2- BP Hoeven-Zuid Toelichting met markeringen (240924).pdf
Tekst van het document
De contour waarbinnen niet aan de gestelde normen (50 dB(A) en 45 dB(A) LAr,LT respectievelijk in de dag- en avondperiode en 65 dB(A) LAmax in de avondperiode) kan worden voldaan is weergegeven in afbeelding 4.1. Ten aanzien van de andere omliggende bedrijven wordt wel aan de normen uit het Activiteitenbesluit milieubeheer voldaan.
blad 30 van 70
Ruimte - Antea Nederland B.V.
vastgesteld bestemmingsplan Hoeven-Zuid Gemeente Halderberge Projectnummer 0482403.100
Afbeelding 4.5: Geluidcontouren waarbinnen niet aan de gestelde normen kan worden voldaan als gevolg van de tennis- en padelvereniging Wanneer geen geluidreducerende maatregelen worden getroffen, kan binnen de contouren als weergegeven in de afbeelding niet zonder meer gebouwd worden. In dit geval wordt een overdrachtsmaatregel geadviseerd om het geluid als gevolg van de tennis- en padelvereniging bij de geprojecteerde woningen zo veel mogelijk te reduceren. Om te voldoen aan de normen uit het Activiteitenbesluit milieubeheer, is een scherm van een dusdanige omvang benodigd dat dit niet realistisch wordt geacht. Een scherm met een beperktere omvang kan de overschrijding bij een aantal woningen voorkomen en de hinder zoveel mogelijk beperken. Daarnaast kan worden overwogen de padelbanen overdekt uit te voeren, waardoor er geen geluid meer van de tennis- en padelbanen bij de omliggende woningen komt. Bij de uiteindelijke invulling van het stedenbouwkundig plan kan zoveel mogelijk rekening worden gehouden met het geluid van de vereniging. Zo kunnen middels de plaatsing van de gebouwen en de toepassing van gevelmaatregelen (bijvoorbeeld schermen aan de gevels of ‘dove’ gevels) eventuele overschrijdingen worden voorkomen of beperkt.
Bij de invulling van een definitief stedenbouwkundig plan dient dan uit akoestisch onderzoek te blijken dat aan de gestelde geluidnormen (of de normen opgenomen in een maatwerkvoorschrift) wordt voldaan. Bij eventuele toekomstige uitbreidingen van de tennisvereniging zal rekening moeten worden gehouden met het bestemmingsplan van Hoeven Zuid. Ten behoeve van het tennis- en padelpark is een planregel opgenomen. Railverkeerlawaai Het plangebied is gelegen binnen de zone van de spoorwegverbinding Breda – Roosendaal. De geluidbelasting als gevolg van de spoorweg binnen het plangebied is onderzocht. De spoorweg is gelegen op ruim 500 m afstand. Er is binnen de grenzen van het plangebied geen sprake van een overschrijding van de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting als gevolg van het railverkeerlawaai. De geluidbelasting als gevolg van de spoorwegverbinding vormt geen belemmering voor de ontwikkeling en invulling van het plangebied. blad 31 van 70
Ruimte - Antea Nederland B.V.
vastgesteld bestemmingsplan Hoeven-Zuid Gemeente Halderberge Projectnummer 0482403.100
Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.4
Archeologie en cultuurhistorie Kader De Erfgoedwet is per 1 juli 2016 ingegaan. Deze wet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Bovendien is aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. In een plantoelichting dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. In de monumentale objecten en het landschap van Halderberge is nog veel terug te vinden van de geschiedenis en de ontwikkeling van de streek. In de beleidsnota Archeologie Halderberge worden de volgende uitgangspunten gehanteerd: Archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem bewaren en alleen opgraven als behoud in de bodem (in situ) niet mogelijk is; De relatie tussen archeologie en ruimtelijke ordening versterken zodat behoud en beheer van het bodemarchief onderdeel worden van het planologische besluitvormingsproces; Bodemverstoorders betalen archeologisch onderzoek en mogelijke opgravingen; Verbetering informatievoorziening over archeologisch erfgoed om het draagvlak voor archeologie te vergroten.
In de beleidsnota Cultureel Erfgoed Halderberge wordt de huidige stand van zaken met betrekking tot monumentenzorg besproken en worden voorstellen gedaan om te komen tot een adequaat, integraal en actief gemeentelijk beleid op het gebied van monumentenzorg. De inzet van de gemeentelijke monumentenzorg voor de komende jaren is met name gericht op de volgende activiteiten: Zorg voor het erfgoed: de gemeente is nog meer verantwoordelijk voor haar eigen erfgoed; Kennis van cultuurhistorische waarden - de erfgoedvoorraad; kennis van het eigen erfgoed is van essentieel belang; Halderberge in beweging – erfgoed en ruimtelijke ontwikkelingen: bij het ontwikkelen van nieuwe ruimtelijke plannen dient cultuurhistorie een volwaardige plaats én inbreng te krijgen; Ontwikkelen cultuurtoerisme: Halderberge heeft veel potentie op het gebied van toerisme en recreatie; Draagvlakverbreding cultuurhistorie: de ontsluiting van het Halderbergs erfgoed: een grotere betrokkenheid van monumenteigenaren en publiek is essentieel voor een vitaal cultuurhistorisch beleid. Toetsing Archeologie Het is verplicht om in het proces van ruimtelijke ordening tijdig rekening te houden met de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden. Op die manier komt er ruimte voor overweging van archeologievriendelijke alternatieven.
Bij ingrepen waarbij de ondergrond ernstig wordt geroerd, moet worden aangetoond dat de eventueel aanwezige archeologische waarden niet worden aangetast.
blad 32 van 70
Ruimte - Antea Nederland B.V.
vastgesteld bestemmingsplan Hoeven-Zuid Gemeente Halderberge Projectnummer 0482403.100
Door Antea Group is in 2023 een bureauonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is als Bijlage 8 bij dit bestemmingsplan bijgevoegd. Hieronder worden de resultaten kort toegelicht. Het plangebied ligt in een gebied waar zandige terraswelvingen liggen. Deze gebieden lagen hoger in de omgeving en werden aan het begin van het Holoceen interessant om landbouw op uit te oefenen. Toen kon er namelijk vegetatie groeien en kon de bodem in dit gebied zich ontwikkelen tot hoge zwarte enkeerdgronden en laarpodzolgronden, die niet te nat waren en niet te droog. Verder ligt het plangebied naast een veengebied waar mogelijk kreken doorheen hebben gelopen, wat het gebied ook interessant maakte om te wonen. In de omgeving van het plangebied zijn diverse onderzoeken gedaan. Hieruit bleek dat vooral resten uit de Middeleeuwen en Nieuwe Tijd zijn gevonden. Verder zijn er ook een paar waarnemingen gedaan voor vondsten uit het Mesolithicum. De verwachting van archeologie uit het laat-paleolithicum is echter wel laag. Door de continue bemesting kan het namelijk zijn dat resten uit het laat-Paleolithicum gemaskeerd zijn. Gezien de landschappelijke situatie is het plangebied voor de andere perioden (neolithicum – Nieuwe Tijd) middelhoog tot hoog. Dit ook omdat er maar weinig bebouwing in het plangebied aanwezig is. Archeologie kan daardoor goed bewaard zijn gebleven.
De archeologische verwachtingskaart van de gemeente Halderberge toont aan dat het plangebied in een gebied ligt met een middelhoge tot hoge archeologische verwachtingswaarde. Voor de periode van jager-verzamelaars geldt een lage archeologische verwachting: het paleoreliëf ligt grotendeels gemaskeerd onder de enkeerdgronden. Voor alle enkeerdgronden met de grondwatertrappen VI of VII, zijnde laarpodzolgronden en hoge zwarte enkeerdgronden, geldt een hoge archeologische verwachting. Voor de periode van landbouw geldt een hoge en middelhoge verwachting. In het noordoostelijke punt geldt geen verwachting in verband met moderne bebouwing en wegen. Verder ligt het plangebied in een zone met een archeologische dubbelbestemming, met uitzondering van de noordoostelijke hoek van het plangebied. Hier is geen dubbelbestemming aanwezig. Voor de rest van het plangebied geldt een archeologische dubbelbestemming met vrijstellingsgrenzen 500 m² en 0,4 m-mv. Op basis van de bodemopbouw, bekende onderzoeken, de archeologische verwachtingskaarten en het vigerend beleid wordt er verwacht dat in het plangebied archeologische resten gevonden kunnen worden. Gezien de middelhoge tot hoge archeologische verwachting en de (lage) mate van moderne verstoringen in het plangebied is voor het hele plangebied een verkennend booronderzoek benodigd.
De archeologische dubbelbestemming blijft in het plangebied behouden. Cultuurhistorie De provincie ziet het Brabantse erfgoed als belangrijk onderdeel van haar identiteit en wil het een plaats geven in de verdere ontwikkeling van Brabant. Daarom heeft ze haar ruimtelijk erfgoed opgenomen op de Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW). Op de volgende afbeelding is een uitsnede van de CHW van de provincie weergegeven.
blad 33 van 70
Ruimte - Antea Nederland B.V.
vastgesteld bestemmingsplan Hoeven-Zuid Gemeente Halderberge Projectnummer 0482403.100
Afbeelding 4.2: Uitsnede cultuurhistorische waardenkaart Brabant In het plangebied bevinden zich geen cultuurhistorische waarden en komen geen rijksmonumenten en gemeentelijke monumenten voor. Beschermende maatregelen zijn niet noodzakelijk. Conclusie De dubbelbestemming uit het vigerende bestemmingsplan blijft in het plangebied behouden. Er dient verkennend booronderzoek uitgevoerd te worden om de mate van intactheid van de bodemopbouw en eventueel aanwezige archeologische lagen te bepalen. Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.5
Bedrijven en milieuzonering Kader Indien door middel van een plan nieuwe, gevoelige functies of milieuhinderveroorzakende functies mogelijk worden gemaakt, moet worden aangetoond dat een goed leefmilieu binnen en buiten het plangebied mogelijk is. Daarnaast mogen omliggende bedrijven ook niet in hun mogelijkheden worden aangetast door de realisatie van nieuwe gevoelige functies. De VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' (2009) (hierna: VNG-brochure) geeft handreikingen voor een verantwoorde inpassing van bedrijvigheid in haar fysieke omgeving en voor de inpassing van gevoelige bestemmingen nabij bedrijven. In de VNG-brochure worden per bedrijfssoort en per milieuaspect indicatieve afstanden gegeven (hierna: VNG-afstanden) tot gevoelige objecten. Deze milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen en dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van milieubelastende activiteiten gesitueerd worden. Indien aan de VNG-afstand wordt voldaan,
blad 34 van 70
Ruimte - Antea Nederland B.V.
vastgesteld bestemmingsplan Hoeven-Zuid Gemeente Halderberge Projectnummer 0482403.100
kan gesteld worden dat hinder niet te verwachten is. Richtafstanden en omgevingstypen In de VNG-publicatie is een richtafstandenlijst opgenomen. Deze richtafstandenlijst geeft voor een scala aan typen van bedrijvigheid de richtafstanden tot gevoelige bestemmingen. Daarbij worden indicatieve richtafstanden gegeven voor de milieuaspecten geluid, stof, geur en veiligheid. Het aspect geluid heeft hierbij de maatgevende (grootste) afstand. De richtafstand geldt tussen enerzijds de grens van de bestemming die bedrijven (of andere milieubelastende functies) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een nieuwe gevoelige functie. In de VNG-publicatie zijn richtafstanden voor de omgevings- en gebiedstypen 'rustige woonwijk/rustig buitengebied' en 'gemengd gebied' opgenomen. Een ‘rustige woonwijk/rustig buitengebied’ kan aangemerkt worden als een gebied zonder functiemenging en een minimale invloed van wegverkeer. Indien de aard van de omgeving dit rechtvaardigt, kan (gemotiveerd) worden uitgegaan van gemengd gebied. Dit zijn gebieden waar bewust verschillende functies (wonen en bedrijvigheid) met elkaar worden gemengd, zoals (winkel)centra. Voor deze gebieden wordt een hogere milieubelasting aanvaardbaar geacht. Hierbij is vanwege de aanwezige functiemenging of ligging nabij drukke wegen al sprake van een hogere milieubelasting.
In gemengd gebied kunnen de richtafstanden met één afstandsstap worden verlaagd, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat. Toetsing Het plangebied en haar omgeving maakt gezien de aanwezige functies deel uit van een 'rustige woonwijk'. Hinderveroorzakende functies in het plangebied Binnen het plangebied worden geen functies gerealiseerd die milieuhinder veroorzaken. De woningen kunnen worden aangemerkt als milieuhindergevoelig. In overleg met de bewoners van de Bovenstraat 88 is besloten de planologische situatie aan te passen. De eigenaar wil de agrarische woning laten omzetten naar een burgerwoning, hetgeen overeenkomt met het huidige gebruik. Daarmee vervallen ook de milieucirkels van het agrarisch bedrijf dat planologisch gezien mogelijk was op de locatie. Hinderveroorzakende functies in de omgeving van het plangebied Onderzocht moet worden of de functies in het plangebied hinder ondervinden van hinderveroorzakende functies in de omgeving van het plangebied. De volgende functies in de omgeving van het plangebied kunnen eventuele hinder veroorzaken of in hun bedrijfsvoering beperkt worden. 1. Recreatiepark Molecaten, Oude Antwerpsepostbaan 81b; 2. Villapark Panjevaart, Haspelstraat 30; 3. Bedrijf met ijsbanenmateriaal, Bovenstraat 61/61a; 4. Woonwinkel/tuindecoratie, Bovenstraat 63; 5. Huisvesting De Olmen, Bovenstraat 98; 6.
Sportpark Achter 't Hof, 't Groot Stuk 1-3; 7. Tennis- en padelbanen, 't Groot Stuk 9. De volgende tabel laat zien hoe de functies kunnen worden gecategoriseerd op basis van de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering'. De tabel geeft de minimaal aanbevolen richtafstanden (in meters) aan voor deze functies voor een rustige woonwijk en toont de blad 35 van 70
Ruimte - Antea Nederland B.V.
vastgesteld bestemmingsplan Hoeven-Zuid Gemeente Halderberge Projectnummer 0482403.100
minimale afstand tot milieugevoelige functies in het plangebied. Functie
Geur Stof Geluid Gevaa Grootste Minimale afstand r afstand tot milieugevoelige functies in het plangebied
1. Kampeerterreinen, vakantiecentra, e.d. (met keuken)
30
0
50
30
50
20
2. Kampeerterreinen, vakantiecentra, e.d. (met keuken)
30
0
50
30
50
130
3. Bedrijf milieucategorie 3.1
30
10
50
10
50
80
4. Tuincentrum
0
0
30
10
30
30
5. Pension met keuken
30
0
50
0
50
10
6. Veldsportcomplex (met verlichting)
0
0
50
0
50
100
7. Veldsportcomplex (met verlichting)
0
0
50
0
50
20
De afstand tussen het plangebied en de hinderveroorzakende functies is voldoende groot voor Villapark Panjevaart, het tuincentrum, het bedrijf met ijsbaanmateriaal en sportpark Achter 't Hof. De afstand tussen het plangebied en de hinderveroorzakende functies is niet voldoende groot voor recreatiepark Molencaten, pension en de tennis- en padelbanen. In de huidige situatie zijn reeds bestaande woningen aanwezig binnen de richtafstanden van 50 meter tot het pension en het kampeerterrein, zie afbeelding 4.3. De afstand tot deze woningen is daarom maatgevend voor de functies die hinder veroorzaken of in hun bedrijfsvoering kunnen worden beperkt. De afstand van milieugevoelige functies in het plangebied tot de functies die hinder veroorzaken of in hun bedrijfsvoering worden beperkt, is voldoende groot.
blad 36 van 70
Ruimte - Antea Nederland B.V.
vastgesteld bestemmingsplan Hoeven-Zuid Gemeente Halderberge Projectnummer 0482403.100
Afbeelding 4.3: Bestaande woningen (geel) binnen richtafstand pension (oranje) en kampeerterrein (groen) Voor het veldsportcomplex aan 't Groot Stuk 9 (tennis- padelclub) geldt een indicatieve richtafstand van 50 meter voor geluid. Voor het veldsportcomplex is op de verbeelding bij dit bestemmingsplan een milieucontour opgenomen. In deze zone mag alleen bebouwing worden gerealiseerd, mits aangetoond is dat de sportvelden geen belemmering vormen voor de milieugevoelige functies of technische voorzieningen worden getroffen (aan de bron, overdrachtsgebied of ontvanger) dat de milieubelasting van de belendene sportvelden voldoende is afgenomen en het veldsportcomplex niet in de bedrijfsvoering worden beperkt door de realisatie van milieugevoelige functies. Glastuinbedrijf, Bovenstraat 90 De gronden aan de Bovenstraat 90 zijn bestemd voor een glastuinbouwbedrijf. Dit bedrijf is in de huidige situatie niet aanwezig, maar wel planologisch mogelijk. Een eventueel nieuw glastuinbedrijf kan door middel van de situering van gebouwen en voorzieningen voldoende rekening houden met milieugevoelige functies. Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
blad 37 van 70
Ruimte - Antea Nederland B.V.
vastgesteld bestemmingsplan Hoeven-Zuid Gemeente Halderberge Projectnummer 0482403.100
4.6
Geur Kader De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt vanaf 1 januari 2007 het toetsingskader als het gaat om geurhinder vanwege veehouderijen. De wet geeft onder andere normen voor de voor- en achtergrondbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object (bijvoorbeeld een woning). Het is van belang dat ter plaatse van het plangebied een goed woonen leefmilieu kan worden gegarandeerd en dat een partij niet onevenredig in haar belangen wordt geschaad. Toetsing Deze ontwikkeling voorziet in de realisatie van nieuwe geurgevoelige functies. In de directe omgeving van het plangebied zijn geen veehouderijbedrijven gesitueerd. Om aan te tonen dat er in het plangebied sprake is van een goed woon- en leefklimaat is gekeken naar de provinciale kaart behorende bij achtergrondbelasting geur opgesteld door de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant. Afbeelding 4.4 geeft een uitsnede van deze kaart weer.
Afbeelding 4.4: Uitsnede kaart achtergrondbelasting geur In het plangebied is sprake van een achtergrondbelasting van <1,5 ouE/m³. Hiermee is sprake van een zeer goed woon- en leefklimaat. Tussen de nabijgelegen veehouderijen en het blad 38 van 70
Ruimte - Antea Nederland B.V.
vastgesteld bestemmingsplan Hoeven-Zuid Gemeente Halderberge Projectnummer 0482403.100
plangebied zijn reeds bestaande woningen aanwezig. De veehouderijen worden al door deze bestaande woningen belemmerd. Dit betekent dat bedrijven mogelijk niet kunnen uitbreiden met aantallen dieren als deze uitbreiding een vergroting van de geurcontouren met zich meebrengt. De bestaande en vergunde bedrijfsactiviteiten blijven mogelijk. Conclusie Het aspect geur vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.7
Luchtkwaliteit Kader Op 15 november 2007 is de Wet Luchtkwaliteit in werking getreden. De luchtkwaliteitseisen zijn opgenomen in hoofdstuk 5 titel 2 van de Wet milieubeheer (Wm). In artikel 5.16 Wm staat een limitatieve opsomming van de bevoegdheden waarbij luchtkwaliteitseisen een directe rol spelen. Het gaat om ruimtelijke besluiten en milieuvergunningen die direct gevolgen voor de luchtkwaliteit hebben en daardoor kunnen bijdragen aan overschrijding van een grenswaarde. Een vaststelling van een bestemmingsplan betreft de uitvoering van een bevoegdheid als bedoeld in artikel 5.16 van de Wm. Vaststelling van een bestemmingsplan is mogelijk als: De concentratie stoffen in de lucht door de voorgenomen ontwikkeling verbetert of gelijk blijft; Bij beperkte toename van de concentratie, door een met de activiteit samenhangende maatregel of optredend effect, de luchtkwaliteit per saldo verbeterd; De toename, niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt. Dit is het geval als een project of activiteit maximaal 3% van de jaargemiddelde grenswaarde bijdraagt aan de concentraties PM10 of NO2 (max 1,2 µg/m³). Toetsing Projecten die 'niet in betekenende mate' bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit hoeven volgens de Wet luchtkwaliteit niet afzonderlijk te worden getoetst op de grenswaarde, tenzij een dreigende overschrijding van één of meerdere grenswaarden te verwachten is.
De grens van niet in betekenende mate ligt volgens de gelijknamige AMvB bij 3% van de grenswaarde van een stof. Hiervan is volgens de ministeriële regeling van niet in betekenende mate sprake bij de realisatie van minder dan 1500 woningen op één ontsluitingsweg of minder dan 3000 woningen op twee ontsluitingswegen. Dit bestemmingsplan maakt de realisatie van 384 woningen juridisch-planologisch mogelijk. De ontwikkeling is kleiner dan 1500 woningen. De ontwikkeling zal dan ook niet in betekenende mate bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Dit blijkt ook uit de NIBM-tool, zie onderstaande afbeelding.
blad 39 van 70
Ruimte - Antea Nederland B.V.
vastgesteld bestemmingsplan Hoeven-Zuid Gemeente Halderberge Projectnummer 0482403.100
Afbeelding 4.5: NIBM-tool In het kader van een goede ruimtelijke ordening is aan de hand van de Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit-monitoringstool een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied bekeken. Hierbij vormen fijnstof en stikstofdioxide de belangrijkste verontreinigende stoffen. Uit de monitoringstool blijkt dat de concentraties NO2, PM10 en PM2,5 onder de grenswaarden liggen. Ook het aantal overschrijdingsdagen van PM10 ligt onder het maximaal aantal toegestane overschrijdingsdagen. Nader onderzoek is daarom niet benodigd. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.8
Externe veiligheid Kader Externe veiligheid heeft betrekking op de risico's die mensen lopen ten gevolge van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven en transportverbindingen (wegen, spoorwegen en waterwegen) en buisleidingen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico's vastgelegd in diverse besluiten en regelingen. De belangrijkste zijn: Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. De risico's dienen te worden beoordeeld op het plaatsgebonden en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risicobeleid bestaat uit harde afstandseisen tussen risicobron en (beperkt) kwetsbaar object. Het groepsrisico is een maat die aangeeft hoe groot de kans is op een ongeval met gevaarlijke stoffen met een bepaalde groep slachtoffers. Hoe hoger het groepsrisico, hoe groter deze kans. Het plaatsgebonden risico wordt weergegeven in de vorm
blad 40 van 70
Ruimte - Antea Nederland B.V.
vastgesteld bestemmingsplan Hoeven-Zuid Gemeente Halderberge Projectnummer 0482403.100
van contouren rondom een risicobron. Toetsing Door Antea Group is een quickscan externe veiligheid uitgevoerd. De onderzoeksmemo is als Bijlage 9 opgenomen. Hierna wordt ingegaan op de conclusies van het onderzoek. In de omgeving van het plangebied bevinden zich verschillende risicobronnen. De volgende risicobronnen zijn relevant in relatie tot het plangebied: Provinciale weg N640; Rijksweg A58; Spoorlijn Breda – Roosendaal; Propaantank. Provinciale weg N640 De weg bevindt zich ten oosten van het plangebied op circa 10 meter. Het plangebied bevindt zich binnen het invloedsgebied van deze risicobron. Het groepsrisico dient inzichtelijk te worden gemaakt en te worden verantwoord. Daarnaast dient volgens de Regeling basisnet het plaatsgebonden risico inzichtelijk te worden gemaakt indien het traject geen onderdeel uitmaakt van het basisnet. Plaatsgebonden risico In de bijlage van de HART staan vuistregels beschreven om het plaatsgebonden risico voor een binnen buiten de bebouwde kom te bepalen. In deze vuistregels staat vastgesteld dat een weg binnen de buiten kom geen PR 10-6 -contour heeft. Daarmee wordt conform het Bevt voldaan aan de norm- en richtwaarden ten aanzien van het plaatsgebonden risico. Groepsrisico Het plangebied is binnen de 200 meter zone van de N640 gelegen. Het groepsrisico dient derhalve conform het Bevt inzichtelijk te worden gemaakt.
Gezien de weg geen onderdeel uitmaken van het basisnet dient de meest recente telling te worden gebruikt om het groepsrisico inzichtelijk te maken. Volgens een inventarisatie van de OMWB uit 2018 gaat het ter hoogte van het plangebied om 36 transporten van brandbare gassen (stofgroep GT3) per jaar. In de bijlage van de HART staan vuistregels beschreven om een indicatie van de hoogte van het groepsrisico te geven en wanneer er sprake zal zijn van een groepsrisico hoger dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde. In dit geval wordt worst case uitgegaan van dat de omgeving een personendichtheid heeft van 100 personen per hectare, dan zijn er meer dan circa 2900 GF3 tra voor een overschrijding van de oriëntatiewaarde. Deze gemiddelde worst-case personendichtheid zal door de voorgenomen ontwikkeling niet stijgen. Volgens de HART dient dan het aantal GF3 transporten (bij worst-case bebouwingsafstand van 10 meter) hoger te zijn dan 290 transporten per jaar, om te resulteren in een groepsrisico lager dan 10% van de oriëntatiewaarde. Op basis van de gegevens van de OMWB kan worden vastgesteld dat het aantal GF3 transporten lager is dan de gestelde aantallen in de HART. Dit zal op basis van de geplande ontwikkeling niet veranderen. De bestemmingsplanwijziging zal dus niet resulteren in een groepsrisico hoger dan 10% van de oriëntatiewaarde en het groepsrisico zal niet significant stijgen.
Omdat het plangebied binnen het invloedsgebied van de weg is gelegen, is een beperkte verantwoording van het groepsrisico (beschouwen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid) conform het Bevt verplicht. Rijksweg A58
blad 41 van 70
Ruimte - Antea Nederland B.V.
vastgesteld bestemmingsplan Hoeven-Zuid Gemeente Halderberge Projectnummer 0482403.100
De Rijksweg bevindt zich ten zuiden van het plangebied op circa 1,1 kilometer afstand. De transportroute maakt onderdeel uit van het basisnet. Het invloedsgebied van de Rijksweg bedraagt 4000 meter (stofcategorie GT4). Het plangebied ligt dus binnen het invloedsgebied van de Rijksweg. De weg heeft een 10-6/jaar plaatsgebonden risicocontour van 0 meter ter hoogte van het plangebied. Het plangebied ligt ruim buiten de 10-6/jaar-contour. Het plangebied ligt buiten de 200 meter zone van de Rijksweg, het groepsrisico hoeft niet te worden berekend. Een verantwoording van het groepsrisico is conform artikel 7 van het Bevt verplicht. In de Regeling basisnet is voor deze Rijksweg aangegeven dat een plasbrandaandachtsgebied (PAG) van 30 meter geldt. Het plangebied ligt ruim buiten het PAG. Er gelden daarmee geen aanvullende eisen conform het Bouwbesluit. Spoorlijn Breda - Roosendaal Het spoor bevindt zich ten zuiden van het plangebied op circa 530 meter afstand. De transportroute maakt onderdeel uit van het basisnet. Het invloedsgebied van het spoor bedraagt 4000 meter (stofcategorie D4). Het plangebied ligt dus binnen het invloedsgebied van het spoor. Het spoor heeft een 10-6/jaar plaatsgebonden risicocontour van 0 meter ter hoogte van het plangebied. Het plangebied ligt ruim buiten de 10-6/jaar-contour.
Het plangebied ligt buiten de 200 meter zone van het spoor; het groepsrisico hoeft niet te worden berekend. Een verantwoording van het groepsrisico is conform artikel 7 van het Bevt verplicht. In de Regeling basisnet is voor dit spoor aangegeven dat er geen plasbrandaandachtsgebied (PAG) geldt. Er gelden daarmee geen aanvullende eisen conform het Bouwbesluit. Propaantank Ten noordwesten van het plangebied bevindt zich een bovengrondse propaantank. De ligging van deze propaantank is op de Signaleringskaart foutief aangegeven. De juiste ligging van de propaantank en de corresponderende risicocontouren is weergegeven in afbeelding 4.6.
Afbeelding 4.6: Ligging van de propaantank ten opzichte van het plangebied (rood)
blad 42 van 70
Ruimte - Antea Nederland B.V.
vastgesteld bestemmingsplan Hoeven-Zuid Gemeente Halderberge Projectnummer 0482403.100
De PR 10-6-contour van de propaantank blijft binnen de inrichtingsgrens en overlapt niet met het plangebied. Er wordt daarmee voldaan aan de norm- en richtwaarden ten aanzien van het plaatsgebonden risico. Wanneer de Omgevingswet ingaat, op 1 januari 2024, ligt een deel van het plangebied binnen het explosieaandachtsgebied. Als binnen het explosieaandachtsgebied zeer kwetsbare functies mogelijk worden gemaakt is de gemeente verplicht om een voorschriftengebied aan te wijzen. De omgevingsdienst adviseert de realisatie van zeer kwetsbare gebouwen en de (beperkt) kwetsbare gebouwen en locaties binnen dit explosieaandachtsgebied geheel te vermijden en ook niet mogelijk te maken. In het stedenbouwkundig plan zijn binnen het explosieaandachtsgebied geen woningen in het ontwerp opgenomen. Verantwoording groepsrisico Een (beperkte) verantwoording van het groepsrisico is verplicht ten aanzien van de N640, spoorlijn Breda – Roosendaal en de Rijksweg A58. In deze paragraaf wordt daarom aan de hand van diverse kwalitatieve aspecten nadere duiding gegeven aan het risiconiveau en de optimalisatie van de veiligheidssituatie aan de hand van mogelijke maatregelen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de standaard verantwoording en het standaard advies. Deze zijn als Bijlage 10 en Bijlage 11 en toegevoegd aan het bestemmingsplan.
De volgende indeling is gehanteerd: scenario's; bronmaatregelen; zelfredzaamheid; bestrijdbaarheid. Algemene beschouwing veiligheidssituatie Scenario's Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van drie transportroutes gevaarlijke stoffen (weg en spoor). Bij deze risicobronnen kan een plasbrand, een BLEVE (Boiling Liquid Expanding Vapour Explosion) of een toxisch scenario optreden. De gevolgen van deze scenario's zijn verschillend. Gezien de afstand tot het plangebied zijn enkel het BLEVE-scenario en het toxisch scenario relevant. Daarnaast ligt een deel van het plangebied binnen het invloedsgebied van een bovengrondse propaantank, hier kan een explosiescenario plaatsvinden. Explosie-scenario Een koude BLEVE ontstaat wanneer de tankwagen met brandbaar gas bezwijkt waardoor er plotseling gas kan ontsnappen, dat na ontsteking ontploft. Een warme BLEVE ontstaat door een (plas)brand in de nabijheid van een tankwagen met bijvoorbeeld LPG. Door de hitte van de brand loopt de druk in een tankwagen hoog op, terwijl de sterkte van de metalen wand afneemt. Hierdoor kan de wand het begeven en de tank ontploffen. Dit scenario is relevant met betrekking tot de N640. Daarnaast kan zich een explosie voordoen bij de bovengrondse propaantank, deze ontstaat als bij instantaan falen van de tank. Hierbij kan het gas ontsteken en tot ontploffing komen.
Toxisch scenario Een toxisch scenario ontstaat wanneer een tank (weg- of spoorvervoer) lek raakt en toxische blad 43 van 70
Ruimte - Antea Nederland B.V.
vastgesteld bestemmingsplan Hoeven-Zuid Gemeente Halderberge Projectnummer 0482403.100
stoffen ontsnappen. Toxische vloeistoffen kunnen verdampen waardoor een gaswolk ontstaat die over de omgeving uit kan waaien. Bij een deel van de aanwezige personen zal letaal letsel optreden door blootstelling aan de gaswolk. Bij de toxische scenario's zit er enige tijd tussen het ontstaan van het ongeval en het optreden van letsel bij aanwezigen. Daarbij is ook de duur van de blootstelling van invloed op de ernst van het letsel. De omvang, verplaatsingsrichting en verstrooiing van de gaswolk is mede afhankelijk van de weersgesteldheid op dat moment. Dit scenario is relevant met betrekking tot zowel de N640, de Rijksweg A58 en de spoorlijn Breda - Roosendaal. Hoogte van het groepsrisico Het groepsrisico van de provinciale weg ligt ruim onder de oriëntatiewaarde. Geconcludeerd is dat het groepsrisico van de N640 niet significant zal toenemen ten gevolge van de voorgenomen ontwikkelingen binnen het plangebied. Bronmaatregelen De meest effectieve veiligheidsmaatregelen zijn maatregelen aan de risicobron zelf. In het kader van het Basisnet zijn diverse veiligheidsmaatregelen aan de Rijksweg en het spoor getroffen. De gemeente is niet bevoegd om aanvullende bronmaatregelen te eisen (voor zover dit technisch gezien al mogelijk is).
Zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is de mate waarin personen in staat zijn zichzelf (zonder hulp van buitenaf) in geval van een calamiteit in veiligheid te brengen. Het gewenste handelingsperspectief in geval van een calamiteit (schuilen en/of vluchten) is afhankelijk van het scenario. Gerichte risicocommunicatie met bewoners (bijvoorbeeld via NL-Alert) kan ertoe bijdragen dat alarmering sneller verloopt. Hierbij dient aan te worden gegeven wat het gewenste handelingsperspectief is (schuilen of vluchten) en op welke manier hieraan invulling kan worden gegeven. Op de website van Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant staan onder 'Gevaarlijke stoffen' (link) instructies over wat te doen bij een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het is aanbevelingswaardig om toekomstige bewoners van de te realiseren woningen te voorzien van instructies die betrekking hebben op het handelingsperspectief bij een incident met gevaarlijke stoffen. Deze maatregel kan door de gemeente (en eventuele samenwerking met de Veiligheidsregio) worden uitgewerkt. Mogelijkheden van zelfredzaamheid bij een (dreigende) explosie In het geval van een 'koude' BLEVE is er geen tijd om te vluchten en zullen alle personen (die zich onbeschermd buiten bevinden) in de directe omgeving slachtoffer worden. Buiten de 150 meter is schuilen in een gebouw of woning in beginsel de beste manier om de calamiteit te overleven.
Echter, een koude BLEVE kan plaatsvinden zonder enige aankondiging vooraf. De omgeving zal dus verrast worden door het incident en zelfredzaamheid is niet aan de orde. Hetzelfde geldt voor de bovengrondse propaantank, bij instantaan falen van de tank is zelfredzaamheid niet aan de orde. Bij een warme BLEVE is er in principe tijd om te vluchten tot buiten het invloedsgebied van de weg en daar te schuilen (er is eerst brand en daarna volgt pas een explosie). Mogelijkheden van zelfredzaamheid bij een toxisch scenario blad 44 van 70
Ruimte - Antea Nederland B.V.
vastgesteld bestemmingsplan Hoeven-Zuid Gemeente Halderberge Projectnummer 0482403.100
Bij een calamiteit waarbij toxische gassen vrijkomen is zo snel mogelijk schuilen in een gebouw het voorkeurscenario. Bij een calamiteit met toxische gassen zit er enige tijd tussen het ontstaan van het ongeval en het optreden van letsel bij aanwezigen. Daarbij is ook de duur van de blootstelling van invloed op de ernst van het letsel. Snel reageren, naar binnen vluchten en ramen en deuren sluiten is bij dit scenario dus van belang. In geval van een calamiteit met toxische stoffen op de weg is het van belang dat de bebouwing bescherming biedt. Van belang daarbij is dat - in dat geval - de (eventueel aanwezige) mechanische ventilatie centraal afgesloten kan worden (via een noodschakelaar). Dit voorkomt dat bij het optreden van een incident de ramen en deuren gesloten zijn, maar toch toxische stoffen via de ventilatie (versneld) tot het gebouw toetreden. Het is een goedkope maatregel die bij een calamiteit met giftige stoffen zeer effectief kan zijn. Onder de Omgevingswet dient een mechanisch ventilatiesysteem standaard te beschikken over een voorziening waarmee het systeem handmatig kan worden uitgeschakeld (artikel 4.124 Besluit bouwwerken leefomgeving). Interne vluchtwegen afstemmen op externe veiligheid Een calamiteit met gevaarlijke stoffen bij één van de risicobronnen zal vrijwel direct worden opgemerkt door de directe omgeving.
Personen in de omgeving zijn daarbij direct gealarmeerd. Vervolgens dienen de vluchtwegen in de te realiseren woonwijk zodanig gesitueerd te zijn dat het mogelijk is aan de risicoluwe zijde te ontvluchten. Bij een dreigende BLEVE op de N670 is dat richting het westen. Bij een dreigende explosie van de propaantank is dat richting het oosten. Externe vluchtwegen In sommige gevallen kan vluchten eveneens nodig zijn, in geval van een dreigende BLEVE of eventueel als reactie op secundaire branden. Er wordt geadviseerd dat de toekomstige infrastructuur binnen het plangebied voldoende mogelijkheden biedt om de omgeving meerzijdig (naar de risicoluwe zijde) te ontvluchten. Beperkt zelfredzame groepen Binnen het plangebied wordt niet specifiek een functie mogelijk gemaakt voor beperkt zelfredzame groepen. Er wordt aangeraden geen beperkt zelfredzame groepen dichtbij de risicobronnen te plaatsen. Verder wordt er aangeraden dat grotere gebouwen beschikken over een 'zelfredzaamheidplan' en bewoners van de te realiseren woningen voorzien van instructies die betrekking hebben op het handelingsperspectief bij een incident met gevaarlijke stoffen.
Bestrijdbaarheid Bij bestrijdbaarheid dient rekening gehouden te worden met de volgende aandachtspunten bij de twee scenario's: Explosie scenario Belangrijk voor een ongeval met brandbare gassen (in combinatie met brandbare vloeistoffen) is dat de brandweer zo snel mogelijk ter plaatse van de calamiteit is, zodat de gevolgen van de 'warme' BLEVE bestreden kunnen worden. Tussen de calamiteit en de expansie zit, een korte periode, waarbinnen de brandweer de tijd heeft om de wagon te koelen en de druk weggenomen kan worden. De brandweer heeft hier voor langere periode voldoende bluswatercapaciteit voor nodig (primaire, secundaire en eventueel tertiaire blad 45 van 70
Ruimte - Antea Nederland B.V.
vastgesteld bestemmingsplan Hoeven-Zuid Gemeente Halderberge Projectnummer 0482403.100
bluswatervoorziening). De directe effecten van een 'koude' BLEVE zijn niet te bestrijden, omdat bij een calamiteit met enkel brandbare gassen de tankwagen meteen expandeert, maar secundaire branden dienen wel bestreden te worden. Bij de propaantank geldt hetzelfde als bij een koude BLEVE, enkel secundaire branden kunnen worden bestreden. Toxisch scenario Bij een ongeval met toxische gassen en vloeistoffen kan de brandweer, afhankelijk van de stofintensiteit en het groeiscenario, optreden door de gaswolk neer te slaan of te verdunnen/op te nemen met water. De Veiligheidsregio heeft aparte protocollen voor het bestrijden van incidenten met gevaarlijke stoffen op de weg. Bereikbaarheid De brandweer heeft een kazerne in Hoeven aan de Bovendonksestraat 60. Vanaf deze kazerne wordt de zorgnorm voor opkomsttijd behaald. De locatie is goed bereikbaar en indien de toekomstige infrastructuur binnen het plangebied voldoende mogelijkheden biedt kan de brandweer kan de N640 op meerdere plaatsen oversteken in geval van een incident. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.9
Gezondheid Kader Bij elke ruimtelijke ontwikkeling dienen risico's voor de volksgezondheid onderzocht te worden. Beoordeeld dient te worden of een nader advies van de GGD noodzakelijk is bij een ruimtelijke ontwikkeling. Het uitgangspunt in de ruimtelijke ordening is dat sprake moet zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Toetsing Het aspect gezondheid is getoetst aan het stappenplan uit de Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0. Er is geen sprake van belemmerende endotoxinencontouren. Zowel agrarische bedrijven met endotoxinencontouren als veehouderijen zijn in de toekomstige situatie op voldoende afstand gelegen. In paragraaf 4.6 is getoetst op geur en veehouderijen. Er is sprake van een achtergrondbelasting van <1,5 ouE/m³. Het zuidwestelijk deel van het plangebied is in de Omgevingsverordening Noord-Brabant aangewezen als grondwaterbeschermingsgebied. In dit gebied zijn chemische gewasbeschermingsmiddelen niet toegestaan. In het deel van het plangebied dat als 'Agrarisch' wordt bestemd is het gebruik van chemische gewasbeschermingsmiddelen op een afstand van minder dan 50 m tot aan het bestemmingsvlak 'Wonen' of 'Woongebied' ook niet toegestaan. Er zijn daarom geen belemmeringen voor de gezondheid. Een nader advies van de GGD is daarom niet benodigd. Conclusie Het aspect gezondheid vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.10
blad 46 van 70
Ecologie
Ruimte - Antea Nederland B.V.
vastgesteld bestemmingsplan Hoeven-Zuid Gemeente Halderberge Projectnummer 0482403.100
Kader Bij ruimtelijke planvorming moet aandacht worden besteed aan de natuurwetgeving. Per 1 januari 2017 is de Wet Natuurbescherming van kracht. Deze wet vormt het belangrijkste juridische kader voor natuurbescherming en regelt de bescherming van flora en fauna, gebieden en bossen. Ook geeft de wet invulling aan de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn via de aanwijzing van Natura 2000-gebieden. In de nieuwe Wet Natuurbescherming zijn drie bestaande wetten samengevoegd, te weten de Flora- en Faunawet, de Natuurbeschermingswet en de Boswet. De Wnb regelt de bescherming van Natura 2000-gebieden, bescherming van soorten en de bescherming van houtopstanden. Naast bescherming vanuit de Wnb, zijn er ook gebieden die planologisch beschermd zijn. Het betreft het ‘Natuurnetwerk Nederland’ (hierna NNN). De bescherming van het NNN verloopt via het ruimtelijke ordeningsrecht (Barro, bestemmingsplannen) en niet via de natuurwetgeving. Er kan een tweedeling worden gemaakt in soort- en gebiedsbescherming. Toetsing Door Antea Group is een natuurtoets uitgevoerd. Het onderzoek is als Bijlage 12 bijgevoegd. Hieronder wordt ingegaan op de resultaten en conclusies uit het rapport. Gebiedsbescherming Het plangebied ligt niet in een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied, Hollandsdiep, ligt op 12,3 km afstand ten noorden van het plangebied.
Dit gebied is niet stikstofgevoelig. Binnen een straal van 20 km liggen nog twee andere Natura 2000-gebieden. Het betreft het Ulvenhoutse Bos (15,5 km van het plangebied) en de Brabantse Wal (16,5 km van het plangebied). Vanwege deze afstanden worden geen negatieve effecten op Natura 2000-gebieden verwacht. Om elk risico uit te sluiten, is een onderzoek naar de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden uitgevoerd. Hier wordt later in de paragraaf op ingegaan. In het plangebied is geen NNB-gebied aanwezig. Van directe aantasting van NNB door ruimtebeslag is hierom geen sprake. Het dichtstbijzijnde NNB-gebied bevindt zich op 130 meter ten westen van het plangebied. Dit gebied heeft als beheertype Droog bos met Productie (N16.03). In de provincie Noord-Brabant dient rekening gehouden te worden met externe werking op NNB-gebieden. De afstand tussen het NNB en het plangebied is zodanig groot dat externe effecten op het NNB-gebied worden uitgesloten. Er is geen sprake van aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNB. Het voornemen heeft geen effect op Rust en foerageergebieden voor ganzen en smienten. Ook zijn er geen effecten van het voornemen op de Groenblauwe mantel. Het plangebied ligt niet in de groenblauwe mantel. Het dichtstbijzijnde gebied aangewezen als groenblauwe mantel ligt op circa 1 kilometer ten oosten van het plangebied.
Door de afstand van het planvoornemen tot de groenblauwe mantel, zijn effecten uitgesloten. Er is bij voorliggend planvoornemen geen sprake van aantasting van onder de Wnb beschermde houtopstanden. Soortenbescherming Van een aantal soorten is de aanwezigheid in het plangebied niet uit te sluiten. Hieronder wordt per soort ingegaan op de bescherming en de mogelijke effecten die zij kunnen ondervinden door de werkzaamheden. Buizerd, ransuil en boomvalk Buizerds zijn te vinden in uitgestrekte bossen afgewisseld met heide, boerenland, blad 47 van 70
Ruimte - Antea Nederland B.V.
vastgesteld bestemmingsplan Hoeven-Zuid Gemeente Halderberge Projectnummer 0482403.100
moerasbossen, duinvalleien met struweel en bosjes in steden. Een buizerd bouwt een groot nest in de kruin van een boom, maar kan ook gebruik maken van nesten van zwarte kraaien of andere roofvogels. Buizerds foerageren in cultureel gebied op kleine zoogdieren, regenwormen, kevers, amfibieën, jonge vogels en aas (Vogelbescherming, z.d.a). Tijdens het terreinbezoek zijn drie zwarte kraaiennesten buiten het plangebied waargenomen. Buizerds staan erom bekend dat zij kunnen broeden in de nesten van zwarte kraaien. Hierdoor kan niet worden uitgesloten dat de betreffende nesten worden gebruikt door de buizerd. Het is noodzakelijk om nader onderzoek uit te voeren. Er zijn ook andere vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten die gebruik maken van zwarte kraaiennesten, zoals de ransuil en de boomvalk. Ook voor deze soorten kan niet worden uitgesloten dat zij gebruik maken van de betreffende nesten, ook voor deze soorten is het noodzakelijk om nader onderzoek uit te voeren. Vleermuizen Verblijfplaatsen Vleermuizen kunnen hun verblijfplaats in gebouwen of bomen (of beide) hebben. Gebouwbewonende vleermuizen verblijven met name in spouwmuren, onder dakbetimmering, achter boeiborden of op zolders. Boombewonende vleermuizen verblijven in gaten, holen of scheuren van voornamelijk grote bomen.
Ten westen van het plangebied staan twee bomen met spechtholtes en los schors, die daardoor mogelijk als verblijfplaats gebruikt kunnen worden door vleermuizen. Deze bomen staan naast de aanwezige wandelroute. Het voornemen zelf heeft geen direct effect op deze bomen. Verstoring van deze bomen kan echter ook leiden tot het verloren gaan van de functie als verblijfplaats en is hierom ook niet toegestaan. Het betreft hierbij met name verstoring door verlichting, wat kan worden veroorzaakt door bouwbelichting of, in de gerealiseerde fase, lantaarnpalen. Gedurende de werkzaamheden kan hier rekening worden gehouden door tussen zonsondergang en zonsopkomst de bouwbelichting uit te zetten. In de realisatiefase dienen geen lantaarnpalen geplaatst te worden, óf moeten deze lantaarnpalen van amberverlichting worden voorzien. Indien deze maatregelen worden getroffen is er geen sprake van een overtreding. Indien effecten op de bomen niet voorkomen kunnen worden, is nader onderzoek naar het gebruik van de bomen als verblijfplaats noodzakelijk. Vliegroutes Buiten de westelijke rand van het plangebied, in dezelfde lijn waar de eerder benoemde mogelijk geschikte verblijfplaatsen in bomen aanwezig zijn, vormen de bomen een lijn die kan dienen als vliegroute. Deze route wordt niet direct getroffen door het voornemen, aangezien geen bomen gekapt worden.
Eventuele effecten door het voornemen betreffen hierbij met name verstoring door verlichting, wat kan worden veroorzaakt door bouwbelichting of, in de gerealiseerde fase, lantaarnpalen. Gedurende de werkzaamheden kan hier rekening worden gehouden door tussen zonsondergang en zonsopkomst de bouwbelichting uit te zetten. In de realisatiefase kan lichtverstoring worden voorkomen door geen lantaarnpalen te plaatsen of om deze lantaarnpalen van amberverlichting te voorzien. Indien deze maatregelen worden getroffen is er geen sprake van een overtreding. Indien effecten niet voorkomen kunnen worden, is nader onderzoek naar het gebruik van de structuur als (essentiële) vliegroute noodzakelijk. Er is geen sprake van essentieel foerageergebied binnen het plangebied. Bunzing De bunzing heeft een voorkeur voor kleinschalig landschap met houtwallen, greppels en blad 48 van 70
Ruimte - Antea Nederland B.V.
vastgesteld bestemmingsplan Hoeven-Zuid Gemeente Halderberge Projectnummer 0482403.100
sloten met overhangende vegetaties. Als dagrustplaats maakt de bunzing gebruik van konijnenholen, takken- en steenhopen. Het voedsel van de bunzing bestaat uit kleine zoogdieren, vogels, vogeleieren, reptielen, amfibieën, insecten en fruit (Zoogdiervereniging, z.d.b). De sloten en de houtwal vormen geschikt leefgebied voor de bunzing: in de sloten aan zowel de oostelijke als aan de westelijke kant is een hoge mate aan bruine rattenholen aanwezig, die sporen van activiteit tonen, en de konijnen in de houtwal vormen ook geschikt voedsel. Beide soorten maken verblijfplaatsen die ook geschikt kunnen zijn voor de bunzing. Verbindingen met andere geschikte leefgebieden zijn ook aanwezig, met de houtwallen ten noorden van het plangebied en vooral het recreatiegebied ten westen van het plangebied. De aanwezigheid van verblijfplaatsen van de bunzing in het plangebied kan niet worden uitgesloten. Er dient nader onderzoek uitgevoerd te worden naar deze soort. Wezel Wezels leven bij voorkeur in open, droge natuur- en cultuurlandschap maar verder in veel verschillende biotopen. Ze zoeken graag dekking in bosschages, houtstapes of heggen. Een wezel leeft hoofdzakelijk op muizen (Zoogdiervereniging, z.d.e). De sloten en de houtwal vormen geschikt leefgebied voor de wezel: in de sloten aan zowel de oostelijke als aan de westelijke kant is is een hoge mate aan bruine rattenholen aanwezig.
Hoewel konijnen een forse prooi zijn voor de wezel, zijn waarnemingen van predatie op konijnen door wezels bekend. Zowel de bruine rat als het konijn maken verblijfplaatsen die geschikt kunnen zijn voor de wezel. Verbindingen met andere geschikte leefgebieden zijn ook aanwezig, met de houtwallen ten noorden van het plangebied en vooral het recreatiegebied ten westen van het plangebied. De aanwezigheid van verblijfplaatsen van de wezel in het plangebied kan niet worden uitgesloten. Er dient nader onderzoek uitgevoerd te worden naar deze soort. Nader onderzoek De natuurtoets geeft aanleiding om nader ecologisch onderzoek uit te voeren om de aanwezigheid van de buizerd, ransuil, boomvalk, vleermuizen, bunzing en wezel in het plangebied te onderzoeken. Uit het nader onderzoek zal blijken of er beschermde soorten aanwezig zijn. Dit zou kunnen betekenen dat in de omgeving van het plangebied mitigerende maatregelen moeten worden getroffen en een ontheffing Wet natuurbescherming dient te worden aangevraagd. De verwachting is dat als er een ontheffing zou moeten worden aangevraagd, deze ontheffing op basis van het van toepassing zijnde provinciale beleid ook verleend kan worden. Het nader onderzoek naar de bunzing en wezel is reeds uitgevoerd. Dit onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 13. Tijdens het onderzoek zijn geen individuen van de bunzing en de wezel noch sporen waargenomen.
Vanwege afwezigheid van deze soorten is ontheffing niet aan de orde. De Wet natuurbescherming staat de uitvoerbaarheid van het plan niet in de weg. Stikstofdepositie Door Antea Group is een onderzoek naar stikstofdepositie uitgevoerd. Dit onderzoek is als Bijlage 14 bijgevoegd. Met behulp van het rekenprogramma AERIUS Calculator zijn de effecten met betrekking tot stikstofdepositie als gevolg van de voorliggende ontwikkeling in beeld gebracht. Voor de voorgenomen ontwikkeling toont AERIUS Calculator voor de realisatiefase en de gebruiksfase geen bijdrage groter dan 0,00 mol/ha/jaar. Op basis van bovenstaande rekenresultaat worden significante negatieve effecten ten aanzien van stikstof op Natura 2000-gebieden uitgesloten. Het aspect stikstofdepositie staat nadere besluitvorming niet in de weg.
blad 49 van 70
Ruimte - Antea Nederland B.V.
vastgesteld bestemmingsplan Hoeven-Zuid Gemeente Halderberge Projectnummer 0482403.100
Conclusie Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.11
Water Kader Waterwet Op 22 december 2009 is de Waterwet in werking getreden. De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater, en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. De Waterwet richt zich op de zorg voor waterkeringen, waterkwantiteit, waterkwaliteit en waterfuncties (zoals de drinkwatervoorziening). De wet biedt de basis voor het stellen van normen ten aanzien van deze onderwerpen. Verder bevat de wet regelingen voor het beheer van water. Een belangrijk gevolg van de Waterwet is dat de vergunningstelsels uit de afzonderlijke waterbeheerwetten zijn gebundeld. Dit resulteert in één vergunning, de Watervergunning. De Wet gemeentelijke watertaken is onderdeel van de Waterwet. In deze Wet heeft de gemeente de zorgplicht gekregen voor: Het doelmatig inzamelen en verwerken van overtollig afvloeiend hemelwater; Het doelmatig nemen van maatregelen in openbaar gebied om structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken. In de Wet milieubeheer is de derde zorgplicht voor de gemeente opgenomen. De gemeente dient zorg te dragen voor het inzamelen transporteren van stedelijk afvalwater. Omgevingswet Op 1 januari 2024 treedt de Omgevingswet in werking.
In de Omgevingswet wordt de leefomgeving op een andere manier benaderd dan voorheen, waarbij wordt ingezet op een duurzame economische structuur met borging van de kwaliteit en veiligheid daarvan. In de Omgevingswet worden de wetgeving en regels voor ruimte, wonen, infrastructuur, milieu natuur en water gebundeld. Deze wet regelt daarmee het beheer en de ontwikkeling met minder en overzichtelijke regels, meer ruimte voor initiatieven en lokaal maatwerk. Ingezet wordt op integraliteit, vertrouwen en participatie van alle belanghebbenden. De wet krijgt vorm in de omgevingsvisie, waarbij de huidige provinciale plannen komen te vervallen en worden geïntegreerd in deze visie. Wet ruimtelijke ordening en de watertoets De watertoets is per 1 november 2003 wettelijk verplicht (en vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening). De watertoets betekent dat ruimtelijke plannen (waaronder bestemmingsplannen) voorzien moeten zijn van een waterparagraaf. Ruimtelijke plannen van de initiatiefnemer worden overlegd met de waterbeheerder. In de waterparagraaf geeft de initiatiefnemer aan welke afwegingen in het plan ten aanzien van water zijn gemaakt. Het is een toelichting op het doorlopen proces en maakt de besluitvorming ten aanzien van water transparant. De waterparagraaf grijpt zichtbaar terug op de afsprakennotitie en het wateradvies.
Nationaal Water Programma 2022-2027 Het Nationaal Water Programma 2022–2027 is de opvolger van het Nationaal Waterplan 2016-2021 en het Beheer- en Ontwikkelplan voor de Rijkswateren 2016- 2021. Met de
blad 50 van 70
Ruimte - Antea Nederland B.V.
vastgesteld bestemmingsplan Hoeven-Zuid Gemeente Halderberge Projectnummer 0482403.100
samenvoeging van deze twee plannen wordt geanticipeerd op de Omgevingswet, waarin het programma als een van de instrumenten is opgenomen. Het Nationaal Water Programma bevat: Een uitwerking van het te voeren beleid (inclusief het nationale ruimtelijke en ecologische beleid) voor de ontwikkeling, het gebruik, het beheer en de bescherming of het behoud van water; Maatregelen vanwege nationale belangen en om wateropgaven te bereiken en daaraan te blijven voldoen. Kamerbrief 'Water en bodem sturend' In een brief aan de Tweede Kamer in november 2022 hebben minister Harbers en staatsecretaris Heijnen principes en structurerende keuzes geformuleerd over de rol van water en bodem in de ruimtelijke ordening. De brief presenteert principes waarbij water en bodem een leidende rol spelen bij toekomstige besluitvorming. De veranderende klimatologische omstandigheden zorgen voor toenemende uitdagingen op het gebied van water en bodem. De zeespiegel stijgt en er zijn periodes van extreme droogte en wateroverlast. Het grond- en oppervlaktewater raakt verzilt en de waterkwaliteit laat te wensen over. Om deze problemen aan te pakken werkt de overheid vanuit voorwaarden in programma’s zoals Ruimte voor de Rivier, Integraal Rivier Management en de Programmatische Aanpak Grote Wateren.
Het doel is om deze aanpak standaard te maken bij nieuwe ontwikkelingen, zodat alle betrokken partijen rekening kunnen houden met deze aanpak. Relevante artikelen met betrekking tot water en bodem gerelateerd aan het voorliggende plan zijn: 7. Ruimte creëren voor het vasthouden, bergen en afvoeren van water in de ruimtelijke inrichting, landgebruik en landbeheer. Hiermee vergroten we de veerkracht van zowel het hoofdwatersysteem als regionale watersystemen. Dit wordt vanaf heden door het Rijk, de waterschappen, provincies en gemeenten uitgewerkt en in de gebiedsprogramma’s opgenomen. 13. 5% tot 10% reserveren van diepe polders voor waterberging, bij voorkeur de diepste delen. Wateroverlast als gevolg van aanhoudende regenval of piekbuien wordt hiermee voorkomen. Hier is geen nieuwe bebouwing toegestaan, tenzij het niet ten koste gaat van het waterbergend vermogen. 15. Versterken van regie op de inrichting van de ondergrond. Daarmee wordt een efficiënte inrichting ervan bereikt, zodat ontwikkelingen als woningbouw en energietransitie mogelijk worden gemaakt zonder de bodem aan te tasten. Rijk en gemeenten ontwikkelen hiervoor een gezamenlijk instrument. 16. Bij verstedelijking en infrastructuur streven naar zo efficiënt mogelijk gebruik van ruimte, dekken de bodem zo min mogelijk af en herstellen de bodem waar mogelijk.
Zo wordt de waardevolle organisch rijke landbouw- en natuurbodems behouden en blijft ook de sponswerking van de bodem behouden. Samen met gemeenten en provincies wordt ingezet op beperking van onnodig landgebruik. 19. Tegengaan van bodemverstoring door ontgraving tegen en hergebruiken grond hoogwaardig. Daarmee blijven gezonde en vitale bodems behouden. Samen met provincies en waterschappen start het Rijk hier als opdrachtgever zelf pilots voor. 21. Risico’s van overstromingen, wateroverlast, bodemdaling en drinkwaterbeschikbaarheid zijn sturend bij de locatiekeuze en inrichting van woningbouw. Hierme wordt voorkomen dat nieuwbouw wordt gerealiseerd op locaties waar we later spijt van gaan krijgen. Provincies nemen in hun ruimtelijke arrangementen het (concept) richtinggevend kader mee. blad 51 van 70
Ruimte - Antea Nederland B.V.
vastgesteld bestemmingsplan Hoeven-Zuid Gemeente Halderberge Projectnummer 0482403.100
23. De maatlat voor een klimaatadaptieve en natuurinclusieve bebouwde omgeving wordt toegepast. Daarmee worden gebieden klimaatbestendiger ontwikkeld. Overheden sturen zo min mogelijk op afdekking van de bodem. 24. Overheden sturen zo min mogelijk op afdekking van de bodem. Daarmee blijft buiten het bebouwd gebied goede landbouwgrond behouden en wordt hittestress gereduceerd. De waterinfiltratie binnen het bebouwd gebied wordt bevorderd. Samen met provincies en gemeenten wordt dit gewerkt wordt ingezet op op minder netto landgebruik in de ladder duurzame verstedelijking. Nationaal Bestuursakkoord Water Met het NBW-Actueel (2008) onderstrepen het Rijk, het Interprovinciaal Overleg, de Unie van Waterschappen en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten de gezamenlijke opgave om het watersysteem op zo kort mogelijke termijn en tegen de laagste maatschappelijke kosten op orde te brengen en te houden. Samenwerken is de rode draad van het geactualiseerde Nationaal Bestuursakkoord. Een actualisatie van het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) uit 2003 komt voort uit de invoering van de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW), de noodzaak tot de aanscherping van een aantal begrippen en het beschikbaar komen van nieuwe klimaatscenario's.
Regionaal Water- en Bodemprogramma Noord-Brabant (2022-2027) Het Regionaal Water- en Bodemprogramma 2022–2027 (RWP) bevat de ambitie, opgaven, doelen en de aanpak, inclusief de zeven leidende principes bij het tot stand komen van een klimaatbestendig en verkeerkrachtig wateren bodemsysteem binnen de provincie Noord-Brabant. In het RWP zijn de volgende leidende principes opgenomen: 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7.
Watervoorraad in balans; Elke druppel telt; Niet alles kan overal; Brabant is in staat extreme weersituaties op te vangen; Bescherming van water- en bodemkwaliteit; Gebruikers zijn maximaal verantwoordelijk; Circulair denken en doen.
Visie klimaatadaptatie De provincie Noord-Brabant heeft een aparte visie ten behoeve van klimaatadaptatie opgesteld. Hierin zijn de volgende uitgangspunten opgenomen: Klimaatadaptatie is als vanzelfsprekend een vast onderdeel van provinciale opgaven en is geborgd in de provinciale programma’s; De provincie gaat uit van een klimaatbestendig en robuust watersysteem. Daarbij worden vijf principes gehanteerd: 1. niet meer gebruik dan is aangevuld; 2. in hogere gebieden water infiltreren; 3. lagere gebieden zijn natter; 4. het systeem kan omgaan met extremen; 5. de waterkwaliteit is op orde. De provincie maakt op basis van een klimaatbestendig en robuust watersysteem, de overgang naar een nieuwe systematiek voor wateroverlast bij extreme buien; De provincie kiest ervoor om voorrang te geven aan de robuustheid van het watersysteem en niet aan individuele belangen; De provincie werkt via een gebiedsgerichte en samenhangende aanpak; Via de gebiedsgerichte aanpak zet de provincie zijn middelen in samenhang en waar blad 52 van 70