CConstaterende datHalderberge
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 - Aangepast bestemmingsplan Dorpshuis de Steiger Stampersgat (241023).pdf

Gemeenteraad 26 oktober 2023, gemeente HalderbergeBij agendapunt: 7: Bestemmingsplan Dorpshuis De Steiger Stampersgat25.764 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Rapport Verkennend bodemonderzoek Dorpshuis De Steiger Stampersgat projectnummer 0478635.100 13 januari 2023 revisie 01

Rapport Verkennend bodemonderzoek Dorpshuis De Steiger Stampersgat projectnummer 0478635.100 13 januari 2023 revisie 01

Bijlage 3 Profielbeschrijvingen en zintuiglijke waarnemingen

Rapport Verkennend bodemonderzoek Dorpshuis De Steiger Stampersgat projectnummer 0478635.100 13 januari 2023 revisie 01

Bijlage 4 Analyseresultaten grondmonsters met overschrijdingen normwaarden

Rapport Verkennend bodemonderzoek Dorpshuis De Steiger Stampersgat projectnummer 0478635.100 13 januari 2023 revisie 01

Rapport Verkennend bodemonderzoek Dorpshuis De Steiger Stampersgat projectnummer 0478635.100 13 januari 2023 revisie 01

Bijlage 5 Analyseresultaten grondwatermonsters met overschrijdingen normwaarden

Rapport Verkennend bodemonderzoek Dorpshuis De Steiger Stampersgat projectnummer 0478635.100 13 januari 2023 revisie 01

Rapport Verkennend bodemonderzoek Dorpshuis De Steiger Stampersgat projectnummer 0478635.100 13 januari 2023 revisie 01

Bijlage 6 Normwaarden grond en grondwater

Rapport Verkennend bodemonderzoek Dorpshuis De Steiger Stampersgat projectnummer 0478635.100 13 januari 2023 revisie 01

Bijlage 6: Normwaarden grond en grondwater Tabel: Achtergrondwaarden en interventiewaarden grond9 (gehalten in mg/kg d.s.) Stof

Achtergrondwaarde

1. Metalen Antimoon 4,0* Arseen 20 Barium Cadmium 0,60 Chroom III 55 Chroom VI Kobalt 15 Koper 40 Kwik (anorganisch) 0,15 Kwik (organisch) Lood 50 Molybdeen 1,5* Nikkel 35 Zink 140 Beryllium Seleen Tellurium Thallium Tin 6,5 Vanadium 80 Zilver 2. Overige organische stoffen Cyanide (vrij)5 3,0 Cyanide (complex)6 5,5 Thiocyanaat 6,0 3. Aromatische verbindingen Benzeen 0,20* Ethylbenzeen 0,20* Tolueen 0,20* Xylenen (som)1 0,45* Styreen (vinylbenzeen) 0,25* Fenol 0,25 Cresolen (som)1 0,30* Dodecylbenzeen 0,35* Aromatische oplosmiddelen1, 7 2,5* 12 Dihydroxybenzenen (som) 4. Polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK) PAK’s (totaal) (som 10)1 1,5 5. Gechloreerde koolwaterstoffen A. (Vluchtige koolwaterstoffen) Monochlooretheen (Vinylchloride) 0,10* Dichloormethaan 0,10 1,1-dichloorethaan 0,20* 1,2-dichloorethaan 0,20* 2 1,1-dichlooretheen 0,30* 1,2-dichlooretheen (som)1 0,30* 1 Dichloorpropanen (som) 0,80* Trichloormethaan (chloroform) 0,25* 1,1,1-trichloorethaan 0,25* 1,1,2-trichloorethaan 0,3* Trichlooretheen (Tri) 0,25* Tetrachloormethaan (Tetra) 0,3* Tetrachlooretheen (Per) 0,15 B. Chloorbenzenen Monochloorbenzeen 0,2* Dichloorbenzenen (som)1 2,0* 1 Trichloorbenzenen (som) 0,015* Tetrachloorbenzenen (som)1 0,0090* Pentachloorbenzenen 0,0025 Hexachloorbenzeen 0,0085 C.

Chloorfenolen Monochloorfenolen (som)1 0,045 Dichloorfenolen (som)1 0,20* Trichloorfenolen (som)1 0,0030* Tetrachloorfenolen (som)1 0,015* Pentachloorfenol 0,0030*

Interventiewaarde 22 76 8 13 180 78 190 190 36 4 530 190 100 720 # 30 100# # 600 # 15 # 900 250# 15# 20 50 20 1,1 110 32 17 86 14 13 1000# 200# 8# 40

0,12 3,9 15 6,4 0,3 1 2 5,6 15 10 2,5 0,7 8,8 15 19 11 2,2 6,7 2 5,4 22 22 21 12

Stof D. Polychloorbifenylen (PCB's) 1 PCB’s (som 7) E. Overige gechloreerde koolwaterstoffen 1 Monochlooranilinen (som) 1 Dioxine (som TEQ) 1 Chloornaftaleen (som) Dichlooranilinen Trichlooranilinen Tetrachlooranilinen Pentachlooranilinen 4-chloormethylfenolen 6. Bestrijdingsmiddelen A. Organochloor-bestrijdingsmiddelen 1 Chloordaan (som) 1 DDT (som) 1 DDE (som) 1 DDD (som) Aldrin 1 Drins (som) α-endosulfan α-HCH β-HCH γ-HCH (lindaan) Heptachloor 1 Heptachloorepoxide (som) Hexachloorbutadieen organochloorhoudende bestrijdingsmiddelen (som landbodem) C. Organotinbestrijdingsmiddelen 1, 10 Organotinverbindingen (som) 2, 10 tributyltin (TBT) D. Chloorfenoxy-azijnzuur herbiciden MCPA E. Overige bestrijdingsmiddelen Atrazine Carbaryl 13 Carbofuran niet chloorhoudende bestrijdingsmiddelen Azinfosmethyl Maneb 7. Overige stoffen 3 Asbest Cyclohexanon 11 Dimethyl ftalaat 11 Diethyl ftalaat 11 Di-isobutyl ftalaat 11 Dibutyl ftalaat 11 Butyl benzylftalaat 11 Dihexyl ftalaat 11 Di(2-ethylhexyl)ftalaat 4 Minerale olie Pyridine Tetrahydrofuran Tetrahydrothiofeen Tribroommethaan (bromoform) Acrylonitril Butanol 1,2 butylacetaat Ethylacetaat Diethyleen glycol Ethyleen glycol Formaldehyde Isopropanol Methanol Methylethylketon Methyl-tert-buthyl ether (MTBE)

Achtergrondwaarde

Interventiewaarde

0,020

1

0,20* 0,000055* 0,070* 0,15* 0,60*

50 0,00018 23 # 50 # 10 # 30 # 10 # 15

0,0020 0,20 0,10 0,020 0,015 0,00090 0,0010 0,0020 0,0030 0,00070 0,0020 0,003* 0,40

4 1,7 2,3 34 0,32 4 4 17 1,6 1,2 4 4 -

0,15 0,065

2,5 -

0,55*

4

0,035* 0,15* 0,017* 0,090* 0,0075* -

0,71 0,45 2 0,017 # 2 # 22

0 2,0* 0,045* 0,045* 0,045* 0,070* 0,070* 0,070* 0,045* 190 0,15* 0,45 1,5* 0,20* 0,1* 2,0* 2,0* 2,0* 8,0 5,0 0,1* 0,75 3,0 2,0* 0,20*

100 150 82 53 17 36 48 220 60 5000 11 7 8,8 75 # 0,1 # 30 # 200 # 75 # 270 # 100 # 0,1 # 220 # 30 # 35 # 100

Rapport Verkennend bodemonderzoek Dorpshuis De Steiger Stampersgat projectnummer 0478635.100 13 januari 2023 revisie 01

Toelichting: * Achtergrondwaarde is gebaseerd op de bepalingsgrens (intralaboratorium reproduceerbaarheid), omdat onvoldoende data beschikbaar zijn om een betrouwbare P95 af te leiden. # Voor deze stof is geen interventiewaarde vastgesteld, het gehalte betreft een niveau voor ernstige verontreiniging (INEV). 1 Voor de samenstelling van de somparameters wordt verwezen naar bijlage N van de Regeling bodemkwaliteit. Voor de berekening van de som TEQ voor dioxine wordt verwezen naar bijlage B van de Regeling Bodemkwaliteit. Voor het optellen van meetwaarden beneden de bepalingsgrens wordt verwezen naar bijlage G onderdeel IV van de Regeling bodemkwaliteit. 2 De interventiewaarde voor grond voor deze stof is gelijk of kleiner dan de bepalingsgrens (intralaboratorium reproduceerbaarheid). Indien de stof wordt aangetoond moeten de risico's nader worden onderzocht. Bij het aantreffen van vinylchloride of 1,1-dichlooretheen in grond moet tevens het grondwater worden onderzocht. 3 Gewogen norm (concentratie serpentijn asbest + 10 x concentratie amfibool asbest). 4 De definitie van minerale olie wordt beschreven bij de analysenorm. Indien er sprake is van een verontreiniging met mengsels (bijvoorbeeld benzine of huisbrandolie) dan dient naast het alkaangehalte ook het gehalte aan aromatische en/of polycyclische aromatische koolwaterstoffen bepaald te worden.

Met deze somparameter is om praktische redenen volstaan. Nadere toxicologische en chemische differentiatie worden bestudeerd. 5 Bij gehalten die de achtergrondwaarden overschrijden moet rekening worden gehouden met de mogelijkheid van uitdamping. Wanneer uitdamping naar binnenlucht zou kunnen optreden, moet bij overschrijding van de achtergrondwaarde worden gemeten in de bodemlucht en moet worden getoetst aan de TCL (Toxicologisch Toelaatbare Concentratie in Lucht). 6 Het gehalte cyanide-complex is gelijk aan het gehalte cyanide-totaal minus het gehalte cyanide-vrij, bepaald conform NEN-EN-ISO 144031:2012, NEN-EN-ISO 14403-2:2012 en NEN-ISO 17380:2006. Indien geen cyanide-vrij wordt verwacht, mag het gehalte cyanide-complex gelijk worden gesteld aan het gehalte cyanide-totaal (en hoeft dus alleen het gehalte cyanide-totaal te worden gemeten). 7 De achtergrondwaarde van deze somparameter gaat uit van de aanwezigheid van meerdere van de 16 componenten, die tot deze somparameter worden gerekend (zie bijlage N). De hoogte van de achtergrondwaarde is gebaseerd op de som van de bepalingsgrenzen vermenigvuldigd met 0,7. Sommige componenten zijn tevens individueel genormeerd. Binnen de somparameter mag de achtergrondwaarde van de individueel genormeerde componenten niet worden overschreden.

Voor de componenten, die niet individueel zijn genormeerd, geldt per component een maximum gehalte van 0,45 mg/kg ds, voor de achtergrondwaarde. 8 De norm voor barium is tijdelijk ingetrokken. Gebleken is dat de interventiewaarde voor barium lager was dan het gehalte dat van nature in de bodem voorkomt. Indien er sprake is van verhoogde bariumgehalten ten opzichte van de natuurlijke achtergrond als gevolg van een antropogene bron, kan dit gehalte worden beoordeeld op basis van de voormalige interventiewaarde voor barium van 920 mg/kg. Deze voormalige interventiewaarde is op dezelfde manier onderbouwd als de interventiewaarde voor de meeste andere metalen en is voor barium inclusief een natuurlijk achtergrondgehalte van 190 mg/kg d.s. 9 Voor het omgaan met meetwaarden beneden de bepalingsgrens van het laboratorium wordt verwezen naar bijlage G onderdeel IV van de Regeling bodemkwaliteit. 10 De eenheid voor organotinverbindingen is mg Sn/kg ds. 11 Het is onzeker of de achtergrondwaarden voor ftalaten meetbaar zijn. Toekomstige ervaringen moeten uitwijzen of sprake is van een knelpunt.

12 Onder dihydroxybenzenen (som) wordt verstaan: de som van catechol, resorcinol en hydrochinon 13 De maximale waarden bodemfunctieklasse wonen en industrie van deze stoffen zijn gelijk aan de interventiewaarden bodemsanering en zijn gelijk of kleiner dan de bepalingsgrens (intralaboratorium reproduceerbaarheid). Indien de stof wordt aangetoond moeten de risico’s nader worden onderzocht. Bij het aantreffen van vinylchloride of 1,1-dichlooretheen moet tevens het grondwater worden onderzocht.

Rapport Verkennend bodemonderzoek Dorpshuis De Steiger Stampersgat projectnummer 0478635.100 13 januari 2023 revisie 01

Tabel: Streefwaarden en interventiewaarden grondwater9 (concentraties in μg/l) Stof

7

Streefwaarde Interventiewaarde Ondiep Diep (< 10 m -mv.) (> 10 m -mv.)

1. Metalen Antimoon 0,15* Arseen 10 7,2 Barium 50 200 Cadmium 0,4 0,06 Chroom 1 2,5 Kobalt 20 0,7* Koper 15 1,3* Kwik 0,05 0,01* Lood 15 1,7* Molybdeen 5 3,6 Nikkel 15 2,1* Zink 65 24 Beryllium 0,05 Seleen 0,07 Tellurium – Thallium 2* Tin 2,2* Vanadium 1,2* Zilver – 2. Overige organische stoffen Chloride 100000 Cyanide (vrij) 5 Cyanide (complex) 10 Thiocyanaat 3. Aromatische verbindingen Benzeen 0,2 Ethylbenzeen 4 Tolueen 7 Xylenen (som)1 0,2 Styreen (vinylbenzeen) 6 Fenol 0,2 Cresolen (som)1 0,2 Dodecylbenzeen 1 Aromatische oplosmiddelen Catechol (o-dihydroxybenzeen) 0,2 Resorcinol (m-dihydroxybenzeen) 0,2 Hydrochinon (p-dihydroxybenzeen) 0,2 4. Polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK)5 Naftaleen 0,01* Fenantreen 0,003* Antraceen 0,0007* Fluorantheen 0,003* Chryseen 0,003* Benzo(a)antraceen 0,0001* Benzo(a)pyreen 0,0005* Benzo(k)fluorantheen 0,0004* Indeno(1,2,3cd)pyreen 0,0004* Benzo(ghi)peryleen 0,0003* 5. Gechloreerde koolwaterstoffen A. (Vluchtige koolwaterstoffen) Monochlooretheen (Vinylchloride) 0,01* Dichloormethaan 0,01* 1,1-dichloorethaan 7 1,2-dichloorethaan 7 1,1-dichlooretheen 0,01* 1,2-dichlooretheen (som)1 0,01* Dichloorpropanen (som)1 0,8* Trichloormethaan (chloroform) 6 1,1,1-trichloorethaan 0,01* 1,1,2-trichloorethaan 0,01* Trichlooretheen (Tri) 24 Tetrachloormethaan (Tetra) 0,01* Tetrachlooretheen (Per) 0,01* B.

Chloorbenzenen5 Monochloorbenzeen 7 Dichloorbenzenen (som)1 3 Trichloorbenzenen (som)1 0,01* Tetrachloorbenzenen (som)1 0,01* Pentachloorbenzenen 0,003* Hexachloorbenzeen 0,00009*

20 60 625 6 30 100 75 0,3 75 300 75 800 # 15 160# 70# 7# 50# 70# 40# 1500 1500 1500 30 150 1000 70 300 2000 200 0,02# 150# 1250# 600# 800# 70 5 5 1 0,2 0,5 0,05 0,05 0,05 0,05

5 1000 900 400 10 20 80 400 300 130 500 10 40 180 50 10 2,5 1 0,5

Stof

Streefwaarde

7

Interventiewaarde

5

C. Chloorfenolen 1 Monochloorfenolen (som) 0,3 1 Dichloorfenolen (som) 0,2 1 Trichloorfenolen (som) 0,03 1 Tetrachloorfenolen (som) 0,01 Pentachloorfenol 0,04 D. Polychloorbifenylen (PCB's) 1 PCB’s (som 7) 0,01* E. Overige gechloreerde koolwaterstoffen Monochlooranilinen (som)1 1 Chloornaftaleen (som) Dichlooranilinen Trichlooranilinen Tetrachlooranilinen Pentachlooranilinen 4-chloormethylfenolen 1 Dioxine (som TEQ) 6. Bestrijdingsmiddelen A. Organochloor-bestrijdingsmiddelen Chloordaan (som)1 0,00002* DDT (som)1 DDE (som)1 DDD (som)1 1 DDT/DDE/DDD (som) 0,000004* Aldrin 0,000009* Dieldrin 0,0001* Endrin 0,00004* 1 Drins (som) α-endosulfan 0,0002* α-HCH 0,033 β-HCH 0,008* γ-HCH (lindaan) 0,009* HCH-verbindingen (som)1 0,05 Heptachloor 0,000005* Heptachloorepoxide (som)1 0,000005* C. Organotinbestrijdingsmiddelen Organotinverbindingen (som)1 0,00005 - 0,016 D. Chloorfenoxy-azijnzuur herbiciden MCPA 0,02 E. Overige bestrijdingsmiddelen Atrazine 0,029 Carbaryl 0,002 Carbofuran 0,009 Azinfosmethyl 0,0001 Maneb 0,00005 7.

Overige stoffen Cyclohexanon 0,5 Dimethyl ftalaat Diethyl ftalaat Di-isobutyl ftalaat Dibutyl ftalaat Butyl benzylftalaat Dihexyl ftalaat Di(2-ethylhexyl)ftalaat 1 Ftalaten (som) 0,5 Minerale olie4 50 Pyridine 0,5 Tetrahydrofuran 0,5 Tetrahydrothiofeen 0,5 Tribroommethaan (bromoform) Acrylonitril 0,08 Butanol 1,2 butylacetaat Ethylacetaat Diethyleen glycol Ethyleen glycol Formaldehyde Isopropanol Methanol Methylethylketon Methyl-tert-buthyl ether (MTBE) -

100 30 10 10 3 0,01 30 6 # 100 10# # 10 1# 350# 0,000001#

0,2 0,01 0,1 5 1 0,3 3 0,7 50 150 60 100 2# 0,1# 15000 5 600 30 300 5000 630 5# 5600# 6300# 15000# 13000# # 5500 50# 31000# 24000# 6000# 9400#

Rapport Verkennend bodemonderzoek Dorpshuis De Steiger Stampersgat projectnummer 0478635.100 13 januari 2023 revisie 01

Toelichting: # Voor deze stof is geen interventiewaarde vastgesteld, de concentratie betreft een niveau voor ernstige verontreiniging (INEV). 1 Voor de samenstelling van de somparameters wordt verwezen naar bijlage N van de Regeling bodemkwaliteit. Voor de berekening van de som TEQ voor dioxine wordt verwezen naar bijlage B van de Regeling Bodemkwaliteit. Voor het optellen van meetwaarden beneden de bepalingsgrens wordt verwezen naar bijlage G onderdeel IV van de Regeling bodemkwaliteit. 4 De definitie van minerale olie wordt beschreven bij de analysenorm. Indien er sprake is van een verontreiniging met mengsels (bijvoorbeeld benzine of huisbrandolie) dan dient naast de alkaanconcentratie ook de concentratie aan aromatische en/of polycyclische aromatische koolwaterstoffen bepaald te worden. Met deze somparameter is om praktische redenen volstaan. Nadere toxicologische en chemische differentiatie worden bestudeerd. 5 Voor grondwater zijn de effecten van PAK's, chloorbenzenen en chloorfenolen indirect, als fractie van de individuele interventiewaarde, optelbaar (dat wil zeggen 0,5 x interventiewaarde stof A heeft evenveel effect als 0,5 x interventiewaarde stof B). Dit betekent dat een somformule moet worden gebruikt om te beoordelen of van overschrijding van de interventiewaarde sprake is.

Er is sprake van overschrijding van de interventiewaarde voor de som van een groep stoffen indien Σ(Ci/Ii) >1, waarbij Ci= gemeten concentratie van een stof uit de betreffende groep en Ii= interventiewaarde voor de betreffende stof uit de betreffende groep. 7 De streefwaarde grondwater voor een aantal stoffen (gemarkeerd met *) is lager dan of gelijk aan de vereiste rapportagegrens in bijlage G onderdeel IV van de Regeling bodemkwaliteit. Voor het beoordelen van meetwaarden beneden de rapportagegrens, wordt verwezen naar bijlage G. 9 Voor het omgaan met meetwaarden beneden de bepalingsgrens van het laboratorium wordt verwezen naar bijlage G onderdeel IV van de Regeling bodemkwaliteit.

Rapport Verkennend bodemonderzoek Dorpshuis De Steiger Stampersgat projectnummer 0478635.100 13 januari 2023 revisie 01

Bijlage 7 Toelichting op normwaarden grond en grondwater

Rapport Verkennend bodemonderzoek Dorpshuis De Steiger Stampersgat projectnummer 0478635.100 13 januari 2023 revisie 01

Bijlage 7: Toelichting normwaarden grond en grondwater Hieronder wordt uitgebreider op de begrippen achtergrond-, streef- en interventiewaarden en hun betekenis ingegaan. Bij de toetsing wordt een uitspraak gedaan op parameterniveau én op monsterniveau. Met betrekking tot het bepalen van de achtergrondwaarden kan in sommige gevallen de overall-conclusie op monsterniveau afwijken ten opzichte van de conclusie op parameterniveau als gevolg van de toetsregel die in artikel 4.2.2 van de Regeling Bodemkwaliteit staat. In dit artikel wordt beschreven wat onder het overschrijden van de achtergrondwaarden wordt verstaan. De achtergrondwaarden (AW) zijn landelijk geldende waarden voor een multifunctionele bodemkwaliteit en geven de bovengrens aan voor wat in de dagelijkse praktijk 'schone grond' wordt genoemd. Deze achtergrondwaarden zijn vastgesteld op basis van gehalten zoals deze voorkomen in de bodem van natuuren landbouwgronden. Dit omdat in dergelijke gronden geen belasting door lokale verontreinigingsbronnen aanwezig wordt geacht. De streefwaarde (S) geeft het concentratieniveau in grondwater aan waarboven wel en waaronder géén sprake is van een aantoonbare verontreiniging.

De interventiewaarde (I) geeft het concentratieniveau in de grond, waterbodem of grondwater aan waarboven de functionele eigenschappen die de bodem voor mens, plant en dier heeft, in ernstige mate kunnen zijn verminderd. In het overheidsbeleid wordt gesproken van een geval van ernstige bodemverontreiniging, indien de gemiddelde concentratie aan één stof de interventiewaarde overschrijdt in tenminste 25 m3 grond/slib of voor het grondwater in tenminste 100 m3 bodemvolume. Over de hoeveelheid grond/slib of grondwater waarop een eventuele overschrijding van de interventiewaarde zich voordoet kan in een eerste onderzoek meestal nog geen betrouwbare uitspraak worden gedaan. Daarom kunnen op basis van de resultaten van dit eerste onderzoek dan ook geen conclusies worden getrokken ten aanzien van het wel of niet ernstig zijn van het verontreinigingsgeval. Bij de getoetste waarden is tevens een index opgenomen. Deze index is als volgt berekend: Index = (GSSD - AW) / (I - AW). Een negatieve waarde voor de index houdt in dat de gestandaardiseerde meetwaarde (GSSD) lager is dan de achtergrondwaarde. Bij een index boven de 1 ligt de gestandaardiseerde meetwaarde boven de interventiewaarde. Een index tussen de 0 en 0,5 betekent dat de gestandaardiseerde meetwaarde (ver) onder de interventiewaarde ligt.

Een index tussen de 0,5 en 1 houdt in dat de gestandaardiseerde meetwaarde (dicht) bij de interventiewaarde ligt. Afhankelijk van de specifieke situatie geeft dit mogelijk aanleiding voor het uitsplitsen van een mengmonster en/ of het uitvoeren van een nader onderzoek. Met een nader bodemonderzoek kan de ernst en spoedeisendheid van het geval wordt vastgesteld. Een nader onderzoek kan worden uitgevoerd als er een duidelijke indicatie bestaat dat sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Een geval van ernstige bodemverontreiniging kan zich ook voordoen zonder dat de interventiewaarden worden overschreden. Als een verontreiniging zich zodanig in een ander milieucompartiment (bijv. het grondwater) of objecten (bijv. consumptiegewassen) verspreidt dat daar schadelijke effecten kunnen optreden, is er sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Ook als het bij puntbronnen van verontreinigingen (bijv. op grond van berekeningen) waarschijnlijk is dat zonder maatregelen op korte termijn (binnen maximaal enkele maanden) een verontreiniging van genoemde 25 of 100 m3 bodemvolume kan optreden, is er sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging.

Bij de toetsing worden de gemeten gehalten aan de hand van geanalyseerde of geschatte gehalten organisch stof en lutum gevalideerd omgerekend middels BOTOVA naar zogenaamde standaardbodemcondities (bodem met 10% organische stof en 25% lutum). Deze gestandaardiseerde meetwaarden worden vergeleken met de normwaarden, zoals opgenomen in de voorgaande bijlage.

Rapport Verkennend bodemonderzoek Dorpshuis De Steiger Stampersgat projectnummer 0478635.100 13 januari 2023 revisie 01

Barium In de Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013 is aangegeven dat de norm voor barium tijdelijk is ingetrokken. Gebleken is namelijk dat de interventiewaarde voor barium lager was dan het gehalte dat van nature in de bodem voorkomt. Indien sprake is van verhoogde bariumgehalten ten opzichte van de natuurlijke achtergrond als gevolg van een antropogene bron, kan dit gehalte worden beoordeeld op basis van de voormalige interventiewaarde voor barium van 920 mg/kg d.s. (voor standaardbodem). Analyses op barium dienen wel nog te worden uitgevoerd, maar de resultaten hoeven dus niet meer getoetst te worden, tenzij een duidelijke antropogene bron aanwezig is.

Rapport Verkennend bodemonderzoek Dorpshuis De Steiger Stampersgat projectnummer 0478635.100 13 januari 2023 revisie 01

Bijlage 8 Analysecertificaten

Rapport Verkennend bodemonderzoek Dorpshuis De Steiger Stampersgat projectnummer 0478635.100 13 januari 2023 revisie 01

Rapport Verkennend bodemonderzoek Dorpshuis De Steiger Stampersgat projectnummer 0478635.100 13 januari 2023 revisie 01

Bijlage 9 Verantwoording uitvoering onderzoek BRL SIKB 2000

Rapport Verkennend bodemonderzoek Dorpshuis De Steiger Stampersgat projectnummer 0478635.100 13 januari 2023 revisie 01

Rapport Verkennend bodemonderzoek Dorpshuis De Steiger Stampersgat projectnummer 0478635.100 13 januari 2023 revisie 01

Bijlage 10 (Indicatieve) toetsing Besluit bodemkwaliteit

Rapport Verkennend bodemonderzoek Dorpshuis De Steiger Stampersgat projectnummer 0478635.100 13 januari 2023 revisie 01

Bijlage 11 Toelichting toetsingskader Besluit bodemkwaliteit

Rapport Verkennend bodemonderzoek Dorpshuis De Steiger Stampersgat projectnummer 0478635.100 13 januari 2023 revisie 01

Toelichting toetsingskader Besluit bodemkwaliteit De gemeten gehalten in een partij grond worden getoetst aan de maximale waarden en rekenregels uit het Besluit en de Regeling bodemkwaliteit, specifiek de regels die gelden voor het volgens het generieke kader toepassen op landbodem. Bij het conform het Besluit bodemkwaliteit toepassen van een partij grond speelt de kwaliteit en de functie van de ontvangende bodem (oftewel de bodem ter plaatse van de toepassingslocatie) een rol. Derhalve zijn in het Besluit niet alleen maximale waarden opgenomen voor het classificeren van een toe te passen partij grond, maar ook voor het classificeren van de ontvangende landbodem: • Achtergrondwaarden (AW2000) Dit zijn landelijk geldende waarden voor een multifunctionele bodemkwaliteit en geven de bovengrens aan voor wat in de dagelijkse praktijk 'schone grond' wordt genoemd. Deze achtergrondwaarden (bekend als AW2000) zijn vastgesteld op basis van gehalten zoals deze voorkomen in de bodem van natuur- en landbouwgronden. Dit omdat in dergelijke gronden geen belasting door lokale verontreinigingsbronnen aanwezig wordt geacht. De AW2000 zijn opgenomen in bijlage B van de Regeling bodemkwaliteit. • Maximale waarden voor bodemfunctieklassen De bodemfunctieklassen beschrijven het gebruik van de landbodem.

De maximale waarden van deze bodemfunctieklassen geven de bovengrens aan voor de gewenste (duurzame) bodemkwaliteit. Bij het generieke toetsingskader wordt voor landbodem onderscheid gemaakt in de bodemfunctieklassen ‘wonen’ en ‘industrie’. De maximale waarden voor de bodemfunctieklassen zijn opgenomen in tabel 1 van bijlage B van de Regeling. • Maximale waarden voor de bodemkwaliteitsklassen De maximale waarden van de bodemkwaliteitsklassen vormen de bovengrens voor de actuele kwaliteit van de bodem alsmede van een toe te passen partij grond. Bij het generieke toetsingskader wordt voor landbodem onderscheid gemaakt in de kwaliteitsklassen ‘wonen’ en ‘industrie’. De kwaliteitsklassen voor landbodem zijn zodanig ingedeeld dat de maximale waarden van een bodemkwaliteitsklasse op hetzelfde niveau liggen als de maximale waarden van de corresponderende bodemfunctieklasse. De maximale waarden voor de bodemkwaliteitsklassen zijn opgenomen in bijlage B van de Regeling. • Lokale maximale waarden Een bevoegd gezag heeft de mogelijkheid om binnen haar beheergebied lokale maximale waarden voor de bodemkwaliteit vast te stellen waaraan een partij toe te passen grond moet voldoen.

Dit is bijvoorbeeld aan de orde wanneer een bevoegd gezag, vanuit maatschappelijke en/of ruimtelijke overwegingen, binnen haar beheersgebied een verbetering wenst of een verslechtering van de bodemkwaliteit wil toelaten. Dergelijke lokale waarden kunnen hoger of lager liggen dan de bovengenoemde maximale waarden voor de bodemkwaliteitsklassen. • Maximale emissiewaarden Bij een grootschalige bodemtoepassing hoeft niet te worden voldaan aan de maximale waarden van de bodemfunctie- en bodemkwaliteitsklasse van de ontvangende bodem. Daarentegen staat bij een dergelijke toepassing wel de emissie uit een partij grond centraal. Dit om te voorkomen dat een ontoelaatbare uitloging vanuit deze grond naar de ontvangende bodem plaatsvindt. De maximale emissiewaarden waaraan moet worden voldaan, zijn opgenomen in bijlage B van de Regeling. • Emissietoetswaarden Bij een grootschalige bodemtoepassing wordt vrijstelling verleend voor het bepalen van de emissie, en het toetsen van deze emissie aan de bovengenoemde maximale emissiewaarden, wanneer de gemiddeld gemeten gehalten in een toe te passen partij grond de zogenoemde emissietoetswaarden niet overschrijden. In dat geval wordt namelijk, op basis van in het verleden opgedane ervaringen, aangenomen dat wordt voldaan aan de maximale emissiewaarden. De emissietoetswaarden zijn opgenomen in bijlage B van de Regeling.

Rapport Verkennend bodemonderzoek Dorpshuis De Steiger Stampersgat projectnummer 0478635.100 13 januari 2023 revisie 01

De mate van overschrijden van de bovengenoemde maximale waarden bepaald tot welke klasse een toe te passen partij grond of de ontvangende landbodem behoort. Deze classificatie is echter alleen mogelijk indien de monsterneming en het laboratoriumonderzoek zijn uitgevoerd door bij regeling van Onze Ministers bepaalde methoden alsmede door een persoon of instelling die daarvoor beschikt over een erkenning. De op basis van de bovenstaande maximale waarden in te delen klassen zijn: • AW2000 De landbodem dan wel een toe te passen partij grond wordt geclassificeerd als AW2000 (oftewel schoon), wanneer de gemeten gehalten de achtergrondwaarden niet overschrijden. In artikel 4.2.2 lid 4+5 van de Regeling is beschreven wat onder het overschrijden van de achtergrondwaarden wordt verstaan. • Kwaliteitsklasse 'wonen' De kwaliteit van een partij grond die op landbodem wordt toegepast, wordt beoordeeld als de kwaliteitsklasse 'wonen', wanneer de gemeten gehalten de bovengenoemde achtergrondwaarden overschrijden maar lager zijn dan de maximale waarden voor de bodemkwaliteitsklasse 'wonen' (zie artikel 4.4.1 lid 1 van de Regeling). De kwaliteit van de ontvangende landbodem wordt beoordeeld als de kwaliteitsklasse 'wonen', wanneer de gemeten gehalten de bovengenoemde achtergrondwaarden overschrijden maar lager zijn dan de maximale waarden voor de bodemkwaliteitsklasse 'wonen'.

In artikel 4.10.2 lid 3 van de Regeling is beschreven wat onder het overschrijden van de maximale waarden voor de kwaliteitsklasse 'wonen' wordt verstaan. • Kwaliteitsklasse 'industrie' De kwaliteit van de ontvangende landbodem alsmede van een partij grond die op landbodem wordt toegepast, wordt beoordeeld als de kwaliteitsklasse 'industrie' wanneer de gemeten gehalten de maximale waarden voor de kwaliteitsklasse 'wonen' overschrijden, maar lager zijn dan de maximale waarden voor de bodemkwaliteitsklasse 'industrie' (zie artikel 4.4.1 lid 2 en 4.10.2 lid 5 van de Regeling). • Niet toepasbare grond Wanneer de gemeten gehalten in een partij grond de maximale waarden voor de kwaliteitsklasse 'industrie' overschrijden, dan komt deze grond niet in aanmerking voor hergebruik volgens het generieke toetsingskader van het Besluit. In dat geval dient te worden nagegaan of mogelijk wordt voldaan aan de voorwaarden voor het gebiedsspecifieke toetsingskader (art. 44 t/m 53 van het Besluit). Zo niet dan dient de grond te worden gereinigd of te worden gestort. Grond die als AW2000 (schone grond) wordt beoordeeld, is vrij toepasbaar op landbodem. Voor het toepassen van grond die wordt geclassificeerd als 'wonen' of 'industrie' moet worden voldaan aan de voorwaarden van het generieke toetsingskader (art. 54 t/m 61 van het Besluit).

Alle toepassingen van grond moeten 5 werkdagen vooraf worden gemeld via het Meldpunt Bodemkwaliteit, behalve wanneer sprake is van het toepassen van minder dan 50 m3 schone grond.

Rapport Verkennend bodemonderzoek Dorpshuis De Steiger Stampersgat projectnummer 0478635.100 13 januari 2023 revisie 01

Bijlage 12 Foto’s onderzoekslocatie en veldwerk

Rapport Verkennend bodemonderzoek Dorpshuis De Steiger Stampersgat projectnummer 0478635.100 13 januari 2023 revisie 01

Rapport Verkennend bodemonderzoek Dorpshuis De Steiger Stampersgat projectnummer 0478635.100 13 januari 2023 revisie 01

Bijlage 13 Toelichting op het uitgevoerde PFAS onderzoek

Rapport Verkennend bodemonderzoek Dorpshuis De Steiger Stampersgat projectnummer 0478635.100 13 januari 2023 revisie 01

Toelichting op het uitgevoerde PFAS onderzoek Wet bodembescherming (Wbb), generiek In het kader van de Wet bodembescherming is tot op heden geen beleid opgesteld. Wegens het ontbreken van een toetsingskader worden de grenswaarden als rapportagegrens aangehouden. Wanneer gehalten boven de grenswaarde van 0,1 µg/kg ds worden gemeten, is er sprake van een verontreiniging. In bijlage 6 van de Circulaire Bodemsanering is de richtlijn ‘Omgaan met niet-genormeerde stoffen’ opgenomen, als handvat hoe om te gaan met niet-genormeerde stoffen. Deze richtlijn beschrijft de invulling van de zorgplicht voor stoffen waarvoor geen achtergrondwaarde of interventiewaarde is vastgesteld. De richtlijn is daarmee leidend voor de omgang van grond of baggerspecie met meetbare concentraties niet genormeerde stoffen, zoals PFAS. In deze richtlijn is opgenomen dat voor niet-genormeerde stoffen de detectiegrens van een laboratorium als achtergrondwaarde voor grond en waterbodem kan worden gehanteerd. Voor PFAS is de bepalingsgrens voor grond/waterbodem respectievelijk 0,1 µg/kg. Dit betekent dat indien een gehalte of concentratie boven de bepalingsgrens wordt gemeten, formeel sprake is van een verontreiniging.

Volgens het Handelingskader PFAS wordt gesteld dat deze moet worden gezien tegen de achtergrond van de Wbb en het Besluit bodemkwaliteiten invulling geeft aan de zorgplicht op basis van een wetenschappelijke onderbouwing. Met het De toepassingsnormen uit het Handelingskader PFAS bieden dan ook meer ruimte dan de hierboven genoemde bepalingsgrens. Het Handelingskader PFAS heeft echter geen wettelijke status. De uiteindelijke beslissing voor toekomstig gebruik op basis van de aanwezige PFAS concentraties van de locatie is aan het bevoegd gezag Wbb. Besluit bodemkwaliteit (Bbk) Op 8 juli 2019 is door het Ministerie Infrastructuur en Waterstaat een brief en bijbehorend Tijdelijk Handelingskader ten aanzien van hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie aan de Tweede kamer aangeboden (8 juli 2019, kenmerk: IENW/BSK-2019/131399, hierna genoemd als handelingskader). Hierin staat beschreven dat bij het verwerken en aanbieden van grond inzichtelijk dient te zijn in hoeverre deze PFAS-houdend is. Hiertoe is op 12 juli door het RIVM een adviespakket PFAS gepubliceerd waarop de bovengrond onderzocht dient te worden. De ondergrond hoeft alleen onderzocht te worden indien uit vooronderzoek blijkt dat de grond geroerd is of op een andere wijze verdacht is op de aanwezigheid van PFAS (zoals een nabijgelegen puntbron). GenX maakt geen deel uit van het adviespakket.

Analyse op GenX dient alleen plaats te vinden indien de locatie verdacht is op het voorkomen van de stof. Wel wordt hierbij opgemerkt dat door een grondbank/ erkend verwerker onderzoek naar GenX kan worden geëist voor inname, ook wanneer een locatie niet als verdacht op GenX wordt beschouwd. Een grondbank kan voor het in ontvangst nemen van een partij grond/waterbodem haar eigen voorwaarden stellen. Op 29 november 2019 en 2 juli 2020 zijn middels een kamerbrieven enkele aanpassingen verricht aan de toepassingsnormen van het Tijdelijk Handelingskader PFAS. In het actuele Handelingskader van 13 december 2021 zijn de laatst beschikbare inzichten, inclusief de doorwerking van de EFSA-opinie voor een aangepaste voedselinnamenorm, meegenomen. In het onderhavige Handelingskader zijn op basis van de afgeronde onderzoeken geen andere toepassingseisen opgenomen. De resultaten van de onderzoeken bevestigen de eerdere keuzes die uit voorzorg en met betrekking tot risico’s voor grond- en oppervlaktewater in de vorige tijdelijke versies van het handelingskader zijn gemaakt. Dit betekent ook dat er geen consequenties zijn voor toepassingen die op basis van de vorige versies zijn uitgevoerd en/of nog in uitvoering zijn. Onderdelen van het Handelingskader PFAS worden naar verwachting in 2022 opgenomen in het Besluit bodemkwaliteit.

Het Handelingskader PFAS zal op termijn een definitief handelingskader worden en via een separate wijziging in de Regeling bodemkwaliteit juridisch worden verankerd. Standaard analysepakket Voor de analyse op PFAS wordt geadviseerd om gebruik te maken van de advieslijst van het RIVM. Hierin zijn 30 PFAS componenten (28 PFAS stoffen waarvan 2 zowel lineair als vertakt) opgenomen. Daarnaast dienen de monsters te worden geanalyseerd op het organische stof gehalte. Dit om de gemeten gehalten te kunnen corrigeren. Grondwateronderzoek Voor PFAS in grondwater is er op dit moment geen normering vastgesteld in het Handelingskader PFAS. Volgens de Circulaire bodemsanering dient in dat geval de detectielimiet als norm gebruikt. Op aangeven van Bodem+ is de detectielimiet voor PFAS in grondwater bepaald op 1 ŋg/l. Wanneer een concentratie

Rapport Verkennend bodemonderzoek Dorpshuis De Steiger Stampersgat projectnummer 0478635.100 13 januari 2023 revisie 01

PFAS gemeten wordt boven deze bepalingsgrens, dient volgens de Circulaire bodemsanering het grondwater formeel als verontreinigd beschouwd te worden. Toetsregels Handelingskader Op de maximale toepassingswaarden hoeft geen bodemtypecorrectie te worden toegepast als het gehalte van organische stof minder dan 10% bedraagt. Als het gehalte organisch stof ligt tussen 10-30% dient wel een bodemtypecorrectie uitgevoerd te worden. Als het gehalte organisch stof boven de 30% is aangetoond dient het gehalte organisch stof van 30% gebruikt te worden bij de bodemtypecorrectie; PFOS en PFOA worden getoetst aan de hand van de sommatie van de concentraties lineair en vertakt. Overige PFAS worden getoetst per stof (dus niet gesommeerd); Indien meetgehalten onder de bepalingsgrens liggen, mag de beoordelaar naar analogie van bijlage G, onderdeel IV van de Rbk (Regeling bodemkwaliteit), ervan uitgaan dat de kwaliteit van de grond, grondwater, baggerspecie, bodem, bodem of oever van een oppervlaktewaterlichaam voldoet aan de toepassingswaarden. Toepassingsnormen PFAS In het Handelingskader PFAS zijn toepassingsnormeringen opgesteld voor PFOS, PFOA, andere PFAS en GenX (zie ook tabel A). Op basis van de huidige inzichten ontstaan er bij deze gehalten geen onaanvaardbare risico’s voor mens en milieu. De toepassingsnormen gelden tenzij er lokale maximale waarden geformuleerd zijn.

Tabel A: Toepassingsnorm voor toepassen van grond en baggerspecie (in µg/kg ds) Functieklasse op basis van het Besluit bodemkwaliteit

PFOS

PFOA

GenX

Overige PFAS

Op de landbodem 4.1 Grond en baggerspecie toepassen Landbouw/natuur 1,4 1,9 1,4 1,4 Wonen 3,0 7,0 3,0 3,0 Industrie 3,0 7,0 3,0 3,0 4.2 en 4.3 Baggerspecie toepassen boven grondwaterniveau1 als bedoeld in Besluit bodemkwaliteit, art. 35, onder f (verspreiden van baggerspecie op aangrenzend perceel of weilanddepot) en grond en baggerspecie grootschalig toepassen Algemeen 3,0 7,0 3,0 3,0 4.4 Grond en baggerspecie toepassen op de landbodem in grondwaterbeschermingsgebieden. Gebiedskwaliteit1 Gebiedskwaliteit Gebiedskwaliteit Gebiedskwaliteit Gebiedskwaliteit Algemeen 0,1 0,1 0,1 0,1 In oppervlaktewater6 4.7 en 4.8.1 Baggerspecie toepassen in hetzelfde oppervlaktewaterlichaam of aansluitende (sedimentdelende7) stroomafwaarts gelegen oppervlaktewaterlichamen als bedoeld in artikel 35, onder g, BBK (verspreiden van baggerspecie in zoet of zout oppervlaktewater) en Baggerspecie toepassen in hetzelfde oppervlaktewaterlichaam in ophogingen in waterbouwkundige constructies, uitgezonderd de diepe plas, als bedoeld in artikel 35, onder d, BBK Algemeen Toepasbaar, wel meten en toetsen op uitschieters5.

4.8.2 Het in een ander oppervlaktewaterlichaam uitgezonderd een diepe plas2: Verspreiden van baggerspecie in een ander oppervlaktewaterlichaam uitgezonderd een diepe plas (bij nietsedimentdelende oppervlaktewaterlichamen) als bedoeld in artikel 35, onder g, BBK en het toepassen van baggerspecie en grond in ophogingen in waterbouwkundige constructies als bedoeld in artikel 35, onder d, BBK. Rijkswater 3,7 0,8 0,8 0,8 Anders 1,1 0,8 0,8 0,8 4.9.1 Baggerspecie en grond toepassen in niet-vrijliggende diepe plassen die in open verbinding staan met een rijkswater2,3 Algemeen 3,7 0,8 0,8 0,8 4.9.2 Baggerspecie en grond toepassen in andere diepe plassen die niet in open verbinding staan met een rijkswater2, 4 Algemeen 1,1 0,8 0,8 0,8 Toelichting: 1: Indien de gebiedskwaliteit niet bekend is blijft de bepalingsgrens de toepassingsnorm voor het toepassen van grond en baggerspecie in grondwaterbeschermingsgebieden. Dit is 0,1 μg/kg d.s. Het voorzorgbeginsel brengt met zich mee dat met het oog op het zwaarwegende belang van de drinkwaterwinning geen onnodige risico’s worden genomen. 2: Onder ‘diepe plas’ wordt verstaan: Een met water gevulde verdieping / put in de (water)bodem die ontstaan is als gevolg van zand-, grind-, of kleiwinning of dijkdoorbraak (zoals wielen en kolken).

Onder ‘diepe plas’ wordt verstaan: oppervlaktewaterlichaam, ontstaan als gevolg van zandwinning, grindwinning of kleiwinning of een dijkdoorbraak. Onder ‘vrijliggende diepe plas’ wordt verstaan: diepe plas, die niet is gelegen in een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het Rijk en die bovendien boven de spronglaag nauwelijks wordt gevoed door oppervlaktewater van elders (de verblijftijd van het water is voor 90% van het jaar langer dan een maand). Als de diepe plas is gelegen in een groter oppervlaktewaterlichaam wordt de rest van het oppervlaktewaterlichaam beschouwd als oppervlaktewater van elders. Onder ‘niet-vrijliggende diepe plas’ wordt verstaan: diepe plas, gelegen in een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het Rijk, of diepe plas die niet aan de definitie van vrijliggende plas voldoet.

Rapport Verkennend bodemonderzoek Dorpshuis De Steiger Stampersgat projectnummer 0478635.100 13 januari 2023 revisie 01

3: Alleen indien in de nabijheid van de diepe plas geen kwetsbaar object is gelegen. Hiervoor is een toetsingskader opgenomen in de

Handreiking voor de herinrichting van diepe plassen. 4: Voor plassen waar nog geen verondieping heeft plaatsgevonden, kan niet van de toepassingswaarde in de tabel worden uitgegaan. In deze gevallen zal het waterschap in overleg met gemeente en provincie een uitvoerige afweging moeten maken of deze verondieping gewenst is en welke voorwaarden hieraan moeten worden gesteld. Hierbij moet op basis van de zorgplichten zelf worden bepaald welke kwaliteit grond en baggerspecie verantwoord kan worden toegepast. 5: Metingen om uitschieters te identificeren zijn bedoeld om te bepalen of er in partijen mogelijk sprake kan zijn van puntbronvervuilingen. Als vuistregel kan hiervoor de P95-waarde van een bepaalde PFAS worden gehanteerd. Bagger uit rijkswateren: In 2007 is voor een aantal metalen het onderscheid tussen matig verontreinigde locaties en hot spots gemaakt op basis van bagger uit het rivierengebied (Maas en Rijn). Per stof zijn uit deze gegevens P95-waarden afgeleid. Destijds zijn geen PFAS gemeten, maar aangevuld met recente projecten van RWS is hieruit een P95-percentiel af te leiden: PFOS = 8,2 μg/kg d.s., PFOA = 0,8 μg/kg d.s., EtFOSAA = 5,5 μg/kg d.s., MeFOSAA = 1,0 μg/kg d.s.. Op basis hiervan kan voor overige PFAS de laagste van de genoemde waarden, 0,8 μg/kg d.s., worden aangehouden.

Bagger uit regionale wateren: In 2019 is in het kader van het herverontreinigingsniveau (HVN) een inventarisatie uitgevoerd van de gehalten PFAS in bagger uit regionale watergangen. Hiervoor zijn PFAS-gehalten verzameld en verwerkt in een database. Uitsluitend voor de stoffen die voldoende vaak zijn gemeten, zijn uit deze gegevens P95-waarden afgeleid: PFOS = 2,2 μg/kg d.s., PFOA = 0,9 μg/kg d.s., EtFOSAA = 1,8 μg/kg d.s. Voor overige PFAS kan de waarde 0,8 μg/kg d.s., worden aangehouden. Hogere dan voornoemde waarden in respectievelijk bagger uit rijkswateren en regionale wateren kunnen een aanwijzing zijn voor de aanwezigheid van een puntbronvervuiling in de partij. Wat vervolgens de mogelijkheden zijn voor de betreffende partij, hangt onder meer af van de aantallen gemeten uitschieters, de hoogte van de gemeten waarden en de lokale situatie. Dit is aan het bevoegd gezag om te beoordelen. 6: Hier wordt met ‘oppervlaktewaterlichaam’ bedoeld: samenhangend geheel van vrij aan het aardoppervlak voorkomend water, met de daarin aanwezige stoffen, alsmede de bijbehorende bodem en oevers (met uitzondering van uitdrukkelijk krachtens de Waterwet aangewezen drogere oevergebieden), alsmede flora en fauna. 7: Oppervlaktewaterlichamen zijn ‘sedimentdelend’ als sediment vrij uitgewisseld kan worden tussen de oppervlaktewaterlichamen door stroming, wind of getij.

8: De toepassingscategorieën 4.5 (grond en baggerspecie (grootschalig) toepassen onder grondwaterniveau) en 4.6 (grond toepassen in oppervlaktewater) zijn vervallen.

Rapport Verkennend bodemonderzoek Dorpshuis De Steiger Stampersgat projectnummer 0478635.100 13 januari 2023 revisie 01

Bijlage 13 Toelichting op de Omgevingswet

Rapport Verkennend bodemonderzoek Dorpshuis De Steiger Stampersgat projectnummer 0478635.100 13 januari 2023 revisie 01

Bijlage 13: Toelichting op de Omgevingswet Algemeen Op 1 januari 2023 treedt naar verwachting de Omgevingswet in werking. De verschillende wet- en regelgevingen op het gebied van ruimte, wonen, milieu, natuur en infrastructuur worden in de Omgevingswet samengevoegd. Het doel van de Omgevingswet is de verschillende aspecten van de fysieke leefomgeving in samenhang aan te pakken, ruimte te geven aan lokaal maatwerk en een snellere besluitvorming door vereenvoudiging van regels en procedures. Met ingang van de Omgevingswet verandert ook de wet- en regelgeving ten aanzien van het thema bodem. Via de Aanvullingswet bodem Omgevingswet en het Aanvullingsbesluit bodem worden de regels voor bodem onderdeel van de Omgevingswet. De nieuwe wet- en regelgeving komt in de plaats van huidige weten regelgeving. De Wet bodembescherming (Wbb), het Besluit bodemkwaliteit (Bbk) en het Besluit uniforme saneringen (BUS) zullen met ingang van 1 januari 2023 komen te vervallen. Onder de Omgevingswet zullen ook taken en bevoegdheden van overheden gaan verschuiven en worden gedecentraliseerd. Gemeenten worden verantwoordelijk voor de fysieke leefomgeving, waaronder bodem en milieubelastende activiteiten. De provincies worden verantwoordelijk voor de algemene grondwaterkwaliteit. Omgevingsdiensten worden namens de gemeenten verantwoordelijk voor vergunningverlening, toezicht en handhaving.

Op dit moment is onzeker of en hoe de Omgevingswet en de bepalingen rondom het thema bodem daadwerkelijk gaan luiden op het moment van inwerkingtreding. Onderstaande alinea’s geven een beknopte weergave van de wijzigingen voor zover op dit moment bekend. Milieubelastende activiteiten Activiteiten die invloed hebben op de fysieke leefomgeving worden milieubelastende activiteiten genoemd. Voor deze activiteiten zijn de gemeenten in de meeste gevallen bevoegd gezag. In het Besluit activiteiten leefomgeving (BAL) zijn de algemene regels beschreven voor activiteiten in de fysieke leefomgeving. Bovenop deze regels kunnen ook regels van toepassing zijn vanuit het lokale bevoegd gezag en die staan dan beschreven in het Omgevingsplan of de Omgevingsverordening. Graven, saneren en toepassen van grond/bagger/bouwstoffen worden onder de Omgevingswet beschouwd als milieubelastende activiteiten. Naast de algemene zorgplicht zijn in een aantal gevallen aanvullende regels van toepassing. Regelgeving met betrekking tot saneren (BUS) zijn in grote lijnen ondergebracht in het BAL. In het BAL is opgenomen wat de regels zijn omtrent de informatieplicht, melding en evaluatie en eventuele aanvullende eisen. Daarbovenop kan een bevoegd gezag met maatwerkvoorschriften locatiespecifieke aanvullende regels aangeven. Deze lokale regels worden beschreven in het Omgevingsplan.

Toetsing en normering Met het vervallen van de Wet bodembescherming en het Besluit bodemkwaliteit vervalt ook de huidige toetsingssystematiek aan de achtergrond-, streef- en interventiewaarden. Ter bescherming van de leefomgeving, het voldoen aan internationale verplichtingen en het behalen van nationale doelen zijn in het Besluit kwaliteit leefomgeving (BKL) algemene instructieregels en omgevingswaarden vastgelegd. De instructieregels en omgevingswaarden definiëren de bandbreedte en reikwijdte waarbinnen lokaal maatwerk geboden kan worden. Deze instructieregels en omgevingswaarden werken door in de Omgevingsplannen en -verordeningen. Lokale bevoegde gezagen, veelal gemeenten, kunnen afwijkende bodemkwaliteitsnormen ten opzichte van de rijksregels vastleggen, passend bij de functie van een gebied. Consequenties voor het uitgevoerde bodemonderzoek en overgangsrecht Onder de Omgevingswet krijgen lokale overheden de bevoegdheid om eigen normen voor bodemkwaliteit vast te stellen en aanvullende eisen en regels op te stellen ten aanzien van bodemonderzoek, bodemgebruik, grondverzet en sanering. Ten tijde van dit onderzoek is onbekend of de onderzoekslocatie is of zal worden opgenomen in een Omgevingsplan. In dit rapport is derhalve uitgegaan van de huidige weten regelgeving (Wbb en Bbk).

Overgangsrecht kan van toepassing zijn voor de geldigheid van de onderzoeksresultaten bij inwerkingtreding van de Omgevingswet. De feitelijke besluitvorming hierover ligt bij het bevoegd gezag. Zodra de Omgevingswet daadwerkelijk in werking is getreden, kan een beoordeling op basis van die wet plaatsvinden. Op dit moment gaan wij dan ook uit van de geldende beleidsregels. Antea Group sluit iedere aansprakelijkheid uit wanneer na ingang van de Omgevingswet zou blijken dat dit onderzoek beperkt of niet meer voldoet of dat de resultaten van dit onderzoek leiden tot andere conclusies.

Rapport Verkennend bodemonderzoek Dorpshuis De Steiger Stampersgat projectnummer 0478635.100 13 januari 2023 revisie 01

TEKENINGEN

Over Antea Group Antea Group is het thuis van 1500 trotse ingenieurs en adviseurs. Samen bouwen wij elke dag aan een veilige, gezonde en toekomstbestendige leefomgeving. Je vindt bij ons de allerbeste vakspecialisten van Nederland, maar ook innovatieve oplossingen op het gebied van data, sensoring en IT. Hiermee dragen wij bij aan de ontwikkeling van infra, woonwijken of waterwerken. Maar ook aan vraagstukken rondom klimaatadaptatie, energietransitie en de vervangingsopgave. Van onderzoek tot ontwerp, van realisatie tot beheer: voor elke opgave brengen wij de juiste kennis aan tafel. Wij denken kritisch mee en altijd vanuit de mindset om samen voor het beste resultaat te gaan. Op deze manier anticiperen wij op de vragen van vandaag en de oplossingen voor morgen. Al 70 jaar.

Copyright © 2022 Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar worden gemaakt door middel van druk, fotokopie, elektronisch of op welke wijze dan ook, zonder schriftelijke toestemming van de auteurs.

QUICKSCAN WET NATUURBESCHERMING HAVENSTRAAT 4-6 TE STAMPERSGAT

Rapportage quickscan Wet natuurbescherming Havenstraat 4-6 te Stampersgat Opdrachtgever

Gemeente Halderberge Postbus 5 4730 AA Oudenbosch

Rapportnummer Versienummer

16437.001 D2

Status

Eindrapportage

Datum

8 september 2021

Vestiging

Zuid-Holland Max Euwelaan 21-29 3062 MA Rotterdam 088-5001600 rotterdam@econsultancy.nl

Opsteller

De heer, O. Streng, BSc

Paraaf

Kwaliteitscontrole

Mevrouw A. van Bennekom, BSc

Paraaf

Kwaliteitszorg Econsultancy is lid van het Netwerk Groene Bureaus (NGB). Het NGB is een vereniging van ecologische advies- en onderzoeksbureaus die werkt aan de kwaliteit van advisering gericht op natuur, landschap, water, milieu en ruimte en die de belangen behartigt van groene adviesbureaus. Het Netwerk hanteert een gedragscode die opdrachtgevers en andere belanghebbenden een basis biedt om de leden aan te spreken op de kwaliteit van hun werk. Econsultancy werkt volgens een dynamisch kwaliteits- en milieusysteem, zoals beschreven in het kwaliteits- en milieuhandboek. Ons kwaliteits- en milieusysteem is gecertificeerd volgens de eisen in de NEN-EN-ISO 9001 en NEN-EN-ISO 14001. Betrouwbaarheid Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving ten aanzien van natuurwetgeving. Het onderzoek betreft een momentopname en geeft een inschatting van de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor beschermde soorten en het al dan niet voorkomen van soorten. De gebruikte informatie omtrent verspreiding van soorten is deels afkomstig uit de NDFF en mag niet zonder toestemming worden verstrekt aan derden of op enige andere wijze openbaar gemaakt worden.

Econsultancy accepteert op voorhand geen aansprakelijkheid ten aanzien van mogelijke beslissingen die de opdrachtgever naar aanleiding van het door Econsultancy uitgevoerde onderzoek neemt. In het algemeen kan gesteld worden dat een quickscan geldig is voor een periode van 2 tot 3 jaar, tenzij in deze periode de ecologische omstandigheden wezenlijk zijn veranderd en/of de Wet natuurbescherming, dan wel inzichten hieromtrent zijn gewijzigd. Bij uitstel van de uitvoering van een project met meer dan 3 jaar verdient het de aanbeveling de resultaten van de quickscan opnieuw te toetsen.

INHOUDSOPGAVE 1

INLEIDING .................................................................................................................................. 1

2

GEBIEDSBESCHRIJVING ......................................................................................................... 2 2.1 2.2

Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving ............................................................... 2 Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen ..................... 4

3

ONDERZOEKSMETHODIEK ..................................................................................................... 5

4

OVERZICHT VAN DE NATIONALE NATUURWETGEVING ..................................................... 6 4.1 4.2 4.3 4.4

5

AANGETROFFEN EN TE VERWACHTEN BESCHERMDE SOORTEN .................................. 9 5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6 5.7 5.8

6

Vogels ............................................................................................................................... 9 Vleermuizen .................................................................................................................... 13 Overige zoogdieren ........................................................................................................ 14 Reptielen ......................................................................................................................... 15 Amfibieën ........................................................................................................................ 15 Vissen ............................................................................................................................. 15 Ongewervelden............................................................................................................... 15 Vaatplanten..................................................................................................................... 16

TOETSING AAN SOORTENBESCHERMING ......................................................................... 17 6.1 6.2 6.3 6.4

7

Zorgplicht .......................................................................................................................... 6 Soortenbescherming ........................................................................................................ 6 Gebiedenbescherming ..................................................................................................... 7 Houtopstanden ................................................................................................................. 8

Broedvogels .................................................................................................................... 17 Vleermuizen .................................................................................................................... 18 Algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën .................................................... 18 Overige soort(groep)en .................................................................................................. 19

TOETSING AAN GEBIEDENBESCHERMING ........................................................................ 20 7.1 7.2

Natura 2000 .................................................................................................................... 20 Natuurnetwerk Nederland ............................................................................................... 21

8

HOUTOPSTANDEN ................................................................................................................. 22

9

SAMENVATTING EN CONCLUSIES ....................................................................................... 23

Bijlage 1 Bijlage 2

toelichting verbodsbepalingen Wet natuurbescherming verklarende woordenlijst 16437.001

1

INLEIDING

Econsultancy heeft van Gemeente Halderberge opdracht gekregen voor het uitvoeren van een quickscan Wet natuurbescherming aan de Havenstraat 4-6 te Stampersgat. De quickscan Wet natuurbescherming is uitgevoerd in het kader van een bestemmingsplanwijziging en heeft als doel in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten aanwezig of te verwachten zijn, die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve invloed kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. Tevens is beoordeeld of de voorgenomen ingreep invloed kan hebben op Natura 2000-gebieden, houtopstanden die middels de Wet natuurbescherming zijn beschermd, of op gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland. Econsultancy is lid van de branchevereniging "Netwerk Groene Bureaus" en werkt volgens de door het Netwerk opgestelde gedragscode en protocollen. In dat kader verklaart Econsultancy ten behoeve van de onderzoekslocatie niet eerder betrokken te zijn geweest voor ecologische advisering of ecologisch onderzoek.

R 16437.001 versie D1

Pagina 1 van 24

2 2.1

GEBIEDSBESCHRIJVING Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving

De onderzoekslocatie (± 2.800 m²) ligt aan de Havenstraat 4-6, gelegen in de kern van Stampersgat.

Figuur 1. Topografische ligging van de onderzoekslocatie aangegeven met een gele pijl.

Het zuidelijke deel van de onderzoekslocatie is bebouwd met het dorpshuis en basisschool ‘De Steiger’. Dit gebouw is opgetrokken uit bakstenen gevels met een zadeldak met dakpannen. Het gebouw bestaat uit vier lagen en grenst aan de zuidzijde aan een schoolplein met enkele bomen en speeltoestellen. Aan de oostzijde grenst het gebouw aan een met golfplaten bedekte fietsenstelling met daar achter een bomenrij bestaande uit verschillende soorten. Aan de noordzijde van het gebouw zijn twee aanbouwen te vinden welke respectievelijk uit drie lagen bestaan. Ten noorden van deze aanbouwen bevindt zich een met tegels bedekt plein. Het gebouw dat aan de noordzijde van dit plein grenst is een zorginstelling. Dit gebouw bestaat uit één woonlaag en is opgetrokken uit een bakstenen gevel. Het dak is grotendeels plat, hoewel zich aan de zuidzijde een met dakpannen bedekt, schuin aflopend dak begeeft. Het platte deel van het dak is omrand door een metalen dakbelijsting. Aan de oostzijde van dit gebouw bevindt zich een fietsenstelling bestaande uit een plat houten dak met enkele dikke balken en een uit bakstenen opgetrokken achterwand. Ten noorden grenst de zorginstelling aan een grasveld met daarin enkele bomen, waaronder eiken. Ten noorden van de onderzoekslocatie stroomt op ongeveer 50 meter afstand de rivier de Dintel en ten oosten grenst de onderzoekslocatie aan een woonwijk.

Ten westen is op 900 meter een industrie-

R 16437.001 versie D1

Pagina 2 van 24

terrein gelegen waar zich een zuiveringsinstallatie bevindt, daarnaast stroomt op ongeveer 1400 meter het Mark-Vlietkanaal. Verder is de onderzoekslocatie omgeven door poldergebied. In figuur 2 is een luchtfoto van de onderzoekslocatie en de directe omgeving weergegeven. De figuren 3 t/m 8 geven een impressie van de onderzoekslocatie, middels foto’s die zijn genomen tijdens het veldbezoek.

Figuur 2. Luchtfoto van de onderzoekslocatie en de directe omgeving.

Figuur 3. De noordelijk georiënteerde gevel van het dorpshuis en aan het aangrenzende plein.

R 16437.001 versie D1

Figuur 4. De zuidelijk georiënteerde gevel van het zorgcentrum.

Figuur 5. De zuidelijk georiënteerde gevel van het dorpshuis, foto genomen vanaf het aangrenzende schoolplein.

Pagina 3 van 24

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.halderberge.nl/api/v1/meetings/565/documents/16456