CConstaterende datHaarlemmermeer
Koppel je AI →
Document · PDF

RV Weigeren vvgb twee woningen Kruisweg 1501 te Cruquius (2021.0002537).pdf

Raadsplein: Agenda en raadsstukken 23 december 2021, gemeente HaarlemmermeerBij agendapunt: RV Weigeren verklaring van geen bedenkingen voor het bouwen van twee aaneen gebouwde woningen aan de Kruisweg 1501 te Cruquius (2021.0002537)19.351 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

gemeente Haarlemmermeer

raadsvoorstel

Onderwerp

Portefeuillehouder Steller Collegevergadering

Weigeren verklaring van geen bedenkingen voor het bouwen van twee aaneengebouwde woningen aan de Kruisweg 1501 te Cruquius mr. Mariëtte Sedee-Schuitemaker Judith Filippo 9 november 2021

Raadsvergadering Raadsvoorstelnummer

2021.0002537 1. Voorstel Het college besluit de raad voor te stellen om: 1. in te stemmen met de Nota van zienswijzen weigeren verklaring van geen bedenkingen Kruisweg 1501; 2. een verklaring van geen bedenkingen te weigeren voor het bouwen van twee aaneenge­ bouwde woningen aan de Kruisweg 1501 te Cruquius. 2. Samenvatting Wij willen een omgevingsvergunning weigeren voor het bouwen van twee aaneengebouwde woningen op een braakliggend perceel gelegen aan de Kruisweg 1501 te Cruquius. Het plan valt binnen het bestemmingsplan Haarlemmermeerse Bos en Groene Weelde en heeft de bestem­ ming 'Bedrijf' waar bedrijven tot en met milieucategorie 2 zijn toegestaan. Wij kunnen deze omgevingsvergunning alleen weigeren nadat de raad heeft verklaard geen ver­ klaring van geen bedenkingen (vvgb) af te geven voor dit plan. Het project kan namelijk niet worden geschaard onder een van de categorieën, waarvoor geen vvgb vereist is volgens het raadsbesluit van 3 oktober 2019 (2019.0040560). 3. Uitwerking 3.1 Wat willen we bereiken? Wij hebben het voornemen de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het bouwen van twee aaneengebouwde woningen op een braakliggend perceel gelegen aan de Kruisweg 1501 te Cruquius te weigeren. 3.2 Wat gaan we daarvoor doen? Het beoogde plan Het plan voorziet in twee aaneengebouwde woningen op een braakliggend perceel gelegen aan de Kruisweg 1501 te Cruquius.

Weigeren verklaring van geen bedenkingen voor het bouwen van twee aaneengebouwde woningen pagina 2

aan de Kruisweg 1501 te Cruquius

Bestemmingsplan Het vigerende bestemmingsplan is 'Haarlemmermeerse Bos en Groene Weelde'. Op het perceel zijn de betreffende gronden voorzien van de bestemming 'Bedrijf' met de functieaanduiding 'bedrijf tot en met categorie 2'. Tevens ligt in het noordelijke deel van het plangebied de dubbelbestemming 'Leiding - Water'. Binnen de bedrijfsbestemming zijn geen burgerwoningen toe­ gestaan. Overwegingen Wij hebben zorgvuldig naar de aanvraag gekeken. De locatie is vanuit milieuaspecten zwaar be­ last. De locatie ligt op relatief korte afstand van een autoweg, waardoor het een hoge geluids­ belasting heeft en de luchtkwaliteit een negatieve invloed heeft op de gezondheid. In het kader van een veilige fysieke leefomgeving hebben wij een zorgplicht. Gezondheidsaspec­ ten wegen zwaar mee bij de afweging. Daarbij anticiperen wij op de, door de raad, vastgestelde ontwerp-Omgevingsvisie Haarlemmermeer, waarin het voornemen tot het opstellen van beleid is opgenomen. Deze locatie is geen goede plek om woningen toe te voegen. De aanvraag is getoetst aan het bestemmingsplan 'Haarlemmermeerse Bos en Groene Weelde' en heeft een bestemming Bedrijf waar bedrijven tot en met milieucategorie 2 zijn toegestaan. De aanvraag kan niet worden vergund op grond van het ter plaatse geldende bestemmingsplan, omdat op grond van het bestemmingsplan er geen woningen zijn toegestaan.

Volgens de Wet ruimtelijke ordening (Wro) dient (afwijking van) een bestemmingsplan te strek­ ken ten behoeve van een 'goede ruimtelijke ordening'. Als geen goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd, is er strijd met een goede ruimtelijke ordening. Bij een goede ruimtelijke ordening moet een weging plaatsvinden van alle belangen. Het gaat hierbij niet alleen om harde wettelijke normen. Goede ruimtelijke ordening volgt namelijk niet alleen uit het voldoen aan wettelijke normen. Belangrijk is het voldoen aan, en creëren van een goed en gezond leefkli­ maat. Een goede ruimtelijke ordening is wat gewenst en verantwoord is en zorgt voor kwaliteit van de leefomgeving. In dit licht krijgen gezondheidsaspecten een belangrijke rol bij een goede afweging van een goed en gezond leefklimaat. Luchtvervuiling leidt tot een hoger risico op onder andere luchtwegaandoeningen, hart- en vaatziekten en sterfte daaraan. Het blijkt dat hoe dichter men woont bij een drukke weg, hoe vaker deze gezondheidseffecten optreden. Ook op plekken waar aan de grenswaarden wordt voldaan, treden deze gezondheidseffecten op. In de GGD-Richtlijn Luchtkwaliteit en Gezondheid, wordt aanbevolen om woningen niet binnen 50 meter van een drukke weg met meer dan 10.000 motorvoertuigen per etmaal te bouwen.

Dit is echter een ad­ vies van de GGD en wordt in Haarlemmermeer niet als harde grens toegepast in haar beleid. De N201 is echter een zeer drukke weg en zit ver boven de 10.000 mvt/etmaal (rond de 35.000 mvt/etmaal). Vanuit luchtkwaliteit gezien en een gezonde leefomgeving is de locatie geen ge­ wenste plek om woningen toe te voegen. De GGD-richtlijn is niet een hard uitgangspunt, maar een vertrekpunt om de gezondheidsbelan­ gen te kunnen afwegen tegen de woningbouwbehoeften. Er is in dit geval een grote afwijking van het GGD-advies. Er is geen sprake van een voldoende gezond leefklimaat. Het gezondheids­ belang prevaleert hierdoor boven het particuliere belang van het bouwen van twee woningen. Medewerking verlenen aan het plan zou een ongewenst precedent scheppen.

Weigeren verklaring van geen bedenkingen voor het bouwen van twee aaneengebouwde woningen pagina 3

aan de Kruisweg 1501 te Cruquius

Zienswijzen Op 29 april (2021.0000439) heeft de gemeenteraad besloten om de ontwerpverklaring van geen bedenkingen voor het bouwen van twee aaneengebouwde woningen aan de Kruisweg 1501 te Cruquius te weigeren. Het ontwerpbesluit tot weigering van de omgevingsvergunning en het raadsbesluit tot weigering van de ontwerp-vvgb hebben van 25 mei 2021 gedurende zes weken ter inzage gelegen. Er zijn twaalf zienswijzen binnengekomen. Het zijn tien gelijkluidende brieven van omwonenden en twee gelijkluidende brieven van de initiatiefnemers. De zienswijzen zijn binnen de termijn ingediend. Ze zijn daarom ontvankelijk. In de bijgevoegde Nota van zienswijzen worden alle binnengekomen reacties voorzien van een beantwoording. Onze conclusie is, dat de locatie vanuit milieuaspecten te zwaar is belast. De locatie ligt op rela­ tief korte afstand van een autoweg, waardoor de luchtkwaliteit een negatieve invloed heeft op de gezondheid. De primaire weigeringsgrondslag betreft dan ook het aspect luchtkwaliteit. Zie de Nota van zienswijzen voor de inhoudelijke motivering. Nu wij van oordeel zijn dat er geen sprake is en kan zijn van een goede ruimtelijke ordening, stellen wij de raad voor te besluiten tot weigering van de vvgb. 3.3 Wat mag het kosten? Aan de uitvoering van dit voorstel zijn, naast de beschikbare ambtelijke capaciteit, geen kosten verbonden.

3.4 Wie is daarvoor verantwoordelijk? Op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is de raad bevoegd te besluiten over een vvgb. De bevoegdheid te besluiten omtrent een aanvraag omgevingsvergunning ligt bij ons college. De portefeuillehouder Ruimtelijke ordening is eerste aanspreekpunt binnen het college. 3.5 Wanneer en hoe zal de raad over de voortgang worden geïnformeerd? De raad besluit in definitieve zin over de verklaring van geen bedenkingen. Dat maakt onderdeel uit van het collegebesluit dat daarop volgt over de vergunningaanvraag. De raad zal in kennis worden gesteld van een eventuele beroepsprocedure. 4. Ondertekening Burgemeester en wethouders van de gemeqhte Haarlemmermeer, de burgemeester, de loco-feecretaris

15

U

uil

ananr

Bijlage(n): • Ruimtelijke onderbouwing KruiswegllSOl Cruquius • Ruimtelijk advies Kruisweg 1501 Cruquius • Nota zienswijzen Kruisweg 1501 Cruquius

:hLdrmans-Wijdeven

Ruimtelijke onderbouwing Realisatie twee woningen op de Kruisweg 1501 te Cruquius

Datum: Opdrachtgever: Status:

12 augustus 2020 Dhr. J. Beijer definitief

Ruimtelijke onderbouwing realisatie twee woningen Kruisweg 1501 Cruquius

Inhoud 1

Inleiding .................................................................................. 3

1.1 1.2 1.3 1.4

AANLEIDING .................................................................................................................. 3 LIGGING EN BEGRENZING VAN HET PROJECT .......................................................................... 3 VIGEREND BESTEMMINGSPLAN .......................................................................................... 4 LEESWIJZER................................................................................................................... 4

2

Planbeschrijving ...................................................................... 5

2.1 2.2 2.3 2.4

BESTAANDE SITUATIE ...................................................................................................... 5 TOEKOMSTIGE SITUATIE ................................................................................................... 6 PARTICIPATIE ................................................................................................................. 7 ONDERBOUWING ............................................................................................................ 7

3

Beleid en regelgeving .............................................................. 8

3.1 3.2 3.3 3.4 3.5

RIJKSBELEID .................................................................................................................. 8 PROVINCIAAL BELEID ....................................................................................................... 9 REGIONAAL BELEID ........................................................................................................ 13 GEMEENTELIJK BELEID .................................................................................................... 14 BEZONNING ................................................................................................................. 15

4

Onderzoek en beperkingen ..................................................... 16

4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9 4.10 4.11 4.12

CULTUURHISTORIE EN ARCHEOLOGIE ..................................................................................16 BEDRIJVEN EN MILIEUZONERINGEN .................................................................................... 17 BODEM........................................................................................................................ 17 EXTERNE VEILIGHEID ......................................................................................................18 FLORA EN FAUNA ........................................................................................................... 20 GELUID........................................................................................................................ 21 KABELS, LEIDINGEN EN TELECOMMUNICATIE-INSTALLATIES ..................................................... 22 LUCHTHAVENINDELINGBESLUIT SCHIPHOL (LIB) ................................................................... 23 LUCHTKWALITEIT ...........................................................................................................24 MILIEUEFFECTRAPPORTAGE / M.E.R.-(BEOORDELINGS)PLICHT ................................................. 25 VERKEER, PARKEREN EN ONTSLUITING ...............................................................................

25 WATER ........................................................................................................................26

5

Uitvoerbaarheid..................................................................... 29

5.1 5.2

ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID .....................................................................................29 MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID..............................................................................29

Bijlagen 1. ADVIES WELSTANDSCOMMISSIE HAARLEMMERMEER D.D. 18 DECEMBER 2019 2. VERKENNEND BODEMONDERZOEK D.D. 23 AUGUSTUS 2019 3. GELUIDSONDERZOEK D.D. 6 MAART 2019 4. SPECIFICATIES RAINBLOKS

2

Ruimtelijke onderbouwing realisatie twee woningen Kruisweg 1501 Cruquius

1

Inleiding

1.1 Aanleiding Initiatiefnemer heeft het plan opgevat om op het perceel Kruisweg 1501 te Cruquius (kadastraal bekend als sectie AC, nr. 670, 849 en 1681) twee woningen te realiseren. De realisatie van de twee woningen past niet binnen het ter plaatse geldende bestemmingsplan ‘Haarlemmermeerse Bos en Groene Weelde’, omdat binnen de bestemming ‘Bedrijf’ geen burgerwoningen zijn toegestaan. Om het plan planologisch mogelijk te maken wordt een omgevingsvergunningprocedure voor ‘handelingen in strijd met de regels ruimtelijke ordening’ doorlopen zoals bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, a, onder 3o Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Ten behoeve van deze omgevingsvergunning dient een goede ruimtelijke onderbouwing te worden opgesteld. Voorliggende ruimtelijke onderbouwing voorziet hierin. In deze ruimtelijke onderbouwing wordt toegelicht dat het plan past binnen het ruimtelijke beleid van de diverse overheden en niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

1.2 Ligging en begrenzing van het project De beoogde locatie betreft het perceel de Kruisweg 1501 te Cruquius-Oost. In zuidelijke richting bevindt zich ten overstaan van het perceel het Spaarne Gasthuis Hoofddorp waarachter de Floriandewijk is gelegen. Tussen het ziekenhuis en het betreffende perceel liggen de Kruisweg en de paralelgelegen provinciale weg de N201. Ten noorden van het perceel ligt een grote waterpartij met daarin een waterverdeelstation van PWN. Oostelijk en westelijk staan grenzend aan het perceel woningen met de adressen Kruisweg 1499 en 1513. Zie afbeelding 1.1.

Afbeelding 1.1: ligging plangebied

3

Ruimtelijke onderbouwing realisatie twee woningen Kruisweg 1501 Cruquius

1.3 Vigerend bestemmingsplan Het vigerende bestemmingsplan ‘Haarlemmermeerse Bos en Groene Weelde’ is op 29 maart 2012 door de gemeenteraad vastgesteld (onherroepelijk 22 juni 2012). Op het perceel zijn de betreffende gronden voorzien van de bestemming ‘Bedrijf’ (artikel 4) met de functieaanduiding ‘bedrijf tot en met categorie 2’, zie afbeelding 1.2. Tevens ligt in het noordelijke deel van het plangebied de dubbelbestemming ‘Leiding - Water’ (artikel 25). Binnen de bedrijfsbestemming zijn geen woningen toegestaan. Strijdigheid bestemmingsplan Ter plaatse van de nieuw te bouwen woningen geldt dat bedrijfsactiviteiten behorende tot bedrijfscategorie 1 of 2 zijn toegestaan. Een bedrijfswoning is uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘bedrijfswoning’ toegestaan. Het voorliggende plan is in strijd met het vigerende bestemmingsplan, omdat twee burgerwoningen worden beoogd terwijl deze niet zijn toegestaan.

Afbeelding 1.2: uitsnede verbeelding geldend bestemmingsplan (planlocatie rood omkaderd)

Afwijken van het bestemmingsplan

Volgens artikel 2.1,eerste lid 1, onder c van de Wabo is het verboden om zonder omgevingsvergunning gronden te gebruiken in strijd met een bestemmingsplan. Artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3o van de Wabo geeft aan dat in afwijking van het voornoemde een omgevingsvergunning kan worden verleend voor gronden of bouwwerken te gebruiken in strijd met een bestemmingsplan “indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat”. Voorliggende ruimtelijke onderbouwing voorziet hierin. Een omgevingsvergunning wordt aangevraagd voor de volgende activiteiten: • (ver)bouwen van een bouwwerk; • planologisch strijdig gebruik.

1.4 Leeswijzer In hoofdstuk 2 staat de bestaande en de toekomstige situatie van het perceel beschreven. Hoofdstuk 3 bevat een samenvatting van het actuele beleidskader dat relevant is voor het plan. Hierbij wordt ingegaan op Rijks-, Provinciaal en gemeentelijk beleid. Vervolgens wordt het plan

4

Ruimtelijke onderbouwing realisatie twee woningen Kruisweg 1501 Cruquius

in hoofdstuk 4 beoordeeld aan relevante omgevingsaspecten. Tot slot volgt in hoofdstuk 5 een beschrijving van de maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid.

2

Planbeschrijving

2.1 Bestaande situatie Kruisweg 1501 is gelegen in de Haarlemmermeerpolder welke medio de achttiende eeuw is drooggelegd. De planlocatie kent al enige historie in bedrijvigheid. In de jaren zeventig van de achttiende eeuw is de eerste bebouwing – een voormalig bedrijventerrein – gerealiseerd. In de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw heeft de locatie ruimte geboden aan een metaalbewerkingsbedrijf, welke werd opgevolgd door een auto- en botenpoetsbedrijf. Van 1996 tot omstreeks 2001 werd het terrein gebruikt voor de stalling van caravans. Hierna werd de bebouwing, vermoedelijk in afwachting van een bouwvergunning, tot de fundering toe gesloopt. Vanaf dit moment heeft de locatie braakgelegen, zie de volgende afbeeldingen.

Afbeelding 2.1: luchtfoto bestaande situatie

Afbeelding 2.2: vooraanzicht bestaande situatie

5

Ruimtelijke onderbouwing realisatie twee woningen Kruisweg 1501 Cruquius

2.2 Toekomstige situatie Het plan betreft het afwijken van het bestemmingsplan om twee woningen op de braakliggende bedrijfslocatie te realiseren. In afbeelding 2.3 is een situatietekening van de toekomstige situatie opgenomen.

Afbeelding 2.3: toekomstige situatie plangebied

Het voornemen is om het perceel te verdelen in een westelijk en een oostelijk deel van ongeveer dezelfde oppervlakte. De woningen zijn identiek aan elkaar, behalve dat de woning in het westelijke deel een extra verdieping heeft. Gegevens woning a, westelijk deel Woning a heeft een bruto vloeroppervlakte van 231 m2. De eerste verdieping heeft een vloeroppervlakte van 107 m2. De totale inhoud van de woning is 1209 m3. Zie afbeelding 2.4 voor een impressie. Gegevens woning b, oostelijk deel Woning b is gelijkvloers en heeft een bruto vloeroppervlakte van 231 m2. De totale inhoud van de woning is 877 m3. Zie afbeelding 2.4 voor een impressie.

Afbeelding 2.4: beoogde woningen, vooraanzicht links en achteraanzicht rechts

6

Ruimtelijke onderbouwing realisatie twee woningen Kruisweg 1501 Cruquius

2.3 Participatie Voorliggend plan betreft het bieden van een actueel juridisch-planologisch kader voor het realiseren van twee woningen. Participatie en inspraak worden geboden door de aanvullingen die de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) geeft op afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Zo worden omwonenden en betrokken instanties geïnformeerd over het ontwerpbesluit en het definitieve besluit. Iedereen kan zienswijzen op het ontwerpbesluit indienen (art. 3.12 lid 5 Wabo). Vervolgens kunnen belanghebbenden bezwaar maken en in beroep gaan. Daarmee is participatie en/of inspraak voor een kleinschalig project als dit voldoende geborgd.

2.4 Onderbouwing 2.4.1 Stedenbouwkundige onderbouwing Onderhavig plan voorziet in nieuwe bebouwing waardoor tevens een wijziging van de bestaande bebouwingsstructuur optreedt. De totale gebruikswijziging betreft een oppervlakte van circa 1550 m2. Het geschetste bouwvolume (231 m2 per woning) is passend binnen de ruimtelijke context van de omgeving, daar op beide naburige percelen al vrijstaande woningen aanwezig zijn. Door de toevoeging van de twee woningen op de Kruisweg 1501 wordt het ‘gat’ op de Kruisweg opgevuld en ontstaat een repeterend bouwvolume. Ook is het plan op hoofdlijnen akkoord bevonden door de welstandscommissie (zie bijlage I). Voor het parkeren van auto’s wordt op eigen terrein in voldoende ruimte voorzien. Op het bij de aanvraag ingediende schetsontwerp zijn deze parkeervoorzieningen aangegeven.

7

Ruimtelijke onderbouwing realisatie twee woningen Kruisweg 1501 Cruquius

3

Beleid en regelgeving

3.1 Rijksbeleid 3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) schetst het Rijk ambities tot 2040 en de ruimtelijke doelen, belangen en opgaven tot 2028. De SVIR heeft als ondertitel 'Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig en vervangt de Nota Mobiliteit, de Nota Ruimte, de Mobiliteitsaanpak en Randstad 2040. De hoofddoelen van het ruimtelijk en mobiliteitsbeleid voor de middellange termijn (2020/2028) zijn: • • •

Het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk-economische structuur van Nederland; Het verbeteren, in stand houden en ruimtelijk zeker stellen van de bereikbaarheid, waarbij de gebruiker voorop staat; Het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn.

Bij de uitwerking van de doelstellingen worden ‘nationale belangen’ onderscheidden (13 in totaal). Voor de verwezenlijking c.q. behartiging van deze belangen worden rijksinstrumenten ingezet, onder meer de AMvB ruimte en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) waarop hieronder wordt ingegaan.

3.1.2 AMvB Ruimte De nationale belangen uit de SVIR worden in de AMvB Ruimte juridisch geborgd. Deze AMvB Ruimte wordt in juridische termen aangeduid als: Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Het omvat alle ruimtelijke rijksbelangen die juridisch moeten doorwerken tot in ruimtelijke besluiten, zoals bestemmingsplannen. Onderwerpen waarvoor het rijk ruimte vraagt zijn onder meer, bescherming van de waterveiligheid in het kustfundament en in en rond de grote rivieren, bescherming en behoud van de Waddenzee en enkele werelderfgoederen, zoals de Beemster, de Nieuwe Hollandse Waterlinie en de Stelling van Amsterdam en de uitoefening van defensietaken. Deze onderwerpen zijn in verband met de kleinschaligheid van het plan niet aan de orde.

3.1.3 Bro - Ladder van duurzame verstedelijking Als uitwerking van het nationaal belang ‘zorgvuldige afwegingen en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke plannen’ is in het Bro de zogenaamde ladder van duurzame verstedelijking opgenomen. Op grond van artikel 3.1.6, lid 2 Bro is voorgeschreven dat indien bij een ruimtelijk besluit 'een nieuwe stedelijke ontwikkeling' mogelijk wordt gemaakt, in de onderbouwing bij het besluit een verantwoording van de behoefte aan de ontwikkeling moet plaatsvinden. Uit jurisprudentie van de Afdeling1 blijkt dat bij kleine woningbouwprojecten, waarbij het gaat om een gering aantal woningen (minder dan 11 woningen) geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling in de zin van het artikel en toetsing aan de ladder niet hoeft plaats te vinden. In het voorliggende plan gaat het om twee woningen. Daarmee is dus geen sprake van een stedelijke ontwikkeling in de zin van de ladder.

1

8

ABRvS 16 september 2015; ECLI:NL:RVS:2015:2921)

Ruimtelijke onderbouwing realisatie twee woningen Kruisweg 1501 Cruquius

3.1.4 Luchthavenindelingbesluit (LIB) Wet- en regelgeving en beleid Het LIB bevat ruimtelijke maatregelen op rijksniveau die verband houden met de luchthaven Schiphol. Het Luchthavenverkeerbesluit is gericht op de beheersing van de belasting van het milieu door het luchthavenluchtverkeer. Samen vormen deze besluiten een uitwerking van hoofdstuk 8 van de Wet luchtvaart. Het LIB legt het beperkingengebied en het luchthavengebied vast. Indien het plangebied gelegen is binnen het beperkingengebied gelden beperkingen met het oog op veiligheid en milieu. Er zal overleg moeten plaatsvinden met de Inspectie Leefomgeving en Transport. Het gaat daarbij om afwegingen die moeten worden gemaakt met betrekking tot hoogtebeperkingen, beperkingen bij het toelaten van functies (bestemmingen), het voorkomen van geluidhinder en het voorkomen van het aantrekken van vogels. Onderzoek Luchthavenindelingbesluit Bouwbeperkingen De locatie is niet gesitueerd op gronden waar bouwbeperkingen op grond van het LIB gelden. Hoogtebeperkingen Op grond van het LIB gelden ter plaatse verschillende hoogtebeperkingen. De maatgevende toetshoogte is 41 meter. Met een maximale bouwhoogte van 6,9 meter boven peil wordt de maatgevende toetshoogte uit het LIB niet overschreden. Vogelprotectiegebied Het plangebied valt geheel binnen het gebied dat beperkingen oplegt ten aanzien van vogelaantrekkende bestemmingen.

Aangezien met dit bouwplan er geen nieuwe wateroppervlakten groter dan 4 hectare worden gerealiseerd is er geen sprake van strijdigheid met het LIB. Conclusie Luchthavenindelingbesluit Vanuit het LIB zijn geen belemmeringen voor deze ontwikkeling.

3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Omgevingsvisie NH2050 De Omgevingsvisie NH2050 is op 19 november 2018 door Provinciale Staten (PS) vastgesteld. In de Omgevingsvisie heeft de provincie haar ruimtelijke toekomstvisie vastgelegd en aangegeven hoe zij deze visie denkt te realiseren. De hoofdambitie in de Omgevingsvisie NH2050 is de balans tussen economische groei en leefbaarheid. Een gezonde en veilige leefomgeving, die goed is voor mens, plant én dier, is een voorwaarde voor een goed economisch vestigingsklimaat. Tegelijkertijd is duurzame economische ontwikkeling een voorwaarde voor het kúnnen investeren in een prettige leefomgeving. Omdat het leefbaar houden van de provincie ook vraagt om grote investeringen in bijvoorbeeld het landschap, natuurontwikkeling en de transitie naar een duurzame energiehuishouding. De Omgevingsvisie is uitsluitend bindend voor de provincie zelf en niet voor gemeenten en burgers. Om de provinciale belangen, die in de Omgevingsvisie zijn gedefinieerd, door te laten werken, heeft de provincie de Provinciale Ruimtelijke Verordening opgesteld. Hierin wordt een

9

Ruimtelijke onderbouwing realisatie twee woningen Kruisweg 1501 Cruquius

aantal algemene regels vastgesteld omtrent de inhoud van en de toelichting op bestemmingsplannen (daaronder mede verstaan ruimtelijke onderbouwingen) over onderwerpen in zowel het landelijk als het bestaand bebouwd gebied van Noord-Holland waar een provinciaal belang mee gemoeid is. In de volgende paragraaf wordt nader ingegaan op de voor deze ruimtelijke onderbouwing relevante bepalingen uit de Verordening. Haarlemmermeer en Hoofddorp maken blijkens de Omgevingsvisie deel uit van de metropool die zich rondom Amsterdam vormt. De Provincie zet blijkens de visie in dit gebied in op het vergroten van de agglomeratiekracht door het ontwikkelen van een samenhangend internationaal concurrerend metropolitaan systeem, onder meer door wonen en werken zo veel mogelijk via binnenstedelijke verdichting tot stand te brengen.

Het plan past binnen deze beleidscontext. Het betreft binnenstedelijke verdichting door realisatie van twee woningen op een al jarenlang braakliggende terrein. Het terrein ligt binnenstedelijk.

3.2.2 Provinciale Ruimtelijke Verordening Provinciale Staten hebben op 27 mei 2019 een nieuwe Provinciale Ruimtelijke Verordening (PRV) vastgesteld die per 7 juni 2019 van kracht is geworden. In de PRV zijn de provinciale belangen uit de Structuurvisie Noord-Holland 2040 van 2010 uitgewerkt in algemene regels. In de PRV is aangesloten bij de Ladder voor duurzame verstedelijking. Verschillende regels zijn opgenomen over onderwerpen, in zowel het landelijk als het bestaand stedelijk gebied van Noord-Holland, waar een provinciaal belang mee gemoeid is. Daarnaast zijn ter uitvoering van de Omgevingsvisie algemene regels vastgesteld voor onder meer: • het gehele grondgebied van de provincie; • het landelijk gebied; • Natuurnetwerk Nederland; • de Blauwe Ruimte; • energie; en • algemene regels. In de PRV is het gebied aangemerkt als bestaand stedelijk gebied – gebied als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid onder h, van het Besluit ruimtelijke ordening. Tevens ligt de locatie binnen de Stelling van Amsterdam, UNESCO-erfgoed. Artikel 5a: Kleinschalige ontwikkeling Op basis van artikel 5a, eerste lid kan een bestemmingsplan uitsluitend voorzien in een nieuwe stedelijke ontwikkeling als deze ontwikkeling in overeenstemming is met de binnen de regio gemaakte schriftelijke afspraken.

Dit woonplan binnen bestaand stedelijk gebied is niet ladderplichtig, maar telt wel mee binnen de regionale programmering en dient te worden meegenomen in de ‘verzamelcategorie’. Zoals ook zal blijken in paragraaf 3.3.2 sluit het plan aan bij de huidige en toekomstige woningbehoefte van Haarlemmermeer waarbij de gemeente nog eens circa 20.000 woningen tot 2040 wil bouwen. Het past dan ook binnen de doelstellingen van de regionale programmering en het woonbeleidsprogramma. Artikel 22: Ontwikkelingen binnen UNESCO-erfgoederen Een plan mag uitsluitend voorzien in nieuwe functies en uitbreiding van de bebouwing van bestaande functies binnen De Stelling van Amsterdam voor zover deze de kernkwaliteiten van de erfgoederen met uitzonderlijke universele waarde behouden of versterken, als bedoeld in de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie zoals genoemd in artikel 15 en in bijlage 1 bij de verordening. In aanvulling hierop bevat het plan geen bestemmingen en regels die voorzien in:

10

Ruimtelijke onderbouwing realisatie twee woningen Kruisweg 1501 Cruquius

a. een grootschalige stads- of dorpsontwikkelingslocatie of glastuinbouwlocatie dan wel een grootschalig bedrijventerrein of infrastructuurproject; b. een project dat, of een activiteit die de uitgewerkte Uitzonderlijke Universele waarden van het Unesco-erfgoed van uitzonderlijke universele waarden ‘De Stelling van Amsterdam’, aantast of doet verdwijnen. Artikel 15: Ruimtelijke kwaliteitseis (Leidraad Landschap en Cultuurhistorie) Ook artikel 15 van de PRV, de ruimtelijke kwaliteitseis, is van toepassing. Dit artikel stelt dat een bestemmingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling in het landelijk gebied, indien gelet op de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie: a. rekening wordt gehouden met: i. de ambities en ontwikkelprincipes van het toepasselijke ensemble, en; ii. de ambities en ontwikkelprincipes van de toepasselijke provinciale structuren, en; b. hierbij wordt betrokken: i. de kansen zoals beschreven bij de ambities en ontwikkelprincipes, en; ii. de ontstaansgeschiedenis en de kernwaarden van het toepasselijke ensemble, en; iii. de ontstaansgeschiedenis en de kernwaarden van de toepasselijke provinciale structuren. Onderhavig plan bevindt zich in de het ensemble ‘Haarlemmermeerpolder’, zie afbeelding 3.1. De Stelling van Amsterdam met de Geniedijk loopt schuin door de polder.

De belangrijkste aandachtspunten van dit ensemble zijn de kwaliteit van de leefomgeving en de relatie tussen de landschappelijke en cultuurhistorisch waardevolle structuren en de nieuwe ontwikkelingen in de polder.

Afbeelding 3.1: Haarlemmermeerpolder en De Stelling van Amsterdam

De ruimtelijke kwaliteit is gebaat bij: • herkenbaarheid van onderdelen van de Stelling van Amsterdam en hun onderlinge relaties. • het behouden en versterken van de continuïteit van de Geniedijk. • het maken van een doorgaande recreatieve route over de Geniedijk.

11

Ruimtelijke onderbouwing realisatie twee woningen Kruisweg 1501 Cruquius

Conclusie Met de herontwikkeling van het perceel waarbij twee woningen worden toegevoegd, wordt de landschappelijk karakteristiek van het gebied gerespecteerd. Zoals eerder in deze paragraaf en hoofdstuk 2 beschreven, blijven de kernkwaliteiten en waarden van het gebied behouden. Er zijn geen verdere provinciale belangen in het geding. Hierdoor kan worden geconcludeerd dat het plan past binnen de kaders van het provinciaal beleid.

3.2.3 Beleidsregel wonen en vliegen 20 Ke—contour Schiphol De raad van de gemeente Haarlemmermeer heeft de Beleidsregel wonen en vliegen 20 Ke— contour Schiphol op 19 juli 2018 vastgesteld. De beleidsregel ziet op het motiveren van nieuwbouw van woningen binnen 20 Ke contour (LIB5) en LIB 4 in ruimtelijke onderbouwingen en bestemmingsplannen. De beleidsregel legt vast hoe hieraan concreet invulling moet worden gegeven en hoe belangen worden gewogen. Daarbij spelen lokale leefbaarheid en vitaliteit een belangrijke rol. Voorliggend plan is niet gelegen binnen de 20 Ke—contour.

3.2.4 Provinciale Woonvisie 2010-2020 (2010) In september 2010 is de Provinciale woonvisie 2010-2020: Goed wonen in Noord-Holland vastgesteld. Hiermee kiest de provincie wat betreft woningbouw voor een nadruk op de kwaliteit, naast de aantallen woningen. Doelstelling van de visie is dat de inwoners van NoordHolland in 2020 beschikken over voldoende woningen met een passende kwaliteit in een aantrekkelijk woonmilieu. In de woonvisie zijn drie opgaven benoemd waarvoor de provincie zich gesteld weet: 1. De demografische ontwikkelingen vergrijzing, ontgroening en afnemende groei zijn trends die zich in de gehele provincie voordoen. Tegelijkertijd is een belangrijk kenmerk van die trends dat ze zich overal op een andere manier of snelheid voordoen. Dit maakt afstemmen en beleidsvorming op regionaal niveau des te belangrijker. 2. Een combinatie van maatschappelijke ontwikkelingen: individualisering en differentiatie van consumentenbehoeften, extramuralisering in de zorg en bewustwording van klimaatproblematiek. 3. Economische ontwikkelingen en de effecten daarvan op de woningmarkt. De betaalbaarheid en financieringsmogelijkheden staan onder druk, terwijl tegelijkertijd sprake is van vraaguitval en waardedaling in bestaand vastgoed. De precieze consequenties hiervan op de woningmarkt laten zich moeilijk aanzien.

Op basis van vorengaande opgaven en de ambities zijn drie speerpunten van beleid opgesteld. Dit betreft het verbeteren van de afstemming tussen vraag en aanbod voor alle consumenten (en specifiek voor doelgroepen die minder kansen hebben op het vinden van een geschikte woning), het verbeteren van de mate waarin voorzieningen in de woonomgeving aansluiten bij de vraag van bewoners en het verbeteren van de duurzaamheid van het woningaanbod en de woonomgeving. Deze speerpunten zijn geconcretiseerd in opgaven voor de periode 2010-2020 die door de provincie en de regio’s moeten worden vertaald in afspraken in de Regionale Actie Programma’s (RAP’s).

12

Ruimtelijke onderbouwing realisatie twee woningen Kruisweg 1501 Cruquius

3.2.5 Woonagenda provincie Noord-Holland 2020-2025 Op 31 maart 2020 is de Woonagenda provincie Noord-Holland 2020-2025 vastgesteld. Om aan de Provinciale Woonvisie en de Woonagenda uitvoering te geven zijn onder andere drie instrumenten voorhanden: • de Regionale Actieprogramma’s Wonen, • de regionale woonakkoorden en, • het Woonfonds. De provincie Noord-Holland wil zorgen voor voldoende betaalbare, duurzame en toekomstbestendige woningen voor alle doelgroepen. Dit wil de provincie samen met haar partners in het wonen, de kwantitatieve én kwalitatieve woningbehoefte van inwoners faciliteren door de woningbouwproductie aan te jagen en daarbij in te zetten op toekomstbestendige kwaliteit en door verduurzaming van het wonen te stimuleren. De provincie wil mogelijk maken dat de inwoners van Noord-Holland in alle regio’s kunnen wonen in een woning die bij hen past qua inkomen, levensfase en samenstelling van het huishouden. Dat vraagt om realisatie van woningen die goed bij de woonbehoefte en financiële mogelijkheden van huidige en toekomstige inwoners passen. Zowel in de nieuwbouw als de bestaande woningvoorraad streeft de provincie naar woningen die zoveel als mogelijk klimaatneutraal, klimaatadaptief, natuurinclusief en circulair zijn en tevens geschikt voor de toekomstige woonen zorgbehoefte.

Een goede afstemming tussen vraag en aanbod en mogelijkheden in de bestaande voorraad is daarbij essentieel.

3.3 Regionaal beleid 3.3.1 Intentieovereenkomst Aardgasvrije Nieuwbouw Metropoolregio Amsterdam De Metropoolregio Amsterdam (MRA) stelt in haar brief ‘Inbreng Kabinetsformatie Metropoolregio Amsterdam- uitwerking Woningbouwopgave en Energietransitie vanuit Proeftuin Maak Verschil’ van 27 maart 2017 dat de MRA inzet op: ‘Het versnellen van ‘zachte’ plannen die onvoldoende voortgang kennen, met een inzet van 60.000 woningen startklaar in 2020. Met het oog op de benodigde energietransitie is de inzet dat deze woningen energieneutraal en aardgasvrij worden gerealiseerd, waarbij we de markt uitdagen tot energieleverende woningen.’ Daartoe hebben de gemeenten van de Metropoolregio Amsterdam een intentieovereenkomst ondertekend om vanaf 1 februari 2018 alle nieuwbouwprojecten aardgasvrij te realiseren. Vanaf 1 februari 2018 alle nieuwbouwprojecten aardgasvrij realiseren betekent dat: • vanaf 1 februari 2018 alle nieuwbouwprojecten die ter bestuurlijke besluitvorming worden aangeboden aardgasvrij dienen te zijn. • waar mogelijk alle reeds vastgestelde plannen alsnog beoordeeld worden op haalbaarheid van aardgasloze en duurzame invoegingen in het programma en dit bij haalbaarheid door te voeren. • in de overdrachtsdossiers nadrukkelijk wordt opgenomen hiertoe indien nodig aanvullende besluitvorming op te starten zodat dit rond de zomer 2018 tot definitieve besluitvorming leidt.

Met onderhavig plan worden twee aardgasvrije woningen gerealiseerd. Daarmee voldoet het plan aan de intentieovereenkomst Aardgasvrije Nieuwbouw Metropoolregio Amsterdam.

13

Ruimtelijke onderbouwing realisatie twee woningen Kruisweg 1501 Cruquius

3.4 Gemeentelijk beleid 3.4.1 Structuurvisie Haarlemmermeer 2030 In 2012 is door de gemeenteraad de Structuurvisie Haarlemmermeer 2030 vastgesteld. De visie gaat in op onderwerpen als duurzaamheid, een duurzaam en klimaatbestendig watersysteem, energie, netwerk- en ketenmobiliteit, de synergie met Schiphol, ruimte voor attracties, en de cultuurhistorie en diversiteit als drager van de ontwikkelingen. En gaat in op de wijze waarop ontwikkeling worden vormgegeven en hoe het centraal stellen van de mens in dit ontwikkelproces een plek krijgt. Het doel van de Structuurvisie Haarlemmermeer 2030 is het bieden van een kader, waarmee Haarlemmermeer: 1. De ruimtelijk bestaande situatie, de huidige ontwikkelingen en de gewenste toekomstige ontwikkelingen in hun onderlinge samenhang (voor de periode tot 2030) borgt. 2. Het toetsingskader voor het ruimtelijk beleid voor de periode 2010-2020 geeft. 3. De kaders voor het maken van financiële afspraken met overheden en marktpartijen voor bovenplanse verevening biedt. Haarlemmermeer positioneert zich ook in de toekomst als een attractieve ontmoetings- en vestigingsplaats. Duurzaamheid en oog voor bestaande structuren zijn leidend bij de toekomstige ruimtelijke, economische en sociale ontwikkelingen. De ambities voor Haarlemmermeer in 2030 zijn daarmee: a. sterk gevarieerd en gebruikmakend van de atypische stedelijkheid; b.

duurzaam en klimaatbestendig; c. fysiek en sociaal verbonden met elkaar en met de omgeving, en d. blijvend gepositioneerd als attractieve ontmoetingsplaats. Voor het gebied waar de twee woningen kent de Structuurvisie geen specifiek beleid. Het plan is in algemene zin passend binnen de wens van de gemeente om het bouwen van woningen binnen de bestaande kernen te stimuleren. Conclusie De gewenste ontwikkeling is in lijn met de Structuurvisie Haarlemmermeer 2030.

3.4.2 Woonbeleidsprogramma Haarlemmermeer 2019-2025 Op 3 februari 2020 is door het college van B&W het Woonbeleidsprogramma Haarlemmermeer 2019-2025 vastgesteld. In vergelijking met eerdere beleidsvisies op het wonen legt het ‘Woonbeleidsprogramma 2019-2025’ nieuwe en andere accenten. Zo wil de gemeente de nieuwbouw fors opvoeren en zal er een flinke schaalsprong worden gemaakt. De belangrijkste uitgangspunten zijn: 1 Haarlemmermeer bouwt nog eens circa 20.000 woningen tot 2040 en willen daarmee het verschil maken. Haarlemmermeer groeit door tot een gemeente met circa 200.000 inwoners. De doorstroming die de nieuwbouw teweegbrengt verkort de wachttijden voor sociale huur en heeft invloed op de leefbaarheid. Het beleid sluit beter aan bij de veranderende woningbehoefte; het aandeel kleine huishoudens en het aantal ouderen groeit.

14

Ruimtelijke onderbouwing realisatie twee woningen Kruisweg 1501 Cruquius

2 3

4

5

6

7

Haarlemmermeer wil bouwen in woonmilieus die passen bij de locatie waar gebouwd wordt en die aansluiten bij de huidige en toekomstige woningbehoefte. Haarlemmermeer wil in elk bouwplan en in elk woonmilieu een gemengd bouwprogramma realiseren naar eigendomscategorie en prijsklasse. De helft van de woningen bouwt de gemeente betaalbaar. Haarlemmermeer stimuleert en reguleert de bouw van woningen in het middensegment (huur en koop) om aanbod te houden voor huishoudens met een inkomen dat net hoger is dan modaal. Haarlemmermeer wil de zoektijd naar sociale huurwoningen terugdringen. De gemeente gaat daarom een substantieel deel van de betaalbare woningen als sociale huurwoning bouwen om slaagkansen te verbeteren en doorstroming te bevorderen. Haarlemmermeer streeft naar gemengde wijken; naar woningtype, inkomen en gezinssamenstelling. De gemeente wil dat ouderen zo lang mogelijk zelfstandig blijven wonen. Door de verschuiving van intramurale zorg naar ambulante begeleiding bij GGZ, beschermd wonen en maatschappelijke opvang komt er een toename van kwetsbare mensen in de wijk. Juist hen moeten we een geschikte plek geven, veelal in een sociale huurwoning. Haarlemmermeer werkt aan een aardgasvrije en energiezuinige woningvoorraad.

Conclusie Het plan sluit aan bij de huidige en toekomstige woningbehoefte van Haarlemmermeer. Het past dan ook binnen de doelstellingen van het woonbeleidsprogramma.

3.5 Bezonning Een bezonningsstudie is noodzakelijk als het project gevolgen kan hebben voor de bezonningssituatie van de omliggende percelen vanwege een toename of een verandering in het bouwvolume. Voorliggend plan betreft de realisatie van twee woningen met een maximale bouwhoogte van 6,9 meter. Dit hoogste punt komt op circa 6 meter van het naburige perceel te liggen en circa 10 meter van de naburige bebouwing. Gezien deze hoogte en de positionering ten opzichte van de zon is er geen sprake van ernstige belemmering van zon- en daglichttoetreding bij naburige woningen. Een bezonningsstudie kan daardoor achterwege blijven.

15

Ruimtelijke onderbouwing realisatie twee woningen Kruisweg 1501 Cruquius

4

Onderzoek en beperkingen

Voor het plangebied zijn diverse onderzoeken gedaan om de haalbaarheid van het plan te toetsen. Daarnaast geven deze onderzoeken de randvoorwaarden waaraan de planontwikkeling in het plangebied moet voldoen.

4.1 Cultuurhistorie en archeologie 4.1.1 Wet- en regelgeving en beleid Wet op de archeologische monumentenzorg De Wet op de archeologische monumentenzorg (2007) regelt de bescherming van het culturele erfgoed (en vooral het archeologische erfgoed). Onder archeologisch erfgoed wordt verstaan: alle fysieke overblijfselen, zowel in als boven de grond, die bijdragen aan het verkrijgen van inzicht in menselijke samenlevingen uit het verleden. De uitgangspunten van de wet zijn: archeologische waarden worden zoveel mogelijk in de bodem bewaard en alleen opgraven als behoud in de bodem niet mogelijk is, vroeg in de ruimtelijke ordening al rekening houden met archeologie en bodemverstoorders betalen archeologisch onderzoek en mogelijke opgravingen (principe verstoorder betaalt). De kosten voor noodzakelijke archeologische werkzaamheden komen ten laste van de initiatiefnemer tot de bodemverstorende activiteit. Beleidsnota Cultureel Erfgoed Gemeente Haarlemmermeer De Beleidsnota Cultureel Erfgoed Gemeente Haarlemmermeer gaat in een breed kader in op cultuurhistorie in de gemeente Haarlemmermeer. Het monumentenbeleid en het archeologiebeleid in algemene zin komt in deze nota aan bod. Binnen het gemeentelijk monumentenbeleid is een belangrijke taak weggelegd voor de monumentencommissie. De taak van de monumentencommissie is omschreven in de gemeentelijke monumentenverordening.

In de Nota Ruimtelijk Beleid en Archeologie Haarlemmermeer wordt uiteengezet hoe de gemeente omgaat met de archeologische zorgplicht (bescherming van het bodemarchief) in ruimtelijke plannen en bij vergunningverlening. Aardkundige monumenten en aardkundig waardevolle gebieden door de provincie aangewezen komen niet voor in Haarlemmermeer. In de gemeente Haarlemmermeer bevinden zich geen door het Rijk beschermde archeologische monumenten. En evenmin door de provincie of gemeente beschermde archeologische monumenten. Het plangebied maakt tevens geen onderdeel uit van een belangrijk cultuurlandschap.

4.1.2 Onderzoek cultuurhistorie De locatie heeft geen bijzondere cultuurhistorische of architectonische waarde. Ook maakt deze geen deel uit van een beschermde stads- en dorpsgezicht.

4.1.3 Onderzoek archeologie Het plangebied heeft in het bestemmingsplan geen archeologische waarde toegekend gekregen. Op de archeologische beleidskaart van de gemeente Haarlemmermeer ligt het plangebied in een categorie 3-gebied. Dit staat voor een geringe verwachting op het aantreffen van archeologische resten uit het Laat Neolithicum. Doordat de archeologische verwachting voor dit gebied vrij laag is, bestaat alleen bij grootschalige ontwikkelingen (plannen groter dan 10.000 m 2) de noodzaak nader archeologisch onderzoek uit te voeren. De beoogde woningen hebben een oppervlakte van in totaal circa 462 m2, voor het aspect archeologie is dan ook geen vervolgonderzoek noodzakelijk.

16

Ruimtelijke onderbouwing realisatie twee woningen Kruisweg 1501 Cruquius

4.1.4 Conclusie cultuurhistorie en archeologie Uit archeologisch onderzoek in het plangebied blijkt dat de kans dat archeologische resten worden aangetroffen laag is en geen verder onderzoek noodzakelijk is. Zowel cultuurhistorie en archeologie leveren geen belemmeringen op voor de ontwikkeling.

4.2 Bedrijven en milieuzoneringen 4.2.1 Wet- en regelgeving en beleid Bij het opstellen van een ruimtelijk plan moet de invloed van bestaande (of nieuw te vestigen) bedrijvigheid op de leefomgeving afgewogen worden. Door milieuzonering wordt een ruimtelijke scheiding aangebracht tussen milieubelastende functies (zoals bedrijven) en milieugevoelige functies (zoals wonen). Bedrijven en Milieuzonering De VNG-publicatie Bedrijven en Milieuzonering (2009) geeft richtlijnen voor de in acht te nemen afstanden. Deze afstanden worden gemeten tussen de grens van de bestemming die bedrijven / milieubelastende activiteiten toestaat en de uiterste situering van de gevel van een woning die volgens het ruimtelijk plan mogelijk is. Van belang bij milieuzonering is dat: - bij woningen en andere gevoelige functies hinder en gevaar zoveel mogelijk voorkomen of beperkt wordt; - rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven.

4.2.2 Onderzoek bedrijven en milieuzoneringen Ten zuidwesten van de planlocatie is op circa 50 meter afstand een bedrijf tot en met categorie 2 gelegen. Dit betreft een autogarage. Tussen dit bedrijf en de planlocatie staat op de Kruisweg 1497 een burgerwoning. Door de toevoeging van twee woningen wordt het bedrijf niet extra belemmerd in zijn bedrijfsvoering. Achter de woningbouwlocatie ligt nog het pompstation van de PWN. Dit betreft een categorie 3.1 bedrijf met een maximale richtlijnafstand van 50 meter. Aan die afstand wordt voldaan. De nieuwe woningen komen op een afstand van circa 190 meter.

4.2.3 Conclusie bedrijven en milieuzoneringen Vanuit bedrijven en milieuzoneringen zijn geen belemmeringen voor deze ontwikkeling.

4.3 Bodem 4.3.1 Wet- en regelgeving en beleid Volgens artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden te worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming (1996) is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen moeten bij voorkeur op schone grond worden gerealiseerd. Voor ruimtelijke plannen moet ten minste een historisch onderzoek worden verricht (conform NEN 5725). Als uit het historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is

17

Ruimtelijke onderbouwing realisatie twee woningen Kruisweg 1501 Cruquius

geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging, moet een verkennend bodemonderzoek worden verricht (conform NEN 5740).

4.3.2 Bodemonderzoek Onderhavig initiatief betreft de realisatie van twee woning op een locatie die is bestemd als ‘Bedrijf’. Een woning betreft een milieugevoelige functie, waardoor bodemonderzoek benodigd is. Ten behoeve van de gewenste ontwikkeling is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (projectnr.: 051003772, augustus 2019), zie bijlage II. Op grond van de beschikbare gegevens (historische gegevens, zintuiglijke waarnemingen en analyseresultaten) volgen hieronder de conclusies. In het eerste mengmonster van de bovengrond overschrijdt het gehalte PAK de tussenwaarde. De gehalten van lood, zink, minerale olie en PCB (som) overschrijden de betreffende achtergrondwaarden. Na uitsplitsing van het mengmonster blijkt het gehalte PAK in de monsters 03-1 (0-50) en 10-1 (0-50) de interventiewaarde te overschrijden. In de monsters 08-1 (0-30) en 12-1 (0-50) overschrijdt het gehalte PAK de achtergrondwaarde. In totaal zijn er zeven extra monsters genomen voor de horizontale en verticale afperking van de plaatselijk aangetroffen sterke verhoging met PAK. In de geanalyseerde monsters wordt ten hoogste de achtergrondwaarde overschreden. Het tweede mengmonster van de bovengrond bevat licht verhoogde gehalten van de parameters kwik, lood, zink en minerale olie.

De oorzaak van de lichte verhogingen in de bovengrond houdt vermoedelijk verband met de aanwezigheid van bodemvreemd materiaal. Het derde mengmonster van de bovengrond is voor wat betreft de geanalyseerde parameters analytisch schoon. Het mengmonster van de ondergrond is eveneens voor wat betreft de geanalyseerde parameters analytisch schoon. In het grondwater overschrijdt de concentratie barium de streefwaarde. De lichte verhoging met barium in het grondwater heeft vermoedelijk een natuurlijke oorzaak. Tevens is de puinhoudende bovengrond middels inspectiegaten onderzocht op asbest. Zintuiglijk is er in de uitkomende grond geen asbestverdacht materiaal waargenomen. De twee in het veld samengestelde mengmonsters van de kleine fractie (< 20 mm) blijken beiden niet asbesthoudend.

4.3.3 Conclusie bodemonderzoek Op basis van de onderzoeksresultaten is er geen sprake van een ernstig geval van bodemverontreiniging. De bodem is geschikt voor de beoogde woningbouwontwikkeling. Indien graafwerkzaamheden ter plaatse van de aangetoonde spots worden uitgevoerd, dient rekening te worden gehouden met extra veiligheidsmaatregelen.

4.4 Externe veiligheid 4.4.1 Wet- en regelgeving en beleid Externe veiligheid heeft betrekking op de gevaren die mensen lopen als gevolg van aanwezigheid in de directe omgeving van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken. Er kan onderscheid worden gemaakt tussen inrichtingen (bedrijven) waar gevaarlijke stoffen worden bewaard en/of bewerkt, transportroutes waarlangs gevaarlijke stoffen worden vervoerd en ondergrondse buisleidingen. De aan deze activiteiten verbonden risico's moeten tot een aanvaardbaar niveau beperkt blijven. Het wettelijk kader voor risicobedrijven is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI) en de bijbehorende Regeling externe veiligheid inrichtingen (REVI). Voor het vervoer van gevaarlijke stoffen is het wettelijke kader de Wet vervoer gevaarlijke stoffen en de daarbij behorende besluit. Voor ondergrondse buisleidingen is het wettelijk kader vastgelegd in het Besluit Externe veiligheid buisleidingen (Bevb).

18

Ruimtelijke onderbouwing realisatie twee woningen Kruisweg 1501 Cruquius

Bij de beoordeling van de externe veiligheidssituatie zijn twee begrippen van belang, namelijk het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het plaatsgebonden risico: het risico op een plaats buiten de inrichting, uitgedrukt als de kans per jaar, dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, verblijft overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen die inrichting of bij de transport-as, waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Groepsrisico: De cumulatieve kansen dat per jaar dat een groep van 10, 100 of 1000 personen overlijdt als rechtstreeks gevolg hun aanwezigheid in het invloedsgebied in het invloedsgebied van een inrichting of een transport-as en een ongewoon voorval binnen die inrichting of bij een transport-as, waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Het plaatsgebonden risico (PR) richt zich als maat voor het risico vanwege activiteiten met gevaarlijke stoffen vooral op de basisveiligheid voor personen in de omgeving van die activiteiten. Aan het PR is een wettelijke grenswaarde verbonden die niet mag worden overschreden. Het PR wordt ‘vertaald’ als een risicocontour rondom een risicovolle activiteit, waarbinnen geen kwetsbare objecten (bijv. woningen) mogen liggen. Het groepsrisico (GR) is een maat voor de maatschappelijke ontwrichting als gevolg van een calamiteit met gevaarlijke stoffen.

Rondom een risicobron wordt een invloedsgebied gedefinieerd waarbinnen grenzen worden gesteld aan het maximaal aanvaardbare aantal slachtoffers, de z.g. oriënterende waarde (OW). Dit is een richtwaarde waarvan het bevoegd gezag, mits afdoende gemotiveerd, kan afwijken. Deze verantwoordingsplicht geldt voor elke toename van het GR, ook als de OW niet wordt overschreden. Op grond van de van toepassing zijnde wet- en regelgeving dient bij ruimtelijke besluiten beoordeeld te worden of de wettelijk grenswaarde met betrekking tot het plaatsgebonden risico niet wordt overschreden en of de oriënterende waarde van het groepsrisico niet wordt overschreden.

4.4.2 Onderzoek externe veiligheid Voor het plan is onderzoek gedaan naar externe veiligheid. Hiervoor is gebruik gemaakt van de risicokaart.nl. De mogelijke risicobronnen rond het plangebied zijn hierbij in kaart gebracht. Risicovolle inrichtingen In de nabijheid van de planlocatie liggen geen risicovolle inrichtingen. Vervoer gevaarlijke stoffen Nabij het plangebied ligt enkel de N201 waarover transport van gevaarlijke stoffen gaat. De hoeveelheid gevaarlijke stoffen die over de N201 wordt vervoerd, is zodanig laag dat geen PR 10-6 contour voor de weg berekend kan worden. Dit betekent dat het plan voldoet aan de gestelde grens- en richtwaarde van het plaatsgebonden risico uit het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Het groepsrisico ligt in huidige situatie ruim onder de oriëntatiewaarde (meer dan een factor 10). De bouw van twee woningen leidt niet tot een wijziging van de oriëntatiewaarde vanwege de zeer geringe toename van het aantal personen binnen het invloedsgebied van de transportroute. Volgens artikel 7 van het Bevt moet bij elk plan binnen het invloedsgebied in elk geval een beperkte verantwoording door de gemeente te worden uitgevoerd. Vervoer gevaarlijke stoffen door leidingen In nabijheid van het plangebied liggen geen leidingen die vallen onder het Bevb.

19

Ruimtelijke onderbouwing realisatie twee woningen Kruisweg 1501 Cruquius

4.4.3 Conclusie externe veiligheid Vanuit externe veiligheid zijn er geen belemmeringen voor deze ontwikkeling.

4.5 Flora en fauna 4.5.1 Wet- en regelgeving en beleid Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. Deze wet vervangt drie oude wetten: de Natuurbeschermingswet 1998 (gebiedsbescherming: Natura 2000), de Flora- en faunawet (soortenbescherming) en de Boswet (kapvergunningen). Soorten Voor ruimtelijke ingrepen die resulteren in overtreding van één of meer artikelen van de Wnb moet ontheffing worden aangevraagd. Voor een aantal soorten geldt bovendien het beschermingsregime van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn. Voor werkzaamheden die uit een bestemmingsplan voortvloeien dient voor de start van die werkzaamheden ontheffing te worden aangevraagd indien beschermde soorten voorkomen. Bij de vaststelling van het plan dient duidelijk te zijn of en in hoeverre een ontheffing kan worden verkregen. Voor alle in de wet genoemde diersoorten (inclusief vogels) geldt dat het verboden is individuen van deze soorten (opzettelijk) te doden of te vangen. Bovendien is het verboden nesten (en eieren) en (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen dan wel weg te nemen. Voor de in de wet genoemde plantensoorten geldt dat het verboden is exemplaren in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

In de Wnb worden drie beschermingsregimes onderscheiden voor beschermde soorten. Voor de eerste twee regimes gelden aanvullende verbodsbepalingen. 1. Het beschermingsregime Vogelrichtlijn (Vrl), dat van toepassing is op van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vrl. Met betrekking tot deze vogelsoorten geldt dat het - aanvullend aan de bovengenoemde verbodsbepalingen - verboden is vogels opzettelijk te storen, behalve als de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Ruimtelijke inrichting of ontwikkeling en dwingende redenen van groot openbaar belang zijn geen reden om ontheffing te verlenen. Ontheffing is uitsluitend toegestaan op basis van de ontheffingsgronden die in de Vrl zijn genoemd. Overigens is het, indien geen ontheffing nodig is, volgens de huidige interpretatie van de wet wel verplicht rekening te houden met het broedseizoen van vogels. Voor sommige vogelsoorten met vaste verblijfplaatsen geldt dat deze vaste verblijfplaatsen en het essentiële leefgebied jaarrond beschermd zijn. 2. Het beschermingsregime Habitatrichtlijn (Hrl), dat van toepassing is op soorten van bijlage IV bij de Hrl, bijlage I en II bij het Verdrag van Bern en bijlage I bij het Verdrag van Bonn.

Met betrekking tot deze soorten is het - aanvullend aan de bovengenoemde verbodsbepalingen - verboden dieren opzettelijk te verstoren. Ontheffing wordt voor ruimtelijke inrichting of ontwikkeling alleen verleend indien: • de bescherming van wilde flora en fauna of natuurlijke habitats, of • de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en voor het milieu wezenlijk gunstige effecten. 3. Het beschermingsregime Andere Soorten, dat van toepassing is op soorten van de bijlage behorende bij artikel 3.10 van de Wnb. Ontheffing is alleen mogelijk indien: • er geen andere bevredigende oplossing is, en

20

Ruimtelijke onderbouwing realisatie twee woningen Kruisweg 1501 Cruquius

•

indien geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort.

Er is echter geen ontheffing nodig indien gewerkt wordt volgens een geldige gedragscode die van toepassing is op de betreffende soort(en). Vaak is daarnaast ecologische begeleiding en een ecologisch werkprotocol nodig bij de uitvoering van werkzaamheden. De provincies kunnen voor het beschermingsregime Andere Soorten een algemene vrijstelling verlenen voor onder meer ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden.

4.5.2 Onderzoek flora en fauna Gebieden Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is het Kennemerland-Zuid. Met een afstand van circa 4 km ligt dit gebied op een dusdanig grote afstand van de projectlocatie dat negatieve gevolgen ten behoeve van de toevoeging van twee woningen zijn uitgesloten. De woningen worden daarbij aardgrasvrij gerealiseerd en kennen dus geen relevante uitstoot. Alleen de nieuwe verkeersbewegingen van en naar de woningen zijn relevant qua uitstoot. Die nieuwe verkeersbewegingen zijn echter zodanig gering dat er geen effecten op het dichtstbijzijnde natuurgebied te verwachten zijn Soorten In het plangebied is geen bebouwing meer aanwezig, omdat deze omstreeks 2001 is afgebroken. Ook zijn er geen bomen aanwezig. Hierdoor kan de aanwezigheid van boombewonende vleermuizen en vogels worden uitgesloten. Ook kent de locatie een hoge geluidsbelasting en is het daarmee geen geschikt broedgebied voor weidevogels. Beschermde plantensoorten op de planlocatie zijn niet te verwachten, omdat grote delen van het terrein verhard zijn. Houtopstanden In het plangebied worden geen houtopstanden geveld.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Haarlemmermeer&id=c1d7a506-57b6-4ad8-897e-b3f335d27dd9