Bestemmingsplan Albanoweg -Toelichting NL.IMRO.1655.BP6025-C001.pdf
Tekst van het document
De retentievoorziening kan 180 x 2 = 360 m², 360 x 0,3 = 108 m³ opvangen. In totaal wordt er voor 149,7 m³ retentie gerealiseerd. In figuur 12 is op de situatietekening weergeven waar de retentievoorzieningen worden gerealiseerd. Ter plaatse van de bestemming ‘Groen’ wordt de aanduiding 'specifieke vorm van groen - waterberging' toegevoegd.
Bestemmingsplan toelichting 190100
Pagina 27 van 36
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
Figuur 12: Retentievoorzieningen weergeven op situatietekening
Watertoets Het watertoetsproces is een belangrijk instrument om het waterbelang in ruimtelijke plannen en besluiten te waarborgen. Het gaat daarbij om alle waterhuishoudkundige aspecten, waaronder veiligheid, wateroverlast, watertekort, waterkwaliteit en verdroging, en om alle wateren: rijkswateren, regionale wateren en grondwater. De watertoets zorgt er voor dat bij alle ruimtelijke plannen aandacht is voor de kwaliteit én kwantiteit van water. De watertoets is verplicht bij alle plannen voor landelijk én stedelijk gebied. De gemeente doorloopt met het waterschap het watertoetsproces, dat bestaat uit advisering, toetsing en goedkeuring door het waterschap. Dit bestemmingsplan is in het kader van het vooroverleg voorgelegd aan het waterschap Brabantse Delta. Aangezien de belangrijkste uitgangspunten voor het waterschap naar wens zijn opgenomen in het bestemmingsplan hebben zij een positief wateradvies gegeven. Naar aanleiding van de op- en aanmerkingen van het waterschap zijn de retentievoorzieningen ingetekend op de situatietekening. Ter plaatse van de bestemming ‘Groen’ is de aanduiding 'specifieke vorm van groen waterberging' toegevoegd. Beleid waterschap Brabantse Delta Het waterschap Brabantse Delta is verantwoordelijk voor het waterbeheer in de gemeente.
Het gaat dan om het waterkwantiteits en - kwaliteitsbeheer, de waterkeringzorg, waterzuivering, het grondwaterbeheer, het waterbodembeheer en vaak ook het scheepvaartbeheer. Het waterschap heeft de grondslag van haar beleid opgenomen in het waterbeheersplan 2016-2021, wat is afgestemd op Europees, nationaal en provinciaal beleid. Speerpunten uit het waterbeheerplan zijn veiligheid, droge voeten, voldoende water, gezonde natuur, schoon water, genieten van water en het waterschap als calamiteitenorganisatie. Het waterschap heeft in een toetsingskader RO “De ruimte blauw geordend” aangegeven wat de ruimtelijke consequenties zijn van het waterbeleid. Daarnaast heeft het waterschap waar nodig nog toegespitst beleid en beleidsregels op de verschillende thema’s/speerpunten uit het waterbeheersplan en heeft het waterschap een eigen verordening; De Keur en de Bestemmingsplan toelichting 190100
Pagina 28 van 36
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
legger. De Keur bevat gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. De legger geeft aan waar de waterstaatswerken liggen, aan welke afmetingen en eisen die moeten voldoen en wie onderhoudsplichtig is. Veelal is voor deze ingrepen een watervergunning van het waterschap benodigd. De Keur is onder andere te raadplegen via de site van waterschap Brabantse Delta. Het waterschap hanteert bij nieuwe ontwikkelingen het principe van waterneutraal bouwen, waarbij gestreefd wordt naar het behoud of herstel van de ‘natuurlijke’ waterhuishoudkundige situatie. Vanwege dit principe wordt bij uitbreiding van verhard oppervlak voor de omgang met hemelwater uitgegaan van de voorkeursvolgorde infiltreren, bergen, afvoeren. De technische eisen en uitgangspunten voor het ontwerp van watersystemen zijn opgenomen in de ‘beleidsregel Afvoer hemelwater door toename en afkoppelen van verhard oppervlak, en de hydrologische uitgangspunten bij de keurregels voor afvoeren van hemelwater’. 5.4
Cultuurhistorie en archeologie
5.4.1
Wet op de archeologisch monumentenzorg (nota belvedère)
In de nota belvedère staat de instandhouding, versterking en verdere ontwikkeling van de cultuurhistorische identiteit bij ruimtelijke aanpassingen centraal. Hiertoe wordt een ontwikkelingsgerichte benadering voorgestaan, die bestaande kwaliteiten als vertrekpunt hanteert en deze combineert met een beschrijving van de recente cultuurgeschiedenis, dynamiek en ontwikkelingspotenties van een gebied. Het plangebied is niet gelegen in een gebied aangewezen binnen de nota belvedère. Het Europese verdrag betreffende de bescherming van het archeologische erfgoed is in 1992 in Valletta (Malta) ondertekend door de ministers van Cultuur van de landen aangesloten bij de Raad van Europa. Dit verdrag wordt het ‘Verdrag van Malta’ genoemd. Het verdrag van Malta heeft als hoofddoel archeologische resten in Europa te beschermen als onvervangbaar onderdeel van het culturele erfgoed. In Nederland heeft het rijk dit Verdrag in 2007 verankerd in nationale wet- en regelgeving middels de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz). De Wamz is geen zelfstandige wet, maar een Wijzigingswet en betreft onder meer een herziening van de Monumentenwet 1988. De belangrijkste wijziging voor gemeenten is het feit dat archeologie sinds de invoering van de wet archeologie verankert moet worden in het bestemmingsplan.
De gemeente Halderberge heeft invulling aan de Wamz gegeven door een eigen gemeentelijk archeologiebeleid op te stellen. 5.4.2
Archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart en beleidsnota “Ons ongeschreven verleden gemeente Halderberge”
In het kader van ruimtelijke ontwikkelingen dient rekening gehouden te worden met de aanwezige en te verwachten archeologische en cultuurhistorische waarden. De gemeente, waarbinnen de betreffende ontwikkeling plaatsvindt, is hierbij het bevoegd gezag. Op de Cultuurhistorische Waardenkaart van de Provincie Noord-Brabant staat aangegeven welke archeologische en cultuurhistorische waarden (in potentie) aanwezig zijn, zie paragraaf 5.4.3 Daarnaast heeft de gemeente Halderberge, om inzicht te krijgen welke archeologische vondsten er in de gemeente verwacht kunnen worden, in 2005 de archeologische verwachting- en beleidsadvieskaart vastgesteld. Op 22 september 2011 in vervolg hierop de beleidsnota “Ons ongeschreven verleden” vastgesteld. In de archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart wordt onderscheid gemaakt in gebieden met een lage, middelhoge en hoge verwachting voor vindplaatsen. De kaart is leidend bij de toetsing van gemeentelijke plannen. Binnen het bestemmingsplan ‘Eerste herziening bestemmingsplan buitengebied Halderberge’ is ter plaatse van de planlocatie geen dubbelbestemming ten behoeve van de archeologische waarden opgenomen. 5.4.3
Archeologie
Het is verplicht om in nieuwe bestemmingsplannen rekening te houden met de mogelijke aanwezigheid van archeologisch waarden.
Bestemmingsplan toelichting 190100
Pagina 29 van 36
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
Figuur 13: Uitsnede Archeologische beleidskaart gemeente Halderberge
In figuur 12=3 is ter plaatse van de planlocatie een uitsnede van de Archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart van de gemeente Halderberge weergeven, hieruit blijkt dat de planlocatie gelegen is in een gebied met een lage archeologische verwachting. Door de planologische ontwikkeling worden de archeologische waarden niet aangetast. 5.4.4
Beleidsnota Cultureel Erfgoed ‘Inspirerend verleden’
Op 22 september 2011 heeft de gemeenteraad de beleidsnota cultureel erfgoed Halderberge ‘Inspirerend verleden’ vastgesteld. De centrale visie van deze nota luidt: ‘cultuurhistorie is een belangrijke drager van de identiteit van Halderberge en maakt integraal onderdeel uit van de ruimtelijke ontwikkeling van Halderberge, waardoor ontmoetingen van heden en verleden gelden als uitdaging en inspiratiebron voor de toekomst’. In beleidsnota Cultureel Erfgoed wordt de huidige stand van zaken met betrekking tot monumentenzorg besproken en worden voorstellen gedaan om te komen tot een adequaat, integraal en actief gemeentelijk beleid op het gebied van monumentenzorg. Bij het maken van beleidskeuzen heeft het cultuurhistorisch aspect meer dan in het verleden een prominentere rol gekregen, die verder gaat dan alleen de zorg voor een bepaald monumentaal object. Die gedachte sluit tevens aan op internationale, nationale en provinciale ontwikkelingen. 5.4.5
Cultuurhistorie
Sinds 1 juli 2011 is de Modernisering Monumentenzorg (MoMo) in werking getreden. Als gevolg hiervan is het Bro (artikel 3.6.1. lid 2) gewijzigd. Kort gezegd geldt nu voor cultuurhistorie, wat als sinds 2007 voor archeologie geldt. Ook voor cultuurhistorie moet nu in elk bestemmingsplan een beschrijving te worden opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Het gaat daarbij niet alleen om cultuurhistorische objecten, ook historische geografie hoort hierbij. Om te bepalen of binnen het plangebied sprake is van cultuurhistorische elementen waarmee rekening dient te worden gehouden, is de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Noord-Brabant geraadpleegd. Deze kaart is eveneens via de Verordening Ruimte een verplicht te raadplegen onderdeel. Op de Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie (figuur 14) is te zien dat de planlocatie in een gebied met een ‘Indicatieve Archeologisch waarden’ ligt. Bestemmingsplan toelichting 190100
Pagina 30 van 36
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
Figuur 14: Uitsnede Cultuurhistorische Waardenkaart (bron: brabant.nl)
In figuur 15 is ter plaatse van de planlocatie een uitsnede van de Cultuurhistoriekaart van de gemeente Halderberge weergegeven. Hierop is aangegeven dat de planlocatie is gelegen aan een ‘historische weg’, de Albanoweg. Het archeologiebeleid is in paragraaf 5.4.2 verder beschreven.
Figuur 15: Uitsnede Cultuurhistoriekaart gemeente Halderberge
5.5
Ecologie
Vanuit Europa is de bescherming van (plant en dier) soorten en gebieden geregeld in de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. In Nederland is de natuurwetgeving verankerd in de Wet Natuurbescherming. Europese Vogel- en Habitatrichtlijn De Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn hebben tot doel de bescherming van (vogel)soorten en hun natuurlijke habitats. Elke lidstaat is verplicht om speciale beschermingszones (SBZ’s) aan te wijzen, die samen Bestemmingsplan toelichting 190100
Pagina 31 van 36
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
één Europees netwerk van natuurgebieden vormen: “Natura 2000”. Wanneer in een gebied bepaalde soorten voorkomen, of een bepaald percentage van de Europese populatie herbergt, dan komt dit gebied in aanmerking voor plaatsing onder de betreffende richtlijnen. De planlocatie valt in zijn geheel niet binnen de aangewezen Vogelrichtlijn- of Habitatrichtlijngebieden. Wet Natuurbescherming De Wet natuurbescherming is een 'kaderwet'. Dat betekent dat er alleen algemene principes en verantwoordelijkheden in staan. De details zijn geregeld in een groot aantal algemene maatregelen van bestuur en ministeriële regelingen. Sommige bepalingen uit de Wet natuurbescherming zijn het gevolg van afspraken op internationaal en Europees niveau, zoals de Vogelrichtlijn, de Habitatrichtlijn en het CITESverdrag. Algemeen Bij ruimtelijke ontwikkelingen kunnen wettelijk beschermde dieren en plantensoorten in hun algemeenheid of wettelijk beschermde gebieden in het geding zijn. Om de natuurwaarden van de projectlocatie te kunnen beoordelen moet er getoetst worden aan wat beschreven staat in de Wet natuurbescherming. Daarnaast is het beleid aangaande het Natuurnetwerk van belang.
Gebiedsbescherming Op grond van de Wet natuurbescherming is het verboden activiteiten te verrichten die leiden tot aantasting van wettelijk beschermde soorten en van hun voortplantingsplaats, vaste rustplaats of vaste verblijfplaats. De Wet natuurbescherming regelt de bescherming van gebieden die om hun ecologische waarde beschermd moeten worden. Daaronder vallen onder andere de zogenaamde Natura 2000 gebieden. De planlocatie ligt niet in een speciale beschermingszone als bedoeld in de Wet natuurbescherming. Daarnaast is de planlocatie ook niet gelegen binnen het Natuurnetwerk Brabant, dit ligt op een afstand van circa 700 meter. Het beleid dat daarop van toepassing is heeft geen betrekking op de planlocatie. Beschermde soorten Het is in theorie mogelijk dat op de locatie dier- en plantensoorten van de Habitatrichtlijnen voorkomen of dier- en plantensoorten die beschermd zijn op grond van de Wet natuurbescherming. De volgende beschermde soorten kunnen mogelijk op de planlocatie worden aangetroffen, concreet zijn dit de kamsalamander, de heikikker, de poelkikker, de rugstreeppad, de vleermuis en de drijvende waterweegbree. Met uitzondering van vleermuis bestaat de habitat van deze soorten voornamelijk uit stromend dan wel stilstaand water. Op dit moment is er geen water op de locatie aanwezig.
Het is dan ook nagenoeg uitgesloten dat op de locatie één of meer beschermende amfibiesoorten voorkomen. De vleermuis leeft in bomen en/of in gebouwen. Verblijfplaatsen van vleermuizen kunnen worden gevonden in spouwmuren, maar ook achter betimmering en daklijsten en zijn dus zeer moeilijk op te sporen. Op de planlocatie worden geen bomen gekapt, of gebouwen gesloopt. De feitelijke situatie wijzigt niet. Er geldt altijd een algemene zorgplicht voor beschermde en onbeschermde soorten. Er is door Maassen ecologisch advies en onderzoek een ecologische quickscan uitgevoerd, zie bijlage 3. Indien onderstaande voorzorgsmaatregelen in acht worden genomen, worden de flora en fauna niet aangetast. Algemene voorzorgsmaatregelen ▪ Bij uitvoering van ingrepen dient het broedseizoen in acht genomen te worden indien niet voldoende gegarandeerd kan worden dat nesten van broedende vogels niet beschadigd of vernietigd kunnen worden. Als aanbeveling geldt, om bij wijze van voorzorgsmaatregel elke schade aan broedgevallen uit te sluiten, ingrepen geheel buiten het broedseizoen plaats te laten vinden. Als broedseizoen wordt de periode half maart-half juli aangemerkt. Ook als na die periode nog broedende vogels of nestjongen worden waargenomen dan geldt dat het broedseizoen nog niet is afgelopen is.
Als men binnen het broedseizoen wil werken geldt de aanbeveling om de locatie voorafgaande het broedseizoen ongeschikt te maken voor broedende vogels en vervolgens voorafgaande de werkzaamheden het plangebied te controleren op broedende vogels. Hierbij bestaat het risico dat de werkzaamheden uitgesteld dienen te worden als een broedgeval geconstateerd wordt.
Bestemmingsplan toelichting 190100
Pagina 32 van 36
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
▪ Voor aanwezigheid onbeschermde en vrijgestelde zoogdieren en amfibieën dient de zorgplicht in acht genomen te worden. D.w.z. dat men verstoring, verwonding en doden van deze diersoorten zoveel mogelijk tracht te voorkomen. De zorgplicht houdt in dat eenieder voldoende zorg in acht moet nemen voor de in het wild levende dieren en planten, en ook voor hun directe leefomgeving. Overtreding van de zorgplicht is niet strafbaar gesteld; de zorgplicht kan wel door toepassing van bestuursdwang worden gehandhaafd. 6.2 Bijzondere voorzorg- en mitigatiemaatregelen ▪ Indien geen afdoende voorzorgsmaatregelen kunnen worden genomen dient in de periode maartaugustus voorafgaande graaf- en stortwerkzaamheden de wanden van de stortberg op het gronddepot gecontroleerd te worden op broedholen van oeverzwaluwen waarvan de functionaliteit in gevaar kan komen als gevolg van de werkzaamheden. Indien dit het geval is dienen de werkzaamheden tot na het broedseizoen uitgesteld te worden. De aanbeveling hierbij geld om zoveel mogelijk te voorkomen dat oeverzwaluwen op het depot gaan broeden (zie hoofdstuk 6.3).
▪ Om te voorkomen dat licht beschermde amfibieën in de stortberg gaan overwinteren en overtredingen omtrent de zorgplicht plaats vinden, dient het terrein van het gronddepot voor amfibieën ontoegankelijk gemaakt te worden door het aanbrengen van een 50 cm hoog amfibiescherm aan de voet van het gazen hekwerk dat het terrein voor een deel omgeeft. ▪ Met het oog op foerageergebied en mogelijk trekroutes van vleermuizen (watervleermuis) dient de bedrijfsverlichting in de nacht- en avonduren zoveel mogelijk beperkt te worden en mag in de toekomst zeker niet de huidige mate van lichtbelasting overschreden worden. Aanbeveling en advies ▪ Bij wijze van voorzorgsmaatregel dient de aanbeveling om te voorkomen dat oeverzwaluwen op het gronddepot gaan nestelen. Tijdens het broedseizoen (maart-augustus) dienen daarom na graaf- en stortwerkzaamheden geen steile hellingen achter te blijven. Deze dienen tot minder dan 45 graden afgevlakt te worden. Het deel van de hellingen waaraan minder vaak werkzaamheden plaats vinden kunnen met een gronddoek afgedekt worden gedurende de broedtijd (maart-augustus). 5.6
Geluid
Bij het ontwikkelen van een ruimtelijk plan is het belangrijk rekening te houden met geluidsbronnen en de mogelijke hinder of overlast daarvan. De beoordeling van het aspect geluid in ruimtelijke plannen vindt zijn grondslag in vooral de Wet geluidhinder en daarnaast in de Wet ruimtelijke ordening, op basis van het voorzien in een goed woon- en leefklimaat. Er wordt geen geluidsgevoelig object mogelijk gemaakt door de voorgenomen planologische ontwikkeling. Een nader akoestisch onderzoek vanuit de Wgh wordt derhalve niet noodzakelijk geacht. In de Wet geluidhinder zijn voor woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen grenswaarden opgenomen voor industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Voor andere geluidsbronnen bestaan geen wettelijke kaders. Andere geluidbronnen kunnen wel leiden tot een aanvullende beoordeling van het aspect geluid in het kader van een ‘goede ruimtelijke ordening’. In het kader van een ‘goede ruimtelijke ordening’ wordt in paragraaf 5.7 getoetst aan de richtafstanden uit de handreiking ‘Bedrijven en milieuzonering’ van de VNG. 5.7
Bedrijven en milieuzonering
Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient rekening te worden gehouden met eventuele milieuhinder als gevolg van (bedrijfs-)activiteiten. Uitgangspunt daarbij is dat bedrijven niet in hun bedrijfsvoering worden beperkt en dat ter plaatse van woningen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-publicatie ‘Bedrijven en Milieuzonering’ gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstand geldt tussen enerzijds de bestemming die bedrijven (of andere milieubelastende functies) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via Bestemmingsplan toelichting 190100
Pagina 33 van 36
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
vergunningsvrij bouwen mogelijk is. De gegeven afstanden zijn in het algemeen richtafstanden en geen harde afstandseisen. Milieucategorie De planlocatie ligt in het omgevingstype ‘gemengd gebied’. In de omgeving is een aantal (agrarische) bedrijven inclusief bedrijfswoningen gevestigd. Nabij ligt ook het de nieuwbouw wijk Albano Lob C. De omgeving van de planlocatie kan getypeerd worden als een omgevingstype ‘gemengd gebied’ omdat er sprake is van functiemenging. De richtafstanden mogen met één afstandstap teruggebracht worden, met uitzondering van het aspect ‘gevaar’. Er worden door de planologische ontwikkeling geen nieuwe milieugevoelige objecten gerealiseerd. Het grondverzet- en transportbedrijf kan volgens de VNG-publicatie worden ingedeeld bij ‘Dienstverlening t.b.v. de landbouw: algemeen (o.a. loonbedrijven) > 500 m²’. En heeft een bijbehorende milieucategorie 3.1. Tabel 1: Richtafstanden bedrijven, omgevingstype ‘gemengd gebied’ Bedrijfsomschrijving Adres Cat. Geur Grond- en transportbedrijf Albanoweg 7 3.1 10 m
Stof 0m
Geluid 30 m
Gevaar 10 m
De milieuzonering van Albanoweg 7 ligt over de bedrijfsbestemming van Albanoweg 9. Er wordt dus niet voldaan aan de richtafstand uit volgens de VNG-publicatie, dit is in de betaande situatie ook al het geval. De richtafstanden uit de VNG-publicatie zijn geen harde eiese. De bedrijfswoning op de locatie Albanoweg 9 staat op een afstand van ca. 36 meter van het bestemmingsvlak van de planlocatie. Het zuidelijke deel van de planlocatie, waar de bestemming wordt gewijzigd, ligt op een afstand van ca. 92 meter van Albanoweg 9. De milieuzonering van het zuidelijke deel van de planlocatie ligt niet over omliggende gevoelige objecten. Het woon- en leefklimaat van de omliggende (bedrijfs) woningen wordt niet belemmerd door de planologische ontwikkeling. 5.8
Geur
Toetsingskader Vanuit het de Wet geurhinder en veehouderij dient onderscheid te worden gemaakt in twee soorten contouren, namelijk contouren die gelden voor de bebouwde kom (2 ou-contouren of een vaste afstand van 100 meter) en contouren die gelden buiten de bebouwde kom (8 ou-contouren of een vaste afstand van 50 meter). Het plangebied ligt buiten de bebouwde kom. De Wet geurhinder en veehouderij geeft de gemeenten de bevoegdheid om, binnen gestelde marges, bij verordening afwijkende geurnormen op te stellen in een gebiedsvisie. De gemeente Halderberge heeft geen geurverordening opgesteld. Er wordt geen geurgevoelig object mogelijk gemaakt door de planologische ontwikkeling. Toetsing aan de Wet geurhinder en veehouderij wordt derhalve niet noodzakelijk geacht. 5.9
Externe veiligheid
Externe veiligheid heeft betrekking op de risico’s voor personen ten gevolge van het gebruik van de infrastructuur of het uitvoeren van activiteiten, waarbij het met name gaat om de gevaren die de directe omgeving loopt, als er iets mis gaat bij de productie, de behandeling en/of het vervoer van gevaarlijke stoffen.
Bestemmingsplan toelichting 190100
Pagina 34 van 36
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
Figuur 16: Uitsnede risicokaart Nederland
Risico inventarisatie externe veiligheid Een risico inventarisatie externe veiligheid betreft alle risicobronnen die invloed hebben of kunnen hebben op het groepsrisico, zoals Bevi-inrichtingen, transportleidingen en autowegen die gebruikt worden voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. In een verantwoording groepsrisico wordt door het bevoegd gezag (De Gemeenteraad) de aanwezige risicobronnen beschouwd en verantwoord. Om te bepalen of in de omgeving van de planlocatie risicovolle bedrijven of inrichtingen aanwezig zijn is de risicokaart van Nederland geraadpleegd. Daaruit blijkt tot binnen een afstand van 150 meter van de planlocatie geen risicovolle bedrijven of inrichtingen aanwezig zijn. De planlocatie ligt binnen het invloedsgebied van een toxisch scenario op de A17, de A58 en de spoorlijn Roosendaal - Dordrecht (> 4 kilometer).
Bestemmingsplan toelichting 190100
Pagina 35 van 36
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
Figuur 17: Uitsnede Signaleringskaart van de gemeente Halderberge
Naast de risicokaart van Nederland heeft de gemeente Halderberge eigen beleid ten aanzien van externe veiligheid met bijbehorende signaleringskaart (Beleidsvisie Externe Veiligheid). Een uitsnede van de signaleringskaart is in figuur 17 weergegeven. Uit de beoordeling van de signaleringskaart blijkt dat de planlocatie is gelegen binnen de zone van het invloedsgebied, zijnde 200 meter vanaf een installatie/ transportroute/ buisleiding van een gasleiding. Daarnaast ligt de planlocatie nabij hoogspanningslijnen en het invloedsgebied RAPL. Er worden door de ruimtelijke ontwikkeling geen kwetsbare objecten of beperkt kwetsbare objecten mogelijk gemaakt. De Veiligheidsregio heeft een standaard advies opgesteld voor de gemeente Halderberge. De planlocatie ligt binnen de gestelde uitgangspunten van het advies en kan worden gebruikt voor de (beperkte) verantwoording van het Groepsrisico. Het standaard advies is als bijlage toegevoegd. Het plan wordt voorgelegd aan de brandweer/veiligheidsregio. Gelet op het initiatief kan volstaan worden met de standaard verantwoording en het standaard advies. Deze stukken zijn opgenomen in de bijlagen van onderhavig plan. 5.10
Kabels en leidingen
Op of in de directe nabijheid van de planlocatie, zijn geen transportleidingen dan wel andere belangrijke kabels en leidingen gelegen, welke de realisatie van het bouwplan kunnen belemmeren. De KLIC-melding wordt uitgevoerd om eventuele kabels en leidingen in beeld te brengen. 5.11
Luchtkwaliteit
Bij de start van een plan moet onderzocht worden of het effect relevant is voor de luchtkwaliteit. Conform de Wet Luchtkwaliteit kan elk project dat NIBM (niet in betekenende mate) bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Als het plan NIBM aan de luchtkwaliteit bijdraagt, hoeft geen uitgebreid luchtonderzoek meer uitgevoerd te worden.
Bestemmingsplan toelichting 190100
Pagina 36 van 36
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
Op 1 augustus 2009 is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) in werking getreden. Het NSL zorgt ervoor dat Nederland binnen de door Europa gestelde termijn zal voldoen aan de Europese grenswaarden op het gebied van fijn stof en stikstofdioxide. In het NSL is een lijst met ruimtelijke infrastructurele projecten opgenomen met een maatregelenpakket, dat ervoor gaat zorgen dat de huidige overschrijdingen van de luchtkwaliteit worden opgelost en de negatieve effecten van geplande ruimtelijke ontwikkelingen worden gecompenseerd. Een plan is vanaf 1 augustus 2009 NIBM als het een toename van de concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2) veroorzaakt die niet meer bedraagt dan 3 % van de jaargemiddelde concentratie van die stof. Dit komt overeen met een toename van maximaal 1,2 microgram/m³ voor zowel PM10 en NO2. In de Regeling NIBM worden bijdragen (luchtkwaliteitseisen) categorieën van gevallen aangewezen waarvoor vaststaat dat deze NIBM bijdragen aan de luchtverontreiniging. Bij plannen die binnen deze categorieën vallen, hoeven geen verdere berekeningen te worden uitgevoerd om aan te tonen dat sprake is van een NIBM. De Regeling NIBM geeft invulling aan de volgende categorieën: ▪ Woninggebouw- en kantoorlocaties, alsmede een combinatie daarvan; ▪ Inrichtingen, hieronder vallen landbouwinrichtingen en spoorwegemplacementen.
Deze ontwikkeling op de planlocatie Albanoweg 7 valt niet onder een van de hierboven genoemde categorieën, maar ook is niet zonder meer te zeggen dat de ontwikkeling NIBM is. Daarom is een globale berekening nodig om te bepalen of nader onderzoek noodzakelijk is of niet. Door het Ministerie van VROM is een instrument ontwikkeld, waarmee op een eenvoudige wijze kan worden berekend of een bepaalde ontwikkeling wel of niet ‘in betekende mate’ bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit: de NIBM-tool. Met deze tool is het voldoende om gegevens te hebben over de omvang van het extra verkeer en het aandeel vrachtverkeer als gevolg van het plan. Indien deze gegevens voor een plan bekend zijn, kan op basis van een berekening met de tool worden bepaald of het plan aangemerkt kan worden als NIBM.
Figuur 18: NIBM-tool, Ministerie VROM
In worstcase scenario kunnen er maximaal 157 extra voertuigbewegingen op een weekdaggemiddelde zijn waarbij uitgegaan wordt van 100% vrachtverkeer, zie figuur 18. In de praktijk worden er geen 157 extra voertuigbewegingen op een weekdag verwacht op de planlocatie maar beduidend minder. In werkelijkheid neemt het aantal verkeersbewegingen beperkt toe. Op basis van bovenstaande berekening kan worden geconcludeerd dat het plan aangemerkt kan worden als NIBM. Een nader onderzoek naar luchtkwaliteit is niet noodzakelijk. Om het woon- en leefklimaat met betrekking tot de luchtkwaliteit te bepalen wordt gebruik gemaakt van de monitoringstool van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit. Uit de monitoringstool blijkt dat er geen belemmeringen zijn op de planlocatie. Bestemmingsplan toelichting 190100
Pagina 37 van 36
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
5.12
Toetsing besluit milieueffectrapportage
Bij besluit van 21 februari 2011 heeft de wetgever het Besluit milieueffectrapportage en het Besluit omgevingsrecht gewijzigd. De belangrijkste wijziging betreft het meer 'in lijn brengen' van het Besluit m.e.r. met de Europese richtlijn m.e.r. Dit houdt in dat onder andere de zogenaamde drempelwaarde voor activiteiten een indicatief karakter heeft gekregen. Met dit wijzigingsbesluit is bepaald dat voor activiteiten die op de bij het besluit behorende C‐ en D‐lijst zijn opgenomen, altijd aandacht aan m.e.r. geschonken dient te worden. Op hoofdlijnen komt het erop neer dat voor activiteiten die behoren tot de C‐lijst een m.e.r.‐plicht volgt en voor activiteiten op de D‐lijst volgt dan wel een m.e.r.‐ beoordelingsplicht dan wel een motivering dat geen m.e.r.(beoordeling) nodig is. De beoogde activiteiten binnen de planlocatie vallen niet binnen de C- of D-lijst, een m.e.r. - beoordeling of m.e.r – plicht is niet benodigd. m.e.r-plicht is niet van toepassing. 5.13
Stikstofdepositie
Op grond van de Wet natuurbescherming is het verboden activiteiten te verrichten die leiden tot aantasting van wettelijk beschermde soorten en van hun voortplantingsplaats, vaste rustplaats of vaste verblijfplaats. De Wet natuurbescherming regelt de bescherming van gebieden die om hun ecologische waarde beschermd moeten worden. Daaronder vallen onder andere de zogenaamde Natura 2000 gebieden. De planlocatie ligt niet in een speciale beschermingszone als bedoeld in de Wet natuurbescherming of binnen het Natuurnetwerk. Het beleid dat daarop van toepassing is heeft geen betrekking op de planlocatie. Al jaren is er in Natura 2000-gebieden een overschot aan stikstof (ammoniak en stikstofoxiden). Dit kan schadelijk zijn voor de natuur. Het belemmert ook vergunningverlening voor economische activiteiten. Wanneer middels de AERIUS Calculator kan worden aangetoond dat een initiatief geen toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden tot gevolg heeft, kan de ontwikkeling doorgang vinden. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft het ‘Hollands Diep’ wat is gelegen op een afstand van circa 11 kilometer.
Gezien de afstand van het planlocatie tot deze gebieden zal de beoogde ontwikkeling niet tot andere voorkomende storende factoren op omliggende Natura 2000-gebieden leiden zoals oppervlakteverlies, versnippering, verontreiniging, verdroging, verstoring door geluid, optische verstoring, verstoring door mechanische effecten en bewuste verandering soortensamenstelling. Ten opzichte van het vigerend planologisch regime zal het aantal verkeersbewegingen van en naar de planlocatie toenemen. Uit de stikstofdepositieberekeningen (bijlage 4) volgt dat er geen Natura 2000 gebieden zijn waarvoor de drempelwaarde van 0,0 mol/ha/jaar wordt overschreden. In de berekening wordt geen depositie getoond, omdat deze lager is dan 0,0 mol/ha/jaar.
Bestemmingsplan toelichting 190100
Pagina 38 van 36
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
Hoofdstuk 6 6.1
Planbeschrijving
Juridische planbeschrijving
Het onderhavige bestemmingsplan is, in navolging van het vigerende bestemmingsplan ‘Eerste herziening bestemmingsplan Buitengebied Halderberge’. In de regels behorende bij de onderhavige herziening, is zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij de juridische regelgeving, zoals deze in dat plan is gehanteerd. In paragraaf 6.2 zal een algemene toelichting van de verbeelding worden gegeven. Daarna wordt in paragraaf 6.3 een algemene toelichting van de regels beschreven. 6.2
Algemene toelichting verbeelding
De verbeelding is getekend uitgaande van het rapport ‘Digitaal Uitwisselbare Ruimtelijke Plannen’ (DURP) en het rapport ‘Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012’ (SVBP2012). Hierdoor wordt het mogelijk met toevoeging van een codering de plannen digitaal uit te wisselen. De verbeelding is getekend op een kadastrale ondergrond. Op de verbeelding zijn vrijwel alle functies apart bestemd, waardoor het direct mogelijk is om met het bijbehorende renvooi te zien welke bestemmingen aan de gronden binnen de planlocatie gegeven zijn. In de bijbehorende regels zijn de bestemmingsomschrijving en de bouwregels te vinden. 6.3
Algemene toelichting regels
De regels zijn gebaseerd op het rapport ‘Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen’ (SVBP) van 2012. Hierin zijn afspraken en aanbevelingen opgenomen met betrekking tot de opbouw en de presentatie van het bestemmingsplan (digitaal en analoog). De bestemmingsplanregels bestaan uit vier hoofdstukken: ▪ Hoofdstuk 1 Inleidende regels; ▪ Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels; ▪ Hoofdstuk 3 Algemene regels; ▪ Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels 6.2.1
Hoofdstuk 1
Inleidende regels
Artikel 1 Begrippen In dit artikel worden de begrippen die van toepassing zijn op de regels verklaard. Een en ander voorkomt dat er bij de uitvoering van het plan onduidelijkheden ontstaan over de uitleg van bepaalde begrippen. Artikel 2 Wijze van meten In het artikel 'wijze van meten' is een regeling opgenomen waarin bepaald is hoe de voorgeschreven maatvoering in het plan gemeten moet worden 6.2.2
Hoofdstuk 2
Bestemmingsregels
Artikel 3 Bedrijf De gronden met de bestemming ‘Bedrijf’ zijn bestemd voor bedrijven in milieucategorie 1 en 2 overeenkomstig in de Staat van Bedrijfsactiviteiten als opgenomen in Bijlage 1 van de regels alsmede agrarisch verwante en agrarisch technische hulpbedrijven in categorie 3.1. De opgenomen aanduidingen zorgen voor maatwerk op de planlocatie. Artikel 4 Groen De voor ‘Groen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor het behoud, herstel en/of ontwikkeling van groen. Het landschapsplan wordt bestemd met de bestemming ‘Groen’ en de functieaanduiding ‘specifieke vorm van groen – landschappelijke inpassing’. Daarnaast is de functieaanduiding 'specifieke vorm van groen waterberging' over de bestemming ‘Groen’ gelegen ten behoeve van de retentievoorzieningen. Bestemmingsplan toelichting 190100
Pagina 39 van 36
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
Artikel 5 Leiding De voor 'Leiding' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, met daarbij behorende belemmeringenstrook mede bestemd voor, een aardolieleiding, ter plaatse van de aanduiding 'hartlijn leiding - olie', een gasleiding, ter plaatse van de aanduiding 'hartlijn leiding - gas', waarbij geldt dat daar waar de belemmeringenstrook maximaal 4 meter aan weerszijde van de hartlijn is gelegen, de druk maximaal 40 bar betreft. Indien de belemmeringstrook maximaal 5 meter aan weerszijden van de hartlijn is gelegen bedraagt de druk meer dan 40 bar, een rioolleiding, ter plaatse van de aanduiding 'hartlijn leiding riool' en bijbehorende voorzieningen waaronder de leidingafsluiterlocatie. Artikel 6 Leiding - Hoogspanningsverbinding De voor 'Leiding - Hoogspanningsverbinding' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, met daarbij behorende belemmeringenstrook mede bestemd voor de aanleg, het beheer en het onderhoud van een bovengrondse hoogspanningsverbinding met de daarbij behorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde. 6.2.3
Hoofdstuk 3
Algemene regels
Artikel 7 Anti-dubbeltelregel Het artikel 'Anti-dubbeltelregel' bevat bepalingen om te voorkomen dat met het bestemmingsplan strijdige situaties ontstaan of worden vergroot. De redactie is wettelijk vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening en overeenkomstig opgenomen. Artikel 8 Algemene bouwregels In dit artikel is een aantal aanvullende bouwregels opgenomen die voor alle bestemmingen kunnen gelden, zoals een regeling voor ondergronds bouwen. Artikel 9 Algemene gebruiksregels In dit artikel een algemeen gebruiksverbod gegeven voor gebruik in strijd met de bestemming. Artikel 10 Algemene aanduidingsregels In dit artikel zijn regels gegeven ten behoeve van de op de verbeelding opgenomen gebiedsaanduidingen. Artikel 11 Algemene afwijkingsregels In dit artikel is een aantal algemene afwijkingsmogelijkheden opgenomen. Het betreft hier een standaardregeling die het mogelijk maakt om bij de uitvoering van bouwplannen beperkte afwijkingen van het plan mogelijk te maken. Artikel 12 Algemene wijzigingsregels In dit artikel zijn algemene regels gegeven ten behoeve van het verwijderen van een aanduiding. Artikel 13 Overige regels In dit artikel zijn er eisen gesteld aan de parkeergelegenheid. 6.2.4
Hoofdstuk 4
Overgangs- en slotregels
Artikel 14 Overgangsrecht In de overgangsrechtregel is een regeling opgenomen voor bebouwing en gebruik dat al bestond bij het inwerking treden van het plan, maar dat strijdig is met de opgenomen regeling. Onder bepaalde voorwaarden mag deze strijdige bebouwing en/of strijdig gebruik worden voortgezet of gewijzigd. De redactie is wettelijk vastgelegd en overeenkomstig opgenomen. Artikel 15 Slotregel In de slotregel wordt de officiële naam van het plan weergegeven. Onder deze naam kan het bestemmingsplan aangehaald worden.
Bestemmingsplan toelichting 190100
Pagina 40 van 36
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
Hoofdstuk 7 7.1
Uitvoerbaarheid
Economische uitvoerbaarheid
De ontwikkeling op de locatie Albanoweg 7 is een particulier initiatief. De in dit bestemmingsplan beschreven ontwikkeling zal volledig vanuit particulier initiatief gerealiseerd en gefinancierd worden. Het terrein is particulier eigendom. Investeringen vanuit de gemeente zijn derhalve niet noodzakelijk. Er wordt een anterieure overeenkomst voor onder andere het kostenverhaal en de planschade gesloten. Daarnaast wordt er een overeenkomst gesloten om de kwaliteitsverbetering van het landschap privaatrechtelijk te borgen, aanvullend op de publiekrechtelijke borging via de planregels/verbeelding. 7.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
7.2.1
Vooroverleg
Op grond van artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening dient de gemeente bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg te plegen met betrokken waterschappen en diensten van Rijk en provincie die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn. In het kader van het bovengenoemde overleg is het voorontwerpbestemmingsplan toegezonden aan: ▪ Provincie Noord-Brabant ▪ Waterschap Brabantse Delta ▪ Rijkswaterstaat Zuid Nederland ▪ Brandweer, Midden en West-Brabant ▪ ProRail ▪ Gasunie ▪ Evides De volgende vooroverlegreacties zijn ingediend op het plan: Provincie Noord-Brabant In het kader van het wettelijk vooroverleg heeft u ons om een reactie gevraagd op het voorontwerpbestemmingsplan ‘Albanoweg 7 te Oudenbosch’. Wij hebben het plan bekeken aan de hand van de provinciale belangen zoals die zijn verwoord in de Brabantse Omgevingsvisie en de Interim Omgevingsverordening NoordBrabant (IOV). Deze documenten zijn te raadplegen via www.omgevingswetinbrabant.nl. Het plan is in overeenstemming met onze provinciale belangen. Waterschap Brabantse Delta Op 23 december 2021 heeft u voorontwerp bestemmingsplan Albanoweg 7 te Oudenbosch toegestuurd met het verzoek om conform de watertoets een advies uit te brengen zoals bedoeld in artikel 3.1.1 lid 1 van het Besluit ruimtelijke ordening.
Naar aanleiding van het voorontwerp bestemmingsplan hebben wij de volgende op- en aanmerkingen (zie voor op- en aanmerkingen het wateradvies in bijlage 6). Aangezien de belangrijkste uitgangspunten voor het waterschap naar wens zijn opgenomen in het bestemmingsplan geven wij een positief wateradvies. Naar aanleiding van de op- en aanmerkingen van het waterschap zijn de retentievoorzieningen ingetekend op de situatietekening. Ter plaatse van de bestemming ‘Groen’ is de aanduiding 'specifieke vorm van groen waterberging' toegevoegd. Rijkswaterstaat Hartelijk dank voor de toezending van onderstaand plan. Dit plan ligt niet in het beheersgebied van Rijkswaterstaat Zuid Nederland en raakt dan ook geen van onze belangen. U zult vanuit Rijkswaterstaat Zuid Nederland geen reactie ontvangen.
Bestemmingsplan toelichting 190100
Pagina 41 van 36
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
Gasunie Wij danken u voor de toezending van het plan. Het ontwerp geeft geen aanleiding tot het maken van opmerkingen. Wij vertrouwen erop u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd. Evides De waterleiding(en) van Evides N.V. (gelegen in de buisleidingenstraat) liggen op voldoende afstand van het plangebied. Een verdere afweging is daarom niet nodig. 7.2.2
Omgevingsdialoog
De omgevingsdialoog is schriftelijk gehouden in verband met de huidige coronaregels. De brieven met bijbehorende de informatie over de plannen op de locatie Albanoweg 7, zie bijlage 5, zijn 9 december 2021 verzonden naar de omwonenden. Op deze manier hebben de omwonenden de mogelijkheid om de plannen te bekijken. De volgende adressen zijn aangeschreven: Albanoweg 5a – 7a – 9 – 11/ 11a en Pagnevaartweg 92 – 92a. De omwonende van de planlocatie hadden tot 19 december de tijd om op de voorgelegde plannen te reageren of vragen te stellen. Er zijn geen reacties binnen gekomen naar aanleiding van de verstuurde brieven met de bijbehorende informatie. 7.2.3
Ontwerpbestemmingsplan
Het ontwerpbestemmingsplan zal vanaf 3 maart 2022 voor een periode van 6 weken ter inzage worden gelegd. Er zijn geen zienswijzen ingediend op het ontwerpbestemmingsplan. 7.2.4
Vastgesteld bestemmingsplan
Het bestemmingsplan is 23 juni 2022 vastgesteld. Het vastgestelde bestemmingsplan zal voor een periode van 6 weken ter inzage worden gelegd.
Bestemmingsplan toelichting 190100
Pagina 42 van 36
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
Bijlagen
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
1. Verantwoording groepsrisico & advies veiligheidsregio
Gemeente HALDERBERGE T.a.v. College van Burgemeester en Wethouders Postbus 5 4730 AA OUDENBOSCH
Sector Risicobeheersing Taakveld RO&I Postbus 3208 5003 DE Tilburg Telefoon (088) 2250100 www.brandweermwb.nl
Datum
9 februari 2021
Onze referentie
Harry Killaars 06-53625089 E-mail info@brandweermwb.nl Onderwerp Standaardadvies 2021
Behandeld door Doorkiesnummer
Uw referentie Uw brief van
Geacht College, Een deel van uw gemeente is gelegen in invloedsgebieden van één of meerdere Brzo bedrijven en/of van een spoorlijn, autoweg of buisleiding. Uw beleid externe veiligheid en de Besluiten externe veiligheid inrichtingen (bevi), buisleidingen (bevb) en transportroutes (Bevt) verplicht u het groepsrisico te verantwoorden van ieder ruimtelijk besluit dat u in een invloedsgebieden neemt. De Omgevingsdienst MWB heeft voor uw gemeente een standaard groepsrisicoverantwoording opgesteld. Het standaardadvies van de Veiligheidsregio is hierop afgestemd. Daarnaast komen er steeds meer aanvragen die in de geest van de Omgevingswet. We benoemen in dit standaardadvies de kernwaarden van de Veiligheidsregio’s zodat u bij het opstellen van een omgevingsvisie of omgevingsplan deze kernwaarden vroegtijdig kunt inbrengen bij de initiatiefnemers van omgevingsvisies en omgevingsplannen. Maar ook bij het verantwoorden van het groepsrisico in het kader van de wet en regelgeving zoals beschreven in de genoemde besluiten externe veiligheid. Werkingssfeer advies Met deze brief voorzien wij u van een standaard advies 2020, voor ruimtelijke ontwikkelingen in het invloedsgebieden van een Bevi inrichting en/of de infrastructuur.
U kunt de informatie uit de bijlage gebruiken voor de verantwoording van het groepsrisico voor ruimtelijke ontwikkelingen met plangebieden die niet zijn gelegen binnen de nader genoemde afstanden van risicobronnen. In de bijlage kunt u zien wanneer u het standaard advies kunt gebruiken deze toegespitst op uw gemeente. Heeft u vragen over de bereikbaarheid en de juiste hoeveelheid bluswater bij een object of geheel plangebied neem dan ook contact op met de Brandweer MWB. Aanvragen voor maatwerk adviezen dient u te richten aan info@brandweermwb.nl Indien u nog vragen of opmerkingen heeft kunt u contact opnemen met de bovengenoemde ambtenaar. In het vertrouwen u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd, tekenen wij met vriendelijke groeten Hoogachtend, Namens het Dagelijks Bestuur van de Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant, Afdelingshoofd Risicobeheersing, H. Sijbring
De werking van deze bijlage is voorzien van een inhoudsopgave en u kunt in de digitale versie klikken op de gewenste onderwerpen.
Inhoudsopgave Kernwaarden Veiligheidsregio’s ................................................................................................................... 3 Samenwerken aan een veiligere leefomgeving ................................................................................................ 3 Afstand tot de risico’s vergroot de veiligheid .................................................................................................... 3 Bebouwing en omgeving bieden bescherming ................................................................................................. 4 Gebouwen en gebieden zijn snel en veilig te verlaten ..................................................................................... 4 De omgeving maakt snel en effectief optreden van de hulpdiensten mogelijk ................................................. 5 Iedereen is bekend met de risico’s en weet hoe te handelen als het mis gaat. ................................................ 6 Mensen krijgen bij een crisis passende medische zorg. .................................................................................. 6 Zone indeling standaard verantwoording groepsrisico..............................................................................
7 Halderberge ..................................................................................................................................................... 7 Zeer kwetsbare gebouwen ............................................................................................................................... 8 Stroomschema standaard verantwoording ....................................................................................................... 9 Opkomsttijd .................................................................................................................................................... 10 Waarschuwings- en alarmeringsinstallatie ..................................................................................................... 11 Bereikbaarheid ............................................................................................................................................... 12 Bluswatervoorziening ..................................................................................................................................... 13 Analyse bluswatervoorziening in relatie tot omgevingsplan ........................................................................... 15 Hoe om te gaan bij omgevingsplannen. .........................................................................................................
15 Zorgplicht ....................................................................................................................................................... 15 Bruidsschat .................................................................................................................................................... 17 art. 2.2.3.7 Bluswatervoorziening ................................................................................................................... 17 Artikel 2.2.3.8 Bereikbaarheid bouwwerk voor hulpverleningsdiensten .......................................................... 17 Artikel 2.2.3.9 Opstelplaatsen voor brandweervoertuigen .............................................................................. 18
pagina 2 van 18
Kernwaarden Veiligheidsregio’s 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7.
Samen werken aan een veiligere leefomgeving; Afstand tot de risico’s vergroot de veiligheid; Bebouwing en omgeving bieden bescherming; Gebouwen en gebieden zijn snel en veilig te verlaten; De omgeving maakt snel en effectief optreden van de hulpdiensten mogelijk; Iedereen is bekend met de risico’s en weet hoe te handelen als het mis gaat. Mensen hebben onder alle omstandigheden passende medische zorg (zorgcontinuïteit)’.
Samenwerken aan een veiligere leefomgeving Een veilige leefomgeving draagt bij aan een duurzame en gezonde leefomgeving. Dit maakt uw gemeente en de woon-, werk- en leefgebieden voor de burgers aantrekkelijker. Initiatiefnemers (burgers en ondernemers), maatschappelijke organisaties en de overheid streven samen naar een veiligere leefomgeving, dit is een gezamenlijke verantwoordelijkheid. Initiatiefnemers zijn zelf verantwoordelijk voor het verkrijgen van maatschappelijk draagvlak voor hun initiatief. Of deze wordt verkregen, hangt onder andere samen met de professionele onderbouwing van de veiligheid van het desbetreffende initiatief. In dit samenspel van verschillende belangen geeft de Veiligheidsregio MWB duiding aan de risico’s bij initiatieven en denkt mee over het minimaliseren van de risico’s en de effecten. •
• • •
Alle betrokkenen hebben inzicht in en zijn zich bewust van de risico’s en de gevolgen van het initiatief, ook in relatie tot de al bestaande leefomgeving. Dit maakt een gewogen verantwoord besluit mogelijk. Betrokkenen zijn burgers, buurbedrijven en de gebruikers van kwetsbare objecten. Aandacht voor een veilige leefomgeving is ook nodig bij voorgenomen ontwikkelingen en eventuele innovaties op het gebied van bijvoorbeeld circulaire economie en energie. Initiatiefnemers betrekken de Veiligheidsregio MWB in een zo vroeg mogelijk stadium bij het ontwerp van een veilig initiatief. Dit houdt in dat afstand tot, bescherming tegen, effectief optreden van, ontvluchten van en handelingsperspectief, onderdeel zijn van het ontwerp. Professionele overheidsorganisaties, waaronder Veiligheidsregio, de GGD en de Omgevingsdienst zijn de natuurlijke adviespartners bij ruimtelijke ontwikkeling. In het besluit kwaliteit leefomgeving (BKL) is aangeven dat in een omgevingsplan rekening dient te worden gehouden met veiligheidsrisico’s van branden, rampen en crises.
Artikel 5.2 van het BKL (veiligheidsrisico’s van branden, rampen en crises) In een omgevingsplan wordt voor risico’s van branden, rampen en crises als bedoeld in artikel 10, onder a en b, van de Wet veiligheidsregio’s, rekening gehouden met het belang van: het voorkomen, beperken en bestrijden daarvan, mogelijkheden voor personen om zich daarbij in veiligheid te brengen, en de geneeskundige hulpverlening aan personen daarbij. Het eerste lid laat onverlet de in paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.7 gestelde specifieke regels over het waarborgen van de veiligheid. De veiligheidsregio MWB zal binnen de kaders van het beleidsplan en bij ruimtelijke ontwikkelingen in uw gemeenten een advies uitbrengen.
Afstand tot de risico’s vergroot de veiligheid Ondanks de maatregelen die de veiligheid ten goede komen bij het risico zelf, blijft er een kans bestaan dat er incidenten plaatsvinden met gevolgen voor en effecten op de omgeving en haar bewoners. Dit is extra belangrijk voor de kwetsbare mensen die zichzelf niet kunnen redden zonder hulp zoals jonge kinderen in kinderdagverblijven, gehandicapten en zorgbehoevenden. Denk bij een risico aan bijvoorbeeld droog bos, hoog water, een bedrijf dat werkt met gevaarlijke stoffen, of de vrachtwagen of spoorketelwagon die gevaarlijke stoffen vervoert. pagina 3 van 18
Het aantal slachtoffers wordt verlaagd door de afstand tussen de risico’s en de gebieden waar mensen verblijven te vergroten. Naast afstand kan ook vegetatie en geografische ligging het aantal slachtoffers verlagen. Hiermee kan letsel, hinder en overlast beperkt blijven. Een grotere afstand levert ook meer tijd op om het gebied veilig te verlaten; dit vergroot de veiligheid bij incidenten. De afstand tot een risico is dusdanig groot dat mensen zichzelf in veiligheid kunnen brengen en dat ook mensen die niet zelfredzaam zijn in veiligheid kunnen worden gebracht. Daarnaast zorgt afstand tussen verschillende risico’s voor een beperking van gevolgeffecten, zoals het overslaan van brand naar een ander pand. Zo voorkom je dat een incident voor een volgend incident in de omgeving zorgt. • • • • •
Initiatieven, waardoor mensen langdurig verblijven in een gebied, zijn bij voorkeur op grote afstand van het risico. Bijeenkomsten en evenementen met grotere aantallen bezoekers zijn op dusdanige afstand gesitueerd dat ingeval van een incident de effecten op de bezoekers minimaal zijn. Een lage populatiedichtheid in de buurt van risicobronnen (door bijvoorbeeld lage bebouwingsdichtheid), hoge populatiedichtheid op grote afstand van risicobronnen. Groepen zeer kwetsbare personen verblijven niet in het gebied waar mensen direct moeten vluchten bij een (dreigende) calamiteit. Dit betreft scenario’s zoals plasbrand, BLEVE, natuurbrand, gebieden met een hoog overstromingsrisico. Bij de indeling van gebieden is aandacht voor het beperken van de gevolgeffecten. Maak daarbij een bewuste afweging of clustering van risico’s en/of risicobronnen een gewenste ontwikkeling is.
Zeer kwetsbare objecten hebben in de nieuwe Omgevingswet een plaats gekregen en men hanteert de nieuwe term zeer kwetsbare gebouwen. Maar ook grote groepen mensen in de buitenruimte hebben extra bescherming nodig. De zeer kwetsbare gebouwen zijn in bijlage 1 weergegeven.
Bebouwing en omgeving bieden bescherming Hoeveel voorzieningen er ook worden getroffen, de kans blijft bestaan dat er incidenten plaatsvinden met nadelige gevolgen voor de leefomgeving en haar bewoners en bezoekers. Het is belangrijk dat de leefomgeving mogelijkheden biedt om te schuilen of die de nadelige effecten vertraagt. Dit kan gerealiseerd worden door bewuste keuzes te maken in bouwwijze, het type bebouwing en de inrichting van gebouwen. Zo kunnen mensen beschermd worden tegen de effecten van bijvoorbeeld overstromingen, rookwolken bij brand, explosies, verspreiding van giftige gassen en uitval nutsvoorzieningen. • • • • •
Fysieke elementen (wallen, dammen, etc.) kunnen als obstakel gedurende langere tijd bescherming bieden en beperken de effecten voor gebouwen en mensen. Deze elementen kunnen tevens meerdere functies hebben in de ruimte, bijvoorbeeld voor kleinschalige recreatie of natuurstrook. Gevelconstructies en technische installaties in gebouwen kunnen mensen die er verblijven beschermen tegen de effecten. Een bepaalde functie in een gebouw kan bescherming (buffer) bieden, bijvoorbeeld een parkeergarage aan de risicovolle zijde van een gebouw. In gebieden en wijken kunnen opvanggebieden benoemd zijn ten behoeve van evacuaties. Ook kunnen voorzieningen zijn aangebracht voor scenario’s, zoals hoogwater en verstoring van de vitale infrastructuur. Afsluitbare ventilatie en goede bouwkundige detaillering verbeteren de vluchtmogelijkheden/schuilmogelijkheden. Aandachtspunt zijn bedrijfsloodsen waar meerdere personen verblijven. De eisen voor de luchtdichtheid van loodsen zijn vrij laag, waardoor de luchtkwaliteit gedurende een toxisch scenario niet voor 4 uur is gegarandeerd.
Gebouwen en gebieden zijn snel en veilig te verlaten Als de bebouwing en de omgeving onvoldoende bescherming bieden bij incidenten, voorkomt een veilige ontvluchting (evacuatie) verdere slachtoffers. De aanwezigheid van goede vluchtroutes in een gebied zorgt ervoor dat de zelfredzaamheid van mensen in het gebied omhoog gaat. Op basis van een analyse van de risico’s houdt het ontwerp van de gebouwen en ontsluitingswegen zelf rekening met de mogelijkheid om veilig en snel naar een veilige omgeving te vluchten. pagina 4 van 18
• • • • • •
De entree en vluchtroutes van een gebouw bevinden zich aan de gebouwzijde die van de risicobron is afgekeerd. Deze vluchtroutes zijn ook bruikbaar voor verminderd zelfredzamen en voor het in veiligheid brengen van gewonden door de hulpdiensten. Vluchtroutes in de (openbare) ruimte zorgen ervoor dat mensen makkelijk en zo snel als mogelijk een veilige plaats kunnen bereiken, waar mogelijk geschikt voor verminderd zelfredzame personen. De vluchtroutes zijn o.a. via bewegwijzering bekend bij degenen die verblijven in het gebied. De capaciteit van de vluchtroutes past bij de populatiedichtheid van het gebouw en gebied, rekening houdend met tijdelijke populaties, zoals toerisme en evenementen. De opvangmogelijkheden voor de bewoners in het veilige gebied zijn afgestemd op de omvang van de populatie en veilig te bereiken via de vluchtroutes. Belangrijke informatie over het incident kan in het gebied ontvangen worden, zodat mensen weten wat er aan de hand is en wat ze moeten zoen. De locatiekeuze van vitale infrastructuur, zoals zendmasten voor telefonie, internet en voorzieningen voor elektriciteit, is zo gekozen, dat er zo min mogelijk risico is op uitval. De vitale infrastructuur is waar nodig beschermd tegen de effecten van incidenten om de continuïteit te waarborgen.
De omgeving maakt snel en effectief optreden van de hulpdiensten mogelijk De inrichting van de fysieke leefomgeving kan bijdragen aan snelle en effectieve hulpverlening. Hulpverleners kunnen sneller optreden als de bereikbaarheid en aanrijdroutes van gebieden, gebouwen, bedrijven en evenemententerreinen doordacht is. Zo kunnen hulpdiensten de mensen sneller bereiken, in veiligheid brengen (bijvoorbeeld met ambulances) en de gevolgen van incidenten beperken. Toegesneden voorzieningen voor bluswater zorgen voor een snelle en efficiënte bestrijding van incidenten. Daardoor beperkt dit de gevolgen voor de omgeving en haar bewoners en is naderhand een snellere terugkeer naar de ‘normale’ situatie mogelijk. Ook de opvang van bluswater is belangrijk, want zonder maatregelen kan vervuild bluswater het milieu langdurig vervuilen. Effectief optreden van de hulpdiensten valt of staat met het hebben van toegankelijke en actuele informatie over de verblijfplaatsen van kwetsbare groepen, de risico’s en mogelijke effecten op de fysieke leefomgeving. Dit leidt tot een betere voorbereiding en daardoor effectiever optreden van hulpverleners. • • • •
Aanrijdroutes en toegangswegen zijn geschikt voor een snelle opkomst van het materieel van de hulpverleners en voor het afvoeren van gewonden. Opstelplaatsen voor het materieel zijn beschikbaar. Gebieden zijn voor hulpverleners van meerdere kanten en windrichtingen te bereiken. In het gebied is bluswater beschikbaar. De hoeveelheid en de wijze waarop bluswater beschikbaar is, is afgestemd met de hulpdiensten. Een bluswatervoorziening als onderdeel van een doorlopend watersysteem, kan ook een andere functie hebben zoals visvijver of recreatieplas. Vooral bij brand door bedrijfsmatige activiteiten kunnen grote hoeveelheden vervuild bluswater ontstaan. Om milieueffecten te beperken, kunnen maatregelen voorbereid in bijvoorbeeld het watersysteem, verspreiding van bluswater voorkomen. Initiatiefnemers dragen bij aan de ontsluiting van informatie voor de hulpdiensten, waardoor deze kunnen beschikken over actuele informatie over de risico’s en de effecten op de leefomgeving.
De eisen ten aanzien van de bereikbaarheid en bluswater zijn opgenomen in de Beleidsregels Bereikbaarheid en Bluswatervoorziening van de Veiligheidsregio’s Midden- en West-Brabant, Brabant Noord en Brabant Zuidoost. Een beknopte weergave is in bijlage 1 weergegeven.
pagina 5 van 18
Iedereen is bekend met de risico’s en weet hoe te handelen als het mis gaat. Een samenleving heeft altijd te maken met risico’s. Communicatie over risico’s zelf en de voorbereiding erop, draagt bij aan de zelfredzaamheid en samenredzaamheid van bewoners. Iedereen die in de gemeente verblijft weet welke risico’s er zijn, hoe ze zich kunnen voorbereiden en wat ze kunnen doen in het geval van crisissituaties. Daar hoort ook kennis van de inrichting van de omgeving en van de mogelijkheden om te handelen bij. Hierdoor stijgt het veiligheidsbewustzijn van mensen en is het handelingsperspectief bekend. • Gemeenten communiceren actief en continu over risico’s en wat te doen tijdens crisissituaties. Zij gebruiken daarvoor (digitale) communicatiemiddelen die aansluiten op verschillende doelgroepen. • Bedrijven en organisatoren informeren hun gasten, werknemers en overheden over risico’s en het handelingsperspectief tijdens crisissituaties (bijvoorbeeld organisatoren van evenementen, uitbaters van openbare gebouwen, horeca, recreatieterreinen, campings). • Inwoners hebben een eigen verantwoordelijkheid om op de hoogte te blijven van de risico’s en het handelingsperspectief. Ze weten waar ze deze informatie kunnen vinden en waar ze vragen hierover kunnen stellen. • Informatie over risico’s en inrichting van de omgeving is toegankelijk, actueel en makkelijk te vinden voor iedereen.