Bijlage 1 - Financiele verordening Halderberge.pdf
Tekst van het document
De raad van de gemeente Halderberge; gezien het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 14 februari 2023; gelet op artikel 212 van de Gemeentewet; BESLUIT: vast te stellen de: Verordening financieel beleid, financieel beheer en inrichting van de financiële organisatie van de gemeente Halderberge Paragraaf 1. Algemene bepalingen Artikel 1 Begripsbepalingen In deze verordening wordt verstaan onder: a. administratie: het systematisch verzamelen, vastleggen, verwerken en verstrekken van informatie ten behoeve van het besturen, het functioneren en het beheersen van de gemeentelijke organisatie en de verantwoording die daarover moet worden afgelegd; b. auditcommissie: adviescommissie van de raad die adviezen uitbrengt over financieel gerelateerde onderwerpen; c. BBV: het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten; d. college: het college van burgemeester en wethouders; e. inkomsten: totaal van de baten voor onttrekkingen aan reserves; f. investeringen: het vastleggen van vermogen in duurzame goederen waarvan het nut zich over meerdere jaren uitstrekt; g.
overheidsbedrijf: onderneming met privaatrechtelijke rechtspersoonlijkheid, niet zijnde een personenvennootschap met rechtspersoonlijkheid, waarin de gemeente, al dan niet tezamen met een of meer andere publiekrechtelijke rechtspersonen, in staat is het beleid te bepalen of een onderneming in de vorm van een personenvennootschap, waarin een publiekrechtelijke rechtspersoon deelneemt; h. rechtmatigheidsverantwoording: de rapportage van het college van burgemeester en wethouders waarbij aangegeven wordt in welke mate de totstandkoming van de financiële beheershandelingen en de vastlegging daarvan overeenstemmen met de relevante wet- en regelgeving; i. team: een organisatorische eenheid binnen de gemeentelijke organisatie. Paragraaf 2 Begroting en verantwoording Artikel 2 Vaststelling programma-indeling en paragrafen 1. De raad stelt bij aanvang van iedere raadsperiode een programma-indeling voor die raadsperiode vast. 2. De raad stelt bij aanvang van iedere raadsperiode op voorstel van het college per programma vast: 1 / 27
a. de taakvelden, en b. de beleidsindicatoren. Het voorstel van het college bevat in ieder geval de verplichte beleidsindicatoren, bedoeld in artikel 25, tweede lid, onder a, van het BBV 3. De raad stelt desgewenst vast over welke onderwerpen hij in extra paragrafen, naast de verplichte paragrafen van de begroting en de jaarstukken, kaders wil stellen en geïnformeerd wil worden. Artikel 3 Inrichting begroting en jaarstukken 1. In de begroting wordt: a. van de nieuwe investeringen per investering het benodigde investeringskrediet weergegeven, en b. in aanvulling op het bepaalde in artikel 20 en artikel 21 van het BBV inzicht gegeven in de ontwikkeling van de schuldpositie als gevolg van de begroting, de meerjarenraming, de investeringen en de grondexploitaties. 2. In de jaarrekening wordt van de investeringen de uitputting van de geautoriseerde investeringskredieten en de actuele raming van de totale uitgaven en inkomsten weergegeven. 3. In de begroting en de jaarrekening worden in het overzicht van de incidentele baten en lasten per programma posten vanaf € 25.000 apart gespecificeerd. Artikel 4 Kaders begroting 1. Het college biedt de raad voor 15 juli van het begrotingsjaar een nota aan met een voorstel voor het beleid en de financiële kaders van de begroting voor het volgende begrotingsjaar en de meerjarenraming.
De raad stelt deze nota vóór 1 augustus van het begrotingsjaar vast. 2. Bij het vaststellen van de begroting stelt de raad een post voor incidentele onvoorziene uitgaven vast. Deze bedraagt tenminste € 200.000 en ten hoogste 0,5% van het lastentotaal, exclusief mutaties in de reserves van de begroting. Artikel 5 Autorisatie begroting en investeringskredieten 1. De raad autoriseert met het vaststellen van de begroting de baten en de lasten: a. per programma, b. van de overhead, en c. van de algemene dekkingsmiddelen. 2. Nieuwe investeringen zijn opgenomen in het investeringsplan van de begroting en worden met het vaststellen van de begroting geautoriseerd. De raad kan bij de begrotingsbehandeling aangeven van welke nieuwe investeringen hij op een later tijdstip een apart voorstel voor autorisatie van het investeringskrediet wil ontvangen of daar nader over geïnformeerd wil worden. 3. Het college informeert de raad vooraf als het verwacht dat de lasten de geautoriseerde lasten dreigen te overschrijden, de investeringsuitgaven de geautoriseerde investeringskredieten dreigen te overschrijden of de baten de geautoriseerde baten dreigen te onderschrijden. 4.
Bij de behandeling van de tussentijdse rapportages in de raad als bedoeld in artikel 6 doet het college voorstellen aan de raad voor het wijzigen van de geautoriseerde baten en lasten, het wijzigen van de geautoriseerde mutaties in de reserves, het wijzigen van de geautoriseerde investeringskredieten en het bijstellen van het beleid. In geval van investeringen met een meerjarig karakter doet het college indien nodig ook bij iedere begroting op grond van geactualiseerde ramingen voorstellen voor het wijzigen van de geautoriseerde investeringskredieten. Indien er in een tussentijdse rapportage sprake is van de noodzaak voor het instellen van nieuwe reserves of voorzieningen of van nieuwe investeringskredieten doet het college daarvoor een voorstel aan de raad. 5. Het college is bevoegd overschrijdingen van de geautoriseerde lasten en onderschrijdingen van de geautoriseerde baten te dekken uit de post voor onvoorziene uitgaven, indien er
sprake is van een incidentele gebeurtenis of handeling waarvoor geen of een ontoereikend budget is opgenomen in de begroting en die volgens het college niet uitgesteld kan worden tot na de eerstvolgende tussentijdse rapportage. 6. Voor een investering waarvan het investeringskrediet niet met het vaststellen van de begroting is geautoriseerd, legt het college voorafgaand aan het aangaan van verplichtingen een voorstel voor het vaststellen van een investeringskrediet aan de raad voor. 7. Als de investering niet binnen de oorspronkelijke planning kan worden gerealiseerd, maar wel binnen het gevoteerde krediet blijft, wordt de raad hier via de tussentijdse rapportages over geïnformeerd met vermelding van een aangepaste planning en de gevolgen voor de meerjarenraming. Artikel 6 Tussentijdse rapportage 1. Het college informeert de raad door middel van een voorjaarsrapportage, een najaarsrapportage en een slotwijziging over de realisatie van de begroting van de gemeente. 2. De voorjaarsrapportage kan worden samengevoegd met de nota zoals aangegeven in artikel 4. De naam van dit document is Zomernota. 3. De voorjaarsrapportage bevat ten minste een overzicht met de bijgestelde raming van: a. de baten en lasten per programma; b. de baten en lasten van de algemene dekkingsmiddelen; c. de baten en lasten van de overhead; d.
het totale saldo van de baten en lasten, volgend uit de onderdelen a, b en c; e. de (beoogde) toevoegingen en onttrekkingen aan de reserves per programma; en f. het resultaat, volgend uit de onderdelen d en e. 4. De najaarsrapportage bevat ten minste een uiteenzetting over de uitvoering en de bijstelling van het beleid en een overzicht met de bijgestelde raming van: a. de baten en de lasten per programma; b. de baten en lasten van de algemene dekkingsmiddelen; c. de baten en lasten van de overhead; d. het totale saldo van de baten en de lasten volgend uit de onderdelen a, b en c; e. de (beoogde) toevoegingen en onttrekkingen aan reserves per programma; en f. het resultaat, volgend uit de onderdelen d en e, g. een totaaloverzicht van de raming en realisatie van de investeringskredieten. 5. De slotwijziging bevat ten minste de mutaties in de geraamde baten en lasten van de onderdelen a t/m f van het derde lid van dit artikel en - voor zover hiervan sprake is – een voorstel van het college om (geautoriseerde) uitgaven die het jaar geheel of ten dele overschrijden te reserveren in de reserve jaaroverschrijdende uitgaven. Artikel 7 Jaarstukken Gelijktijdig met het aanbieden van de jaarstukken biedt het college de raad het voorstel aan over de bestemming van het jaarrekeningresultaat of, bij een negatief resultaat, de afdekking van het negatieve resultaat.
Artikel 8 Wensen en bedenkingen over grote onderwerpen In het kader van de actieve informatieplicht beslist het college niet over het verstrekken van leningen, waarborgen en garanties, dan nadat de raad is geïnformeerd over het voornemen en hiertoe in de gelegenheid is gesteld zijn wensen en bedenkingen ter kennis van het college te brengen. Artikel 9 EMU-saldo Als het Rijk de gemeente bericht dat alle gemeenten samen het collectieve aandeel van gemeenten in het EMU-tekort, bedoeld in artikel 3, zesde lid, van de Wet houdbare overheidsfinanciën, hebben overschreden, informeert het college de raad of een aanpassing van de begroting nodig is. Als het college een aanpassing nodig acht, doet het college een voorstel voor het wijzigen van de begroting.
Paragraaf 3 Rechtmatigheidsverantwoording Artikel 10 Rechtmatigheidsverantwoording 1. Het gemeentelijk beleid inzake de rechtmatigheidsverantwoording ligt vast in een beleidsnota rechtmatigheid. Deze nota maakt onlosmakelijk deel uit van deze verordening. 2. De raad stelt de beleidsnota rechtmatigheid vast, nadat de raad advies heeft ingewonnen van de auditcommissie. 3. Indien beleidswijzigingen of wijzigingen als gevolg van wettelijke bepalingen optreden en daarvoor aanpassing van het vastgelegde beleid nodig is, wordt de beleidsnota rechtmatigheid herzien. Paragraaf 4 Financieel beleid Artikel 11 Waardering en afschrijving vaste activa 1. Immateriële en materiële vaste activa worden afgeschreven volgens de methodiek en de termijnen zoals vermeld in de bijlage afschrijvingsbeleid bij deze verordening. Via een gemotiveerd raadsbesluit is afwijking van de afschrijvingstermijn mogelijk. 2. Kosten voor het afsluiten van geldleningen worden direct ten laste van de exploitatie gebracht. Artikel 12 Voorziening voor oninbare vorderingen Voor de vorderingen op verbonden partijen en derden wordt een voorziening wegens oninbaarheid gevormd op basis van de ouderdom en/of status van de openstaande vorderingen. Artikel 13 Reserves en voorzieningen 1. In de begroting en bij de jaarstukken vindt geen toerekening van rente over de reserves en voorzieningen aan de programma’s plaats. 2.
In bijlage 2 Beleidskader reserves en voorzieningen is het beleidskader ten aanzien van reserves en voorzieningen opgenomen. Artikel 14 Kostprijsberekening 1. Voor het bepalen van de geraamde kostprijs van rechten en heffingen waarmee kosten in rekening worden gebracht, en van goederen, werken en diensten die worden geleverd aan overheidsbedrijven en derden, wordt een extracomptabel stelsel van kostentoerekening gehanteerd. Bij deze kostentoerekening worden naast de directe kosten, de overheadkosten, de rentekosten voor de inzet van vreemd vermogen en overige indirecte kosten betrokken. 2. Bij de directe kosten worden betrokken de bijdragen aan en onttrekkingen van voorzieningen voor de noodzakelijke vervanging van de betrokken activa en de afschrijvingskosten van de in gebruik zijnde activa. Voor de rechten en heffingen waarmee kosten in rekening worden gebracht, worden daarbij ook de compensabele belasting over de toegevoegde waarde (BTW) en de gederfde inkomsten van het kwijtscheldingsbeleid betrokken. 3.
Voor de toerekening van de overheadkosten aan de kostprijs van rechten en heffingen waarmee kosten in rekening worden gebracht, en van goederen, werken, diensten die worden geleverd aan overheidsbedrijven en derden, wordt uitgegaan van de personeelslasten die verbonden zijn aan die specifieke rechten, heffingen, goederen, werken of diensten, in verhouding tot de totale personeelslasten van alle taakvelden exclusief de personeelslasten van de overheadfuncties. De uitkomst hiervan levert een percentage op wat wordt vermenigvuldigd met de totale overhead.
4. Het percentage van de omslagrente voor de toerekening van rente voor de financiering van de in gebruik zijn de activa, bedoeld in het eerste lid, wordt jaarlijks met de begroting vastgesteld. Het percentage van deze omslagrente wordt bepaald uit het gewogen gemiddelde van het bij de begroting geraamde rentepercentage van de rentekosten op de opgenomen langlopende en kortlopende geldleningen. De uitkomst van dit percentage van de omslagrente wordt op een kwart procent afgerond. Artikel 15 Prijzen economische activiteiten 1. Voor de levering van goederen, diensten of werken aan overheidsbedrijven en derden en met welke bijbehorende activiteiten de gemeente in concurrentie met marktpartijen treedt, wordt tenminste de geraamde integrale kostprijs in rekening gebracht. 2. Bij het verstrekken van leningen of garanties aan overheidsbedrijven en derden brengt de gemeente de geraamde integrale kosten in rekening. 3. Bij het verstrekken van kapitaal door de gemeente aan overheidsbedrijven en derden gaat het college uit van een vergoeding van tenminste de geraamde integrale kosten van de verstrekte middelen. 4. Bij afwijking van het eerste, tweede of derde lid vanwege een publiek belang doet het college vooraf voor elk van deze activiteiten afzonderlijk een voorstel voor een raadsbesluit, waarin het publieke belang van de activiteiten wordt gemotiveerd. 5.
Raadsbesluiten met de motivering van het publiek belang als bedoeld in het vorig lid zijn niet nodig als minder dan de integrale kostprijs in rekening wordt gebracht en sprake is van één van de uitzonderingen zoals genoemd in artikel 25h van de Mededingingswet. Artikel 16 Vaststelling hoogte belastingen, rechten, heffingen en prijzen Het college doet de raad jaarlijks een voorstel voor de hoogte van de gemeentelijke tarieven voor de belastingen, de rioolheffing, de afvalstoffenheffing, de marktgelden, de lijkbezorgingsrechten en de leges. Artikel 17 Financieringsfunctie 1. Het gemeentelijk beleid inzake de financieringsfunctie ligt vast in een treasurystatuut. 2. De raad stelt het treasurystatuut vast, nadat de raad advies heeft ingewonnen van de auditcommissie. 3. Indien beleidswijzigingen of wijzigingen als gevolg van wettelijke bepalingen optreden en daarvoor aanpassing van het vastgelegde beleid nodig is, wordt het treasurystatuut herzien. Paragraaf 5 Paragrafen bij de begroting en de jaarstukken Artikel 18 Lokale heffingen Het college neemt in de paragraaf lokale heffingen van de begroting en de jaarstukken ten minste de verplichte onderdelen op grond van artikel 10 van het BBV op. Artikel 19 Weerstandsvermogen In bijlage 3 Beleidskader weerstandsvermogen is het beleidskader ten aanzien van het weerstandsvermogen opgenomen.
Dit kader geeft de uitgangspunten weer voor het risicobeleid en de wijze waarop de gemeente Halderberge omgaat met het weerstandsvermogen. Artikel 20 Onderhoud kapitaalgoederen 1. Het college biedt de raad een onderhoudsplan openbare ruimte aan. Dat kan in één plan of apart voor de diverse onderdelen van de openbare ruimte. Het onderhoudsplan openbare ruimte geeft het kader weer voor het beoogde onderhoudsniveau, de planning van het onderhoud, de kosten van het onderhoud voor het openbaar groen, water, wegen, kunstwerken en straatmeubilair. 2. Het college biedt de raad een rioleringsplan aan. Het rioleringsplan geeft het kader weer voor het beheer van het watersysteem, waaronder het beoogde onderhoudsniveau, de
planning van het onderhoud, de uitbreiding van de riolering en de kosten van het onderhoud. 3. Het college biedt de raad een onderhoudsplan gebouwen aan. Het onderhoudsplan gebouwen bevat voorstellen voor het te plegen onderhoud en de bijbehorende kosten aan de gemeentelijke gebouwen. 4. De raad stelt de de plannen zoals genoemd in lid 1 t/m 3 vast. 5. Het college biedt de raad voorstellen voor aanpassing van de in dit artikel genoemde plannen aan indien op grond van gewijzigde wettelijke bepalingen, gewijzigd gemeentelijk beleid of anderszins daar aanleiding toe is. Artikel 21 Financiering Het college neemt in de paragraaf financiering van de begroting en de jaarstukken ten minste de verplichte onderdelen op grond van artikel 13 van het BBV op. Artikel 22 Bedrijfsvoering Het college neemt in de paragraaf bedrijfsvoering van de begroting en de jaarstukken naast de verplichte onderdelen op grond van artikel 14 van het BBV in ieder geval op: a. de omvang, opbouw en ontwikkeling van het personeelsbestand en de loonkosten; b. ontwikkelingen in het beleid ten aanzien van de diverse onderdelen van de bedrijfsvoering; c.
een toelichting op alle afwijkingen, die in de rechtmatigheidsverantwoording zijn opgenomen en alle niet in de rechtmatigheidsverantwoording opgenomen afwijkingen, voor zover deze laatste de rapportagegrens, zoals bedoeld in de beleidsnota rechtmatigheid overschrijden, en welke maatregelen worden genomen om deze afwijkingen in de toekomst te voorkomen. Artikel 23 Verbonden partijen Het college neemt in de paragraaf verbonden partijen van de begroting en de jaarstukken ten minste de verplichte onderdelen op grond van artikel 15 van het BBV op. Artikel 24 Grondbeleid 1. Het gemeentelijk grondbeleid wordt vastgelegd in een afzonderlijke beleidsnota, de Nota grondbeleid. In deze nota wordt tenminste aandacht besteed aan: a. de strategische visie van het toekomstig grondbeleid van de gemeente; b. de vormen van grondbeleid (faciliterend en/of actief); c. de gewenste samenwerkingsvormen; d. en de uitgangspunten voor de uitgifte van gronden en voor de verkoopprijzen van de gronden. 2. Het college biedt de raad jaarlijks als bijlage bij de kadernota een meerjarenperspectief voor de grondexploitaties aan. In dit meerjarenperspectief wordt tenminste ingegaan op: a. te ontwikkelen en in ontwikkeling genomen projecten en de financiële positie van de grondexploitaties; b.
de looptijd van de grondexploitaties en het geraamde saldo (tegen contante waarde) van de projecten binnen de grondexploitaties; c. Het verloop van de totale boekwaarde van de projecten binnen de grondexploitaties; d. en het verloop van de reservepositie van de grondexploitaties. 3. Het beleid over de bijdragen van de eigen grondexploitaties en die van derden in bovenwijkse voorzieningen wordt vastgelegd in een aparte nota kostenverhaal. 4. Het college biedt de raad een voorstel voor aanpassing van de Nota grondbeleid en/of de nota kostenverhaal aan indien op grond van gewijzigde wettelijke bepalingen, gewijzigd gemeentelijk beleid of anderszins daar aanleiding toe is. Paragraaf 6 Financiële organisatie en financieel beheer Artikel 25 Administratie
1. De administratie is zodanig van opzet en werking, dat zij in ieder geval dienstbaar is voor: a. het sturen en het beheersen van activiteiten en processen in de gemeente als geheel; b. het verstrekken van informatie over ontwikkelingen in de omvang van de vaste activa, voorraden, vorderingen en schulden; c. het verschaffen van informatie over uitputting van de toegekende budgetten en investeringskredieten en voor het maken van kostencalculaties; d. het afleggen van verantwoording over de rechtmatigheid, de doelmatigheid en de doeltreffendheid van het gevoerde bestuur in relatie tot de gestelde beleidsdoelen, de begroting en relevante wet- en regelgeving; e. en de controle van de registratie van gegevens als zodanig en van de daaraan ontleende informatie, alsmede voor de controle op de rechtmatigheid, de doelmatigheid en de doeltreffendheid van het gevoerde bestuur in relatie tot de gestelde beleidsdoelen, de begroting en relevante wet- en regelgeving. Artikel 26 Financiële organisatie Het college zorgt voor: a. een eenduidige indeling van de gemeentelijke organisatie en een eenduidig toewijzing van de gemeentelijke taken aan de teams; b. een adequate scheiding van taken, functies, bevoegdheden, verantwoordelijkheden; c. de verlening van mandaten en volmachten voor het aangaan van verplichtingen ten laste van de toegekende budgetten en investeringskredieten; d.
de interne regels voor taken en bevoegdheden, de verantwoordingsrelaties en de bijbehorende informatievoorziening van de financieringsfunctie; e. de te maken afspraken met de teams over de te leveren prestaties, de daarvoor beschikbare middelen en de wijze en frequentie van rapportage over de voortgang van de activiteiten en uitputting van middelen; f. het beleid en de interne regels voor de inkoop en de aanbesteding van goederen, werken en diensten; g. het beleid en de interne regels voor de steunverlening en de toekenning van subsidies aan ondernemingen en instellingen; h. het beleid en de interne regels voor het voorkomen van fraude van gemeentelijke regelingen en eigendommen, opdat aan de eisen van rechtmatigheid, controle en verantwoording wordt voldaan, en i. het verzamelen en vastleggen van gegevens over de geleverde prestaties zodat de doelmatigheid en doeltreffendheid van het beleid, zoals vastgesteld door de raad, kunnen worden getoetst. Artikel 27 Interne controle 1. Het college zorgt voor de jaarlijkse interne toetsing van de getrouwheid van de informatieverstrekking en de rechtmatigheid van de financiële beheershandelingen. Bij afwijkingen in de rechtmatigheid rapporteert het college daarover in de rechtmatigheidsverantwoording, zoals beschreven in artikel 22 onder c.
Daarnaast informeert het college de raad over genomen maatregelen tot herstel van de tekortkomingen. 2. Het college zorgt voor de systematische controle van de administratie en de ontwikkeling van de bezittingen en het financieel vermogen van de gemeente met dien verstande dat de waardepapieren, de voorraden, de uitstaande leningen, de debiteurenvorderingen, de liquiditeiten, de opgenomen leningen, de kortlopende schulden en de vorderingen van crediteuren jaarlijks worden gecontroleerd. Bij afwijkingen in de administratie neemt het college maatregelen tot herstel van de tekortkomingen. Paragraaf 7 Slotbepalingen
Artikel 28 Intrekking en overgangsrecht De Financiële verordening Halderberge, zoals vastgesteld door de raad in zijn vergadering van 28 mei 2020, wordt ingetrokken, met dien verstande dat deze van toepassing blijft op de jaarrekening en het jaarverslag en bijbehorende stukken van het begrotingsjaar voorafgaand aan het jaar waarin deze verordening in werking treedt en op de begroting, jaarrekening en jaarverslag en bijbehorende stukken van het begrotingsjaar dat samenvalt met het jaar waarin deze verordening in werking treedt, voor zover de beslissingen en handelingen plaats hebben gevonden voor de datum van inwerkingtreding van deze verordening. Artikel 29 Inwerkingtreding en citeertitel 1. Deze verordening treedt in werking op de dag na bekendmaking. 2. Deze verordening wordt aangehaald als: Financiële verordening gemeente Halderberge. Aldus vastgesteld in de vergadering van de raad van de gemeente Halderberge op 23 maart 2023, de griffier,
de voorzitter,
drs. A. Koenen
drs. B.J.A. Roks
Bijlage 1 Afschrijvingsbeleid (behorend bij artikel 11) Afschrijvingsbeleid materiële vaste activa Grensbedrag voor afschrijving Activa, zowel met economisch nut als met maatschappelijk nut, met een verkrijgingsprijs van minder dan € 20.000 worden niet geactiveerd, uitgezonderd gronden en onbewerkte terreinen die altijd worden geactiveerd. Bij de bepaling van het bedrag van € 20.000 wordt gekeken naar het totaal van de investering en niet naar de prijs per afzonderlijk goed. Waarderen en afschrijven Bij het waarderen (de bepaling van de waarde en de regels die daarvoor gelden) en het afschrijven van activa worden de bepalingen van het BBV aangehouden. Aanvullend daarop gelden gelden bij de gemeente Halderberge de volgende bepalingen: 1. Activa worden gewaardeerd tegen de verkrijgings- of vervaardigingsprijs. De verkrijgingsprijs omvat de inkoopprijs en de bijkomende kosten. De vervaardigingsprijs omvat de aanschafkosten van de gebruikte grond- en hulpstoffen en de overige kosten die rechtstreeks aan de vervaardiging kunnen worden toegerekend. Hieronder vallen ook personeelskosten die direct aan een actief zijn toe te rekenen. 2. Personeelskosten worden toegerekend op basis van een percentage over de totale lasten van de investering.
Dit percentage wordt op voorcalculatorische basis berekend en toegepast op zowel de raming voor het investeringsplan in de begroting als voor de realisatie. 3. Activa die zijn geactiveerd, worden lineair afgeschreven. 4. Op activa wordt afgeschreven vanaf het boekjaar volgend op het jaar waarin het kapitaalgoed gereed komt of is verworven. 5. Indirecte kosten, waaronder salariskosten van overheadfuncties, worden niet geactiveerd, maar in het betreffende jaar ten laste van de exploitatie gebracht. 6. De restwaarde van activa wordt uit voorzichtigheidsoverwegingen in beginsel voor alle activa op 0 gewaardeerd. 7. Op vaste activa met een beperkte gebruiksduur wordt conform het BBV jaarlijks afgeschreven volgens een stelsel dat is afgestemd op de verwachte toekomstige gebruiksduur. 8. Er kan gebruik worden gemaakt van de componentenbenadering. Hiervan is sprake als verschillende bestanddelen van een materieel vast actief, die afzonderlijk vervangen kunnen worden, apart worden afgeschreven op basis van de individuele waardevermindering van die delen. Toepassing van deze methode is toegestaan als de financiële omvang van de afzonderlijke componenten omvangrijk is en de technische of economische levensduur van die afzonderlijke componenten afwijkt van de rest van het actief.
Bij activa waarbij het gewenst is om de componentenbenadering toe te passen, wordt dit gemotiveerd toegelicht in het voorstel aan de raad. Renteberekening De rente die aan actief wordt toegerekend, wordt altijd berekend over de boekwaarde van het actief per 1 januari van het betreffende jaar. Materiële vaste activa met een maatschappelijke nut Materiële vaste activa met een maatschappelijk nut zijn investeringen die niet verhandelbaar zijn en geen middelen genereren, maar wel een publieke taak vervullen. Het gaat hierbij voornamelijk om investeringen in de openbare ruimte. Materiële activa met een maatschappelijk nut worden geactiveerd en afgeschreven in een termijn die is afgestemd op de verwachte levensduur. In de tabel met afschrijvingstermijnen zijn hiervoor diverse afschrijvingstermijnen opgenomen. Afschrijvingstermijnen
Immateriële vaste activa 5 jaar Kosten voor onderzoek en ontwikkeling Variabel * Bijdrage aan activa in eigendom van derden * De afschrijvingsduur is maximaal gelijk aan die van de activa waarvoor de bijdrage aan derden wordt verstrekt. Materiële vaste activa met economisch nut Op gronden en terreinen wordt niet afgeschreven, voor zover het gronden zonder aanvullende bewerkingen zijn of ondergronden van gebouwen en andere voorzieningen. Indien het investeringen in terreinen betreft waarvan de waarde gedurende de levensduur afneemt, is sprake van bewerkte terreinen en wordt er wel afgeschreven. Gronden en terreinen Bewerkte terreinen Aanleg sportvelden en banen Toplaag kunstgrasvelden Onderlaag kunstgrasvelden Begraafplaatsen aanleg en uitbreiding Begraafplaatsen herinrichting
25 jaar 25 jaar 12 jaar 25 jaar 50 jaar 15 jaar
Woonruimten, bedrijfsgebouwen, scholen en sportgebouwen en culturele gebouwen Nieuwbouw Renovatie Aankoop bestaande gebouwen Nieuwbouw semi-permanente gebouwen
40 jaar 25 jaar 25 jaar 10 jaar
Riolering Riolering algemeen (niet specifiek benoemd) Vrijvervalriolen Bergbezinkvoorzieningen Grondwatermaatregelen Afkoppelmaatregelen Gemalen – mechanisch/elektrisch Drukriolering – mechanisch/elektrisch IBA klasse III Maatregelen waterketen
70 jaar 70 jaar 70 jaar 70 jaar 70 jaar 15 jaar 15 jaar 15 jaar 70 jaar
Inventaris Eerste inrichting en onderwijsleerpakket scholen Inventaris overige gemeentelijke gebouwen
10 jaar 10 jaar
Machines, apparaten en technische installaties Algemeen (niet specifiek benoemd) Technische installaties (verwarming, klimaatbeheersing, ed.) Telefooncentrale, automatiseringsnetwerken, e.d. Automatisering hardware Mobiele telefoons Tablets en laptops Speeltoestellen
10 jaar 15 jaar 10 jaar 4 jaar 3 jaar 4 jaar 10 jaar
Vervoermiddelen
Tractiemiddelen en materieel buitendienst Dienstauto's
Overige duurzame bedrijfsmiddelen Automatisering software Automatisering gebruiksrechten (licenties) met onbepaalde duur
10 jaar 8 jaar 4 jaar 4 jaar
Materiële vaste activa met maatschappelijk nut Wegenbouwkundige werken Wegreconstructies, pleinen en rotondes Fietspaden en voetpaden Aanleg en vervanging van kunstwerken (viaducten, tunnels, bruggen) Verkeersmaatregelen Verkeersregelinstallaties Verlichting – armaturen Verlichting – lichtmasten
40 jaar 25 jaar 40 jaar 25 jaar 15 jaar 20 jaar 40 jaar
Waterbouwkundige werken Waterbouwkundige werken
40 jaar
Werken aan gronden en terreinen Aanleg / vervanging / reconstructie parken en plantsoenen Voorzieningen in parken en plantsoenen Overige werken aan gronden en terreinen
30 jaar 15 jaar 30 jaar
Overige materiële activa met maatschappelijk nut Straatmeubilair
10 jaar
Bijlage 2 Beleidskader reserves en voorzieningen (behorend bij artikel 13) Deze bijlage is een uitwerking van artikel 13 van deze verordening en betreft het beleidskader voor de indeling, vorming, besteding en opheffing van reserves en voorzieningen. Begrippen Reserves Reserves zijn vermogensbestanddelen die als eigen vermogen zijn aan te merken en die vrij te besteden zijn. Reserves vallen uiteen in algemene reserves en bestemmingsreserves. Functies reserves De functies van reserves kunnen zijn: bufferfunctie: het opvangen van onverwachte tegenvallers en risico’s (weerstandscapaciteit); bestedingsfunctie: reserveren van middelen voor specifieke activiteiten of doelen; egalisatiefunctie: het egaliseren van kosten over meerdere jaren. Algemene reserves De algemene reserves van de gemeente hebben een bufferfunctie voor het opvangen van financiële tegenvallers in algemene zin. Bestemmingsreserves Bestemmingsreserves zijn reserves waaraan de gemeenteraad een bepaalde bestemming heeft gegeven. De reserves hebben over het algemeen een bestedings- of egalisatiefunctie. Voorzieningen Bij voorzieningen gaat het om (on)zekere verplichtingen die tot schulden en/of lasten kunnen leiden en ter egalisatie van kosten. Voorzieningen worden gerekend tot het vreemd vermogen en er kan alleen over beschikt worden voor het doel waarvoor de voorziening is ingesteld.
Vorming van reserves en voorzieningen Vorming en opheffing van reserves De raad beslist over de vorming en opheffing van reserves en kan dit op ieder gewenst moment doen. Bij het vormen van reserves gelden de volgende voorwaarden: de reserve moet vooraf worden ingesteld door een expliciet besluit van de raad; bij bestemmingsreserves wordt in de toelichting op het besluit van de raad in ieder geval aangegeven: o het specifieke doel van de reserve; o het bestedingsplan van de reserve; o de voeding van de reserve, en o indien van toepassing ook de maximale looptijd en de maximale hoogte. Als het doel is bereikt, houdt de reserve op te bestaan. Een eventueel restant wordt in principe toegevoegd aan de Algemene reserve. Desgewenst kan de raad anders beslissen. Vorming voorziening In het BBV is in artikel 44 bepaald wanneer voorzieningen gevormd worden. Voorzieningen worden gevormd wegens: verplichtingen en verliezen waarvan de omvang op de balansdatum onzeker is, doch redelijkerwijs in te schatten (bijv. voor voorzienbare verliezen in de grondexploitaties); op de balansdatum bestaande risico’s ter zake van bepaalde te verwachten verplichtingen of verliezen waarvan de omvang redelijkerwijs is te schatten (bijv. de voor dubieuze debiteuren);
kosten die in een volgende begrotingsjaar zullen worden gemaakt, mits het maken van die kosten zijn oorsprong mede vindt in het begrotingsjaar of in een voorafgaand begrotingsjaar en de voorziening strekt tot gelijkmatige verdeling van lasten over een aantal begrotingsjaren (bv. kosten voor groot onderhoud); bijdragen aan toekomstige vervangingsinvesteringen, waarvoor een heffing wordt geheven (bijv. voor de riolering); van derden verkregen middelen die specifiek besteed moeten worden (bijv. overschotten riolering).
Van een voorziening is dus sprake als het gaat om te kwantificeren financiële verplichtingen of risico’s. Als een risico niet kwantificeerbaar is, zal dat risico opgenomen moeten worden in de paragraaf weerstandsvermogen bij de begroting. Elke voorziening moet de omvang hebben van de betreffende verplichting of het betreffende risico. De omvang mag dus niet groter, maar ook niet kleiner zijn. In beginsel beslist de raad over de vorming van een voorziening. Hier dient echter wel rekening gehouden te worden met de minimale keuzevrijheid voor de gemeenteraad als gevolg van wettelijke verplichtingen en/of het zich voordoen van risico’s. In deze gevallen zal de raad veelal achteraf worden geïnformeerd. Voor onderhoudsvoorzieningen geldt nog de aanvullende voorwaarde dat er een meerjarig beheersplan c.q. onderhoudsbegroting aan ten grondslag dient te liggen (ook om de benodigde omvang te bepalen). Indeling reserves en voorzieningen Indeling reserves 1. Algemene reserves De algemene reserves hebben een bufferfunctie voor het opvangen van onvoorziene financiële tegenvallers. Ook de algemene reserve grondexploitaties wordt gerubriceerd onder de algemene reserves. 2. Bestemmingsreserves, met de onderverdeling naar: a. Investeringsreserves Op basis van artikel 59 en 62 BBV is het niet toegestaan investeringen met een economisch nut netto te activeren.
Dit houdt in, dat de af te schrijven investering wordt verminderd met de bijdrage uit een bestemmingsreserve. Wanneer toch gebruik gemaakt wordt van een reserve als dekkingsmiddel, mag dit alleen middels de methode van bruto activeren. Hierbij wordt de investering in zijn geheel afgeschreven en worden de kapitaallasten jaarlijks (gedeeltelijk) gedekt uit de reserve gedurende de afschrijvingstermijn van de investering. b. Egalisatiereserves Het BBV maakt geen onderscheid tussen egalisatiereserves en overige bestemmingsreserves. Bij de gemeente Halderberge worden nog wel egalisatiereserves gebruikt. Deze reserves hebben als doel schommelingen in de exploitatie op te vangen. c. Reserves resultaatbestemmingen In het verleden zijn bij de jaarrekening, voor- en najaarsnota en begroting verschillende reserves gevormd, waarbij incidentele positieve resultaten in een reserve zijn gestort. Bij deze reserves is door de raad tevens een concrete bestemming aangegeven. d. Bestemmingsreserves grondexploitaties Dit betreft bestemmingsreserves die direct gerelateerd zijn aan de grondexploitaties. e. Overige bestemmingsreserves Na bovenstaande rubricering van de bestemmingsreserves resteert er nog een aantal bestemmingsreserves. Deze worden gerubriceerd onder de “overige bestemmingsreserves”. Deze reserves hebben een concreet bestedingsdoel.
Indeling voorzieningen De indeling van de voorzieningen is direct gerelateerd aan de indeling van artikel 44 van het BBV en behoeft geen nadere uitleg. Twee voorzieningen zijn bijzonder ten opzichte van de overige voorzieningen wegens de presentatie op de balans: voorzieningen voor oninbare vorderingen: op grond van artikel 10 van deze verordening worden voorzieningen gevormd wegens mogelijke oninbaarheid van openstaande vorderingen. Deze voorzieningen worden op de balans gepresenteerd als een waardecorrectie op de openstaande vorderingen aan de debetzijde van de balans (en dus niet bij de voorzieningen aan de creditzijde van de balans). voorziening verliesgevende grondexploitaties: als de boekwaarde hoger is dan de verwachte marktwaarde wordt een verliesvoorziening getroffen. Deze voorziening wordt gepresenteerd als een waardecorrectie op de post (grond-)voorraden aan de debetzijde van de balans (en dus niet bij de voorzieningen aan de creditzijde van de balans). Mutaties op reserves en voorzieningen Reserves Een toevoeging of onttrekking aan een reserve kan alleen plaatsvinden op grond van een besluit van de raad. Bij voorkeur worden mutaties aan reserves opgenomen in de begroting of de tussentijdse rapportages. Indien nodig, kan dit echter ook via een separaat raadsbesluit.
Voorzieningen Mutaties op voorzieningen kunnen in principe alleen plaatsvinden op grond van een besluit van de raad, behalve als sprake is van een wettelijke verplichting. Ook hier geldt dat mutaties bij voorkeur zijn opgenomen in de begroting of de tussentijdse rapportages. Indien nodig, kan dit echter ook via een separaat raadsbesluit. Het besluit van de raad kan een concreet bedrag inhouden. Echter, het kan ook afhankelijk zijn van een resultaat, overschot of bedrag wat uit andere mutaties voortvloeit. Opheffen van voorzieningen Indien een voorziening kan worden opgeheven en een restant saldo resteert, valt dit vrij ten gunste van de exploitatie (i.c. het programma van waaruit de voorziening is gevuld). Jaarlijkse actualisatie De reserves en voorzieningen worden minimaal tweemaal per jaar geactualiseerd, namelijk bij het opstellen van de begroting en bij het opstellen van de jaarrekening. Indien een reserve of voorziening moet worden ingesteld, moet wijzigen of kan worden afgesloten, wordt dit opgenomen in de betreffende rapportage. Bevoegdheden In bovenstaande tekst zijn de bevoegdheden al genoemd. Volledigheidshalve worden ze hier kort samengevat. Gemeenteraad De gemeenteraad heeft vanuit zijn kaderstellende rol de bevoegdheid om reserves in te stellen, op te heffen en te wijzigen.
Vanuit het budgetrecht heeft de gemeenteraad de bevoegdheid om te bepalen welke bedragen mogen worden toegevoegd en onttrokken aan de reserves. Datzelfde geldt voor de voorzieningen. De gemeenteraad heeft de bevoegdheid om voorzieningen in te stellen, op te heffen, samen te voegen, te wijzigen en te bepalen op welke wijze dotaties aan de voorziening moeten plaatsvinden. Hierbij dient rekening gehouden te worden met de minimale keuzevrijheid voor de gemeenteraad als gevolg van wettelijke verplichtingen en/of het zich voordoen van risico’s.
College De uitvoering van het hiervoor genoemde beleid is belegd bij het college. Dit komt tot uitdrukking in de aanwendingen van reserves en voorzieningen (bestedingen).
Bijlage 3 Beleidskader weerstandsvermogen (behorend bij artikel 19) Inleiding Conform artikel 9 van het BBV wordt jaarlijks in de programmabegroting en het jaarverslag de paragraaf Weerstandsvermogen en risicobeheersing opgenomen. In de paragraaf van de begroting worden de weerstandscapaciteit en de risico’s weergegeven en wordt op basis daarvan het weerstandsvermogen berekend. In het jaarverslag wordt hierover gerapporteerd. Artikel 11 van het BBV geeft vervolgens aan op welke onderdelen in de paragraaf Weerstandsvermogen en risicobeheersing tenminste moet worden ingegaan, namelijk: een inventarisatie van de weerstandscapaciteit; een inventarisatie van de risico’s; het beleid omtrent de weerstandscapaciteit en de risico’s; en enkele met name genoemde kengetallen. In deze bijlage wordt het gemeentelijk beleid inzake de weerstandscapaciteit en het weerstandsvermogen weergegeven. Begrippen Weerstandscapaciteit De weerstandscapaciteit bestaat volgens art. 11 BBV uit middelen en mogelijkheden waarover de gemeente beschikt of kan beschikken om niet begrote kosten te dekken. Het gaat om die onderdelen waarmee tegenvallers eventueel bekostigd kunnen worden. Tot de weerstandscapaciteit worden de volgende onderdelen gerekend: a. de algemene reserve en de reserves waaraan de raad een bestemming heeft gegeven die kan worden gewijzigd; b.
de in de begroting opgenomen ramingen voor onvoorziene uitgaven voor zover hier nog geen bestemming aan is gegeven; c. het incidentele rekeningsaldo dat nog niet aan de algemene reserve is toegevoegd; d. het structurele rekeningsaldo voor zover nog niet in de begroting verwerkt; e. de stille reserves, voor zover deze op korte termijn materieel te maken zijn; f. de resterende belastingcapaciteit. Bestemmingsreserve Bestemmingsreserves zijn door de raad voor een specifiek doel gereserveerde middelen. Indien het doel gerealiseerd is, worden de resterende saldi van de bestemmingsreserves toegevoegd aan de algemene reserve. Hierdoor zijn er geen ‘slapende’ reserves meer die zonder meer vrij besteedbaar zijn. Begrotingsruimte Begrotingsruimte is het positieve saldo van lasten en baten na bestemming van reserves bij ongewijzigd beleid. De ruimte kan incidenteel of structureel zijn. Deze ruimte kan gebruikt worden voor het opvangen van risico’s. Onbenutte belastingcapaciteit De ruimte die gemeenten hebben om hun tarieven opwaarts bij te stellen, wordt aangeduid als de onbenutte belastingcapaciteit. Deze onbenutte belastingcapaciteit kan bestaan uit twee componenten: de onroerendezaakbelasting (OZB); en de rioolheffing en afvalstoffenheffing.
Onroerendezaakbelasting Jaarlijks wordt in de meicirculaire van het Gemeentefonds een percentage opgenomen voor toelating tot artikel 12 Financiële verhoudingswet. Dit percentage kan gezien worden als het maximale tarief voor de gemeentelijke OZB. Het verschil tussen de berekening van de OZB op basis van dit percentage en de begrootte opbrengst is de onbenutte belastingcapaciteit. De termijn waarin deze belastingcapaciteit kan worden gerealiseerd is mede afhankelijk van de macronorm van de OZB. Rioolheffing en afvalstoffenheffing De rioolheffing en afvalstoffenheffing worden door de gemeente Halderberge op begrotingsbasis 100% kostendekkend in de begroting opgenomen. Bij een lager percentage is er sprake van onbenutte belastingcapaciteit. Stille reserves Stille reserves zijn de meerwaarden van activa die te laag of tegen nul zijn gewaardeerd, doch die direct verkoopbaar zijn indien men dat zou willen. Een stille reserve kan alleen maar deel uitmaken van de beschikbare weerstandscapaciteit als de reserve snel is te verkopen of dat het besluit (expliciet) al is genomen. Er dient dan echter ook rekening gehouden te worden dat bij verkoop het functioneren van de gemeente niet wordt aangetast.
Risico Een risico kan worden gedefinieerd als een onzekere gebeurtenis met oorzaken, een kans van optreden en effecten (ook wel impact of gevolgen) op doelstellingen van een organisatie; een effect is een afwijking van de verwachting, positief of negatief; doelstellingen kunnen betrekking hebben op verschillende niveaus - organisatiebreed, project, product, proces - en worden gekenmerkt door verschillende aspecten financiële doelen, milieudoelen, arbodoelen e.d. (alle typen risico’s op alle niveaus van een organisatie); een risico wordt vaak gekarakteriseerd door verwijzing naar mogelijke gebeurtenissen en gevolgen of een combinatie daarvan (mogelijke gebeurtenissen en/of gevolgen = impact); een risico wordt vaak uitgedrukt als een combinatie van de gevolgen van een gebeurtenis (impact) en de bijbehorende waarschijnlijkheid dat de gebeurtenis zich voordoet (kans) (impact x kans); onzekerheid is het geheel of gedeeltelijk ontbreken van informatie over, inzicht in of kennis van een gebeurtenis, de gevolgen daarvan, of de waarschijnlijkheid dat deze zich voordoet (gehele of gedeeltelijke onzekerheid). Bij een risico kan het gaan om bedreigingen, maar ook om kansen. Verder wordt risico expliciet gekoppeld aan het behalen/bereiken van doelstellingen.
Incidentele en structurele weerstandscapaciteit Binnen de weerstandscapaciteit kan een onderscheid gemaakt worden tussen incidentele en structurele weerstandscapaciteit. Incidentele weerstandscapaciteit is het vermogen om onverwachte eenmalige tegenvallers op te kunnen vangen, zonder dat dit invloed heeft op de voortzetting van taken op het geldende niveau. De middelen die dat vermogen bepalen zijn: de algemene reserve en de reserves waaraan de raad een bestemming heeft gegeven die kan worden gewijzigd; de in de begroting opgenomen ramingen voor onvoorziene uitgaven voor zover hier nog geen bestemming aan is gegeven; het incidentele rekeningsaldo dat nog niet aan de algemene reserve is toegevoegd; de stille reserves, voor zover deze op korte termijn materieel te maken zijn.
Structurele weerstandscapaciteit is het vermogen om onverwachte tegenvallers structureel in de lopende begroting op te vangen, zonder dat dit ten koste gaat van de uitvoering van de bestaande taken. De middelen die dat vermogen bepalen zijn: de resterende belastingcapaciteit; de in de begroting opgenomen ramingen voor structurele (dus cumulatief geraamde) onvoorziene uitgaven voor zover hier nog geen bestemming aan is gegeven; het structurele rekeningsaldo voor zover nog niet in de begroting verwerkt is het vermogen om calamiteiten en andere eenmalige financiële tegenvallers op te kunnen vangen zonder dat dit invloed heeft op het bedrijfsproces tegen het geldende kwaliteitsniveau. Berekening weerstandsvermogen Om het weerstandsvermogen te kunnen berekenen, dienen de risico’s in beeld en - voor zover mogelijk - gekwantificeerd te zijn. Risico’s Niet ieder risico is relevant of kan ten laste van de weerstandscapaciteit worden gebracht. Een risico dat niet kan worden gekwantificeerd wordt niet meegenomen bij de berekening van het weerstandsvermogen. Risico’s die relevant zijn voor de berekening van het weerstandsvermogen dienen ook van materiële betekenis te zijn voor het balanstotaal of de financiële positie.
Risico’s waarvan de financiële tegenvaller lager wordt ingeschat dan € 50.000, worden geacht object van de reguliere bedrijfsvoering te zijn en dienen binnen de reguliere begrotingsbudgetten te worden opgevangen. Ook risico’s die samenhangen met de reguliere exploitatie en die met een grote mate van zekerheid periodiek terugkeren, worden uitgesloten. Denk hierbij bijvoorbeeld aan het risico van schade aan eigendommen. Deze risico’s zijn meestal vrij goed meetbaar en dienen via de jaarcyclus te worden ingekaderd. Daar waar mogelijk worden deze risico’s verzekerd of afgedekt via een voorziening. Tot slot mogen begrotingstechnische risico’s niet leiden tot een beroep op de weerstandscapaciteit, omdat ze beheersbaar zijn door een goede planning & control cyclus. Dit geldt ook voor niet in geld uit te drukken risico’s van bijvoorbeeld vertraging in processen of het niet realiseren van beleidsdoelstellingen. Bij de berekening van de benodigde weerstandscapaciteit worden de volgende uitgangpunten gehanteerd. 1. Opgenomen zijn risico’s die - op relatief eenvoudige wijze - financieel zijn te vertalen. 2. Elke risico wordt berekend aan de hand van de volgende parameters: a. kans van optreden (bandbreedte 10% - 90%); b. minimaal financieel gevolg, verwacht financieel gevolg en maximaal financieel gevolg als het risico zich voordoet; c.
bij de berekening van de benodigde weerstandscapaciteit is ermee rekening gehouden dat niet alle risico’s zich tegelijkertijd zullen voordoen: de benodigde weerstandscapaciteit bedraagt 95% van het totaal aan berekende risicobedragen. 3. De gemeente krijgt voor structurele risico’s vier jaar de tijd om de financiële gevolgen van deze risico’s - fasegewijs - in de begroting/meerjarenraming op te nemen. Dit uitgangpunt vertaalt zich in een vermenigvuldigingsfactor van 2,5 voor structurele risico’s (jaar 1: 100%, jaar 2: 75%, jaar 3: 50%, jaar 4: 25%; totaal 250%). Weerstandsvermogen Het weerstandsvermogen bestaat volgens artikel 11 BBV uit de relatie tussen weerstandscapaciteit, zijnde de middelen en mogelijkheden waarover gemeente beschikt of kan beschikken om niet begrote kosten te dekken en alle risico's waarvoor geen maatregelen zijn getroffen en die van materiële betekenis kunnen zijn in relatie tot de financiële positie.
Ratio weerstandsvermogen = Beschikbare weerstandscapaciteit / Benodigde weerstandscapaciteit De ratio kan als volgt worden beoordeeld: Situatie A B C D E
Ratio weerstandsvermogen X > 2,0 1,5 < X < 2,0 1,0 < X < 1,5 0,5 < X < 1,0 X < 0,5
Betekenis weerstandsvermogen Hoog Ruim voldoende Voldoende Onvoldoende Ruim onvoldoende
Het beleid binnen de gemeente Halderberge is erop gericht om een weerstandsvermogen te hebben dat tenminste voldoende is. Dat betekent een ratio die ligt tussen de 1,0 en 1,5.
Bijlage 4 Memorie van toelichting In deze memorie van toelichting treft u een toelichting aan op de artikelen van de Financiële verordening. Artikel 1 Begripsbepalingen Voor de gehanteerde begrippen in de verordening gelden de definities uit de Gemeentewet, de Wet financiering decentrale overheden, het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten (BBV) en het Besluit accountantscontrole decentrale overheden. Overige begrippen uit de verordening zijn in artikel 1 van deze verordening gedefinieerd. Artikel 2 Vastelling programma-indeling en paragrafen Dit artikel bevat bepalingen over de inrichting van de begroting en de jaarstukken. De indeling van de programma’s wordt bij aanvang van iedere raadsperiode door de raad vastgesteld. Het BBV bepaalt in aanvulling hierop, dat de taakvelden aan de programma’s moeten worden toegewezen. Het tweede lid regelt dat de taakvelden op voorstel van het college aan de programma’s worden toebedeeld. Tevens regelt dit lid de beleidsindicatoren per programma. Met behulp van deze beleidsindicatoren wordt de begroting SMART gemaakt. Naast de verplichte beleidsindictatoren op grond van artikel 25, tweede lid, onder a van het BBV kan de raad eigen beleidsindicatoren vaststellen. Overigens bepaalt dit artikel niet dat elke nieuwe raadsperiode de gehele begroting en jaarstukken moeten worden herzien.
In de meeste gevallen is dat niet raadzaam. Als de indeling en gebruikte beleidsindicatoren de vorige raadsperiode goed zijn bevallen, kunnen deze ongewijzigd opnieuw worden vastgesteld. In andere gevallen zijn (kleine) bijstellingen of wijzigingen meestal voldoende. Het BBV schrijft een aantal verplichte paragrafen voor. In een paragraaf wordt de raad integraal geïnformeerd over een bepaald thema dat dwars door de begroting loopt. Het derde lid bepaalt dat de raad bij aanvang van een nieuwe raadsperiode kan aangeven, welke paragrafen hij nog meer wenst. Artikel 3 Inrichting begroting en jaarstukken In dit artikel zijn aanvullend op het BBV bepalingen opgenomen voor de inrichting van de begroting. In het eerste lid wordt de verplichting uit artikel 20 van het BBV om in de begroting aandacht te besteden aan de investeringen nader uitgewerkt, door te bepalen dat er bij de uiteenzetting van de financiële positie een overzicht van de investeringen wordt gegeven. Dit is nodig om ook de autorisatie van investeringskredieten mogelijk te maken. Bij investeringen moet ook worden gedacht aan grondexploitaties. Het tweede lid bepaalt, dat in aanvulling op het bepaalde in het BBV de gevolgen van de begroting en meerjarenraming voor de gemeentelijke schuldpositie inzichtelijk worden gemaakt.
In het derde lid wordt voor de jaarrekening het inzicht in de uitputting van investeringskredieten geregeld. Het vierde lid is een aanvuling op de wettelijke bepalingen over het overzicht van de incidentele lasten en baten. In de Notitie structurele en incidentele baten en lasten adviseert de Commissie BBV in de financiële verordening op te nemen vanaf welk bedrag incidentele lasten en baten apart gespecifieerd moeten worden. Met dit lid wordt invulling gegeven aan dat advies. Artikel 4 Kaders begroting Artikel 4 biedt de kaders voor het opstellen van de begroting en de meerjarenraming. Hierin staan een aantal uitgangspunten die het college bij het opstellen van deze stukken in acht moet nemen. Dit in aanvulling op de bepalingen van de artikelen 189 en 193 van de Gemeentewet en het BBV. Het eerste lid van het artikel bepaalt, dat de gemeenteraad vooraf aan het opstellen van de begroting een nota vaststelt, waarin de hoofdlijnen voor het beleid en de financiële kaders voor
de komende jaren zijn vastgelegd. De kaders geven richting aan het college voor het opstellen van de begroting en de meerjarenraming. Artikel 8 van het BBV geeft aan dat het bedrag voor onvoorzien moet zijn opgenomen in het programmaplan. In het tweede lid van artikel 4 wordt een nadere invulling aan deze wettelijke verplichting gegeven. Het exacte bedrag voor onvoorzien wordt bij het behandelen van de begroting door de raad vastgesteld. Om te veel schommelingen te voorkomen, is het bedrag voor onvoorziene uitgaven voor alle jaren in de begroting gelijk. Wel kan het bedrag in de volgende begroting anders zijn, maar ook dan geldt dat het bedrag voor alle jaren in de volgende begroting gelijk is. Het besluit voor het bedrag voor onvoorziene uitgaven moet specifiek door de raad worden beslist (dus als apart beslispunt). Artikel 5 Autorisatie begroting en investeringskredieten Artikel 5 bevat regels voor de autorisatie van de baten en lasten in de begroting en van de investeringskredieten. Op grond van artikel 189 van de Gemeentewet berust het budgetrecht bij de raad. De raad neemt uiteindelijk de beslissing welke bedragen hij voor de taken en activiteiten van de gemeente beschikbaar stelt. Gedurende het begrotingsjaar kan de raad op grond van artikel 192 van de Gemeentewet besluiten nemen voor het wijzigen van de begroting.
Het college kan slechts uitgaven doen voor de bedragen die hiervoor op de begroting zijn gebracht (derde lid van artikel 189 van de Gemeentewet). De raad kan kiezen op welk niveau hij budgetten beschikbaar stelt. Autorisatie door de raad van de baten en de lasten vindt volgens het eerste lid plaats op het niveau van programma’s. De hoofdstukken over de overhead en de algemene dekkingsmiddelen worden hetzelfde behandeld als de programma’s. Naast lopende uitgaven doet een gemeente investeringen. Ook uitgaven voor investeringen moeten door de raad worden geautoriseerd. Voor de autorisatie van deze investeringskredieten is gekozen om deze bij de begrotingsbehandeling mee te nemen (tweede lid). Wel kan de raad bij de begrotingsbehandeling aangegeven, welke investeringskredieten hij op een later tijdstip wenst te autoriseren. Zo kan de raad de autorisatie van politiek belangrijke investeringen combineren met de behandeling van de inhoudelijke kant van het investeringsvoorstel. Het bedrag voor een dergelijke investering blijft wel op de begroting staan als voorziene uitgaaf, maar de raad autoriseert de uitgaaf nog niet. Het college is nog niet bevoegd verplichtingen voor de investering aan te gaan.
Het college dient dreigende overschrijdingen van geautoriseerde lasten en investeringskredieten en dreigende onderschrijdingen van geautoriseerde baten bij het bekend worden ervan aan de raad te melden, zodat de raad kan besluiten of het budget moet worden gewijzigd of dat het beleid moet worden bijgesteld (derde lid). Voor het behandelen van de daadwerkelijke begrotingswijzigingen en bijstellingen van beleid is er voor gekozen deze mee te nemen bij de behandeling van de tussentijdse rapportages (vierde lid). Hierbij is expliciet opgenomen dat de raad specifiek beslist over de instelling van nieuwe reserves, voorzieningen en investeringskredieten. Het is namelijk de raad die de bevoegheid heeft om deze te autoriseren en door deze apart te benoemen, wordt voorkomen dat de raad hier onvoldoende aandacht voor heeft. Indien gewenst kan het college voor de dekking van overschrijdingen van lasten of onderschrijdingen van baten een beroep doen op de post voor onvoorziene uitgaven (vijfde lid). Dat kan niet voor iedere over- of onderschrijding. De raad bepaalt via deze verordening dat er sprake moet zijn van incidentele lasten (of lagere baten) waarvoor in de begroting van het lopende jaar geen of een ontoereikend budget is opgenomen. Daarbij moet het gaan om een gebeurtenis of handeling die niet kan wachten tot de eerstvolgende tussentijdse rapportage.
Dat zou immers het moment zijn om de raad te verzoeken de eerder vastgestelde budgetten te verhogen. Het is aan het college om te beoordelen of er wordt voldaan aan deze richtlijnen. Achteraf legt het college verantwoording af over de posten waarvoor een beroep is gedaan op de post voor onvoorziene uitgaven. Hoewel de gebeurtenis of handeling dan al voorbij of gedaan is, kan de raad dan oordelen of het college juist heeft gehandeld.
Vaak komen gedurende het begrotingsjaar nieuwe investeringsvoornemens op tafel, die bij het opstellen van de begroting niet waren voorzien. Het zesde lid van dit artikel regelt de autorisatie van de investeringskredieten anders dan bij vaststelling van de begroting. Bij het aanbieden van de investeringskredieten aan de raad, wordt aangegeven in welk jaar de investering naar verwachting gereed is. Gereed betekent dat de investering klaar is voor gebruik. Afrekeningen en kleine aanpassingen kunnen na de ingebruikname nog zorgen voor mutaties op een project. Indien er vertraging optreedt in de realisatie van de investering en deze niet in het aangegeven jaar klaar zal zijn, informeert het college de raad via de tussentijdse rapportages. Er is geen nieuw besluit van de raad nodig. Voorwaarde is wel dat de investering binnen het door de raad gevoteerde krediet blijft. Als het benodigde bedrag voor de investering te laag blijkt te zijn, dient het college de raad te verzoeken het investeringskrediet te verhogen (conform lid 3 van dit artikel). Artikel 6 Tussentijdse rapportage De tussentijdse rapportages zijn een belangrijk onderdeel van de planning- en controlcyclus voor de raad. Op basis van tussentijdse rapportages wordt de raad geïnformeerd over de uitputting van budgetten en investeringskredieten en de voortgang van de uitvoering van het beleid (eerste lid).
Desgewenst kan het college de voorjaarrapportage samenvoegen met de nota volgens artikel 4 en onder de naam Zomernota aan de raad aanbieden. In het derde, vierde en vijfde lid is aangegeven welke onderdelen minimaal opgenomen moeten zijn in de betreffende tussentijdse rapportage. De voorjaarsrapportage en de slotwijziging zijn met name cijfermatig van aard, terwijl in de najaarsrapportage naast een cijfermatige rapportage ook in wordt gegaan op beleidsmatige aspecten, alsmede op de voortgang van de investeringskredieten. De raad stelt op programmaniveau de baten en lasten vast. De tussentijdse rapportage zou dus formeel hier op gebaseerd moeten zijn. Echter, om de raad meer inzicht te geven in de financiële ontwikkelingen in een programma, wordt op taakveldniveau een toelichting gegeven op de belangrijkste verschillen. Indien het gewenst is om geautoriseerde uitgaven te reserveren voor een volgend begrotingsjaar, beval het vijfde lid een bepaling om dit mogelijk te maken. Artikel 7 Jaarstukken De jaarrekening zal een positief, dan wel een negatief saldo kennen. In dit artikel wordt geregeld dat het college een voorstel doet voor de bestemming van het positieve saldo, dan wel de afdekking van een eventueel negatief saldo. Artikel 8 Wensen en bedenkingen over grote onderwerpen In dit artikel is een nadere invulling van de informatieplicht van het college aan de raad opgenomen.
Het betreft een uitwerking van het vierde lid van artikel 169 van de Gemeentewet. Dat artikel verplicht het college voorafgaand aan het aangaan van bepaalde verplichtingen de raad inlichtingen te verstrekken. Dat kan onder meer als de raad er om vraagt of als een besluit ingrijpende gevolgen kan hebben voor de gemeente. In deze financiële verordening is aangegeven dat de raad altijd in de gelegenheid gesteld moet worden om wensen en bedenkingen in te brengen bij aanvragen om geldleningen, waarborgen en garanties te verstrekken. Artikel 9 EMU-saldo Voor gemeenten is in de Wet houdbare overheidsfinanciën vastgelegd, dat ze een aandeel hebben in het plafond voor het totale EMU-tekort van Nederland. Wordt dit gemeentelijk aandeel in het EMU-tekort door de gezamenlijke gemeenten overschreden, dan kan dat tot een correctieve maatregel van het Rijk leiden of tot een boete uit Europa die naar gemeenten wordt doorvertaald. Maar het kan ook zijn, dat de overschrijding niet tot aanvullend beleid van het Rijk of Europa leidt. Gemeenten krijgen in het voorjaar van het Rijk bericht of het gemeentelijk aandeel in het