CConstaterende datHalderberge
Koppel je AI →
Document · PDF

1. Plantoelichting d.d. 25-11-2021.pdf

Gemeenteraad 25 november 2021, gemeente HalderbergeBij agendapunt: 6: Vaststelling bestemmingsplan Groene Woud 1, Oudenbosch25.699 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

LOOIJMANS BOUWADVIES B.V. 37 Toelichting ‘Groene Woud 1, Oudenbosch’

Figuur 15 Resultaten wetswegwijzer o.b.v. verkeerstellingen (bron: www.wetswegwijzer.nl)

Voor de beoordeling van de geluidsbelasting wordt gebruikgemaakt van de classificering van de kwaliteit van de akoestische omgeving in een milieukwaliteitsmaat volgens de 'methode Miedema', zoals weergegeven in onderstaande figuur. Hierin wordt de geluidsbelasting geclassificeerd en beoordeeld op basis van klassen van 5 dB. Omdat de Wet geluidhinder niet van toepassing is, wordt bij de berekening van de geluidsbelasting geen correctie ex artikel 110g Wet geluidhinder toegepast.

LOOIJMANS BOUWADVIES B.V. 38 Toelichting ‘Groene Woud 1, Oudenbosch’

Figuur 16 Classificering milieukwaliteit ‘methode Miedema’ (bron: www.infomil.nl)

Uit de resultaten blijkt dat ter plaatse van de voorgevel een cumulatieve geluidbelasting Lden van 58 dB wordt berekend, wat is te kwalificeren als een matig woon- en leefklimaat. Ter plaatse van de overige gevels van de woning valt een lagere geluidbelasting te verwachten met een kwalificatie van redelijk tot goed woon- en leefklimaat. Doordat reeds vanuit het Bouwbesluit eisen worden gesteld aan de geluidsisolatie van de uitwendige scheidingsconstructie van de woning, kan in onderhavige situatie een acceptabel woon- en leefklimaat gegarandeerd worden. Conclusie: Gelet op het bovenstaande vormt het aspect geluid geen belemmering voor het plan.

4.4

Luchtkwaliteit

Hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer bevat de regelgeving op het gebied van luchtkwaliteit (ook wel Wet luchtkwaliteit genoemd, Wlk). In de Wet milieubeheer zijn luchtkwaliteitseisen opgenomen voor diverse verontreinigende stoffen, waaronder fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2). In artikel 5.16 van de Wet milieubeheer is vastgelegd dat bestuursorganen bevoegdheden mogen uitoefenen wanneer sprake is van één of meer van de volgende gevallen:  Er is geen sprake van een (dreigende) overschrijding van de grenswaarden;  De concentratie van de desbetreffende stoffen in de buitenlucht verbetert of blijft tenminste gelijk;  Het plan draagt ‘niet in betekenende mate’ bij aan de concentratie van de desbetreffende stoffen in de buitenlucht;  De ontwikkeling is opgenomen in een vastgesteld programma, zoals het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Een nadere uitwerking van de regelgeving met betrekking tot het begrip ‘niet in betekende mate’ is vastgelegd in het ‘Besluit niet in betekende

LOOIJMANS BOUWADVIES B.V. 39 Toelichting ‘Groene Woud 1, Oudenbosch’

mate’ en de ‘Regeling niet in betekenende mate’. Hierin is opgenomen dat een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de zogenaamde '3% grens' niet wordt overschreden. Na vaststelling van het NSL op 1 augustus 2009 is deze grens gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel PM10 als NO2. In de Regeling zijn daarnaast categorieën van gevallen aangewezen die in ieder geval als ‘niet in betekenende mate’ worden aangemerkt en waarvoor toetsing aan de grenswaarden dus zonder meer achterwege kan blijven. Voor woningbouw geldt dat deze ‘niet in betekenende mate’ bijdragen als er sprake is van minder dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg of minder dan 3.000 woningen bij twee gelijkwaardige ontsluitingswegen. Daarnaast is de bijdrage van het plan aan de luchtkwaliteit vastgesteld middels de NIBM-tool. De NIBMtool is in 2008 ontwikkeld door het ministerie van Infrastructuur en Milieu in samenwerking met Kenniscentrum InfoMil en is bedoeld om op een eenvoudige en snelle manier te bepalen of een plan niet-inbetekenende-mate bijdraagt.

Op basis van het extra aantal voertuigbewegingen, in dit geval 8,2 mvt / etmaal / weekdag voor een grondgebonden vrijstaande woning (bron: CROW) en het aandeel vrachtverkeer is een berekening opgesteld volgens 'worst case'omstandigheden. De resultaten zijn in onderstaande figuur weergegeven.

Figuur 17 Worst-case berekening NIBM-tool (bron: www.infomil.nl/onderwerpen/luchtwater/luchtkwaliteit/slag/hulpmiddelen/nibm-tool/)

Hieruit blijkt dat de te realiseren woning dus 'niet in betekenende mate' bij draagt. Er wordt voldaan aan artikel 5.16 lid c van de Wet milieubeheer.

LOOIJMANS BOUWADVIES B.V. 40 Toelichting ‘Groene Woud 1, Oudenbosch’

In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van ruimtelijke plannen uit oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens tevens rekening gehouden met de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied. Met behulp van de monitoringstool is de luchtkwaliteit, op de kaart die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) hoort, in beeld gebracht ter plaatse van de Markt en de Sint Bernaertsstraat. De jaargemiddelde concentraties PM10 en No2 bedragen hier minder dan 35 µg/m³ (17 µg/m³ in 2019). De jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof ter hoogte van deze wegen liggen daarmee ruim onder de grenswaarde van 40 µg/m³ voor PM10 en wettelijke grenswaarde / WHO advieswaarde van 40 µg/m³ voor No2. Omdat direct langs deze wegen wordt voldaan aan de grenswaarden zal dit ter plaatse van het plangebied ook het geval zijn, aangezien de concentraties luchtverontreinigende stoffen afnemen naarmate de locatie verder van deze wegen is gelegen. Conclusie: Gelet op het bovenstaande vormt het aspect luchtkwaliteit geen belemmering voor het plan.

Figuur 18 Uitsnede kaart NSL PM10-concentratie 2020 (bron: www.nsl-monitoring.nl/viewer/)

LOOIJMANS BOUWADVIES B.V. 41 Toelichting ‘Groene Woud 1, Oudenbosch’

Figuur 19 Uitsnede kaart NSL NO2-concentratie 2020 (bron: www.nsl-monitoring.nl/viewer/)

4.5

Bodem

Met het oog op een goede ruimtelijke ordening, moet in geval van ruimtelijke ontwikkelingen worden aangetoond dat de bodem geschikt is voor het beoogde functiegebruik. Ter plaatse van locaties die verdacht worden van bodemverontreiniging, moet ten minste een verkennend bodemonderzoek worden uitgevoerd. In geval van verontreinigingen is de Wet bodembescherming van toepassing. In deze wet is geregeld dat indien ter plaatse van een plangebied ernstige verontreinigingen worden aangetroffen, er sprake is van een saneringsgeval. Door Wematech Milieu Adviseurs B.V. is in november 2019 en december 2020 een gecombineerd nader bodemonderzoek en onderzoek naar asbest in de grond uitgevoerd. De rapportage van dit onderzoek, met het kenmerk EJ50200642.R001-1 d.d. 17 februari 2021 is als bijlage aan deze toelichting toegevoegd. Doel van het onderzoek is het verkrijgen van inzicht in de actuele bodemkwaliteit, de omvang van de eerder aangetroffen verontreinigingen met lood en zink alsmede het bepalen van de concentratie asbest in de puinhoudende laag en op basis hiervan na te gaan of de bodemkwaliteit een belemmering kan opleveren voor het voorgenomen plan ter plaatse. De conclusie van het bodemonderzoek is als volgt:

LOOIJMANS BOUWADVIES B.V. 42 Toelichting ‘Groene Woud 1, Oudenbosch’

Zintuiglijke bevindingen Op het perceel aan de Groene Woud 1 in Oudenbosch is, achter de om praktische redenen als perceelsafscheiding met kadastraal perceel B 3397 fungerende muur, tot de werkelijke kadastrale perceelsgrens, nog een strook van circa 60 cm breed aanwezig. De op het perceel aanwezige strook van 21 meter lengte, is tot circa 70 cm-mv gevuld met een mengsel van (baksteen)puin en baksteenhoudende grond. Op basis van oude luchtfoto’s en kaarten kan worden opgemaakt dat het hier een oude lijnvormige greppel betreft die voor 1960 met puin en grond gedempt is. Met boringen direct aan de andere zijde van de muur, waarbij nergens puinbijmengingen zijn aangetroffen, is aangetoond dat op onderhavig perceel deze greppel zich enkel tussen de muur en de kadastrale grens bevindt. Nader grondonderzoek Op het perceel zijn over het gehele puinhoudende tracé matige tot sterke verontreinigingen met lood en zink aangetroffen. Deze verontreinigingen hangen samen met de puinbijmengingen / puinlagen in de grond en zijn verticaal ingekaderd tot 100 cm-mv. Gesteld kan worden dat ter plaatse van de onderzoeklocatie een volume van circa 13 m³ matig tot sterk met lood en zink verontreinigde grond aanwezig is.

Van een geval van ernstige bodemverontreiniging is sprake indien in tenminste een volume van 25 m3 grond (en voor grondwater in een bodemvolume van 100 m3) de interventiewaarde wordt overschreden. Aangezien het volumecriterium voor grond niet wordt overschreden is op dit perceel geen sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Het betreft hier een historische verontreiniging (ontstaan voor1987). Verkennend onderzoek asbest in grond en puin In zowel de puinhoudende grond als de puinlaag is zowel zintuiglijk als analytisch geen asbest aangetroffen. Gezien de verkregen resultaten van het onderzoek kan de gestelde hypothese "verdacht op het voorkomen van asbest" worden verworpen. Advies De resultaten van het onderzoek behoeven geen belemmering te zijn voor de aangevraagde bestemmingswijziging en de voorgenomen bouwplannen. Geadviseerd wordt om geen grondroerende werkzaamheden te verrichten ter plaatse van de aangetroffen verontreinigingen zonder melding aan het bevoegd gezag Wbb. Indien toch graafwerkzaamheden ter plaatse van deze gedempte greppel / sloot worden uitgevoerd dient te allen tijde vermenging van de verontreinigde grond met omliggende grond te worden voorkomen. Mogelijk dient en/of kan de verontreinigde grond dan middels een praktische aanpak worden verwijderd.

Geadviseerd wordt een exemplaar van het rapport bij de aanvraag tot bestemmingswijziging en bouwvergunning te voegen.

LOOIJMANS BOUWADVIES B.V. 43 Toelichting ‘Groene Woud 1, Oudenbosch’

Conclusie: Gelet op het bovenstaande vormt het aspect bodem geen belemmering voor het plan zolang er voldoende afstand tot de voormalige greppel wordt aangehouden.

4.6

Water

Bij elke ruimtelijke ontwikkeling is de opstelling van een waterparagraaf verplicht gesteld, mede in relatie tot de watertoets. In deze paragraaf wordt verwoord hoe er in het plan met de aspecten water en ruimte rekening wordt gehouden, in relatie tot enerzijds het waterbeleid en anderzijds de waterhuishouding. Waterbeheerplan 2016 - 2021 Het waterschap Brabantse Delta is verantwoordelijk voor het waterbeheer in de gemeente op basis van de volgende wettelijke kerntaken: het zuiveringsbeheer, watersysteembeheer, beheer van dijken, beheer van vaarwegen en nautisch beheer. Het watersysteembeheer -waaronder grondwater- heeft daarbij twee doelen: zowel de zorg voor gezond water als de zorg voor voldoende water van voldoende kwaliteit. Het beleid en de daarmee samenhangende doelen van het waterschap zijn opgenomen in het waterbeheerplan 2016-2021, wat tot stand is gekomen in samenspraak met de waterpartners. Zo zijn bijvoorbeeld relevante waterthema’s gekoppeld aan de belangrijkste ruimtelijke ontwikkelingen in de regio. Daarnaast heeft het waterschap waar nodig nog toegespitst beleid en beleidsregels op de verschillende thema’s/speerpunten uit het waterbeheersplan en heeft het waterschap een eigen verordening; De Keur en de Legger. De Keur bevat gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer.

De legger geeft aan waar de waterstaatswerken plus bijbehorende beschermingszones liggen, aan welke afmetingen en vorm die moeten voldoen en wie onderhoudsplichtig is. Veelal is voor deze ingrepen een watervergunning van het waterschap benodigd. In sommige gevallen vallen de werkzaamheden onder een Algemene regel. Dan kan er onder voorwaarden sprake zijn van vrijstelling van de vergunningsplicht. De Keur en de Algemene regels zijn te raadplegen via de website van waterschap Brabantse Delta. Het waterschap hanteert bij nieuwe ontwikkelingen het principe van waterneutraal bouwen, waarbij gestreefd wordt naar het behoud of herstel van de ‘natuurlijke’ waterhuishoudkundige situatie. Vanwege dit principe wordt bij uitbreiding van verhard oppervlak voor de omgang met hemelwater uitgegaan van de voorkeursvolgorde infiltreren, bergen, afvoeren.

LOOIJMANS BOUWADVIES B.V. 44 Toelichting ‘Groene Woud 1, Oudenbosch’

De waterschappen Aa en Maas, Brabantse Delta en De Dommel hebben in de Noord-Brabantse Waterschapsbond (NBWB) besloten om de keuren te uniformeren en tegelijkertijd te dereguleren. Hierbij is aangehaakt bij het landelijke uniformeringsproces van de Unie van Waterschappen. Er is conform het nieuwe landelijke model een sterk gedereguleerde keur opgesteld, met bijbehorende algemene regels en beleidsregels. Deze zijn voor de drie waterschappen gelijkluidend. De nieuwe uniforme keuren zijn gezamenlijk in werking getreden op 1 maart 2015. In de nieuwe keur is opgenomen dat het in beginsel verboden is om zonder vergunning neerslag door toename van verhard oppervlak of door afkoppelen van bestaand oppervlak, tot afvoer naar een oppervlaktewaterlichaam te laten komen. Dit verbod is van toepassing tenzij:  het afkoppelen van verhard oppervlak maximaal 10.000 m2 is, of;  de toename van verhard oppervlak maximaal 500 m2 is, of;  de toename van verhard oppervlak bestaat uit een groen dak.

 de toename van verhard oppervlak tussen 500 m2 en 10.000 m2 is en compenserende maatregelen zijn getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan, in de vorm van een voorziening met een minimale retentiecapaciteit conform de rekenregel: 'benodigde retentiecapaciteit (in m3) = toename verhard oppervlak (in m2) x gevoeligheidsfactor x 0,06' Daarbij dient de voorziening te voldoen aan de volgende voorschriften:  de bodem van de voorziening dient boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) te liggen;  de afvoer uit de voorziening via een functionele bodempassage naar het grondwater en/of via een functionele afvoerconstructie naar het oppervlaktewater plaatsvindt. Indien een afvoerconstructie wordt toegepast, dient deze een diameter van 4 cm te hebben;  daarnaast moet er altijd een overloopconstructie zijn, om uitspoeling naar de sloot te voorkomen. Gemeentelijk Waterplan Halderberge Op 30 september 2004 heeft de gemeente Halderberge, in samenspraak met waterschap Brabantse Delta, Brabant Water en de provincie NoordBrabant, een gezamenlijk beleidsplan voor het watersysteem en de waterketen in Halderberge vastgesteld. De gemeente Halderberge wil met het gezamenlijke beleidsplan het versnipperde waterbeleid beter op elkaar afstemmen. Het gemeentelijk Waterplan Halderberge bestaat uit zes thema’s: 1. Samenwerken aan water; 2. Water en kwantiteit; 3.

Water en kwaliteit en ecologie; 4. Watervoorziening, watergebruik, riolering en afvalwaterzuivering; 5. Water en ruimte; 6. Gebruik, beleving en cultuurhistorie.

LOOIJMANS BOUWADVIES B.V. 45 Toelichting ‘Groene Woud 1, Oudenbosch’

In het gemeentelijk Waterplan is een maatregelenprogramma opgenomen. Het oplossen van wateroverlast door grondwater of als gevolg van een te geringe capaciteit van de riolering staat hierin centraal. Gemeentelijk Riolering Plan (GRP) Halderberge 2020 - 2023 Vanuit de Wet Milieubeheer en de Waterwet heeft iedere gemeente in Nederland de wettelijke zorgplicht voor afvalwater, hemelwater en grondwater. Op 18 juli 2019 is door de gemeenteraad van de gemeente Halderberge het Gemeentelijk Riolering Plan (GRP) Halderberge 2020 2023 vastgesteld. Het GRP is een beleidsplan dat op hoofdlijnen de invulling van de gemeentelijke watertaken weergeeft. Door middel van het GRP ligt vast wat de doelstelling is en wat de rol van burgers en bedrijven is ten aanzien van afval-, hemel-, en grondwater. Het GRP vervult vier hoofdfuncties: 1. Kader gemeentelijke zorgplichten: overzicht beleidskeuzes en ambities ten aanzien van stedelijk afvalwater, hemelwater en grondwater 2. Interne afstemming: met andere vakdisciplines binnen de gemeentelijke organisatie en met onze waterpartners 3. Externe afstemming: met burgers en bedrijven 4. Continuïteit en voortgangsbewaking: vanwege de relatief lange levensduur van stedelijke watervoorzieningen en kapitaalintensieve investeringen is een lange termijn aanpak essentieel (begroting, investeringen en evaluatie).

Het gemeentelijke waterbeheer staat niet op zich, maar is continu in beweging door diverse uitdagingen en ontwikkelingen. De belangrijkste zijn onderstaand beschreven en vormen de basis voor de speerpunten voor de planperiode 2020-2023:  klimaatverandering;  uitputting energie en grondstoffen;  veranderende wetgeving;  energietransitie;  participatie en bewustzijn;  vitaliteit;  veiligheid. Met het GRP draagt de gemeente Halderberge bij aan de volgende omgevingsgerichte lange termijn doelstellingen:  bescherming van de volksgezondheid;  droge voeten (bebouwd gebied);  schoon water en een schone bodem.

LOOIJMANS BOUWADVIES B.V. 46 Toelichting ‘Groene Woud 1, Oudenbosch’

De gemeente heeft de zorgplicht voor de inzameling van stedelijk afvalwater en het beheer van afvloeiend hemelwater. In gebieden waar we de gemeente inzameling en transport van stedelijk afvalwater niet doelmatig vindt en de provincie ontheffing van de zorgplicht heeft verleend moet de houder van het afvalwater zelf zorgen voor de verwerking van het afvalwater. De gemeentelijke zorg voor het beheer van afvloeiend hemelwater heeft betrekking op het afvloeiend hemelwater van openbaar terrein en afvloeiend hemelwater dat niet op particulier terrein kan worden verwerkt. De eigenaar van het terrein waarop het hemelwater valt is primair verantwoordelijk voor de verwerking van het hemelwater. De gemeente hoeft het hemelwater afkomstig van particulier terrein niet te ontvangen. Alleen als de houder van het verzamelde hemelwater dit redelijkerwijs niet kan afvoeren. De gemeente draagt tevens de zorg voor het in openbaar gebied treffen van maatregelen teneinde structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken mits dit doelmatig is en voor zover er geen verantwoordelijkheid bestaat voor de waterbeheerder of de provincie. De perceeleigenaar is wettelijk gezien primair zelf verantwoordelijk voor het oplossen van zijn eigen grondwaterprobleem.

De gemeente Halderberge wenst ontwikkelingen te benutten om het grondwater aan te vullen en ervoor zorg te dragen dat het stedelijk watersysteem niet zwaarder wordt belast. Hiervoor heeft de gemeente een bergingseis voorgeschreven aan de hand van het oppervlak van de voorgenomen ontwikkeling en/of de toename van het verhard oppervlak. Voor iedere ontwikkeling die leidt tot nieuwe verharding, ongeacht de omvang van deze ontwikkeling, geldt een bergingseis van 7 mm voor de eerste 1.000 m2. Voor verharding boven de 1.000 m2 geldt een bergingseis van 60 mm, conform de keur. Voor ontwikkelingen op bestaande verharde locaties (inbreidingen, verbouwingen, herstructureringen) met een oppervlak groter dan 1.000 m2 geldt een bergingseis van 60 mm voor het totale oppervlak. In de geest van de gehanteerde voorkeursvolgorde past de gemeente als principe toe dat zoveel als mogelijk retentie (dicht)bij de bron moet worden gerealiseerd. In de praktijk komt dit neer op in eerste instantie realisatie van retentie op eigen terrein en in tweede instantie realisatie van retentie binnen de plangrenzen van het te realiseren project waarvoor de retentie wordt gerealiseerd. Watertoets Het watertoetsproces is een belangrijk instrument om het waterbelang in ruimtelijke plannen en besluiten te waarborgen.

Het gaat daarbij om alle waterhuishoudkundige aspecten, waaronder veiligheid, wateroverlast, watertekort, waterkwaliteit en verdroging, en om alle wateren: rijkswateren, regionale wateren en grondwater. Het is niet een toets achteraf, maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan

LOOIJMANS BOUWADVIES B.V. 47 Toelichting ‘Groene Woud 1, Oudenbosch’

en de waterbeheerder in een zo vroeg mogelijk stadium met elkaar in gesprek brengt. In dit kader wordt met het waterschap en gemeente vooroverleg gevoerd. Bestaande situatie In de bestaande situatie is ter plaatse van het plangebied een bestaand bedrijfspand aanwezig met daarbij behorende verharding. Het gaat hier om een totaaloppervlak aan verharding van circa 270 m2. Ter hoogte van het plangebied zijn geen keringen en geen zuiveringstechnische werken, rioolgemalen dan wel afvalwatertransportleidingen van het waterschap aanwezig. Uit onderstaande ‘kaart 5: Instructieregels gemeenten: grondwaterbescherming, waterveiligheid en -berging water’, behorende bij de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant, blijkt dat het plangebied niet is gelegen in een grondwaterbeschermingsgebied en/of een boringvrije zone. Ter hoogte van het Groene Woud is een gemengd rioolsysteem gelegen.

Figuur 20 Uitsnede kaart 5: Instructieregels gemeenten: grondwaterbescherming, waterveiligheid en -berging water ‘Interim omgevingsverordening Noord-Brabant’ (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl)

Toekomstige situatie In de toekomstige situatie zal het betreffende plangebied in gebruik worden genomen als woning met een bijgebouw en een tuin welke deels zal worden verhard (oprit, terras e.d.). Er worden met het voorliggende plan geen nieuwe aansluitingen op de riolering gemaakt.

LOOIJMANS BOUWADVIES B.V. 48 Toelichting ‘Groene Woud 1, Oudenbosch’

Het bestaande maaiveldniveau zal niet of nauwelijks wijzigen. Het waterschap en de gemeente hanteren bij nieuwe ontwikkelingen het principe van waterneutraal bouwen, waarbij gestreefd wordt naar het behoud of herstel van de ‘natuurlijke’ waterhuishoudkundige situatie. Vanwege dit principe wordt bij uitbreiding van verhard oppervlak voor de omgang met hemelwater (HWA) uitgegaan van de voorkeursvolgorde infiltreren, bergen, afvoeren. In onderstaande tabel is de wijziging en daarmee de eventuele toename van het verhard oppervlak bepaald. Het Waterschap Brabantse Delta hanteert als norm dat voor ontwikkelingen met meer dan 500 m2 aan toename van verharding een compenserende waterberging gerealiseerd dient te worden. Aangezien het voorliggend initiatief leidt tot een toename van het verhard oppervlak van 50 m2 is de realisatie van een compenserende waterberging op grond van die norm niet vereist. Bovendien blijft een groot gedeelte van het plangebied in gebruik als tuin waarin ruimte is voor water om vrij te infiltreren. Omschrijving

Bestaande situatie (in m2)

Toekomstige situatie (in m2)

Wijziging situatie (in m2)

Hellend dak bedrijf

80

0

- 80

Hellend dak woning

0

140

+ 140

Plat dak bijgebouw(en)

0

60

+ 60

Terreinverharding (erf)

190

120

- 70

Totaal

270

320

+ 50

Figuur 21 Tabel wijziging verhard oppervlak

De gemeente Halderberge heeft een bergingseis voorgeschreven aan de hand van het oppervlak van de voorgenomen ontwikkeling en/of de toename van het verhard oppervlak. Voor deze ontwikkeling geldt een bergingseis van 7 mm. Dit betekent voor de toekomstige situatie een eis van 320 m2 x 7 mm = 2,24 m3 oftewel 2240 liter. Aan deze eis kan worden voldaan middels waterberging op het platte dak, de aanleg van een verlaagd gedeelte in de tuin al dan niet in combinatie met het gebruik van een regenton. Het water uit de regenton kan bovendien worden gebruikt voor het begieten of besproeien van de tuin in droge periodes. Voor wat betreft de afvoer van vuilwater (DWA) geldt dat deze middels het bestaande leidingstelsel zal worden aangesloten op het bestaande gemengd rioolsysteem ter hoogte van het Groene Woud. Uitgangspunt voor de bouw van de woning met een bijgebouw is het gebruik van milieuvriendelijke bouwmaterialen en het zoveel als mogelijk achterwege laten van uitlogende bouwmaterialen, zoals koper, lood en zacht PVC. Deze stoffen kunnen zich ophopen in het water(bodem)systeem en hebben hierdoor een zeer nadelige invloed op de water(bodem)kwaliteit en ecologie.

LOOIJMANS BOUWADVIES B.V. 49 Toelichting ‘Groene Woud 1, Oudenbosch’

Conclusie: In het kader van de ruimtelijke procedure zijn de gevolgen voor de waterhuishouding en de daaruit voortkomende waterbergingsbehoefte voldoende inzichtelijk gemaakt. Gelet op het bovenstaande vormt het aspect water geen belemmering voor het plan.

4.7

Cultuurhistorie en archeologie

Ter bescherming van de cultuurhistorische en archeologische waarden in Nederland dient er volgens de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz), welke op 1 september 2007 van kracht is geworden, bij nieuwe ontwikkelingen vroegtijdig te worden gekeken naar de aanwezige archeologische waarden. Als gevolg van het Verdrag van Valetta, dat in 1998 door het Nederlandse parlement is goedgekeurd en in 2006 zijn beslag heeft gekregen in de nieuwe Monumentenwet, stellen Rijk en provincie zich op het standpunt dat in het ruimtelijk beleid zorgvuldig met het archeologische erfgoed moet worden omgegaan. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar reële verwachtingen bestaan dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn, dient voorafgaand aan bodemingrepen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. De uitkomsten van het archeologisch onderzoek dienen vervolgens volwaardig in de belangenafweging te worden betrokken. Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW) 2010, herziening 2016. Om te bepalen of binnen het plangebied sprake is van cultuurhistorische waarden waarmee rekening dient te worden gehouden, is de Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie geraadpleegd.

Het plangebied, waarop voorliggende toelichting betrekking heeft, is op de Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW) 2010, herziening 2016 aangeduid als ‘West-brabantse Venen’ (code REWB) en is als volgt omschreven: De regio bestaat uit van een zwak golvend dekzandlandschap op een oud-pleistocene ondergrond met afsluitende kleilagen. Met uitzondering van de Roosendaalse Beek en de omgeving van Wouw waren hier van nature geen beken. Een groot gebied had daardoor een slechte ontwatering. Er ontstonden veenmoerassen waarin dikke lagen veen tot ontwikkeling kwamen. Dit veen is vrijwel geheel door de mens afgegraven. De bodem van dit gebied bestaat daardoor weer voornamelijk uit dekzand. Kenmerkend is het proces van veenontginning. Tussen 1250 en 1750 hebben hier grootschalige veenafgravingen plaatsgevonden. Dit heeft de bewoningsgeschiedenis en de inrichting en vormgeving van het huidige landschap in belangrijke mate bepaald. Door de veenafgravingen nam de bevolking sterk toe en kwam er ook meer grond beschikbaar om landbouw te bedrijven. Er werden nieuwe dorpen gesticht. Cultuurhistorisch belang De winning en het transport van turf heeft het landschap eeuwenlang beheerst. Hieraan herinneren de (relicten van) turfvaarten en de

LOOIJMANS BOUWADVIES B.V. 50 Toelichting ‘Groene Woud 1, Oudenbosch’

turfhoofden. De ontginning van het veen heeft de ontwikkeling van het gebied mogelijk gemaakt. Op de afgeveende gronden werden nieuwe dorpen gesticht, landgoederen, landbouwgronden en productiebossen aangelegd. In de regio ligt het volgende cultuurhistorische landschap van provinciaal belang:  Landgoederen en veenrelicten rond Zundert en Etten-Leur. Dragende structuren in de regio zijn:  Onderscheid tussen oude dorpen en jonge ontginningen;  Dorpen en gehuchten gevormd in het kader van de turfgraverij;  Turfvaarten en turfhavens;  Overige gegraven waterlopen;  Landgoederen met parken, parkbossen en lanen. Het Groene Woud is op de Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW) 2010, herziening 2016 tevens aangeduid als historische geografische lijn met de waarde ‘redelijk hoog’. Daarnaast grenst het plangebied aan de ‘Oude dorpskern, havenbuurt Oudenbosch’ welke op de Cultuurhistorische Waardenkaart is aangeduid als historische stedenbouw met de waarde ‘zeer hoog’ en is als volgt omschreven: Oudenbosch was van belang als overslaghaven voor turf en had een marktplein met een oorspronkelijk slechts gedeeltelijk agrarische functie. Sedert 1800-1925 meer stedelijk karakter door aanleg van spoorlijn (1844) met stationsgebouw, de komst van de suikerindustrie (aanwezigheid van bevaarbaar en zoet water) en vooral vestiging van kloosters, instituten, internaten en scholen.

Oudenbosch werd een belangrijk katholiek onderwijscentrum met opvallende koepelbasiliek (1865-1892), geïnspireerd op de Roomse kerken Sint-Pieter en Sint-Jan van Lateranen. De oorspronkelijk lijnvormige stedenbouwkundige structuur langs de Markt werd bij deze groei gehandhaafd en sterk verdicht, maar ook vond een vorm van concentrische groei plaats doordat aan de achtererven sterk werd uitgebouwd met verschillende in zichzelf gekeerde, rond één of meerdere cours gegroepeerde bebouwingscomplexen. Redelijk gaaf bebouwingsbeeld met afwisselend één-, twee- en drielaags gemengde bebouwing, vrijwel altijd direct aan de straat, recente ontwikkeling hebben het historische karakter van de havenbuurt in zekere zin aangetast (kern 1800-1925).

LOOIJMANS BOUWADVIES B.V. 51 Toelichting ‘Groene Woud 1, Oudenbosch’

Figuur 22 Uitsnede Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW) 2010 – herziening 2016 (bron: www.brabant.nl/dossiers/dossiers-op-thema/cultuur/erfgoed-enmonumenten/cultuurhistorische-waarden-in-brabant)

Beleidsnota archeologie ‘Ons geschreven verleden’ De beleidsnota archeologie ‘Ons geschreven verleden’ is op 22 september 2011 door de gemeenteraad van de gemeente Halderberge vastgesteld en heeft als doel het beschermen van het archeologische erfgoed van de gemeente Halderberge, ontsluiten als bron van het ‘gemeenschappelijk geheugen’ en als middel voor wetenschappelijke studie, zonder meer maatschappelijke lasten in het leven te roepen dan strikt noodzakelijk. Het archeologiebeleid van de gemeente Halderberge bestaat globaal gezien uit de volgende onderdelen:  Inbedding archeologie in de ruimtelijke ordening;  De gemeente als regievoerder en bevoegd gezag;  Beperken toevalsvondsten;  Opstellen gemeentelijk selectiebeleid;  Aanwijzen nieuwe monumenten;  Ontsluiting van de kennis over het archeologisch erfgoed. Het plangebied, waarop voorliggende toelichting betrekking heeft, is op de archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart (kaart Oudenbosch) aangeduid als ‘overig stedelijk gebied’ met een lage archeologische verwachting.

LOOIJMANS BOUWADVIES B.V. 52 Toelichting ‘Groene Woud 1, Oudenbosch’

Figuur 23 Uitsnede kaart Oudenbosch - Archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl)

Beleidsnota cultureel erfgoed ‘Inspirerend verleden’ De beleidsnota cultureel erfgoed ‘Inspirerend verleden’ is gelijktijdig met de beleidsnota archeologie op 22 september 2011 door de gemeenteraad van de gemeente Halderberge vastgesteld. De gemeente Halderberge streeft hierin naar een beleid waarin zorgvuldig wordt omgegaan met de cultuurhistorische waarden binnen de gemeente. De centrale visie van deze nota luidt: ‘Cultuurhistorie is een drager van de identiteit van Halderberge en maakt integraal onderdeel uit van de ruimtelijke ontwikkeling van Halderberge, waardoor ontmoetingen van heden en verleden gelden als uitdaging en inspiratiebron voor de toekomst’. Behoud door ontwikkeling is hierbij het uitgangspunt.

LOOIJMANS BOUWADVIES B.V. 53 Toelichting ‘Groene Woud 1, Oudenbosch’

Figuur 24 Uitsnede Cultuurhistoriekaart Halderberge (bron: www.halderberge.nl)

Het plangebied, waarop voorliggende toelichting betrekking heeft, is op de cultuurhistoriekaart Halderberge, naast bovengenoemde aanduidingen, aangeduid als ‘zandgrond’ en tevens aangemerkt als ‘bebouwingsconcentratie (1830)’. De voorgenomen ontwikkeling zorgt er niet voor dat eventuele waardevolle elementen uit de historische stedenbouw en geografie in cultuurhistorische waarde kunnen dalen. Conclusie: Gelet op het bovenstaande vormen de aspecten cultuurhistorie en archeologie geen belemmering voor het plan.

4.8

Ecologie

Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. Deze vervangt 3 wetten; de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en Faunawet. Deze wet regelt de taken en bevoegdheden ten behoeve van de bescherming van planten- en diersoorten. Daarnaast bevat de wet onder meer bepalingen over de jacht en over houtopstanden. In de Wet natuurbescherming is de Europese regelgeving omtrent natuurbescherming, zoals vastgelegd in de Vogelrichtlijn (Richtlijn 2009/147/EG, 30 november 2009) en Habitatrichtlijn (Richtlijn 92/43/EEG, 21 mei 1992) als uitgangspunt genomen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in gebiedsbescherming en soortenbescherming.

LOOIJMANS BOUWADVIES B.V. 54 Toelichting ‘Groene Woud 1, Oudenbosch’

Gebiedsbescherming Het beschermingsregime betreffende gebieden (Natura 2000) is opgenomen in hoofdstuk 2 van de Wet natuurbescherming. Op grond van de Wet natuurbescherming is het verboden activiteiten te verrichten die leiden tot aantasting van wettelijk beschermde soorten en van hun voortplantingsplaats, vaste rustplaats of vaste verblijfplaats. De Wet natuurbescherming regelt de bescherming van gebieden die om hun ecologische waarde beschermd moeten worden. Daaronder vallen onder andere de zogenaamde Natura 2000 gebieden. Het meest nabijgelegen NNB-gebied ligt op een afstand van ca. 1 kilometer, aan de rand van de dorpskern. Het dichtstbijzijnde Natura 2000 gebied ligt op een afstand van ca. 9,5 kilometer van het plangebied. Het betreft hier Natura 2000 gebied ‘Hollands Diep’. Vanwege de grote afstand en de aard en omvang van de ontwikkeling kunnen relevante deposities of overige effecten op de beschermde natuurgebieden worden uitgesloten. Onderhavige ontwikkeling heeft derhalve met zekerheid geen mogelijk effect tot gevolg op de betreffende gebieden.

Figuur 25 Uitsnede overzichtskaart Natura 2000 gebieden (bron: www.ruimtelijkeplannen.brabant.nl)

Ten aanzien van stikstof is getoetst aan de ‘Handreiking woningbouw en AERIUS’ van de rijksoverheid (februari 2020). De norm is, naar aanleiding van de uitspraak van de Raad van State, dat nieuwe ontwikkelingen tijdens de bouwfase en het toekomstige gebruik niet meer dan 0,00 mol per hectare per jaar stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden mogen bijdragen. Uit de ‘Handreiking woningbouw en AERIUS’ blijkt dat onder

LOOIJMANS BOUWADVIES B.V. 55 Toelichting ‘Groene Woud 1, Oudenbosch’

bepaalde omstandigheden de stikstofdepositie minder bedraagt dan de geldende norm. Hiervoor is een stikstofberekening niet nodig. Deze omstandigheden zijn:  als sprake is van maximaal 50 laagbouwwoningen;  als wordt gebouwd op zandgrond;  én op minimaal 7 km. afstand van een Natura 2000-gebied. Voor deze specifieke ontwikkelingen en voor ontwikkelingen met een aangetoonde stikstofdepositie beneden de norm (0,00 mol/ha/jaar) hoeft in ieder geval geen stikstofberekening worden uitgevoerd én dus geen vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming worden aangevraagd.

Figuur 26 Uitsnede bodematlas Provincie Noord-Brabant (bron: www.kaartbank.brabant.nl/viewer/app/bodematlas)

Het plangebied, waarop voorliggende toelichting betrekking heeft, is op de cultuurhistoriekaart Halderberge aangeduid als ‘zandgrond’ en in de bodematlas van de Provincie Noord-Brabant, aangeduid als ‘overgangsgebied zand – klei’. De voorgenomen ontwikkeling betreft een enkele laagbouwwoning, gebouwd op zandgrond en op meer dan 7 km. afstand van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied, waardoor er geen stikstofberekening hoeft te worden uitgevoerd én dus ook geen vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming hoeft te worden aangevraagd. Soortenbescherming Het beschermingsregime betreffende soorten (flora en fauna) is opgenomen in hoofdstuk 3 van de Wet natuurbescherming. De

LOOIJMANS BOUWADVIES B.V. 56 Toelichting ‘Groene Woud 1, Oudenbosch’

verbodsbepalingen zijn hierbij afhankelijk gesteld van de soort (en daarmee de opname van die soort op de diverse lijsten) en de voorgenomen handelingen. Bovendien is een algemeen geldende zorgplicht opgenomen om handelingen achterwege te laten of maatregelen te treffen, om te voorkomen dat nadelige gevolgen ontstaan voor in het wild levende dieren en planten.

Figuur 27 Waarnemingen strikter beschermde soorten (bron: NDFF)

LOOIJMANS BOUWADVIES B.V. 57 Toelichting ‘Groene Woud 1, Oudenbosch’

Ter voorbereiding op het terreinbezoek zijn bovenstaande gegevens uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) middels quickscanhulp opgevraagd. Het betreft waarnemingen van beschermde soorten krachtens de Wet natuurbescherming binnen een straal van 0 tot 5 km ten opzichte van het plangebied. De gegevens zijn in de onderstaande tabel weergegeven. Terreinbezoek Op 6 maart 2020 heeft door Looijmans Bouwadvies B.V., in het bijzijn van de opdrachtgever, in de middag een oriënterende terreinbezoek plaatsgevonden bij droog weer met bewolking en circa 7˚C. Het oriënterende terreinbezoek heeft nadrukkelijk niet de status van een volledige veldinventarisatie. Zowel het tijdstip (seizoen) als het eenmalige karakter zijn hiervoor niet toereikend. Het eenmalige oriënterende terreinbezoek geeft slechts een globaal beeld op basis van een momentopname. Tijdens het veldonderzoek is het plangebied onderzocht op de aanwezigheid van sporen van dieren, zoals uitwerpselen, nesten en krab- en graafsporen. Daarnaast is de vegetatie bekeken en zijn waarnemingen van de aanwezige diersoorten gedaan. Planten Het plangebied is voor een groot deel verhard. Binnen het plangebied werden geen beschermde vaatplanten aangetroffen, dan wel kon de aanwezigheid op basis van het aanwezige biotoop worden uitgesloten. De aanwezigheid van beschermde vaatplanten kan redelijkerwijs worden uitgesloten.

Vleermuizen Blijkens de data zijn in de ruimere omgeving van het plangebied diverse soorten vleermuizen waargenomen. De aanwezigheid van verblijfplaatsen in de te slopen bebouwing zoals kolonie-, paar- en verwinteringsplaatsen van vleermuizen kan worden uitgesloten. In de te slopen bebouwing zijn geheel geen geschikte openingen aangetroffen waarin vleermuizen kunnen verblijven. In en rond het gebied ontbreekt het aan bomen met voor vleermuizen geschikte holten en/of kieren zodat ook de aanwezigheid van verblijfplaatsen van boombewonende soorten op voorhand kan worden uitgesloten. Effecten op vliegroutes of migratieroutes worden uitgesloten omdat grootschalige landschapselementen niet voorkomen in het plangebied of aansluiten op het plangebied. Met de realisatie van de plannen zal het gebied niet van vorm veranderen, gelet op de foerageermogelijkheden van vleermuizen. Het plangebied is nu niet van waarde als essentieel foerageergebied en in de toekomst zal deze functie niet verminderen doordat er geen essentiële zaken veranderen. Effecten op de foerageermogelijkheden van vleermuizen worden derhalve ook uitgesloten.

LOOIJMANS BOUWADVIES B.V. 58 Toelichting ‘Groene Woud 1, Oudenbosch’

Overige zoogdieren Binnen het plangebied werden geen beschermde zoogdieren waargenomen of sporen aangetroffen. De aanwezigheid van beschermde grondgebonden zoogdieren kan redelijkerwijs worden uitgesloten. Vogels In de omgeving van het plangebied werden tijdens het veldbezoek geen vogels waargenomen. De te slopen bebouwing is beoordeeld als potentieel geschikt voor de huismus vanwege de aanwezigheid van een pannendak. Zowel in het plangebied zelf als de ruimere omgeving werden echter geen huismussen gezien of gehoord. Sporen werden ook niet aangetroffen. De huismus is jaarrond op en nabij nestlocaties aanwezig, zodat de aanwezigheid van de huismus kan worden uitgesloten. De te slopen bebouwing is ongeschikt voor de gierzwaluw en voor uilen. De aanwezigheid van nesten kan redelijkerwijs worden uitgesloten. Vissen, amfibieën en reptielen Binnen het plangebied ontbreekt geschikte biotoop voor beschermde soorten, mede door de afwezigheid van water en/of voldoende beschutting. De aanwezigheid van beschermde vissen, amfibieën en reptielen kan redelijkerwijs worden uitgesloten. Conclusie: Uit de bevindingen van het bureauonderzoek en het terreinbezoek en de toetsing van de resultaten aan de Wet natuurbescherming, blijkt dat bij uitvoering van het plan geen negatieve effecten te verwachten zijn op beschermde soorten. In algemene zin moet wel de zorgplicht in acht worden genomen.

Deze zorgplicht geldt met name ten aanzien van broedgevallen van alle vogelsoorten. Aangezien alle vogels tijdens het broeden zijn beschermd, kunnen werkzaamheden tijdens het broedseizoen leiden tot een overtreding van de Wet natuurbescherming. Gelet op het bovenstaande vormt het aspect ecologie, met inachtneming van de zorgplicht, geen belemmering voor het plan.

4.9

Externe veiligheid

Externe veiligheid betreft het risico dat aan bepaalde activiteiten is verbonden voor niet bij de activiteit betrokken personen. Het externe veiligheidsbeleid richt zich op het beheersen van risicovolle bedrijfsactiviteiten en van risicovol transport. Het gaat daarbij om de bescherming van individuele burgers en groepen tegen ongevallen met gevaarlijke stoffen. Risicobronnen kunnen worden onderscheiden in risicovolle inrichtingen (waaronder lpg-tankstations), vervoer van gevaarlijke stoffen (over wegen, spoorwegen en vaarwegen) en buisleidingen (voor bijvoorbeeld aardgas of brandstof). Om voldoende ruimte te scheppen tussen een risicobron en personen of objecten die risico lopen (kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten) moeten vaak

LOOIJMANS BOUWADVIES B.V. 59 Toelichting ‘Groene Woud 1, Oudenbosch’

afstanden in acht worden genomen. Ook ontwikkelingsmogelijkheden die ingrijpen in de personendichtheid kunnen om onderzoek vragen. Het beoordelingskader voor risicovolle inrichtingen wordt gevormd door het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). In het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) zijn de Basisnetten voor weg, spoor en water vastgelegd. Voor buisleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Bij de beoordeling van externe veiligheidsrisico's staan, zowel in het Bevi, het Bevt als het Bevb, twee begrippen centraal: 1. Het plaatsgebonden risico (PR): het risico op een plaats, uitgedrukt in een waarde voor de kans per jaar dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval waarbij één of meer gevaarlijke stoffen zijn betrokken. Het plaatsgebonden risico kan op kaart worden weergegeven in de vorm van risicocontouren. Bij de beoordeling wordt getoetst of het plaatsgebonden risico niet hoger is dan eens per 1 miljoen jaar (10-6 per jaar), de grenswaarde; 2. Het groepsrisico (GR): de kans dat bij een ongeval buiten de locatie waar activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden 10, 100 of 1.000 slachtoffers tegelijk vallen. Het groepsrisico is een maat voor de verwachte omvang van een ramp.

Bij de beoordeling van het groepsrisico wordt de hoogte van het groepsrisico vergeleken met de zogeheten oriëntatiewaarde. Een wijziging van het groepsrisico dient over het algemeen te worden verantwoord door het bevoegd gezag.

LOOIJMANS BOUWADVIES B.V. 60 Toelichting ‘Groene Woud 1, Oudenbosch’

Figuur 28 Risicokaart externe veiligheid (bron: www.nederland.risicokaart.nl)

Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) is gericht aan het bevoegd gezag inzake de Wet milieubeheer en de Wet ruimtelijke ordening en heeft onder meer tot doel om bij nieuwe situaties toetsing aan de risiconormen te waarborgen. In de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) zijn o.a. standaardafstanden opgenomen waarbij wordt voldaan aan de grens- en richtwaarden voor het plaatsgebonden risico. Het Bevi is van toepassing op vergunningplichtige risicovolle bedrijven en de nabijgelegen al dan niet geprojecteerde (beperkt) kwetsbare objecten. In artikel 2, lid 1 van het Bevi is opgesomd wat wordt verstaan onder risicovolle bedrijven. In artikel 1 van het Bevi wordt toegelicht wat wordt verstaan onder (beperkt) kwetsbare objecten. Voor de toepassing van het Bevi, wordt een nieuw ruimtelijk besluit gezien als een nieuwe situatie. Om te bepalen of er in de directe omgeving bedrijven zijn gelegen waarop het Bevi van toepassing is, is de Regeling als ook de risicokaart geraadpleegd. De gegevens tonen dat in de omgeving van het plangebied geen inrichtingen aanwezig zijn die belemmerend kunnen zijn voor het plan. Conclusie is dan ook dat het Bevi geen belemmering vormt voor het plan.

LOOIJMANS BOUWADVIES B.V. 61 Toelichting ‘Groene Woud 1, Oudenbosch’

Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) Beoordeling van de risico’s veroorzaakt door het vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor, het water en de weg dient plaats te vinden aan de hand van het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), zoals in werking per 1 april 2015. Bij het besluit horen grens- en richtwaarden voor het plaatsgebonden risico en richtlijnen voor de toepassing van de rekenmethodiek en de verantwoording van het groepsrisico. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen langs transportassen die deel uitmaken van het Basisnet Weg, Water en/of Spoor kan de berekening van het plaatsgebonden risico achterwege blijven. Hiervoor gelden namelijk de afstanden die in bijlage 2, 3 en 4 van het Bevt zijn opgenomen. Op deze afstanden mag het plaatsgebonden risico vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen niet meer bedragen dan 10-6 per jaar. Voor het Basisnet Weg geldt dat daar waar in de tabel van bijlage 2 van het Bevt de afstand ‘0’ is vermeld het plaatsgebonden risico vanwege het vervoer op het midden van de weg niet meer mag bedragen dan 10-6 per jaar. Vervoer over het spoor Om te bepalen of er in de directe omgeving van het plangebied risicorelevante transportassen zijn gelegen is de risicokaart geraadpleegd. Het plangebied ligt op circa 360 meter van de spoorlijn Roosendaal – Dordrecht.

Gelet op deze afstand zijn er geen risicoberekeningen noodzakelijk en hoeven er geen beperkingen te worden gesteld aan het ruimtegebruik binnen het plangebied. Wel is het plangebied gelegen binnen het invloedsgebied van toxische scenario’s op de spoorlijn Roosendaal – Dordrecht. Dit zijn scenario’s met een invloedsgebied van >4 kilometer. Aangezien het plangebied gelegen is op een afstand van meer dan 200 meter van de transportroutes, kan volstaan worden met een toetsing aan artikel 7 van het Bevt. Derhalve dient een beperkte verantwoording van het groepsrisico te worden afgelegd inzake de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. Een standaard advies van de veiligheidsregio Midden- en WestBrabant is een afdoende motivering van de veiligheidsrisico’s. Dit standaard advies en de standaard verantwoording groepsrisico zijn toegevoegd aan de bijlagen van onderhavige toelichting. Vervoer over de weg Het transport van gevaarlijke stoffen moet primair via het hoofdwegennet plaatsvinden. Binnen de gemeente Halderberge zijn onder andere de rijkswegen A17 en de A58 en de gemeentelijke transportroutes N268, N640 en N641 wegen waarover vervoer van gevaarlijke stoffen kan plaatsvinden. Overeenkomstig de huidige regelgeving dienen plannen die binnen een afstand van 200 meter van een transportroute zijn gelegen te worden getoetst.

Heeft een weg een veiligheidszone dan mogen binnen de zone geen (beperkt) kwetsbare objecten worden gerealiseerd. Dit is niet van toepassing. Over gemeentelijke wegen vindt, zoals ingeschat bij een inventarisatie door de OMWB, incidenteel transport van gevaarlijke stoffen plaats ter

LOOIJMANS BOUWADVIES B.V. 62 Toelichting ‘Groene Woud 1, Oudenbosch’

bevoorrading van de risicovolle inrichtingen. De intensiteit hiervan is echter dusdanig dat geen sprake is van een PR 10-6 contour. Vervoer over het water Het plangebied is niet gelegen binnen de invloedssfeer van waterwegen waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Conclusie is dan ook dat het Bevt geen belemmering vormt voor het plan. Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) Het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) regelt de taken en verantwoordelijkheden van de leidingexploitant en de gemeenten. Wanneer sprake is van buisleidingen dient de gemeente in bestemmingsplannen een ruimtelijke reservering op te nemen voor het plaatsgebonden risico (PR) en een verantwoording van het groepsrisico (GR). Binnen de PR 10-6 risicocontour mogen geen kwetsbare objecten aanwezig zijn en zo mogelijk ook geen beperkt kwetsbare objecten. Het verwachte aantal aanwezigen binnen het invloedsgebied van de buisleiding moet worden verantwoord. Het invloedsgebied reikt bij brandbare vloeistoffen tot net buiten de 10-6 contour, voor leidingen met aardgas en chemicaliën moet dat per geval bekeken worden. Daarnaast worden er eisen gesteld aan het verwerken van de ruimtelijke reservering in een bestemmingsplan. De ruimtelijke reserveringen dienen binnen 5 jaar opgenomen te worden in het bestemmingsplan.

De voor onderhoud gereserveerde ruimte bedraagt ten minste 5 meter aan beide zijden van de leiding. In de directe omgeving van het plangebied zijn geen buisleidingen aanwezig. Conclusie is dan ook dat ook het Bevb geen belemmering vormt voor het plan. Conclusie: Gelet op het bovenstaande vormt het aspect externe veiligheid geen belemmering voor het plan. Het standaard advies 2021 en de verantwoording groepsrisico zijn toegevoegd aan de bijlagen van onderhavige toelichting.

4.10 Kabels en leidingen De hierna volgende leidingen zijn ruimtelijk relevant, voor zover zij geen deel uitmaken van een inrichting zoals bedoeld in de Wet milieubeheer (leidingen binnen de inrichtingsgrens die in beheer zijn van de drijver van de inrichting én leidingen die in beheer zijn van derden waarmee een product wordt geleverd aan de betreffende inrichting):  hoogspanningsverbindingen van 50 kV en hoger;  buisleidingen voor transport van aardgas met een uitwendige diameter van meer dan 50 mm en een druk van meer dan 16 bar;

LOOIJMANS BOUWADVIES B.V. 63 Toelichting ‘Groene Woud 1, Oudenbosch’

 

buisleidingen voor transport van aardolieproducten met een uitwendige diameter van meer dan 70 mm en een druk van meer dan 16 bar; buisleidingen met een diameter van 400 mm of meer buiten de bebouwde kom; buisleidingen voor transport van andere stoffen dan aardgas en aardolieproducten, die risico's met zich meebrengen voor mens en/of leefomgeving wanneer deze leidingen beschadigd (in ieder geval leidingen voor transport van nafta, waterstof, koolstofdioxide, stikstof, zuurstof, ethyleen en propyleen worden hieronder verstaan).

Ter plaatse van het plangebied zijn geen planologisch relevante kabels en leidingen aanwezig. Indien nodig zal in een later stadium van onderhavig project een KLIC-melding worden uitgevoerd. Conclusie Er zijn geen belemmeringen met betrekking tot de aanwezigheid van kabels en leidingen.

LOOIJMANS BOUWADVIES B.V. 64 Toelichting ‘Groene Woud 1, Oudenbosch’

5.

Juridische plantoelichting

5.1

Opbouw bestemmingsplan

Dit hoofdstuk bespreekt de wijze waarop het ruimtelijk en functioneel beleid voor het plangebied in het bestemmingsplan is vertaald. Bij het opstellen van de juridische regeling heeft het uitgangspunt centraal gestaan dat er een regeling geboden wordt die de ontwikkeling van het plangebied mogelijk maakt. De methodiek van het vigerend bestemmingsplan voor de kom van Oudenbosch is hierbij leidend. Het bestemmingsplan bestaat uit regels en een verbeelding, vergezeld van een toelichting. De regels en de verbeelding vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. De regels zijn zodanig opgesteld dat wordt aangesloten bij de regels van het vigerend bestemmingsplan voor de kom van Oudenbosch. Verbeelding De verbeelding is opgezet uitgaande van het rapport ‘Digitaal Uitwisselbare Ruimtelijke Plannen’ (DURP) en het rapport ‘Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012’ (SVBP2012). Hierdoor wordt het mogelijk met toevoeging van een codering de plannen digitaal uit te wisselen. De verbeelding is getekend op een kadastrale ondergrond. Op de verbeelding zijn de functies bestemd, waardoor het direct mogelijk is om met het bijbehorende renvooi te zien welke bestemmingen aan de gronden binnen het plangebied gegeven zijn. In de bijbehorende regels zijn de bestemmingsomschrijving en de bouwregels te vinden.

Regels De regels bepalen hoe de betreffende gronden mogen worden gebruikt en bebouwd. De bestemmingen zijn zo opgenomen dat voldoende rechtszekerheid bestaat voor omwonenden en andere gebruikers van het gebied en de omliggende gebieden. De regels bestaan uit vier hoofdstukken, te weten:  inleidende regels;  bestemmingsregels;  algemene regels;  overgangs- en slotregels. Toelichting In de toelichting wordt gemotiveerd waarom sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Ondanks het feit dat de toelichting geen onderdeel uitmaakt van het juridisch plangedeelte, fungeert de toelichting wel als interpretatiekader voor de uitleg van de regels, indien hierover interpretatieverschillen blijken te bestaan.

LOOIJMANS BOUWADVIES B.V. 65 Toelichting ‘Groene Woud 1, Oudenbosch’

5.2

Toelichting regels

Hoofdstuk 1 ‘Inleidende regels’ Artikel 1 ‘Begrippen’ In dit artikel worden begrippen gedefinieerd, die in de regels worden gehanteerd. Bij de toetsing aan het bestemmingsplan moet worden uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis. Artikel 2 ‘Wijze van meten’ In dit artikel wordt aangegeven hoe de hoogte en andere maten, die bij het bouwen in acht genomen dienen te worden, gemeten moeten worden. Hoofdstuk 2 ‘Bestemmingsregels’ Het stramien voor de regels is vastgelegd in de SVBP 2012. De regels van een bestemming worden als volgt opgebouwd en benoemd:  bestemmingsomschrijving;  bouwregels;  nadere eisen;  afwijken van de bouwregels;  specifieke gebruiksregels;  afwijken van de gebruiksregels;  omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden;  omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk;  wijzigingsbevoegdheid. Duidelijk zal zijn dat een regel niet alle elementen hoeft te bevatten. Dit kan per bestemming verschillen. Artikel 3 ‘Wonen’ Binnen de bestemming ‘Wonen’ wordt ter plaatse van de aanduiding ‘bouwvlak’ een vrijstaande woning mogelijk gemaakt waarbinnen tevens een aan-huis-verbonden beroep mogelijk is, mits wordt voldaan aan de in het artikel opgenomen specifieke gebruiksregels.

Ook de bij de bestemming behorende voorzieningen zoals erven, tuinen, paden en parkeerplaatsen zijn toegestaan binnen deze bestemming. De bebouwing die op het bouwperceel is toegestaan, wordt vermeld in de bouwregels. Hoofdstuk 3 ‘Algemene regels’ Artikel 4 ‘Anti-dubbeltelbepaling’ In dit artikel wordt geregeld dat voor gronden die eenmaal in aanmerking zijn genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing blijven.

LOOIJMANS BOUWADVIES B.V. 66 Toelichting ‘Groene Woud 1, Oudenbosch’

Artikel 5 ‘Algemene bouwregels’ Voor het hele plangebied gelden een aantal algemene bouwregels. Deze hoeven dus niet opgenomen te worden in de afzonderlijke bestemmingen. Het betreffen bouwregels ten aanzien van de bestaande bebouwing, voorzieningen van algemeen nut en ondergeschikte bouwdelen in relatie tot bouwen. Artikel 6 ‘Algemene gebruiksregels’ In dit artikel wordt aangegeven welk gebruik voor het gehele plangebied in elk geval als strijdig gebruik wordt beschouwd. Artikel 7 ‘Algemene aanduidingsregels’ In dit artikel worden de gebiedsaanduidingen ‘luchtvaartverkeerzone – 5’, ‘milieuzone - boringsvrije zone’ en ‘milieuzone grondwaterbeschermingsgebied’ en bijbehorende regels beschreven. Artikel 8 ‘Algemene afwijkingsregels’ In deze regels wordt aangegeven in welke gevallen burgemeester en wethouders bevoegd zijn om bij een omgevingsvergunning af te wijken van bepaalde, in het uitwerkingsplan geregelde, onderwerpen. Artikel 9 ‘Overige regels’ In dit artikel is de gemeentelijke parkeerregeling opgenomen. Hoofdstuk 4 ‘Overgangs- en slotregels’ Artikel 10 ‘Overgangsrecht’ Dit artikel betreft het overgangsrecht met betrekking tot gebruik van onbebouwde gronden en bouwwerken dat afwijkt van het bestemmingsplan op het moment dat dit rechtskracht verkrijgt. Dit gebruik mag worden voortgezet.

Wijziging van het afwijkend gebruik is slechts toegestaan indien de afwijking hierdoor wordt verkleind. Daarnaast zijn overgangsregels opgenomen ten aanzien van het bouwen. Een bouwwerk dat afwijkt van de bouwregels van het bestemmingsplan op het moment dat dit rechtskracht verkrijgt, mag gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd, of na een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd. De afwijking mag daarbij naar aard en omvang niet worden vergroot. Daarvan mag eenmalig bij een omgevingsvergunning worden afgeweken tot maximaal 10% van de inhoud van het bouwwerk. Het overgangsrecht is niet van toepassing op bouwwerken die reeds in strijd waren met het voorgaande geldende bestemmingsplan. Artikel 11 ‘Slotregel’ In de slotregel wordt de officiële naam van het plan weergegeven. Onder deze naam kan het bestemmingsplan aangehaald worden.

LOOIJMANS BOUWADVIES B.V. 67 Toelichting ‘Groene Woud 1, Oudenbosch’

6.

Uitvoerbaarheid

6.1

Financieel-economische uitvoerbaarheid

De centrale doelstelling van de grondexploitatieregelingen zoals opgenomen als afdeling 6.4 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro), is om in de situatie van particuliere grondexploitatie te komen tot een verbetering van het gemeentelijk kostenverhaal en de versterking van de gemeentelijke regie bij locatieontwikkeling. Het uitgangspunt van de regeling is dan ook dat gemeenten een verplichting hebben tot kostenverhaal. Dit betekent dat een gemeente de gemaakte kosten op de particuliere grondeigenaar moet verhalen in het geval deze eigenaar zelf tot ontwikkeling van de gronden overgaat. Op grond van de Wro kan echter van de verplichting tot het vaststellen van een exploitatieplan worden afgezien, indien sprake is van één van onderstaande gevallen:  het verhaal van de kosten van de grondexploitatie is anderszins verzekerd;  het bepalen van een fasering en/of het vastleggen van locatieeisen is niet noodzakelijk. De gemeente Halderberge zal een anterieure overeenkomst sluiten met de initiatiefnemer, waarin het kostenverhaal van plankosten en bovenwijkse voorzieningen wordt geregeld. Hiermee is het kostenverhaal voldoende verzekerd en hoeven geen aanvullende maatregelen te worden getroffen. Eigendom Het betreffende perceel is sinds geruime tijd in eigendom van de initiatiefnemer.

Er zijn geen relevante erfdienstbaarheden of andere privaatrechtelijke belemmeringen voor de beoogde nieuw te bouwen woning bekend. Daarom kan het plan ook in dit opzicht haalbaar worden geacht. Conclusie: Gelet op het bovenstaande vormt het aspect financieeleconomische uitvoerbaarheid geen belemmering voor het plan.

6.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Vooroverleg Op grond van artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening dient de gemeente bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg te plegen met betrokken waterschappen en diensten van Rijk en provincie die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn. In het kader van bovengenoemd vooroverleg is het ontwerpbestemmingsplan toegezonden aan:  Provincie Noord-Brabant  Waterschap Brabantse Delta  Rijkswaterstraat

LOOIJMANS BOUWADVIES B.V. 68 Toelichting ‘Groene Woud 1, Oudenbosch’

 

Nederlandse Gasunie DNWG infra

Reactie Provincie Noord-Brabant Het plan is bij de provincie Noord-Brabant aangemeld en heeft geen aanleiding gegeven tot het maken van opmerkingen. Reactie Waterschap Brabantse Delta Aangezien de belangrijkste uitgangspunten voor het waterschap naar wens zijn opgenomen in het bestemmingsplan geeft het waterschap een positief wateradvies. Wel verzoekt het waterschap de toelichting ten aanzien van gewijzigd beleid te actualiseren en aandacht te schenken aan het gebruik van milieuvriendelijke bouwmaterialen en het achterwege laten van uitlogende bouwmaterialen, zoals lood, koper, zink en zacht PVC. De waterparagraaf is hierop aangepast en aangevuld. Reactie Rijkswaterstaat Uit de reactie van Rijkswaterstaat blijkt dat dit plan niet in het beheersgebied van Rijkswaterstaat Zuid-Nederland ligt en het dan ook geen van haar belangen raakt. Reactie Nederlandse Gasunie Het plan is door Nederlandse Gasunie getoetst aan het huidige externe veiligheidsbeleid van het Ministerie van I&M voor aardgastransportleidingen, zoals bepaald in het per 1 januari 2011 in werking getreden Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Op grond van deze toetsing komt Nederlandse Gasunie tot de conclusie dat het plangebied buiten de 1% letaliteitgrens van de dichtstbij gelegen leiding valt. Daarmee staat vast dat deze leiding geen invloed heeft op de verdere planontwikkeling.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.halderberge.nl/api/v1/meetings/507/documents/15194