het plangebied laag, omdat het plangebied toen deel uit maakte van een veengebied dat doorgaans te nat voor bewoning was. Tevens is het veen door turfwinning verdwenen. In de omgeving van het plangebied zijn ook geen vondsten uit deze periode bekend. Vanaf de Late Middeleeuwen werd het veengebied ontgonnen en bewoonbaar gemaakt. Het plangebied heeft daarom een middelhoge verwachting op resten uit de Late Middeleeuwen. De Kibbelvaart is ten tijde van de ontginning van het veengebied aangelegd, waarschijnlijk vanaf de 14e of 15e eeuw, en fungeerde als turfvaart. Sporen van bewoning uit de Nieuwe Tijd zijn op historische kaarten niet bekend. Voor wat betreft de periode Nieuwe Tijd is de archeologische verwachting daarom laag, maar echter ook niet volledig uit te sluiten. Na de veenwinning is immers door de aanleg van de vaarten de grondwaterstand dermate verlaagd dat landbouw mogelijk werd of zelfs bewoning. • Uit het veldonderzoek werd de ligging van het plangebied in een overgangszone van een terrasafzettingswelving naar een beekdal bevestigd. In het zuidoosten ligt het maaiveld hoger en is verspoeld dekzand op leem en terrasafzettingen van de Formatie van Stramproy aanwezig.