CConstaterende datHalderberge
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 - Financiele verordening Halderberge.pdf

Gemeenteraad 23 maart 2023, gemeente HalderbergeBij agendapunt: 13: Actualisatie financiële regelgeving en vaststelling voorlopig normenkader 202311.501 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

nationale toegestane EMU-tekort met de lopende begroting dreigt te worden overschreden. Ook wordt dan duidelijk of daarop actie van gemeenten is gewenst. Pas als dit laatste het geval is, moeten gemeenten met een individueel EMU-saldo hoger dan de gemeentelijke EMUreferentiewaarde hun begroting neerwaarts bijstellen om de overschrijding van het collectieve aandeel ongedaan te maken. In het artikel is opgenomen, dat het college de raad informeert als de gemeente van het Rijk een bericht heeft ontvangen dat het toegestane EMU-tekort voor alle gemeenten dreigt te worden overschreden. Als daarop actie nodig is van de gemeente, doet het college een voorstel voor het wijzigen van de begroting. Artikel 10 Rechtmatigheidsverantwoording Vanaf het verslagjaar 2023 legt het college verantwoording af dat aan de baten, lasten en balansmutaties ten grondslag liggende financiële beheershandelingen in lijn met wet- en regelgeving, verordeningen en besluiten tot stand zijn gekomen. Voor het beleid inzake deze verantwoording is een aparte beleidsnota opgesteld. Deze maakt onlosmakelijk deel uit van deze financiële verordening. Voor een toelichting op het beleid verwijzen wij u naar de toelichting bij deze beleidsnota.

Artikel 11 Waardering en afschrijving vaste activa In het tweede lid, onder a, van artikel 212 van de Gemeentewet is opgenomen, dat de financiële verordening in elk geval de regels voor waardering en afschrijving van activa bevat. Deze regels concretiseren de algemene regels die hiervoor reeds in het BBV zijn opgenomen. In artikel 11 is invulling aan artikel 212 gegeven. Voor de bepalingen over afschrijvingsmethodieken en afschrijvingstermijnen van de immateriële en materiële vaste activa wordt in de verordening verwezen naar bijlage 1 van deze verordening. In deze bijlage zijn naast het minimale bedrag voor activering en de methodiek de afschrijvingstermijnen voor de verschillende categorieën immateriële vaste activa, materiële vaste activa met economisch nut en materiële vaste activa met maatschappelijk nut opgenomen. Sinds 1 januari 2017 is ook het activeren van investeringen met maatschappelijk nut verplicht. Het BBV laat een aanzienlijke beleidsvrijheid aan gemeenten voor het zelf vaststellen van de eigen afschrijvingsmethodieken en afschrijvingstermijnen. Natuurlijk geldt hierbij wel het criterium dat gemeenten de afschrijvingsmethodiek en afschrijvingstermijn van een actief moeten afstemmen op de verwachte gebruiksduur. Indien dit wordt nagelaten, wordt het getrouwe beeld van de jaarrekening aangetast. Activa moeten op de juiste wijze gewaardeerd worden.

Waardering gebeurt tegen de verkrijgings- of vervaardigingsprijs. De verkrijgingsprijs is helder. Dat is prijs waarvoor een activum wordt aangeschaft, vermeerderd met eventuele bijkomende kosten. Hierbij kunt u denken aan bijvoorbeeld inzet door de leverancier, implementatiekosten en leveringskosten. De vervaardigingsprijs is minder helder. De vervaardigingsprijs omvat de aanschafkosten van de gebruikte grond- en hulpstoffen en de overige kosten die rechtstreeks aan de vervaardiging kunnen worden toegerekend. In de praktijk roepen vooral de overige kosten soms vragen op. Onder het kopje Waarderen en afschrijven zijn in bijlage 1 van de verordening specifieke regels opgenomen. Onder 1 is de wettelijke tekst over de regels voor de waardering opgenomen. Deze wettelijke tekst is aangevuld met een toelichting over de personeelskosten van directe functies. Onder 2 is opgenomen hoe die personeelskosten worden berekend. Dat gebeurt bij het opstellen van de raming van de investeringslasten. De personeelskosten worden uitgedrukt in een percentage van de totale uitvoeringskosten van de investering. Het totaal van de investeringslasten is dan de som van de uitvoeringskosten en de toegerekende personeelskosten. Het berekende percentage wordt zowel op de raming voor het investeringsplan in de begroting als voor de realisatie toegepast.

Onder 3 staat dat alleen lineair mag worden afgeschreven. Onder 4 is aangegeven wanneer wordt gestart met afschrijven. Hiermee wordt gestart in het boekjaar volgend op het jaar waarin het kapitaalgoed gereed komt of is verworven. Onder gereed komen wordt verstaan de ingebruikname van het kapitaalgoed.

Voor het waarderen van indirecte kosten bestaat keuzevrijheid. De raad kan zelf beslissen of indirecte kosten moeten worden geactiveerd. Om te voorkomen dat deze kosten worden doorgeschoven naar toekomstige jaren is onder 5 opgenomen dat indirecte kosten niet worden geactiveerd. Hierbij is aangegeven dat salariskosten van overheadfuncties ook vallen onder de indirecte kosten. Dit in tegenstelling tot de salariskosten van directe functies die wel moeten worden geactiveerd. Onder 6 is bepaald dat de restwaarde van alle activa uit voorzichtingheidsoverwegingen is gewaarderd op 0. Onderdeel 7 geeft aan dat de afschrijvingen zijn afgestemd op de verwachte levensduur. Tenslotte wordt onder 8 bepaalt dat het gebruik van de componentenmethode in bepaalde gevallen is toegestaan. Hierbij wordt een actief gesplitst in verschillende onderdelen, waarbij op alle onderdelen apart wordt afgeschreven volgens de voor dat onderdeel geldende levensduur. Dat is toegestaan als de omvang en waarde van een onderdeel erg omvangrijk is. Een voorbeeld hiervan is de toplaag van kunstgrasvelden. Het is gewenst dat toepassing van de componentenmethode wordt toegelicht in het voorstel aan de raad. De tabel met afschrijvingsmijnen bevat voor alle voorkomende activa de te hanteren afschrijvingstermijnen.

Als er sprake is van een bijdrage aan activa in eigendom van derden moet de afschrijvingstermijn worden gehanteerd die bij die derden wordt aangehouden. Dit dient schriftelijk aan de gemeente te worden medegedeeld, zodat de termijn goed overgenomen kan worden. Artikel 12 Voorziening voor oninbare vorderingen Voor de oninbaarheid van vorderingen moet een gemeente een voorziening vormen. Dit artikel bevat algemene regels voor het vaststellen van de hoogte van deze voorziening. Artikel 13 Reserves en voorzieningen Vanaf de wijziging van het BBV in 2017 worden de overheadkosten apart verantwoord. Sindsdien is het noodzakelijk om kostprijzen van rechten en heffingen en van gemeentelijke goederen, werken en diensten die worden geleverd aan overheidsbedrijven en derden, extracomptabel te onderbouwen. Daarmee is ook de noodzaak vervallen om de rentevergoeding over reserves en voorzieningen in de begroting en in de jaarstukken aan de taakvelden toe te rekenen (de bespaarde rente). Het eerste lid bepaalt daarom, dat voor de toerekening van rentelasten en rentebaten in de begroting en in de jaarstukken aan de taakvelden geen rentevergoeding over reserves en voorzieningen wordt meegenomen. In het tweede lid wordt verwezen naar het beleidskader voor de reserves en voorzieningen in bijlage 2 van deze verordening.

Hierin zijn achtereenvolgens opgenomen:  een uitleg van enkele relevante begrippen;  een toelichting over de vorming en opheffing van reserves en voorzieningen;  de gehanteerde indeling van reserves en voorzieningen;  hoe en wanneer mutaties op voorzieningen kunnen voorkomen;  en in een korte samenvatting wie bevoegd is om het bovenstaande te regelen. Artikel 14 Kostprijsberekening Artikel 212 van de Gemeentewet bepaalt in het tweede lid, onder b, dat de verordening in ieder geval de grondslagen bevat voor de berekening van de door het gemeentebestuur in rekening te brengen prijzen en van tarieven voor rechten als bedoeld in artikel 229b en heffingen als bedoeld in artikel 15.33 van de Wet milieubeheer. De grondslagen voor de prijzen die de gemeente bij overheidsbedrijven en derden in rekening brengt, en voor de tarieven van rechten en heffingen waarmee kosten in rekening worden gebracht, worden gevormd door de opbouw van de kostprijs. Omdat de overheadkosten apart worden verantwoord, is het niet mogelijk om de integrale kostprijzen in de administratie van de baten en lasten in beeld te brengen. De kostprijzen moeten daarom extracomptabel worden berekend en vastgelegd. Het eerste lid van artikel 12 bepaalt, dat de kostprijsberekeningen extracomptabel worden vastgelegd en dat de

kostprijzen bestaan uit de directe kosten en een opslag voor de overhead, de rentekosten voor de inzet van vreemd vermogen en de overige indirecte kosten. Onder deze laatste categorie worden onder meer de afschrijvingskosten van de vaste activa verstaan. Het tweede lid bepaalt, dat ook bijdragen aan en onttrekkingen van voorzieningen voor de noodzakelijke vervanging van de betrokken activa en de afschrijvingskosten van de in gebruik zijnde activa worden betrokken bij de kostprijsberekening. Voor de gemeentelijke rechten en heffingen waarmee kosten in rekening worden gebracht zoals de rioolheffing, worden in de kostprijsberekening ook de compensabele BTW en de gederfde inkomsten van het kwijtscheldingsbeleid meegenomen. Het derde lid geeft de definitie van de kostenverdeelsleutel voor de toerekening van de overheadkosten aan de kostprijzen van rechten en heffingen waarmee de gemeente kosten in rekening brengt, zoals de afvalstoffenheffing, en voor de toerekening van de overheadkosten aan de kostprijzen van goederen, werken en diensten die door de gemeente aan overheidsbedrijven en derden worden geleverd. Er wordt voor de toerekening van de overheadkosten bepaalt, dat deze plaatsvindt naar rato van het aandeel van de personeelslasten in de totale personeelslasten.

Onder personeelslasten vallen ook de kosten van extern personeel voor zover deze moeten worden verantwoord op de desbetreffende categorie (lastencategorie 3.5.1). In het vierde lid is aangegeven op welke wijze het rentepercentage wordt bepaald waarmee rente wordt toegerekend aan de activa. Aangezien er vanaf 2017 geen rente meer wordt berekend over de eigen financieringsmiddelen, is dit het gewogen gemiddelde van de rente over de langlopende en kortlopende geldleningen. Artikel 15 Prijzen economische activiteiten Als een gemeente goederen, diensten of werken levert aan overheidsbedrijven of derden dan mag zij deze activiteiten niet bevoordelen als het economische activiteiten betreffen. Economische activiteiten zijn hier activiteiten waarmee de gemeenten in concurrentie met andere ondernemingen treedt. Het bevoordelingsverbod houdt feitelijk in, dat ten minste een integrale kostprijs voor de levering van goederen, diensten werken en het verstrekken van leningen garanties en kapitaal in rekening moet worden gebracht. Van deze verplichting kan worden afgeweken als de activiteiten worden ontplooid in het kader van het publiek belang. Daarvoor is wel nodig dat in een raadbesluit het publiek belang van de activiteit wordt gemotiveerd.

Voor het verplicht in rekening brengen van minimaal een integrale kostprijs voor de levering van goederen, werken en diensten of voor het verstrekken van leningen, garanties en kapitaal gelden een aantal uitzonderingen. Deze uitzonderingen worden in het vijfde lid genoemd. Hierbij wordt verwezen naar artikel 25h van de Mededingingswet. Artikel 16 Vaststelling hoogte belastingen, rechten, heffingen en prijzen Het vaststellen van de tarieven voor belastingen, rechten, leges en heffingen is een bevoegdheid van de raad. Deze bevoegdheid kan op grond van artikel 156 van de Gemeentewet niet worden gedelegeerd. Artikel 16 bepaalt dat de raad de tarieven voor de belastingen, rioolheffingen, afvalstoffenheffing en andere heffingen jaarlijks vaststelt. Artikel 17 Financieringsfunctie Artikel 212 van de Gemeentewet bevat de bepaling, dat de financiële verordening in elk geval regels voor de algemene doelstelling en de te hanteren richtlijnen en limieten van de financieringsfunctie bevat. Dit artikel geeft invulling aan deze plicht, waarbij wordt verwezen naar een apart opgesteld treasurystatuut. Het treasurystatuut wordt vastgesteld door de gemeenteraad, maar wordt vooraf ter advisering voorgelegd aan de auditcommissie. Het advies van de auditcommissie wordt met het voorstel voor het treasurystatuut aangeboden aan de

gemeenteraad. Het derde lid bepaalt dat bij beleidswijzigingen of wijzigingen als gevolg van wettelijke bepalingen die van invloed zijn op het vastgestelde beleid, het treasurystatuut moet worden herzien. Artikel 18 Lokale heffingen In het BBV is vastgelegd welke onderdelen ten minste in de paragraaf lokale heffingen moeten worden opgenomen. Er zijn verder geen onderdelen die verplicht moeten worden opgenomen. Artikel 19 Weerstandsvermogen Volgens artikel 9 van het BBV wordt jaarlijks in de programmabegroting een paragraaf over het weerstandsvermogen en de risicobeheersing opgenomen. In deze paragraaf worden de weerstandscapaciteit en de risico’s geïnventariseerd en wordt op basis daarvan het weerstandsvermogen berekend. Artikel 11 van het BBV gaat vervolgens verder in op de onderdelen die opgenomen moet worden in deze paragraaf. Het verdient aanbeveling om het beleidskader vast te leggen in het financieel beleid van de gemeente. Dat is gebeurd in artikel 19 en de daaraan verbonden bijlage van deze verordening. In de bijlage wordt achtereenvolgens ingegaan op:  de gebruikte begrippen;  de incidentele en structurele weerstandscapaciteit;  de risico’s;  de berekening van het weerstandsvermogen;  en tenslotte de benoeming van de uitkomst hiervan (de ratio).

Artikel 20 Onderhoud kapitaalgoederen Voor specifieke kapitaalgoederen dient het beleidskader opgenomen te worden in een aparte nota. In het eerste, tweede en derde lid zijn deze specifieke kapitaalgoederen benoemd. Hierbij is aangegeven welke onderwerpen tenminste opgenomen dienen te worden in de beleidsnota’s. De bevoegdheid voor het vaststellen van beleidsnota’s ligt bij de raad. Het vierde lid geeft voor de duidelijkheid aan dat de raad alle plannen van de kapitaalgoederen vaststelt. Het vijfde lid bepaalt op welk moment de beleidsnota’s uit het dit artikel moeten worden herzien. Het is hierbij belangrijk dat de gemeente te allen tijde over een actueel plan moet beschikken. Artikel 21 Financiering In het BBV is vastgelegd welke onderdelen ten minste in de paragraaf financiering moeten worden opgenomen. Er zijn verder geen onderdelen die verplicht moeten worden opgenomen. Artikel 22 Bedrijfsvoering In artikel 14 van het BBV staat welke informatie de paragraaf bedrijfsvoering van de begroting en de jaarstukken in elk geval moet bevatten. In dit artikel is aangegeven welke informatie de raad daarnaast wenst te ontvangen. Artikel 23 Verbonden partijen In het BBV is vastgelegd welke onderdelen ten minste in de paragraaf verbonden partijen moeten worden opgenomen. Er zijn verder geen onderdelen die verplicht moeten worden opgenomen.

Artikel 24 Grondbeleid Artikel 24 is een soortgelijk artikel als artikel 20, maar dan voor het gemeentelijk grondbeleid. In het eerste lid is de bepaling opgenomen dat er een afzonderlijke beleidsnota voor het grondbeleid moet zijn, waarin de raad de kaders voor het toekomstig grondbeleid kan vaststellen. Tevens wordt in het eerste lid aangegeven wat de inhoud van het beleidskader tenminste moet zijn. Naast een beleidskader dient er jaarlijks een nota te worden aangeboden waarin wordt ingegaan op de plannen, projecten, grondvoorraden en grondprijzen van de grondexploitaties.

De raad stelt deze nota vast. Het derde lid bepaalt dat er een aparte nota wordt opgesteld over de bijdragen van zowel de eigen grondexploitaties als van derden in de bovenwijkse voorzieningen. Het vierde lid bepaalt op welk moment de beleidskaders uit het eerste en derde lid moeten worden herzien. Artikel 25 Administratie In artikel 25 zijn algemene bepalingen opgenomen voor de inrichting van de gemeentelijke administratie. Op hoofdlijnen wordt opgedragen welke gegevens systematisch moeten worden vastgelegd en aan welke eisen deze gegevens en de vastlegging ervan moeten voldoen. Artikel 26 Financiële organisatie Het college is op grond van artikel 160 van de Gemeentewet bevoegd regels te stellen over de ambtelijke organisatie. Deze bevoegdheid betreft ook het stellen van regels voor de financiële organisatie. Dit artikel geeft een opsomming op welke terreinen van de financiële organisatie het college beleid en interne regels moet stellen. Om hier invulling aan te geven ligt het voor de hand dat het college een besluit vaststelt over de indeling van de organisatie en de bevoegdheden van de verschillende onderdelen hiervan (een organisatieregeling), alsmede een besluit over volmachten en mandaten (een budgethouderschapsregeling) en regels over inkoop en aanbesteding (een inkoopregeling en inkoopvoorwaarden).

Verder legt het college regels vast over kostenverdeling voor de (extracomptabele) kostentoerekening. Bij het beleid en de interne regels voor steunverlening en subsidieverstrekking gaat het om procedures die naleving van de Europese staatssteunregels en regels voor diensten van algemeen economisch belang, de Algemene wet bestuursrecht en de gemeentelijke subsidieverordening waarborgen. In geval van fraude en misbruik en oneigenlijk gebruik gaat het bijvoorbeeld om het treffen van voldoende verificatiemaatregelen vooraf van de antecedenten van een aanvrager van een gemeentelijke subsidie, zodat subsidies wel daadwerkelijk worden verstrekt aan rechthebbenden. De uitgangspunten voor de financiële organisatie zijn nodig om voor het financieel beheer en het financieel beleid aan de eisen voor rechtmatigheid, controle en verantwoording te voldoen. Artikel 27 Interne controle De accountant toetst jaarlijks of de gemeenterekening een getrouw beeld geeft van de gemeentelijke financiën. Het eerste lid van artikel 26 draagt het college op maatregelen te treffen, zodat gedurende het jaar of voorafgaand aan de accountantscontrole de gemeente zelf nagaat of de cijfers in de administratie een getrouw beeld geven en of de financiële beheershandelingen die aan de baten, de lasten en de balansmutaties ten grondslag liggen, rechtmatig (zijn) verlopen.

Het tweede lid bepaalt, dat het college maatregelen treft, zodat wordt gecontroleerd of de administratie van materiele bezittingen zoals gebouwen, voertuigen, computers, voorraden en de administratie van het financieel vermogen zoals aandelen en overeenkomsten van leningen, geldmiddelen, debiteurenvorderingen e.d. overeenkomen met hetgeen de gemeente daadwerkelijk bezit. Artikel 28 Intrekken oude verordening en overgangsrecht De verordening treedt in de plaats van de vorige op grond van artikel 212 van de Gemeentewet ingestelde verordening. Het artikel bepaalt dat de nieuwe verordening van toepassing is op alle stukken van het begrotingsjaar 2023 en later, voor zover de beslissingen en handelingen hebben plaatsgevonden na de datum van inwerkingtreding. Op alle beslissingen en handelingen voor deze datum is de oude verordening nog van toepassing. Artikel 29 Inwerkingtreding en citeertitel In dit artikel is bepaald dat de nieuwe verordening in werking treedt op de dag na bekendmaking. Dat is omstreeks 1 april 2023. Tevens wordt de titel genoemd waaronder de verordening kan worden aangehaald.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.halderberge.nl/api/v1/meetings/548/documents/16015