RV Reactie gemeenteraad op het provinciaal inpassingsplan Cruquiusbrug (2021.0000015)
Tekst van het document
Cumulatie van stikstofdepositie is niet relevant door het ontbreken van significantie voor dit project en het ontbreken van samenhang met de woonwijk. gebruik natuurlijke hulpbronnen
De provincie Noord-Holland heeft hoge ambities voor de nieuwe Cruquiusbrug. De nieuwe brug wordt circulair, energiezuinig en zo onderhoudsarm mogelijk gebouwd. Circulair bouwen betekent efficiënt en slim omgaan met grondstoffen en materialen zoveel als mogelijk hergebruiken. Zo worden brug A en de fietsonderdoorgang zo demontabel mogelijk gerealiseerd conform de principes van Industrieel, Flexibel en Demontabel bouwen, zodat op het moment dat brug B aan vervanging toe is (over 30 jaar) een oplossing als bijvoorbeeld een aquaduct niet onmogelijk is. Ook wordt er gestreefd naar een energieneutrale brug en wordt gebruik gemaakt van eigen energieopwekking. Gezamenlijk met de aannemer wordt nader invulling gegeven aan de inzet van natuurlijke hulpbronnen.
productie afvalstoffen Het planvoornemen wordt zo circulair mogelijk tot realisatie gebracht. Gezamenlijk met de aannemer wordt onderzocht in hoeverre afvalstoffen die vrijkomen bij de werkzaamheden aan de Cruquiusbrug of werkzaamheden elders zoveel mogelijk kunnen worden hergebruikt bij onderhavig project. verontreiniging en hinder
Verkeershinder: tijdens de aanlegfase wordt zoveel mogelijk naar gestreefd om één brug intact te laten voor het gebruik van verkeer, zodat doorstroming van verkeer zo goed mogelijk blijft.
https://www.ruimtelijkeplannen.nl/documents/NL.IMRO.9927.IPCRUQUIUSBRUG-ON01/t_NL.IMRO.9927.IPCRUQUIUSBRUG-ON01.html
19/58
7-1-2021
Cruquiusbrug: Toelichting
Tijdens de gebruiksfase treedt er door het project geen wijziging op in de verkeerscapaciteit. Het project heeft geen verkeersaantrekkende werking. De verbreding van het fiets- en voetpad en de scheiding van de rijbanen voor het autoverkeer door middel van een middenberm met een geleiderail zorgen voor een verkeersveiligere situatie voor het langzaam verkeer (fietsers, voetgangers) en in het algemeen voor een betere doorstroming voor het (vracht)autoverkeer. Geluidsoverlast: tijdens de aanlegfase draagt de aannemer zorg voor het binnen de perken blijven van geluidsoverlast. De aannemer houdt zich aan de richtlijnen volgens het bouwbesluit. In de gebruiksfase is, doordat er geen sprake is van een verkeersaantrekkende werking, geen sprake van een toename in geluidsoverlast ten opzichte van de huidige situatie. Het volledige akoestisch onderzoek kan worden gevonden in Bijlage 2 van deze toelichting. Luchtverontreiniging: tijdens de aanlegfase bedraagt de maximale bijdrage op de relevante toetspunten 0,2 µg/m3 voor NO2, 0,1 µg/m3 voor PM10 en 0,1 µg/m3 voor PM2,5. Deze concentraties blijven ruim onder de grenswaarden uit bijlage 2 van de Wet milieubeheer. De aanlegfase draagt in niet betekende mate bij aan de luchtkwaliteit. Het project is hiermee niet strijdig met de luchtkwaliteitseisen uit de Wet milieubeheer.
Er zijn ten gevolge van dit onderzoek geen aanvullende eisen of risico's afgeleid. Tijdens de gebruiksfase is geen sprake van een verkeersaantrekkende werking waardoor er tijdens de gebruiksfase geen sprake is van een toename in de luchtverontreiniging. Het volledige luchtkwaliteitsonderzoek kan worden gevonden in Bijlage 3 van deze toelichting. Hinder of overlast voor natuur: tijdens de aanlegfase kunnen directe effecten op gebieden zoals door geluid en trillingen geheel worden uitgesloten. Uit de ecologische toets is gebleken dat significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-netwerk zijn uitgesloten. Negatieve effecten op wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN-gebied of weidevogelleefgebieden zijn als gevolg van het voornemen ook uitgesloten. Tijdens de aanlegfase zijn voor vogels negatieve effecten uitgesloten omdat er óf buiten het broedseizoen zal worden gewerkt, óf omdat werkzaamheden vlak voor het broedseizoen worden ingezet en er dan continue wordt doorgewerkt zodat vogels niet gaan broeden, óf het plangebied nog voor het broedseizoen ongeschikt wordt gemaakt.
Tijdens de aanlegfase wordt voor de rugstreeppad óf het werkgebied waar graafwerkzaamheden plaatsvinden afgerasterd zodat wordt voorkomen dat rugstreeppadden het gebied bereiken of dat functioneel leefgebied wordt vernietigd, óf de (graaf-) werkzaamheden zullen volledig plaatsvinden ten tijde van de winterrust van de soort (oktober/november tot en met maart). Rond deze periode verkeert de soort in winterrust en is er geen dispersie-activiteit. Op deze manier wordt in de aanlegfase zorg gedragen voor het zoveel mogelijk beperken van overlast en hinder voor diersoorten. Tijdens de aanlegfase zijn er negatieve effecten op houtopstanden. Op twee locaties binnen het plangebied worden bomen gekapt. Om de omgevingsvergunning - kappen te kunnen verlenen is een verklaring van geen bedenkingen van het bevoegd gezag voor de ontheffing Wnb nodig. Het is realistisch dat deze wordt verleend omdat het kappen van bomen voor de realisatie van dit project onvermijdelijk is, omdat de huidige brug moet worden vervangen en verbreed en dit project niet op een andere locatie kan worden uitgevoerd, omdat het project nodig is ten behoeve van het verbeteren en garanderen van de verkeersdoorstroming en het verbeteren van de verkeersveiligheid. Deze belangen vallen onder het ontheffingsbelang genoemd in artikel 3.8 lid 5 onder b sub 3.
Tijdens de gebruiksfase en aanlegfase worden voor grondgebonden zoogdieren en amfibieën de algemene zorgplicht (artikel 1.11 lid 1 en lid 2 van de Wet natuurbescherming) in acht genomen waardoor hinder is uitgesloten. Tijdens de gebruiksfase zijn effecten op gebieden uitgesloten. Tijdens de gebruiksfase zijn er, door het kappen van bomen, wel effecten voor vleermuizen. De essentiële vliegroute wordt door de bomenkap namelijk aangetast. Om verstoring te voorkomen worden mitigerende en compenserende maatregelen getroffen waardoor er geen sprake is van een overtreding van artikel 3.5 lid 2 Wnb. Deze maatregelen zijn beschreven in het Vleermuisonderzoek (Bijlage 7). De volledige natuurtoets: Bijlage 4 van deze toelichting. De ecologische toets: Bijlage 6 van deze toelichting. Het vleermuisonderzoek in Bijlage 7 van deze toelichting. Hinder of overlast voor of door water: als gevolg van de aanpassingen aan de Cruquiusbruggen verandert het doorstroomprofiel in de Ringvaart. De doorstroming is door hoogheemraadschap van Rijnland doorgerekend en de opstuwing is met 2,35 mm acceptabel bevonden door het hoogheemraadschap van Rijnland. Uit https://www.ruimtelijkeplannen.nl/documents/NL.IMRO.9927.IPCRUQUIUSBRUG-ON01/t_NL.IMRO.9927.IPCRUQUIUSBRUG-ON01.html
20/58
7-1-2021
Cruquiusbrug: Toelichting
berekeningen van het watercompensatieplan blijkt dat in de toekomstige situatie sprake is van een toename van verhard oppervlak met 1.244 m2. Het oppervlak van de fietsonderdoorgang en daarmee de demping van de watergang is in totaal 410 m2. De toename aan verhard oppervlak en de gedeeltelijke demping van de Ringvaart is haalbaar voor zowel peilvak 'Cruquiusweg', peilvak 'Oude Slot en peilvak Rijnlands boezemstelsel. In het kader van waterkwaliteit wordt voor bemaling met lozing van oppervlaktewater van de bouwkuip de zorgplicht in het Keur gehandhaafd. Door genoemde maatregelen vindt er geen hinder of overlast voor of door het water plaats. Het volledige watercompensatieplan kan worden gevonden in Bijlage 8 van onderhavig rapport. Bodemvervuiling: in de aanlegfase wordt mogelijk (licht) vervuilde grond, met onder andere gehaltes aan PFOS en PFOA en asbest boven de detectielimiet, opgegraven. Dit zorgt niet voor hinder omdat de gronden niet voor een andere functie dan de huidige functie (infrastructuur) gebruikt gaan worden. De bij werkzaamheden vrijkomende grond kan onder het Besluit bodemkwaliteit worden terug geplaatst (tijdelijk uitnemen). Het volledige Verkennend bodemonderzoek, Verhardingsonderzoek en verkennend (asbest)bodemonderzoek en Verkennend (asbest)waterbodemonderzoek zijn te vinden in de bijlage van deze toelichting.
Hinder voor archeologie: voor het noordelijke deel (gemeente Heemstede) geldt vanuit het bestemmingsplan de dubbelbestemming Waarde - Archeologie 5 (artikel 32 bestemmingsplanregels Landgoederen en groene gebieden - eerste herziening). Uit de bestemmingsregels regels volgt dat bij grondroerende werkzaamheden met een oppervlakte groter dan 2.500 m² en verder gaan dan een diepte van 0,4 meter, er door de aanvrager een archeologisch rapport moet worden overlegd aan het bevoegd gezag waarin de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag zullen worden verstoord (naar het oordeel van het bevoegd gezag) in voldoende mate zijn vastgesteld. Voor het zuidelijke deel (gemeente Haarlemmermeer) geldt vanuit het bestemmingsplan de dubbelbestemming Waarde - Cultuurhistorie. Uit bureauonderzoek blijkt dat de verwachtingswaarde ter plaatse van de werkzaamheden laag is. De gronden of kades rond de Cruquiusbrug A zijn naar verwachting al verstoord waardoor geadviseerd wordt de vervanging van de brug A eveneens niet vooraf te laten gaan door archeologisch vervolgonderzoek. Mochten tijdens de werkzaamheden toch archeologische of cultuurhistorische waarden worden aangetroffen, dan wordt conform Erfgoedwet art. 5.10 Archeologische toevalsvondst, sub 1 contact opgenomen met de bevoegde overheid in het kader van de wettelijke meldingsplicht.
Om verstoring en hinder voor archeologische waarden te voorkomen wordt er nader archeologisch onderzoek uitgevoerd indien de bodemingrepen dieper zullen reiken dan ongeveer 175 cm –mv. Het volledige archeologisch bureauonderzoek kan worden gevonden in Bijlage 12 van deze toelichting. Hinder voor cultuurhistorie: de Cruquiusbrug is geen monument en heeft geen cultuurhistorische waarde. Er is geen sprake van hinder voor cultuurhistorie. Hinder voor omliggende bedrijven: onderhavig planvoornemen maakt in de toekomst geen functies mogelijk die het aanvaardbaar woonklimaat in het gedrang brengen en geen functies mogelijk die bedrijven gaan belemmeren in hun bedrijfsvoering. Externe veiligheidsrisico's: het voornemen leidt niet tot een wijziging in het plaatsgebonden risico of het groepsrisico. Er is geen hinder in relatie tot het onderwerp externe veiligheid. De risicokaart kan worden gevonden in Bijlage 14 van onderhavige toelichting. Hinder voor of door aanwezige kabels en leidingen: in het plangebied is een ondergrondse hoogspanningsleiding aanwezig. De aanwezige hoogspanningsleiding hoeft niet te worden verlegd in het kader van de vervangings- en onderhoudsopgave van de Cruquiusbrug en zorgt er op zijn huidige plek ook niet voor dat bepaalde werkzaamheden niet kunnen worden uitgevoerd. Er is geen hinder voor of door deze aanwezige hoogspanningsleiding. risico voor ongevallen
Aanlegfase: de Cruquiusbrug is een beweegbare brug waarbij grote onderdelen gehesen zullen moeten worden en waarbij verschillende keren aanpassingen nodig zullen zijn aan de bestaande verkeersstromen. Er wordt zoveel mogelijk naar gestreefd om tijdens de bouwwerkzaamheden één brug intact te laten voor het gebruik van verkeer, zodat verkeer niet dicht langs de bouwplaats hoeft te rijden, fietsen of lopen. Om het risico voor ongevallen verder tot een minimum te beperken zijn integrale veiligheidsplannen, gezondheidsplannen en risico-inventarisatie en -evaluatieplannen opgesteld voor zowel de realisatiefase als voor de exploitatiefase, waarin hoge eisen worden gesteld ten aanzien van veiligheid.
https://www.ruimtelijkeplannen.nl/documents/NL.IMRO.9927.IPCRUQUIUSBRUG-ON01/t_NL.IMRO.9927.IPCRUQUIUSBRUG-ON01.html
21/58
7-1-2021
Cruquiusbrug: Toelichting
Gebruiksfase: de verbreding van het fiets- en voetpad en de scheiding van de rijbanen voor het autoverkeer door middel van een middenberm met een geleiderail zorgen voor een verkeersveiligere situatie voor het langzaam verkeer en in het algemeen voor een betere doorstroming voor het (vracht)autoverkeer. 2. plaats van het project huidig grondgebruik
De Cruquiusbrug maakt deel uit van de N201 (Cruquiusweg) en kruist de Ringvaart tussen Hoofddorp en Heemstede, ter hoogte van wegkilometrering 21.2 en vaarwegkilometrering 15.6. De ophaalbruggen en de aansluitende infrastructuur aan de zuidzijde liggen in de gemeente Haarlemmermeer. De aansluitende infrastructuur aan de noordzijde ligt in de gemeente Heemstede. In de huidige situatie wordt de brug gebruikt door automobilisten, fietsers en voetgangers. De brug is een ophaalbrug zodat boten die varen over de Ringvaart kunnen passeren. De omliggende gronden bestaan uit de Cruquiusweg en de Kruisweg, recreatiegebied, sportgebieden, woonwijken en agrarisch gebied.
rijkdom aan en De huidige Cruquiusbrug bestaat voornamelijk uit staal en beton. De nieuwe brug wordt circulair, energiezuinig kwaliteit en en zo onderhoudsarm mogelijk gebouwd. Circulair bouwen betekent efficiënt en slim omgaan met grondstoffen regeneratievermogen en materialen zoveel als mogelijk hergebruiken. Gezamenlijk met de aannemer wordt nader invulling gegeven natuurlijke aan de inzet van natuurlijke hulpbronnen. Gezamenlijk met de aannemer wordt onderzocht in hoeverre hulpbronnen van het afvalstoffen die vrijkomen bij de werkzaamheden aan de Cruquiusbrug of werkzaamheden elders, zoveel gebied mogelijk kunnen worden hergebruikt bij onderhavig project. het opnamevermogen van het natuurlijke milieu met in het bijzonder aandacht voor kwetsbare gebieden
Op 1,8 kilometer afstand ligt het Natura 2000-gebied 'Kennemerland-Zuid'. Uit de ecologische toets is gebleken dat significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van natura 2000-gebieden zijn uitgesloten.
milieueffecten van het project
Verkeershinder: tijdens de aanlegfase wordt zoveel mogelijk naar gestreefd om één brug intact te laten voor het gebruik van verkeer, zodat doorstroming van verkeer zo goed mogelijk blijft.
Negatieve effecten op wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) of weidevogelleefgebieden zijn als gevolg van het voornemen uitgesloten.
Tijdens de gebruiksfase treedt er door het project geen wijziging op in de verkeerscapaciteit. Het project heeft geen verkeersaantrekkende werking. De verbreding van het fiets- en voetpad en de scheiding van de rijbanen voor het autoverkeer door middel van een middenberm met een geleiderail zorgen voor een verkeersveiligere situatie voor het langzaam verkeer (fietsers, voetgangers) en in het algemeen voor een betere doorstroming voor het (vracht)autoverkeer. Geluidsoverlast: tijdens de aanlegfase draagt de aannemer zorg voor het binnen de perken blijven van geluidsoverlast. De aannemer houdt zich aan de richtlijnen volgens het bouwbesluit. In de gebruiksfase is, doordat er geen sprake is van een verkeersaantrekkende werking, geen sprake van een toename in geluidsoverlast ten opzichte van de huidige situatie.
Het volledige akoestisch onderzoek kan worden gevonden in Bijlage 2 Akoestisch onderzoek van onderhavig rapport. Luchtverontreiniging: tijdens de aanlegfase bedraagt de maximale bijdrage op de relevante toetspunten 0,2 µg/m3 voor NO2, 0,1 µg/m3 voor PM10 en 0,1 µg/m3 voor PM2,5. Deze concentraties blijven ruim onder de grenswaarden uit bijlage 2 van de Wet milieubeheer. De aanlegfase draagt in niet betekende mate bij aan de luchtkwaliteit. Het project is hiermee niet strijdig met de luchtkwaliteitseisen uit de Wet milieubeheer. Er zijn ten gevolge van dit onderzoek geen aanvullende eisen of risico's afgeleid. https://www.ruimtelijkeplannen.nl/documents/NL.IMRO.9927.IPCRUQUIUSBRUG-ON01/t_NL.IMRO.9927.IPCRUQUIUSBRUG-ON01.html
22/58
7-1-2021
Cruquiusbrug: Toelichting
Tijdens de gebruiksfase is geen sprake van een verkeersaantrekkende werking waardoor er tijdens de gebruiksfase geen sprake is van een toename in de luchtverontreiniging. Het volledige luchtkwaliteitsonderzoek kan worden gevonden in Bijlage 3 van onderhavig rapport. Hinder of overlast voor natuur: tijdens de aanlegfase kunnen directe effecten op gebieden zoals door geluid en trillingen geheel worden uitgesloten. Uit de ecologische toets is gebleken dat significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-netwerk zijn uitgesloten. Negatieve effecten op wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN-gebied of weidevogelleefgebieden zijn als gevolg van het voornemen ook uitgesloten. Tijdens de aanlegfase zijn voor vogels negatieve effecten uitgesloten omdat er óf buiten het broedseizoen zal worden gewerkt, óf omdat werkzaamheden vlak voor het broedseizoen worden ingezet en er dan continue wordt doorgewerkt zodat vogels niet gaan broeden, óf het plangebied nog voor het broedseizoen ongeschikt wordt gemaakt.
Tijdens de aanlegfase wordt voor de rugstreeppad óf het werkgebied waar graafwerkzaamheden plaatsvinden afgerasterd zodat wordt voorkomen dat rugstreeppadden het gebied bereiken of dat functioneel leefgebied wordt vernietigd, óf de (graaf-) werkzaamheden zullen volledig plaatsvinden ten tijde van de winterrust van de soort (oktober/november tot en met maart). Rond deze periode verkeert de soort in winterrust en is er geen dispersie-activiteit. Op deze manier wordt in de aanlegfase zorg gedragen voor het zoveel mogelijk beperken van overlast en hinder voor diersoorten. Tijdens de aanlegfase zijn er negatieve effecten op houtopstanden. Op twee locaties binnen het plangebied worden bomen gekapt. Om de omgevingsvergunning - kappen te kunnen verlenen is een verklaring van geen bedenkingen van het bevoegd gezag voor de ontheffing Wnb nodig. Het is realistisch dat deze wordt verleend omdat het kappen van bomen voor de realisatie van dit project onvermijdelijk is, omdat de huidige brug moet worden vervangen en verbreed en dit project niet op een andere locatie kan worden uitgevoerd, omdat het project nodig is ten behoeve van het verbeteren en garanderen van de verkeersdoorstroming en het verbeteren van de verkeersveiligheid. Deze belangen vallen onder het ontheffingsbelang genoemd in artikel 3.8 lid 5 onder b sub 3.
Tijdens de gebruiksfase en aanlegfase worden voor grondgebonden zoogdieren en amfibieën de algemene zorgplicht (artikel 1.11 lid 1 en lid 2 van de Wet natuurbescherming) in acht genomen waardoor hinder is uitgesloten. Tijdens de gebruiksfase zijn effecten op gebieden uitgesloten. Tijdens de gebruiksfase zijn er, door het kappen van bomen, wel effecten voor vleermuizen. De essentiële vliegroute wordt door de bomenkap namelijk aangetast. Om verstoring te voorkomen worden mitigerende en compenserende maatregelen getroffen waardoor er geen sprake is van een overtreding van artikel 3.5 lid 2 Wnb. Deze maatregelen zijn beschreven in het Vleermuisonderzoek (bijlage VII) van onderhavig rapport. De volledige natuurtoets: Bijlage 4 De ecologische toets: Bijlage 6 Het vleermuisonderzoek: Bijlage 7 Hinder of overlast voor of door water: als gevolg van de aanpassingen aan de Cruquiusbruggen verandert het doorstroomprofiel in de Ringvaart. De doorstroming is door hoogheemraadschap van Rijnland doorgerekend en de opstuwing is met 2,35 mm acceptabel bevonden door het hoogheemraadschap van Rijnland. Uit berekeningen van het watercompensatieplan blijkt dat in de toekomstige situatie sprake is van een toename van verhard oppervlak met 1.244 m2. Het oppervlak van de fietsonderdoorgang en daarmee de demping van de watergang is in totaal 410 m2.
De toename aan verhard oppervlak en de gedeeltelijke demping van de Ringvaart is haalbaar voor zowel peilvak 'Cruquiusweg', peilvak 'Oude Slot en peilvak Rijnlands boezemstelsel. In het kader van waterkwaliteit wordt voor bemaling met lozing van oppervlaktewater van de bouwkuip de zorgplicht in het Keur gehandhaafd. Door genoemde maatregelen vindt er geen hinder of overlast voor of door het water plaats. Het volledige watercompensatieplan kan worden gevonden in Bijlage 8 van onderhavig rapport. Bodemvervuiling: in de aanlegfase wordt mogelijk (licht) vervuilde grond, met onder andere gehaltes aan PFOS en PFOA en asbest boven de detectielimiet, opgegraven. Dit zorgt niet voor hinder omdat de gronden niet voor een andere functie dan de huidige functie (infrastructuur) gebruikt gaan worden. De bij werkzaamheden vrijkomende grond kan onder het Besluit bodemkwaliteit worden terug geplaatst (tijdelijk uitnemen). https://www.ruimtelijkeplannen.nl/documents/NL.IMRO.9927.IPCRUQUIUSBRUG-ON01/t_NL.IMRO.9927.IPCRUQUIUSBRUG-ON01.html
23/58
7-1-2021
Cruquiusbrug: Toelichting
Het volledige verkennend bodemonderzoek, verhardingsonderzoek, verkennend (asbest)bodemonderzoek en verkennend (asbest) waterbodemonderzoek kunnen worden gevonden in bijlage 9, 10 en 11 van onderhavig rapport. Hinder voor archeologie: voor het noordelijke deel (gemeente Heemstede) geldt vanuit het bestemmingsplan de dubbelbestemming Waarde - Archeologie 5 (artikel 32 bestemmingsplanregels Landgoederen en groene gebieden - eerste herziening). Uit de bestemmingsregels regels volgt dat bij grondroerende werkzaamheden met een oppervlakte groter dan 2.500 m² en verder gaan dan een diepte van 0,4 meter, er door de aanvrager een archeologisch rapport moet worden overlegd aan het bevoegd gezag waarin de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag zullen worden verstoord (naar het oordeel van het bevoegd gezag) in voldoende mate zijn vastgesteld. Voor het zuidelijke deel (gemeente Haarlemmermeer) geldt vanuit het bestemmingsplan de dubbelbestemming Waarde - Cultuurhistorie. Uit bureauonderzoek blijkt dat de verwachtingswaarde ter plaatse van de werkzaamheden laag is. De gronden of kades rond de Cruquiusbrug A zijn naar verwachting al verstoord waardoor geadviseerd wordt de vervanging van de brug A eveneens niet vooraf te laten gaan door archeologisch vervolgonderzoek.
Mochten tijdens de werkzaamheden toch archeologische of cultuurhistorische waarden worden aangetroffen, dan wordt conform Erfgoedwet art. 5.10 Archeologische toevalsvondst, sub 1 contact opgenomen met de bevoegde overheid in het kader van de wettelijke meldingsplicht. Om verstoring en hinder voor archeologische waarden te voorkomen wordt er nader archeologisch onderzoek uitgevoerd indien de bodemingrepen dieper zullen reiken dan ongeveer 175 cm –mv. Het volledige archeologisch bureauonderzoek kan worden gevonden in Bijlage 12 van deze toelichting. Hinder voor cultuurhistorie: de Cruquiusbrug is geen monument en heeft geen cultuurhistorische waarde. Er is geen sprake van hinder voor cultuurhistorie. Hinder voor omliggende bedrijven: onderhavig planvoornemen maakt in de toekomst geen functies mogelijk die het aanvaardbaar woonklimaat in het gedrang brengen en geen functies mogelijk die bedrijven gaan belemmeren in hun bedrijfsvoering. Externe veiligheidsrisico's: het voornemen leidt niet tot een wijziging in het plaatsgebonden risico of het groepsrisico. Er is geen hinder in relatie tot het onderwerp externe veiligheid. De risicokaart kan worden gevonden in Bijlage 14 van deze toelichting. Hinder voor of door aanwezige kabels en leidingen: in het plangebied is een ondergrondse hoogspanningsleiding aanwezig.
De aanwezige hoogspanningsleiding hoeft niet te worden verlegd in het kader van de vervangings- en onderhoudsopgave van de Cruquiusbrug en zorgt er op zijn huidige plek ook niet voor dat bepaalde werkzaamheden niet kunnen worden uitgevoerd. Er is geen hinder voor of door deze aanwezige hoogspanningsleiding 3. Kenmerken van het potentiële effect bereik van het effect De effecten die als gevolg van het plan mogelijk optreden hebben betrekking op ecologie. Het plangebied ligt op 1,8 kilometer afstand van Natura 2000-gebied 'Kennemerland-Zuid'. Uit de ecologische toets is gebleken dat significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-netwerk zijn uitgesloten. grensoverschrijdend De effecten die als gevolg van het plan mogelijk optreden, hebben betrekking op ecologie. Het plangebied ligt karakter op 1,8 kilometer afstand van Natura 2000-gebied 'Kennemerland-Zuid'. Tijdens de aanlegfase kunnen directe effecten op gebieden zoals door geluid en trillingen geheel worden uitgesloten. Uit de ecologische toets is gebleken dat significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-netwerk zijn uitgesloten. Negatieve effecten op wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN-gebied of weidevogelleefgebieden zijn als gevolg van het voornemen ook uitgesloten.
Tijdens de aanlegfase zijn voor vogels negatieve effecten uitgesloten omdat er óf buiten het broedseizoen zal worden gewerkt, óf omdat werkzaamheden vlak voor het broedseizoen worden ingezet en er dan continue wordt doorgewerkt zodat vogels niet gaan broeden, óf het plangebied nog voor het broedseizoen ongeschikt wordt gemaakt. Tijdens de aanlegfase wordt voor de rugstreeppad óf het werkgebied waar graafwerkzaamheden plaatsvinden afgerasterd zodat wordt voorkomen dat rugstreeppadden het gebied bereiken of dat functioneel leefgebied wordt vernietigd, óf de (graaf-) werkzaamheden zullen volledig plaatsvinden ten tijde van de winterrust van de soort (oktober/november tot en met maart). Rond deze periode verkeert de soort in winterrust en is er geen dispersie-activiteit. Op deze manier wordt in de aanlegfase zorg gedragen voor het zoveel mogelijk beperken https://www.ruimtelijkeplannen.nl/documents/NL.IMRO.9927.IPCRUQUIUSBRUG-ON01/t_NL.IMRO.9927.IPCRUQUIUSBRUG-ON01.html
24/58
7-1-2021
Cruquiusbrug: Toelichting
van overlast en effecten voor diersoorten. Tijdens de gebruiksfase en aanlegfase worden voor grondgebonden zoogdieren en amfibieën de algemene zorgplicht (artikel 1.11 lid 1 en lid 2 van de Wet natuurbescherming) in acht genomen waardoor effecten zijn uitgesloten. Tijdens de gebruiksfase zijn effecten op gebieden uitgesloten. Tijdens de gebruiksfase zijn er, door het kappen van bomen, wel effecten voor vleermuizen. De essentiële vliegroute wordt door de bomenkap namelijk aangetast. Om verstoring te voorkomen worden mitigerende en compenserende maatregelen getroffen waardoor er geen sprake is van een overtreding van artikel 3.5 lid 2 Wnb. Deze maatregelen zijn beschreven in het Vleermuisonderzoek (Bijlage 7) van onderhavig rapport. orde van grootte en complexiteit project
De optredende effecten worden middels eerder beschreven maatregelen gemitigeerd dan wel gecompenseerd.
waarschijnlijkheid effect
Directe en indirecte effecten worden zoals eerder beschreven gemitigeerd dan wel gecompenseerd door het uitvoeren van maatregelen.
duur, frequentie en omkeerbaarheid effect
De effecten van de aanlegfase zijn tijdelijk. De effecten van de gebruiksfase zijn permanent. Gezien de omvang van de effecten en de te treffen maatregelen wordt geen hinder verwacht.
4. Conclusie
De toetsing van de potentiële effecten van de voorgenomen ontwikkeling maakt duidelijk dat er geen sprake is van belangrijke nadelige milieueffecten. Er is geen noodzaak tot het opstellen van een MER. Tabel 4.1 Resultaten m.e.r.-beoordeling
4.1.3 Conclusie De toetsing van de potentiële effecten van de voorgenomen ontwikkeling zoals opgenomen in bovenstaande tabel maakt duidelijk dat er geen sprake is van belangrijke nadelige milieueffecten. Er is geen noodzaak tot het opstellen van een MER.
4.2 Verkeer Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient de mogelijke verkeersaantrekkende werking ten opzichte van de bestaande functies in beeld worden gebracht.
4.2.1 Wettelijke grondslag Het bevoegd gezag is verantwoordelijk voor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Dit gebeurt in het kader van een ‘goede ruimtelijke ordening’ op grond van artikel 3.1 Wro. Het beginsel van een goede ruimtelijke ordening is van toepassing voor alle ruimtelijke ontwikkelingen. Met het oog op een goede ruimtelijke ordening moet het bevoegd gezag de diverse belangen voor de lokale situatie dus onderling afwegen.
4.2.2 Resultaten Ten behoeve van de vervangings- en onderhoudsopgave van de Cruquiusbrug wordt een verkeerskundige analyse niet noodzakelijk geacht, omdat de wijzigingen geen uitbreiding van verkeerscapaciteit met zich meebrengt en daardoor geen verkeersaantrekkende werking zal hebben op gemotoriseerd (auto)verkeer. Het aantal rijstroken in de toekomstige situatie blijft gelijk aan de huidige situatie. In het kader van de goede ruimtelijke ordening zorgt de verbreding van het fiets- en voetpad en de scheiding van de rijbanen voor het autoverkeer door middel van een middenberm met een geleiderail voor een verkeersveiligere situatie voor het langzaam verkeer en in het algemeen voor een betere doorstroming. 4.2.2.1 Plannen in de omgeving Aan de rand van het dorp Cruquius wordt een nieuw woongebied Wickevoort ontwikkeld. Het verkeer dat deze wijk genereert, zal ook gebruik maken van de Cruquiusbrug. Vanwege dit soort recente ontwikkelingen in het dorp is een algehele goede doorstroming op de Cruquiusbrug belangrijk. De verkeerskundige maatregelen die genomen moeten worden vanwege verkeerstoename als gevolg van het woongebied Wickevoort zijn reeds genomen in het kader van dat plan en zijn terug te lezen in het bestemmingsplan Cruquius Wickevoort, vastgesteld door de gemeente Haarlemmermeer op 22 maart 2018 (NL.IMRO.0394.BPGcrqwickevoort-C001).
4.2.3 Conclusie https://www.ruimtelijkeplannen.nl/documents/NL.IMRO.9927.IPCRUQUIUSBRUG-ON01/t_NL.IMRO.9927.IPCRUQUIUSBRUG-ON01.html
25/58
7-1-2021
Cruquiusbrug: Toelichting
De gewijzigde wegsituatie die dit PIP beoogd zal niet zorgen voor gewijzigde verkeersstromen in en rondom het plangebied. Vanuit verkeerskundig perspectief zijn er geen bezwaren welke de vervangings- en onderhoudsopgave van de Cruquiusbrug in de weg staan.
4.3 Geluid Wijzigingen aan een weg, spoorweg of industrie moeten voldoen aan de wet- en regelgeving die is opgenomen in de Wet geluidhinder (Wgh), de Wet milieubeheer (Wm) en onderliggende besluiten en regelingen. Deze paragraaf is een verkorte weergave van het geluidsonderzoek. Het volledige geluidsonderzoek is opgenomen in Bijlage 2.
4.3.1 Wettelijke grondslag De Wet geluidhinder is van toepassing bij de aanleg en/of wijziging van de volgende geluidsbronnen: gezoneerde bedrijventerreinen; spoorwegen (geen hoofdspoorwegen); wegen (hoofdwegen én 30 km wegen of woonerven). In verband met de fysieke wijziging van de Cruquiusbrug en de aansluiting Cruquiusdijk dient in het kader van de Wet geluidhinder de akoestische effecten te worden beoordeeld. Vanwege de aanwezigheid van geluidgevoelige bestemmingen binnen de invloedssfeer (wettelijke geluidzone) van de te wijzigen wegen dient in het kader van de Wet geluidhinder een akoestisch onderzoek uitgevoerd te worden. Het uit te voeren akoestisch onderzoek zal moeten voldoen aan het Reken- en Meetvoorschrift 2012. Bij wijzigingen op of aan een weg moet binnen het afgebakende onderzoeksgebied onderzocht worden of er sprake is van ‘reconstructie’ van die weg zoals dat is gedefinieerd in de Wgh. Er is sprake van ‘reconstructie’ als aan de volgende twee voorwaarden voldaan wordt: er moet sprake zijn van een fysieke wijziging op of aan de weg.
Het gaat dan bijvoorbeeld om een wijziging van het profiel, de wegbreedte, de hoogteligging, het wegdek, het aantal rijstroken, de aanleg van kruispunten, de aanleg van aansluitingen, open afritten, wijzigingen van de maximumsnelheid, en dergelijke; ten gevolge van deze wijziging en de verwachte groei van het verkeer in de eerste tien jaar na de wijziging moet er sprake zijn van een toename van de geluidbelasting met (afgerond) 2 dB of meer. Om dit te kunnen bepalen moet dus eerst voor elke geluidgevoelige bestemming de geldende ‘grenswaarde’ worden bepaald. Vervolgens wordt bezien of deze grenswaarde in de toekomstige situatie, doorgaans het 10e jaar na openstelling van de gewijzigde weg, met 1,50 dB of meer overschreden wordt.
4.3.2 Resultaten In dit PIP worden geen geluidgevoelige bestemmingen mogelijk gemaakt. Toetsing aan de Wet geluidhinder is niet van toepassing. Voor de bestaande geluidgevoelige bestemmingen in de omgeving van dit PIP, wordt de toename van de geluidbelasting hoofdzakelijk veroorzaakt door de autonome verkeersgroei. Hieronder worden de rekenresultaten (waarvoor de aangeleverde verkeerscijfers/telcijfers van de N201 (2018) van de provincie Noord-Holland als bron is gebruikt) voor de N201 en voor de Cruquiusdijk beschreven. 4.3.2.1 Reconstructie N201 Uit de rekenresultaten blijkt dat de verhoging van de verkeersintensiteiten (veroorzaakt door autonome verkeersgroei) leidt tot een toename van de geluidbelasting bij geluidsgevoelige bestemmingen. De toename varieert tussen de 0,6 en 1,3 dB. Er zijn geen waarden berekend van een toename van minstens 1,5 dB. Er is geen sprake van een reconstructie in de zin van de Wgh. Om die reden is een vervolgonderzoek niet noodzakelijk. Bijlage III van het geluidsonderzoek bevat een overzicht van de rekenresultaten en de reconstructietoets. 4.3.2.2 Reconstructie Cruquiusdijk Uit de rekenresultaten blijkt dat de verhoging van de verkeersintensiteiten (veroorzaakt door autonome verkeersgroei) leidt tot een toename van de geluidbelasting bij geluidsgevoelige bestemmingen. De toenames bedragen 0,7 dB tot maximaal 1,2 dB.
Er zijn geen rekenresultaten met waarden van 1,5 dB of meer en dus is er geen sprake van een reconstructie in de zin van de Wgh. Om die reden is een vervolgonderzoek niet noodzakelijk. Bijlage IV van het geluidsonderzoek bevat een overzicht van de rekenresultaten en de reconstructietoets.
https://www.ruimtelijkeplannen.nl/documents/NL.IMRO.9927.IPCRUQUIUSBRUG-ON01/t_NL.IMRO.9927.IPCRUQUIUSBRUG-ON01.html
26/58
7-1-2021
Cruquiusbrug: Toelichting
4.3.3 Conclusie Enerzijds maakt dit PIP geen nieuwe geluidgevoelige bestemmingen mogelijk. Anderzijds wijst het onderzoek uit dat de wijziging aan de N201 en de Cruquiusdijk niet leidt tot een formele reconstructie in de zin van de Wet geluidhinder. De geluidbelasting bij bestaande geluidsgevoelige bestemmingen valt binnen de wettelijke normen. Aanvullende maatregelen zijn niet noodzakelijk. Het aspect geluid staat de uitvoerbaarheid van dit PIP niet in de weg. De Omgevingsdienst IJmond heeft op 30 maart 2020 deze conclusie bevestigd (ODIJ-Z-20-074509).
4.4 Luchtkwaliteit Bepaalde bestemmingen in een ruimtelijk plan (PIP) kunnen (extra) gevoelig zijn voor luchtverontreiniging. Daarom moeten de nieuwe planologische mogelijkheden die dit PIP biedt beoordeeld worden op de effecten op de luchtkwaliteit. Dit volgt enerzijds uit luchtkwaliteitsnormen (grenswaarden) en anderzijds is de ‘goede ruimtelijke ordening’ een randvoorwaarde. Er moet sprake zijn van een ruimtelijk aanvaardbare situatie. Deze paragraaf is een verkorte weergave van het luchtkwaliteitsonderzoek. Het volledige luchtkwaliteitsonderzoek is opgenomen in Bijlage 3.
4.4.1 Wettelijke grondslag De Nederlandse wet- en regelgeving voor luchtkwaliteit in de buitenlucht vloeit voort uit Europese richtlijnen en is vastgelegd in titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Artikel 5.16, 1ste lid geeft de grondslagen waarmee kan worden onderbouwd dat een plan aan de eisen met betrekking tot luchtkwaliteit voldoet: het project leidt niet tot overschrijding van grenswaarden; ten gevolge van het project is sprake van een verbetering van de concentratie van de betreffende stof of de concentratie blijft gelijk; het plan draagt niet in betekende mate bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit, hetgeen inhoudt dat de projectbijdragen NO2 en PM10 maximaal 3 % van de jaargemiddelde grenswaarde bedragen, oftewel maximaal 1,2 µg/m3. Wanneer een plan voldoet aan één of meerdere van de bovenstaande grondslagen, vormt luchtkwaliteit geen belemmering voor realisatie van het plan. De concentraties van stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10 en PM2,5) zijn in de Nederlandse situatie het meest kritisch ten opzichte van de normen. In tabel 4.2 zijn de grenswaarden voor deze stoffen samengevat.Aan de grenswaarden van de overige stoffen uit titel 5.2 van Wet milieubeheer wordt ruim voldaan. Stof
Criterium
Grenswaarde (µg/m3)
NO2
jaargemiddelde concentratie
40
uurgemiddelde concentratie (mag maximaal 18 keer per jaar worden overschreden)
200
jaargemiddelde concentratie
40
etmaalgemiddelde concentratie (mag maximaal 35 keer per jaar worden overschreden)
50
PM10
PM2,5 jaargemiddelde concentratie Tabel 4.2 Grenswaarden NO2, PM10 en PM2,5 uit bijlage 2 van de Wet milieubeheer
25
In het luchtkwaliteitsonderzoek is alleen getoetst aan de grenswaarden uit tabel 4.2.
4.4.2 Resultaten Tabel 4.3 toont de resultaten van de verspreidingsberekeningen op de maatgevende toetspunten. Stof Grenswaarde Totale concentratie Achtergrond (µg/m3) (µg/m3) max* concentratie (µg/m3) max*
Bijdrage project (µg/m3) max*
Aantal overschrijdingen etmaal-, jaar- of uurgemiddelde grenswaarde
NO2
40
16,1
16,0
0,2
0 > uur-norm [-]
PM10 40
19,1
19,0
0,1
7 > 24u-norm [-]
https://www.ruimtelijkeplannen.nl/documents/NL.IMRO.9927.IPCRUQUIUSBRUG-ON01/t_NL.IMRO.9927.IPCRUQUIUSBRUG-ON01.html
27/58
7-1-2021
PM2,5 25
Cruquiusbrug: Toelichting
11,2
11,1
0,1
niet van toepassing
Tabel 4.3 Resultaten luchtkwaliteitsberekeningen aanlegfase Cruquiusbrug * De resultaten zijn hier weergegeven als maximale waarde van alle relevante toetspunten. De maximale bijdrage op de relevante toetspunten bedraagt 0,2 µg/m3 voor NO2, 0,1 µg/m3 voor PM10 en 0,1 µg/m3 voor PM2,5. Een volledig overzicht van de resultaten is opgenomen in Bijlage 3.
Uit bovenstaande resultaten blijkt dat in de toekomstige situatie de NO2-, PM10, en PM2,5 concentraties ruim onder de grenswaarden uit bijlage 2 van de Wet milieubeheer blijven. Het project draagt in niet betekende mate bij aan de luchtkwaliteit. Het project is hiermee niet strijdig met de luchtkwaliteitseisen uit de Wet milieubeheer.
4.4.3 Conclusie Het project is niet strijdig met de luchtkwaliteitseisen uit de Wet milieubeheer. Het aspect luchtkwaliteit staat de uitvoering van dit PIP niet in de weg.
4.5 Natuur De Wet natuurbescherming (Wnb) ziet toe op het behoud en de versterking van de biodiversiteit. Het gaat hierbij om gebiedsbescherming (Natura 2000), soortenbescherming en houtopstanden (buiten de bebouwde kom voormalige Boswet). De gebiedsbescherming van het Natuurnetwerk Nederland volgt uit het Barro en de Provinciale Ruimtelijke Verordening. Voor houtopstanden binnen de bebouwde kom geldt de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en het gemeentelijk bomenbeleid als (wettelijk) kader. In deze paragraaf wordt ingegaan op de gevolgen van het voornemen van dit PIP voor de gebiedsbescherming, de soortenbescherming en houtopstanden. Deze paragraaf is een verkorte weergave van het natuuronderzoek. De volledige natuurtoets is opgenomen in Bijlage 4.
4.5.1 Gebiedsbescherming 4.5.1.1 Natura 2000 (Wnb) 4.5.1.1.1 Wettelijke grondslag Op grond van de Wet natuurbescherming, artikel 2.7 en 2.8, volgt dat een plan (zoals een PIP) alleen kan worden vastgesteld als met zekerheid is gebleken dat het plan geen significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied.
4.5.1.1.2 Resultaten Op een afstand van 1,8 kilometer ten westen van het plangebied, de Cruquiusbrug, bevindt zich het Natura 2000-gebied ‘Kennemerland Zuid’. Het betreft een Habitatrichtlijngebied aangewezen voor 17 habitattypen en vier habitatrichtlijnsoorten.
https://www.ruimtelijkeplannen.nl/documents/NL.IMRO.9927.IPCRUQUIUSBRUG-ON01/t_NL.IMRO.9927.IPCRUQUIUSBRUG-ON01.html
28/58
7-1-2021
Cruquiusbrug: Toelichting
Afbeelding 4.1 Ligging van Natura 2000 gebied in de omgeving van het plangebied
Als gevolg van de afstand tussen het plangebied en het Natura 2000-gebied Kennemerland-Zuid is het uitgesloten dat effecten door verstoring door licht, geluid en trillingen en/of optische verstoring reiken tot binnen de begrenzing van het Natura 2000-gebied. Tevens is uitgesloten dat het plangebied deel uitmaakt van essentieel leefgebied van de populaties van de aangewezen habitatsoorten van het Natura 2000-gebied. Ook verstoring door externe werking is daarom niet aan de orde. Significant negatieve effecten door verstoring door licht, geluid en trillingen en/of optische verstoring op de IHD van habitattypen (typische soorten) en habitatrichtlijnsoorten zijn daarmee uitgesloten. Wel zijn 16 van de aangewezen habitattypen alsook het leefgebied van twee van de habitatsoorten (nauwe korfslak, groenknolorchis) gevoelig voor verzuring/vermesting als gevolg van stikstofdepositie. Hierbij is enkel de uitvoeringsfase van belang. Het project zelf zal geen invloed hebben op de verkeersstromen of -intensiteiten. Invloed op rijden of congestie worden niet voorzien en om die reden is de gebruiksfase niet van belang.
Aan de hand van een stikstofberekening met de Aerius Calculator (versie 2019A) is bepaald dat in de uitvoeringsfase van de werkzaamheden aan de Cruquiusbrug stikstofdepositie plaatsvindt op 11 onderscheidende hexagonen van het Natura 2000-gebied 'Kennemerland-Zuid' van één van deze aangewezen habitattypen, namelijk het habitattype H2180A(be) Duinbossen (droog), berkeneikenbos. In andere Natura 2000-gebieden treden geen deposities op. De maximale projectbijdrage bedraagt 0,006 mol/ha/jr. Deze berekende stikstofdepositie(toename) (=0,006 mol/ha/jr) in de uitvoeringsfase van de werkzaamheden is zodanig klein, en tevens tijdelijk, dat deze niet leidt tot een meetbaar of merkbaar effect op de vegetatie. Tevens valt deze eenmalige, kleine projectbijdrage geheel weg in het reguliere beheer van ongewenste soorten dat hier (in de 11 betreffende hexagonen) wordt uitgevoerd. Deze bijdrage komt namelijk overeen met 0,017 % van de stikstofdepositie die middels kleinschalig beheer van ongewenste soorten minimaal uit het systeem wordt gehaald. Er is dan ook geen sprake van een merkbare afname in kwaliteit van dit aangewezen habitattype. Significant negatieve effecten door stikstofdepositie op de IHD van het habitattype H2180A(be) Duinbossen (droog), berken-eikenbos zijn daarmee uitgesloten. Vervolgonderzoek, in de vorm van een passende beoordeling, is niet nodig.
4.5.1.1.3 Conclusie Omdat negatieve effecten op de beschermde natuurwaarden van het nabijgelegen Natura 2000-gebied als gevolg van stikstofdepositietoename niet op voorhand konden worden uitgesloten is een ecologische toets uitgevoerd. Hieruit is gebleken dat significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied zijn uitgesloten. Vervolgonderzoek, in de vorm van een passende beoordeling, is niet nodig.
https://www.ruimtelijkeplannen.nl/documents/NL.IMRO.9927.IPCRUQUIUSBRUG-ON01/t_NL.IMRO.9927.IPCRUQUIUSBRUG-ON01.html
29/58
7-1-2021
Cruquiusbrug: Toelichting
4.5.1.2 Natuurnetwerk Nederland 4.5.1.2.1 Wettelijke grondslag Het provinciale ruimtelijke beleid voor het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is vastgelegd in artikel 19 van de PRV Noord-Holland. Strikt genomen is de PRV niet van toepassing op provinciale projecten (zie hiervoor paragraaf ), echter zijn schadelijke activiteiten in beginsel niet toegestaan en dient de provincie Noord-Holland haar eigen beleid te onderschrijven. 4.5.1.2.2 Resultaten Het plangebied ligt op minstens 700 m van de dichtstbijzijnde NNN percelen. Er is dus geen sprake van ruimtebeslag of directe negatieve effecten op percelen van het NNN. Externe werking is binnen provincie Noord-Holland geen toetsingscriterium. Het toetsen van de effecten van ontwikkelingen buiten het NNN is niet noodzakelijk. Het plangebied overbrugt op dit moment wel een natuurverbinding (categorie 5: natuurlinten, recreatie) van het NNN. De verbinding blijft echter gedurende de werkzaamheden intact. Als gevolg van de geplande verbreding van brugdeel A verdwijnen wel enkele meters aan oever/bermnatuur. Door de natuurverbinding met de maatregelen beschreven in paragraaf 4.2.2 van de natuurtoets te verbeteren, wordt voorkomen dat het voornemen aan en rondom de Cruquiusbrug negatieve effecten heeft op de werking van de natuurverbinding.
Op deze manier zijn negatieve effecten van de werkzaamheden op wezenlijke kenmerken en waarden van het NNNgebied uitgesloten. De volgende stap betreft het vaststellen van een ontwerp voor de optimalisatie van de looprichel.
Weidevogelleefgebieden zijn binnen een straal van vijf kilometer rondom het plangebied niet aanwezig. 4.5.1.2.3 Conclusie Negatieve effecten op wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN-gebied of weidevogelleefgebieden zijn als gevolg van het voornemen uitgesloten. De Omgevingsdienst IJmond heeft op 30 maart 2020 deze conclusie bevestigd (ODIJ-Z-20-074509).
4.5.2 Soortenbescherming 4.5.2.1 Wettelijke grondslag In hoofdstuk 3 van de Wet natuurbescherming is het beschermingsregime voor soorten opgenomen. Er gelden verschillende beschermingsregimes voor verschillende soortgroepen. De verbodsbepalingen voor vogels zijn opgenomen in artikel 3.1, de verbodsbepalingen voor Habitatrichtlijnsoorten zijn opgenomen in artikel 3.5 en voor overige soorten zijn de verbodsbepalingen in 3.10 opgenomen. Wanneer door het uitvoeren van een activiteit of ruimtelijk plan een verbodsbepaling uit de wet wordt overtreden, moet daarvoor een ontheffing worden aangevraagd. De provincie kan ontheffingen verlenen. Ontheffingen worden alleen verleend als ze voldoen aan een aantal voorwaarden. Als eerste toetst het bevoegd gezag of er (1) een andere bevredigende oplossing mogelijk is. Is dat niet zo, dan wordt getoetst of het initiatief nodig is voor (2) een in de Wet natuurbescherming genoemde redenen (een 'wettelijk belang'). Welke redenen dit zijn verschild per beschermingsregime. Ontheffing voor de bescherming van soorten uit de Vogel- en Habitatrichtlijn is minder mogelijk dan die voor andere soorten. Als het initiatief voldoet aan een wettelijk belang, dan moet ook (3) worden aangetoond dat het initiatief geen negatief effect heeft op de 'gunstige staat van instandhouding' van de soort.
Hierbij kunnen ook mitigerende en compenserende maatregelen worden betrokken. 4.5.2.2 Resultaten Op basis van de natuurtoets (Bijlage 4) en aanvullend onderzoek voor vleermuizen conform vleermuisprotocol 2017 (Bijlage 7) is gebleken dat de bomen welke gekapt wordt in het kader van het voornemen van dit PIP (zie paragraaf ) een essentiële vliegroute voor vleermuizen betreft en dat voor het onderbreken/ aantasten van deze vliegroute een ontheffing Wnb noodzakelijk is. 4.5.2.2.1 Vleermuizen De onderzochte bomenrij heeft een functie als essentiële vliegroute voor gewone dwergvleermuis, laatvlieger rosse vleermuis en ruige dwergvleermuis. Tevens vormen de twee bomen ten zuiden van de brug een onderdeel van de vliegroute. Voor het onderbreken/aantasten van deze vliegroute is een ontheffing Wnb noodzakelijk. Het betreft hier een overtreding van artikel 3.5 lid 4 van de Wet natuurbescherming. Deze ontheffing is naar verwachting te verkrijgen:
https://www.ruimtelijkeplannen.nl/documents/NL.IMRO.9927.IPCRUQUIUSBRUG-ON01/t_NL.IMRO.9927.IPCRUQUIUSBRUG-ON01.html
30/58
7-1-2021
Cruquiusbrug: Toelichting
er is geen andere bevredigende oplossing. De huidige brug moet worden vervangen en worden verbreed. Zodoende kan dit project niet op een andere locatie worden uitgevoerd; het project is nodig ten behoeve van het verbeteren en garanderen van de verkeersdoorstroming. Ook het verbeteren van de verkeersveiligheid, in het bijzonder de veiligheid van het fietsverkeer is een belangrijke doelstelling van het project. Deze belangen vallen onder het ontheffingsbelang genoemd in artikel 3.8 lid 5 onder b sub 3; door het nemen van mitigerende en compenserende maatregelen kan een negatief effect op de gunstige staat van instandhouding worden uitgesloten. Deze maatregelen worden te zijner tijd opgenomen in een Activiteitenplan en bijgevoegd bij de ontheffingsaanvraag. Gelet op bovenstaande kan een ontheffing worden verleend voor de overtreding van de verbodsbepaling ten aanzien van vleermuizen. Om verstoring te voorkomen worden mitigerende maatregelen getroffen waardoor er geen sprake is van een overtreding van artikel 3.5 lid 2. Advies voor mitigerende en compenserende maatregelen is uitgewerkt in paragraaf 5.2 van het vleermuizenonderzoek (Bijlage 7). 4.5.2.2.2 Vogels Voor (broedende) vogels is een ontheffing niet noodzakelijk doordat mitigerende maatregelen worden genomen die een overtreding voorkomen. De mitigerende maatregelen staan genoemd in onderstaande tabel.
4.5.2.2.3 Amfibieën Voor amfibieën geldt dat een ontheffing Wnb aanvragen niet nodig is, mits mitigerende maatregelen in acht worden genomen. De mitigerende maatregelen staan genoemd in onderstaande tabel. 4.5.2.2.4 Overige soorten Voor overige soorten genoemd in onderstaande tabel geldt dat het aanvragen van een ontheffing Wnb niet nodig is, maar geldt wel ten alle tijde de algemene zorgplicht (zie paragraaf 3.1.4 van de natuurtoets), wat betekent dat er tijdens de werkzaamheden alles gedaan moet worden wat redelijkerwijs mogelijk is om schadelijke effecten op soorten te voorkomen. 4.5.2.2.5 Samenvatting In de onderstaande tabel zijn de bevindingen en conclusies ten aanzien van de beschermde soorten samengevat. Wanneer ter voorkoming van (mogelijke) overtreding van de Wnb maatregelen nodig zijn wordt dit aangegeven (grijs gemarkeerd). Soortgroep
Beschermde Kans op overtreding verboden Wnb? soorten in het plan-gebied of directe omgeving aanwezig?
Gevolgen?
Ontheffing aanvragen Wnb?
Vaatplanten
Nee
Geen
Nee
Grondgebonden Op basis van Nee, vrijstelling binnen Provincie Noordzoogdieren aanwezige Holland biotopen kan het voorkomen van algemene soorten (verschillende soorten (spits)muizen, konijn, haas) niet worden uitgesloten
Geen, wel geldt de algemene zorgplicht van de Wnb (zie paragraaf 3.1.3 van de natuurtoets)
Nee
Grondgebonden Het landschap Nee, aanwezigheid vaste rust- en zoogdieren rondom de brug voortplantingsplaatsen kan worden vormt potentieel uitgesloten en voldoende geschikt uitwijkmogelijkheden voorhanden in de foerageergebied omgeving voor kleine marters
Geen, wel geldt de algemene zorgplicht van de Wnb (zie paragraaf 3.1.3 van de natuurtoets)
Nee
Vleermuizen
Om verstoring te voorkomen dienen mitigerende maatregelen te worden getroffen. Advies voor
Ja, op basis van het (op te stellen)
Ja, ten minste vijf soorten vleermuizen
Nee
Ja, omdat de essentiële vliegroute wordt onderbroken/ aangetast.
https://www.ruimtelijkeplannen.nl/documents/NL.IMRO.9927.IPCRUQUIUSBRUG-ON01/t_NL.IMRO.9927.IPCRUQUIUSBRUG-ON01.html
31/58
7-1-2021
Cruquiusbrug: Toelichting
bekend uit de Vliegroutes van vleermuizen zijn op zichzelf mitigerende en compenserende wijdere omgeving, niet beschermd tenzij het een essentiële maatregelen is uitgewerkt in het verschillende delen vliegroute betreft. In dat geval zijn vliegroutes vleermuisonderzoek (Bijlage 7). van het plangebied van groot belang voor de verblijfplaatsen van Mitigerende en compenserende vormen de vleermuizen die gebruik maken van die werkzaamheden dienen te foerageergebied vliegroutes en zijn de vliegroutes zelf indirect worden uitgewerkt in een en/of vliegroutes wel beschermd. Het kappen van bomen in de Activiteitenplan. voor vleermuizen. rij heeft een negatief effect op een vliegroute voor gewone en ruige dwergvleermuis, laatvlieger en rosse vleermuis.
Activiteitenplan kan een ontheffing worden verkregen in het kader van de Wnb.
Vleermuizen
Er is tijdens de natuurtoets een holte aangetroffen in een van de populieren direct ten noordoosten van de brug, die van waarde kan zijn voor boom bewonende vleermuissoorten.
Nee, negatieve effecten op verblijfplaatsen van vleermuizen is uitgesloten
Vogels
Ja, delen van het Ja, indien broedgevallen opzettelijk worden plangebied vormen verstoord of nesten worden vernietigd. geschikt broedgebied voor verschillende (water)vogels.
De betreffende bomen worden gekapt. Kans Geen, tijdens het op overtreding Wnb is aanwezig indien in vleermuisonderzoek zijn er geen deze te kappen bomen een verblijfplaats van verblijfplaatsen van vleermuizen vleermuizen aanwezig is (bij het kappen wordt vastgesteld deze verblijfplaats dan vernietigd) en bestaat de kans dat individuen worden gedood.
Drie mogelijkheden:
Nee, ontheffing niet - buiten het broedseizoen werken; noodzakelijk vanwege -vlak voor het broedseizoen voorkomen inzetten en dan continue overtreding. doorwerken, zodat vogels niet gaan broeden; - het plangebied voor het broedseizoen ongeschikt maken voor broedvogels.
Reptielen
Nee
Amfibieën
Ja, plangebied Nee, vrijstelling binnen Provincie Noordvormt mogelijk deel Holland. van leefgebied voor algemeen voorkomende bijlage A-soorten zoals bruine kikker en gewone pad.
Nee
Geen
Nee
Geen, wel geldt de algemene zorgplicht van de Wnb (zie paragraaf 3.1.3 van de natuurtoets).
Nee
Amfibieën
Ja, het kan niet Ja, wanneer de soort het plangebied Nee, mits gehouden aan één van worden uitgesloten koloniseert tijdens de werkzaamheden en als de twee voorwaarden: dat rugstreeppad gevolg hiervan individuen worden verstoord of het plangebied kan gedood, of dat functioneel leefgebied wordt - het werkgebied waar koloniseren tijdens vernietigd (overtredingen van respectievelijk graafwerkzaamheden werkzaamheden. artikel 3.5 lid 2, 1 en 4). plaatsvinden wordt afgerasterd met een voor rugstreeppad geschikt amfibieënscherm, zodat wordt voorkomen dat individuen van de soort het gebied bereiken en als gevolg van werkzaamheden worden verstoord of gedood, of dat functioneel leefgebied wordt vernietigd;
Nee, mits mitigerende maatregelen in acht worden genomen.
- de (graaf-) werkzaamheden volledig plaats laten vinden ten https://www.ruimtelijkeplannen.nl/documents/NL.IMRO.9927.IPCRUQUIUSBRUG-ON01/t_NL.IMRO.9927.IPCRUQUIUSBRUG-ON01.html
32/58
7-1-2021
Cruquiusbrug: Toelichting
tijde van de winterrust van de soort (oktober/november tot en met maart). Rond deze periode verkeerd de soort in winterrust en is er geen dispersie-activiteit.
Dagvlinders, Nee libellen en overige ongewervelden
Nee
Nee
Nee
Tabel 4.4 Samenvattende tabel 4.5.2.3 Conclusie De bomen welke gekapt worden in het kader van het voornemen van dit PIP zijn een essentiële vliegroute voor vleermuizen. De kap van de bomen is helaas onvermijdelijk. Voor het onderbreken/ aantasten van deze vliegroute is een ontheffing Wnb noodzakelijk. Op basis van mitigerende en compenserende maatregelen (beschreven in een Activiteitenplan) kan een ontheffing Wnb verleend worden. Daarmee is het PIP op het aspect ‘soortenbescherming’ uitvoerbaar. Voor de andere soorten dan vleermuizen geldt dat door het nemen van mitigerende maatregelen een ontheffing Wnb niet nodig is en tevens geldt te allen tijde de algemene zorgplicht.
4.5.3 Houtopstanden 4.5.3.1 Wettelijke grondslag Houtopstanden conform de Wet natuurbescherming vallen onder het bevoegd gezag van de provincie en zijn enkel de houtopstanden die buiten de bebouwde kom staan (grens conform voormalige Boswet). Bomen binnen de bebouwde kom vallen onder het bevoegd gezag van de gemeente en hiervoor geldt de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en het gemeentelijk bomenbeleid als (wettelijk) kader voor de bomen. 4.5.3.2 Resultaten Op twee locaties binnen het plangebied worden bomen gekapt, zie hiervoor afbeelding 4.2).
https://www.ruimtelijkeplannen.nl/documents/NL.IMRO.9927.IPCRUQUIUSBRUG-ON01/t_NL.IMRO.9927.IPCRUQUIUSBRUG-ON01.html
33/58
7-1-2021
Cruquiusbrug: Toelichting
Afbeelding 4.2 Locaties te kappen bomen Op grondgebied gemeente Heemstede: Canadese populieren; binnen bebouwde kom Wet natuurbescherming (grens conform kaartlaag ‘Bebouwde kommen - Wet natuurbescherming’; gemeente Heemstede bevoegd gezag voor benodigde omgevingsvergunning - kappen. Op grondgebied van de gemeente Haarlemmermeer: iepen; buiten bebouwde kom Wet natuurbescherming; provincie Noord-Holland bevoegd gezag voor melding Wnb - houtopstanden. 4.5.3.3 Aanhaakplicht Als voor een activiteit zowel een omgevingsvergunning als een toestemming op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb) nodig is, dan haken deze procedures in beginsel bij elkaar aan. Dit volgt uit artikel 2.1, eerste lid, sub i, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in samenhang met artikel 2.2aa van het Besluit omgevingsrecht (Bor). De vergunningaanvrager kan deze aanhaakplicht voorkomen door de procedures voor de verschillende benodigde toestemmingen te ontkoppelen, m.a.w.: eerst de toestemming op grond van de Wnb aanvragen, dan de omgevingsvergunning. Om de omgevingsvergunning - kappen te kunnen verlenen is namelijk een verklaring van geen bedenkingen van het bevoegd gezag voor de ontheffing Wnb nodig. Het niet in de juiste volgorde aanvragen van de leidt tot de aanhaakplicht waar de uitgebreide voorbereidingsprocedure van de Algemene wet bestuursrecht (26 + 6 weken) op van toepassing is.
4.5.3.4 Conclusie Voor het kappen van de bomen binnen gemeente Heemstede is een omgevingsvergunning - kappen nodig en een ontheffing Wnb. Voor het kappen van de bomen binnen gemeente Haarlemmermeer is een melding Wnb - houtopstanden nodig en een ontheffing Wnb. https://www.ruimtelijkeplannen.nl/documents/NL.IMRO.9927.IPCRUQUIUSBRUG-ON01/t_NL.IMRO.9927.IPCRUQUIUSBRUG-ON01.html
34/58
7-1-2021
Cruquiusbrug: Toelichting
Zowel de omgevingsvergunning kappen als de melding - Wnb - houtopstanden zijn verleenbaar en daarmee is het PIP op het aspect ‘houtopstanden’ uitvoerbaar. Vanwege de relatie met de ontheffing Wnb wordt volledigheidshalve nog verwezen naar paragraaf 4.5.2.
4.6 Water De voorgenomen ontwikkeling kan effecten hebben op de waterhuishoudkundige situatie, zowel kwantitatief als kwalitatief. In Nederland is daarom de watertoets een verplicht onderdeel van elke ruimtelijke ontwikkeling. De watertoets is een procesinstrument waarbij de waterbeheerders in een vroegtijdig stadium worden betrokken bij de voorgenomen ontwikkeling, zodat verschillende aspecten van ‘water’ een goede plaats krijgen in de planvorming. In de waterparagraaf worden de effecten van het ontwerp op deze verschillende aspecten omschreven, zoals waterkwantiteit, waterkwaliteit, waterkeringen, beheer en onderhoud en het effect op grondwaterpeilen. Het watercompensatieplan is opgenomen in Bijlage 8.
4.6.1 Wettelijke grondslag De watertoets is per 1 november 2003 wettelijk verplicht (en vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening). De watertoets betekent dat ruimtelijke plannen (waaronder provinciale inpassingsplannen) die vanaf deze datum ter inzage worden gelegd, voorzien moeten zijn van een waterparagraaf. Ruimtelijke plannen van de initiatiefnemer (bijv. provincie, gemeente of projectontwikkelaar) worden overlegd met de waterbeheerder. In de waterparagraaf geeft de initiatiefnemer aan welke afwegingen in het plan ten aanzien van water zijn gemaakt. Het is een toelichting op het doorlopen proces en maakt de besluitvorming ten aanzien van water transparant. In geval van locatiekeuzes en bij herinrichting van bestaand bebouwd gebied geeft de initiatiefnemer expliciet aan welke rol de kosten en risico's van verdroging, verzilting, overstroming en overlast hebben gespeeld bij de besluitvorming. De waterparagraaf grijpt zichtbaar terug op de afsprakennotitie en het wateradvies. Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Hieronder staat een overzicht van de voor het plangebied relevante weten regelgevingen en nota's. Het beleid van het waterschap nader wordt behandeld. Europees: Kaderrichtlijn Water (KRW).
Nationaal: Nationaal Waterplan (NW); Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW); Waterwet. Provinciaal: Waterplan Noord-Holland 2010-2015; Omgevingsvisie; Omgevingsverordening. 4.6.1.1 Europese Kaderrichtlijn Water De Kaderrichtlijn Water (KRW) is een Europese richtlijn die voorschrijft dat de waterkwaliteit van de Europese wateren vanaf 2015 aan bepaalde eisen moet voldoen. Deze richtlijn (2000/60/EG) vervangt een aantal oude richtlijnen, met de bedoeling meer eenheid in de regelgeving te brengen. De minister van Infrastructuur en Waterstaat is eindverantwoordelijk voor de uitvoering van de KRW. Zij is dit mede namens de andere rijkspartijen en in nauw overleg met provincies, waterschappen en gemeenten. In het Bestuursakkoord Water is de samenwerking in het waterbeheer en -beleid tussen deze partijen vastgelegd. 4.6.1.1.1 Relatie met dit PIP
https://www.ruimtelijkeplannen.nl/documents/NL.IMRO.9927.IPCRUQUIUSBRUG-ON01/t_NL.IMRO.9927.IPCRUQUIUSBRUG-ON01.html