Bijlage 2 Bijlagen bij toelichting bestemmingsplan Groene woud 58, Oudenbosch.pdf
Tekst van het document
Chr.) over grote delen van West-Brabant.10 Alleen de hoger gelegen rivierterrassen worden niet overdekt met veen. Uit de paleogeografische kaarten (kaart 5B-E) blijkt dat het plangebied niet overveend wordt, maar het beekdal ten westen van het plangebied wordt in de loopt van de Bronstijd bedekt met veen. Het veenareaal blijft in de periode IJzertijd – Vroege Middeleeuwen (kaart 5F-I) gelijk.
7 Omgevingsrapportage Noord-Brabant
8
Mulder e.a., 2003; Molenaar e.a., 2005a; Jongmans e.a., 2013; Vos & Vries, 2013; Stouthamer e.a., 2015; Ondergrondmodellen | DINOlo-
ket; Bodematlas provincie Noord-Brabant 9
Mulder e.a., 2003
10
Leenders, 2013
22104.001 versie 1
5 / 20
Het veen is vanaf de Late Middeleeuwen, tussen 1250 en 1750, afgegraven ten behoeve van turfwinning (kaart 5J-K).11 Rond 1250 n. Chr. is te zien dat het gebied ten noorden van Oudenbosch is overgegaan in een getijdengebied. Rond 1850 is het gebied geheel ontveend (kaart 5L). Hierdoor komen de oudere dekzanden en terrasafzettingen wederom aan het maaiveld te liggen. Volgens de turfdatabank van provincie Antwerpen is het gebied ten westen van het plangebied, Oudenbossche Laag (307,7 ha), in 1301 uitgegeven voor turfwinning.12 Het plangebied ligt niet binnen deze uitgifte. Het gebied ten noorden van Oudenbosch overstroomt in 1421 door de Sint-Elisabethsvloed. Oudenbosch en het plangebied blijven gespaard. Oudenbosch ligt op dat moment ten zuiden van de Dintel, die vanuit de Noordzee naar Zevenbergen en verder landinwaarts stroomt. In dit water bevinden zich twee eilanden Fynert en Clunder.13 In de omgeving van het plangebied zijn geen overstromingsafzettingen aangetroffen.
Echter, worden op enkele plaatsen ten oosten van de kern van Oudenbosch overstromingsafzettingen verwacht.14 Geologie, geomorfologie en maaiveldhoogte Volgens de geologische kaart van Nederland (kaart 6), die de geologische opbouw van de bovenste meters vanaf het maaiveld weergeeft, wordt in het plangebied fijn tot grof zand en leem van de Formatie van Stramproy met een zanddek van de Formatie van Boxtel verwacht. Dit beeld wordt deels bevestigd door een boring in het GeoTOP-model in DINOloket, ten oosten van het plangebied (bijlage 4).15 Volgens deze boring komen er fluviatiele en eolische afzettingen van de Formatie van Stramproy voor, maar geen dekzand van de Formatie van Boxtel. Volgens het GeoTOP-model bestaat de ondergrond in het plangebied uit pleistocene afzettingen, behorend tot de Formatie van Stramproy tot 1,5 m -mv (0,75 m NAP) met daarbovenop een dekzand behorend tot de Formatie van Boxtel tot 0,5 m -mv (1,75 m NAP). Op het dekzand wordt een antropogeen ophogingspakket verwacht van 0,5 m dik tot 2,25 m NAP. De geomorfologische kaart van Nederland geeft de mate van reliëf en de vormen die in het landschap te onderscheiden zijn weer.
Volgens de geomorfologische kaart van Nederland (kaart 7) ligt het plangebied in een bebouwd gebied en komen er ten noorden en zuidoosten van het plangebied terrasafzettingswelvingen voor, bedekt met dekzand, en ten noorden van het plangebied dekzandruggen. Verder ten noorden van het plangebied komt een dalvormige laagte voor en ten noordoosten een vlakte van getijdenafzettingen. Ten zuiden van het plangebied komt een glooiing in een terrasafzettingsvlakte voor.
11
Leenders, 2013
12
Turfdatabank
13
600 Jaar Sint-Elisabethsvloed
14
GeoTOP-model in DINOloket
15
Boring B43H0388, GeoTOP-model in DINOloket
22104.001 versie 1
6 / 20
Op het Actueel Hoogtebestand van Nederland (AHN3; kaart 8) zijn duidelijk de reliëfverschillen in en rond het plangebied te zien. Ter plaatse van de terrasafzettingswelvingen ten noorden van het plangebied ligt het maaiveld tussen circa 1 en 2,9 m NAP. De dekzandruggen liggen hoger in het landschap, tussen circa 2,8 en 3,35 m NAP en de vlakte van getijdenafzettingen tussen circa -0,3 en 0,3 m NAP. Ten zuiden en zuidwesten van het plangebied ligt het maaiveld aanmerkelijk hoger, tussen circa 3,5 en 5 m NAP. Vermoedelijk ligt dit gebied op een dekzandrug. In het plangebied ligt het maaiveld tussen 1,35 en 3,5 m NAP. Het maaiveld ligt in het midden van het zuidwestelijke deel van het plangebied het hoogst en loopt af naar de zijkanten van het plangebied met het laagste deel in het oostelijke deel van het plangebied. Door het midden van het plangebied ligt een sloot, noordwest-zuidoost georiënteerd. Bodem Volgens de bodemkaart van Nederland (kaart 9) ligt het plangebied in bebouwd gebied. Rondom het plangebied komen hoge zwarte enkeerdgronden (code zEZ23) voor en ten noordoosten en noordwesten van het plangebied komen gooreerdgronden voor (code pZn23). Ten noordoosten en zuidoosten van het plangebied komen laarpodzolgronden (code cHn23) voor en verder naar het noordoosten en oosten beekeerdgronden (code pZg23) en kalkarme leek-/woudeergronden (code pMn55C).
Hoge zwarte enkeerdgronden (code zEZ23) zijn dikke enkeerdgronden met een esdek bestaande uit zand, een hoge ligging ten opzichte van het grondwater (grondwatertrap IV en hoger) en een zwarte minerale eerdlaag. De bovengrond bestaat uit lemig fijn zand. Gooreerdgronden (code pZn23) zijn eerdgronden zonder ijzerhuidjes en zonder roest of roest beginnend dieper dan 35 cm of roest beginnend ondieper dan 35 cm en over meer dan 30 cm onderbroken. De dikte van de minerale eerdlaag is 15 tot 50 cm. Deze gronden zijn beperkt tot de bovenlopen van beekdalen en hebben vaak een zwak ontwikkelde (humus)podzol B-horizont. De bovengrond bestaat uit lemig fijn zand. Laarpodzolgronden (code cHn23) zijn humuspodzolgronden zonder ijzerhuidjes en hebben een matig dikke bovengrond, die meestal is ontstaan door ophoging met potstalmest of soms door een zeer geleidelijke opstuiving met enigszins humushoudend materiaal. De bovengrond van deze gronden bestaan in dit geval uit lemig fijn zand. Beekeerdgronden (code pZg23) zijn kalkloze zandgronden met een minerale eerdlaag van 15 tot 50 cm dik en zonder ijzerhuidjes. Bij een zwarte minerale eerdlaag begint de roest binnen 35 cm en loopt door tot 120 cm of tot de Cr-horizont en hoogstens over 30 cm onderbroken. Bij een bruine minerale eerdlaag is er geen indeling naar roest. De bovengrond bestaat in dit geval uit lemig fijn zand.
Kalkarme leek-/woudeergronden (code pMn55C) zijn zeekleigronden met een minerale eerdlaag, met roest en grijze vlekken beginnend binnen 50 cm en met een homogene, aflopende of oplopende porfielopbouw. De bouwvoor bestaat in dit geval uit zavel.16
16
Bodemkaart legenda
22104.001 versie 1
7 / 20
Aan de hand van de verschillende bodemtypes kan worden geconcludeerd dat het beekdal zich waarschijnlijk heeft uitgestrekt tot ten oosten en ten zuidwesten van het plangebied en het getijdengebied ten noordoosten van het plangebied. Grondwater De grondwaterstand in het plangebied heeft invloed op de conservering van archeologische resten, met name organisch materiaal en metaal. Boven de laagste grondwaterstand zijn deze resten slecht geconserveerd of verdwenen. Volgens het BRO Grondwaterspiegeldiepte-model17 is de grondwatertrap (Gt) van het plangebied niet bepaald en hebben de hoge zwarte enkeerdgronden, ten noorden van het plangebied, grondwatertrap IVc. Dit betekent volgens de bijbehorende toelichting18 dat de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) dieper dan 80 cm -mv ligt en de gemiddelde laagste grondwaterstand (GLG) tussen 80 en 120 cm -mv. Dit betekent dat organische resten ondieper dan 80 cm -mv niet of slecht bewaard zijn gebleven. Wat opvalt, is dat dat het model voor de GHG een grondwaterstand van 55 cm aangeeft voor de enkeerdgronden en de GHG een grondwaterstand van 188 en 204 cm. Op basis van deze gegevens zouden de hoge zwarte enkeergronden ten noorden van het plangebied grondwatertrap VId moeten hebben (GHG 40 – 80 cm; GLG >180 cm -mv). Mogelijk is in de classificatie iets niet goed gegaan.
2.6 Beschrijving van het historische gebruik Bewoningsgeschiedenis van Oudenbosch De eerste bewoning in West-Brabant vindt plaats door jager-verzamelaars vanaf het Mesolithicum, voornamelijk aan de flanken van dekzandruggen en aan de randen van beekdalen. In het Neolithicum doen akkerbouw en veeteelt geleidelijk hun intrede in het gebied. Landbouwers vestigen zich in westelijk Brabant voornamelijk op hogere dekzandruggen en hooggelegen flanken van deze dekzandruggen. Vondsten uit deze periode in de regio zijn tot nu toe beperkt. Door de stijgende grondwaterspiegel en de daarmee samenhangende veengroei raakte grote delen van het gebied onbewoonbaar. Dit geldt niet alleen voor de delen van het landschap die daadwekelijk worden overveend, maar ook voor de delen waar de grondwaterspiegel tot minder dan 30 cm onder het maaiveld stijgt.19 De veengroei begint in de beekdalen en groeit uit over alle lagergelegen delen van het landschap. De eerste sporen van bewoning in de regio van Oudenbosch dateren uit de Late Middeleeuwen. In deze periode wordt het veengebied op grote schaal ontgonnen. De woonkernen van Oud Gastel, Oudenbosch en Hoeven zijn waarschijnlijk ontstaan in de tweede helft van de 13e eeuw na Chr.20
17 BRO - Grondwaterspiegeldiepte Model voor Nederland (50x50 meter grid), 2021 18 Basisregistratie Ondergrond Catalogus Model grondwaterspiegeldiepte, 2022
19
Ball e.a., 2016
20
Moonen, 2011
22104.001 versie 1
8 / 20
In 1275 wordt Oudenbosch voor het eerst vermeld als Baerlebosch. De naam is afkomstig van een bos gelegen aan het verdwenen meer Barlaec, dat ten noordwesten van het huidige Oudenbosch ligt. Baerlebosch wordt vermeld wanneer de vrouw en heer van Breda de rechten over Gastel en het gebied daaromheen schenken aan de Cisterciënzer Abdij van St. Bernaarts in Hemiksen, nabij Antwerpen. Het gebied wordt in het westen begrenst door de Roosendaalse Vliet, in het oosten door het Overste Overmeer, in het noorden door de rivieren de Mark en de Striene, in het zuiden door de Dorlichterven en is woest en nagenoeg onbewoond. In 1300 bestaat Bearlebosch uit een turfgraversnederzetting met bijbehorende uitboerhaven voor turf. De Vlettevaart ontstaat voor het vervoer van het turf en de ontwatering van het veengebied. De Vlettevaart loopt van de meer Barlaec in het noorden via het Turfhoofd en het West- en Oost-Vaardeke naar Bosschenhoofd en Rucphen in het zuiden. Het noordelijke deel van de Vlettevaart is nog steeds bekent als de haven van Oudenbosch. Ten noorden van Bearlebosch ontstaat een nederzetting van boeren of turfgravers die, ter onderscheid van Oudenbosch, Nieuwenbosch wordt genoemd.
Door de talloze overstromingen, waaronder de Sint-Elisabethsvloed in 1421, wordt het laaggelegen Nieuwenbosch echter onbewoonbaar en vertrekken de bewoners naar het hoger gelegen Oudenbosch, dat ontstaat op een kruispunt van wegen (de ‘Wagenhoeck’), vanwaar postkoetsen vertrekken naar Breda, Antwerpen en Bergen op Zoom. Ten noorden van Oudenbosch ontstaat door de Sint-Elisabethsvloed een binnenzee met een veerdienst naar Dordrecht. Enkele jaren daarvoor begint men met de bedijking van het gebied ten noorden van Oudenbosch, waardoor de polder van de Oude- en Nieuwe Landen (het 'Oudland') ontstaat. Oudenbosch wordt in 1583 naar aanleiding van de Tachtigjarige Oorlog geplunderd en in brand gestoken. In 1747 zijn er Oostenrijkse soldaten gevestigd in Oudenbosch naar aanleiding van de Oostenrijkse Successieoorlog. Tijdens deze oorlog worden er dijken doorgestoken, waardoor grote gebieden ten westen en ten zuiden van Oudenbosch onder water komen te staan. In 1830 komen de eerste boomkwekerijen in Oudenbosch en in 1862 een suikerfabriek langs de haven. Vier jaar later komt er een tweede fabriek bij.
In 1854 krijgt Oudenbosch een aansluiting op de toenmalige spoorlijn Antwerpen-Moerdijk.21 Historisch kaartmateriaal Op de kaart van Hattinga (naar le Fèvre, du Tour & Draeck) uit 1748 (kaart 10A), ligt het plangebied ten oosten van Oudenbosch, aan het Groene Woud en maakt deel uit van een groot perceel. Langs de noordzijde van het huidige Groene Woud zijn twee gebouwen afgebeeld en ten zuidoosten van het plangebied langs de huidige Bosschendijk staat ook bebouwing afgebeeld. Ten zuiden en zuidwesten van Oudenbosch staan meerdere beken afgebeeld, afkomstig van een beek ten noorden van Oudenbosch. Rondom de beken zijn stromingsgebieden aangegeven of afgegraven veengebieden die nog niet ontgonnen zijn. Deze gebieden zouden ook gebieden kunnen zijn waar de Sint-Elisabethsvloed is doorgedrongen, er worden alleen geen afzettingen van deze vloed verwacht volgens het GeoTOP-model in het DINOloket.
21
Heemkundige kring Br. Christofoor; Moonen, 2011
22104.001 versie 1
9 / 20
Volgens de kadastrale minuut uit 1811 – 1832 beslaat het plangebied percelen 92 en 93 en delen van percelen 94 en 95 (kaart 10B). Percelen 92 en 93 zijn in bezit van arbeider Godfried Derne, perceel 94 is in bezit van bouwman Laurys de Herder en perceel 95 is in bezit van bouwman Nicolaas Cornelis Holenschor. Perceel 92 is in gebruik als moestuin, perceel 93 betreft een erf met huis, perceel 94 een weiland en perceel 95 bouwland. De noordzijde van het plangebied grenst aan het huidige Groene Woud. Pal ten oosten van het plangebied ligt een erf met woonhuis. Ten zuiden van het plangebied ligt Den Bosschen Dijk, waar langs bebouwing staat. Rond 1870 is er langs de zuidzijde van het plangebied een spoorlijn aangelegd tussen Roosendaal en Zevenbergen (kaart 10C). In de noordoostelijke hoek van het plangebied staat bebouwing. Pal ten oosten van het plangebied staat de bebouwing aangegeven als herberg Het Groene Woud. Ten noorden van het plangebied, aan de overzijde van het huidige Groene Woud, en ten noordoosten van het plangebied staat er bebouwing afgebeeld. Rond 1912 is er in het oosten van het plangebied een gebouw bijgekomen (kaart 10D). Ten noorden van het plangebied is er ook bebouwing bijgekomen. Rondom het plangebied heeft er verkaveling plaatsgevonden en zijn meerdere boomgaarden afgebeeld.
Rond 1940 heeft er binnen en rondom het plangebied herverkaveling plaatsgevonden en ten noorden van het plangebied lijkt er bebouwing te zijn bijgekomen (kaart 10E). Het gebied ten noorden van het plangebied staat aangegeven als Kalishoek. Het gebied ten westen van het plangebied is in gebruik als boomgaard. Rond 1962 heeft er wederom herverkaveling binnen het plangebied en rondom het plangebied plaatsgevonden (kaart 10F). In de noordoostelijke hoek van het plangebied lijken drie gebouwen te staan en in het zuiden van het plangebied is een noord-zuid georiënteerde sloot gesitueerd. Ten noordwesten en ten westen van het plangebied zijn wegen aangelegd. Rond 1970 is er ten westen en zuidwesten van het plangebied bebouwing komen te staan, langs het Groene Woud (kaart 10G). Ten noordwesten van het plangebied zijn meerdere wegen aangelegd. Rond 1980 heeft er wederom herverkaveling binnen en rondom het plangebied plaatsgevonden (kaart 10H). In de noordoostelijke hoek van het plangebied staan drie gebouwen. Ten westen van het plangebied is een (sport)park aangelegd en het gebied ten oosten van het plangebied is ingericht als woonwijk met wegen en bebouwing. Ten zuiden van het plangebied ligt de Veiling. Rond 1999 is het gebied ten zuiden van het plangebied vrijwel volledig bebouwd met verschillende gebouwen (kaart 10I).
Tussen 2004 en 2019 zijn er ter plaatse van het (sport)park meerdere gebouwen komen te staan (kaart 10J). De situatie binnen het plangebied blijft nagenoeg onveranderd.
22104.001 versie 1
10 / 20
Bouwhistorische gegevens Het bouwdossier van het West-Brabants archief is op 24 mei 2023 opgevraagd en ontvangen. Uit 1946 zijn tekeningen van een plan tot herstel en verbouwing van de woning aan de Kalishoek 54 bekend. Hierop is aangegeven dat de fundering van de bebouwing bestaat uit poeren met een breedte van 44 tot 66 cm. Daarnaast bevindt zich een kelder van 225 bij 360 cm. Er is niet aangegeven tot hoe diep de kelder en de fundering rijken. Uit 2012 is een vergunning bekend voor het slopen en verwijderen van asbest golfplaten van diverse daken van schuren en een veestal aan het Groene Woud 58. Bij het raadplegen van de Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG) van de bestaande bebouwing blijkt dat deze dateert uit 1920.22 Tweede Wereldoorlog Om vast te stellen of mogelijke archeologische waarden uit de Tweede Wereldoorlog in het plangebied aanwezig zijn, is een aantal publicaties geraadpleegd.23 Volgens de BeoBOM ruimingskaart is er ten zuidwesten van het plangebied een ruimingsrapport bekend. Er zijn geen luchtfoto’s bekend bij het Wageningen University & Research—Geoportal van het plangebied. Het raadplegen van de bronnen geeft geen redenen om aan te nemen dat er archeologische waarden uit de Tweede Wereldoorlog in het plangebied te verwachten zijn.
Turfdatabank Bij de provincie Antwerpen is een website beschikbaar die de veenwinningsgebieden in kaart heeft gebracht voor het gehele gebied tussen Antwerpen - Turnhout - Geertruidenberg - Westmaas en Willemstad. De website maakt deel uit van een internationaal project waaraan de provincies Antwerpen en Noord-Brabant deelnemen. Op de website zijn diverse kaartlagen te raadplagen zoals de veenkaart, de moerconcessies (wanneer een gebied afgegraven is), de turfvaarten, de zoutketen en de verdronken oorden. Op de Turfdatabank-kaart is aangegeven dat het plangebied deel uitmaakt van een 3.524 ha groot gebied dat niet overveend is geraakt.24 Vergraven gronden Volgens de verstoringskaart van Brabant is niet bekend of het plangebied is vergraven.25
22 Kadaster, Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG). 23BeoBOM ruimingskaart; Indicatieve Kaart Militair Erfgoed (IKME); TracesOfWar.nl; Wageningen University & Research - Geoportal 24 Turfdatabank.
25
Kaartbank Noord-Brabant; Verstoringsbronnenkaart
22104.001 versie 1
11 / 20
Heemkunde Vereniging Voor aanvullende informatie is contact gezocht met de Heemkundige kring ‘Br. Christofoor Oudenbosch’ op 24 mei 2023, dit heeft binnen het tijdsbestek van de uitvoering van dit onderzoek geen aanvullende informatie opgeleverd.
2.7 Archeologische waarden 2.7.1
AMK-terreinen, onderzoeksmeldingen en vondsmeldingen
Om inzicht te krijgen in bekende archeologische waarden in de omgeving van het plangebied is het van belang de bekende archeologische waarden (al dan niet volledig onderzocht) te beschrijven. Een belangrijke informatiebron is het landelijke ARCHeologisch Informatie Systeem (ARCHIS), de database van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.26 Deze database bevat onder meer informatie over archeologische onderzoeken, vondstmeldingen en archeologische monumentterreinen. Op kaart 11 zijn de archeologische waarden en onderzoeken in de omgeving van het plangebied weergegeven. Voor het onderzoek wordt gekeken naar de waarden binnen een straal van 500 m rondom het plangebied. AMK-terreinen De Archeologische Monumentenkaart (AMK) bevat een overzicht van archeologische monumenten/terreinen in Nederland. De terreinen zijn beoordeeld op verschillende criteria (kwaliteit, zeldzaamheid, representativiteit, ensemblewaarde en belevingswaarde). Op grond daarvan zijn deze ingedeeld in vier categorieën; terreinen met archeologische waarde, een hoge archeologische waarde, een zeer hoge archeologische waarde of een zeer hoge archeologische waarde met een beschermde status. Binnen het onderzoeksgebied liggen geen AMK-terreinen.
Onderzoeksmeldingen Binnen het onderzoeksgebied zijn in de afgelopen jaren door verschillende archeologische bedrijven en instellingen in totaal vier archeologische onderzoeken uitgevoerd (bijlage 5 en kaart 11). Er worden verschillende typen archeologische onderzoeken onderscheiden. Voor ons onderzoek zijn met name de archeologische veldonderzoeken van belang, dus de booronderzoeken, proefsleuvenonderzoeken, archeologische begeleidingen en opgravingen. Bureauonderzoeken worden buiten beschouwing gelaten. Als er tijdens archeologisch onderzoek vondsten worden gedaan, dan kunnen er één of meerdere vondstlocaties worden geregistreerd. Circa 220 m ten zuiden van het plangebied heeft in 2017 een archeologische begeleiding plaastgevonden ter plaate van de N641 (zaakid. 4041116100).27 De begeleiding betreft een lang tracé, waarbij alleen de aangelegde put nummer 1 interessant is voor dit onderzoek. Uit de begeleiding is gebleken dat er aan de oostelijke rand van het centrum van Oudenbosch de bodempbouw voornamelijk bestaat uit afzettingen van de Formatie van Stramproy tussen circa 1,6 en 1,95 m NAP. In de top van deze afzettingen is een E- en B-horizont aangetroffen. 26
Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort
27
Uleners, 2020
22104.001 versie 1
12 / 20
Alleen ter plaatse van het oostelijke deel van deze zone zijn de afzettingen afgedekt door fluvioperiglaciale afzettingen van de Formatie van Boxtel. Tussen de twee afzettingen is op een diepte van 0,17 tot 0,37 m NAP een venige laag aangetroffen. Deze laag betreft vermoedelijk een interstadiale afzetting. In put nummer 1 is een grondlaag bewerkt door middel van een hak aangetroffen. Deze laag is echter zeer beperkt bewaard gebleven. Daarnaast zijn er aardewerkfragmenten, dierlijk botmateriaal, keramisch bouwmateriaal en constuctiehout aangetroffen. Ten zuidwesten van het plangebied, circa 270 m, is in 2004 een booronderzoek uitgevoerd, waaruit is gebleken dat ter plaatse van deelgebied 103 afzettingen van de Formatie van Twente (tegenwoordig de Formatie van Boxtel) aanwezig zijn (zaakid. 2108813100).28 Op enkele plaatsen is in het zandpakket een kleiige laag of zware leemlaag aangetroffen, geïnterpreteerd als de Laag van Wouw. In het oosten van het onderzochte gebied is een dikke cultuurlaag aangetroffen, tot 110 cm dik. De meeste bodems in het deelgebied 103 kunnen geklasseerd worden als enkeerdgronden. Het matig gehomogeniseerde karakter van de cultuurlaag, evenals de relatief hoge grondwaterstand in het deelgebied, doet vermoeden dat hier sprake is van een relatief jonge ontginning.
In de onmiddellijke omgeving van de zuidoostelijke uitbouw van het klooster lijkt het terrein op verschillende plaatsen te zijn opgehoogd. In het meest zuidelijke en westelijke deel van het deelgebied zijn de bodemprofielen veelal diep verstoord. Waargenomen bodemprofielen zijn geïnterpreteerd als verstoorde gooreerdgronden. Er is geen vervolgonderzoek geadviseerd. Circa 270 m ten noordoosten van het plangebied is in 2021 een booronderzoek uitgevoerd, hiervan is geen rapport beschikbaar via Archis of DANS (zaakid. 5146208100). Ten noorden van het plangebied, circa 340 m, is in 2008 een booronderzoek uitgevoerd, waaruit is gebleken dat de bodem is afgetopt tot op de C-horizont (zaakid. 2194552100).29 Boven de C-horizont bevindt zich een humeus dek met een dikte van circa 50 tot 60 cm. Er zijn geen intacte bodemhorizonten van een podzolbodem aangetroffen. In het zuidoosten van het onderzochte gebied is de bodem verstoord tot een diepte van circa 90 cm, vermoedelijk als gevolg van het in het verleden gebruik als boomgaard. Vondstmeldingen In ARCHIS staan alle bekende archeologische vondstmeldingen geregistreerd. Naast de bovengenoemde vondsten zijn er geen vondstmeldingen geregistreerd binnen het onderzoeksgebied.
Archeologische verwachting Volgens de archeologische verwachtingskaarten van de gemeente Halderberge (kaart 12) ligt het grootste gedeelte van het plangebied ter plaatse van bebouwd gebied. De noordoostelijke hoek van het plangebied heeft een lage verwachting voor het Laat-Paleolithicum – Neolithicum. Een hoge verwachting in de omgeving is gebaseerd op de landschappelijke gradiënt. De gradiëntzone is de overgang van ‘natte’ bodems met een hoge grondwaterstand naar ‘droge’ bodems met een lage grondwaterstand. Onder de hoge verwachting vallen flanken van beekdalen en moerassige depressies. De andere gebieden, zoals dekzandvlakten, dekzandwelvingen en laaggelegen gebieden hebben een lage archeologische verwachting. 28
Demey, 2004
29
Krekelbergh, 2008
22104.001 versie 1
13 / 20
Het grootste gedeelte van het plangebied heeft geen verwachting voor de periode Neolithicum – Vroege Middeleeuwen, door de ligging binnen bebouwd gebied en voor de noordoostelijke hoek is de verwachting onbekend (kaart 13). Voor de verwachting op resten van vroege en late landbouwers is de ontwateringstoestand en bodemvruchtbaarheid van belang. De onbekende verwachting geldt voor enkeerdgronden met een grondwatertrap VI of VII. Natte zandeerdgronden (beekeerdgronden, dikke en dunne gooreerdgronden) vormen de overgangen van de beekdalen naar de hoge delen van het landschap. De beek- en gooreerdgronden met grondwatertrap V liggen in het algemeen in de lagergelegen landschapsdelen. Aan deze bodems is een lage archeologische verwachting toegekend. Er is onderscheid gemaakt tussen middelhoge en hoge archeologische verwachting op basis van de lemigheid van de bodem. Aan podzolgronden met grondwater-trap VI of VII en een ‘sterke’ of een ‘zwak en sterke’ lemigheid is een hoge archeologische verwachting toegekend. Voor de Late Middeleeuwen – Nieuwe tijd geldt geen verwachting voor het grootste gedeelte van het plangebied en een hoge verwachting voor de noordoostelijke hoek van het plangebied (kaart 14). Ook is er in de noordoostelijke hoek van het plangebied historische bebouwing aangegeven. Dit komt overeen met de kadastrale minuut (kaart 10B).
In de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd is de locatiekeuze minder afhankelijk van landschappelijke (bodemkundige) variabelen dan voor nederzettingen uit de Prehistorie of Vroege Middeleeuwen. Het voorspellen van nederzettingen uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd op basis van bodemkundige informatie is dus vrijwel onmogelijk. Er is daarom een paleogeografische benadering gebruikt. Voor de delen van het landschap met mariene afzettingen geldt een onbekende verwachting voor nederzettingen uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd. Aan de beekdalen in het onderzoeksgebied is een hoge archeologische verwachting toegekend, ongeacht of er sprake is van een gradiëntzone.30
2.8 Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel In het plangebied komen vermoedelijk terrasafzettingswelvingen voor, bedekt met dekzanden. Deze dekzanden (Laagpakket van Wierden, Formatie van Boxtel) zijn gevormd in het Laat-Glaciaal. Het plangebied is volgens de turfdatabank niet overdekt geraakt met veen en volgens de bronnen niet overstroomd tijden de Sint-Elisabethsvloed. Volgens de kadastrale minuut heeft er in de noordoostelijke hoek bebouwing gestaan en is de rest van het plangebied in gebruik geweest als weiland en bouwland. Op basis van de landschappelijke ontwikkeling heeft het plangebied een lage tot hoge verwachting voor archeologische resten uit de periode Laat-Paleolithicum – Mesolithicum. De hoge verwachting geldt alleen wanneer er in de top van het dekzand of de terrasafzettingen een podzolbodem aanwezig is. Het plangebied heeft een middelhoge verwachting voor de periode Neolithicum – Vroege Middeleeuwen, het plangebied is niet bedekt geraakt met veen en kan daarom geschikt zijn geweest voor bewoning, wanneer de grondwaterstand niet te hoog heeft gestaan. Tot slot heeft het plangebied op basis van het historisch kaartmateriaal een hoge verwachting voor resten uit de Late Middeleeuwen – Nieuwe tijd. De hoge verwachting geldt voornamelijk voor de noordoostelijke hoek van het plangebied (tabel 1).
30
Molenaar e.a., 2005
22104.001 versie 1
14 / 20
Resten van jager-verzamelaars uit het Laat-Paleolithicum en het Mesolithicum worden verwacht in de top van het dekzand of in de top van de terrasafzettingen, in de vorm van een archeologische laag met strooiing van vuursteen en houtskool. Ook kunnen uit deze periode haardkuilen worden verwacht. Resten van landbouwers uit het Neolithicum – Vroege Middeleeuwen worden verwacht in de vorm van cultuuren akkerlagen met strooiing van houtskool, vuursteen, aardewerk en verbrand leem en grondsporen zoals paalen afvalkuilen, greppels en waterputten. Deze resten worden ook in de top van het dekzand of terrasafzettingen verwacht. Bewoningssporen en sporen van landgebruik uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd worden verwacht in en direct onder een eerddek, in de top van het dekzand of terrasafzettingen, in de top van de C-horizont, direct onder een AC-horizont of in een podzolbodem. Bewoningssporen en sporen van landgebruik worden verwacht in de vorm van kleine fragmenten aardewerk, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten, organische resten en gebruiksvoorwerpen. Tabel 1.
Gespecificeerde archeologische verwachting
Archeologische periode
Gespecificeerde verwachting
Te verwachten complextype/resten
Relatieve diepte t.o.v. het maaiveld
Laat-Paleolithicum – Mesolithicum
Laag tot hoog; kampementen Vondstlaag met strooiing van vuursteen en houtskool; haardkuilen
In de top van het dekzand of terrasafzettingen, onder het eerddek, wanneer een podzolbodem aanwezig is
Neolithicum – Vroege Middeleeuwen
Middelhoog; bewoningssporen, sporen van landgebruik
Bewoningssporen van een (boeren)erf: kleine fragmenten aardewerk, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten, organische resten en gebruiksvoorwerpen
In de top van het dekzand of terrasafzettingen
Late Middeleeuwen – Nieuwe tijd
Hoog; bewoningssporen en sporen van landgebruik
Bewoningssporen van een (boeren)erf: kleine fragmenten aardewerk, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten, organische resten en gebruiksvoorwerpen
In en direct onder een eerddek, in de top van het dekzand of terrasafzettingen, in de top van de C-horizont, direct onder een AC-horizont of in een podzolbodem
Bodemverstoring Voor resten in de top van het dekzand, met name die uit het Laat-Paleolithicum en Mesolithicum, geldt dat deze alleen worden verwacht als het pleistocene maaiveld nog intact is, dus als er nog (een restant van) een podzolbodem aanwezig is. De top van het dekzand of terrasafzettingen zou verstoord kunnen zijn geraakt bij bodemingrepen. Als dit het geval is en er geen restant van een podzolbodem meer aanwezig is, is de kans op de resten van jager-verzamelaars erg klein. Diepere grondsporen uit het Neolithicum – Vroege Middeleeuwen kunnen dan nog wel aanwezig zijn, maar het is moeilijk vast te stellen hoeveel er van de top van het dekzand of de terrasafzettingen is verdwenen als er geen restanten van podzolbodems meer aanwezig zijn.
22104.001 versie 1
15 / 20
2.9 Conclusie bureauonderzoek Doel van het bureauonderzoek is een antwoord te vinden op de vraag wat de gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied is. Uit het bureauonderzoek is gebleken dat in het plangebied resten uit het Laat-Paleolithicum – Vroege Middeleeuwen worden verwacht in de top van dekzand of terrasafzettingen en resten uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd worden verwacht in en direct onder de bouwvoor. Om de archeologische verwachting te toetsen is een vervolgonderzoek noodzakelijk. Dit onderzoek kan het beste worden uitgevoerd in de vorm van een inventariserend veldonderzoek, verkennende fase, door middel van boringen. Dit onderzoek heeft tot doel om de landschappelijke opbouw en de mate van verstoring voor het plangebied vast te stellen en hiermee de archeologische verwachting voor het plangebied te bepalen. In dit specifieke geval kan met het verkennend booronderzoek worden vastgesteld hoe diep het dekzand of de terrasafzettingen ligt binnen het plangebied en of de top van het dekzand of de terrasafzettingen nog intact is (aanwezigheid van een podzolbodem).
22104.001 versie 1
16 / 20
3
INVENTARISEREND VELDONDERZOEK
3.1 Doelstelling en onderzoeksvragen Het inventariserend veldonderzoek (IVO-overig, verkennende fase) heeft tot doel de gespecificeerde archeologische verwachting aan te vullen en te toetsen door middel van boringen. Het veldonderzoek heeft tot doel antwoorden te vinden op wat de bodemopbouw is binnen het plangebied. Ook dient te worden vastgesteld wat de gevolgen zijn van het in het plangebied aangetroffen bodemprofiel voor de gespecificeerde archeologische verwachting.
3.2 Methoden Het inventariserend veldonderzoek is uitgevoerd conform KNA-protocol 400331, volgens specificaties VS01, VS03 en VS05. Daarnaast wordt het onderzoek uitgevoerd conform beleid voor archeologisch onderzoek binnen de gemeente Halderberge. Het veldonderzoek is op 13 juni 2023 uitgevoerd door R.S. Verheij, MSc en drs. A.J. Wullink (Senior KNAprospector). Voorafgaand aan het veldwerk is het Plan van Aanpak (PvA) goedgekeurd door Regio West-Brabant. In totaal zijn er zes boringen tot maximaal 100 cm -mv geplaatst. De boringen zijn verspreid in het plangebied gezet, waarbij rekening is gehouden met de bebouwing. De locatie van de boringen is ingemeten met behulp van meetlinten. De maaiveldhoogte is bepaald aan de hand van het AHN. De locatie van de boringen is te zien kaart 15. Voor de boringen is gebruikgemaakt van een Edelmanboor met een diameter van 7 cm. De boringen zijn lithologisch beschreven conform de Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode.32 De boorbeschrijvingen zijn te vinden in bijlage 6.
31
SIKB, 2018
32
Bosch, 2005
22104.001 versie 1
17 / 20
3.3 Resultaten Geologie en bodem In alle boringen is matig fijn, zwak siltig zand aangetroffen. De top van dit zand is zwak humeus met een dikte variërend tussen 30 en 50 cm. In de top zijn resten van baksteen (boring 2, 3, 4, 5 en 6), sporen van grind (boring 4) en sporen van houtskool (boring 2) aangetroffen. De top van dit zandpakket betreft een Ap-horizont. In boring 1, 2, 3 en 6 komt onder de toplaag (Ap-horizont) een pakket matig fijn, zwak siltig zand met veel roestvlekken voor, al dan niet met siltige delen. Dit pakket heeft een dikte van 10 tot minimaal 40 cm. De top van dit pakket ligt tussen 40 en 60 cm -mv (1,29 en 2,28 m NAP). Door de siltige delen in het pakket, betreft dit pakket vermoedelijk terrasafzettingen van de Formatie van Stramproy, maar dit zouden ook ten dele verspoelde dekzanden uit het Laat-Pleniglaciaal kunnen zijn. De kleur van het zand is echter beigegrijs (gereduceerd zand), wat eerder duidt op terrasafzettingen dan dekzandafzettingen (geelgrijs, geoxideerd zand). In de top van deze terrasafzettingen is in boring 1, 2, 3, 4 en 6 een bruinbeige tot donker geelbeige horizont van 10 tot 20 cm dik aangetroffen. De top van deze horizont ligt tussen 30 en 50 cm -mv (1,39 en 2,48 m NAP). Er is hier sprake van humusinspoeling.
Het is lastig te bepalen of het hier gaat om humusinspoeling als gevolg van podzolisatie (podzol-B, BC-horizont) of om een vuilige laag, te verwachten in de top van een beekeerdgrond. Als het gaat om een B-horizont, dan is er hooguit sprake van een zwak ontwikkelde B-horizont of de onderkant van een podzolprofiel (BC-horizont). Alleen in boring 2 is er mogelijk sprake van een restantje van een goed ontwikkelde B-horizont. Boring 2 ligt in het hoogste deel van het plangebied. In boringen 3 en 4 is in het pakket terrasafzettingen een sterk zandige leemlaag aangetroffen. De zanden zijn roesthoudend. Archeologische indicatoren In geen van de boringen zijn archeologische indicatoren waargenomen. Het gaat hier echter om een verkennend bodemonderzoek, dat zich richt op de bodemopbouw en mogelijke bodemverstoringen die de archeologische trefkans kunnen beïnvloeden en niet zo zeer op het onderzoeken op de aanwezigheid van archeologische vondsten en/of sporen. Interpretatie In het plangebied zijn middenpleistocene terrasafzettingen (Formatie van Stramproy) en/of laatpleistocene verspoelde dekzanden aangetroffen (Formatie van Boxtel). In de terrasafzettingen of dekzand zijn weinig tekenen van bodemvorming aanwezig.
In één boring (boring 2) is mogelijk een restantje van een B-horizont aanwezig en in andere boringen (boring 1, 3, 4 en 6) is een BChorizont, zwak ontwikkelde B-horizont of vuilige laag aangetroffen. Verder bevat het pakket roestvlekken. Op de terrasafzettingen of dekzand ligt een 30 tot 50 cm dikke Ap-horizont.
22104.001 versie 1
18 / 20
Al met al kan worden gesteld dat het plangebied in het verleden behoorlijk nat is geweest. Slechts in één boring (boring 2) is een aanwijzing voor de aanwezigheid van een podzolbodem aangetroffen. Deze boring is in het hoogste deel van het plangebied geplaatst. De oorspronkelijke bodem in het plangebied is een gooreerdgrond (met een slecht ontwikkelde B-horizont) of een beekeerdgrond met een vuilige laag.
3.4 Conclusie veldonderzoek Het veldonderzoek heeft tot doel antwoord te vinden op de vraag wat de bodemopbouw en de mate van verstoring is binnen het plangebied en hoe dit de archeologische verwachting beïnvloed in het kader van de voorgenomen bodemingrepen. Volgens het bureauonderzoek worden er in het plangebied resten uit het Laat-Paleolithicum – Vroege Middeleeuwen verwacht in de top van dekzand of terrasafzettingen en resten uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd worden verwacht in en direct onder de bouwvoor. Uit het veldonderzoek blijkt dat het plangebied in het verleden altijd vrij nat is geweest. Alleen in het hoogste deel van het plangebied is een aanwijzing voor podzolisatie aangetroffen (boring 2). In de rest van het plangebied zijn beek- of gooreerdgronden gevormd. Dit betekent dat het gebied in het verleden in mindere mate geschikt is geweest voor bewoning. De verwachting voor resten uit het Laat-Paleolithicum – Vroege Middeleeuwen kan daarom naar laag worden bijgesteld. De verwachting voor resten uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd is, op grond van de historische ontwikkeling, laag, behalve voor het noordoostelijke deel van het plangebied. In dit deel is op de kadastrale minuut bebouwing aanwezig. Voor dit deel van het plangebied geldt daarom een hoge archeologische verwachting voor resten uit de Late Middeleeuwen – Nieuwe tijd (kaart 16).
22104.001 versie 1
19 / 20
4
CONCLUSIE EN ADVIES
Uit het vooronderzoek kan worden geconcludeerd dat het plangebied een lage archeologische verwachting heeft voor het Laat-Paleolithicum – Vroege Middeleeuwen en een hoge archeologische verwachting voor het noordoostelijke deel van het plangebied voor resten uit de Late Middeleeuwen – Nieuwe tijd (kaart 16). Het gebied is te nat geweest voor podzolisatie, waardoor het ongeschikt is geweest voor bewoning. Econsultancy adviseert om voorafgaand aan de geplande werkzaamheden in het noordoostelijke deel van het plangebied een archeologisch vervolgonderzoek uit te voeren. Dit onderzoek kan het beste worden uitgevoerd in de vorm van een proefsleuvenonderzoek om de verwachting voor de Late Middeleeuwen – Nieuwe tijd te toetsen. Bovenstaand advies is van Econsultancy. Er is, op grond van de gebruikte onderzoeksmethode, geprobeerd een zo gefundeerd mogelijk advies te geven. Over de aan- of afwezigheid van archeologische sporen of resten in het plangebied kan nooit volledig uitsluitsel worden gegeven. Aan dit advies kunnen geen rechten worden ontleend. De resultaten van dit onderzoek zullen eerst moeten worden beoordeeld door de bevoegde overheid (gemeente Halderberge), die vervolgens het advies over neemt of niet.
Als het plangebied nu of in de toekomst door de gemeente Halderberge wordt vrijgegeven voor bodemroerende werkzaamheden, dan blijft er, volgens artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016, een meldingsplicht bestaan. Eventuele archeologische resten die bij werkzaamheden worden aangetroffen moeten worden gemeld bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, c.q. de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Het is verder raadzaam om ook de gemeente Horst aan de Maas op de hoogte te stellen.
22104.001 versie 1
20 / 20
LITERATUUR Ball, E. A. G., Delaruelle, S., Heeringen, R. M. van, Huijbers, A., Linde, C. van der, Schrijvers, R., & Tebbens, L. A. (2016). Westelijk Noord- Brabant in het Malta-tijdperk Synthetiserend onderzoek naar de bewonings geschiedenis van het westelijk deel van het Brabants zandgebied. DANS Data Station Archaeology. https://doi.org/10.17026/dans-2zv-e83q Basisregistratie Ondergrond Catalogus Model grondwaterspiegeldiepte. (2022). https://docs.geostandaarden.nl/bro/wdm/#karakteristieken-van-de-grondwaterspiegeldiepte Bosch, J. (2005). Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode, Versie 5.2. NITG-TNO. https://www.sikb.nl/doc/archeo/leidraden/Leidraad%20ASB%20versie%205_2%20geactualiseerd%20september%202008.pdf BRL SIKB 4000 Archeologie; versie 4.1. (2018, mei 24). SIKB. https://sikb.nl/archeologie/richtlijnen/brl-sikb4000 BRO - Grondwaterspiegeldiepte Model voor Nederland (50x50 meter grid). (2021). NGR/Wageningen Environmental Research. https://nationaalgeoregister.nl/geonetwork/srv/dut/catalog.search#/metadata/757a7c50540d-4105-9135-73f09f700743 De Mulder, E., Geluk, M., Ritsema, I., Westerhof, W., & Wong, T. (2003). De ondergrond van Nederland (Houten). Demey, D. (2004). Bouwen binnen strakke contouren,fase 2, gemeente Halderberge; een inventariseren archeologisch onderzoek (RAAP-Rapport 1032). RAAP Archeologisch Adviesbureau B.V.
Jongmans, A., Van den Berg, M., Sonneveld, M., Peek, G., & Van den Berg van Saparoea, R. (2013). Landschappen van Nederland. Wageningen Academic Publishers. Krekelbergh, N. J. (2008). Gemeente Halderberge, Plangebied Wolvenstraat te Oudenbosch (BAAC rapport V08.0110). BAAC. Leenders, K. A. H. W. (2013). Verdwenen venen: Een onderzoek naar de ligging en exploitatie van thans verdwenen venen in het gebied tussen Antwerpen, Turnhout, Geertruidenberg en Willemstad (1250—1750). Een actualisering (Reeks landschapsstudies; No. 13, p. 351). Pudoc. https://edepot.wur.nl/475394 Molenaar, S., de Boer, G. H., & Demey, D. (2005). Gemeente Halderberge, Archeologische verwachtings- en beleidadvieskaart (RAAP-rapport 1129). RAAP Archeologisch Adviesbureau bv. Moonen, B. J. (2011). Ons ongeschreven verleden; Beleidsnota archeologie gemeente Halderberge (RAAPrapport 2180). RAAP.
22104.001 versie 1
1/4
Mulder, E. F. de, Geluk, M. C., Ritsema, I., Westerhoff, W. E., & Wong, T. E. (2003). De ondergrond van Nederland. Wolters-Noordhof. SIKB. (2018). BRL SIKB 4000. Beoordelingsrichtlijn Archeologie (Versie 4.1, 24 mei 2018 ed.). SIKB. Stouthamer, E., Cohen, K. M., & Hoek, W. Z. (2015). De vorming van het land. Perspectief Uitgevers. Uleners, H. H. J. (2020). Rapport Archeologische Begeleiding Doorgaande route Oudenbosch (N641), Oudenbosch, Gemeente Halderberge (Nr. 2492-1703). SOB Research, Insituut voor Archeologisch en Aardkundig Onderzoek. Vos, P., & Vries, S. de. (2013). 2e generatie palaeogeografische kaarten van Nederland (versie 2.0). Deltares.
22104.001 versie 1
2/4
BRONNEN 600 jaar Sint-Elisabethsvloed | Allard Pierson; internetsite, juni 2023. https://allardpierson.nl/blog/600-jaar-sint-elisabethsvloed/ AHN; internetsite, juni 2023. http://www.ahn.nl Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort, juni 2023. https://archis.cultureelerfgoed.nl BeoBOM ruimingskaart; internetsite, juni 2023. http://www.beobom.nl/ruimingskaart/ Bodematlas provincie Noord-Brabant; internetsite, juni 2023. https://data-portaal-noord-brabant.hub.arcgis.com/datasets/bodematlas Bodemkaart legenda; internetsite, juni 2023. https://legenda-bodemkaart.bodemdata.nl/bodemclassificatie Bodemloket; internetsite, juni 2023. http://www.bodemloket.nl Dinoloket; internetsite, juni 2023. http://www.dinoloket.nl/ Heemkundige kring br. Christofoor; internetsite, juni 2023. https://www.broederchristofoor-oudenbosch.nl/ Indicatieve kaart Militair Erfgoed; internetsite, juni 2023. http://www.ikme.nl/ Kaartbank; internetsite, juni 2023. https://noord-brabant.maps.arcgis.com/ Kadaster, Basisregistratie Topografie (BRT); internetsite, juni 2023. https://www.nationaalgeoregister.nl/geonetwork/srv/api/records/29d5310f-dd0d-45ba-abad-b4ffc6b8785f Kadaster Topotijdreis; internetsite, juni 2023. http://www.topotijdreis.nl/
22104.001 versie 1
3/4
Kom Oudenbosch: Artikel 26 Waarde—Archeologie 2; internetsite, juni 2023. https://www.ruimtelijkeplannen.nl/documents/NL.IMRO.1655.BP1000-B001/r_NL.IMRO.1655.BP1000B001_2.26.html Kom Oudenbosch: Artikel 27 Waarde—Archeologie historische bebouwing; internetsite, juni 2023. https://www.ruimtelijkeplannen.nl/documents/NL.IMRO.1655.BP1000-B001/r_NL.IMRO.1655.BP1000B001_2.27.html Omgevingsrapportage; internetsite, juni 2023. https://noord-brabant.omgevingsrapportage.nl/ SIKB; internetsite, juni 2023. http://www.sikb.nl TracesOfWar.nl; internetsite, juni 2023. https://www.tracesofwar.nl/default.asp Turfdatabank; internetsite, juni 2023. https://geoloket.provincieantwerpen.be/geoloketten/ Verstoringsbronnenkaart; internetsite, juni 2023. https://rce.webgispublisher.nl/Viewer.aspx?map=Verstoringsbronnenkaart# Wageningen University & Research—Geoportal; internetsite, juni 2023. https://library.wur.nl/WebQuery/geoportal/raf#1
22104.001 versie 1
4/4
KAARTEN
Kaart 1.
Het plangebied op de topografische kaart
Kaart 2.
Het plangebied op de kadastrale kaart
Kaart 3.
Het plangebied op een luchtfoto uit 2022
Kaart 4.
Het plangebied op de gemeentelijke beleidskaart
Kaart 5.
Het plangebied op paleogeografische kaarten
Kaart 6.
Het plangebied op de geologische kaart
Kaart 7.
Het plangebied op de geomorfologische kaart
Kaart 8.
Het plangebied op het actueel hoogtebestand (AHN3)
Kaart 9.
Het plangebied op de bodemkaart
Kaart 10.
Het plangebied op historische kaarten
Kaart 11.
Archeologische waarden en onderzoeken rondom het plangebied
Kaart 12.
Archeologische verwachtingskaart Laat-Paleolithicum - Neolithicum
Kaart 13.
Archeologische verwachtingskaart Prehistorie - Vroege Middeleeuwen
Kaart 14.
Archeologische verwachtingskaart Late Middeleeuwen - Nieuwe tijd
Kaart 15.
Boorpuntenkaart
Kaart 16.
Archeologische verwachting naar aanleiding van het vooronderzoek
BIJLAGEN
Bijlage 1.
AMZ-cyclus
Het AMZ-proces Archeologisch onderzoek in Nederland wordt in het algemeen uitgevoerd binnen het kader van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ). Het gehele traject van de AMZ omvat een aantal stappen die elkaar kunnen opvolgen, afhankelijk van het resultaat van de voorgaande stappen. Om inhoudelijke, prijs- en planningstechnische redenen kan er soms voor gekozen worden om bepaalde stappen gelijktijdig uit te voeren. Bovendien kan, indien reeds voldoende gegevens bekend zijn, een stap worden overgeslagen. Elke stap eindigt met een rapport met daarin een advies voor de vervolgstappen. Na elke stap wordt er een besluit genomen door de bevoegde overheid, gemeente, provincie of de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, op basis van de resultaten van het archeologisch onderzoek. Indien na een bepaalde stap blijkt dat geen nader vervolgonderzoek nodig is, wordt het archeologisch onderzoek afgesloten. Ook kan de bevoegde overheid besluiten dat een vindplaats van zo groot belang is, dat deze in situ behouden moet worden. Dan dienen de archeologische resten in de grond beschermd te worden door planaanpassing of planinpassing. Het begint met het bepalen van de onderzoeksplicht. Gemeentelijke, provinciale en landelijke archeologische waardenkaarten geven aan of het plangebied in een gebied ligt met een archeologische verwachting.
Indien dit het geval is, dan zal er in het kader van de planprocedure onderzoek verricht moeten worden om te bepalen of er archeologische waarden binnen het plangebied aanwezig zijn. Hiermee start de zogenaamde AMZ-cyclus (zie schema). De eerste fase: Bureauonderzoek Elk archeologisch onderzoek begint met een bureauonderzoek. Dit heeft tot doel het verwerven van informatie, aan de hand van bestaande bronnen, over bekende of verwachte archeologische waarden, binnen het plangebied om tot een gespecificeerd verwachtingsmodel te komen, op basis waarvan een beslissing genomen kan worden ten aanzien van een eventuele vervolgstap. De tweede fase: Inventariserend VeldOnderzoek (IVO) Het doel van een IVO is het aanvullen en toetsen van het gespecificeerde verwachtingsmodel. Het IVO moet informatie geven over de aan- of afwezigheid, de aard, het karakter, de omvang, de datering, de gaafheid, de conservering en de inhoudelijke kwaliteit van de archeologische waarden. Inventariserend Veldonderzoek; Booronderzoek en Veldkartering Door een booronderzoek kan er een goede inschatting gemaakt worden van de kans op archeologische waarden (grondsporen en daarmee samenhangende voorwerpen). Bij het booronderzoek is een onderscheid aangebracht in een verkennende, karterende en waarderende fase.
De verkennende fase heeft tot doel inzicht te krijgen in de vormeenheden van het landschap, voor zover deze van invloed zijn op de locatiekeuze. Op deze manier worden kansarme zones uitgesloten en kansrijke zones geselecteerd voor de volgende fasen. Tijdens de karterende fase wordt het onderzoeksgebied systematisch onderzocht op de aanwezigheid van archeologische vondsten of sporen. De waarderende fase sluit aan op de karterende fase. Het waarnemingsnet kan verdicht worden om de horizontale begrenzing, ligging en omvang van archeologische vindplaatsen vast te stellen. Een veldkartering wordt uitgevoerd wanneer vondsten of sporen aan de oppervlakte worden verwacht en zichtbaar zijn op het moment dat het onderzoek uitgevoerd wordt. Dit type onderzoek bestaat uit het systematisch belopen van het maaiveld van het plangebied.
Inventariserend Veldonderzoek; Proefsleuven Als uit vooronderzoek blijkt dat binnen het plangebied archeologische resten aangetroffen kunnen worden kan de bevoegde overheid beslissen tot een proefsleuvenonderzoek. Proefsleuven zijn lange sleuven van minimaal twee tot vijf meter breed die worden aangelegd in de zones waar in de voorgaande onderzoeksfase aanwijzingen voor vindplaatsen zijn aangetroffen. De KNA schrijft voor dat bij een dergelijk onderzoek minimaal 5% van het te verstoren gebied onderzocht dient te worden. Variant archeologische begeleiding Als het vooronderzoek niet voldoende informatie heeft opgeleverd om de archeologische waarde van de archeologische resten te bepalen en indien proefsleuvenonderzoek door praktische redenen niet uitvoerbaar is, kan besloten worden tot proefsleuven variant archeologische begeleiding van de sloop- of graafwerkzaamheden. Dit betekent dat archeologen bij het graafwerk aanwezig zijn om het werk te volgen en eventuele resten te documenteren. Wanneer tijdens de werkzaamheden vondsten (van hoge archeologische waarde) naar boven komen, die aanleiding geven tot nader onderzoek, kan alsnog besloten worden om tot een opgraving over te gaan.
De derde fase: Opgraven Indien de archeologische resten niet in situ bewaard kunnen blijven, maar wel van belang zijn voor de wetenschap, kan de bevoegde overheid besluiten over te gaan tot een opgraving. Het doel hiervan is volgens de KNA het documenteren van gegevens en het veiligstellen van materiaal van vindplaatsen om daarmee informatie te behouden, die van belang is voor kennisvorming over het verleden. Variant archeologische begeleiding Als het vooronderzoek niet voldoende informatie heeft opgeleverd om de archeologische waarde van de archeologische resten te bepalen, kan besloten worden tot een opgraving variant archeologische begeleiding van de sloop- of graafwerkzaamheden. Dit betekent dat archeologen bij het graafwerk aanwezig zijn om het werk te volgen en eventuele resten te documenteren. Wanneer tijdens de werkzaamheden vondsten (van hoge archeologische waarde) naar boven komen, die aanleiding geven tot nader onderzoek, kan alsnog besloten worden om tot een opgraving over te gaan.
Schema van de Archeologische Monumenten Zorg Vergunningaanvraag/ruimtelijke ontwikkeling ▼ Toetsing aan archeologisch beleid (Gemeente, Provincie, Rijk) ► Vergunningverlening indien geen onderzoek noodzake▼ lijk wordt geacht. Bureauonderzoek* (verzamelen gegevens en opstellen verwachtingsmodel) ▼ Besluit (door de bevoegde overheid op basis van resultaten) ► Bij geen of geringe kans op aanwezigheid van archeolo▼ gie. Einde onderzoek, vrijgeven voor functie (eventueel Inventariserend veldonderzoek* met bouwkundige voorwaarden). Ook kan besloten wor▼ ▼ den over te gaan op het begeleiden van de graafwerkVerkennend veldonderzoek ►**** Karterend veldonderzoek zaamheden door archeologen.*** Door middel van: Door middel van: - terreininspectie - oppervlaktekartering - booronderzoek** - booronderzoek** - proefsleuven*** ▼ ▼***** Besluit (door de bevoegde overheid op basis van resultaten) ► Bij geen of geringe kans op aanwezigheid van archeolo▼ gie. Einde onderzoek, vrijgeven voor functie (eventueel Bewezen of hoge kans op de aanwezigheid van archeologie met bouwkundige voorwaarden).
Ook kan besloten wor▼****** den over te gaan op het begeleiden van de graafwerkWaarderend veldonderzoek door middel van proefsleuven*** zaamheden door archeologen.*** (variant begeleiding) ▼ Besluit ► Bij geen of geringe kans op aanwezigheid van archeolo(door de bevoegde overheid op basis van resultaten) gie, wel archeologische waarden aanwezig maar geen ▼ ▼ vervolgonderzoek noodzakelijk op grond van waardeOpgraven*** Beschermen ring. Einde onderzoek, vrijgeven voor functie (eventueel Verwijderen van de arBescherming van de met bouwkundige voorwaarden). cheologische resten archeologie door door archeologen planaanpassing (variant begeleiding) * Combinatie bureauonderzoek en IVO verkennende of karterende fase mogelijk, indien een PvA aanwezig is. ** Voorafgaand aan het booronderzoek dient een PvA worden opgesteld, toetsing door de bevoegde overheid. *** Voorafgaand aan het onderzoek dient een PvE en PvA te worden opgesteld, toetsing door de bevoegde overheid. **** Na een verkennend booronderzoek kan de bevoegde overheid besluiten dat een aanvullend karterend bureauonderzoek moet worden uitgevoerd. ***** Een combinatie van bureauonderzoek en IVO karterende en waarderende fase door middel van proefsleuven is mogelijk, indien een PvA en een goedgekeurd PvE aanwezig is en met instemming van de bevoegde overheid.
****** Een combinatie van bureauonderzoek en IVO karterende en waarderende fase door middel van proefsleuven of een IVO karterende en waarderende fase door middel van proefsleuven is mogelijk, indien een PvA en een goedgekeurd PvE aanwezig is en met instemming van de bevoegde overheid.
Bijlage 2.
Ouderdom in jaren
Overzicht geologische en archeologische tijdvakken
Chronostratigrafie
MIS
Holoceen
1
11.755 12.745 13.675 14.025
LaatWeichselien (LaatGlaciaal)
15.700
Late Dryas (koud) Allerød (warm) Vroege Dryas (koud) Bølling (warm)
Lithostratigrafie Formaties: Naaldwijk (marien), Nieuwkoop (veen), Echteld (fluviatiel)
2
LaatPleniglaciaal 29.000
50.000
MiddenWeichselien (Pleniglaciaal)
MiddenPleniglaciaal VroegPleniglaciaal
3
Formatie van Kreftenheye
Formatie van Boxtel
4
75.000
VroegW eichselien (VroegGlaciaal) 115.000 130.000
5c 5d 5e
Saalien (ijstijd)
6
Holsteinien (warme periode)
Formatie van Beegden
5b
Eemien (warme periode)
370.000 410.000
5a
Eem Formatie Formatie van Drente
Formatie van Urk
Elsterien (ijstijd) 475.000
Cromerien (warme periode) 850.000
Pre-Cromerien 2.600.000
Formatie van Sterksel
Formatie van Peelo
Cal. jaren v/n Chr. 1950
14
C jaren
Chronostratigrafie
Pollen zones
Vegetatie
0
Vb2
1500
Subatlanticum koeler vochtiger
450 0 12
Vb1 Va
Loofbos eik en hazelaar overheersen haagbeuk veel cultuurplanten rogge, boekweit, korenbloem
Archeologische perioden Nieuwe tijd Middeleeuwen Romeinse tijd IJzertijd
800 815
2650
IVb Subboreaal koeler droger
2000
3755
IVa
5000
4900
5300
7020
8240
Atlanticum warm vochtig
III
Boreaal warmer
II
Preboreaal warmer
I
8000
9000
8800 11.755
10.150
12.745
10.800
13.675
11.800
14.025
12.000
LaatWeichselien (LaatGlaciaal)
Late Dryas
LW III
Allerød
LW II
Vroege Dryas LW I Bølling
15.700
35.000
13.000
Loofbos eik en hazelaar overheersen beuk>1% invloed landbouw (granen)
Bronstijd
Neolithicum
Loofbos eik, els en hazelaar overheersen in zuiden speelt linde een grote rol den overheerst hazelaar, eik, iep, linde, es eerst berk en later den overheersend
Mesolithicum
parklandschap dennen- en berkenbossen open parklandschap open vegetatie met kruiden en berkenbomen
MiddenWeichselien (Pleniglaciaal)
perioden met een poolwoestijn en perioden met een toendra
VroegWeichselien (VroegGlaciaal)
perioden met bos en perioden met een subarctisch open landschap
Laat-Paleolithicum
75.000
115.000 130.000
Eemien (warme periode)
Midden-Paleolithicum loofbos
Saalien (ijstijd) 300.000
Vroeg-Paleolithicum Chronostratigrafie voor Noordwest-Europa volgens Zagwijn (1974), Vandenberghe (1985) en De Mulder et al. (2003). Lithostratigrafie volgens De Mulder et al. (2003). Mariene isotoop stadium (MIS) volgens Bassinot et al. (1994). Atmosferische data volgens Stuiver et al. (1998). Zuurstofisotoop calibratie (OxCal) versie 3.9 Bronk Ramsey (2003), toegepast op het Laat-Weichselien en het Holoceen. Archeologische periode-indeling en ouderdom volgens de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB). Vegetatie bewerkt volgens Berendsen (2000). Pollenzones volgens P. Vos & P. Kiden (2005).
Bijlage 3.
Planontwerp
6.000 7.000
2.00 1.000 0 1
2.000
2.000
6.000 1.200 6.000
6.000
487,56 m2
9.550
154,00 m2
6.000 6.000
4.750 9.550
4.750
5.000
9.800
1.
5.
235,00 m2
5.
296,42 m2
210,92 m2
5.
226,99 m2 5.
6
0
212,45 m2
0
167,48 m2
50
159,38 m2
0
159,38 m2 50
4. 4. 4. 5.
5.
95
70
80
80
80
40
0
5.
00
0
159,38 m2
0
166,76 m2
0
166,76 m2
0
159,38 m2
0
141,67 m2
0
141,67 m2
20
17 1. 50
176,79 m2
.0
141,67 m2
19
5 3.
65
5.
0
0
9.
5.
0 00
50
0
84
0
6
.0
1.
00
6.
1.
6.
0 00
40
0
.3
6.
5.
0 00
0
30
1.
279,72 m2
0 20
40
40
40
65
20
0
409,89 m2
5. 00 0
30 .0 00
N
Woningbouw Groene Woud te Oudenbosch
Bladel
Industrieweg 2d
0497-360054
Situa e
E en‐Leur
Brouwerstraat 3
076-5011240
1:500
Boxtel
Bosscheweg 107
0411-700250
25 mei 2023
www.gewoonarchitecten.nl
Niet te openen Inge
stort
pand
st Inge an ort p d
ort
st nge
I
pan
d
Ras
ste r
ter Ras
ter
Ra
Stamvoethoogte
Legenda Inmeting Veldwerk kadaster BRK-ondergrond
er
t as
Lichtmast
R
Boom Pompkast riool
HOOGTE SPOOR
Straatkolk Houten paal/piket Gebakken klinker Beton Tegelverharding Bramenstruiken/Cultuurgrens Raster Hoogtemaat Dorpelhoogte
HOOGTE SPOOR
BR
Boom stamdiameter - kroondiameter (cm's)
STR
EN
AM
N EN
UIK
er st
Ra
HOOGTE SPOOR
B A
16-03-2023 14-03-2023
+10.21
PVCØ315
Rioolput met: dekselhoogte, BOB-hoogte, materiaal, diameter buis (mm's)
Maten in meters Buisdiameters in mm's Coördinaten t.o.v. RD Hoogtematen t.o.v. N.A.P. Gebruikte NAP-hoogtebout: 043H0227 = 3.068+N.A.P.
KLIC toegevoegd Bomen met grens perceel 3383 toegevoegd
J. van der Pal J. van der Pal
Datum
project
Groene Woud 58 Groene Woud te Oudenbosch
opdrachtgever
Hoevestein 20b 4903 sc Oosterhout
De Bunte Vastgoed B.V. onderdeel
getekend
gecontroleerd
status
werknr.
Meting Plangebied Situatietekening J. van der Pal Ing. H. Timmers
DEFINITIEF
par.
par.
bladnr.
0162 - 45 64 81 www.stantec.com/nl
327200639
6140-01
datum
14-03-2023
doc. type
Tekening
formaat
A1
schaal
1:250
bestandsnaam: O:\327200639 Groene Woud 58 Oudenbosch\3 tekeningen\3 terrein\140 Definitieve tekening\327200639-6140-B Groene Woud 58 Oudenbosch - 2023-03-16.dwg
Brandkraan Riool-inspectieput
Woningen Woning < 90 m² Woning > 90 m² Benodigd t.b.v. bouwplan Compensatie langsparkeren Totaal benodigd
Gebied B Oudenbosch 1,9 2,1
Aantal 3 17
Totaal 5,7 35,7 51,4 12,0 53,4
Parkeervoorziening Openbaar Lange oprit zonder garage Dubbele oprit zonder garage Garage met enkele oprit Totaal gerealiseerd
Berekeningsaantal 1,0 1,0 1,7 1,0
Aantal 43 1 5 1
Totaal 43,0 1,0 8,5 1,0 53,5
Saldo
+0,1