RV Vaststelling bestemmingsplan Zwanenburg Kinheim 8 (2021.003121).pdf
Tekst van het document
Dit is het afwegingsgebied voor geluid en externe veiligheid. Dit aspect wordt onderbouwd in paragraaf 5.12. 5.4.3 Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Het plangebied ligt buiten de veiligheidsafstand voor consumentenvuurwerk en de invloedsgebieden van transportroutes voor gevaarlijke stoffen. Er is daarom geen verplichting om het groepsrisico te verantwoorden.
5.5
Explosieven
5.5.1 Wet‐ en regelgeving Op de opslag van munitie en/of explosieven is de “Circulaire Opslag ontplofbare stoffen voor civiel gebruik" van toepassing. Deze circulaire kent een effectbenadering in tegenstelling tot het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), dat een risicobenadering kent. Er worden categorieën explosieven onderscheiden waarvoor per categorie aan te houden afstanden gelden. Binnen deze afstanden mogen geen kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten aanwezig zijn. 5.5.2 Onderzoek De gemeente Haarlemmermeer heeft in 2018 voor de gehele gemeente een beleidsplan Conventionele Explosieven (CE) opgesteld. Op basis van de gemeentelijke CE‐bodembelasting kaart valt het plangebied binnen een onverdachte locatie. 5.5.3 Conclusie Het plangebied is onverdacht op het voorkomen van explosieven. Er worden daarom geen belemmeringen voor het plangebied verwacht.
bestemmingsplan Zwanenburg Kinheim 8 Status: vastgesteld /
Rho Adviseurs B.V.
blz 30
5.6
039400.20201544
Flora en fauna
5.6.1 Wet‐ en regelgeving Wet natuurbescherming Sinds 1 januari 2017 vervangt de Wet Natuurbescherming de Flora & Faunawet, de Natuurbeschermingswet en de Boswet. Daarmee zijn gebiedsbescherming en soortbescherming bij elkaar gebracht in één Nederlandse wet. Deze wet beschermt de van nature in Nederland in het wild voorkomende planten en dieren en hun directe leefomgeving, waaronder nesten en hollen. Deze wet neemt de Europese regelgeving als uitgangspunt. Dat is niet alleen van belang vanwege het feit dat Nederland is gehouden tot nakoming van zijn internationale verplichtingen, maar ook, omdat de Europese regelgeving een hoog beschermingsniveau van de natuur verzekert, hoger dan de bescherming die vóór de totstandbrenging van de Europese kaders werd geboden door de nationale wetgeving. De taken en verantwoordelijkheden worden in het wetsvoorstel zoveel mogelijk bij de provincies neergelegd, overeenkomstig het uitgangspunt 'decentraal tenzij'. Eén van verantwoordelijkheden van de provincie is Natuurnetwerk Nederland een netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Was het in de vorige wetgeving nog zo dat individuele exemplaren van zeldzame soorten werden beschermd, nu betreft het bescherming van de soort. Een belangrijk criterium in de wet is 'gunstige staat van instandhouding van een soort'. Daarvan is sprake als: 1.
uit populatiedynamische gegevens blijkt dat de betrokken soort nog steeds een levensvatbare component is van de natuurlijke habitat waarin hij voorkomt, en dat vermoedelijk op lange termijn zal blijven, en 2. het natuurlijke verspreidingsgebied van die soort niet kleiner wordt of binnen afzienbare tijd lijkt te zullen worden, en 3. er een voldoende grote habitat bestaat en waarschijnlijk zal blijven bestaan om de populaties van die soort op lange termijn in stand te houden. Met de Wet natuurbescherming (Wnb) zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier‐ en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. Gebiedsbescherming Bescherming van natuurgebieden wordt gewaarborgd door de Wet natuurbescherming en de Wet Ruimtelijke Ordening (Wro). Natura 2000‐gebieden worden beschermd door de Wnb en het Natuurnetwerk Nederland (NNN) wordt beschermd door de Wro. Natura‐2000 gebieden De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000.
Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn). Een bestemmingsplan die afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000‐gebied, kan uitsluitend vastgesteld worden indien uit een passende beoordeling of voortoets de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten.
Rho Adviseurs B.V.
bestemmingsplan Zwanenburg Kinheim 8 Status: vastgesteld /
039400.20201544
blz 31
Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: alternatieve oplossingen zijn niet voor handen; het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000‐netwerk bewaard blijft. De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden. Soortenbescherming In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen: soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn; soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn; overige soorten. De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn.
Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn.
5.6.2 Onderzoek Gebiedsbescherming Het plangebied is geen onderdeel van een natuur‐ of groengebied met een beschermde status, zoals Natura 2000 of het Natuurnetwerk Nederland (figuur 5.2). Het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000‐gebied, Polder Westzaan, ligt op circa 6,7 kilometer. Het dichtstbijzijnde onderdeel van het NNN bevindt zich op een afstand van circa 600 meter.
bestemmingsplan Zwanenburg Kinheim 8 Status: vastgesteld /
Rho Adviseurs B.V.
blz 32
039400.20201544
Figuur 5.2: Ligging plangebied (rode pijl) t.o.v. beschermde natuurgebieden (bron: Omgevingsverordening Noord‐Holland) Vanwege de afstand zijn directe effecten zoals areaalverlies, versnippering, verandering van de waterhuishouding en verstoring op voorhand uitgesloten. Eventuele effecten als gevolg van stikstofdepositie zijn onderzocht door middel van een AERIUS‐berekening. Uit de rekenresultaten blijkt dat voor de gebruiksfase en de aanlegfase geen sprake is van stikstofdepositie hoger dan 0,00 mol/ha/jaar (zie Bijlage 3). Soortenbescherming Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling is een quickscan ecologie uitgevoerd. Deze quickscan is toegevoegd in Bijlage 4. Hieruit blijkt dat nader onderzoek naar het voorkomen vleermuizen benodigd is. Daarnaast zijn voor de volgende soorten maatregelen benodigd. Indien deze maatregelen kunnen worden toegepast, is nader onderzoek niet benodigd: Vogels zonder jaarrond beschermd nest Voorkom vernietiging van vogelnesten óf een verstoring die van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van een in Europa inheemse vogelsoort. Nesten van deze soorten mogen niet beschadigd, weggehaald of vernietigd worden. Ook verstoringen die leiden tot het verlaten van het nest zijn verboden. De meeste vogels broeden globaal tussen half maart en half augustus. Echter, alle broedende in Europa inheemse vogelsoorten zijn te allen tijde beschermd.
1. Verricht de werkzaamheden buiten de broedperiode van de aanwezige soorten. Op basis van het veldbezoek waarin we op aanwezige vogelsoorten hebben gelet én op basis van de aanwezige biotopen is de kans op broedende vogels het grootst tussen half maart tot half oktober. Indien het niet mogelijk is om buiten deze broedperiode te werken, kan maatregel 2 uitkomst bieden.
Rho Adviseurs B.V.
bestemmingsplan Zwanenburg Kinheim 8 Status: vastgesteld /
039400.20201544
blz 33
2.
laat voorafgaand aan de werkzaamheden een broedvogelinspectie uitvoeren door een ecoloog. Indien er geen broedende vogels worden vastgesteld, kunnen de werkzaamheden alsnog doorgang vinden. Let op: in de aangegeven broedperiode is er veelal een grote kans op het aantreffen van broedende vogels. Een gunstige uitkomst van de inspectie is vooraf niet te geven. Vleermuizen (essentiële vliegroute) Aan de Kinheim, ten noorden en oosten van het schoolgebouw, bevindt zich mogelijk een essentiële vliegroute voor vleermuizen. Vleermuizen zijn op hun vliegroutes gevoelig voor verstoring door verlichting. De volgende maatregelen dienen genomen te worden om overtreding te voorkomen. 1. Verricht geen werkzaamheden tussen zonsondergang en zonsopkomst én zorg dat er's nachts geen bouwplaatsverlichting aanwezig is. Vleermuizen zijn 's avonds en 's ochtends actief en kunnen door het gebruik van verlichting verstoord worden, waardoor zij hun verblijfplaats of foerageergebied niet kunnen bereiken. Een alternatief voor bovenstaande maatregel is werken in de winterrustperiode. Dit is de periode dat de buitentemperatuur beneden de 10 °C is (globaal van begin november tot begin april). 2. zorg ervoor dat er tijdens de werkzaamheden en in de definitieve situatie geen verlichting aanwezig is die de bomenrij aan de Kinheim beschijnt. Lichtbelasting kan berekend worden en dient niet toe te nemen.
Belangrijk aspect voor het ontwerp. De bomenrij werkt vermoedelijk als geleiding voor vleermuizen. Indien de bomenrij verlicht wordt, kan een essentiële vliegroute voor vleermuizen onderbroken worden, waardoor ze hun foerageergebieden en verblijfplaatsen mogelijk niet kunnen bereiken. Steenmarter Maatregel: zorg dat de bosschage in het westen en het struweel in het oosten van het plangebied behouden blijven. Hier kunnen rust‐/nestplaatsen in aanwezig zijn van steenmarter. Als de bosschage en het struweel behouden blijft, is er geen negatief effect op verblijfplaatsen van deze soorten en is onderzoek niet nodig.
5.6.3 Conclusie Het aspect gebiedsbescherming en soortenbescherming binnen flora en fauna vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Nader onderzoek wordt op een later moment uitgevoerd. Dit onderzoek moet worden uitgevoerd voordat de omgevingsvergunning kan worden verleend. Bij de inrichting van het plangebied dient rekening te worden gehouden met de genoemde maatregelen.
5.7
Geur
5.7.1 Wet‐ en regelgeving Het algemene uitgangspunt van het Nederlandse geurbeleid is het voorkomen van nieuwe hinder. Als er geen hinder is, hoeven er geen maatregelen getroffen te worden. De mate van hinder die nog acceptabel is, moet worden vastgesteld door het bevoegde bestuursorgaan op grond van de Wet milieubeheer. 5.7.2 Conclusie Voor het plangebied zijn geen beperkingen voor wat betreft geur.
bestemmingsplan Zwanenburg Kinheim 8 Status: vastgesteld /
Rho Adviseurs B.V.
blz 34
5.8
039400.20201544
Geluid
5.8.1 Wet‐ en regelgeving Wegverkeer In de Wet geluidhinder is bepaald dat het bevoegd gezag bij vaststelling van een bestemmingsplan de wettelijke grenswaarden in acht moet nemen. Toetsing aan de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting van de Wet geluidhinder vindt plaats per weg. Het geluidsniveau ten gevolge van het wegverkeer dient op de gevels van nieuwe (of te wijzigen) woningen in de geluidszone van een weg te voldoen aan de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting (voorheen: voorkeursgrenswaarde). Deze bedraagt 48 dB. Indien deze voorkeursgrenswaarde wordt overschreden kan de gemeente een hogere grenswaarde toestaan de zogenaamde "Hogere waarde". De Hogere waarde mag enkel worden verleend indien uit akoestisch onderzoek is gebleken dat bron‐, overdrachts‐ of gevelmaatregelen om het geluidsniveau terug of onder de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting te brengen niet mogelijk is. Aan de Hogere waarde is een maximum verbonden. Voor de nieuwbouw van woningen in binnenstedelijke situaties is dit 63 dB en in buitenstedelijke situaties is dit 53 dB. Deze niveaus zijn na aftrek van de correctie conform artikel 110g van de Wet geluidhinder¹. ¹ Conform artikel 110g Wgh mag een correctie worden toegepast op het berekende geluidsniveau ten gevolge van het wegverkeer. Voor wegen waar 70 km/uur of harder gereden mag worden is de aftrek 2 dB en voor de overige wegen 5 dB.
De wettelijk toegestane snelheid is hier van belang. Voor wegen met een snelheidsregime van 30 km/uur geldt geen aftrek aangezien deze wegen geen zone hebben en hierdoor niet onder de werkingssfeer van de Wet geluidhinder vallen. Enkel bij toetsing in het kader van het aspect "goede ruimtelijke ordening" wordt ten behoeve van een goede beoordeling de aftrek wel toegepast. Industrielawaai Op basis van artikel 40 van de Wet geluidhinder kunnen (delen van) industrieterreinen worden aangewezen als gezoneerd industrieterrein met een zonegrens. Dit betreft industrieterreinen waarop zich gronden bevinden die zijn aangewezen voor mogelijke vestiging van zogenaamde "zware lawaaimakers" als genoemd in artikel 41 lid 3 van de Wet geluidhinder en artikel 2.1 lid 3 van het Besluit omgevingsrecht. Buiten de zonegrens mag de geluidbelasting vanwege het industrieterrein de waarde van 50 dB(A) niet te boven gaan. De op 1 januari 2007 geldende ten hoogste toelaatbare geluidsbelastingen voor woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen en geluidsgevoelige terreinen – vastgelegd in eerder genomen besluiten – blijven gelden. Luchtverkeerslawaai Op grond van artikel 8.30a van de Wet luchtvaart stelt de minister elk vijfde kalenderjaar een geluidsbelastingkaart vast.
Die heeft betrekking op de geluidsbelasting (overdag (Lden) en 's nachts (Lnight) veroorzaakt door de luchthaven op woningen en bij Algemene Maatregel van Bestuur aan te wijzen categorieën van andere geluidgevoelige gebouwen. 5.8.2 Onderzoek De ontwikkeling ligt binnen de geluidzones van de wegen Proosdij, Midswaard, Venenweg en De Heining. Volgens de Wet geluidhinder is akoestisch onderzoek nodig indien een schoolgebouw wordt mogelijk gemaakt binnen de zone van een weg. Daarom is akoestisch onderzoek uitgevoerd. Bij het onderzoek is ook de geluiduitstraling van de niet gezoneerde weg Kinheim en het luchtverkeerslawaai betrokken. Het onderzoek is toegevoegd in Bijlage 1.
Rho Adviseurs B.V.
bestemmingsplan Zwanenburg Kinheim 8 Status: vastgesteld /
039400.20201544
blz 35
5.8.3 Conclusie Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat de voorkeursgrenswaarde respectievelijk richtwaarde van 48 dB niet wordt overschreden ten gevolge van de onderzochte wegen. In het plangebied is sprake van een relevante geluidbelasting door de luchtvaart. Voor deze geluidbelasting gelden geen grenswaarden. Omdat bron‐ en overdrachtsmaatregelen niet mogelijk zijn, dienen er voldoende maatregelen te worden getroffen aan de gevels van de school conform het Bouwbesluit 2012, om een aanvaardbare binnenwaarde te realiseren. Het aspect geluid staat de ontwikkeling niet in de weg.
5.9
Kabels, leidingen en telecommunicatie installaties
5.9.1 Wet‐ en regelgeving Onder de grond liggen netwerken van kabels en leidingen voor onder andere nutsvoorzieningen, (tele)communicatie en riolering. Graafwerkzaamheden in de openbare weg voor de aanleg, uitbreiding en/ of onderhoud van deze werken mogen alleen plaatsvinden met vergunning en/of instemming van de gemeente. Het wettelijk kader ten aanzien van plaatsing van antennes en zendmasten ten behoeve van mobiele telecommunicatie wordt in de kern gevormd door de Woningwet, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, de Wet ruimtelijke ordening en de Monumentenwet. Antenne‐installaties tot vijf meter hoogte zijn in principe vergunningvrij. Antennes voor C2000, het communicatienetwerk voor hulpverleningsdiensten zijn vergunningvrij, ongeacht hun hoogte. Het overheidsbeleid voor de plaatsing van antennes (en zendmasten) is neergelegd in de nota Nationaal Antennebeleid (NAB) van 2000. Welke regels precies van toepassing zijn is afhankelijk van het soort antenne en de locatie van de antenne 5.9.2 Onderzoek en conclusie Binnen het plangebied en in de directe omgeving zijn geen planologisch relevante buisleidingen, hoogspanningsverbindingen of straalpaden aanwezig. Het aspect kabels en leidingen staat de beoogde ontwikkeling dan ook niet in de weg.
5.10
Licht
5.10.1 Wet‐ en regelgeving Strikte normen voor kunstmatige verlichting in de vorm van afstandsbepalingen zijn er niet. De regelgeving richt zich vooral op de lichtbronnen, de veroorzakers van licht. Specifiek voor bestemmingsplannen is voor sommige activiteiten Hoofdstuk 7 Milieueffectrapportage Wm van toepassing. Bijvoorbeeld voor grote projecten waarbij lichthinder kan ontstaan, is kunstmatige verlichting een van de milieuaspecten waarop het een en ander moet worden afgewogen. Denk daarbij bijvoorbeeld aan (auto)wegen, grote oppervlakten met kassen, grote woningbouw projecten, stadsontwikkelingsprojecten of industriegebieden. De kern van het rijksbeleid ten aanzien van licht is dat donkerte hoort tot een van de kernkwaliteiten van het landschap onder het kopje belevingskwaliteit. Het rijksbeleid is gericht op het in beeld brengen, realiseren en veiligstellen van de gewenste leefomgevingskwaliteit door het terugdringen van verstoring door activiteiten op het platteland (geluid, licht, stank). Ook worden het gebruik van energiezuinige (straat)verlichting bij gemeenten en provincies bevorderd met behoud van kwaliteit en (verkeers)veiligheid.
bestemmingsplan Zwanenburg Kinheim 8 Status: vastgesteld /
Rho Adviseurs B.V.
blz 36
039400.20201544
5.10.2 Conclusie Voor het plangebied zijn er geen beperkingen voor wat betreft lichthinder. De locatie is onderdeel van de bebouwde kom van Zwanenburg. Gelet op de omliggende bebouwing en verkeersfuncties is er geen sprake van verstoring richting het buitengebied.
5.11
Lucht
5.11.1 Wet‐ en regelgeving Wet luchtkwaliteit De belangrijkste wet‐ en regelgeving voor luchtkwaliteit is vastgelegd in de Wet luchtkwaliteit. De hoofdlijnen van deze wet zijn te vinden in hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. De luchtregelgeving is uitgewerkt in een aantal AMvB's en Ministeriële Regelingen. Wet Milieubeheer In bijlage II van de Wet milieubeheer zijn voor de volgende stoffen grenswaarden voor de concentratie in de buitenlucht opgenomen: stikstofdioxide (NO2), fijn stof (PM10), benzeen (C6H6), zwaveldioxide (SO2), lood (Pb), koolmonoxide (CO). Uit metingen van het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit en berekeningen van het Milieu en Natuur Planbureau blijkt dat aan de grenswaarden voor benzeen, zwaveldioxide, lood en koolmonoxide al geruime tijd in (nagenoeg) geheel Nederland wordt voldaan. In de Nederlandse situatie leveren alleen de concentraties stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10) problemen op in relatie tot de wettelijke normen. Stof Stikstofdioxide (NO2)
Toetsing van Jaargemiddelde concentratie Uurgemiddelde concentratie
Fijn stof (PM10)
Jaargemiddelde concentratie 24‐uurgemiddelde concentratie
Fijn stof (PM2,5) Jaargemiddelde concentratie Tabel 2: Grenswaarden maatgevende stoffen Wet Milieubeheer
Grenswaarde 40µg/m³ Max. 18 keer p.j. meer dan 200 µg/m³ 40µg/m³ Max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg/m³ 25 µg/m³
De wijze waarop het aspect luchtkwaliteit in acht genomen dient te worden bij planvorming is geregeld in artikel 5.16 en 5.16a van de Wet milieubeheer. Op basis van deze wetgeving kunnen ruimtelijk‐ economische initiatieven worden uitgevoerd als aan één of meer van de volgende voorwaarden wordt voldaan: Grenswaarden uit bijlage II van de Wet milieubeheer worden niet overschreden, of Per saldo verbetert de luchtkwaliteit of blijft tenminste gelijk, of Het initiatief draagt niet in betekenende mate bij aan de luchtkwaliteit (aan concentratie PM10 en NO2)², of Het initiatief is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL)³. In aanvulling op het bovenstaande toetsingskader stelt de AMvB 'Gevoelige Bestemmingen (luchtkwaliteitseisen)' dat bij de voorgenomen realisering van gevoelige bestemmingen, zoals scholen, kinderdagverblijven, verzorgingshuizen en dergelijke op een locatie binnen 300 meter vanaf de rand van rijkswegen of binnen 50 meter vanaf de rand van provinciale wegen, moet worden onderzocht of op die locaties sprake is van een daadwerkelijke of een dreigende overschrijding van de grenswaarden voor PM10 en/of NO2. Blijkt uit het onderzoek dat sprake is van zo'n (dreigende) overschrijding, dan mag het totaal aantal mensen dat hoort bij een 'gevoelige bestemming' niet toenemen.
Rho Adviseurs B.V.
bestemmingsplan Zwanenburg Kinheim 8 Status: vastgesteld /
039400.20201544
blz 37
Het maakt voor de vestiging van gevoelige bestemmingen niet uit of het deel uitmaakt van 'niet in betekenende mate' projecten of 'in betekenende mate' projecten. De AMvB 'Gevoelige Bestemmingen' moet in beide gevallen worden nageleefd. ² De AMvB 'Niet In Betekenende Mate bijdragen' legt vast, wanneer een project niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van een bepaalde stof. Een project is NIBM, als aannemelijk is dat het project een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%. De 3%‐grens wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van stikstofdioxide (NO2) of fijn stof (PM10). Dit komt overeen met 1,2 µg/m3 voor zowel stikstofdioxide als fijn stof. Voor dergelijke projecten hoeft geen luchtkwaliteitonderzoek te worden uitgevoerd. Ook is toetsing aan normen niet nodig. ³ Sinds 1 augustus 2009 is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) van kracht. Met het NSL is in 2005 gestart omdat Nederland niet tijdig aan de grenswaarden voor de luchtkwaliteit kon voldoen. Nederland heeft een plan gemaakt waaruit duidelijk wordt hoe de grenswaarden wel worden bereikt. In het NSL zijn allerlei grote projecten opgenomen die men wil uitvoeren samen met maatregelen die worden uitgevoerd om de concentratiebijdrages van deze grote projecten te compenseren.
De concentratiebijdrage van NIBM‐projecten wordt tevens gecompenseerd door deze maatregelen. Voor de projecten die in het NSL zijn opgenomen, hoeft geen luchtkwaliteitonderzoek te worden uitgevoerd. Ook is toetsing aan de normen niet nodig. 5.11.2 Onderzoek Het plangebied bevindt zich niet op een locatie binnen 300 meter vanaf de rand van een rijksweg of binnen 50 meter vanaf de rand van een provinciale weg. Nader onderzoek naar de overschrijding van grenswaarden is dan ook niet benodigd. Daarnaast blijkt uit de NIBM dat de ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit ter plaatse en vrijgesteld is van toetsing aan de grenswaarden.
Figuur 5.3: NIBM‐tool
bestemmingsplan Zwanenburg Kinheim 8 Status: vastgesteld /
Rho Adviseurs B.V.
blz 38
039400.20201544
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van de NSL‐monitoringstool 2019 die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. De dichtstbijzijnde maatgevende weg betreft de Kinheim. Uit de NSL‐monitoringstool blijkt dat in 2018 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof langs deze weg ruimschoots onder de grenswaarden lag. De concentraties luchtverontreinigende stoffen bedroegen voor de Kinheim in 2018; 20,3 µg/m³ voor NO2, 19,5 µg/m³ voor PM10 en 11,5 µg/m³ voor PM2,5. Het aantal overschrijdingsdagen van de 24‐uur gemiddelde concentratie PM10 bedroeg 7,2 dagen. 5.11.3 Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling in het projectgebied, de concentraties luchtverontreinigende stoffen voldoen aan de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Ter plaatse is sprake van een acceptabel woon‐ en leefklimaat.
5.12
Luchtvaartverkeer
5.12.1 Wet‐ en regelgeving Het Luchthavenindelingbesluit (LIB) bevat ruimtelijke maatregelen op rijksniveau die verband houden met de luchthaven Schiphol. Het Luchthavenverkeerbesluit is gericht op de beheersing van de belasting van het milieu door het luchthavenluchtverkeer. Tezamen vormen deze besluiten een uitwerking van het hoofdstuk 8 van de Wet luchtvaart. Het LIB legt het beperkingengebied en het luchthavengebied vast. Indien het plangebied gelegen is binnen het beperkingengebied gelden beperkingen met het oog op veiligheid en milieu. Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten in overeenstemming zijn met het LIB. Het gaat hierbij om afwegingen die moeten worden gemaakt met betrekking tot externe veiligheid, hoogtebeperkingen, beperkingen bij het toelaten van functies (bestemmingen), het voorkomen van geluidhinder en het voorkomen van het aantrekken van vogels. 5.12.2 Onderzoek Het plangebied ligt binnen het beperkingengebied van Schiphol. Het Ministerie van Infrastructuur en Milieu heeft een webapplicatie ter beschikking gesteld om hulp te bieden bij het toetsen van ruimtelijke plannen aan het LIB. Het plangebied is via de website http://www.lib‐schiphol.nl ingevoerd en doorgerekend. De resultaten zijn opgenomen in Bijlage 5. Het huidige maaiveld van het plangebied ligt op ca. ‐3,6 meter t.o.v. het NAP.
Het plangebied ligt binnen de toetsvlakken zoals weergegeven in figuur 5.4.
Figuur 5.4: Toetsvlakken binnen het plangebied (bron: Lib)
Rho Adviseurs B.V.
bestemmingsplan Zwanenburg Kinheim 8 Status: vastgesteld /
039400.20201544
blz 39
Beperking bebouwing (LIB 4 en 5) Het plangebied valt binnen de zone 'Beperkingengebied geluidgevoelige gebouwen ’ (zone 4) waarin is bepaald dat met het oog op geluidbelasting geen geluidgevoelige gebouwen zijn toegestaan. Een basisschool valt onder (andere) geluidgevoelige gebouwen. Voorliggend plan maakt echter de clustering van een reeds bestaande school mogelijk. De nieuwe school is een samenvoeging van bestaande locaties. De bestaande locatie aan de Plantsoenlaan zal niet meer als onderwijslocatie gebruikt worden. Ten opzichte van de huidige situatie zullen ter plaatse dus niet meer leerlingen aanwezig zijn. Ook valt het plangebied binnen de zone 'Afwegingsgebied geluid en externe veiligheid'. Vanwege de ligging binnen LIB‐5 moet er op grond van artikel 2.2.1d LIB worden gemotiveerd op welke wijze rekening is gehouden met de mogelijke gevolgen van een vliegtuigongeval met meerdere slachtoffers op de grond als gevolg van de ruimtelijke ontwikkeling. Hierbij gaat het om een integrale beleidsmatige toelichting op het omgaan met risico's en niet om een groepsrisicoberekening zoals bedoeld in de besluiten met betrekking tot externe veiligheid. Het risico neemt toe naarmate de intensiteit van het ruimtegebruik toeneemt.
Van belang hierbij is ook de aanwezigheid van gevaarlijke of ontplofbare objecten op de grond, waardoor vervolgschade kan ontstaan (kettingreacties of domino‐ effecten). Onderdeel van de motivering bij de locatiekeuze voor een nieuw kwetsbaar object vormen mitigerende maatregelen, zoals maatregelen om de bestrijdbaarheid van gevolgen van een ongeluk te bevorderen, vluchtwegen en bereikbaarheid voor hulpdiensten, (inrichtings)maatregelen om de zelfredzaamheid van personen te bevorderen, training van bestuurders in crisismanagement, voorlichting, rampenbestrijdingsplannen en oefeningen. Beschrijving bestaande en nieuwe situatie Het plangebied is gelegen in de kern Zwanenburg, in bebouwd gebied. Het plan omvat de sloop van de bestaande school, waarna ter plaatse een nieuw schoolgebouw wordt gerealiseerd. Het nieuwe schoolgebouw is qua oppervlakte groter dan de bestaande school. Het aantal leerlingen neemt hierdoor zeer beperkt toe. De uitbreiding gaat ten koste van de speelplaats en is zodanig gering dat er sprake is van een gelijke aard en schaal. De ontwikkeling vindt op deze plek plaats omdat dit op basis van de locatiestudie de meest geschikte locatie is voor de nieuwe gefuseerde basisschool. Impact van een vliegtuigongeval Als de locatie getroffen wordt door een neerstortend vliegtuig wordt de bebouwing geheel of gedeeltelijk verwoest.
De aanwezige personen kunnen hierdoor (dodelijk) slachtoffer worden. In het plangebied en de directe omgeving zijn geen ontplofbare objecten aanwezig. De dichtstbijzijnde risicovolle bron is een verkooppunt voor consumentenvuurwerk op 260 meter van het plangebied (zie figuur 5.1 Risicokaart). Bij een ongeval zal dan ook geen vervolgschade ontstaan door kettingreacties of domino‐effecten. Waarschijnlijkheidsbepaling De kans dat een vliegtuig neerstort is klein. Hetzelfde geldt voor de kans om te overlijden door een neerstortend vliegtuig. Dichtbij Schiphol is de kans wat groter dan verder van de luchthaven af. De kans dat een persoon komt te overlijden als gevolg van bijvoorbeeld een verkeersongeval is vele malen groter. De maatschappelijke impact van een ongeval met een vliegtuig is uiteraard groter.
bestemmingsplan Zwanenburg Kinheim 8 Status: vastgesteld /
Rho Adviseurs B.V.
blz 40
039400.20201544
Beschrijving maatregelen en zelfredzaamheid Maatregelen bij de bron Bronmaatregelen zijn de meest effectieve maatregelen om de kans op meerdere slachtoffers op de grond te beperken. Bij vliegtuigen zijn dat maatregelen die de kans dat zich een ongeval voordoet verkleinen. Hiervoor gelden internationale regels waar de sector aan moet voldoen. In het kader van de planontwikkeling zijn geen realistische maatregelen te treffen die de effecten van een vliegtuigongeval beperken. Bereikbaarheid Vanuit het Bouwbesluit 2012 gelden strenge eisen in verband met de bestrijdbaarheid van een ramp nabij een bouwwerk. In de realiteit zijn er voor de personen in het getroffen gebouw weinig mogelijkheden om zichzelf in veiligheid te brengen. Voor vluchten is immers geen tijd en gewone gebouwen bieden nu eenmaal onvoldoende bescherming tegen de risico's van een daarop neerstortend vliegtuig. Dit betekent dat de aandacht vooral uitgaat naar een goede bereikbaarheid van de projectlocatie, vluchtroutes voor omstanders en een adequate hulpverlening. De eisen vanuit het Bouwbesluit 2012 zijn wel van belang voor de mogelijkheden voor personen die zich in de directe nabijheid van de ramplocatie bevinden om te schuilen voor secundaire branden. Bestrijdbaarheid en bluswatervoorzieningen Vanwege de nabijheid van luchthaven Schiphol is de veiligheidsregio voorbereid op een vliegtuigongeval.
De veiligheidsregio beschikt over een “Calamiteitenplan Vliegtuigongevallen”. Zodra zich een ongeluk voordoet treedt dit plan in werking. De werkwijze, taken en verantwoordelijkheden van alle betrokken instanties zijn hierin nauwkeurig beschreven. Het calamiteitenplan wordt voortdurend aangepast naar aanleiding van de evaluatie van daadwerkelijke optredens bij incidenten en oefeningen. De nood‐ en hulpdiensten treden in het geval van een vliegtuigongeval volgens het hiervoor geldende protocol op. Bij het stedenbouwkundig ontwerp is rekening gehouden met de bereikbaarheid voor nood‐ en hulpdiensten. Het plangebied is goed bereikbaar van meerdere kanten: zowel vanuit het noorden als vanuit het zuiden via de Kinheim. Bij het inrichten van de openbare ruimte is reeds rekening gehouden met voldoende voorzieningen voor bluswater. Rampenbestrijdingsplannen worden regelmatig geoefend. Zelfredzaamheid Binnen de school zullen de vluchtwegen duidelijk worden aangegeven en zal er getraind worden op een mogelijke ontruiming. De verminderd zelfredzame mensen in het plangebied zullen dan ook vooral kinderen betreffen. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat de aanwezige leerkrachten en begeleiders de kinderen zullen begeleiden in het geval van een noodsituatie.
De veiligheidsregio is voorbereid op het crisistype luchtvaartincidenten De Wet Veiligheidsregio's verplicht veiligheidsregio's tot het beschikken over een crisisorganisatie (artikel 16). Deze crisisorganisatie – die wordt beschreven in een crisisplan – moet voorbereid zijn op de bestrijding van branden, rampen en crises die zich volgens het door de veiligheidsregio (ook verplicht) opgestelde regionaal risicoprofiel kunnen voordoen. In het kort bestaat zo'n crisisorganisatie uit multidisciplinaire teams van politie, brandweer, geneeskundige hulpverlening en gemeenten die zich richten op bronbestrijding, redding, hulpverlening, opvang en nazorg.
Rho Adviseurs B.V.
bestemmingsplan Zwanenburg Kinheim 8 Status: vastgesteld /
039400.20201544
blz 41
Dit risicoprofiel wordt eens per 4 jaar geactualiseerd. Op basis van dit risicoprofiel stelt de veiligheidsregio een beleidsplan op om de crisisorganisatie zo goed als mogelijk voorbereid te houden. Het crisistype luchtvaartongeval is een van de typen die worden genoemd in het regionaal risicoprofiel van de veiligheidsregio . Naast de generieke voorbereiding van de crisisorganisatie, bestaat er ook specifieke voorbereiding voor luchtvaartongevallen. Die bestaat met name uit een (multidisciplinair) calamiteitenplan luchtvaartongevallen en veel gezamenlijke trainingen en oefeningen van de brandweer. Conclusie In vergelijking met de bestaande situatie draagt de onderhavige ruimtelijke ontwikkeling niet bij aan een significante toename van het aantal potentiële slachtoffers op de grond in geval van een vliegtuigongeluk. Gelet op de geringe ongevalskans en de (zeer) beperkte omvang van de ontwikkeling, is het bovendien zeer onwaarschijnlijk dat precies hier een vliegtuig zal neerstorten. Er is daarom geen reden om vanwege de mogelijkheid van een vliegtuigongeval van de beoogde ontwikkeling af te zien. Beperking aantrekken vogels Binnen dit gebied zijn de functies die vogels aantrekken niet toegestaan. De beoogde ontwikkeling betreft een basisschool, dit is geen vogelaantrekkende functie.
Beperking voor windturbines en lasers Binnen dit gebied gelden beperkingen voor het mogelijk maken van windturbines en laserinstallaties. Beide functies worden niet mogelijk gemaakt met voorliggend bestemmingsplan. Het plangebied is daarnaast ook gelegen binnen de contour uit het LIB voor toetshoogtes. Tot deze toetshoogtes gelden er geen beperkingen waarvoor een verklaring van geen bezwaar op basis van artikel 8.9 van de Wet luchtvaart moet worden aangevraagd. Ter plaatse van het plangebied gelden grotendeels de toetshoogten 15,9 meter NAP. Een klein deel is gelegen op 25 meter NAP en 26 meter NAP. De maximum bouwhoogte bedraagt 8 meter (4,4 meter tov het NAP) en blijft onder de toetshoogtes. 5.12.3 Conclusie Het LIB vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
bestemmingsplan Zwanenburg Kinheim 8 Status: vastgesteld /
Rho Adviseurs B.V.
blz 42
5.13
039400.20201544
Milieueffectrapportage
5.13.1 Wet‐ en regelgeving Milieueffectrapportage is geregeld in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer (Wm) en in het Besluit m.e.r. De Wm is een kaderwet waarin de uitgangspunten van het milieubeleid staan beschreven. In het Besluit m.e.r. staat wanneer een m.e.r. moet worden toegepast. Het besluit bevat bijlagen waaronder de C‐ en D‐lijst. Door middel van deze lijsten kan bij het opstellen van een ruimtelijk plan worden beoordeeld of het plan een ontwikkeling omvat die een m.e.r.‐(beoordelings)plicht kent. Voor activiteiten die voldoen aan de diverse criteria uit de C‐ en D‐lijst geldt een m.e.r.‐plicht. Bij sommige ontwikkeling met activiteiten uit de D‐lijst is een vormvrije m.e.r.‐plicht mogelijk. Als een voorgenomen ontwikkeling activiteiten bevat zoals opgenomen in de D‐lijst van het besluit m.e.r. (kolom 1), maar ligt beneden de drempelwaarden in deze lijst (kolom 2) dan is er een vormvrije m.e.r. mogelijk. Er dient bij elke m.e.r.‐vorm een aanmeldnotitie te worden opgesteld. In overleg met de aanvrager van het bijbehorende plan of besluit wordt beoordeeld of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.‐ beoordeling (als sprake is van een besluit) of het direct uitvoeren van een m.e.r. (als sprake is van een plan).
Overigens moet daarnaast worden bezien of een ruimtelijke ontwikkeling aanzienlijke milieueffecten kan hebben, waarbij naast de drempelwaarden ook de omstandigheden ter plaatse worden betrokken. Dit in verband met het arrest van het Hof van Justitie van de EU van 15 oktober 2009 (C‐225/08). Bij een m.e.r.‐plicht dient een milieueffectrapportage gemaakt te worden en bij een m.e.r.‐ beoordelingsplicht dient een afweging te worden gemaakt door het bevoegd gezag of een m.e.r. opgestart zal worden. 5.13.2 Onderzoek en conclusie Gezien de aard en omvang van de ontwikkeling en het feit dat er slechts sprake is van een uitbreiding van een bestaande functie, is er geen sprake van een activiteit zoals bedoeld in de het Besluit milieueffectrapportage. Op grond van deze wetgeving gelden dan ook geen verplichtingen.
5.14
Milieuzoneringen
5.14.1 Wet‐ en regelgeving Bij het opstellen van een ruimtelijk plan dient de invloed van bestaande (of nieuw te vestigen) bedrijvigheid op de leefomgeving afgewogen te worden. Door middel van milieuzonering dient een ruimtelijke scheiding te worden aangebracht tussen milieubelastende functies (zoals bedrijven) en milieugevoelige functies (zoals wonen). De VNG handreiking Bedrijven en Milieuzonering (2009) geeft richtlijnen voor de in acht te nemen afstanden. Deze afstanden worden gemeten tussen de grens van de bestemming die bedrijven/milieubelastende activiteiten toestaat en de uiterste situering van de gevel van een woning die volgens het ruimtelijk plan mogelijk is. In 2019 is de Milieuzonering nieuwe stijl opgesteld. Dit rapport is vooruitlopend op de omgevingswet opgesteld en kan worden toegepast voor het reguleren van bedrijven in bestemmingsplannen met verbrede reikwijdte, echter blijft de handreiking uit 2009 nog van kracht.
Rho Adviseurs B.V.
bestemmingsplan Zwanenburg Kinheim 8 Status: vastgesteld /
039400.20201544
blz 43
5.14.2 Onderzoek De beoogde ontwikkeling betreft de sloop en nieuwbouw van een bestaand schoolgebouw. Dit wordt zowel als milieugevoelige als milieu hinderende functie gezien. Basisscholen en kinderdagverblijven behoren tot milieucategorie 2 waarvoor een richtafstand geldt van 30 meter t.o.v. een rustige woonwijk, met geluid als maatgevend aspect. De dichtstbijzijnde woningen liggen op circa 5 meter ten noordwesten van de schoollocatie. De functies worden van elkaar gescheiden door een groenstrook. Mede de ontwikkeling komt het bouwvlak van het schoolgebouw verder af te liggen van de woningen. Omdat de huidige situatie als acceptabel wordt geacht, zal de herontwikkeling geen afbreuk doen aan het woon‐ en leefklimaat ter plaatse van de bestaande woningen. Ten noordoosten van de schoollocatie, is op circa 25 meter het clubgebouw van Wielervereniging de Bataaf gesitueerd waarvoor geen richtafstand staat vermeld in de VNG‐publicatie. Verder naar het noordoosten, op circa 70 meter, is een bedrijventerrein gesitueerd waar bedrijven tot en met milieucategorie 3.2 zijn toegestaan. Voor deze categorie geldt een richtafstand van 100 meter ten opzichte van een rustige woonwijk en 50 meter ten opzichte van een gemengd gebied. Met de uitbreiding komt de school verder af te liggen van de woningen.
Omdat de huidige situatie als acceptabel wordt geacht, zal de herontwikkeling van de school zullen de bestaande bedrijven niet in hun bedrijfsvoering worden beperkt. Ook voor de ten oosten gelegen wielerbaan, en het binnenterrein dat in de wintermaanden deels wordt gebruikt als ijsbaan, geldt dat er geen richtafstanden zijn vermeld in de VNG‐publicatie. De kortste afstand tussen het perceel van de wielerbaan en het bestaande schoolgebouw is in huidige situatie 25 meter. De nieuwe school zal weliswaar uitbreiden in deze richting, maar wordt parallel aan het perceel van de wielerbaan gerealiseerd, waardoor deze afstand hetzelfde blijft. De herontwikkeling van de school zal daarom geen (verdere) beperking vormen voor de bestaande bedrijfsvoering. 5.14.3 Conclusie Bestaande bedrijven en bedrijfsmatige functies worden niet in hun belangen geschaad. Het woon‐ en leefklimaat ter plaatse van de bestaande woningen blijft gehandhaafd en ter plaatse van de nieuwe school is sprake van een acceptabel verblijfsklimaat.
5.15
Verkeer
5.15.1 Wet‐ en regelgeving Op het gebied van verkeer en vervoer bestaat geen specifieke wetgeving die relevant is voor de voorgenomen activiteit. Wel dient in het kader van het ruimtelijk plan dat de activiteit mogelijk maakt, te worden onderbouwd dat het geheel voldoet aan een goede ruimtelijke ordening. Dit houdt onder meer in dat er voldoende parkeergelegenheid aanwezig dient te zijn en de eventuele verkeerstoename niet leidt tot knelpunten in de verkeersafwikkeling. Voor de beoogde ontwikkeling wordt de parkeerbehoefte berekend op basis van handboek parkeernormen gemeente Haarlemmermeer en CROW publicatie 381. Voor het te hanteren kencijfer wordt in de beleidsregel aangegeven dat Zwanenburg matig stedelijk is. Voor de te hanteren bandbreedte moet worden gekeken wat de afstand (hemelsbreed) ten opzichte van de dichtstbijzijnde HOV halte of treinstation is. Binnen 1200 meter ligt treinstation Halfweg‐Zwanenburg en hierbij behoort de gemiddelde bandbreedte.
bestemmingsplan Zwanenburg Kinheim 8 Status: vastgesteld /
Rho Adviseurs B.V.
blz 44
039400.20201544
De verkeersgeneratie wordt berekend op basis van kencijfers uit CROW publicatie 381 en de gehanteerde beleidsregels uit het handboek parkeernormen gemeente Haarlemmermeer 2018. Vanuit de gemeente worden verkeersgegevens van Kinheim geleverd en deze zijn gebaseerd op het verkeersprognosemodel 'Noord‐Holland zuid 2.4' met 2030 als prognosejaar. 5.15.2 Onderzoek Ontsluiting Gemotoriseerd verkeer De basisschool wordt ontsloten door de wijkontsluitingsweg Kinheim. Dit is een gebiedsontsluitingsweg waar een maximumsnelheid van 50km/uur geldt. In 2021 wordt deze weg ingericht als erftoegangsweg waar een maximumsnelheid van 30km/uur ingesteld wordt. De Kinheim is een verbindingsweg tussen de Zwanenburgerdijk, Proosdij en Midswaard. Op deze wegen geldt een maximumsnelheid van 50km/uur. Via de Zwanenburgerdijk is de snelweg A200 en het station Halfweg‐Zwanenburg te bereiken. Via De Proosdij is het centrum van Zwanenburg te bereiken. De Midswaard verbindt de woonwijk ten westen en zuiden de school. Openbaar vervoer Op 400 meter loopafstand vanaf het plangebied ligt langs Kinheim een halte waar de buslijnen 161 richting Hoofddorp station en 680 richting Halfweg‐Zwanenburg station halteren. Lijn 680 halteert bij deze halte enkel in de ochtend en in de middag. Langzaam verkeer Aan weerszijden van Kinheim zijn fietsstroken aanwezig.
De rijbaan tussen de fietsstroken is dusdanig smal dat bij gemotoriseerd verkeer in twee richtingen moet worden uitgeweken over de fietsstroken. De fietsers delen de weg met het gemotoriseerd verkeer. Na de herinrichting verdwijnen de fietsstroken en wordt de maximale snelheid van 50km/uur naar 30km/uur verlaagd. Fietsers delen de rijbaan dan ook met het gemotoriseerde verkeer. Langs Kinheim 8 ligt een voetpad aan de zijde van de school. Aan deze zijde liggen ook de woningen. Ter hoogte van Kinheim 4 ligt een oversteekvoorziening voor voetgangers. In de woonwijk zijn verschillende looproutes aanwezig die uitkomen bij het schoolgebouw. Verkeersgeneratie Huidige situatie De geplande uitbreiding van de nieuwbouw ligt op een locatie waar nu het bestaande schoolgebouw staat met 6 leslokalen. Door de uitbreiding van het gebouw en het vestigen van een kinderdagverblijf zal de verkeersgeneratie en parkeerbehoefte toenemen. Om een inschatting te geven van de toename van het aantal motorvoertuigen door de toekomstige ontwikkeling wordt een inschatting gegeven van de huidige verkeersgeneratie. Voor basisonderwijs is geen kencijfer voor verkeersgeneratie bekend en wordt uitgegaan van 25 leerlingen per lokaal. Niet elke leerling zal met de auto worden gebracht/gehaald aangezien de school aan de rand van de woonwijk ligt en goed te bereiken is per fiets en te voet.
Ingeschat wordt dat 60% van de leerlingen met de auto wordt gebracht. Voor personeel wordt uitgegaan van 1 personeelslid per lokaal en 100% autogebruik. In tabel 3 wordt de huidige verkeersgeneratie bepaald, waarbij ingeschat wordt dat de school 358 mvt/etmaal genereren.
Tabel 3: Verkeersgeneratie huidige situatie
Rho Adviseurs B.V.
bestemmingsplan Zwanenburg Kinheim 8 Status: vastgesteld /
039400.20201544
blz 45
Toekomstige situatie De uitbreiding in de toekomstige situatie houdt in dat de school 310 leerlingen kan huisvesten. Er kan uitgegaan worden dat bij een bezetting van 25 leerlingen per klas er 13 leslokalen aanwezig zijn. Voor personeel wordt uitgegaan van 1 personeelslid per leslokaal en 100% autogebruik. Voor de basisschool worden bovengenoemde uitgangspunten gehanteerd. Daarnaast komt er een kinderopvang van 548 m2 bij en hiervoor is wel een kencijfer bekend. In tabel 4 wordt de toekomstige verkeersgeneratie bepaald, waarbij ingeschat wordt dat de school en kinderdagverblijf samen 988 mvt/etmaal genereren.
Tabel 4: Verkeersgeneratie toekomstige situatie De verkeerstoename ten opzichte van de huidige situatie bedraagt 988‐358= 630mvt/etmaal. Verkeersafwikkeling De verkeersafwikkeling via Kinheim zal met de nieuwe ontwikkeling toenemen. De school is vanuit westelijk en zuidelijke richting bereikbaar. Dit wil zeggen dat de verdeling van het verkeer ongeveer 50% is in de richting van Zwanenburgerdijk en 50% in de richting van Midswaard en Proosdij. De weg zal mogelijk meer belast worden omdat kinderen van de andere basisschool Gaandeweg aan de Plantsoenlaan verder van de nieuwe school wonen. In figuur 5.5 is de verdeling van het verkeer weergegeven.
Figuur 5.5: verdeling verkeer
bestemmingsplan Zwanenburg Kinheim 8 Status: vastgesteld /
Rho Adviseurs B.V.
blz 46
039400.20201544
Intensiteiten De Kinheim zal in 2021 worden ingericht als een erftoegangsweg. Dergelijke wegen wikkelen volgens het principe duurzaam veilig doorgaans tussen de 4.000 en 6.000 mvt/etmaal af. De Midswaard en Proosdij wikkelen ongeveer evenveel verkeer af maar zijn nu geen erftoegangswegen. Er wordt voor deze wegen uitgegaan van de maximale capaciteit van 6.000 mvt/etmaal omdat ze in het verlengde van de Kinheim liggen. Daarbij heeft de Proosdij dezelfde inrichting als de huidige Kinheim. In tabel 5 worden de verkeersintensiteiten weergegeven gebaseerd op het verkeersprognosemodel 'Noord‐Holland zuid 2.4' met 2030 als prognosejaar en het totaal verkeer inclusief de toename verkeer door de ontwikkeling.
Tabel 5: Verkeersintensiteiten 2030 De verkeersintensiteit in 2030 op de Kinheim zal met de uitbreiding van de basisschool 2.630 mvt/etmaal bedragen. Dit blijft ruim onder de 6.000 mvt/etmaal. De weg biedt ruim voldoende restcapaciteit om deze toekomstige verkeersintensiteit af te wikkelen. Hetzelfde geldt voor de afwikkeling van het verkeer over de Midswaard 1.858 mvt/etmaal en Proosdij 2.358 mvt/etmaal. Deze wegen blijven ruim onder de 6.000mvt/etmaal en hebben ruim voldoende restcapaciteit om het verkeer af te wikkelen. Er worden daarom geen knelpunten verwacht met betrekking tot de afwikkeling van het verkeer. Parkeren De geplande uitbreiding van de nieuwbouw ligt op een locatie waar nu het bestaande schoolgebouw staat met 6 leslokalen, dit aantal wordt uitgebreid tot 13 leslokalen. De parkeerbehoefte wordt volgens de beleidsregel Handboek parkeren Haarlemmermeer berekend op basis van CROW‐publicatie 381 (matig stedelijk, gemiddeld kencijfer). De gemeente Haarlemmermeer kent geen beleid voor het aantal kiss en ride‐plaatsen, wel blijkt uit ervaringen bij andere scholen een parkeervraag voor kiss en ride van 3 parkeerplaatsen. In tabel 6 wordt de parkeerbehoefte zonder kiss en ride weergegeven.
Tabel 6: Parkeerbehoefte personenauto's Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling dienen volgens de parkeernormen 18 parkeerplaatsen aanwezig te zijn (exclusief kiss en ride strook). Op dit moment zijn er ongeveer 10 parkeerplaatsen aanwezig. Dat worden na de herinrichting van de weg 24 parkeerplaatsen. Hierdoor blijven er nog 6 parkeerplaatsen over om in te richten voor een kiss en ride strook. De parkeervraag kan daarmee opgevangen worden op de beoogde langsparkeerplaatsen langs Kinheim.
Rho Adviseurs B.V.
bestemmingsplan Zwanenburg Kinheim 8 Status: vastgesteld /
039400.20201544
blz 47
Verkeersveiligheid De Kinheim wordt in 2021 heringericht naar aanleiding van de vervanging van de riolering in 2020‐2021. In de nieuwe situatie vervallen de wegversmallingen en de fietssuggestiestrook. Kinheim wordt in zijn geheel een 30 km/uur zone met daarbij behorende verkeersremmende maatregelen zoals (kruispunt)plateaus. De Schoolzone blijft gehandhaafd, net zoals de oversteekvoorziening en het langsparkeren. De 30 km/uur zone wordt uitgevoerd in asfalt. Het verlagen van de snelheid van 50km/uur naar 30km/uur met bijbehorende maatregelen zorgt voor een verbetering van de verkeersveiligheid. De huidige en de nieuwe verkeersituatie wordt weergegeven in figuur 5.6.
Figuur 5.6: Verkeerssituatie huidige en toekomstige situatie 5.15.3 Conclusie De ontsluiting van de planontwikkeling is goed. Er vindt een verkeerstoename van 630mvt/etmaal plaats maar de Kinheim en omliggende wegen bieden ruim voldoende capaciteit om dit te kunnen verwerken waardoor het niet zal leiden tot knelpunten op het omliggende wegennet. Er is voldoende ruimte aanwezig om te voorzien in de berekende parkeerbehoefte op basis van de gemeentelijke parkeernormen. Het aspect verkeer en parkeren staat de ontwikkeling daarmee niet in de weg.
5.16
Water
5.16.1 Wet‐ en regelgeving Europese Kaderrichtlijn Water De kaderrichtlijn Water richt zich op de bescherming van water in alle wateren. Hiermee wordt beoogd vervuiling te voorkomen en te beperken, duurzaam gebruik van water te bevorderen, het aquatische milieu te beschermen en te verbeteren en de effecten van overstromingen en droogte in te perken. De algemene doelstelling is om een goede milieutoestand te bereiken voor alle wateren. Waterwet De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater, en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Ook is via de Invoeringswet Waterwet de saneringsregeling voor waterbodems van de Wet bodembescherming overgebracht naar de Waterwet. Naast de Waterwet blijft de Waterschapswet als organieke wet voor de waterschappen bestaan. Met de Waterwet zijn Rijk, waterschappen, gemeenten en provincies beter uitgerust om wateroverlast, waterschaarste en waterverontreiniging tegen te gaan. Ook voorziet de wet in het toekennen van functies voor het gebruik van water zoals scheepvaart, drinkwatervoorziening, landbouw, industrie en recreatie. Afhankelijk van de functie worden eisen gesteld aan de kwaliteit en de inrichting van het watersysteem.
bestemmingsplan Zwanenburg Kinheim 8 Status: vastgesteld /
Rho Adviseurs B.V.
blz 48
039400.20201544
Waterbeheerplan 5 2016‐2021 In het “Waterbeheerplan 5 2016 – 2021” staat samen werken aan water centraal. Zodat nu en in de toekomst in dit deel van Nederland waar onder zeeniveau gewoond, gewerkt en gerecreëerd kan worden. Het Hoogheemraadschap van Rijnland wil samen met zijn omgeving werken aan duurzaam en efficiënt waterbeheer tegen zo laag mogelijke maatschappelijke kosten. Die toekomst wordt mede bepaald door trends in klimaat en maatschappij en de noodzaak om op duurzame wijze met onze omgeving om te gaan. De verwachte toename van neerslag en droogte, bodemdaling, verzilting zeespiegelrijzing en de verdergaande verstedelijking, leggen een steeds grotere druk op het watersysteem. De hoofdambitie is schoon water en droge voeten. Dit wordt bereikt door: 1. Beschermen tegen overstromingen vanuit zee, de rivieren en het regionale watersysteem door een aanpak in drie lagen (meerlaagse veiligheid): preventie, adviseren over het beperken van de gevolgen van overstromingen (gevolgbeperking), en voorbereiden op een calamiteit. 2. Zorgen voor schoon en gezond water dat past bij de verschillende functies in een gebied. 3. Optimaliseren van de verwerking van het afvalwater en hergebruiken van de grondstoffen uit afvalwater. 4. Zorgen voor voldoende water: niet te veel en niet te weinig, passend bij het gebruik.
Riolering en afkoppelen Voor zover het bestemmingsplan nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt, is het van belang dat er met Rijnland afstemming plaatsvindt over het omgaan met afval‐ en hemelwater. Overeenkomstig het rijksbeleid gaat Rijnland uit van een voorkeursvolgorde voor de omgang met deze waterstromen. Deze houdt in dat allereerst geprobeerd moet worden het ontstaan van (verontreinigd) afvalwater te voorkomen, bijvoorbeeld door het toepassen van niet uitlogende bouwmaterialen en het vermijden van vervuilende activiteiten op straat zoals auto's wassen en chemische onkruidbestrijding. Vervolgens is het streven vuil water te scheiden van schoon water, bijvoorbeeld door het afkoppelen van hemelwaterafvoeren van gemengde rioolstelsels. De laatste stap in de voorkeursvolgorde is het zuiveren van het afvalwater. De doelmatigheid daarvan wordt vergroot door het scheiden van de schone en de vuile stromen. De gemeente kan gebruik maken van deze voorkeursvolgorde bij de totstandkoming van het gemeentelijk rioleringsplan (GRP), waarin de uiteindelijke afweging wordt gemaakt en waarbij doelmatigheid van de oplossing centraal staat. Keur Rijnland 2015 De Keur is een verordening van de waterbeheerder met wettelijke regels voor waterkeringen, watergangen en andere waterstaatwerken (o.a. bruggen, duikers, stuwen, sluizen en gemalen) en voor kwelgevoelige gebieden.
Maar ook voor onttrekken en lozen van grondwater en het aanbrengen van verhard oppervlak. Het uitgangspunt van de Keur Rijnland 2015 is 'ja, tenzij': in beginsel zijn handelingen en/of werken in het watersysteem toegestaan, tenzij expliciet in deze Keur anders is bepaald. De Keur vermeldt expliciet welke handelingen vergunningplichtig zijn en welke aan algemene regels of aan de zorgplicht moeten voldoen. Wie bijvoorbeeld op een waterkering wil bouwen, moet een watervergunning aanvragen bij Rijnland (én een omgevingsvergunning bij de gemeente). In de Uitvoeringsregels die bij de Keur horen, is dit nader uitgewerkt. Waterplan Haarlemmermeer 2015‐2030 De Strategische Samenwerkingsagenda Haarlemmermeer‐Rijnland (verder Waterplan) is een samenwerkingsdocument tussen de gemeente en het hoogheemraadschap. Het geeft de situatie en problemen weer van het hele watersysteem (oppervlaktewater, hemelwater, grondwater en afvalwater) in Haarlemmermeer. Het stelt doelen met betrekking tot de riolering, het oplossen van infrastructurele knelpunten en nemen van maatregelen.
Rho Adviseurs B.V.
bestemmingsplan Zwanenburg Kinheim 8 Status: vastgesteld /
039400.20201544
blz 49
Het Waterplan heeft onder andere als ambitie: het scheiden van vuil afvalwater en schoon regenwater; het tijdelijk bergen van water om extreme neerslag op te vangen; afvalwater als bron te gebruiken waaruit afvalstoffen en energie gewonnen kunnen worden. Haarlemmermeer past bijvoorbeeld innovatieve ontwikkelingen toe bij het inzamelen van afvalwater zoals riothermie, het winnen van warmte uit afvalwater. In het Waterplan worden ook grondwatermaatregelen beschreven, omdat deze een belangrijke link hebben met de rest van het watersysteem, zoals oppervlaktewater en de ruimtelijke inrichting. Daarnaast is er in het verleden onvoldoende aandacht besteed aan grondwater, waardoor een inhaalslag nodig is om aan de zorgplicht te voldoen. De maatregelen die genomen moeten worden om de doelstellingen voor het watersysteem te bereiken zijn verzameld in het uitvoeringsprogramma van het Waterplan. De financiering van deze maatregelen komt uit verschillende bronnen, waaronder het Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP). Gemeentelijk Rioleringsplan 2015‐2019 De gemeente is op grond van de Wet milieubeheer verplicht periodiek een Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) vast te stellen om invulling te geven aan haar zorgplichten voor afvalwater, hemelwater en grondwater.
Het GRP bevat rioleringsbeleid en een overzicht van alle aanwezige rioleringsvoorzieningen, inclusief de actuele toestand ervan en de te verwachten vervangingsperioden. Ook geeft het plan inzicht in de wijze waarop de riolering wordt beheerd, welke effecten er zijn voor het milieu en hoe het beheer wordt gefinancierd. De gedachten vanuit de Structuurvisie Haarlemmermeer 2030, Proeftuin klimaatbestendige stad en het Integraal Waterplan Haarlemmermeer 2015‐2030 zijn ook van toepassing op het gemeentelijk riolerings‐ en grondwaterbeleid. De rode draad in het beleid is dat de gemeente streeft naar een duurzaam en klimaatbestendig watersysteem. Vanuit het Bestuursakkoord Water heeft de gemeente verdere invulling gegeven aan een verbetering van de samenwerking met omliggende gemeenten en het Hoogheemraadschap van Rijnland. 5.16.2 Onderzoek Algemeen Het plangebied is gelegen aan Kinheim 8 te Zwanenburg. Op het perceel is momenteel een school gevestigd, deze wordt gerenoveerd en uitgebreid. Het noordelijk deel van het perceel is in gebruik als speelplaats en grotendeels verhard. Op de speelplaats staan meerdere bomen. Langs de noordwestelijke zijde is een 5 meter brede groenstrook (buiten het perceel) die tevens dient ter afscheiding met naastgelegen woningen. Het zuidelijk deel bestaat uit gras, lage struiken en bomen en is volledig onverhard.
Ten behoeve van het nieuwe gebouw wordt het schoolplein aan de noordwest kant verkleind. Aan de zuidoost kant vindt de uitbreiding plaats in de groene zone waardoor het verhard oppervlak toeneemt met maximaal 340 m2.
bestemmingsplan Zwanenburg Kinheim 8 Status: vastgesteld /
Rho Adviseurs B.V.
blz 50
039400.20201544
Figuur 5.7: Planvoornemen Bodem en grondwater Het plangebied ligt niet in een waterwingebied of grondwaterbeschermingsgebied. Door de ligging in bebouwd gebied is het plangebied niet gekarteerd in de Basisregistratie Ondergrond. Ten zuidwesten de kern Zwanenburg bestaat de bodem uit moerige eerdgronden met een moerige bovengrond of moerige tussenlaag op niet‐gerijpte zavel of klei. Uit het Actueel Hoogtebestand Nederland blijkt dat de maaiveldhoogte rondom de school ongeveer ‐3,6 m NAP is. Uit het vigerende bestemmingsplan 'Zwanenburg West en De Weeren' blijkt dat er geen gegevens bekend zijn over bodemdaling en dat de kwaliteit van het grondwater een normaal beeld vertoond.
Figuur 5.8: Bodemopbouw (BROloket)
Rho Adviseurs B.V.
bestemmingsplan Zwanenburg Kinheim 8 Status: vastgesteld /
039400.20201544
blz 51
Veiligheid en waterkeringen In het plangebied liggen geen waterkeringen. De Zwanenburgerdijk ten noorden van het plangebied is een regionale waterkering (figuur 5.9). Het plangebied bevindt zich niet binnen de kernzone en/of beschermingszone van de waterkering. De beoogde ontwikkeling heeft geen gevolgen voor de waterkering en veiligheid.
Figuur 5.9: Legger Regionale keringen (Rijnland) Waterkwantiteit Het plangebied ligt in stedelijk gebied. Het plangebied is gelegen in de Haarlemmermeerpolder. Volgens de Legger (figuur 5.10) is er in het plangebied en haar directe omgeving geen oppervlaktewater aanwezig. Door de ontwikkeling neemt het verhard oppervlak toe met maximaal 340 m2. Onder 500 m2 is geen compensatie in de vorm van open water vereist.