CConstaterende datHalderberge
Koppel je AI →
Document · PDF

bestemmingsplan Sint Gerardushof Bosschenhoofd ontwerp.pdf

Gemeenteraad 24 november 2022, gemeente HalderbergeBij agendapunt: 6: Bestemmingsplan Sint Gerardushof Bosschenhoofd (supermarkt)37.735 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

35/301

4.5

Water

4.5.1 Inleiding Ten behoeve van een ruimtelijke ontwikkeling dient een watertoets te worden uitgevoerd. Bij de watertoets gaat het om allerlei waterhuishoudkundige aspecten, waaronder veiligheid, wateroverlast, watertekort, waterkwaliteit en verdroging, en om alle wateren: rijkswateren, regionale wateren en grondwater. Het is niet een toets achteraf, maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder in een zo vroeg mogelijk stadium met elkaar in gesprek brengt. Het waterschap Brabantse Delta is verantwoordelijk voor het waterbeheer in de gemeente. Het gaat dan om het waterkwantiteits en - kwaliteitsbeheer, de waterkeringzorg, waterzuivering, het grondwaterbeheer, het waterbodembeheer en vaak ook het scheepvaartbeheer. De opmerkingen van de waterbeheerder worden verwerkt in deze waterparagraaf. 4.5.2 Beleidskader Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, alle met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's, waarbij het beleid van het waterschap en de gemeente nader wordt behandeld.

Europa: Kaderrichtlijn Water (KRW) Nationaal: Nationaal Waterplan (NW) Waterbeleid voor de 21ste eeuw (WB21) Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) Waterwet Provinciaal Regionaal Water- en Bodemprogramma 2022-2027 (RWP) Gemeente Gemeentelijk Rioleringsplan 2020-2023 Waterschap Waterbeheerprogramma 2022-2027. Inzet is een klimaatbestendig en veerkrachtig waterbeheer. De kerntaken van het waterschap zijn hierbij uitgangspunt: bescherming tegen overstromingen en zorgen voor schoon en gezond water dat voldoende voorhanden is. Kadernota 2018-2027 "Samen komen we steeds verder": "Het waterschap richt zich op een goede uitvoering van de wettelijke taken rondom veiligheid, waterkwaliteit en watersysteembeheer, tegen betaalbare lasten. De wereld verandert continu en het waterschap verandert mee. Onze taken veranderen niet; de manier waarop we ons werk doen wél. Het waterschap zet de koers van de afgelopen jaren door, met nieuwe accenten. Daarbij nodigen wij burgers, bedrijven en organisaties uit om mee te denken en zelf met initiatieven te komen." Het waterschap en de gemeente hanteren bij nieuwe ontwikkelingen ongeacht het aantal vierkante meters uitbreiding, het principe van waterneutraal bouwen, waarbij gestreefd wordt naar het behoud of herstel van de

36/301

'natuurlijke' waterhuishoudkundige situatie. Vanwege dit principe wordt bij uitbreiding van verhard oppervlak voor de omgang met hemelwater uitgegaan van de voorkeursvolgorde infiltreren, bergen, afvoeren. De technische eisen en uitgangspunten voor het ontwerp van watersystemen zijn opgenomen in de 'beleidsregel hydraulische randvoorwaarden 2009'. 4.5.3 Toetsing In maart 2008 is een geohydrologisch onderzoek uitgevoerd naar de mogelijkheden voor infiltratie en er worden mogelijke adviezen gegeven voor de toekomstige waterhuishouding van het plangebied. Dit onderzoek is betrokken bij het opstellen van de waterparagraaf in 2014 ten behoeve van het bestemmingsplan 'Centrumgebied Bosschenhoofd'. Deze waterparagraaf wordt als input gebruikt voor de basis van de waterparagraaf voor onderliggend bestemmingsplan. Daarnaast wordt uitgegaan van de situatie zoals die tot voor kort in gebruik was met woningen. Planbeschrijving Op de locatie waar voorheen 22 woningen waren voorzien, worden een supermarkt met een bvo van 700 m² en 9 woningen gerealiseerd. Het terrein is momenteel geheel onverhard. De verdeling van de oppervlakten in de toekomstige situatie zijn weergegeven in de tabel. Type oppervlak Daken Verharding Onverhard

Huidige situatie 0 m² 0 m² 5.100 m²

Toekomstige situatie 1.100 m² 2.300 m² 1.700 m²

Behandeling regenwater (RWA) Met betrekking tot hydrologisch neutraal ontwikkelen hebben de drie Brabantse waterschappen, Aa en Maas, De Dommel en Brabantse Delta hun keuren geharmoniseerd, Keur 2015. Daarnaast zijn de algemene regels vastgelegd binnen de “Algemene regels waterschap Brabantse Delta”. De beleidsregels aanvullend op de Keur zijn verder vastgelegd binnen de “Beleidsregels voor waterkering, waterkwantiteit en grondwater”. Aanvullend op de beleidsregel 13 is het stuk “Hydrologische uitgangspunten bij de keurregel voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen”. De waterschappen maken bij het beoordelen van plannen met een toegenomen verhard oppervlak onderscheid tussen grote en kleine plannen. De grenswaarden waaraan getoetst wordt zijn; minder dan 500 m², tussen de 500 m² en 10.000 m² en meer dan 10.000 m². Door de gemeente Halderberge is in het kader van de ontwikkeling van het centrumgebied aangegeven dat het totaal nieuw verhard oppervlak afgekoppeld dient te worden. Met een verharding van 3.400 m² vanuit het stedenbouwkundig ontwerp valt de planontwikkeling tussen de grenswaardes van 500 m² en 10.000 m². Voor een verhardingstoename welke binnen deze grenswaarde valt, geldt de rekenregel uit de Algemene Regel om de retentiecapaciteit te berekenen.

In formulevorm luidt deze regel: Benodigde retentiecapaciteit (in m3) = Toename verhard oppervlak (in m2) * Gevoeligheidsfactor * 0,06 (T=100). De vereiste retentiecapaciteit wordt berekend door het toekomstig verhard oppervlak (m2) te vermenigvuldigen

37/301

met een waterschijf van 60 mm. Daaruit volgt de omvang van de vereiste retentiecapaciteit in m3. De kaart “Gevoeligheid piekafvoeren Beheergebied Brabantse Delta” geeft vervolgens aan of voor een specifieke locatie met minder retentiecapaciteit volstaan kan worden. De kaart is gebaseerd op bodemkundige en hydrologische omstandigheden en kent een drietal gevoeligheidsfactoren (1, ½ en ¼). Het plangebied is gelegen in stedelijk gebied en kent een gevoeligheidsfactor van 1. Dit betekent dat voor het plangebied 204 m³ waterberging benodigd is. Waterneutraal bouwen (afweging voorkeursvolgorde) Het waterschap en de gemeente hanteren bij nieuwe ontwikkelingen het principe van waterneutraal bouwen, waarbij gestreefd wordt naar het behoud of herstel van de ‘natuurlijke’ waterhuishoudkundige situatie. Vanwege dit principe wordt bij uitbreiding van verhard oppervlak voor de omgang met hemelwater uitgegaan van de voorkeursvolgorde infiltreren, bergen, afvoeren. Infiltratie en berging De bodemgesteldheid (zandgronden) laat het toe om regenwater te infiltreren, gezien de ligging in een grondwaterbeschermingsgebied is dit alleen toegestaan mits er een zuiverende voorziening aanwezig is. Voor de ontwikkelingen in de kern van Bosschenhoofd zijn derhalve afspraken gemaakt om het regenwater af te voeren naar een gezamenlijke retentievoorziening buiten de kern en het grondwaterbeschermingsgebied.

Deze gezamenlijke retentievoorziening is gelegen ter hoogte van ‘Albano’ aan de Vaartweg, in de vorm van retentievijvers. De ontwikkeling kan daarom rechtstreeks worden aangesloten op het in 2010 aangelegd gescheiden rioolstelsel in de Pastoor van Breugelstraat. Dit hoofdriool sluit aan op de Albanovijvers. Waterkwaliteit Er dient gebruik gemaakt te worden van milieuvriendelijke bouwmaterialen (niet uitlogende materialen). Uitlogende bouwmaterialen, zoals lood, koper, zink en zacht PVC kunnen zich namelijk ophopen in het water(bodem)systeem en hebben hierdoor een zeer nadelige invloed op de water(bodem)kwaliteit en ecologie. Behandeling vuilwater (DWA) Het DWA-stelsel dient nog nader te worden uitgewerkt in een rioleringsplan. Het nieuwe DWA-stelsel dient te worden aangesloten op het bestaande gemeentelijk stelsel in de Pastoor van Breugelstraat. Beleid gemeente Het gemeentelijk water- en rioleringsbeleid is 19 augustus 2019 vastgelegd in het Gemeentelijk Rioleringsplan 2020-2023. Het GRP is een beleidsplan dat op hoofdlijnen de invulling van de gemeentelijke watertaken weergeeft. Door middel van het GRP legt de gemeente vast wat men wil bereiken en wat de rol van burgers en bedrijven is ten aanzien van afval-, hemel-, en grondwater. Het GRP vervult vier hoofdfuncties: 1.

Kader gemeentelijke zorgplichten: overzicht beleidskeuzes en ambities ten aanzien van stedelijk afvalwater, hemelwater en grondwater. 2. Interne afstemming;

38/301

met andere vakdisciplines binnen de gemeentelijke organisatie en met onze waterpartners. 3. Externe afstemming: met burgers en bedrijven. 4. Continuïteit en voortgangsbewaking: vanwege de relatief lange levensduur van stedelijke watervoorzieningen en kapitaalintensieve investeringen is een lange termijn aanpak essentieel (begroting, investeringen en evaluatie). Met het GRP draagt Halderberge bij aan de volgende omgevingsgerichte lange termijn doelstellingen: bescherming van de volksgezondheid; droge voeten (bebouwd gebied); schoon water en een schone bodem. De gemeente heeft de zorgplicht voor de inzameling van stedelijk afvalwater. In gebieden waar de gemeente inzameling en transport van stedelijk afvalwater niet doelmatig vinden en de provincie ontheffing van de zorgplicht heeft verleend moet de houder van het afvalwater zelf zorgen voor de verwerking van het afvalwater. Met het in werking treden van de Omgevingswet vervalt de provinciale ontheffingsbevoegdheid en mag de gemeente Halderberge samen met het waterschap Brabantse Delta zelf bepalen wat doelmatig is. Bedrijfsafvalwater, dat niet op dezelfde manier kan worden behandeld als huishoudelijk afvalwater is geen stedelijk afvalwater.

Omdat de gemeente hier geen zorgplicht voor heeft kunnen desgewenst bestaande of nieuwe aansluitingen van bedrijven worden geweigerd als dit ten goede komt van de zuivering Afvalwater dient zoveel mogelijk afzonderlijk van regen- en grondwater te worden afgevoerd. Regen- en grondwater voeren de gemeente bij voorkeur niet af naar de RWZI. De gemeentelijke zorg voor het beheer van afvloeiend hemelwater heeft betrekking op het afvloeiend hemelwater van openbaar terrein en afvloeiend hemelwater dat niet op particulier terrein kan worden verwerkt. De eigenaar van het terrein waarop het hemelwater valt is primair verantwoordelijk voor de verwerking van het hemelwater. De gemeente hoeft het hemelwater afkomstig van particulier terrein niet te ontvangen. Voor iedere ontwikkeling die leidt tot nieuwe verharding, ongeacht de omvang van deze ontwikkeling, geldt een bergingseis van 7 mm voor de eerste 1.000 m2. Voor verharding boven de 1.000 m2 geldt een bergingseis van 60 mm, conform de keur. Voor ontwikkelingen op bestaande verharde locaties (inbreidingen, verbouwingen, herstructureringen) met een oppervlak groter dan 1.000 m2 geldt een bergingseis van 60 mm voor het totale oppervlak. In de geest van de gehanteerde voorkeursvolgorde past de gemeente als principe toe dat zoveel als mogelijk retentie (dicht)bij de bron moet worden gerealiseerd.

In de praktijk komt dit neer op in eerste instantie realisatie van retentie op eigen terrein en in tweede instantie realisatie van retentie binnen de plangrenzen van het te realiseren project waarvoor de retentie wordt gerealiseerd. Halderberge heeft de wens om voldoende open water binnen de gemeentegrenzen te hebben. Doordat de eis tot retentie te combineren met de voorkeursvolgorde is het gevolg dat er van nature oppervlaktewater wordt gerealiseerd bij nieuwe ontwikkelingen. De gemeente draagt zorg voor het in openbaar gebied treffen van maatregelen teneinde structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken, mits dit doelmatig is en voor zover er geen verantwoordelijkheid bestaat voor de waterbeheerder of de provincie. De perceeleigenaar is wettelijk gezien primair zelf verantwoordelijk voor het oplossen van zijn

39/301

eigen grondwaterprobleem. Overheden die (in)direct betrokken zijn bij de bescherming van drinkwater hebben een verantwoordelijkheid voor de invulling van de zorgplicht drinkwater. Deze zorgplicht is opgenomen in de Drinkwaterwet. De zorgplicht drinkwater geldt zowel voor de bescherming van bronnen van drinkwater als voor de infrastructuur. Toetsing beleid gemeente Voor herstructureringslocaties zoals onderliggende ontwikkeling geldt op basis van gemeentelijk beleid een bergingseis van 60 mm van het totale verhardingsoppervlak. Voor een verharding van 3.400 m² (incl dakoppervlak) van het plangebied geldt dan een waterbergingseis van 204 m3. Dit zal deels worden afgevoerd op de gezamenlijke retentie in Albanovijver 4 aan de Vaartweg. De waterbergingsopgave die hier nu benodigd is past binnen de ruimte die wij als gemeente hebben in Albanovijver 4. Overige waterberging vindt plaats ten oosten van de woningen in het plangebied, hier zal een Wadi worden aangelegd waarin voldoende ruimte is voor de waterberging van 35 m³. 4.5.4 Conclusie Gezien bovenstaande vormt het aspect waterhuishouding geen belemmering voor het realiseren van de voorgestane ontwikkelingen van de supermarkt en 9 woningen met bijbehorende voorzieningen.

4.6

Luchtkwaliteit

4.6.1 Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer (ook wel Wet luchtkwaliteit genoemd, Wlk). Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in de tabel 4.1 weergegeven. Tabel 4.1 Grenswaarden maatgevende stoffen Wm stof toetsing van stikstofdioxide (NO2) ) jaargemiddelde concentratie fijn stof (PM10) jaargemiddelde concentratie 24-uurgemiddelde concentratie Fijn stof (PM2,5) jaargemiddelde concentratie

grenswaarde 40 µg/m³ 40 µg/m³ max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg/m³ 25 µg/m³

Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht.

40/301

Besluit niet in betekenende mate (Besluit nibm) In dit Besluit is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden: een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³); een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen. 4.6.2 Onderzoek en conclusie In paragraaf 4.2 is berekend dat voor de nieuwe locatie de verkeersgeneratie op een werkdag met koopavond of een weekeinde circa 1.159 mtv/etm bedraagt. Om eenvoudig en snel te bepalen of het plan in betekende mate bijdraagt aan de concentratie van een stof in de buitenlucht, is voor de grootste verkeerstoename de NIBM-rekentool toegepast. Uit de NIBM-tool blijkt dat de maximale bijdrage NO2 1,00 µg/m³ bedraagt en de maximale bijdrage voor PM10 0,19 µg/m³. Hierdoor heeft de beoogde ontwikkeling een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³). De beoogde ontwikkeling draagt dan ook 'niet in betekenende mate' bij aan de concentratie luchtverontreinigende stoffen en is vrijgesteld aan het toetsen aan de grenswaarden. Voldaan wordt aan de luchtkwaliteitswetgeving.

Figuur 4.6.1 Resultaten NIBM-tool In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van de NSL-monitoringstool 2020 (http://www.nsl-monitoring.nl/viewer/) die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. De dichtstbijzijnde maatgevende weg betreft de A58, ten zuiden van het plangebied. Uit de NSL-monitoringstool blijkt dat in 2020 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof langs deze weg ruimschoots onder de grenswaarden lagen. De concentraties luchtverontreinigende stoffen bedroegen in 2018; 19,5 µg/m³ voor NO2, 18,6 µg/m³ voor PM10 en 10 µg/m³ voor PM2,5. Het aantal overschrijdingsdagen van de 24-uur gemiddelde concentratie PM10 bedroeg 6 dagen. Hierdoor is er ter plaatste van het plangebied sprake van een aanvaardbaar

41/301

woon- en leefklimaat.

4.7

Afstemming op omliggende (bedrijfs)functies

4.7.1 Toetsingskader Bij realisering van nieuwe milieuhinderlijke functies moet rekening worden gehouden met eventuele milieugevoelige functies in de omgeving. Uitgangspunt is dat ter plaatse van woningen een goed woon- en verblijfsklimaat is gewaarborgd. Afstemming van bestaande en nieuwe functies gebeurt door het aanhouden van zogenaamde richtafstanden. Hierbij kan gebruik worden gemaakt van de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' van de van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG, editie 2009). In deze publicatie zijn voor elke bedrijfsactiviteit voor de ruimtelijke relevante milieuaspecten een richtafstand ten opzichte van een 'rustige woonwijk' vermeld. Naarmate de milieubelasting van de activiteiten groter is, wordt uitgegaan van een grotere richtafstand. In geval van een omgevingstype 'gemengd gebied' mag worden uitgegaan van een kleinere richtafstand. Alleen voor het aspect gevaar is het reduceren van de richtafstand met één afstandsstap voor niet zonder meer mogelijk. Het hanteren van kleinere richtafstanden is eveneens aanvaardbaar, indien uit onderzoek blijkt dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening waarbij milieuhinder wordt voorkomen. Het gaat hierbij uitdrukkelijk om indicatieve afstanden. In een concrete situatie dient de werkelijk aan te houden afstand nader te worden bepaald.

De richtafstanden worden gemeten van de bestemmingsgrens van de milieuhinderlijke inrichting ten opzichte van de gevels van de woningen van derden. 4.7.2 Onderzoek In de VNG-publicatie is voor supermarkten het volgende vermeld:

Geluid en gevaar zijn de maatgevende milieuaspecten. Op grond van beide milieuaspecten geldt een richtafstand van 10 meter ten opzichte van een rustige woonwijk. De locatie van de beoogde ontwikkeling bevindt zich in een gebied met woningen, maatschappelijke functies en zorgvoorzieningen. Hoewel er sprake is van functiemenging is de buurt aan de noordzijde in de huidige situatie het best als rustige woonwijk te typeren. Dat betekent dat voor de aspecten geluid en gevaar wordt vastgehouden aan een richtafstand van 10 m. De dichtstbijzijnde woningen liggen aan de Sint Gerardushof en in het plangebied zelf. De afstand tot de woningen aan het Gerardushof is ruim 20 meter, de afstand van de supermarkt tot de woningen binnen het plangebied bedraagt 10 meter. Dat betekent dat voor het aspect gevaar aan de richtafstand wordt voldaan. In de publicatie is het verkeersaspect parkeren als aandachtspunt vermeld. Om de geluidbelasting van het

42/301

parkeren op de nieuwe en bestaande woningen te onderzoeken is akoestsich onderzoek uitgevoerd. In dit akoestisch onderzoek is daarnaast onderzocht wat het effect is van het gebruik van de supermarkt (o.a. installaties, gebruik winkelwagens, laden en lossen). Om een onaanvaardbare geluidbelasting uit te sluiten is akoestisch onderzoek inrichtingslawaai gedaan (bijlage 6). Uit de berekeningen blijkt dat bij de onderzochte woningen sprake is van een aanvaardbaar akoestisch klimaat, ten gevolge van de supermarkt. Hiervoor is het wel noodzakelijk dat er een geluidscherm wordt opgericht met een hoogte van 2 meter, aan de noord- en zuidzijde ter plaatse van de erfgrens van de nieuwbouw.

Figuur 4.7.1 Locatie van de benodigde geluidschermen in A een voorstel in B een alternatief voor de locatie van het noordelijke scherm (bron: akoestisch onderzoek Rho adviseurs 2 december 2021) Ten gevolge van het sluiten van portieren kan in de avondperiode niet voldaan worden aan de grenswaarde van 65 d(A) ter hoogte van de nieuwbouw. Maatregelen hieraan zijn redelijkerwijs niet te treffen. De gemeente wordt verzocht dit toe te staan, bijvoorbeeld door het stellen van maatwerkvoorschriften. De nieuwe supermarkt is geen milieugevoelige functie en wordt derhalve niet belemmerd door de aanwezigheid van de overige bedrijven op het bedrijventerrein. De woningen zijn dat wel. Deze worden echter gerealiseerd binnen de bestaande mogelijkheden die het geldende bestemmingsplan biedt. En veroorzaken dan ook geen nieuwe belemmeringen voor bedrijfsmogelijkheden voor bedrijven of bedrijfsmatige activiteiten in de omgeving. 4.7.3 Conclusie In de omgeving van het plangebied zijn geen milieugevoelige functies aanwezig die een belemmering kunnen zijn voor de beoogde vestiging van de supermarkt. Omgekeerd is een goed woon- en leefmilieu ter plaatse van de dichtstbijzijnde woningen geborgd mits er geluidschermen gerealiseerd worden aan de noord- en zuidzijde van de nieuwbouwwoningen en een geluidscherm of muur naar de winkelwagenstalling gerealiseerd wordt.

Aan de geldende richtafstanden kan worden voldaan. Bestaande bedrijven worden niet belemmerd in hun bedrijfsvoering. Het aspect milieuhinder vormt hierdoor geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan.

43/301

4.8

Externe veiligheid

4.8.1 Toetsingskader Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk: bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid; vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen. Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. Het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt. Vervoer van gevaarlijke stoffen Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (BEVT) en de regeling Basisnet in werking getreden. Het BEVT vormt de wet- en regelgeving, en de concrete uitwerking volgt in het Basisnet.

Het Basisnet beoogt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten van, en de bijbehorende maximale risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water. Het BEVT en het bijbehorende Basisnet maakt bij het PR onderscheid in bestaande en nieuwe situaties. Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10-5 per jaar ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en een streefwaarde van 10-6 per jaar. Voor nieuwe situaties geldt de 10-6 waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten, en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten. In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 10-6 contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute. Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes. Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200 m vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Er geldt een oriënterende waarde voor het groepsrisico en onder voorwaarden een verantwoordingsplicht tot 200 m binnen de transportroute.

Besluit externe veiligheid buisleidingen In het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) wordt aangesloten bij de risicobenadering uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zodat ook voor buisleidingen normen voor het PR en het GR gelden. Op grond van het Bevb dient zowel bij consoliderende bestemmingsplannen als bij ontwikkelingen inzicht te worden gegeven in de afstand tot het PR en de hoogte van het GR als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen.

44/301

4.8.2

Onderzoek

Figuur 4.8.1 Uitsnede professionele risicokaart Overeenkomstig de professionele risicokaart waarin relevante risicobronnen getoond worden, zijn er in de omgeving van het plangebied geen risicovolle inrichtingen te vinden met een externe werking (figuur 4.8.1). Ook vindt er geen transport van gevaarlijke stoffen plaats via het water. Ten zuiden van het plangebied bevindt zich op een afstand van circa 282 meter het spoortraject Roosendaal Oost - Breda. Het invloedsgebied wordt bepaald door stofcategorie D4 en bedraagt meer dan 4 kilometer. Daarnaast bevindt zich ten zuiden van het plangebied op een afstand van circa 996 meter de A58. Het invloedsgebied van deze bedraagt meer dan 4 kilometer. Voor beide trajecten geldt dat het plangebied zich niet in de PR-contour bevindt. De A58 heeft een plasbrandaandachtsgebied van 30 meter, ook hier bevindt het plangebied zich niet in. Daarnaast is de afstand tussen het plangebied en beide trajecten meer dan 200 meter, waardoor er volgens het Basisnet geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Wel is vanwege de ligging in het invloedsgebied een beknopte verantwoording noodzakelijk waarin nader wordt ingegaan op de bestrijdbaarheid, bereikbaarheid en zelfredzaamheid. De buisleiding Z-520-36 bevindt zich ten zuiden van het plangebied op een afstand van circa 625 meter.

De grootte van de buisleiding betreft 8 inch met een werkdruk van 40 bar. Het invloedsgebied is 95 meter. Het plangebied bevindt zich niet in het invloedsgebied. Het groepsrisico hoeft niet verantwoord te worden. Beknopte verantwoording Bestrijdbaarheid en bereikbaarheid Voor zowel de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid van 'dagelijkse incidenten', zoals brand of wateroverlast, als voor calamiteiten op het gebied van externe veiligheid, is het van belang dat de bereikbaarheid voor de

45/301

hulpdiensten en bluswatervoorzieningen voldoende geborgd zijn. De bestrijdbaarheid is afhankelijk van de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten. De brandweer moet in staat zijn om hun taken goed uit te kunnen voeren om daarmee verdere escalatie van een incident te voorkomen. Hierbij kan gedacht worden aan het voldoende/adequaat aanwezig zijn van aanvalswegen en bluswatervoorzieningen. Het plangebied wordt ontsloten via de Sint Gerardushof. Deze weg sluit aan op het verdere wegennetwerk van Bosschenhoofd. Het wegennetwerk biedt vluchtmogelijkheden in verschillende richtingen, waardoor altijd van de bron af kan worden gevlucht. Het gedegen netwerk komt de bestrijdbaarheid ten goede. Zelfredzaamheid In de toekomstige situatie zullen 9 woningen en een supermarkt gerealiseerd worden. De aanwezige kinderen en ouderen worden gezien als verminderd zelfredzame personen. Bij deze groepen wordt echter ervan uitgegaan dat in geval van nood de verzorgers/ouders de kinderen en ouderen zullen begeleiden. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchten. Als gevolg van een incident met toxische stoffen over het spoor en de weg geldt dat een toxische wolk zich snel kan ontwikkelen en verplaatsen. Dit effect is vaak niet zichtbaar.

Zelfredzaamheid in deze scenario's is alleen mogelijk als er tijdig alarmering plaatsvindt en gebouwen geschikt zijn om enkele uren te schuilen. Denk hierbij aan het sluiten van ramen en deuren en met name het uitschakelen van (mechanische) ventilatiesystemen. Hiermee worden de aanwezigen beschermd tegen de blootstelling aan toxische gassen. Daarnaast dienen, in het kader van effectieve zelfredzaamheid, de gebruikers van de objecten door risicocommunicatie te worden geïnstrueerd over de risico's en de mogelijke maatregelen die zij kunnen nemen. De alarmering van de aanwezigen wordt momenteel nog gerealiseerd middels het waarschuwings- en alarmeringssysteem (WAS). Dit systeem wordt de komende jaren uitgefaseerd. Het waarschuwingssysteem wordt vervangen door een totaal pakket aan alarmeringsmiddelen, waaronder de calamiteitenzenders, de sirenes, crisis.nl, NL-Alert en het gebruik van sociale media. Veiligheidsvoorschriften bij toxische scenario’s zijn opgenomen in het standaard advies van de veiligheidsregio Midden- en West-Brabant. Een standaard advies van de veiligheidsregio Midden- en West-Brabant is een voldoende verantwoording van de veiligheidsrisico’s. Dit standaardadvies inclusief de standaard verantwoording van het groepsrisico is als bijlage 4 toegevoegd aan deze toelichting.

4.8.3 Conclusie Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van de A58 en spoortraject Roosendaal Oost - Breda waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Uit de beknopte verantwoording blijkt dat de zelfredzaamheid, bestrijdbaarheid en bereikbaarheid van het plangebied als voldoende worden beschouwd. Verder zijn in de directe omgeving van het plangebied geen risicovolle bronnen aanwezig. Het aspect externe veiligheid vormt dan ook geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

46/301

4.9

Geluid

4.9.1 Inleiding In de Wet geluidhinder is bepaald, dat bij de vaststelling of herziening van een bestemmingsplan of het verlenen van een omgevingsvergunning waarbij wordt afgeweken van het bestemmingsplan waarbij mogelijkheden worden geboden voor het realiseren van nieuwe geluidgevoelige bebouwing, middels een akoestisch onderzoek dient te worden aangetoond, of ter plaatse de voorkeursgrenswaarde wordt overschreden. Wanneer er sprake is van een hogere geluidsbelasting dan de in de Wet geluidhinder aangegeven voorkeursgrenswaarde van 48 dB en aangetoond kan worden, dat er geen afdoende maatregelen kunnen worden getroffen om deze geluidsbelasting te verlagen, dient een ontheffing te zijn verleend voor de vaststelling van het bestemmingsplan. Bij een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling dient op grond van de Wet ruimtelijke ordening (Wro), in het kader van een goede ruimtelijke ordening, het akoestische klimaat inzichtelijk te worden gemaakt en te worden beoordeeld indien er sprake is van geluidgevoelige bestemmingen ter plaatse van of nabij de ontwikkeling. Het akoestisch klimaat wordt bepaald door alle aanwezige geluidsbronnen samen. Aangetoond dient te worden dat als gevolg van de gecumuleerde geluidbelasting geen sprake is van onaanvaardbare negatieve effecten op het woon- en leefklimaat. Een wettelijk grenswaarde is hierbij niet aan de orde.

Voor een beoordeling in het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt uitgegaan van een toetsing aan de Milieukwaliteitsmaat (MKM Lden). 4.9.2 Beoordeling/onderzoek Een supermarkt is geen geluidsgevoelige functie op basis van de Wet geluidhinder. Woningen zijn dit wel. De geluidbelasting op woningen is in het kader van het bestemmingsplan 'Centrumgebied Bosschenhoofd' onderzocht, de woningen zijn in het geldende bestemmingsplan ook reeds toegestaan: Wegverkeer en railverkeer In het kader van het bestemmingsplan 'Centrumgebied Bosschenhoofd' is voor de locatie van de woningen onderzoek uitgevoerd naar wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Hieruit bleek dat ter plaatse van de beoogde woningen de voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet overschreden wordt door wegverkeerslawaai en dat de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting van 55 dB ter plaatse van de planlocatie niet wordt overschreden door het railverkeer. Ook wordt ter plaatste van het plangebied voldaan aan de Milieukwaliteitsmaat MKM Lden Vliegveld Breda International Airport Het onderhavig plangebied is gelegen binnen de Bkl contour van het Vliegveld Breda International Airport. Het vliegveld bestaat uit lesvluchten, zakelijk verkeer en recreatief verkeer. Er kunnen per jaar ca 58.000 vluchten plaatsvinden met luchtvaartuigen met een maximale AUW (All Up Weight) kleiner dan 6.000 kg.

Evenals bij het bestemmingsplan 'Centrumgebied Bosschenhoofd' zijn de Bkl contouren op de Verbeelding overgenomen voorzien van de gebiedsaanduiding 'luchtvaartverkeerzone - 5' Kortheidshalve wordt verwezen naar de toelichting van Komplan Bosschenhoofd vastgesteld door de gemeenteraad op 11 oktober 2012. Daaruit blijkt dat het geluid door luchtvaartverkeer geen belemmering is voor de ontwikkeling. 4.9.3 Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

47/301

4.10 Ecologie 4.10.1 Beleids-/toetsingskader Inleiding Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) en het beleid van de provincie ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland de uitvoering van het plan niet in de weg staan. In elk geval moet aannemelijk zijn dat vergunning of ontheffing van de bij of krachtens deze wet geldende verbodsbepalingen kan worden verkregen voor de activiteiten die met dit bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt. Met de Wnb zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. Gebiedsbescherming De Wnb kent diverse soorten natuurgebieden: Natuurnetwerk Nederland (NNN) en Natura 2000-gebieden. De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Voor ieder Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn) opgesteld.

De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. Het NNN is in Noord-Brabant uitgewerkt in het Natuur Netwerk Brabant (NNB). Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden. Soortenbescherming In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn, soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn en de bescherming van overige soorten. De provincie kan ontheffing verlenen van de verboden voor overige soorten. In de provincie Noord-Brabant wordt voor een aantal soorten vrijstelling verleend in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. Het betreft onder andere aardmuis, bastaardkikker, bosmuis, bruine kikker, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, gewone pad, haas, huisspitsmuis, kleine watersalamander, konijn, meerkikker, ree, rosse woelmuis, veldmuis, vos en woelrat.

4.10.2 Toetsing/onderzoek Gebiedsbescherming Het plangebied vormt geen onderdeel van een natuur- of groengebied met een beschermde status, zoals Natura

48/301

2000. Het plangebied maakt ook geen deel uit van het Natuurnetwerk Brabant. Wel is in de omgeving van het plangebied een aantal Natura 2000-gebieden gesitueerd: Hollands Diep op een afstand van 13,2 kilometer, aangewezen als Vogelrichtlijngebied; Krammer-Volkerak op een afstand van 15 kilometer, aangewezen als Vogel- en habitatrichtlijngebied. Brabantsewal op een afstand van 14,5 kilometer, aangewezen als Vogelrichtlijngebied en habtitarichtlijngebied Op grond van artikel 2.7 lid 2 van de Wet natuurbescherming is het verboden om zonder vergunning projecten of andere handelingen uit te voeren die, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen, de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in een Natura 2000-gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen. Om de effecten als gevolg van de bouwwerkzaamheden inzichtelijk te maken is voor het plan een stikstofdepositie berekening uitgevoerd voor zowel de gebruiksfase als de aanlegfase. De resultaten van de berekeningen zijn opgenomen in bijlage 7 van deze toelichting. Uit de uitgevoerde berekeningen kan geconcludeerd worden dat zowel gedurende de aanlegfase als de gebruiksfase de bijdrage 0,00 mol/ha/jaar bedraagt. Hierdoor kan het initiatief niet tot significante negatieve effecten leiden ter plaatse van de Natura 2000 gebieden.

Voor wat betreft het aspect stikstofdepositie zijn er derhalve vanuit de Wet natuurbescherming geen belemmeringen voor de realisatie van het initiatief. Het aanvragen van een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming is niet noodzakelijk. Soortenbescherming De huidige ecologische waarden zijn vastgesteld aan de hand van foto's van het plangebied en algemene ecologische kennis. Aan de randen van het plangebied grenzend aan het Sint Gerardushof en aan de oostzijde is een aantal bomen aanwezig, daar waar vanuit ruimtelijk perspectief noodzaak is tot het kappen van bomen vindt een evenwichtige herplant van nieuwe bomen binnen het plan plaats. Het overige deel van het plangebied bestaat uit een braakliggend terrein dat regelmatig gemaaid wordt. Dit gebied kan gebruikt worden als leefgebied door algemene soorten als veldmuis en egel. Overige soorten worden hier niet verwacht. Er is geen ontheffing nodig voor deze algemeen voorkomende soorten omdat hiervoor in provincie Noord-Brabant een vrijstelling geldt van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming. Aangezien de ontwikkeling niet leidt tot negatieve effecten op beschermde soorten, is een ontheffing van de Wet natuurbescherming niet noodzakelijk. Uiteraard geldt wel de algemene zorgplicht.

Dat betekent dat iedereen voldoende zorg in acht moet nemen voor alle in het wild voorkomende planten en dieren en hun leefomgeving. Tijdens de werkzaamheden dient daarnaast rekening te worden gehouden met het broedseizoen. Overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van vogels wordt voorkomen door de werkzaamheden buiten het

49/301

broedseizoen uit te voeren. In het kader van de Wet natuurbescherming wordt geen standaardperiode gehanteerd voor het broedseizoen. Van belang is of een broedgeval aanwezig is, ongeacht de periode. Indien de werkzaamheden uitgevoerd worden op het moment dat er geen broedgevallen (meer) aanwezig zijn, is overtreding van de wet niet aan de orde. De meeste vogels broeden overigens tussen 15 maart en 15 juli (bron: website vogelbescherming). Gezien de bovenstaande conclusies staat de Wet natuurbescherming en het beleid van de provincie ten aanzien van soortenbescherming, met inachtneming van de voorgestelde maatregelen, de uitvoering van het plan niet in de weg. 4.10.3 Conclusie Het provinciale NNN-beleid en de Wet natuurbescherming vormen geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.11 Planologisch relevante kabels en leidingen 4.11.1 Beleid / toetsingskader Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Planologisch relevante leidingen zijn leidingen waarin de navolgende producten worden vervoerd: gas, olie, olieproducten, chemische producten, vaste stoffen/goederen; aardgas met een diameter groter of gelijk aan 18 inch; defensiebrandstoffen; warmte en afvalwater, ruwwater of halffabrikaat voor de drink- en industriewatervoorziening met een diameter groter of gelijk aan 18 inch. 4.11.2 Toetsing/onderzoek Binnen het plangebied en in de directe omgeving zijn er geen relevante hoogspanningsverbindingen of straalpaden aanwezig. In 2014 is een klic-melding gedaan.

buisleidingen,

4.11.3 Conclusie Het aspect kabels en leidingen staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.

4.12 Milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling 4.12.1 Toetsingskader In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het omgevingsvergunning planmer-plichtig, projectmer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Daarnaast dient het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, na te gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen de kenmerken en plaats van de projecten en de kenmerken van potentiële effecten

50/301

4.12.2 Beoordeling De onderhavige ontwikkeling is qua aard en omvang zodanig dat de drempelwaarden In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. niet worden overschreden. Er dient echter wel een vormvrije m.e.r. beoordeling opgesteld te worden. Uit deze beoordeling (bijlage 8) blijkt dat het plangebied niet is gelegen in kwetsbaar gebied en/of gebied met een beschermde status. Verder leiden de aard en omvang van het project niet tot belangrijke nadelige milieugevolgen. Het doorlopen van een volledige m.e.r.-procedure is niet noodzakelijk. 4.12.3 Conclusie Gemeente op 17 mei, middels een M.e.r.-beoordelingsbesluit, besloten dat geen milieueffectrapportage hoeft te worden opgesteld ten behoeve van de beoogde ontwikkeling (bijlage 9). Er kan worden volstaan met een aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling. Het doorlopen van een volledige m.e.r.-procedure is niet noodzakelijk.

51/301

Hoofdstuk 5

5.1

Juridische planbeschrijving

Inleiding

In deze paragraaf wordt beschreven op welke wijze de nieuwvestiging van de supermarkt en de bestendiging van de woningen planologisch-juridisch is geregeld in onderhavig bestemmingsplan. Eerst wordt echter ingegaan op de eisen die de wet stelt aan bestemmingsplannen.

5.2

Het bestemmingsplan is digitaal beschikbaar

De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat ruimtelijke plannen digitaal en analoog beschikbaar moeten zijn. Dit brengt met zich mee dat bestemmingsplannen digitaal uitwisselbaar en op vergelijkbare wijze moeten worden gepresenteerd. Met het oog hierop stellen de Wro en de onderliggende regelgeving eisen waaraan digitale en analoge plannen moeten voldoen. Zo bevat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (per 1 juli 2013: SVBP2012) bindende afspraken waaraan het bestemmingsplan moet voldoen. De SVBP2012 kent (onder meer) hoofdgroepen van bestemmingen, een lijst met functie- en bouwaanduidingen, gebiedsaanduidingen en een verplichte opbouw van de regels en het renvooi. Het voorliggende bestemmingsplan voldoet aan de wettelijke vereisten en is dus raadpleegbaar en uitwisselbaar. De gemeente publiceert het bestemmingsplan vanaf het ontwerp op www.ruimtelijkeplannen.nl.

5.3

Uitgangspunt: bestemmingsregeling raadplegen vanaf het beeldscherm

Uitgangspunt is dat het bestemmingsplan op het beeldscherm verschijnt via de verbeelding (kaart). De kleuren geven aan welke bestemmingen zijn gelegd. Bouwvlakken markeren de ruimte voor situering van bedrijfsgebouwen. Door met een muis op een perceel te klikken, komt een overzicht in beeld van de relevante gebruiksregels en bouwregels. Daartoe behoren ook de andere bepalingen, zoals voor afwijkingen, wijziging en omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde. In de digitale omgeving is een systeem nagestreefd zodanig, dat vanaf het beeldscherm een doorverwijzing naar de regels en ook naar de specifieke passage van de toelichting en bijlagen mogelijk is. Voor een toelichting op de verbeelding wordt verwezen naar paragraaf 5.4. Voor een uitleg van de mogelijkheden die de bestemming op perceelsniveau biedt, kan worden doorgeklikt naar paragraaf 5.5.

5.4

Toelichting op de verbeelding

Bestemmingen en aanduidingen Op de verbeelding is in de ondergrond de bestaande situatie (bebouwing en kadastrale eigendomsgrenzen) weergegeven. Op deze ondergrond zijn vlakken getekend waarin is aangegeven welke bestemming ter plaatse zal gaan gelden. In dit bestemmingsplan zijn dit enkelbestemmingen (Detailhandel, Verkeer, Groen en Wonen). Door middel van aanduidingen (bouwvlak, maximum bouw- en goothoogte, enz.) is de situering en maatvoering

52/301

van de gebouwen vastgelegd. De maatvoering sluit aan op de bouwhoogten van de overige bebouwing en mogelijkheden van het geldende bestemmingsplan 'Centrumgebied Bosschenhoofd'

5.5

Toelichting op de regels

De regels zijn uit oogpunt van uniformiteit van bestemmingsplannen zoveel mogelijk afgestemd op de regels van het bestemmingsplan 'Centrumgebied Bosschenhoofd' , met dien verstande dat rekening is gehouden met wetswijzigingen en actuele inzichten. Toelichting op de inleidende regels Conform SVBP bevat hoofdstuk Inleidende regels artikelen met de Begrippen en de Wijze van meten. Toelichting op de bestemmingsregels In hoofdstuk 2 zijn de bestemmingen opgenomen met de daarbij behorende bestemmingsomschrijving en bouwregels. Om planologische rechten zo veel mogelijk te respecteren zijn de huidige bestemmingen Wonen en Verkeer uit het 'Centrumgebied Bosschenhoofd' in onderhavig bestemmingsplan zoveel mogelijk overgenomen, met dien verstande dat het bouwvlak in de bestemming Wonen is aangepast naar de afmetingen van beoogde ontwikkeling. Daarnaast zijn geluidwerende voorzieningen met een hoogte van 2,5 m binnen deze bestemming doormiddel van een omgevingsvergunning van afwijken mogelijk gemaakt. Binnen de bestemming Verkeer zijn daarnaast voorzieningen voor een fietsenstalling (maximaal één gebouw van 50 m²) en winkelwagenstalling (maximaal één gebouw van maximaal 15 m²) mogelijk. Voor de groene inrichting met waterberging naast de woningen aan de oostzijde heeft een bestemming Groen waarbinnen deze waterberging mogelijk is.

Daarnaast zijn binnen deze bestemming ook de speeltoestellen mogelijk, mits aan een aantal voorwaarden wordt voldaan Voor de beoogde supermarkt is de bestemming Detailhandel opgenomen. Binnen deze bestemming is een supermarkt mogelijk met een beperkte afmeting van maximaal 700 m² bvo, dit omdat er zeer beperkte tot geen marktruimte is voor detailhandel in niet dagelijkse boodschappen in Bosschenhoofd en de locatie, bijvoorbeeld de wegenstructuur, een grotere supermarkt niet toestaat. Daarnaast is ondergeschikt en ondersteunend aan de supermarkt een tabakswinkel met een oppervlak van maximaal 25 m² toegestaan. Toelichting op de algemene regels In hoofdstuk Algemene regels zijn de antidubbeltelregel, de algemene bouwregels en algemene afwijkingsregels opgenomen. Ook is een bepaling voor de werking van de wettelijke regelingen opgenomen, waarnaar elders in de regels wordt verwezen. Het artikel met de Anti-dubbeltelregel is verplicht voorgeschreven in artikel 3.2.4 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Het doel van dit artikel is te voorkomen dat er meer wordt gebouwd dan het bestemmingsplan beoogd, bijvoorbeeld ingeval (onderdelen van) percelen van eigenaar wisselen.

53/301

De gebiedsaanduidingen Luchtvaartverkeerzone en Milieuzone - boringsvrije zone gelden in het gehele plangebied en beschermen de mogelijkheden van het nabij gelegen vliegveld en het grondwaterbeschermingsgebied. In het lid 9.3 zijn specifieke regels opgenomen om de aanwezigheid van voldoende parkeergelegenheid in het gebied te borgen. In lid 9.4 is een voorwaardelijke verplichting voor het gebruik van bebouwing binnen de bestemmingen Wonen en Detailhandel opgenomen ten behoeve van het realiseren van voldoende waterberging. Toelichting op de overgangs- en slotregels In artikel 3.2.1 van het Bro zijn standaardregels opgenomen met betrekking tot het overgangsrecht voor bouwwerken en gebruik. Deze maken onderdeel uit van dit bestemmingsplan. In de slotregel is aangegeven onder welke naam de regels kunnen worden aangeduid.

54/301

Hoofdstuk 6 6.1

Financiële aspecten

Kostenverhaal en grondexploitatieplan

6.1.1 Wettelijk kader In de Wet ruimtelijke ordening zijn regels opgenomen over de grondexploitatie. Deze regels verplichten tot een kostenverhaal indien nieuwe bouwplannen rechtstreeks mogelijk worden gemaakt door middel van een bestemmingsplan en er voor de gemeente sprake is van verhaalbare kosten (kostensoortenlijst Besluit ruimtelijke ordening (Bro)). In geval van kostenverhaal is een exploitatieplan niet vereist wanneer het kostenverhaal anderszins is verzekerd (bijvoorbeeld door het sluiten van overeenkomsten van grondexploitatie met alle eigenaren in het exploitatiegebied, waar bouwmogelijkheden gerealiseerd kunnen worden of volledig grondeigendom). In een bestemmingsplan is sprake van kostenverhaal (6.2.3 tot en met 6.2.5 Bro) als een bouwplan (6.2.1 Bro) wordt mogelijk gemaakt.

De wetgever heeft de volgende verschillende bouwplannen vastgelegd: bouw een of meer andere hoofdgebouwen; uitbreiding van een gebouw met ten minste 1.000 m² of met één of meer woningen; de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor woondoeleinden, mits ten minste 10 woningen worden gerealiseerd; de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor detailhandel, dienstverlening, kantoor of horecadoeleinden, mits de cumulatieve oppervlakte van de nieuwe functies ten minste 1.500 m² bruto-vloeroppervlakte bedraagt; de bouw van kassen met een oppervlakte van ten minste 1.000 m² bruto-vloeroppervlakte. Toetsing In het voorliggende bestemmingsplan wordt een ontwikkeling die wordt aangemerkt als bouwplan als bedoeld in artikel 6.2.1 van het Bro mogelijk gemaakt. Er is een samenwerkingsovereenkomst gesloten waarin afspraken zijn gemaakt over de kosten en eventuele planschade. Aanvullend wordt de reeds gesloten realisatieovereenkomst voor het centrumplan tussen Woonkwartier en de gemeente Halderberge herzien, met betrekking tot de realisatie van het openbaar gebied in fase 4. Daarmee is het kostenverhaal verzekerd.

6.2

Financiële uitvoerbaarheid

Voor de ontwikkelingen die thans rechtstreeks planologisch-juridisch mogelijk worden gemaakt zal de initiatiefnemer gegevens overleggen aan de gemeente waaruit blijkt dat deze de investeringen financieel kan dragen. Gelet op het vertrouwelijke karakter zijn de financiële gegevens niet in deze paragraaf opgenomen. De gemeente zal inzicht krijgen in de financiële gegevens.

55/301

Hoofdstuk 7 7.1

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Resultaten vooroverleg

In het kader van het overleg als bedoeld in artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening is het voorontwerpbestemmingsplan toegezonden aan de diverse overleginstanties. De reacties van de diverse instanties zijn opgenomen in bijlage 11. Provincie Noord-Brabant Provincie geeft aan dat het plan in overeenstemming met de provinciale belangen is, ervan uitgaande dat in artikel 10.1 van de planregels een verbod wordt opgenomen voor het gebruik van schadelijk uitloogbaar bouwmateriaal, zoals in artikel 3.11, lid 2 sub c, en lid 3 van de IOV is voorgeschreven. In artikel 10.1.5 is hiervoor een bepaling opgenomen. Waterschap Branbantse Delta Geeft een positief wateradvies af en vraagt aandacht voor het gebruik van niet uitloogbare materialen en de capaciteit van de Albanovijver. Veilig Verkeer Afd. Halderberge Geeft aan geen problemen te zien in het ontwerp. Brandweer Midden- en West-Brabant Brandweer Midden- en West-Brabant geeft aan dat het plangebied voldoet aan de criteria van het Standaardadvies en dat het advies van 2022 ook is verwerkt. De brandweer geeft aan de inrichting er voor zorgt dat de hulpverleningsvoertuigen op afstand komen te staan. En vraagt of er een optie mogelijk is om het plan anders in te richte om er voor te zorgen dat de hulpverleningsvoertuigen in noodgevallen iets dichterbij kunnen komen.

In overleg met de brandweer zal wordne gekeken wat de mogelijkheden hier zijn. ProRail, Evides, Gasunie, Rijkswaterstaat Geven allen aan geen opmerkingen te hebben

7.2

Omgevingsdialoog

In december 2020 zijn omwonenden middels een brief op de hoogte gesteld van het voornemen van de ontwikkelingen. Op 13 december 2021 is een digitale informatieavond georganiseerd waarin omwonenden zijn geïnformeerd over de beoogde plannen en men de mogelijkheid heeft gehad vragen te stellen. Het verslag van deze bijeenkomst is bijgevoegd in bijlage 10.

7.3

Zienswijze

Het ontwerpbestemmingsplan Sint Gerardushof Bosschenhoofd zal hierna gedurende zes weken ter inzage worden gelegd. Gedurende deze periode wordt eenieder in de gelegenheid gesteld zienswijzen in te dienen.

56/301

7.4

Vaststelling

Na vaststelling door de gemeenteraad wordt het bestemmingsplan voor de tweede maal zes weken ter visie gelegd. Gedurende deze periode kunnen belanghebbenden tegen het vaststellingsbesluit beroep instellen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Indien geen beroep wordt ingesteld, is het plan na deze beroepstermijn onherroepelijk en treedt het plan in werking.

57/301

58/301

Bijlagen toelichting

59/301

60/301

Bijlage 1

61/301

Ruimtelijk-economisch onderzoek

SUPERMARKTONTWIKKELING BOSSCHENHOOFD Ladderonderbouwing 10 maart 2022

1/16

DATUM KENMERK PROJECT PROJECTLEIDER

10 maart 2022 Supermarkt Bosschenhoofd ing. J.A. van Broekhoven

OPDRACHTGEVER Krisma Vastgoed B.V. PROJECTNUMMER 20201367 AUTEUR STATUS

2/16

Julia Breukelman Definitief

3/16

INHOUD 1.

2.

3.

4.

4/16

Inleiding

5

1.1 1.2 1.3

Aanleiding Vraagstelling Leeswijzer’

5 5 6

Toets aan beleid

7

2.1

Provinciaal beleid 2.1.1 Omgevingsvisie Noord-Brabant (2018) 2.1.2 Interim omgevingsverordening Noord-Brabant (geconsolideerd 2021)

7 7 7

2.2

Regionaal beleid 2.2.1 Regionale detailhandelsvisie West-Brabant 2014-2020 (2014)

8 8

2.3

Gemeentelijk beleid 2.3.1 Omgevingsvisie Halderberge (2022)

9 9

Behoefte

11

3.1 3.2 3.3

11 11 13

Verzorgingsgebied dagelijks winkelaanbod Halderberge Analyse dagelijks winkelaanbod Halderberge Distributieplanologische marktanalyse dagelijks winkelaanbod Bosschenhoofd

Conclusie

16

1. INLEIDING 1.1

Aanleiding

De gemeente Halderberge werkt samen met Krisma Vastgoed B.V. aan de herontwikkeling van de Gerardushof in het centrum van Bosschenhoofd (figuur 1.1). Er wordt een bestemmingsplan opgesteld om dit mogelijk te maken. In het bestemmingsplan is de mogelijkheid opgenomen voor het toevoegen van een supermarkt van 700 m2 bvo (bruto vloeroppervlak).

Figuur 1.1 Ligging plangebied Gerardushof Bosschenhoofd (ondergrond: ruimtelijkeplannen.nl; bewerking Rho)

1.2

Vraagstelling

De ladder voor duurzame verstedelijking (artikel 3.1.6. lid 2 Besluit ruimtelijke ordening) is het ruimtelijke afwegingskader voor het al dan niet toevoegen van nieuwe stedelijke functies. Ladder voor duurzame verstedelijking De ladder voor duurzame verstedelijking (ladder) is een instrument voor efficiënt ruimtegebruik (artikel 3.1.6 lid 2 Besluit ruimtelijke ordening). Het bevoegd gezag moet voldoen aan een motiveringsvereiste als nieuwe stedelijke ontwikkelingen planologisch mogelijk worden gemaakt. Of er sprake is van een (nieuwe) stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. Wanneer er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet de behoefte aan die ontwikkeling aangetoond worden. De behoefte wordt bepaald binnen het ruimtelijk verzorgingsgebied van de detailhandelsontwikkeling. De voorkeursvolgorde van de ladder is dat nieuwe stedelijke ontwikkelingen binnen ‘bestaand stedelijk gebied’ worden gerealiseerd. De eerste stap is het bepalen of de ontwikkeling van een supermarkt aan te merken is als ‘stedelijke ontwikkeling’. Uit jurisprudentie (ABRvS 28 juni 2017; ECLI:NL:RVS:2017:1724) kan worden afgeleid dat ontwikkelingen groter dan 500 m2 bvo ten opzichte van het vigerende bestemmingsplan worden aangemerkt als ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’.

Op basis van het huidige bestemmingsplan is een supermarkt niet mogelijk. De ontwikkeling bestaat uit het toevoegen van 700 m2 bvo aan supermarktfunctie en wordt daarmee aangemerkt als ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’.

5/16

Geconcludeerd wordt dat de beoogde ontwikkeling van de supermarkt moet worden getoetst aan de ladder voor duurzame verstedelijking. In dit onderzoek staat de vraag centraal of de beoogde ontwikkeling voldoet aan de uitgangspunten van de ladder voor duurzame verstedelijking. Hierbij komen de volgende onderwerpen aan bod: ● Toets aan het relevante provinciaal, regionaal en gemeentelijk (detailhandels)beleid. ● Analyse van de dagelijkse goederensector van Halderberge en Bosschenhoofd. ● Een actuele marktanalyse met een analyse van de te verwachten ruimtelijke effecten op het woon-, leef- en ondernemingsklimaat in Bosschenhoofd.

1.3

Leeswijzer

In hoofdstuk 2 is het relevante beleidskader uiteengezet. In hoofdstuk 3 is de behoefte aan de ontwikkeling van een supermarkt in beeld gebracht, waarbij de dagelijkse goederensector is geanalyseerd. Onderdeel hiervan is een marktruimteberekening gemaakt om de kwantitatieve behoefte in beeld te brengen. In hoofdstuk 4 zijn de belangrijkste conclusies opgenomen ten aanzien van de toets aan de ladder voor duurzame verstedelijking.

6/16

2. TOETS AAN BELEID 2.1

Provinciaal beleid

2.1.1 Omgevingsvisie Noord-Brabant (2018) In de Omgevingswet wil de Rijksoverheid alle regels voor de fysieke leefomgeving samenvoegen; over ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur en water. De nieuwe wet beoogt minder en overzichtelijke regels, een samenhangende benadering van de leefomgeving, ruimte voor lokaal maatwerk en betere en snellere besluitvorming. Daarmee moet het gemakkelijker worden om bijvoorbeeld een bouwproject te starten. De wet wordt naar verwachting in 2021 van kracht en verplicht provincies en gemeenten een visie op de leefomgeving te ontwikkelen. De provincie Noord-Brabant heeft een dergelijke visie op de leefomgeving inmiddels uitgewerkt. De Brabantse Omgevingsvisie is vooruitlopend op de Omgevingswet in december 2018 vastgesteld. Onder het motto 'eenvoudig beter', doelt de Omgevingswet op meer inzichtelijkheid, en een grotere voorspelbaarheid en gebruiksgemak van het Omgevingsrecht. De basisopgave van de Brabantse Omgevingsvisie is: "Werken aan veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit". Voor 2030 is het doel om voor alle aspecten te voldoen aan de wettelijke normen. Brabant heeft dan een aanvaardbare leefomgevingskwaliteit. Voor 2050 is het doel om een goede leefomgevingskwaliteit te hebben door op alle aspecten beter te presteren dan wettelijk als minimumniveau is bepaald.

De vier hoofdopgaven zijn als volgt: Werken aan de Brabantse energietransitie, Werken aan een klimaatproof Brabant, Werken aan de slimme netwerkstad en Werken aan een concurrerende, duurzame economie. Elk van deze doelen is uitgewerkt in specifieke aandachtspunten. Voor de beoogde ontwikkeling kunnen de volgende aandachtspunten een rol spelen: ● de provincie gaat uit van meervoudig en zorgvuldig ruimtegebruik. Door een integrale benadering wordt de claim op de schaarse ruimte zo beperkt mogelijk gehouden; ● de provincie streeft naar een stedelijk netwerk dat de gezondheid en het leefklimaat van de Brabanders versterkt. Dat betekent dat de provincie aandacht heeft voor de milieukwaliteit en een aantrekkelijke en bereikbare groene omgeving en voorzieningenstructuur. Nabijheid en menging van wonen, werken, voorzieningen, parken en natuur, draagt niet alleen bij aan gezondheid, maar nodigt ook uit tot sociale contacten en draagt daardoor bij aan de sociale cohesie binnen steden en dorpen; ● de provincie zet in op het vergroten van nabijheid, als strategie om groei van de (auto)mobiliteit te beperken. Nabijheid en functiemenging van wonen, werken en voorzieningen dragen bij aan de ontwikkeling van nieuwe (en vernieuwing van) economische activiteiten.

Toetsing De toevoeging van een supermarkt vindt plaats in het bestaande dorpscentrum van Bosschenhoofd, waarmee het voorzieningenniveau in het dorp verbetert. Dit is passend binnen het provinciaal beleid. De provincie zet namelijk in op zorgvuldig ruimtegebruik en een aantrekkelijke voorzieningenstructuur. 2.1.2 Interim omgevingsverordening Noord-Brabant (geconsolideerd 2021) De provincie wil met haar regels aansluiten op de werkwijze van de Omgevingsvisie en de Omgevingswet. Daarom is ervoor gekozen om de verschillende provinciale verordeningen voor de fysieke leefomgeving samen te voegen tot één Interim omgevingsverordening. Dit betekent dat de regels betrekking hebben op milieu, natuur, ruimtelijke ordening, water, bodem en wegen. De Interim omgevingsverordening is daarbij een eerste stap op weg naar een omgevingsverordening, die op grond van de Omgevingswet wordt vastgesteld en die verplicht is voor provincies. In de Interim Omgevingsverordening is het principe van zorgvuldig ruimtegebruik opgenomen (artikel 3.6 afdeling 3.1). Nieuwe functies worden in beginsel enkel toegelaten binnen het bestaand ruimtebeslag voor bebouwing (stedelijk gebied). Dit om het bestaand bebouwd gebied optimaal te benutten, zodat bijgedragen wordt aan het behoud van de openheid en

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://gemeenteraad.halderberge.nl/api/v1/meetings/540/documents/15700