9. Rapportage internetconsultatie RES West Brabant DEF Het PON 271020-4.pdf
Tekst van het document
Internetconsultatie Brabantse energie-regio’s Rapportage RES West-Brabant
Internetconsultatie Brabantse energieregio’s Rapportage RES West-Brabant Drs. Madelon van Duren Bianca Koomen MSc. Dr. Susanne Agterbosch
Het PON & Telos
Colofon Het PON & Telos heeft dit onderzoek verricht in opdracht van
Auteur(s) Drs. Madelon van Duren Bianca Koomen MSc. Dr. Susanne Agterbosch
PON publicatienummer 201295-3
Datum november 2020
© 2020 Het PON & Telos Het auteursrecht van deze publicatie berust bij Het PON & Telos. Gehele of gedeeltelijke overname van teksten is toegestaan, mits daarbij de bron wordt vermeld. Vermenigvuldiging en publicatie in een andere vorm dan dit rapport is slechts toegestaan na schriftelijke toestemming van Het PON & Telos. Hoewel deze publicatie met de grootst mogelijke zorg is samengesteld, kan Het PON & Telos geen enkele aansprakelijkheid aanvaarden voor eventuele fouten. Meer informatie www.hetpon.nl
Het PON & Telos | Colofon
Samenvatting en conclusies Aanleiding en doel De vier Brabantse energieregio’s hebben de ambitie om de duurzame elektriciteits- en warmtevoorziening zo in te richten dat deze aansluit bij wat mensen in de regio belangrijk vinden en dat deze mensen uitnodigt om bij te dragen aan de uitvoering ervan. Betrokkenheid van bewoners - als inwoner van een nieuw energielandschap, consument of zelfs als particuliere producent - bij de totstandkoming van de Regionale Energie Strategieën (RES’en) is dan ook belangrijk. Met het uitvoeren van een internetconsultatie onder inwoners van de vier energieregio’s wil de provincie Noord-Brabant een betrouwbaar beeld genereren van de manier waarop inwoners aankijken tegen verschillende onderdelen van de RES’en. Deze rapportage maakt onderdeel uit van deze internetconsultatie en verschaft een representatief en betrouwbaar beeld van de manier waarop de inwoners van West-Brabant aankijken tegen verschillende onderdelen van de concept-RES West en van wensen, zorgen en ideeën die zij daarbij hebben. Bij dit onderzoek zijn drie onderzoeksvragen geformuleerd. 1. Wat vinden Brabantse burgers belangrijk als het gaat om specifieke opties voor duurzaam opgewekte elektriciteit en warmte in de eigen regio? 2.
Willen Brabantse burgers betrokken worden bij de plannen voor duurzaam opgewekte elektriciteit en warmte in de eigen regio (individueel en collectief)? En zo ja, hoe en wanneer? 3. Bij welke groepen Brabantse burgers bestaat er meer of juist minder draagvlak voor duurzaam opgewekte elektriciteit en warmte? Opzet onderzoek Het onderzoek is online uitgevoerd met een vragenlijst. Vanuit de wens om de vragenlijst laagdrempelig en voor een zo breed mogelijke groep inwoners van de regio beschikbaar te maken, is ervoor gekozen om te werken met een open link. Deze link is verstuurd via de gemeenten die vallen binnen energieregio West-Brabant. Zij hebben de link verspreid via verschillende (social media) kanalen van hun gemeente (gemeentewebsite, Facebook et cetera). Het onderzoek ging op 23 juni 2020 online en heeft de gehele zomerperiode, tot 31 augustus ‘open’ gestaan. In deze periode is tussentijds getoetst op representativiteit van de responsgroep: de verdeling naar leeftijd, opleidingsniveau en gemeenten in de responsgroep is vergeleken met de werkelijke verdeling in de populatie in West-Brabant (Bron: CBS). De vragenlijst is door 2.345 inwoners uit West-Brabant ingevuld. Bekendheid met de RES Als we kijken naar de bekendheid met de RES en het RES-proces, dan zien we dat 14% van de respondenten aangeeft op de hoogte te zijn van zowel het proces als de inhoud van de RES.
Nog eens 22% heeft wel eens gehoord van het RES proces, maar weet niet wat het inhoudt of hoe dit proces verloopt. Het merendeel van de inwoners in West-Brabant (64%
Het PON & Telos | Inhoudsopgave
van de respondenten) is niet op de hoogte. Dat wil niet zeggen dat ze op dit moment nog geen mening hebben over (onderdelen van) de energietransitie – wel is het waarschijnlijk dat meningsvorming op onderdelen van de concept-RES nog moet plaatsvinden. Respondenten met een laag opleidingsniveau geven relatief vaak aan nog niet van de RES op de hoogte te zijn (81% t.o.v. 48% van de respondenten met een hoog opleidingsniveau). Dit, terwijl respondenten met een hoog opleidingsniveau vaker dan gemiddeld aangeven wel bekend te zijn met het proces en de inhoud van de RES (24% t.o.v. 7% van de respondenten met een laag opleidingsniveau). Thema duurzame energie en besparen Richtinggevende criteria Respondenten is gevraagd om aan de hand van een aantal stellingen aan te geven welke criteria zij belangrijk vinden bij het maken van keuzes nu en in de toekomst. Daaruit blijkt dat de aandacht voor haalbaarheid en betaalbaarheid voor iedereen als één van de leidende principes van de RES op (een groot) draagvlak kan rekenen: 63% van de respondenten markeert dit als belangrijkste criterium voor keuzes in de toekomst. Als tweede criterium komt het gebruik van ‘restruimte’ naar voren. Een haalbare en betaalbare energietransitie voor iedereen is één van de vier leidende principes in de concept-RES van regio West-Brabant.
Dit zien we terug in het streven naar 50% lokaal eigendom van nieuwe zon- en windprojecten. En in de ambitie om de financiële opbrengsten te benutten voor de bekostiging en de versnelling van de lokale energietransitie en het verminderen van energie-armoede.1 Sturing Ongeveer dan de helft van de respondenten (52%) is van mening dat de overheid het voortouw moet nemen in het versnellen van energiebesparing. Als het gaat om type stimuleringsmaatregelen dan vindt bijna twee derde (65%) dat de overheid voornamelijk moet focussen op het verlenen van subsidies voor energiebesparende maatregelen. Respondenten kiezen liever niet voor een lening en ook het verplichten van maatregelen wordt niet gewaardeerd. In de concept-RES West wordt de beschikbaarheid van toegankelijke duurzaamheidsleningen voor kleinschalige opwek en energiebesparing wel als instrument benoemd. Thema zonne-energie Zonnepanelen Het percentage respondenten dat aangeeft nu al zonnepanelen op het dak te hebben liggen is ongeveer even groot als het percentage dat aangeeft over 10 jaar nog geen zonnepanelen op het dak te hebben liggen (beide ongeveer 30%). Van de eigenaarbewoners die verwachten in 2030 (misschien) zonnepanelen op hun dak te hebben liggen, geeft ruim de helft (52%) aan dat zij advies op maat nodig hebben over wat bij hun dak past.
Verder geeft 32% aan een duurzaamheidslening2 nodig te hebben om in de toekomst zonnepanelen te kunnen betalen. Individuele ondersteuningsopties hebben de voorkeur boven collectieve ondersteuningsopties. Daarbij is informatie over zonnepanelen en 1 2
RES West-Brabant Contourennotitie, Onze nieuwe energie in 2030, p. 7. Er is in deze vraag geen onderscheid gemaakt tussen subsidies en leningen.
Het PON & Telos | Inhoudsopgave
leveranciers gewenst (eveneens 32%). In de concept-RES staat opgenomen dat - naast de mogelijkheid voor duurzaamheidsleningen - ingezet wordt op het delen van betrouwbare informatie (via energieadvies, energieloketten).3 Dit komt overeen met de behoefte van woningeigenaren. Zonneparken Voor het opwekken van grootschalige zonne-energie zijn in de concept RES West-Brabant geen zoekgebieden aangewezen. Dit om ruimte te bieden voor lokaal maatwerk bij de ruimtelijke inpassing van zonneparken. Wel staan in de concept RES inpassingsprincipes of uitgangspunten beschreven voor de ruimtelijke inpassing van zonneparken. Het geven van voorrang aan ongebruikte percelen, die zich niet goed lenen voor andere functies, is één van deze uitgangspunten. Meervoudig ruimtegebruik is een ander belangrijk uitgangspunt: dus combineren met natuurontwikkeling, klimaatadaptie en/of recreatie. 4 Op de vraag welke varianten of uitgangspunten het meest aanspreken geeft meer dan de helft van de respondenten aan een voorkeur te hebben voor het benutten van restruimte. Zonneparken komen dan in knooppunten tussen snelwegen en langs landingsbanen of ze worden geplaatst aan de randen van bedrijventerreinen. Oftewel, ruimte die niet geschikt is om op een andere manier te benutten. Voor de combinatie met natuurontwikkeling, natte natuur, maar ook voor de combinatie met landbouwgewassen is weinig draagvlak.
Ook zien we dat een derde van de respondenten (31%) er niet de voorkeur aan geeft om zonneparken te combineren met windturbines. Thema windenergie Zoekgebieden Uit het onderzoek komt naar voren dat 40% van de respondenten (nog) geen mening heeft als het gaat over de vraag wat de meest logische zoekgebieden voor windenergie zijn. Daarnaast geeft 18% aan hier ‘neutraal’ tegenover te staan. Het kan zijn dat deze respondenten nog weinig beeld hebben bij de opgave van windenergie of van de randvoorwaarden die een rol spelen bij het aanwijzen van zoekgebieden. Een kwart van de respondenten (25%) vindt de voorgestelde zoekgebieden in het algemeen de meest logische zoekgebieden voor het plaatsen van windturbines. 18% is het (helemaal) niet eens met de voorgestelde zoekgebieden. Als we de kijken naar de resultaten per zoekgebied zien we hetzelfde beeld: een grote groep geeft aan dat zij niet weten of het voorgelegde zoekgebied de meest logisch is of staat hier neutraal in. Rondom windenergie spelen veel sentimenten, zo lezen we terug in de toelichtingen die respondenten hebben gegeven. Sommigen zijn een groot voorstander van windenergie en anderen spreken zich hier fel tegen uit en maken bezwaar tegen het veranderende landschap. Het plaatsen van windturbines
3 4
Ibid. p. 9. Ibid. p. 11.
Het PON & Telos | Inhoudsopgave
Als het gaat over het plaatsen van windturbines dan zien we dat respondenten de voorkeur geven aan het geclusterd neerzetten ervan en niet als een soort hagelslag door het landschap (49%). Iets dat ook terugkomt in de concept-RES voor West-Brabant. In de concept-RES wordt gesproken van clusters van minimaal 3 windturbines. Wat de respondenten onder een cluster verstaan is niet uitgevraagd, maar versnippering (hagelslag) moet voorkomen worden. Daarnaast geeft 28% van de respondenten aan dat ze het liefste willen dat nieuwe windturbines geplaatst worden in al bestaande gebieden voor windenergie. Ook dat lezen we terug in de concept-RES: in de vorm van vernieuwing van bestaande turbines (repowering). 5 Zo’n 20% van de respondenten staat sowieso negatief tegenover windenergie, ongeacht waar de windturbines geplaatst zouden worden. Thema warmte Overstap van aardgas naar andere bron Als het gaat over de overstap van aardgas naar een andere warmtebron dan zien we dat respondenten zich vooral zorgen maken over wat de monopoliepositie van grote energiebedrijven betekent voor de eigen energierekening (63%) en over de kosten die het aanpassen van de eigen woning met zich meebrengt (63%). De helft van de respondenten vindt het ingewikkeld dat zij zelf hier niet veel in te kiezen hebben (52%).
Ruim een derde van de inwoners van West-Brabant (35%) verwacht dat het haalbaar is dat in 2050 alle woningen van het aardgas af zijn. Een even grote groep verwacht dat dit niet haalbaar is. Alternatieve warmtebronnen Driekwart van de respondenten heeft de voorkeur voor restwarmte uit industrie als warmtebron (73% heeft volledig of een beetje de voorkeur). Ook warmte uit afval (65%), warmte uit water (61%) en warmte uit de aarde (60%) scoren hoog. Respondenten hebben minder de voorkeur voor warmte uit buitenlandse biomassa, voor 59% heeft dit (totaal) niet de voorkeur. Ook warmte uit binnenlandse biomassa scoort niet heel hoog, voor 39% heeft dit (totaal) niet de voorkeur. In de concept-RES lezen we dat biomassa en warmte uit restafval gezien worden als een transitieoplossing. Deze warmtebronnen zijn nodig om in tussentijd te kunnen werken aan duurzame alternatieven voor warmte in het Amernet en andere warmtenetten in de regio. 6
5 6
RES West-Brabant Contourennotitie, Onze nieuwe energie in 2030, p. 11. Ibid. p. 19.
Het PON & Telos | Inhoudsopgave
Thema betrokkenheid Procesparticipatie Over het algemeen zien we dat de respondenten graag betrokken willen worden bij het RES-proces. Ze willen kunnen meedenken bij windprojecten (83%) en bij zonne-projecten (82%). Respondenten die aangeven het onbelangrijk te vinden of ze al dan niet betrokken worden zijn in de minderheid (3% bij zon en 4% bij wind). Deze mensen geven aan dat het onderwerp hen niet echt interesseert, ze geen vertrouwen hebben in de gemeente/overheid, of dat ze zichzelf te oud vinden hiervoor. We zien op het thema betrokkenheid duidelijke verschillen naar opleidingsniveau al is de behoefte aan betrokkenheid over de hele linie groot. Zo geeft zo’n 75% van de lager opgeleiden aan het (heel) belangrijk te vinden om mee te kunnen denken met wind- en zonneprojecten, tegenover bijna 90% van de hoger opgeleiden. Mensen met een lager opleidingsniveau geven ook minder vaak aan geïnformeerd te willen worden door hun gemeente dan hoger opgeleiden. Respondenten vinden het prettig om geïnformeerd te worden middels een nieuwsbrief (62%) of via websites (46%).
Financiële participatie In de concept-RES lezen we dat er gestreefd wordt naar 50% lokaal eigendom van nieuwe zonne- en windparken en dat de opbrengsten primair benut worden voor de versnelling en bekostiging van de lokale energietransitie.7 Twee vijfde van de inwoners van West-Brabant (43%) vindt dat een deel van de opbrengsten van een zonne- of windpark ten goede moet komen aan de inwoners van de eigen gemeente en ruim een derde (37%) vindt dat een deel van de opbrengsten ten goede moet komen aan alle inwoners van de eigen regio (door middel van een fonds). Ook zien we dat (ruim) de helft van de respondenten zelf wil kunnen investeren in een zonneproject (59%) of een windproject (50%) in de eigen regio en er zo geld aan wil kunnen verdienen. En dat ruim de helft van de respondenten het (heel) belangrijk vindt dat ze mede-eigenaar kunnen worden. Tegelijkertijd geeft twee vijfde (42%) aan dat ze nu nog niet kunnen inschatten of ze meedoen als er in de eigen omgeving een zonnepark of windturbine komt. Mochten ze wel willen meedoen, dan gaat de voorkeur van de respondenten uit naar een project met zon op grote daken (34%).
7
RES West-Brabant Contourennotitie, Onze nieuwe energie in 2030, p. 27.
Het PON & Telos | Inhoudsopgave
Inhoudsopgave 1 1.1 1.2 1.3
Inleiding Aanleiding en doel van het onderzoek Opzet onderzoek Leeswijzer
1 1 2 3
2 2.1
Algemene vragen Bekendheid met de RES
4 4
3 3.1
Duurzame energie en besparen Duurzame energie
5 5
4 4.1 4.2
Zonne-energie Zonnepanelen op daken Aanleggen zonneparken
8 8 12
5 5.1 5.2 5.3
Windenergie Zoekgebieden Windenergie in de regio Geschikte alternatieven
16 16 18 19
6 6.1
Warmte Van het aardgas af
20 20
7 7.1 7.2
Betrokken worden Procesparticipatie Financiële participatie
24 24 29
8 8.1 8.1.1 8.1.2 8.1.3
Achtergrond onderzoek Internetconsultatie Brabantse energie-regio’s Werving, respons en representativiteit Significante verschillen naar leeftijds-en opleidingsgroepen Research Community
32 32 32 33 33
. Achtergrondkenmerken
34
. Significantie naar leeftijds- en opleidingsgroepen
37
. Vragenlijst internetconsultatie RES West-Brabant
43
Het PON & Telos | Inhoudsopgave
1
Inleiding
1.1
Aanleiding en doel van het onderzoek Brabant telt vier energieregio’s, die net als de andere 30 energieregio’s in Nederland voor de uitdaging staan om de komende jaren een eigen Regionale Energie Strategie (RES) te ontwikkelen en uit te voeren. In een RES-regio maken provincie, gemeenten, waterschappen en netbeheerders afspraken over het opwekken van duurzame elektriciteit, de warmtevoorziening van de gebouwde omgeving en de ontwikkeling van een regionale energie infrastructuur. Een RES bevat een regionaal aanbod van mogelijk op te stellen duurzaam opwekvermogen (minimaal onderverdeeld in zon en wind, inclusief zoekgebieden). Voor de gebouwde omgeving maakt elke RES-regio een Regionale Structuurvisie Warmte met daarin een voorstel hoe het warmteaanbod, de warmtevraag en de benodigde infrastructuur op regionaal niveau met elkaar verbonden kunnen worden. De energieregio’s hebben de ambitie om de duurzame elektriciteits- en warmtevoorziening zo in te richten dat deze aansluit bij wat mensen in de regio belangrijk vinden. En dat de deze mensen uitnodigt om bij te dragen aan de uitvoering ervan. Betrokkenheid van bewoners - als inwoner van een nieuw energielandschap, consument of zelfs particuliere producent - bij de totstandkoming van de RES’en is dan ook belangrijk.
Met het uitvoeren van een internetconsultatie onder inwoners van de vier energieregio’s wil de provincie Noord-Brabant een betrouwbaar beeld genereren van de manier waarop inwoners aankijken tegen verschillende onderdelen van de RES’en. Deze rapportage maakt onderdeel uit van deze internetconsultatie en verschaft een representatief en betrouwbaar beeld van de manier waarop de inwoners van West-Brabant aankijken tegen verschillende onderdelen van de concept-RES West en van wensen, zorgen en ideeën die zij daarbij hebben. De informatie die dit oplevert kan meegenomen worden bij het vaststellen van de definitieve RES West in het voorjaar van 2021. Onderzoeksvragen
Er zijn drie onderzoeksvragen geformuleerd: 1.
Wat vinden Brabantse burgers belangrijk als het gaat om specifieke opties voor duurzaam opgewekte elektriciteit en warmte in de eigen regio?
2.
Willen Brabantse burgers betrokken worden bij de plannen voor duurzaam opgewekte elektriciteit en warmte in de eigen regio (individueel en collectief)? En zo ja, hoe en wanneer?
3.
Bij welke groepen Brabantse burgers bestaat er meer of juist minder draagvlak voor duurzaam opgewekte elektriciteit en warmte?
Inzicht in de vraag bij welke groepen Brabantse burgers meer of juist minder draagvlak voor duurzaam opgewekte elektriciteit en warmte bestaat, hebben we uitgewerkt door te kijken
Het PON & Telos | Internetconsultatie Brabantse energie-regio’s
1
naar verschillen naar leeftijd en opleidingsniveau. De aandacht voor maatschappelijke verschillen en scheidslijnen is de afgelopen jaren flink toegenomen. Met name opleidingsniveau blijkt een belangrijke differentiërende factor8. Naast het gegeven dat lageropgeleiden een lager gemiddeld inkomen en vaker een onzeker arbeidscontract hebben en in slechtere woningen wonen (veel vaker huur), doen lageropgeleiden minder vaak mee in de samenleving9. Opleidingsniveau lijkt niet alleen bepalend voor hoe je leven eruit ziet, maar ook voor de wijze waarop je de samenleving ervaart 10. In dit onderzoek zijn we nagegaan of dit ook voor inwoners van West Brabant geldt als het gaat om duurzaam opgewekte elektriciteit en warmte in de regio.
1.2
Opzet onderzoek Het onderzoek in de regio West-Brabant is online uitgevoerd met een vragenlijst, die specifiek voor de energieregio West-Brabant is opgesteld. Vanuit de wens om de vragenlijst laagdrempelig en voor een zo breed mogelijke groep inwoners van de regio beschikbaar te maken, is ervoor gekozen om te werken met een open link. Deze link is verstuurd via de gemeenten die vallen binnen energieregio West-Brabant. Zij hebben de link verspreid via verschillende (social media) kanalen van hun gemeente (gemeentewebsite, Facebook et cetera). Een paar gemeenten hebben de vragenlijst uitgezet onder leden van een eigen burgerpanel11. Het onderzoek ging op 23 juni 2020 online en heeft de gehele zomerperiode, tot 31 augustus ‘open’ gestaan. In deze periode is tussentijds getoetst op representativiteit van de responsgroep: de verdeling naar leeftijd, opleidingsniveau en gemeenten in de responsgroep is vergeleken met de werkelijke verdeling in de populatie in West-Brabant (Bron: CBS). Op basis daarvan is de vragenlijst aanvullend uitgezet onder panelleden van PanelClix met een lager opleidingsniveau binnen de energieregio West-Brabant. De vragenlijst is door 2.345 inwoners uit West-Brabant ingevuld. De resultaten zijn gecorrigeerd voor de achtergrondkenmerken leeftijd, opleidingsniveau en gemeente.
Daarmee is een representatieve respons naar leeftijd, opleidingsniveau en gemeente gegarandeerd en kunnen betrouwbare uitspraken worden gedaan over de gehele regio. Vragenlijst RES West-Brabant12
De vragenlijst voor de energieregio West-Brabant bevat, naast vragen over bekendheid met de RES, vragen over duurzame energie en energiebesparing, over de verwachtingen rondom (het plaatsen van) eigen zonnepanelen, over (criteria voor) zoekgebieden voor zonneparken en windturbines en over het duurzaam opwekken van warmte. Ook zijn er 8 Boelhouwer, J., Gijsberts, M. & Vrooman, C. (red.) (2014) Verschil in Nederland. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau. 9 Ridder, J. den, Campen, C. van, Josten, E. & Boelhouwer, J. (2020) De sociale staat van Nederland 2020 op hoofdlijnen. Kwaliteit van leven in onzekere tijden. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau: pp. 20-21. 10 Dekker, P, Tiemeijer, W. en M. Bovens (2016) Het zijn de academici: opleiding als sociale en politiek-culturele scheidslijn. Bronner, A.E. Ontwikkelingen in het marktonderzoek: Jaarboek MarktOnderzoekAssociatie, dl. 41. Haarlem: SpaarenHout, 2016. 11 De vragenlijst is uitgezet bij de burgerpanels van: Bergen op Zoom, Breda en Roosendaal. 12 De gebruikte vragenlijst voor RES-West is toegevoegd als bijlage C aan deze rapportage.
Het PON & Telos | Internetconsultatie Brabantse energie-regio’s
2
vragen gesteld over de manier waarop mensen betrokken zouden willen worden bij de doorontwikkeling en uitvoering van de RES. Tot slot is aan respondenten de vraag gesteld of ze zouden willen deelnemen aan een groepsgesprek via een besloten Research Community platform: de ‘Regionale Energie Community’ (zie ook hoofdstuk 8.1.3). Dit om de resultaten van het vragenlijstonderzoek te verdiepen en op onderdelen van een nadere duiding te voorzien.
1.3
Leeswijzer Bij de opbouw van de rapportage hebben we de volgorde van de vragenlijst grotendeels gevolgd. In hoofdstuk 2 tot en met hoofdstuk 7 komen de thema’s uit de vragenlijst de aan bod. In hoofdstuk 8 staat de achtergrond van het onderzoek centraal. Aan deze rapportage voegen we drie bijlagen toe. In de eerste bijlage (Bijlage A) geven we een overzicht van de achtergrondkenmerken van de respondenten. Significantietabellen naar leeftijd en opleidingsgroepen staan in de tweede bijlage (Bijlage B). De gebruikte vragenlijst is opgenomen in hoofdstuk drie (Bijlage C). Naast deze rapportage, ontvangen de provincie Noord-Brabant en de betrokkenen van West-Brabant een Excel-bestand waarin gestructureerd de antwoorden op de open vragen per gemeente zijn gerangschikt.
Het PON & Telos | Internetconsultatie Brabantse energie-regio’s
3
2
Algemene vragen De vragenlijst is opgebouwd uit verschillende thema’s. We hebben eerst gevraagd naar de bekendheid van mensen met de Regionale Energiestrategie (RES).
2.1
Bekendheid met de RES Figuur 1. Vraag 5: Heb je [voordat je met deze vragenlijst startte] wel eens iets gehoord over de Regionale Energie Strategie (RES)? Eén antwoord mogelijk. (N = 2.345)
14
22 64
Ja, ik ben op de hoogte van het proces en de inhoud Ja, ik heb wel eens van een RES gehoord, maar geen idee van het proces of de inhoud Nee, ik was hiervan niet op de hoogte
Bekendheid met de RES
14% van de respondenten geeft aan op de hoogte te zijn van het proces en de inhoud van de RES. Ongeveer een vijfde geeft aan wel eens van de RES gehoord te hebben, maar geen zicht te hebben op het proces en/of de inhoud (22%). Bijna twee derde van de West-Brabantse respondenten is niet op de hoogte van de RES (64%). Dat deze respondenten niet op de hoogte zijn van het RES proces of van de inhoud wil niet zeggen dat zij op dit moment ook geen mening hebben over de energietransitie. Wel is het waarschijnlijk dat ze op onderdelen van de concept-RES hun mening nog moeten vormen. In bijlage B zijn de uitsplitsingen naar leeftijds- en opleidingsgroepen te vinden. We zien vooral differentiatie naar opleidingsniveau: 81% van de respondenten met een laag opleidingsniveau is niet op de hoogte van de RES (tegenover 48% van de respondenten met een hoog opleidingsniveau). Respondenten met een hoog opleidingsniveau geven ook vaker dan gemiddeld aan bekend te zijn met het proces en de inhoud van de RES (24% t.o.v. 7% van de respondenten met een lage opleiding). Respondenten die wel eens van de RES hebben gehoord zijn middels een open vraag gevraagd op welke manier zij hiervan hoorden. Veelal geven ze aan dat ze er over lazen in de krant, op internet/social media, via de gemeente of hier beroepsmatig mee te maken te hebben.
Het PON & Telos | Internetconsultatie Brabantse energie-regio’s
4
3
Duurzame energie en besparen Onder het thema ‘Duurzame energie en besparen’ komen vragen aan bod over de criteria die van belang zijn voor (toekomstige) keuzes op het gebied van schone energie, over wie het voortouw zou moeten nemen en waar de prioriteiten van de overheid zouden moeten liggen.
3.1
Duurzame energie Tabel 1. Vraag 7: De keuzes die we nu en in de toekomst maken (op het gebied van schone energie) moeten voldoen aan een aantal criteria. Welke vind jij het belangrijkste? Maximaal 3 antwoorden mogelijk. (N = 2.345) % We kiezen voor de mogelijkheden die bijdragen aan een betaalbare energietransitie voor iedereen
63
We gebruiken zo veel mogelijk ruimte die ‘over’ is, dus ruimte die nu niet echt een functie heeft (denk aan oude stortplaatsen, reststroken langs infrastructuur en leegstand op bedrijventerreinen)
43
We kiezen voor de mogelijkheden die mensen in de regio het meest passend vinden
33
De financiële opbrengsten worden voor een deel gebruikt om te investeren in een fijne omgeving om te wonen
32
Waar het kan maken we in combinatie met zonne- of windenergie ‘nieuw’ landschap, met natuur of recreatiemogelijkheden
29
We kiezen voor de mogelijkheden die het beste passen bij het elektriciteitsnetwerk dat we nu hebben
21
We kiezen altijd voor de optie die de meeste energie oplevert
18
Criteria schone energie
Respondenten van West-Brabant vinden het voornamelijk van belang dat de mogelijkheden op het gebied van duurzame energie bijdragen aan een betaalbare energietransitie voor iedereen (63% kiest dit als belangrijk criterium). Ongeveer vier op de tien respondenten geven aan dat er zoveel mogelijk gebruik moet worden gemaakt van ruimte die ‘over’ is, dus ruimte die nu nauwelijks tot geen functie heeft (43%). Het minste aantal respondenten vindt dat West-Brabant altijd moet kiezen voor de optie die de meeste energie oplevert en 18% van de respondenten kiest dit als belangrijkste criterium. Een haalbare en betaalbare energietransitie voor iedereen is één van de vier leidende principes in de concept-RES van regio West-Brabant. Dit zien we zien we terug in het streven naar 50% lokaal eigendom van nieuwe zon- en windprojecten. En in de ambitie om de financiële opbrengsten te benutten voor de bekostiging en de versnelling van de lokale energietransitie en het verminderen van energiearmoede.13 De aandacht voor haalbaarheid en betaalbaarheid voor iedereen als één van de leidende principes van de RES kan op (een groot) draagvlak rekenen: 63% van de respondenten vindt dit een belangrijk principe.
13
RES West-Brabant Contourennotitie, Onze nieuwe energie in 2030, p. 7.
Het PON & Telos | Internetconsultatie Brabantse energie-regio’s
5
Tabel 2. Vraag 8: In de RES hebben we de ambitie om het besparen van energie te versnellen. Wie vind je dat daarin het voortouw moet nemen? Eén antwoord mogelijk. Uitgesplitst naar woningeigenaren en huurders (%).
N De overheid (zij moet geld beschikbaar stellen om huizen te isoleren)
Koopwoning
Huurwoning
Anders
Gemiddeld RES-West
1.966
351
28
2.345
52
52
38
30
9
11
1
8
49
Alle huiseigenaren dragen hierin eigen verantwoordelijkheid (zij kunnen dit doen of niet, en eventueel gebruik maken van een duurzaamheidslening)
31
Deze ontwikkeling gaat vanzelf, extra tijd en geld van gemeenten is niet nodig
11
Anders
9
60 26
9 5
Tabel 3. Vraag 9: Waar moet de overheid prioriteit aan geven als het gaat om energiebesparing? Maximaal 2 antwoorden mogelijk. Uitgesplitst naar woningeigenaren en huurders (%). Koopwoning
Huurwoning
Anders
Gemiddeld RES-West
N
1.966
351
28
2.345
Verlenen van subsidies voor energiebesparende maatregelen
64
66
85
65
Organiseren van collectieve acties (zoals het gezamenlijk inkopen van zonnepanelen)
39
35
52
38
Advies geven over de mogelijkheden tot aanpassing in en rond de woning
38
34
31
37
Geven van een lening voor energiebesparende maatregelen
21
16
9
20
Verplicht stellen van maatregelen
9
15
5
10
Anders
6
4
2
6
Prioriteiten overheid
Ruim de helft van de respondenten (52%) vinden dat de overheid het voortouw moet nemen in het versnellen van energie besparen. Drie op de tien (30%) geven aan dat alle huiseigenaren de verantwoordelijkheid hiervoor hebben en één op de tien (11%) vindt dat de ontwikkeling vanzelf gaat, zonder dat inzet van bijvoorbeeld gemeenten nodig is. Vooral huurders vinden bovengemiddeld vaak dat de overheid aan zet is als het gaat om het versnellen van energiebesparing. Als het dan gaat over het type stimuleringsmaatregelen, dan vindt twee derde dat de overheid voornamelijk dient te focussen op het verlenen van subsidies voor energiebesparende maatregelen (65%). Verder vindt ruim een derde dat de overheid collectieve acties dient te organiseren (38%) of advies moet geven over de mogelijkheden van woningaanpassing (37%). Respondenten kiezen liever niet voor een lening (21% heeft dit als voorkeur) en ook het verplichten van maatregelen wordt minder gewaardeerd (10%). We zien dat 21% van de respondenten kiest voor een lening voor energiebesparende maatregelen. Een lening voor energiebesparende maatregelen is wel een mogelijkheid die naar voren komt in de concept-RES van regio West-Brabant. Hierin lezen we op
Het PON & Telos | Internetconsultatie Brabantse energie-regio’s
6
verschillende plekken dat toegankelijke duurzaamheidsleningen beschikbaar (moeten) komen voor kleinschalige opwek en energiebesparing door woningeigenaren.14 Respondenten die ‘anders’ hebben ingevuld hebben een flink aantal andere prioriteiten genoemd: zorgen dat het betaalbaar wordt voor iedereen, zich meer richten op innovatie, multinationals verplichten om zelf meer te doen/vervuiler te laten betalen en het niet teveel verplichten voor de burgers. Een deel van de respondenten (circa 20 personen) geeft eveneens aan dat zij vinden dat de overheid prioriteit moet geven aan het ontwikkelen van kernenergie. We lezen onder meer: • •
• •
14
“Betaalbaar houden van de transitie voor iedereen.” “De overheid moet zich richten op het aanjagen van innovatie zodat de energietransitie van de gebouwde omgeving voor iedereen betaalbaar wordt. Waar het dan nog niet lukt moet de overheid zorgen voor ondersteuning door subsidies en of goedkope leningen. Voor het collectief organiseren van inkoop zou de overheid een rol kunnen toe bedelen aan de woningcorporaties. Door hun omvang kunnen zij lagere prijzen bedingen en deelname aanbieden aan particulieren. Wat bij veel deelname op zich weer kan leiden tot lagere prijzen. De huidige woningwet staat dit echter niet toe.” “het bedrijfsleven dwingen een veel grotere bijdrage te leveren, door bijvoorbeeld te verplichten de daken van bedrijven vol te leggen met zonnepanelen.” “Inzetten op efficiënte energiewinning zoals kernenergie.”
RES West-Brabant Contourennotitie, Onze nieuwe energie in 2030, p. 9, 17.
Het PON & Telos | Internetconsultatie Brabantse energie-regio’s
7
4
Zonne-energie Het thema ‘zonne-energie’ bevat vragen omtrent zonnepanelen op daken van respondenten. Ook is er aandacht voor het aanleggen van zonneparken, aan welke plekken geven respondenten dan de voorkeur? En welke mogelijkheid zien zij het minst zitten?
4.1
Zonnepanelen op daken Tabel 4. Vraag 10: Het is de bedoeling dat in 2030 op de helft van alle daken van huizen zonnepanelen liggen. Liggen er dan ook zonnepanelen op jouw dak?15 Eén antwoord mogelijk. Uitgesplitst naar woningeigenaren en huurders (%). Anders
Gemiddeld RES-West
351
28
2.345
13
21
30
9
1
13
7
1
64
20
17
Misschien
23
2
17
17
Nee
32
21
28
29
Koopwoning
Huurwoning
N
1.966
Ja, ik heb ze nu al
36
Ja Weet ik niet, ik woon in een huurhuis
Respondenten konden hierbij aangeven waarom ze wel, niet of misschien verwachten over tien jaar zonnepanelen op hun dak te hebben liggen. Respondenten die bij deze vraag hebben aangegeven dat ze deze over 10 jaar wel hebben (7%), geven daarbij aan dat ze er nu al mee bezig zijn, dat ze verduurzamen belangrijk vinden of het een goede investering vinden. Enkele reacties: • • •
“Dat is een mooi streven.” “Het begint bij jezelf, dus zonnepanelen!” “Het bijdraagt aan de doelstellingen en bovendien financieel aantrekkelijk is.”
De respondenten die het nog niet weten of ze over tien jaar ook zonnepanelen op hun dak zullen hebben (17%), geven als reden veelal aan dat ze dit laten afhangen van de mogelijkheid voor subsidie of hun eigen financiële situatie, ze twijfelen of zonnepanelen economisch rendabel zijn of ze weten niet of ze over tien jaar nog in dit huis wonen. We lezen onder meer: • • •
“Alles al zo duur is en het geld niet kan opbrengen.” “Er nog te veel onduidelijk is en de overheid niet transparant is. Ik weet wel beter.” “Ik dan hier niet meer woon.”
15
Het daadwerkelijke percentage woningen met geregistreerde zonnepanelen in West-Brabant was in 2019 11%. Bron: CBS 2019, verkregen van https://klimaatmonitor.databank.nl/dashboard/dashboard/woningen/.
Het PON & Telos | Internetconsultatie Brabantse energie-regio’s
8
Respondenten die aangeven dat er over tien jaar geen zonnepanelen op hun dak liggen (29%) geven aan dat hun dak hiervoor niet geschikt is, ze in een beschermd stadsgezicht of huurwoning wonen, ze het te duur vinden of dat ze vermoeden dat de kosten en baten niet tegen elkaar opwegen. • • •
“Beschermd stadsgezicht daarom verboden.” “Dak, qua ligging en aanwezige dakkapellen en dakramen niet geschikt is.” “Geen geld om te investeren.”
In bijlage B is een uitsplitsing te vinden van deze vraag naar leeftijds- en opleidingsgroepen. We zien dat respondenten tussen de 51 en 70 jaar oud vaker dan gemiddeld aangeven al zonnepanelen op hun daken te hebben liggen (38%). Mensen met een laag opleidingsniveau geven relatief vaak aan dat zij niet weten of ze over tien jaar zonnepanelen op hun dak hebben liggen, aangezien ze in een huurhuis wonen (31% van de laagopgeleiden tegenover 5% van de mensen met een hoge opleiding). Mensen met een hoger opleidingsniveau geven vaker dan gemiddeld aan dat zij al zonnepanelen hebben (40% van de mensen met een hoge opleiding tegenover 21% van de respondenten met een lage opleiding) of dat ze er in 2030 zeker zullen liggen (12% tegenover 4% van de respondenten met een lage opleiding).
Figuur 2. Vraag 11: Wat heb je nodig om in de toekomst zonnepanelen op je dak te leggen?* Meerdere antwoorden mogelijk. Alleen woningeigenaren (N = 564).
Advies op maat wat past bij mijn dak
52%
Een duurzaamheidslening om de panelen te kunnen betalen
32%
Informatie over zonnepanelen en leveranciers
32%
Anders
24%
Een aanbod waarbij ik met mijn buren zonnepanelen kan kopen
21% 0%
10%
20%
30%
40%
50%
60%
*Alleen ingevuld door respondenten die bij vraag 10 ‘ja’ of ‘misschien’ hebben ingevuld.
Het PON & Telos | Internetconsultatie Brabantse energie-regio’s
9
Figuur 3. Vraag 12: Op welke termijn verwacht je zonnepanelen op jouw dak te installeren?* Alleen woningeigenaren (N = 564).
< 1 jaar
9%
1 – 5 jaar
34%
5 – 7 jaar
> 7 jaar
15%
7%
Dat weet ik niet
35%
*Alleen ingevuld door respondenten die bij vraag 10 ‘ja’ of ‘misschien’ hebben ingevuld.
Het PON & Telos | Internetconsultatie Brabantse energie-regio’s
10
Zon op daken
We hebben bij vraag 11 en 12 alleen gekeken naar woningeigenaren, die verwachten in 2030 (misschien) zonnepanelen op hun dak te hebben liggen. Voor deze woningeigenaren geldt dat zij de investeringen in zonnepanelen op moeten kunnen brengen én de bereidheid moeten hebben om te investeren. Voor huurders is de situatie anders. Voor het verduurzamen van de woning is een huurder afhankelijk van de verhuurder. Van de eigenaar-bewoners die verwachten in 2030 (misschien) zonnepanelen op hun dak te hebben liggen, geeft ruim de helft aan dat zij advies op maat nodig hebben over wat bij hun dak past om daadwerkelijk de zonnepanelen te leggen (52%). Verder geeft 32% aan een duurzaamheidslening nodig te hebben om in de toekomst zonnepanelen te kunnen betalen. En is informatie over zonnepanelen en leveranciers voor een even grote groep respondenten gewenst (eveneens 32%). Individuele ondersteuningsopties hebben de voorkeur boven collectieve ondersteuningsopties. In de concept-RES lezen we dat naast de mogelijkheid voor duurzaamheidsleningen ook ingezet wordt op het delen van betrouwbare informatie (via energieadvies, energieloketten).16 Dit komt overeen met de behoefte van woningeigenaren die verwachten binnen 10 jaar zonnepanelen op hun dak te hebben liggen.
Respondenten die bij vraag 11 (Wat heb je nodig om in de toekomst zonnepanelen op je dak te leggen?) ‘anders’ hebben ingevuld geven bijvoorbeeld aan dat ze ook toestemming van de VVE nodig hebben en dat ze goede informatie nodig hebben over wat betrouwbare bedrijven zijn die zonnepanelen kunnen plaatsen. Ook geven respondenten aan dat ze graag informatie/zekerheid willen over het economisch rendement. Zo lezen we onder meer: • • • •
“Daarbij goedkeuring van de VVE.” “Duidelijke informatie over levensduur, recyclage en impact van het maken en verwerken van zonnepanelen.” “Een soort keurmerk voor zonnepaneelleveranciers, er zijn zoveel aanbieders, wie is er wel en wie is er niet goed?” “Je hoort vaak dat ze toch niet de voorgestelde opbrengst opleveren omdat er toch iets niet van het juiste materiaal is, ik ben ook bang om opgelicht te worden”
Ongeveer een derde van de respondenten die denkt in 2030 (misschien) zonnepanelen op hun dak te hebben liggen geeft aan te verwachten dat dit tussen de 1 en 5 jaar zal gebeuren. 35% van deze respondenten geeft aan nog niet te weten op welke termijn zij zonnepanelen zullen nemen.
16
RES West-Brabant Contourennotitie, Onze nieuwe energie in 2030, p. 9.
Het PON & Telos | Internetconsultatie Brabantse energie-regio’s
11
4.2
Aanleggen zonneparken De respondenten hebben zes afbeeldingen voorgelegd gekregen over de wijze waarop zonneparken aangelegd kunnen worden. Vervolgens is hen gevraagd welke twee varianten hen het meest aanspreken en welke variant hen het minst aanspreekt. Tabel 5. Vraag 13: Voor het aanleggen van zonneparken (park met meerdere zonnepanelen bij elkaar) zijn er verschillende mogelijkheden. Niet alles kan op elke locatie. Welke variant(en) spreekt / spreken jou het meest aan? Maximaal 2 antwoorden mogelijk. (N = 2.312) – percentage in groen. En welke variant spreekt je het minst aan? Eén antwoord mogelijk (N = 2.301) – percentage in oranje.
Zonneparken in knooppunten, op restruimtes en langs landingsbanen
Voorkeur 52%
Minste voorkeur 4%
Zonneparken aan de randen van bedrijventerreinen en i.c.m. vergroenen (klimaatadaptie)
Voorkeur 44%
Minste voorkeur 6%
Het PON & Telos | Internetconsultatie Brabantse energie-regio’s
12
Zonneparken in combinatie met windturbines
Voorkeur 15%
Minste voorkeur 31%
Zonneparken in combinatie met geschikte landbouwgewassen
Minste voorkeur
Voorkeur 14%
11%
Zonneparken in combinatie met natte natuur
Voorkeur 13%
Minste voorkeur 27%
Het PON & Telos | Internetconsultatie Brabantse energie-regio’s
13
Zonneparken in combinatie met nieuwe natuur
Voorkeur 11%
Minste voorkeur 13%
Anders Voorkeur 11%
Minste voorkeur 13%
Voorkeur voor varianten zonneparken
Ruim de helft van de respondenten geeft de voorkeur aan een zonnepark in knooppunten, op restruimtes of langs landingsbanen van vliegvelden (52%). Voor 4% van de respondenten is dit de minst acceptabele variant. Ook geeft 44% van de respondenten de voorkeur aan zonneparken aan randen van bedrijventerreinen en in combinatie met vergroening en klimaatadaptie. Voor 6% van de respondenten is dit de minst acceptabele variant. De voorkeur om zonneparken in restruimtes of op bedrijventerreinen te plaatsen lezen we ook terug in de concept-RES. Hierin staat dat bij het zoeken van plekken voor zonneparken de voorrang wordt gegeven aan ongebruikte percelen in bebouwd gebied of aan gebieden die zich niet goed lenen voor andere functies zoals oude stortplaatsen, reststroken langs infrastructuur en leegstand op bedrijventerreinen.17 De variant van zonneparken in combinatie met windturbines spreekt de respondenten het minste aan: 31% geeft aan deze variant het minst aantrekkelijk te vinden (15% van de respondenten vindt dit wel een goede variant). Verder geeft 27% aan de variant van een zonnepark in combinatie met natte natuur het minst aantrekkelijk te vinden (13% vindt dit wel een goede variant).
In de concept-RES is meervoudig ruimtegebruik één van de uitgangspunten voor de lokaal ruimtelijke inpassing van zonneparken: dus vooral wel combineren met natuurontwikkeling, klimaatadaptie en/of recreatie. Voor de combinatie met natuurontwikkeling, natte natuur, maar ook voor de combinatie met landbouwgewassen is weinig draagvlak (14% vindt dit een goede variant).
17
RES West-Brabant Contourennotitie, Onze nieuwe energie in 2030, p. 11.
Het PON & Telos | Internetconsultatie Brabantse energie-regio’s
14
Respondenten konden bij de deze vragen over varianten voor zonneparken ook ‘anders’ invullen. Degenen die daarvan gebruik hebben gemaakt geven met name aan dat geen van de varianten hen aanspreekt. Dat het ze niet aanspreekt komt voor al omdat zij graag zien dat zonnepanelen uitsluitend op daken worden geplaatst en niet in het buitengebied. Zo lezen we bijvoorbeeld: • “Er is genoeg dakoppervlak. Land bedekken met zonnevelden is lelijk en onnodig.” • “GEEN zonneparken en -panelen maar nucleaire energieomzetting” • “Geen!!! Voorts brengen zonneparken grote schade toe aan het landelijk uitzicht. De schadelijke ecologische effecten worden vakkundig genegeerd en buiten de discussie gehouden. Direct stoppen met deze waanzin.” • “Niet op kostbare goede grond!! Hebben we hard genoeg nodig voor bomen, biodiversiteit, duurzame landbouw“ • “Zonnepanelen aanleggen eerst op alle beschikbare daken van bedrijven industrie gebouwen, daarna eventueel in de natuur maar dan ook als overkapping, schaduw voor dieren in de weide bijvoorbeeld.” • “Geen onzin! Kerncentrales bouwen!”
Het PON & Telos | Internetconsultatie Brabantse energie-regio’s
15
5
Windenergie Naast zonne-energie is ook windenergie een belangrijk thema binnen de concept RES West. Binnen een paar jaar staan er in West-Brabant ruim 100 windturbines: dit zijn deels turbines die er nu al staan en deels windturbines die al gepland zijn. Het streven is om daar tot 2030 nog zo’n 10 windturbines aan toe te voegen en 25 bestaande turbines te vernieuwen. Dit hoofdstuk gaat in op de wijze waarop de inwoners van West-Brabant aankijken tegen windenergie in de regio, het plaatsen van windturbines en de verschillende zoekgebieden voor wind die in de concept RES West zijn aangewezen.
5.1
Zoekgebieden
Tabel 6. Vraag 15: We vragen eerst wat je van deze zoekgebieden in het algemeen vindt, daarna stellen we per zoekgebied een vraag. ( %) N
(Helemaal) eens
Neutraal
(Helemaal) oneens
Weet niet/ geen mening
A. Dit zijn in het algemeen voor mij ook de meest logische zoekgebieden voor het plaatsen van windturbines
2.219
25
18
18
40
B. Ik vind het zoekgebied bij Woensdrecht een geschikt zoekgebied
2.207
31
14
13
42
C. Ik vind het zoekgebied bij de Auvergnepolder bij Bergen op Zoom een geschikt zoekgebied
2.203
32
13
15
40
D. Ik vind het zoekgebied bij de Oranjepolder tussen Oosterhout en Raamsdonkveer een geschikt zoekgebied
2.199
22
16
23
38
E. Ik vind de zoekgebieden tussen Rucphen en Baarle-Nassau geschikte locaties.*
2.192
23
15
24
39
*Toelichtingstekst bij stelling 15: “Richting 2030 gaat er ook op de zandgronden tussen Rucphen en Baarle-Nassau gekeken worden naar de mogelijkheden voor windenergie. Op dit moment kan het elektriciteitsnetwerk dat nog niet aan.”
Het PON & Telos | Internetconsultatie Brabantse energie-regio’s
16
Zoekgebieden windenergie
40% van de respondenten heeft (nog) geen mening als het gaat om de vraag of de aangewezen zoekgebieden de meest logische zoekgebieden zijn. En 18% staat hier neutraal tegenover. Dit kan betekenen dat mensen (nog) weinig beeld hebben bij de opgave of van de randvoorwaarden die gelden met betrekking tot de zoekgebieden wind. Een kwart van de respondenten vindt wel dat dit over het algemeen de meest logische zoekgebieden zijn, ongeveer een vijfde geeft aan het hier niet mee eens te zijn (18% is het hiermee (helemaal) oneens). Er zit niet heel veel verschil in manier waarop mensen de zoekgebieden beoordelen. Opvallend is dat bij alle zoekgebieden meer dan helft van de respondenten het niet weet, geen mening heeft of er neutraal tegenover staat. Als we kijken naar de mensen, die aangeven een zoekgebied geschikt te vinden dan zien we dat de zoekgebieden bij de Auvergnepolder (32% (helemaal) eens) en bij Woensdrecht (31% (helemaal) eens) vaker geschikt worden gevonden dan het zoekgebied bij de Oranjepolder (22% (helemaal) eens) en het gebied tussen Rucphen en Baarle-Nassau (23% (helemaal) eens). Respondenten konden bij de zoekgebieden in een open invulveld een toelichting geven. Hierin lezen we vooral dat: ze überhaupt tegen windturbines zijn/ze het horizonvervuiling vinden. Ook lezen we dat ze liever windturbines clusteren en niet willen dat er nieuwe zoekgebieden komen.
Ook zijn er respondenten die aangeven dat dit door deskundigen vastgesteld moet worden en dat zij hier geen beeld bij hebben. Wat betreft de zoeklocatie Woensdrecht lezen we dat respondenten zich zorgen maken over de veiligheid van het vliegverkeer van de luchtmachtbasis. Een deel van de respondenten geeft aan dat ze dit zoekgebied wel zien zitten omdat het ligt bij de industrie van Antwerpen waar ook al veel windmolens staan. Wat de Auvergnepolder betreft lijkt dit voor sommige mensen een goede een oplossing omdat windturbines dan bij het water gezet kunnen worden en er minder mensen wonen die er last van kunnen krijgen. Voor de Oranjepolder en het gebied tussen Rucphen en Baarle-Nassau geven respondenten vooral aan dat ze de windturbines niet in de natuur willen. We hebben per zoekgebied bekeken of respondenten uit de betreffende zoekgebieden vaker positief of juist negatief staan ten opzichte van windenergie in hun eigen omgeving. De aantallen respondenten per zoekgebied zijn bij deze uitsplitsing relatief klein, waardoor we niet in staat zijn om representatief uitspraken te doen. Wel geven de resultaten een (indicatief) beeld van de verschillen in positie van respondenten die in of nabij een zoekgebied wonen en respondenten die niet in de nabijheid van een zoekgebied wonen.
Daaruit kunnen we opmaken dat respondenten die zelf in een zoekgebied wonen, minder vaak geen mening hebben / het niet weten of neutraal staan ten opzichte van het plaatsen van windturbines in het betreffende zoekgebied en vaker van mening zijn dat het zoekgebied niet geschikt is.
Het PON & Telos | Internetconsultatie Brabantse energie-regio’s
17
5.2
Windenergie in de regio Tabel 7. Vraag 16: Welke uitspraak of uitspraken spreken je het meeste aan als het gaat over windenergie? Maximaal 2 antwoorden mogelijk (N = 2.179). % Ik vind dat windturbines altijd in een cluster van windturbines neergezet moeten worden en niet als een soort hagelslag door het landschap
49
Ik vind het goed dat er alleen nieuwe windturbines geplaatst worden in al bestaande gebieden voor windenergie
28
Ik sta sowieso negatief ten opzichte van windenergie, ongeacht waar windturbines geplaatst worden
20
Ik zou graag willen dat de regio volop inzet op windenergie en ook nieuwe gebieden hiervoor aanwijst in mijn regio
17
Ik vind dat er in de bestaande gebieden al voldoende windturbines staan en dat voor meer windturbines nieuwe gebieden aangewezen moeten worden.
11
Dat weet ik niet / geen mening
9
Anders
8
Het plaatsen van windturbines
Als het gaat over de plaatsing van windturbines, vindt de helft van de respondenten dat windturbines altijd in een cluster neergezet dienen te worden (49%). Dit is ook een wens die we teruglezen in de concept-RES voor West-Brabant. Hierin lezen we dat bij de inrichting van windparken er altijd gekozen wordt voor cluster van minimaal 3 windturbines.18 Wat respondenten onder een cluster verstaan is niet uitgevraagd, maar ze willen windturbines niet als hagelslag in het landschap geplaatst zien. Ruim een kwart van de respondenten vindt het een goede ontwikkeling dat er enkel windturbines worden geplaatst in al bestaande gebieden voor windenergie (28%). Daartegenover staat één op de vijf respondenten negatief tegenover windenergie, ongeacht waar de windturbines geplaatst worden. In tabel 14 hebben we de vraag naar de meest logische zoekgebieden (vraag 15) uitgesplitst voor de groep respondenten die sowieso negatief staat ten opzichte van windenergie, ongeacht waar deze geplaatst worden. Tabel 8. Zoekgebieden wind uitgesplitst naar houding t.o.v. windturbines (%). 15A. Dit zijn in het algemeen voor mij ook de meest logische zoekgebieden voor het plaatsen van windturbines
N
(Helemaal) eens
Neutraal
(Helemaal) oneens
Weet niet/ geen mening
Aangevinkt: ik sta sowieso negatief ten opzichte van windenergie, ongeacht waar de windturbines geplaatst worden
477
8
11
41
40
Niet aangevinkt: ik sta sowieso negatief ten opzichte van windenergie, ongeacht waar de windturbines geplaatst worden
1.702
29
20
12
40
Gemiddeld RES-West
2.179
25
18
18
40
18
RES West-Brabant Contourennotitie, Onze nieuwe energie in 2030, p. 11.
Het PON & Telos | Internetconsultatie Brabantse energie-regio’s
18
We zien dat 41% van de respondenten die aangegeven hebben sowieso negatief te staan ten opzichte van windenergie het (helemaal) oneens is met de vraag of dit in het algemeen de juiste zoekgebieden zijn. Nog eens 40% van deze respondenten heeft hier geen mening over of weet het niet. Bij de overige respondenten zien we dat eveneens 40% geen mening heeft of niet weet of deze zoeklocaties voor wind de meest logische zijn. Van deze groep vindt bijna een derde dat deze zoekgebieden wel logisch zijn.
5.3
Geschikte alternatieven Tabel 9. Vraag 17: Stel dat het niet lukt om in de mix van zon op daken van woningen, zon op grote daken, zonneparken en windenergie genoeg energie op te wekken, wat vind je dan geschikte alternatieven om naar te kijken? Zet in volgorde van voorkeur. Nummer
N*
Alternatief
1
1.223
Een zonnepark (extra) in mijn gemeente
2
1.035
Kleine windturbines bij agrarische bedrijven in mijn gemeente
3
801
Een windturbine (extra) in mijn gemeente
338 (19%)
Geen voorkeur / ik wil niet dat er geïnvesteerd wordt in wind- en zonne-energie
671
Ik heb een ander idee om meer energie op te wekken, namelijk**
*Wegens een technisch relatief moeilijk in te vullen vraag stond deze vraag op ‘niet verplicht’. Hierdoor konden mensen ervoor kiezen om deze vraag over te slaan. Ook waren de respondenten niet verplicht om elk alternatief te kiezen, waardoor de n per alternatief sterk kan verschillen. **Zie tekstblok hieronder voor de toelichting op deze vraag.
Alternatieven
Als de huidige combinatie van zon en wind niet voldoende energie opwekt, dan geven de meeste respondenten de voorkeur aan een zonnepark (extra) in hun gemeente. Op nummer twee staat kleine windturbines bij agrarische bedrijven en op nummer drie een windturbine (extra) in de gemeente. Bij deze vraag geeft 19% van de respondenten aan geen voorkeur te hebben voor één van de drie voorgelegde alternatieven of niet te willen dat er geïnvesteerd wordt in wind- en zonne-energie. Respondenten konden hier ook zelf alternatieven voor het opwekken van energie noemen. Veelgenoemd zijn hier onder meer: geothermie, kerncentrales, aquathermie en het aardgas opgebruiken.
Het PON & Telos | Internetconsultatie Brabantse energie-regio’s
19
6
Warmte Voor de gebouwde omgeving maakt elke regio, als onderdeel van de RES, een Regionale Structuurvisie Warmte met daarin een voorstel hoe het warmteaanbod, de warmtevraag en de bijbehorende infrastructuur op regionaal niveau met elkaar verbonden kunnen worden. In dit hoofdstuk gaan we in op de vraag hoe bewoners van West-Brabant aankijken tegen de overstap van aardgas naar andere warmtebronnen.
6.1
Van het aardgas af Tabel 10. Vraag 18:a Hoe kijk je naar de overstap van aardgas naar een andere warmtebron voor warm water en het verwarmen van jouw woning? Uitgesplitst naar woningeigenaren en huurders (%). A. Het is haalbaar dat alle woningen in 2050 van het aardgas af zijn
(Helemaal) Weet niet / geen mening oneens
N
(Helemaal) eens
Neutraal
Koopwoning
1.790
34
19
40
6
1
Huurwoning
307
38
26
24
11
1
Anders
26
51
2
46
1
0
2.123
35
20
36
7
1
Gemiddeld RES-West
N.v.t.
Tabel 11. Vraag 18b: Hoe kijk je naar de overstap van aardgas naar een andere warmtebron voor warm water en het verwarmen van jouw woning? Uitgesplitst naar woningeigenaren en huurders (%). B. Ik maak mij zorgen over de monopolie-positie van grote energiebedrijven en wat dat betekent voor mijn energierekening
(Helemaal) Weet niet / geen mening oneens
N
(Helemaal) eens
Neutraal
Koopwoning
1.783
64
18
12
5
1
Huurwoning
309
59
19
11
10
1
Anders Gemiddeld RES-West
N.v.t.
26
71
7
21
1
0
2.118
63
18
12
6
1
Tabel 12. Vraag 18c: Hoe kijk je naar de overstap van aardgas naar een andere warmtebron voor warm water en het verwarmen van jouw woning? Uitgesplitst naar woningeigenaren en huurders (%). C. Ik maak mij zorgen over de kosten om mijn huis aan te passen
(Helemaal) Weet niet / geen mening oneens
N
(Helemaal) eens
Neutraal
Koopwoning
1.785
68
14
15
2
2
Huurwoning
308
49
21
11
6
13
Anders
26
62
1
16
7
14
2.119
63
15
14
3
5
Gemiddeld RES-West
N.v.t.
Tabel 13. Vraag 18d: Hoe kijk je naar de overstap van aardgas naar een andere warmtebron voor warm water en het verwarmen van jouw woning? Uitgesplitst naar woningeigenaren en huurders (%). D. Ik maak mij geen zorgen als het gaat over duurzame warmte
N
(Helemaal) eens
Neutraal
Koopwoning
1.780
32
28
32
7
2
Huurwoning
307
23
33
26
14
4
Anders Gemiddeld RES-West
(Helemaal) Weet niet / geen mening oneens
N.v.t.
26
31
19
42
2
5
2.113
30
29
31
8
2
Het PON & Telos | Internetconsultatie Brabantse energie-regio’s
20
Tabel 14. Vraag 18e: Hoe kijk je naar de overstap van aardgas naar een andere warmtebron voor warm water en het verwarmen van jouw woning? Uitgesplitst naar woningeigenaren en huurders (%). (Helemaal) Weet niet / geen mening oneens
N
(Helemaal) eens
Neutraal
Koopwoning
1.775
53
21
19
5
2
Huurwoning
308
48
26
14
10
2
E. Ik vind het ingewikkeld dat je zelf niet veel te kiezen hebt
Anders Gemiddeld RES-West
N.v.t.
26
63
7
17
2
10
2.109
52
22
18
6
2
De overstap van aardgas naar een andere warmtebron
Ongeveer een derde van de respondenten denkt dat het haalbaar is dat in 2050 alle woningen van het aardgas af zijn (35%), terwijl een vergelijkbaar percentage respondenten denkt dat dit niet haalbaar is (36%). Twee derde van de respondenten (63%) maakt zich zorgen over de monopoliepositie van grote bedrijven. Eveneens twee derde maakt zich zorgen over de kosten om de eigen woning aan te passen (63%). Dit zien we, niet verrassend, vooral terug bij respondenten met een koopwoning (68% van de woningeigenaren maakt zich hier zorgen over, tegenover 49% van de huurders). De respondenten zijn verdeeld als het gaat over de zorgen omtrent duurzame warmte. Ongeveer 30% maakt zich geen zorgen, ongeveer 30% staat hier neutraal in en ongeveer 30% maakt zich wel zorgen als het gaat over duurzame warmte. Ruim de helft van de respondenten geeft daarnaast aan dat zij het ingewikkeld vinden dat je zelf niet veel te kiezen hebt als het gaat om (duurzame) warmte (52% is het hier (helemaal) mee eens). Ook bij deze stellingen konden respondenten een toelichting geven. We lezen dat zij vermoeden dat het een flinke klus gaat worden om van het aardgas af te gaan en sommigen hebben er een hard hoofd in dat het gaat lukken. Ze geven aan dat het tijd nodig heeft en dat de overheid hier een duidelijke rol in moet pakken.
Daarbij vinden ze wel dat bewoners goed betrokken moeten blijven, voor het gevoel worden veel beslissingen nu voor hen genomen. Enkele reacties: • • •
“Belachelijke situatie. Aardgas is schoonste vorm van fossiele energie.” “Bewoners zouden veel meer betrokken moeten worden.” “Het beleid wordt voor jou bepaald. Je hebt je te schikken in de mogelijkheden die er zijn.”
Relatief vaak wordt genoemd dat de kosten voor het aanpassen van de woning veel te hoog zijn, al zijn er ook respondenten die aangeven dat hun huizen al zijn aangepakt. Ook verwijzen respondenten naar technologische ontwikkelingen (bijvoorbeeld warmtepompen die steeds beter en goedkoper zullen worden).
Het PON & Telos | Internetconsultatie Brabantse energie-regio’s
21
Tabel 15. Vraag 19: In hoeverre hebben onderstaande warmtebronnen jouw voorkeur? (N = 2.135 / %) (Volledig) mijn voorkeur
Neutraal
(Totaal) niet mijn voorkeur
Weet niet / geen mening
Warmte uit buitenlandse biomassa*
15
19
59
6
Warmte uit Nederlandse biomassa*
34
22
39
6
Warmte uit water
61
25
6
8
Warmte uit afval
65
19
11
5
Restwarmte uit de industrie
73
17
6
5
Warmte uit de aarde (geothermie) 60 22 11 *Biomassa is grondstof uit planten, bomen, plantaardig afval dat je als bron voor energie kan gebruiken
7
Tabel 16. Vraag 20: Waarschijnlijk kunnen we in de toekomst gebruik maken van 100% groene energie. Maar tot die tijd hebben we ook andere bronnen nodig. Kun je je hierin vinden voor komende 10 – 15 jaar? Eén antwoord mogelijk. (N = 2.132) % Ja
50
Nee
10
Weet niet / geen mening
40
Figuur 4. Vraag 20
40 50 10
Ja
Nee
Weet niet / geen mening
Alternatieve warmtebronnen
We hebben de respondenten verschillende warmtebronnen voorgelegd. Driekwart heeft (volledig) de voorkeur voor restwarmte uit industrie als warmtebron (73% heeft volledig of een beetje de voorkeur). Ook warmte uit afval (65%), warmte uit water (61%) en warmte uit de aarde (60%) scoren hoog. Respondenten hebben minder de voorkeur voor warmte uit buitenlandse biomassa, voor 59% heeft dit (totaal) niet de voorkeur. Ook warmte uit binnenlandse biomassa scoort niet heel hoog, voor 39% heeft dit (totaal) niet de voorkeur. In de concept-RES lezen we dat biomassa gezien wordt als een transitieoplossing, evenals warmte uit restafval. Deze warmtebronnen zijn nodig om in tussentijd te kunnen werken aan duurzame alternatieven voor warmte in het Amernet en andere warmtenetten in de regio. 19
19
RES West-Brabant Contourennotitie, Onze nieuwe energie in 2030, p. 19.
Het PON & Telos | Internetconsultatie Brabantse energie-regio’s
22
De helft van de respondenten kan zich in zijn algemeenheid vinden in het feit dat we, totdat we in de toekomst gebruik kunnen maken van 100% schone energie, gebruik maken van andere warmtebronnen. Een tiende kan zich hier niet in vinden en vier op de tien heeft geen mening.
Het PON & Telos | Internetconsultatie Brabantse energie-regio’s
23
7
Betrokken worden Een belangrijk onderdeel van de RES-processen is dat bewoners betrokken worden bij en meegenomen worden in de totstandkoming of uitvoering van de RES’en. Dit lezen we ook terug in de concept-RES van regio West-Brabant. Hierin staat dat de lokale overheden zelf de regie gaan voeren op de participatieprocessen: gemeenten betrekken omwonenden en stakeholders bij de uitwerking van de zoekgebieden voor windenergie en het afbakenen van de locatie(s) voor wind-, zon-, warmte en innovatieprojecten.20 In dit hoofdstuk presenteren we de resultaten met betrekking tot betrokkenheid en participatie. Wat vinden bewoners belangrijk, waarover willen zij geïnformeerd worden of waarbij willen zij betrokken worden? En welke manier zou dan de voorkeur hebben? Ook hebben we specifiek aandacht voor de financiële participatie van bewoners.
7.1
Procesparticipatie Tabel 17 Vraag 21: In hoeverre vind je de volgende aspecten belangrijk? (N = 2.118 / %) Heel Belangrijk belangrijk
Niet Weet niet belangrijk / Onbelangrijk / geen niet mening onbelangrijk
A. Inwoners kunnen meedenken bij windprojecten
39
44
11
4
3
B. Inwoners kunnen meedenken bij zonneprojecten
37
45
11
3
3
C. Inwoners kunnen investeren in windprojecten in mijn regio en er zo geld aan verdienen
17
38
25
15
4
D. Inwoners kunnen investeren in zonneprojecten in mijn regio en er zo geld aan verdienen
19
40
26
11
4
E. Inwoners kunnen mede-eigenaar worden van windprojecten in mijn regio (bijv. via een energiecoöperatie)
15
35
31
15
5
F. Inwoners kunnen mede-eigenaar worden van zonneprojecten in mijn regio (bijv. via een energiecoöperatie)
17
39
29
11
5
Betrokkenheid en participatie
Respondenten vinden het met name (heel) belangrijk dat zij kunnen meedenken bij windprojecten (83%) en bij zonneprojecten (82%). Verder vindt 59% het (heel) belangrijk dat bewoners kunnen investeren in zonneprojecten in de regio en 56% dat bewoners mede-eigenaar kunnen worden van zonneprojecten in de regio. Als het gaat om windprojecten zien we vergelijkbare cijfers: 55% van de respondenten vindt het (heel) belangrijk dat bewoners kunnen investeren in windprojecten in de regio. De helft van de respondenten vindt het (heel) belangrijk dat zij mede-eigenaar kunnen worden van windprojecten in de regio. De verschillen tussen leeftijds- en opleidingsgroepen zijn te vinden in bijlage B. We zien op dit thema met name verschillen tussen opleidingsgroepen. Over het algemeen lijken 20