bestemmingsplan Toelichting.pdf
Tekst van het document
Advies Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant
De Brandweer Midden- en West-Brabant heeft, als onderdeel van de Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant geconcludeerd dat het plangebied voldoet aan de criteria van het standaardadvies. Verder voldoet het plan aan de beleidsregels inzake bereikbaarheid en bluswater. Het standaardadvies is als bijlage 4 bij deze toelichting gevoegd.
Conclusie
In de omgeving van het plangebied komen meerdere risicobronnen voor die echter geen belemmering opleveren voor het initiatief. Het plaatsgebonden risico levert geen beperkingen op. Het initiatief leidt niet tot een toename van het groepsrisico. Het plangebied ligt echter wel binnen het invloedsgebied van zowel de spoorlijn Roosendaal – Breda en de snelweg A58. Om die reden is ingegaan op de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. 4.6
Water
Toetsingskader
Bij elke ruimtelijke ontwikkeling is het opstellen van een waterparagraaf verplicht, mede in relatie tot de watertoets. Hierna is het relevante waterschapsbeleid beschreven. Daarnaast wordt op beknopte wijze ingegaan op de (eventuele) invloeden welke de beoogde plannen op de aanwezige waterhuishouding heeft, en middels welke maatregelen/ voorzieningen deze invloeden kunnen worden geminimaliseerd. Waterschapsbeleid Brabantse Delta Het waterschap Brabantse Delta is verantwoordelijk voor het waterbeheer in de gemeente Rucphen Het gaat dan om het waterkwantiteits en - kwaliteitsbeheer, de waterkeringzorg, waterzuivering, het grondwaterbeheer, het waterbodembeheer en vaak ook het scheepvaartbeheer. Het waterschap heeft de grondslag van haar beleid opgenomen in het waterbeheersplan 2016-2021, wat is afgestemd op Europees, nationaal en provinciaal beleid. Het waterbeheerplan houdt rekening met de toekomst: klimaatadaptatie, innovaties, ruimtelijke ontwikkelingen, toekomstig medegebruik en het tegengaan van verdroging.
Deze ontwikkelingen geven aanleiding tot de volgende accenten: ▪ het nationale Deltaprogramma voor waterveiligheid en de versterking van de dijken langs de Rijkswateren en de regionale rivieren; ▪ het optimaliseren van de zoetwatervoorziening met het oog op de toenemende droogte; ▪ inzet op bewustwording van watergebruikers zodat hun inzicht groeit over wat ze zelf aan waterbeheer kunnen bijdragen; 20210253 | Heul 25 - 27, Hoeven Bestemmingsplan
| 24 van 39
▪ ▪
▪ ▪
helderheid over zowel beperkingen als mogelijkheden voor de gebruiksfuncties van het watersysteem; het verbeteren van de waterkwaliteit in een meer integrale, gebiedsgerichte uitvoeringsstrategie (combineren van verbeteren van de waterstanden, onderhouden van sloten en treffen van inrichtingsmaatregelen); afvalstoffen steeds meer inzetten als waardevolle grondstoffen zoals terugwinning van fosfaat en productie van bioplastic uit afvalwater; een duurzame energiewinning.
Het waterschap heeft een eigen verordening; De Keur en de legger. De Keur bevat gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. De legger geeft aan waar de waterstaatswerken liggen, aan welke afmetingen en eisen die moeten voldoen en wie onderhoudsplichtig is. Veelal is voor deze ingrepen een watervergunning van het waterschap benodigd. De Keur is onder andere te raadplegen via de site van waterschap Brabantse Delta. Bij een toename en afkoppelen van het verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. Vanwege dit principe wordt bij uitbreiding van verhard oppervlak voor de omgang met hemelwater uitgegaan van de voorkeursvolgorde infiltreren, bergen, afvoeren. De waterschappen maken bij het beoordelen van plannen met een toegenomen verhard oppervlak onderscheid tussen grote en kleine plannen.
Beoordeling
Met betrekking tot hydrologisch neutraal ontwikkelen hebben de drie Brabantse waterschappen, Aa en Maas, De Dommel en Brabantse Delta hun keuren geharmoniseerd, genaamd “Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabants waterschappen”. De waterschappen maken bij het beoordelen van plannen met een toegenomen verhard oppervlak onderscheid tussen grote en kleine plannen. De grenswaarden waaraan getoetst wordt zijn; minder dan 500 m², tussen de 500 m² en 10.000 m² en meer dan 10.000 m². Behandeling regenwater (RWA) Op basis van de Algemene Regel van het waterschap Brabantse Delta is er geen verplichting tot aanleg van een retentievoorziening, dit vanwege de relatief geringe toename van het verhard oppervlak, die niet groter is dan de grenswaarde (500 m²). Voor het regenwater bestaat binnen het plangebied de mogelijkheid om direct te worden geïnfiltreerd. Berging en infiltratie op eigen terrein is mogelijk in de vorm van een wadi, vegetatiedaken, IT-riolering, waterpassende verharding of infiltratiekratten. Bij de uitwerking van het initiatief wordt de keuze van de berging en infiltratie nader uitgewerkt en bepaald. Beleid gemeente Halderberge Het gemeentelijk water- en rioleringsbeleid is 19 augustus 2019 vastgelegd in het Gemeentelijk Rioleringsplan 2020-2023.
Het GRP is een beleidsplan dat op hoofdlijnen de invulling van de gemeentelijke watertaken weergeeft. Door middel van het GRP legt de gemeente vast wat men wil bereiken en wat de rol van burgers en bedrijven is ten aanzien van afval-, hemel-, en grondwater. Het GRP vervult vier hoofdfuncties: 1. Kader gemeentelijke zorgplichten • overzicht beleidskeuzes en ambities ten aanzien van stedelijk afvalwater, hemelwater en grondwater. 2. Interne afstemming • met andere vakdisciplines binnen de gemeentelijke organisatie en met onze waterpartners. 3. Externe afstemming • met burgers en bedrijven. 4. Continuïteit en voortgangsbewaking 20210253 | Heul 25 - 27, Hoeven Bestemmingsplan
| 25 van 39
•
vanwege de relatief lange levensduur van stedelijke watervoorzieningen en kapitaalintensieve investeringen is een lange termijn aanpak essentieel (begroting, investeringen en evaluatie).
Hierin is opgenomen dat met het oog op klimaatverandering, bij iedere ruimtelijke ontwikkeling waterberging gerealiseerd moet worden. Vanuit dit gemeentelijk beleid geldt dat bij een toename tot 1.000 m2 aan verhard oppervlak, minimaal 7 m3 regenwaterberging vereist is (70 m3 per ha). Er is alleen sprake van een toename van het verhard oppervlak bij de ontwikkeling op Heul 25. Deze toename bedraagt 150 m 2 (het dakoppervlak van de woning) vermeerderd met circa 125 m 2 erfverharding, in totaal 275 m2. Het bijgebouw watert af op het omliggende terrein. De bergingsopgave bedraagt dan 275/1000 x 7 m3 = 2 m3. Het perceel biedt voldoende ruimte om een dergelijke berging te realiseren. Ten aanzien van het materiaalgebruik dienen geen uitlogende bouwmaterialen zoals lood, koper, zink, zachte PVC en geïmpregneerde materialen te worden toegepast. Deze stoffen kunnen zich ophopen in het water(bodem)systeem en hebben hierdoor een zeer nadelige invloed op de water(bodem)kwaliteit en ecologie. Toe te passen duurzame materialen: ▪ ▪ ▪ ▪
Hellende daken: dakpannen van beton of keramisch materiaal. Platte daken: beton of bekleed met EPDM rubber; APP en/of SBS gemodificeerd bitumen. Dakgoten en afvoerpijpen: PVC/PP/PE/ staal, aluminium of zink, alle gecoat. Ontsluitingspaden, wegen, terrassen: voorzien van niet uitloogbare materialen zoals beton of keramische producten.
Behandeling vuilwater (DWA) In het plangebied wordt één nieuwe woning gerealiseerd. Op basis van de Leidraad Riolering is de productie van vuilwater berekend. Uitgaande van een gemiddelde woningbezetting van 2,5 bewoners en een gemiddelde vuilwaterproductie van 120 liter per persoon per dag, dient er vanuit het plangebied dagelijks 0,30 m³ vuilwater te worden afgevoerd naar het rioolstelsel. Het vuilwater vanuit het plangebied wordt aangesloten op het gemeentelijk rioolstelsel. De verdere uitwerking hiervan dient in samenspraak met de gemeente Halderberge te worden uitgevoerd.
Conclusie
Het plan leidt tot een geringe toename van het verhard oppervlak die kleiner is dan de grenswaarde van 500 m2 zoals blijkt uit beleid van het waterschap. Echter, op basis van gemeentelijk beleid is een regenwaterbergingsvoorziening vereist. Bij de uitwerking van het initiatief wordt de keuze van de berging en infiltratie voor regenwater nader uitgewerkt en bepaald. Om te voldoen aan de watertoets dient is deze waterparagraaf formeel ter beoordeling voorgelegd aan het waterschap voor een wateradvies. Het aspect water vormt geen belemmering voor de ontwikkeling. 4.7
Mobiliteit Verkeer Van deze ontwikkeling gaat geen onevenredig grote verkeersaantrekkende werking uit, die niet door de bestaande wegenstructuur kan worden opgenomen. Het aspect verkeer vormt geen belemmering voor de planvorming.
20210253 | Heul 25 - 27, Hoeven Bestemmingsplan
| 26 van 39
Parkeren De gemeente Halderberge hanteert de kadernota Parkeren 2017 - 2021, met als doel het waarborgen van een hoogwaardige kwaliteit van onder andere parkeervoorzieningen door parkeren de aandacht te geven die het verdient. De nota maakt gebruik van een gebiedsindeling. In de bijlage van de nota zijn de concrete normen opgenomen voor het benodigde aantal parkeerplaatsen bij ruimtelijke ontwikkelingen.
Beoordeling en conclusie
Het plangebied ligt binnen het gebiedstype ‘Gebied C, overig’. De parkeernorm voor een woning met een oppervlakte > 90 m2 bedraagt 2,3 per woning. Er wordt uitgegaan van 0,3 parkeerplaats (openbaar toegankelijk) per woning voor bezoekers. Deze norm is verwerkt in de parkeernorm van 2,3 per woning. Het plangebied en het perceel waarop de nieuwe woning is voorzien is voldoende ruim om in eigen parkeervoorzieningen te voorzien. De openbare ruimte ter plaatse biedt geen ruimte voor parkeren in openbaar gebied. Parkeren wordt derhalve totaal op eigen terrein te opgelost. Het aspect parkeren vormt geen belemmering. 4.8
Natuur
Toetsingskader
Bij elke ruimtelijke ontwikkeling dient te worden aangetoond dat er geen negatieve effecten optreden voor ter plaatse aanwezige flora en fauna of dat er negatieve effecten optreden voor beschermde natuurgebieden (Natuurnetwerk Brabant of Natura 2000-gebieden) door bijvoorbeeld geluid, trilling of lichthinder. De natuurwet- en regelgeving kent twee sporen, een soortgericht spoor en een gebiedsgericht spoor. De bescherming van deze twee sporen is geregeld in de Wet natuurbescherming. Ruimtelijke plannen, zoals bestemmingsplannen, dienen te worden beoordeeld op de uitvoerbaarheid in relatie tot actuele natuurwetgeving.
Beoordeling Soortenbescherming Het initiatief leidt niet tot de sloop van gebouwen of wijzigingen aan bestaande gebouwen. Het plangebied betreft een perceel dat deels bebouwd is met een (bedrijfs)woning (huisnummer 27) en een bedrijfsgebouw (huisnummer 27a). Rondom de gebouwen is een siertuin aanwezig met erfverhardingen. Het grootste deel van het perceel kenmerkt zich als een ‘bostuin’ waarin een forse vijver gelegen is. Onderdeel van deze ‘bostuin’, die een oppervlakte heeft van circa 3.500 m 2 , is hoog opgaand groen (gevormd door diverse bomen). Raadpleging van het NDFF leerde dat grotendeels algemeen voorkomende soorten worden waargenomen. Bij ruimtelijke ontwikkelingen is met betrekking tot deze soorten geen ontheffing van de regelgeving inzake flora en fauna nodig. Het huidige gebruik van het plangebied is dusdanig dat dit geen geschikte habitat voor beschermde soorten vormt. De ligging van het plangebied grotendeels tussen intensief bebouwd en gebruikt gebied draagt bij aan deze conclusie. De bomen op het perceel zijn niet opgenomen op de lijst van waardevolle bomen zoals deze door de gemeente gehanteerd wordt. In de Wet natuurbescherming staat dat houtopstanden binnen (door de gemeenteraad vastgestelde) grenzen van de bebouwde kom niet onder de Wet natuurbescherming vallen.
Hieruit blijkt dat een kapmelding voor dat perceel niet benodigd is en voor het kappen van de bomen geen omgevingsvergunning is vereist. 20210253 | Heul 25 - 27, Hoeven Bestemmingsplan
| 27 van 39
Initiatiefnemer heeft daarop de werkzaamheden uitgevoerd. De gevelde soorten betroffen Berk, Esdoorn, Eik en Beuk. Van al deze soorten zijn op het perceel nog andere exemplaren behouden gebleven. Er is geen sprake van een herplantingsplicht, maar het voornemen is wel om rondom de woning groen aan te planten. Bij deze werkzaamheden en bij toekomstige uit te voeren werkzaamheden dient te allen tijde de zorgplicht in acht te worden genomen. Dit houdt in dat er volgens normaal gebruik zorgvuldig gewerkt moet worden, waarbij verstoring van flora en fauna ten alle tijden dient te worden voorkomen.
Gebiedsgericht spoor
De planlocatie zelf heeft geen status in het kader van de Wet natuurbescherming. Het dichtstbijzijnde Natura 2000 gebied (Ulvenhoutse Bos) is gelegen op een afstand van circa 14 kilometer, zodat directe en indirecte effecten zijn uit te sluiten. Voor wat betreft indirecte effecten als gevolg van stikstofdepositie wordt verwezen naar de volgende paragraaf.
Kaart ligging Natura 2000 gebieden, plangebied aangeduid met rood (bron: Aerius)
Het plangebied is niet gelegen in of nabij gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Brabant, zoals uit onderstaande kaartuitsnede blijkt
20210253 | Heul 25 - 27, Hoeven Bestemmingsplan
| 28 van 39
Natuurnetwerk Brabant
Kaart ligging Natuurnetwerk Brabant, plangebied aangeduid met rood
Conclusie
Gelet op het voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect natuur geen belemmeringen oplevert voor de haalbaarheid van dit initiatief. 4.9
Stikstof
Toetsingskader
De Wet natuurbescherming (Wnb, per 1 januari 2017) regelt de bescherming van natuurgebieden die uniek zijn voor Nederland en Europa, de bescherming van planten en dieren en van bossen en andere houtopstanden. Voor de Wet natuurbescherming heeft de Europese regelgeving als uitgangspunt gediend. De gebiedsbescherming in de Wnb richt zich uitsluitend op Natura 2000gebieden. Natura 2000 is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden waarin belangrijke flora en fauna voorkomen. In Nederland zijn ruim 160 Natura 2000-gebieden aangewezen. Per Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Handelingen of activiteiten binnen en buiten beschermde natuurgebieden die schadelijk kunnen zijn voor de doelstellingen van het gebied zijn verboden, tenzij door het bevoegd gezag hier vergunning voor is verleend. Stikstof vormt een van de grootste belemmeringen voor het behalen van de Natura 2000instandhoudingsdoelstellingen. In 118 van de Nederlandse Natura 2000-gebieden bevinden zich stikstofgevoelige habitattypen. Op 1 juli 2021 is de wet Stikstofreductie en Natuurverbetering in werking getreden. Onderdeel van deze wet is de vrijstelling voor bouw- sloop en eenmalige aanlegactiviteiten, in het kort de bouwvrijstelling. Dit betekent dat voor het aspect stikstof alleen nog de neerslag (depositie) in de gebruiksfase een rol speelt.
Beoordeling en conclusie
De voor stikstof relevante ruimtelijke ontwikkeling betreft de toevoeging van één woning. Via de Aerius Calculator is berekend dat de gebruiksfase van deze ontwikkeling niet bijdraagt aan een toename van de stikstofdepositie op het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied dat gelegen is op een 20210253 | Heul 25 - 27, Hoeven Bestemmingsplan
| 29 van 39
afstand van circa 14 kilometer. De rapportage vervaardigd met de AERIUS calculator is als bijlage bij deze toelichting gevoegd. Dit is in overeenstemming met de conclusie uit de landelijke Handreiking woningbouw en AERIUS, waaruit blijkt dat de ontwikkeling van minder dan 50 woningen op een afstand van 7 kilometer of meer van een Natura 2000-gebied niet leidt tot een toename van de stikstofdepositie van meer dan 0,00 mol/ha/jr. 4.10 Agrarische geurhinder De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor de geurhinder vanuit veehouderijen. De Wgv stelt normen aan de geurbelasting van veehouderijen op geurgevoelige objecten en stelt minimale afstanden vast van veehouderijen tot geurgevoelige objecten. In de omgeving van het plangebied zijn volgens de kaartbank van de provincie Noord-Brabant diverse veehouderijen gelegen. Tussen deze veehouderijen en de beoogde toe te voegen woning zijn echter altijd reeds bestaande woningen gelegen. Deze woningen zijn reeds bepalend voor de bedrijfsvoering van de veehouderijen, waardoor de nieuw toe te voegen woningen geen belemmering vormen voor deze veehouderijen. Het aspect agrarische geurhinder vormt geen belemmering voor het initiatief. 4.11 Archeologie
Toetsingskader
De gemeente is verplicht om archeologische randvoorwaarden mee te nemen in planologische afwegingen. Om inzicht te krijgen welke archeologische vondsten in Halderberge verwacht kunnen worden, heeft de gemeente in 2005 een archeologische verwachtingskaart op laten stellen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in gebieden met een lage, middelhoge en hoge verwachting voor vindplaatsen. Voorts hanteert de gemeente haar beleidsnota ‘Ons ongeschreven verleden’ die een koppeling maakt met deze verwachtingskaart. De archeologische verwachtingskaart en de beleidsnota moeten gebruikt worden als informatiebron en sturingsinstrument voor de gemeente in haar planvorming evenals voor plannen van projectontwikkelaars, bouwondernemingen en burgers.
Beoordeling
Het plangebied is in het geldende bestemmingsplan niet voorzien van een archeologische dubbelbestemming, met uitzondering van een smalle strook aan de uiterste oostzijde van het plangebied. De breedte van die strook bedraagt circa 6 meter. De nieuwe woning is niet voorzien in deze strook, maar aan de andere zijde van het perceel. Deze dubbelbestemming is daarmee niet van invloed op de ontwikkeling. De dubbelbestemming blijft gehandhaafd en is ongewijzigd overgenomen in dit bestemmingsplan. Op basis van de archeologische advieskaart buitengebied, gemeente Halderberge, blijkt het plangebied te zijn gelegen in een gebied dat is aangeduid als ‘bebouwd, wegen etc’. Voor deze gebieden geldt dat archeologisch onderzoek niet noodzakelijk is met uitzondering van archeologische monumenten en bekende vindplaatsen. Hiervan is geen sprake.
20210253 | Heul 25 - 27, Hoeven Bestemmingsplan
| 30 van 39
Uitsnede archeologische advieskaart buitengebied Halderberge: alle perioden (plangebied rood omcirkeld)
Conclusie
Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de planvorming. 4.12 Cultuurhistorie Cultuurhistorische waardenkaart provincie Noord-Brabant
Toetsingskader
In het kader van ruimtelijke ontwikkelingen dient rekening gehouden te worden met de aanwezige archeologische en cultuurhistorische waarden. De gemeente, waarbinnen de betreffende ontwikkeling plaatsvindt, is hierbij het bevoegd gezag. Op de Cultuurhistorische Waardenkaart van de Provincie Noord-Brabant staat aangegeven welke archeologische en cultuurhistorische waarden (in potentie) aanwezig zijn.
Beoordeling en conclusie
Het provinciaal cultuurhistorisch belang bestaat uit 5 kaartlagen: regio's, cultuurhistorische landschappen, cultuurhistorische vlakken, archeologische landschappen en complexen van cultuurhistorisch belang. Het gaat hierbij om erfgoed dat van belang is voor de regionale identiteit en om de meest waardevolle gebieden en ensembles. Uit navolgende uitsnede van de provinciale cultuurhistorische waardenkaart blijkt dat het plangebied zelf niet als cultuurhistorisch waardevol is aangemerkt. Molenbiotoop In het gebied dat is aangeduid als molenbiotoop is al zeer veel bebouwing aanwezig. Gezien de hoogte van de toe te voegen bebouwing, de afstand tot de molen en de reeds aanwezige bebouwing in de omgeving, wordt gesteld dat dit initiatief geen gevolgen heeft voor deze cultuurhistorische waarde.
20210253 | Heul 25 - 27, Hoeven Bestemmingsplan
| 31 van 39
Uitsnede Cultuurhistorische Waardenkaart provincie Noord-Brabant met plangebied rood omcirkeld
Conclusie
De ontwikkeling heeft weinig tot geen invloed op het versterken dan wel aantasten van waardevolle landschappelijke structuren. Binnen het plangebied zijn volgens de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie geen waardevolle cultuurhistorische elementen, structuren of monumenten aanwezig. Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de planvorming. Cultuurhistorische waardenkaart gemeente Halderberge
Toetsingskader
De gemeente Halderberge beschikt over een eigen cultuurhistorische waardenkaart die een actueel overzicht van het bovengrondse cultuurhistorische erfgoed biedt. Hieronder is een uitsnede van deze kaart weergegeven.
Uitsnede Cultuurhistorische waardenkaart gemeente Halderberge met plangebied rood omcirkeld
Beoordeling
Op deze kaart is de Heul aangeduid als een waardevol lijnelement, namelijk een ‘historische weg’. De nieuwe woning wordt zodanig gepositioneerd dat deze past binnen het ritme van de bestaande 20210253 | Heul 25 - 27, Hoeven Bestemmingsplan
| 32 van 39
bebouwing in een landelijk-dorpse sfeer langs de Heul en passend bij de bestaande rooilijn. De ontwikkeling heeft weinig tot geen invloed op het waardevolle lijnelement. Verder is het plangebied gelegen binnen de molenbiotoop van Molen De Toekomst. Gelet op de hoge dichtheid van de reeds aanwezige bebouwing in dit biotoop, heeft deze ontwikkeling weinig tot geen negatieve effecten op de molenbiotoop.
Conclusie
Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de planvorming. Beleidsnota Cultureel Erfgoed
Toetsingskader
Op 22 september 2011 heeft de gemeenteraad de beleidsnota cultureel erfgoed Halderberge “Inspirerend verleden” vastgesteld. Cultuurhistorie is een belangrijke drager van de identiteit van Halderberge en maakt integraal onderdeel uit van de ruimtelijke ontwikkeling van Halderberge, waardoor ontmoetingen van heden en verleden gelden als uitdaging en inspiratiebron voor de toekomst. Monumentenzorg omvat meer dan alleen het beschermen en instandhouden van objecten. In toenemende mate dringt het besef door dat in veel bredere zin rekening gehouden moet worden met aanwezige cultuurhistorische waarden. Monumenten zijn namelijk, in welke aard dan ook, geen solitaire verschijningen. De omgeving waarin ze tot stand kwamen, de context, speelt een hoofdrol. Omgekeerd is het zo dat de ontwikkeling van de ruimte niet plaatsvindt op basis van een compleet lege ruimte die zonder meer nieuw is in te richten. Elk stukje grond in Halderberge heeft geschiedenis: er is sprake van een culturele biografie. Dit geldt voor de dorpen en het buitengebied.
20210253 | Heul 25 - 27, Hoeven Bestemmingsplan
| 33 van 39
Beoordeling en conclusie
De ontwikkeling betreft de omzetting van een bedrijfsbestemming naar een woonbestemming en het toevoegen van een extra grondgebonden woning. In het plangebied of in de omgeving van het plangebied zijn geen specifieke cultuurhistorische waarden aanwezig, die worden geschaad en/of benadeeld door dit initiatief. 4.13 Gezondheidsaspecten i.r.t. veehouderijen
Toetsingskader
Veehouderijen, en in het bijzonder geitenhouderijen en pluimveehouderijen in de buurt van het plangebied kunnen van invloed zijn op de volksgezondheid en daarmee op een acceptabel woon- en leefklimaat. Mogelijke risico’s voor de gezondheid kunnen worden veroorzaakt door fijnstof, stank, endotoxinen en zoönosen. Er zijn rondom dit aspect nog veel onduidelijkheden en veel nader onderzoek is nog nodig om nauwkeurige uitspraken te kunnen doen over een eventuele directe relatie tussen de nabijheid van veehouderijen en effecten op de gezondheid van mensen. Voor zover er verbanden gevonden zijn, hebben deze betrekking op de afstand tussen veehouderijen en voor bewoning bestemde locaties en op het aantal veehouderijen binnen een zeker straal van bewoonde gebieden. Van het plan zelf gaan geen negatieve effecten voor de volksgezondheid uit naar de omgeving, omdat het plan geen veehouderij mogelijk maakt. In maart 2016 is de eerste versie van de Handreiking veehouderij en volksgezondheid verschenen. De handreiking bestaat uit een algemene onderbouwing op grond waarvan volksgezondheid meegenomen dient te worden in de ruimtelijke besluitvorming en besluitvorming in het kader van milieu.
Vervolgens is een wijze van beoordeling uitgewerkt (‘het stappenplan’) om tot een zorgvuldige, praktische en uniforme beoordeling te komen of er een dusdanig verhoogd risico voor de volksgezondheid bestaat dat advisering vanuit de GGD wenselijk is. Op deze manier wordt gestreefd om in Brabant, totdat er meer duidelijkheid is over een toe te passen (wettelijk) beoordelingskader, dan wel dat zich andere ontwikkelingen voordoen, gezamenlijk tot een breed gedragen werkwijze te komen die recht doet aan het belang van de volksgezondheid voor de burgers in de provincie. Inmiddels is de handreiking van maart 2016 geactualiseerd in de Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0. Uit het VGO2 rapport (Veehouderij en Gezondheid Omwonenden) van het RIVM (Rijksinstituut voor volksgezondheid en milieu) blijkt dat zich in een straal van circa 2 kilometer rond geitenbedrijven een verhoogd aantal gevallen van longontsteking voordoet. Voor pluimveehouderijen geldt een straal van 1 kilometer. Onduidelijk is waardoor dit verhoogde risico precies wordt veroorzaakt.
Beoordeling
Binnen 2 kilometer van het plangebied zijn op basis van de Web-BVB geen geitenhouderijen gelegen. Binnen een straal van 1 kilometer van het plangebied zijn geen pluimveehouderijen gelegen. Het voorliggend plan laat geen nieuwe ontwikkelingen toe die eventueel zouden kunnen bijdragen aan een verslechtering van het bestaande gezondheidsklimaat ter plaatse van het plangebied. Met dit plan wordt één nieuwe woning mogelijk gemaakt die eventueel bescherming behoeft. Verder is er sprake van een reeds bestaande bedrijfswoning. Met betrekking tot het voorliggend plan zijn de gezondheidsrisico’s naar verwachting niet groot. Er is geen sprake van een hoge concentratie van veehouderijen in de directe omgeving. Daarnaast spelen de grootste gezondheidsrisico’s bij de intensieve veehouderijen. De bestaande intensieve veehouderijen hebben in het vigerende bestemmingsplan slechts beperkt de ruimte om uit te breiden, namelijk alleen binnen hun geldende bouwvlak. Gezondheid en duurzame ontwikkeling zijn 20210253 | Heul 25 - 27, Hoeven Bestemmingsplan
| 34 van 39
daarbij belangrijke voorwaarden, die al in de BZV zijn verwerkt. Ook voor de melkveehouderijen geldt dat deze moeten voldoen aan de BZV. In geval van twijfel over eventuele gezondheidsrisico’s wordt de Handreiking veehouderij en volksgezondheid van het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht gehanteerd en de daarin opgenomen stappenplan.
Conclusie
Dit aspect vormt daarom geen belemmering voor dit initiatief. Bovendien is er in de bestaande situatie al sprake van bewoning van de (voormalige) bedrijfswoning op nr. 27. 4.14 Spuitzones Met name bij het telen van fruit in boomgaarden is het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen gebruikelijk. Om de middelen op de bomen te brengen wordt gebruik gemaakt van mobiele spuitinrichtingen die via de lucht de middelen op de gewassen brengen. Met het in de lucht brengen van middelen worden deze bloot gesteld aan de wind en daarmee ontstaat het risico dat middelen meer bereiken dan het gewas alleen. Dit proces wordt ‘drift’ genoemd. Gewasbeschermingsmiddelen vormen een potentieel risico voor de gezondheid van omwonenden, om die reden is het bij ruimtelijke ontwikkelingen inmiddels gebruikelijk om spuitzones en middelengebruik mee te nemen in de verantwoording bij planologische besluitvorming zodat het eventuele risico beoordeeld wordt voor gevoelige locaties. Om handvatten te geven aan de wijze waarop initiatiefnemers en gebruikers rekening dienen te houden met het gebruik en de risico’s van gewasbeschermingsmiddelen heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State een indicatieve afstand van 50 meter als vuistregel in de ruimtelijke ordening geïntroduceerd.
Met het uitvoeren van verschillende drift reducerende middelen zoals het aanplanten van windhagen en aanleggen van kavelsloten kan het risico op drift worden verlaagd en kan daarmee de indicatieve afstand van 50 meter worden verkleind. Het is op de agrarisch bestemde percelen die rond het plangebied zijn gelegen in beginsel toegestaan om gewasbeschermingsmiddelen te gebruiken. In praktijk is het niet waarschijnlijk dat er teelten op deze percelen plaats zullen gaan vinden waar verticaal spuiten van gewasbeschermingsmiddelen, zoals bij fruitboomgaarden waarvoor de richtafstand van 50 meter met name bedoeld is, aan de orde is. 4.15 Technische infrastructuur
Toetsingskader
Planologisch relevante kabels, leidingen (zoals waterleidingen of rioleringsleidingen), beschermingszones en straalpaden dienen te worden beschermd tegen ingrepen die de werking ervan kunnen bedreigen. Aan de andere kant dient de omgeving te worden beschermd tegen het gevaar dat van bestaande en toekomstige leidingen, kabels en hoogspanningslijnen kan uitgaan.
Beoordeling en conclusie
Het plangebied ligt binnen een obstakelvrije zone vanuit het vliegveld Breda International Airport. Middels de gebiedsaanduidingen ‘luchtvaartverkeerzone - 8’ en ‘luchtvaartverkeerzone – 9’ zijn hoogtebeperkingen aan bouwwerken gesteld. Dit betreft echter bouwwerken met een hoogte vanaf circa 74 meter boven N.A.P. Hiervan is in dit plan geen sprake, zodat dit geen belemmering vormt voor de planvorming. De gebiedsaanduidingen zijn opgenomen in voorliggend bestemmingsplan. In of nabij het plangebied bevinden zich geen overige planologisch relevante kabels, leidingen en/of straalpaden. Derhalve zijn er geen belemmeringen ten aanzien van technische infrastructuur. 20210253 | Heul 25 - 27, Hoeven Bestemmingsplan
| 35 van 39
4.16 Milieueffectrapportage
Toetsingskader
Het maken van een milieueffectrapport is nodig bij de voorbereiding plannen en besluiten, die activiteiten mogelijk maken die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. In onderdeel C van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) staan de activiteiten benoemd waarvoor het maken van een milieueffectrapport verplicht is. In onderdeel D van de bijlage het Besluit m.e.r. staan de activiteiten benoemd waarvoor een m.e.r.beoordelingsplicht geldt: er moet worden beoordeeld of sprake is van (mogelijke) belangrijke nadelige milieugevolgen. Als deze niet uitgesloten kunnen worden moet een milieueffectrapport worden gemaakt. Kunnen belangrijke nadelige milieugevolgen wel uitgesloten worden, dan is het maken van een milieueffectrapport niet nodig. Voor de activiteiten in onderdeel D gelden indicatieve drempelwaarden. Boven de drempelwaarden is een m.e.r.-beoordeling nodig. Beneden de drempelwaarden is voor deze activiteiten sprake van een vormvrije m.e.r.-beoordelingsplicht. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden: ▪ Belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r-beoordeling noodzakelijk; ▪ Belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.rbeoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor een milieueffectrapportage.
Beoordeling en conclusie
Woningbouw is geen activiteit die voorkomt in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit m.e.r. Er geldt daarom geen rechtstreekse plicht tot het maken van een milieueffectrapport. In het geval van woningbouw kan sprake zijn van een activiteit als bedoeld in categorie 11.2, onderdeel D, van de bijlage bij het Besluit m.e.r., namelijk een stedelijk ontwikkelingsproject. Voor een stedelijk ontwikkelingsproject zijn in het Besluit m.e.r. drie indicatieve drempelwaarden opgenomen: ▪ een oppervlakte van 100 hectare of meer, ▪ een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen, of ▪ een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. De ontwikkeling die met dit plan wordt mogelijk gemaakt, overschrijdt deze drempelwaarden niet. Het antwoord op de vraag of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit m.e.r. hangt af van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als de aard en de omvang van de voorziene wijziging van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen. Eerder oordeelde de Raad van State bijvoorbeeld dat de ontwikkeling van de twaalf vrijstaande woningen (weliswaar binnen de bebouwde kom), gelet op beperkte omvang, niet kan worden aangemerkt als stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in categorie 11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. (Uitspraak 201901439/1/R1).
Dit bestemmingsplan maakt de ontwikkeling van 1 woning mogelijk. Er is geen sprake van een stedelijke ontwikkeling en er geldt geen mer-plicht.
20210253 | Heul 25 - 27, Hoeven Bestemmingsplan
| 36 van 39
5
Juridische planbeschrijving
5.1
Inleiding Een bestemmingsplan bestaat uit planregels, een verbeelding, vergezeld met een toelichting. De planregels en de verbeelding vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. De verbeelding heeft de rol van visualisering van de bestemmingen. De planregels regelen hoe de betreffende gronden mogen worden gebruikt en bebouwd. De bestemmingen zijn zo opgenomen dat voldoende rechtszekerheid bestaat voor omwonenden en andere gebruikers van het gebied en de omliggende gebieden. In de toelichting is gemotiveerd waarom sprake is van een goede ruimtelijke ordening. In het kader van de landelijke uniformering en standaardisering voldoet het plan aan de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP2012). Voor de plansystematiek is aansluiting gezocht bij de standaard systematiek van de gemeente Halderberge en de vigerende regels van het bestemmingsplan “Kom Hoeven”.
5.2
Algemene toelichting verbeelding Op de verbeelding wordt met lijnen, coderingen en arceringen aan gronden een bepaalde bestemming toegekend. Binnen een bestemmingsvlak zijn op de verbeelding met aanduidingen nadere regels aangegeven. De verbeelding is volgens IMRO 2012 (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) getekend. Dit is een eenduidige en technische methode voor het tekenen van kaarten. Hiermee kan ruimtelijke informatie eenvoudig digitaal uitgewisseld worden met andere overheden en samenwerkingspartners. Tevens maakt deze methode het mogelijk om het plan via internet te raadplegen.
5.3
Algemene toelichting planregels De juridische regeling bestaat uit vier hoofdstukken, te weten: • Hoofdstuk 1 (inleidende regels), met daarin een aantal regels die van belang zijn voor de toepassing en interpretatie van de regels in de overige hoofdstukken en de wijze van meten; • Hoofdstuk 2 (bestemmingsregels), met daarin per bestemming onder meer bestemmingsregels, bouwregels en afwijkingsmogelijkheden; • Hoofdstuk 3 (algemene regels), met daarin algemene afwijkings-, bouw-, gebruiks-, aanduidings-, afwijkings- en wijzigingsregels; • Hoofdstuk 4 (overgangs- en slotregels), met daarin de overgangsregels en de slotregel.
5.4
Toelichting bestemmingen In dit bestemmingsplan komen de volgende bestemmingen en gebiedsaanduidingen voor: Artikel 3: Groen Primair is deze bestemming bestemd voor instandhouding van groenvoorzieningen. Ook zijn de gronden bestemd voor onder andere paden, speelvoorzieningen en water. Binnen de bestemming ‘Groen’ zijn uitsluitend bouwwerken geen gebouw zijnde toegestaan. Artikel 4: Wonen Binnen de bestemming ‘Wonen’ is wonen toegestaan. Er mogen uitsluitend hoofdgebouwen worden gebouwd ter plaatse van de aanduiding ‘bouwvlak’. Bijgebouwen zijn zowel binnen de aanduiding 20210253 | Heul 25 - 27, Hoeven Bestemmingsplan
| 37 van 39
‘bouwvlak’ als de aanduiding ‘bijgebouwen’ toegestaan. De bouwvlakken hebben de bouwaanduiding ‘vrijstaand’. Verder zijn op de verbeelding de maximum bouw- en goothoogte vastgelegd. Binnen de bestemming ‘Wonen’ zijn daarnaast ondergeschikte voorzieningen zoals groen, nuts, parkeer- en speelvoorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen toegestaan. De regels met betrekking tot bijgebouwen zijn zodanig dat de bestaande oppervlakte aan bijgebouwen op huisnummer 27a toegestaan is. Dubbelbestemming Waarde – Archeologie 2 Deze bestemming is opgenomen mede ter bescherming van ter plaats aanwezige (hoge) archeologische verwachtingswaarden. Dit overeenkomend de dubbelbestemming in het vigerende bestemmingsplan. Artikel 8.1: Gebiedsaanduiding luchtvaartverkeerzone – 8 en 9 Deze aanduiding is opgenomen in verband met het beschermingsgebied van de in- en uitvliegfunnel van vliegtuigen van en naar Breda International Airport. Deze aanduiding beperkt de maximale bouwhoogte.
20210253 | Heul 25 - 27, Hoeven Bestemmingsplan
| 38 van 39
6
Uitvoerbaarheid
6.1
Economische uitvoerbaarheid De gronden zijn in eigendom van de initiatiefnemer. Alle voorbereidings- en uitvoeringskosten komen voor rekening van de initiatiefnemer. Tussen de gemeente Halderberge en de initiatiefnemer is een anterieure overeenkomst gesloten, waarin planschade en bovenwijkse voorzieningen zijn meegenomen. Het plan is voor de gemeente Halderberge derhalve een kostenneutrale ontwikkeling. De economische uitvoerbaarheid van het plan is hiermee gewaarborgd.
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid Voorbereiding Gedurende de initiatieffase van het plan heeft initiatiefnemer de direct omwonenden geïnformeerd over de planvorming. Zij zijn derhalve gekend met het initiatief. Een verslaglegging van deze participatie is als bijlage bij deze toelichting gevoegd. Vooroverleg Voor de ter inzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan ‘Heul 25-27, Hoeven’ is het plan conform artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening in vooroverleg gezonden naar de betrokken vooroverleg instanties. Positieve vooroverlegreacties werden ontvangen van: • Brandweer Midden- en West-Brabant • N.V. Nederlandse Gasunie • Rijkswaterstaat Zuid Nederland De ontvangen vooroverlegreacties zijn als bijlage bij deze toelichting gevoegd. Zienswijzenprocedure Het ontwerpwijzigingsplan is ingevolge artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening gedurende zes weken ter inzage gelegd, waarbij de gelegenheid is geboden tot het indienen van zienswijzen. Gedurende deze periode is er één zienswijzen binnengekomen. Deze zienswijzen is in de nota van zienswijzen samengevat en voorzien van een gemeentelijke reactie. Naar aanleiding hiervan is het bestemmingsplan niet aangepast. Wel is de paragraaf van het gemeentelijke beleid geactualiseerd. De nota van zienswijzen is als bijlage bij dit bestemmingsplan gevoegd.
20210253 | Heul 25 - 27, Hoeven Bestemmingsplan
| 39 van 39
Bijlage 1
Bodemrapport Agel Heul 25
Bijlage 2
Rapportage akoestisch onderzoek Agel
Bijlage 3
Berekeningsjournaal Aerius calculator
Bijlage 4
Standaard advies externe veiligheid
Bijlage 5
Resultaten omgevingsdialoog
Bijlage 6
Bodemrapport Heul 27 en 27a
Bijlage 7
Vooroverlegreacties
samen onze omgeving creëren