RV Ontwerpverklaring van geen bedenkingen voor transformatie van de bestaande stolpboerderij naar vier woningen en nieuwbouw van acht woningen (totaal twaalf woningen) aan de Hoofdweg 893 te Hoofddorp (2021.0002867)
Tekst van het document
18/36
Nieuwe situatie
4
Nieuwe situatie
4.1
Opbouw van het erf
De voorgenomen ontwikkeling heeft betrekking op het mogelijk maken van 12 woningen. Belangrijkste uitgangspunt voor het stedebouwkundig concept is het herstel van het historisch agrarisch erf als ruimtelijke eenheid met één herkenbaar hoofdgebouw (de stolp), omringd door ondergeschikte bijgebouwen op een gezamenlijk erf, opgaande erfbeplanting aan de zijkanten en een open, groene voortuin. De ruimte rondom de stolp biedt mogelijkheden om op kleine schaal extra bebouwing toe te voegen, als zijnde bijgebouwen in één geheel met de boerderij zelf. Zowel in de stolp als in de toe te voegen gebouwen worden woningen ontworpen. De oorspronkelijke opzet van agrarische erven met werkplaatsen, stallen, opslagruimten en hooibergen geldt als metafoor voor het te realiseren programma en massa. Het erf wordt op één plek vanaf de Hoofdweg ontsloten en het parkeren voor de bewoners wordt opgelost als onderdeel van het achterliggende erf.
Afbeelding 4.1: Indeling van het erf De voortuin van het perceel behoudt het open groene karakter en bevat naast de voortuinen van de stolpwoningen en de vrijstaande woning ook een gemeenschappelijke tuin in de vorm van een fruitboomgaard, die gebruikt kan worden als speelgelegenheid voor kinderen.
DNS Planvorming BV
19/36
Nieuwe situatie
Het erf krijgt een informele inrichting, hetgeen het stedenbouwkundig concept ondersteunt. De inrichting van de openbare ruimte in een informele erf-achtige sfeer met bomen en hagen is hierin beeldbepalend. Het parkeren krijgt hierin ook een plek. De geschakelde woningen worden niet voorzien van een eigen voortuin, wat de positie en uitstraling in relatie tot het gezamenlijk woonerf versterkt. De erfafscheidingen worden geïntegreerd in het woningontwerp. Rondom het perceel is een groene erfafscheiding voorzien; een windscherm met bomen en hagen, dat qua sfeer aansluit bij de huidige groene erfbeplanting aan de zijkanten van het perceel.
Afbeelding 4.2: Vooraanzicht (nieuw) van de stolp Met de ontwikkeling wordt voorzien in het behoud van de monumentale stolpboerderij te midden van grootschalige woningbouwontwikkeling in Tudorpark en -Gardens. De kleinschaligheid sluit aan bij het landelijk agrarisch karakter van dit stukje Hoofdweg en met het eigenzinnig karakter van het ontwerp wordt een uniek project en programma toegevoegd aan het wonen in Hoofddorp. Het geheel maakt een bijzondere woonkwaliteit mogelijk en heeft een semi-privé uitstraling.
4.2
Programma
Het ontwerp omvat 4 zogenaamde kwadrant-woningen in de stolpboerderij. Het grondvlak van de stolp van ca. 16 x 20 m2 biedt, in combinatie met de hoge kap goede mogelijkheden voor 4 woningen met elk minimaal 3 slaapkamers. Het erf biedt plaats aan 8 woningen in een drietal gebouwen in de vorm van schuren, die ondergeschikt aan de stolpboerderij vorm geven aan het gemeenschappelijk erf. Eén schuur met 5 woningen is geprojecteerd achter de stolp, 2 aaneen gebouwde woningen ter linkerzijde en een vrijstaande woning ter rechterzijde van de stolp. De gebouwen aan de zijkanten krijgen een goot- en nokhoogte van resp. 4 en 9 meter, het blokje aan de achterzijde een goot- en nokhoogte van resp. 6 en 10 meter. Het gehele programma bestaat uit koopwoningen.
4.3
Architectuur
Op het perceel is een regulier welstandsregime van toepassing, waarbij de bebouwing niet alleen in haar omgeving, maar ook als zelfstandig object wordt getoetst. Een regulier welstandsregime neemt ook de volgende aspecten mee: Geleding van het bouwvolume: verschillende bouwhoogten, accenten (torens of grote openingen). Vormgeving van de gevel: verticale, horizontale, neutrale of onregelmatige geleding.
DNS Planvorming BV
20/36
Nieuwe situatie
Keuze van de dakvorm: plat, hellend vlak of kap, zoals lessenaars-, zadel-, schilddak of mansardekap. Gebruik van compositorische middelen: erkers, luifels, balkons, loggia's. Gebruik van decoratieve middelen: (uitkragende) daklijsten, raamlijsten, gevelbanden.
DNS Planvorming BV
21/36
Onderzoeken en beperkingen
5
Onderzoeken en beperkingen
5.1
Algemeen
Diverse milieuaspecten vormen belangrijke input bij de ontwikkeling van het plangebied. In dat verband dient bij de afweging van het al dan niet toelaten van bepaalde ruimtelijke ontwikkelingen te worden onderzocht welke milieuaspecten daarbij een rol (kunnen) spelen. Tevens is het van belang milieubelastende functies ruimtelijk te scheiden van milieugevoelige functies.
5.2
Water
5.2.1
Wet- en regelgeving
Europese Kaderrichtlijn Water De kaderrichtlijn Water richt zich op de bescherming van water in alle wateren en stelt zich ten doel dat alle Europese wateren in het jaar 2015 een 'goede toestand' hebben bereikt en dat er binnen heel Europa duurzaam wordt omgegaan met water. Waterwet (Rijk) De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater, en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Ook is via de Invoeringswet Waterwet de saneringsregeling voor waterbodems van de Wet bodembescherming overgebracht naar de Waterwet. Ook voorziet de wet in het toekennen van functies voor het gebruik van water zoals drinkwatervoorziening, landbouw of recreatie. Afhankelijk van de functie worden eisen gesteld aan de kwaliteit en de inrichting van het watersysteem. Nationaal Waterplan 2016-2021 (Rijk) Het Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Met dit Nationaal Waterplan zet het kabinet een volgende stap in het robuust en toekomstgericht inrichten van ons watersysteem, gericht op een goede bescherming tegen overstromingen, het voorkomen van wateroverlast en droogte en het bereiken van een goede waterkwaliteit en een gezond ecosysteem als basis voor welzijn en welvaart.
Het Waterplan omvat een integrale benadering, door natuur, scheepvaart, landbouw, energie, wonen, recreatie, cultureel erfgoed en economie (inclusief verdienvermogen) zo veel mogelijk in samenhang met de wateropgaven te ontwikkelen. De ambitie is dat overheden, bedrijven en burgers zich in 2021 meer bewust zijn van de kansen en bedreigingen van het water in hun omgeving. Iedereen neemt zijn eigen verantwoordelijkheid om samen te komen tot een waterrobuuste ruimtelijke inrichting, het beperken van overlast en rampen en verstandig handelen in extreme situaties. Watervisie 2021 (Provincie Noord-Holland) De inzet van het provinciaal waterbeleid is om Noord-Holland nog mooier, bedrijviger en veiliger te maken. Daarbij moet een impuls uitgaan voor de leefomgevingskwaliteit en het vestigingsklimaat. Waterproblemen worden aangepakt in combinatie met gebiedsontwikkelingen. Voor Haarlemmermeer speelt met name het vinden van toekomstbestendige oplossingen voor de schoon- en zoetwaterproblematiek.
DNS Planvorming BV
22/36
Onderzoeken en beperkingen
Voor waterveiligheid wordt uitgegaan van een meerlaagsveiligheid, bestaande uit: veilige dijken en duinen (laag 1); een waterrobuuste ruimtelijke inrichting van overstromingsgevoelige gebieden (laag 2) en een op overstromingsrampen toegesneden calamiteitenorganisatie (laag 3). Op de kaart Overstromingsrisico Noord-Holland zijn de overstromingsgevoelige gebieden indicatief aangegeven. De provincie maakt nog duidelijk welke gemeenten tot het overstromingsgevoelige gebied worden gerekend en in hun bestemmingsplannen duidelijk moeten maken hoe rekening wordt gehouden met het overstromingsrisico. Daarbij is uitgangspunt het “waterrobuust inrichten”: het zodanig inrichten van overstromingsgevoelig gebied dat bij een overstroming de kans op slachtoffers klein is en de economische schade beperkt blijft. Waterstructuurvisie (Hoogheemraadschap van Rijnland) In de Waterstructuurvisie Haarlemmermeerpolder heeft het hoogheemraadschap het waterbeleid (een klimaatbestendig en robuust watersysteem) verder geconcretiseerd. Het watersysteem wordt vormgegeven volgens principes: flexibele peilen, hogere peilen, lijn/vlakvormig ontwerp en optimalisatie van de inrichting. Hierbij worden de belangen van de bestaande en nieuwe gebruiksfuncties zoveel mogelijk ondersteund. De eerste drie principes zijn met name van toepassing bij gewijzigd gebruik.
Waterbeheerplan 5 2016 -2021 (Hoogheemraadschap van Rijnland) Rijnland heeft op 9 maart 2016 het nieuwe Waterbeheerplan (WBP5) vastgesteld. De verwachte toename van neerslag en droogte, bodemdaling, verzilting zeespiegelrijzing en de verdergaande verstedelijking, leggen een steeds grotere druk op het watersysteem. De hoofdambitie is schoon water en droge voeten. Dit wordt bereikt door: Beschermen tegen overstromingen vanuit zee, de rivieren en het regionale watersysteem door een aanpak in drie lagen (meerlaagsveiligheid): Preventie: o adviseren over het beperken van de gevolgen van overstromingen (gevolgbeperking) o voorbereiden op een calamiteit Zorgen voor schoon en gezond water dat past bij de verschillende functies in een gebied. Optimaliseren van de verwerking van het afvalwater en hergebruiken van de grondstoffen uit afvalwater. Zorgen voor voldoende water: niet te veel en niet te weinig, passend bij het gebruik. Keur Rijnland 2015 (Hoogheemraadschap van Rijnland) De Keur is een verordening van de waterbeheerder met regels voor waterkeringen, watergangen en andere waterstaatwerken (o.a. bruggen, duikers, stuwen, sluizen en gemalen) en voor kwelgevoelige gebieden. Maar ook voor onttrekken en lozen van grondwater en het aanbrengen van verhard oppervlak.
Het uitgangspunt van deze Keur is ‘ja, tenzij’: in beginsel zijn handelingen en/of werken in het watersysteem toegestaan, tenzij expliciet in deze Keur anders is bepaald. De Keur vermeldt expliciet welke handelingen vergunningplichtig zijn en welke aan algemene regels of aan de zorgplicht moeten voldoen. Waterplan Haarlemmermeer 2015-2030 De Strategische Samenwerkingsagenda Haarlemmermeer-Rijnland (verder Waterplan) is een samenwerkingsdocument tussen de gemeente en het hoogheemraadschap. Het Waterplan heeft onder andere als ambitie: het scheiden van vuil afvalwater en schoon regenwater; het tijdelijk bergen van water om extreme neerslag op te vangen; afvalwater als bron te gebruiken waaruit afvalstoffen en energie gewonnen kunnen worden. Haarlemmermeer past bijvoorbeeld innovatieve ontwikkelingen toe bij het inzamelen van afvalwater zoals riothermie, het winnen van warmte uit afvalwater. In het Waterplan worden ook grondwatermaatregelen beschreven, omdat deze een belangrijke link hebben met de rest van het watersysteem. De maatregelen die genomen moeten worden om de doelstellingen voor het watersysteem te bereiken zijn verzameld in het uitvoeringsprogramma van het Waterplan.
DNS Planvorming BV
23/36
Onderzoeken en beperkingen
Gemeentelijk Rioleringsplan 2015-2019 Het Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) bevat rioleringsbeleid en een overzicht van alle aanwezige rioleringsvoorzieningen, inclusief de actuele toestand ervan en de te verwachten vervangingsperioden. Bij nieuwbouw en verbouw is het gescheiden aanbieden van het afvalwater en het hemelwater het uitgangspunt. Voor nieuwbouwwijken en grotere reconstructiegebieden wordt uitgegaan van een zwaardere ontwerpnorm voor het rioolstelsel, waardoor zwaardere regenbuien minder snel overlast veroorzaken. 5.2.2 Onderzoek Ten behoeve van het project is een waterbalans opgesteld. In het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig. Aan de overzijde van de Hoofdweg is de Hoofdvaart gelegen, dit is een primaire watergang. Deze watergang en ook de bijbehorende kernzone ligt buiten het plangebied.
Bestaande situatie Afbeelding 5.1: Uitsnede uit de legger Rijnland hanteert het uitgangspunt dat bij nieuwe ontwikkelingen nagegaan moet worden in hoeverre het verhard oppervlak toeneemt. Indien de toename groter is dan 500 m2 dient 15% van de toename gecompenseerd te worden door nieuw water in het plangebied of in het zelfde peilvak. In onderstaande afbeeldingen worden de huidige en toekomstige situatie weergegeven. In de huidige situatie is er sprake van de Stolpboerderij, bijbehorende schuren en asfaltverharding. In de toekomstige situatie blijft de Stolpboerderij ongewijzigd. De bijbehorende schuren worden verwijderd en hiervoor in de plaats komen een 8-tal nieuwbouwwoningen met ontsluiting van half verharding. De wijze van afvoer van het hemelwater blijft ongewijzigd. In de huidige en toekomstige situatie vindt de afvoer plaats direct richting de Hoofdvaart. Er vindt een toename van het verhard oppervlak plaats met 566 m2. Hiervan dient 15%, te weten 85 m2, gecompenseerd te worden. Realisatie van nieuw oppervlaktewater binnen de kavel is om stedenbouwkundige redenen niet gewenst. In overleg met de gemeente is er voor gekozen om het te compenseren water af te boeken van de Waterbalans Zuidrand Hoofddorp.
DNS Planvorming BV
24/36
Onderzoeken en beperkingen
Afbeelding 5.2: Waterbalans 5.2.3 Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor het project.
5.3
Bodem
5.3.1 Wettelijk kader In het kader van een ruimtelijke procedure waarin een nieuwe functie mogelijk wordt gemaakt dient de bodemgesteldheid in kaart te worden gebracht. Onderzocht moet worden of de bodem verontreinigd is en wat voor gevolgen een eventuele bodemverontreiniging heeft voor de uitvoerbaarheid van het plan. Een nieuwe bestemming mag pas worden opgenomen als is aangetoond dat de bodem geschikt is (of geschikt te maken is) voor de nieuwe bestemming. Wanneer (een deel van) de bodem in het plangebied verontreinigd is, moet worden aangetoond dat het bouwplan, rekening houdend met de kosten van sanering, financieel uitvoerbaar is. 5.3.2 Onderzoek Door Milieutechniek ZVS Eemnes BV is verkennend bodemonderzoek uitgevoerd1 (projectnummer BO19202, 6 november 2019). Tijdens het onderzoek zijn op delen van de onderzoekslocatie lichte verontreinigingen aangetroffen met enkele zware metalen, minerale olie en PAK, lood, zink en / of kwik. Ter hoogte van
1
Verkennend bodemonderzoek, Milieutechniek ZVS Eemnes BV, 6 november 2019.
DNS Planvorming BV
25/36
Onderzoeken en beperkingen
een van de bijgebouwen met asbest verdachte dakbedekking is de grond onderzocht op asbest. In de grond is geen asbest aangetoond. Het gehalte alsmede het ontbreken van bijmenging op het overige deel van het perceel geeft geen aanleiding om het totale perceel op asbest te onderzoeken. Het grondwater is sterk verontreinigd met arseen. Voorkomen van arseen is in regionaal verschijnsel en mogelijk gerelateerd aan verstoring van het fysisch-chemisch-evenwicht waarbij ingesloten stoffen vrijkomen. Hoewel uit het vooronderzoek blijkt dat arseen in de omgeving niet veelvuldig in deze mate is aangetroffen, is de omgeving door bouwactiviteiten deze mogelijk wel beroerd. Uit studie blijkt dat sterk verhoogde gehalten aan arseen in het grondwater geen gevaar oplevert voor de volksgezondheid. Hoewel door het aantreffen van lichte verhogingen in de grond en een sterk verhoogd gehalte aan arseen in het grondater de hypothese ‘onverdacht’ komt te vervallen, is een nader onderzoek niet noodzakelijk. Er zijn geen milieutechnische belemmeringen voor de afgifte van een omgevingsvergunning voor het perceel. 5.3.3 Conclusie Het milieuaspect bodem levert geen belemmering op voor het project.
5.4
Cultuurhistorie en Archeologie
5.4.1 Wettelijk kader De Beleidsnota Cultureel Erfgoed Gemeente Haarlemmermeer gaat in een breed kader in op cultuurhistorie in de gemeente Haarlemmermeer. Het monumentenbeleid en het archeologiebeleid in algemene zin komt in deze nota aan bod. Binnen het gemeentelijk monumentenbeleid is een belangrijke taak weggelegd voor de monumentencommissie. De taak van de monumentencommissie is omschreven in de gemeentelijke monumentenverordening. In de Nota Ruimtelijk Beleid en Archeologie Haarlemmermeer wordt uiteengezet hoe de gemeente omgaat met de archeologische zorgplicht (bescherming van het bodemarchief) in ruimtelijke plannen en bij vergunningverlening. De gemeente Haarlemmermeer heeft eigen archeologiebeleid: Erfgoed op de kaart. In de Haarlemmermeer bestaat een geringe verwachting op het aantreffen van archeologische resten uit het Laat Neolithicum. De afzettingen uit deze periode, oeverwallen en kreekruggen, liggen dicht aan het oppervlak en op veel plaatsen zijn de welvingen van deze afzettingen in het huidige landschap zichtbaar. Veel vondsten uit deze periode zijn er niet bekend. Aardkundige monumenten en aardkundig waardevolle gebieden door de provincie aangewezen komen niet voor in Haarlemmermeer. In de gemeente Haarlemmermeer bevinden zich geen door het rijk, provincie of gemeente beschermde archeologische monumenten.
De archeologische verwachting is voor het grootste deel in de Haarlemmermeer vrij laag, zodat alleen bij grootschalige ontwikkelingen de noodzaak bestaat nader archeologisch onderzoek uit te voeren. 5.4.2 Betekenis voor het project In het plangebied zijn geen rijksmonumenten aanwezig. Voor de stolp loopt een procedure voor de aanwijzing als gemeentelijk monument. Als gevolg van deze procedure geldt er voorbescherming en is de Erfgoedcommissie gehouden het ontwerp te beoordelen als ware de stolp reeds een monument. De toe te passen architectuur gaat uit van de restauratie van de historische stolpboerderij, waarbij t.g.v. de functieverandering gezocht wordt naar aanvulling met eigentijdse architectonische details en verbijzonderingen. De omringende bijgebouwen worden ontworpen in houten gevels met een donkere afwerking. Dit zorgt voor een ondergeschikte, ingetogen uitstraling t.o.v. de stolp met een eenheid in vorm en materiaal.
DNS Planvorming BV
26/36
Onderzoeken en beperkingen
5.4.3 Conclusie Er zijn geen aardkundige monumenten en waarden, archeologische monumenten en waarden aanwezig. Het plangebied ligt in een gebied met een archeologische onderzoeksplicht bij plannen van 10.000 m² en groter. Aangezien de omvang van de bodemverstorende activiteit niet groter is dan 10.000 m² is er geen archeologisch onderzoek nodig. Er is vanuit cultuurhistorie en archeologie geen belemmering voor de ontwikkeling van de woningbouw in het plangebied.
5.5
Flora en fauna
5.5.1
Wet- en regelgeving
Wet natuurbescherming Sinds 1 januari 2017 geldt de Wet natuurbescherming. Deze wet vervangt de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. Daarmee zijn gebiedsbescherming en soortbescherming bij elkaar gebracht in één Nederlandse wet. Deze wet beschermt de van nature in Nederland in het wild voorkomende planten en dieren en hun directe leefomgeving, waaronder nesten en hollen. De Wet Natuurbescherming wijkt in een aantal opzichten af van de Flora- en faunawet; de strekking is echter hetzelfde. In de wet is onder meer bepaald dat beschermde dieren niet gedood, gevangen of verontrust mogen worden en planten niet geplukt, uitgestoken of verzameld mogen worden (algemene verbodsbepalingen). Net als in de Flora en faunawet is de Wet Natuurbescherming een zorgplicht opgenomen, een algemeen geldende fatsoensnorm voor de omgang met flora en fauna. Deze zorgplicht houdt in dat menselijk handelen zo weinig mogelijk nadelige gevolgen voor flora en fauna mag hebben. De soortbeschermingsbepalingen uit de Europese richtlijnen Vogelrichtlijn (VR) en Habitatrichtlijn (HR) zijn in de Wet Natuurbescherming geïmplementeerd: soorten en vegetatietypen waarvoor Natura 2000-gebieden zijn aangewezen, worden beschermd onder de nieuwe Wet Natuurbescherming.
Ongeveer 200 soorten verliezen hun bescherming in vergelijking met de eerder vigerende Flora-en faunawet, voornamelijk soorten vaatplanten (muurplanten, orchideeën) en (zee)vissen. De bij de Flora en faunawet gehanteerde gedragscodes blijven bestaan, zij het dat de lijsten met beschermde soorten wijzigen en aangepast moeten worden. Voor soortbescherming in relatie tot ruimtelijke ingrepen is een aantal artikelen in de nieuwe Wet Natuurbescherming van belang: Zorgbeginsel artikel 1.10 en 1.11: net als bij artikel 2 Ffwet is de intrinsieke waarde van soorten vastgesteld in een doelbepaling en geldt voor alle soorten, los van een beschermingsregime, een zorgplicht. Dit zorgbeginsel is vergelijkbaar met de zorgplicht in de Ffwet. Actieve soortbescherming, artikel 1.12: provincies moeten verplicht beleid opstellen voor de bescherming van soorten, specifiek in hun eigen provincie. Dit beleid is nog in ontwikkeling en de inhoud is nog niet bekend. Er worden in de Wet Natuurbescherming drie beschermingsregime onderscheiden: 1. Soorten van Vogelrichtlijn: Bescherming van alle in het wild levende volgens in de EU, beschreven in artikel 3.1-3.4 van de Wet Natuurbescherming. Dit beleid verandert deels t.o.v. de Ffwet. Hieronder valt ook het begrip "opzettelijk" is bij doden, vangen en verstoring van nesten etc. opgenomen. Hieronder valt ook het begrip "voorwaardelijk opzet".
De grote verandering is dat verstoring onder de nieuwe wet is toegestaan, mits de staat van instandhouding van de soort maar niet in het geding komt. Degene die de verstoring begaat, moet dan aantonen dat er geen verstoring van wezenlijke invloed is. Verstoren van broedende vogels (op nest) en eieren blijft verboden. De provincie kan hiervoor vrijstellingen maken en ontheffingen verlenen. 2. Soorten van Habitatrichtlijn:
DNS Planvorming BV
27/36
Onderzoeken en beperkingen
Bescherming van dier- en plantensoorten in artikel 3.5-3.9: A. die strikt beschermd zijn op grond van Habitatrichtlijn bijlage IV, Verdrag van Bern, bijlage I en II, Verdrag van Bonn bijlage I. In het geval van ontheffing of vrijstelling moet aan drie voorwaarden voldaan worden: dat er geen andere bevredigde oplossing bestaat, de handeling noodzakelijk is (diverse redenen mogelijk, waaronder die van groot openbaar belang met redenen van sociale en economische aard) en tot slot alleen wanneer er geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort in haar natuurlijke verspreidingsgebied. B. die streng beschermd zijn op grond van Habitatrichtlijn bijlage V, Verdrag van Bern bijlage III, Verdrag van Bonn bijlage II. Hiervoor moeten maatregelen worden getroffen indien de gunstige staat van instandhouding in het geding is. In geval van ontheffing of vrijstelling moet alleen voldaan worden aan de eis dat de gunstige staat van instandhouding niet in het geding komt. Hiervoor zijn maatregelen verplicht. Ook hier is het opzetvereiste van toepassing, maar in tegenstelling tot vogels is er geen uitzondering dat 'verstoring toegestaan is zolang het niet van wezenlijke invloed is'. Via een AMvB kunnen nadere regels gesteld worden. De provincie kan vrijstellingen maken en ontheffingen verlenen, met in achtneming van de belangen. 3.
Andere soorten: Dit zijn de in de bijlage van artikel 3.10 van Wet Natuurbescherming genoemde soorten. In deze bijlage staan zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten. Onderdeel A bevat de fauna en onderdeel B de flora. Deze lijst is een nationale toevoeging en betreft soorten die in principe een landelijke achteruitgang kennen. In praktijk is deze bescherming lichter en verwacht wordt dat ontheffingen vrij gemakkelijk verkregen kunnen worden, aangezien er niet de zwaardere belangen gelden voor de soorten van de Europese richtlijnen. Provinciale structuurvisie en het provinciaal natuurbeheerplan Deze geven de ligging aan van de ecologische verbindingen en natuurkerngebieden in Haarlemmermeer. En stelt daaraan beperkingen en regels, gericht op het optimaal functioneren van het Nationaal Natuur Netwerk (NNN). 5.5.2 Onderzoek Ten behoeve van het project is door Bureau Aandacht Natuur een natuurtoets uitgevoerd2 (rapport van 20 december 2019) en onderzoek gedaan naar Stikstofdepositie3. Gebiedsbescherming Gezien de ligging van de projectlocatie ten zuiden van Hoofddorp, de beperkte schaal van het plan en de minimale afstand van circa 7 kilometer tot het dichtstbijzijnde Natura 2000 gebied, zijn geen negatieve effecten te verwachten op Natura2000 gebieden.
Ten behoeve van de realisatie van het beschreven planvoornemen is een stikstofdepositie-analyse uitgevoerd. Middels het programma Aerius is de totale uitstoot voor de beoogde situatie ingevoerd en doorgerekend. Hieruit blijkt dat het nabij gelegen Natura2000 gebieden geen overschrijding verkrijgen door de stikstofdepositie van het beoogde planvoornemen. Aan de hand van de gehanteerde inzet, zijn er binnen Natura 2000 gebieden geen rekenresultaten hoger van de 0,00 mol/ha/j. De werkzaamheden vinden niet plaats in terreindelen die zijn aangewezen als (onderdeel van) NNN, een natuurverbinding (evz) of weidevogelleefgebied. Een nadere of uitgebreide toetsing ten aanzien van de gebiedsbescherming in het kader van de Wet Natuurbescherming is dan ook niet aan de orde.
2 3
Natuurtoets Wet natuurbescherming, Bureau Aandacht Natuur 20 december 2019 Notitie Aerius stikstof-berekening, Bureau Aandacht Natuur 20 december 2019
DNS Planvorming BV
28/36
Onderzoeken en beperkingen
Soortenbescherming Flora Met betrekking tot de aanwezige flora zijn geen beschermde plantensoorten aangetroffen binnen het plangebied. Aan de hand van huidige verspreidingsgegevens (FLORON/NDFF, 2017) en groeiplaatsomstandigheden van beschermde plantensoorten, is tevens het voorkomen van, binnen de Wet Natuurbescherming, beschermde plantensoorten binnen de projectlocatie niet te verwachten. Gezien de aanwezige terreintypen binnen de projectlocatie, is een nader onderzoek naar beschermde plantensoorten of een ontheffingsaanvraag in het kader van de Wet Natuurbescherming niet aan de orde. Vogels Op en aan het plangebied zijn met uitzondering van huismus en ransuil uitsluitend enkele algemeen voorkomende broedvogels aangetroffen of te verwachten. Voor alle beschermde inheemse (ook de algemeen voorkomende) vogelsoorten geldt vanuit de Wet Natuurbescherming een verbod op handelingen die nesten of eieren beschadigen of verstoren. In de praktijk betekent dit dat storende werkzaamheden alleen buiten het broedseizoen uitgevoerd mogen worden. Handelingen die een vaste rust- of verblijfplaats van beschermde vogels verstoren zijn eveneens niet toegestaan. Van huismus en ransuil zijn geen nestlocaties op het erf aangetroffen, de aanwezige vogels op/rond het erf hebben een nestlocatie in omliggende woningen/erven.
Tevens wordt niet verwacht dat het betreffende erf voor beide soorten van essentieel belang is voor voedselaanbod of schuilgelegenheid. Ook de omliggende erven zijn voorzien van ruime tuinen met veel bomen en struiken en beiden voldoende voedsel en schuilgelegenheid voor huismus en een broedplaats voor ransuil. Met de herinrichting van het erf is verstoring of het verwijdering van de jaarrond beschermde nestlocaties van huismus niet aan de orde en zijn een ontheffing en/of aanvullende maatregelen niet noodzakelijk. Met de herinrichting van het erf voor woningbouw zal ook de nestlocatie van ransuil niet verstoord of verwijderd. Ransuilen hebben een jachtgebied van 1 tot 2,5 km rond hun verblijfplaats, waardoor niet wordt verwacht dat het erf een essentieel onderdeel van het leefgebied uitmaakt. Een ontheffing of aanvullende maatregelen ten aanzien van ransuil zijn dan ook niet noodzakelijk. Andere (mogelijke) jaarrond beschermde vaste rust- en verblijfplaatsen van vogels of sporen die wijzen op hun aanwezigheid zijn niet aangetroffen op het terrein. Een nader onderzoek naar het voorkomen van andere jaarrond beschermde vogelsoorten is niet noodzakelijk. Vleermuizen Aan de hand van het vleermuisonderzoek is vastgesteld dat de aanwezige bebouwing en bomen binnen het plangebied geen verblijfplaats vormen voor vleermuizen.
Met het onderzoek zijn binnen het plangebied uitsluitend een aantal foeragerende dan wel passerende vleermuizen waargenomen. Van grote aantallen of een eventuele vlieg- of migratieroute langs het betreffende erf is eveneens geen sprake. Gezien het aantal vleermuizen dat op de locatie is waargenomen als ook het tijdstip (t.o.v. zonsondergang / -opkomst), kan worden uitgesloten dat vleermuisverblijfplaatsen aanwezig zijn in de woonboerderij aan de Hoofdweg 893. Aangezien geen aanwijzingen zijn gevonden van de aanwezigheid van een paar- of zomerverblijfplaats, wordt tevens niet verwacht dat er solitaire dieren in de stolp overwinteren. Voor de herinrichting van het plangebied en de verbouwing/herindeling van de aanwezige woonboerderij, is een ontheffingsaanvraag in het kader van de Wet Natuurbescherming voor het verstoren of verwijderen van belangrijk leefgebied en/of vaste rusten verblijfplaatsen van vleermuizen niet noodzakelijk. Overige dieren Aan de hand van de (huidige) literatuurgegevens en habitatvoorkeuren kan het voorkomen van beschermde (grondgebonden)zoogdieren, amfibieën worden uitgesloten.
DNS Planvorming BV
29/36
Onderzoeken en beperkingen
5.5.3 Conclusie Er zijn geen ontheffingen, noch nader onderzoek nodig. Het onderdeel natuur vormt geen belemmering voor de ontwikkeling.
5.6
Verkeer en parkeren
In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient inzicht te worden geven in de gevolgen van de ontwikkeling op het gebied van verkeer en parkeren. Verkeer Op de Hoofdweg geldt een maximum snelheid van 30 km/u. Er wordt gebruik gemaakt van één ontsluitingsweg op de Hoofdweg. De te verwachten toename van de verkeersgeneratie staat een goede verkeersafwikkeling op de Hoofdweg niet in de weg. Parkeren Aan de hand van het Handboek parkeernormen van de gemeente Haarlemmermeer 2018 is met het beoogde woningtype en de norm ‘ster stedelijk, rest bebouwde kom, minimum’ onderstaande parkeerbehoefte bepaald. Er is gerekend met vier seniorenwoningen, één twee-ondereen kapwoning, één vrijstaande woning en een rijtje van vijf woningen. Type Rijwoningen Seniorenwoningen Vrijstaande woning Twee-onder-een-kap Totaal
Norm (gemiddeld) 1.8 1.8 2.1 2.0
Aantal woningen 5 4 1 2 12
Autonome parkeervraag 9 7.2 2.1 4 22,3
Inclusief 5 plaatsen voor bezoekers is de parkeervraag vanwege het project is 27 parkeerplaatsen. De 22 parkeerplaatsen voor de bewoners bevinden zich grotendeels op het achter gelegen deel van het erf. De benodigde 5 parkeerplaatsen voor bezoek zijn voorzien aan de voorzijde van het terrein in een strook parallel aan de Hoofdweg.
5.7
Geluid wegverkeer
5.7.1
Wet- en regelgeving
Wegverkeer In de Wet geluidhinder is bepaald dat het bevoegd gezag bij vaststelling van een ruimtelijk plan de wettelijke grenswaarden in acht moet nemen. Het geluidsniveau ten gevolge van het wegverkeer dient op de gevels van nieuwe woningen in de geluidszone van een weg te voldoen aan de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting (voorheen: voorkeursgrenswaarde). Deze bedraagt 48 dB. Indien dit geluidsniveau wordt overschreden kan de gemeente een hoger geluidsniveau toestaan de zogenaamde "Hogere waarde". De Hogere waarde mag enkel worden verleend indien uit akoestisch onderzoek is gebleken dat bron-, overdrachts- of gevelmaatregelen om het geluidsniveau terug of onder de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting te brengen niet mogelijk is. Aan de Hogere waarde is een maximum verbonden. Voor de nieuwbouw van woningen in binnenstedelijke situaties is dit 63 dB en in buitenstedelijke situaties is dit 53 dB. Deze niveaus zijn na aftrek van de correctie conform artikel 110g van de Wet geluidhinder. Industrielawaai Op basis van artikel 40 van de Wet geluidhinder kunnen (delen van) industrieterreinen worden aangewezen als gezoneerd industrieterrein met een zonegrens.
Dit betreft industrieterreinen waarop zich gronden bevinden die zijn aangewezen voor mogelijke vestiging van zogenaamde "zware lawaaimakers" als genoemd in artikel 41 lid 3 van de Wet geluidhinder en artikel 2.1 lid 3 van het Besluit omgevingsrecht. Buiten de zonegrens mag de geluidbelasting vanwege het industrieterrein de waarde van 50 dB niet te boven gaan. De op 1 januari 2007 geldende ten
DNS Planvorming BV
30/36
Onderzoeken en beperkingen
hoogste toelaatbare geluidsbelastingen voor woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen en geluidsgevoelige terreinen – vastgelegd in eerder genomen besluiten – blijven gelden. Luchtverkeerslawaai Op grond van artikel 8.30a van de Wet luchtvaart stelt de minister elk vijfde kalenderjaar een geluidsbelastingkaart vast. Die heeft betrekking op de geluidsbelasting (overdag (Lden) en ‘s nachts (Lnight)) veroorzaakt door de luchthaven op woningen en bij Algemene Maatregel van Bestuur aan te wijzen categorieën van andere geluidgevoelige gebouwen. 5.7.2 Onderzoek Voor dit project is onderzoek naar de geluidbelasting uitgevoerd4. Dit onderzoek heeft betrekking op de wettelijke geluidbronnen. Het aspect geluid dat betrekking heeft op de bedrijvigheid in de omgeving van het plangebied komt aan de orde in paragraaf 5.10. Het nieuwbouwplan is gelegen binnen de geluidszone van de Nieuwe Bennebroekerweg, de Hoofdweg westzijde en de Hoofdweg oostzijde. Alleen vanwege de Hoofdweg oostzijde is er sprake van een overschrijding van de grenswaarde. De kopgevels aan de oostzijde ondervinden een verhoogde geluidsbelasting. De overschrijding bedraagt maximaal Lden = 50 dB. De begane grond is geluidsluw. Het bouwblok aan de noordwestzijde van het kavel is geheel geluidsluw.
Nieuwbouw Indien er sprake is van een overschrijding vanwege wegverkeerslawaai dient onderzocht te worden of dit in de vorm van bron- of overdrachtsmaatregelen teniet kan worden gedaan. In dit geval wordt er al een dunne deklaag type B aangebracht op de Hoofdweg oostzijde. Maatregelen om de geluidsbelasting verder te reduceren zijn op voorhand als niet doelmatig te bestempelen gezien de geringe overschrijding. Voor de kopwoning zuidelijk van de boerderij dient een hogere waarde van maximaal 49 dB te worden vastgesteld en voor de kopwoning noordelijk van de boerderij bedraagt dit 50 dB. De overige gevels ondervinden geen verhoogde geluidsbelasting. Bij die woningen waar sprake is van een hogere waarde dient onderzoek plaats te vinden naar de geluidswering van de gevel conform het Bouwbesluit 2012. Bestaande bouw Voor boerderij Hoofdweg 893 die verbouwd gaat worden is een hogere geluidsbelasting vastgesteld van Lden = 52 dB. In de huidige berekening is een lagere geluidsbelasting berekend van Lden = 50 dB. De gemeente Haarlemmermeer kan besluiten om een lagere geluidsbelasting vast te stellen. Vanwege de eerdere vaststelling is er sprake van een rechtens verkregen niveau conform het Bouwbesluit 2012 met betrekking tot de geluidswering. Deze dient in de verbouwde toestand minimaal gelijk te zijn aan het rechtens verkregen niveau.
Indien een lagere geluidsbelasting wordt vastgesteld is ook een lagere geluidswering noodzakelijk met als ondergrens de nieuwbouweis uit het Bouwbesluit 2012. Naar de benodigde geluidswering van de te verbouwen boerderij zal een aanvullend onderzoek noodzakelijk zijn. 5.7.3 Conclusie Op een aantal meetpunten wordt de voorkeursgrenswaarde (nipt) overschreden. De geluidwaarden blijven binnen de maximale ontheffingswaarde. Ten behoeve van het bouwplan dient een besluit hogere waarde te worden vastgesteld. Uit het bouwbesluit volgt dat voldaan moet worden aan de wettelijke binnenwaarde. Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de ontwikkeling.
4
Onderzoek geluidbelasting, M+P, rapportnummer M+P.ROW.19.01.1 van 4 september 2019
DNS Planvorming BV
31/36
Onderzoeken en beperkingen
5.8
Luchtkwaliteit
5.8.1 Wet- en regelgeving Op basis van wetgeving die bekend staat onder de naam 'Wet luchtkwaliteit' kunnen ruimtelijkeconomische initiatieven worden uitgevoerd als aan één of meer voorwaarden wordt voldaan: grenswaarden niet worden overschreden; de luchtkwaliteit per saldo verbetert of tenminste gelijk blijft; het initiatief niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit; het initiatief is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). De Wet Luchtkwaliteit maakt onderscheid tussen kleine en grote ruimtelijke projecten. Onder kleine projecten worden projecten verstaan die de luchtkwaliteit 'niet in betekende mate' verslechteren. Deze projecten worden niet meer beoordeeld op luchtkwaliteit. Ze zijn namelijk zo klein dat ze geen wezenlijke invloed hebben op de luchtkwaliteit. Draagt een klein project niet of nauwelijks bij aan luchtverontreiniging, dan is er geen belemmering voor. Het ministerie VROM heeft de definitie van 'in betekenende mate' vastgelegd in het Besluit NIBM. Projecten die de concentratie NOx, SO2 of fijn stof met meer dan 3% van de grenswaarde verhogen, dragen in betekenende mate bij aan de luchtvervuiling.
Deze 3%-grens is voor een aantal categorieën projecten in de regeling NIBM omgezet in getalsmatige grenzen, bijvoorbeeld: woningbouw: 1.500 woningen netto bij 1 ontsluitingsweg, 3.000 woningen bij 2 ontsluitingswegen; kantoorlocaties: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak bij 1 ontsluitingsweg, 200.000 m2 bruto vloeroppervlak bij 2 ontsluitingswegen. 5.8.2 Betekenis voor het project De ontwikkeling van het plangebied bevat de realisatie van minder dan 1.500 woningen. Op basis van deze gegevens kan worden geconcludeerd dat onderzoek naar luchtkwaliteit voor de ontwikkeling die met het voorliggende bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt niet nodig is en dat de ontwikkeling niet bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Uit de informatie die beschikbaar is via de Monitoringstool NSL blijkt dat de jaargemiddelde concentraties fijn stof en stikstofdioxide in 2017, 2020 en 2025 langs wegen in de nabijheid van het plangebied onder de 35 µg/m³ liggen. Met betrekking tot luchtkwaliteit is in het plangebied sprake van een goed woon- en leefklimaat. 5.8.3 Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de ontwikkeling.
5.9
Externe veiligheid
5.9.1 Wet- en regelgeving Externe veiligheid heeft betrekking op de veiligheid voor de omgeving van een inrichting met gevaarlijke stoffen en/of transport van gevaarlijke stoffen. Elk nieuw ruimtelijk plan moet volgens de Wet ruimtelijke ordening getoetst worden aan de normen voor plaatsgebonden risico en groepsrisico. In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI) en de bijbehorende Regeling externe veiligheid inrichtingen, zoals deze op dit moment luiden (REVI II)’ zijn de risiconormen voor externe veiligheid met betrekking tot bedrijven met gevaarlijke stoffen vastgelegd. Denk hierbij aan risico’s van onder andere tankstations met LPG, gevaarlijke stoffen (PGS-15)-opslagplaatsen en ammoniakkoelinstallaties. De normstelling voor het vervoer van gevaarlijke stoffen (voor zowel weg, spoor als water) is gebaseerd op de Nota Risico Normering Vervoer Gevaarlijke Stoffen (RNVGS) (2006). De nota
DNS Planvorming BV
32/36
Onderzoeken en beperkingen
heeft geen wettelijk bindende werking maar is niet vrijblijvend. Een voorstel voor een wettelijke regeling voor vervoer van gevaarlijke stoffen is in voorbereiding. Op 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) in werking getreden. Dit besluit is gebaseerd op de Wet milieubeheer en de Wet ruimtelijke ordening. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. De normstelling is in lijn met het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). 5.9.2
Betekenis voor het project
Inrichtingen In het bestemmingsplangebied bevinden zich geen zogenaamde BEVI-inrichtingen. Vervoer van gevaarlijke stoffen Binnen de Haarlemmermeer zijn weggedeelten aangewezen als verplichte route voor transport van gevaarlijke stoffen als bedoeld in artikel 18 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen. In en nabij het plangebied bevinden dergelijke routes zich niet. Vervoer van gevaarlijke stoffen ter bevoorrading van risicovolle inrichtingen vindt op beperkte schaal plaats over de Nieuwe Bennebroekerweg. Het aantal transportbewegingen is dermate klein dat geen sprake is van relevante risico’s langs deze transportas. Het plangebied ligt niet in de invloedssfeer van een ondergrondse buisleiding met gevaarlijke stoffen. 5.9.3 Conclusie Het plangebied ligt niet in de invloedssfeer van inrichtingen en / of een transportroute van gevaarlijke stoffen. Er is geen beperking voor de bouw van woningen vanwege externe veiligheid.
5.10
Bedrijven en milieuzonering
5.10.1 Wet- en regelgeving Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: woonfuncties nabij bestaande en opvolgende bedrijvigheid zijn alleen mogelijk als ter plaatse van de woningen een goed woon- en leefklimaat kan worden gerealiseerd bestaande bedrijven worden niet onevenredig geschaad in hun bedrijfsvoering. Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten is mede afhankelijk van het omgevingstype. 5.10.2 Betekenis voor het project De VNG-brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’ geeft indicatieve afstanden tussen bedrijven/functies en woningen met betrekking tot de aanvaardbaarheid van een plan vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening. Binnen gemengd gebied kunnen de richtafstanden met één afstandsstap worden verlaagd.
Een gemengd gebied is volgens de VNG-brochure een gebied met matige tot sterke functiemenging. Mede door de recente woningbouwplannen Tudorgardens en Tudorgardens-Zuid is de omgeving van het projectgebied overwegend een woongebied. Het oorspronkelijke lint langs de Hoofdweg kent veel vrijstaande woningen waar vaak sprake is van bedrijvigheid aan huis en een enkel (voormalig) agrarisch bedrijfsperceel. Het perceel Hoofdweg Oostzijde 887, dat voor een deel grenst aan de projectlocatie, heeft in het vigerende bestemmingsplan ‘Hoofddorp Tudorpark en omgeving’ de bestemming ‘Agrarisch’
DNS Planvorming BV
33/36
Onderzoeken en beperkingen
waar agrarische bedrijfsactiviteiten met een grondgebonden bedrijfsvoering zijn toegestaan. Op het perceel bevindt zich een bedrijfswoning en verspreid over het perceel staan enkele bedrijfsgebouwen. Op het perceel is geen sprake meer van agrarische activiteiten. De agrarische gronden die bij het bedrijf behoorden zijn inmiddels grotendeels in ontwikkeling genomen ten behoeve van meerdere woningbouwprojecten in de directe omgeving. De gronden die nu nog onderdeel uitmaken van het perceel hebben niet de omvang om (volwaardige) grondgebonden agrarische activiteiten uit te voeren. De bedrijfsbebouwing wordt nu gebruikt voor andere, lichte, bedrijfsmatige activiteiten. Het bedrijf wordt door de komst van de nieuwe woningen niet beperkt in het uitvoeren van haar huidige bedrijfsvoering omdat geen sprake meer is van agrarische activiteiten. Mochten de bedrijfsgebouwen in de toekomst wel weer in gebruik worden genomen, bijvoorbeeld ten behoeve van tuinbouw, dan vallen deze activiteiten volgens de VNG brochure in milieucategorie 2 als gevolg waarvan in gemengd gebied een richtafstand geldt van 10 meter. De nieuw te bouwen woningen komen op enige afstand van de zijdelingse perceelsgrens te liggen maar de 10 meter richtafstand wordt niet gehaald.
De bedrijfsvoering op het voormalige agrarische perceel wordt hier echter niet door beperkt omdat er, direct op de perceelsgrens, al andere bestaande woningen aanwezig zijn. Door middel van erfafscheidingen bij de nieuwe woningen (vergunningvrij) kan ook nog een fysieke scheiding worden aangebracht tussen de tuinen van de woningen en het naastgelegen perceel. Er is ter plaatse van de woningen sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. 5.10.3 Conclusie Het onderdeel ‘bedrijven en milieuzonering’ vormt geen belemmering voor de ontwikkeling.
5.11
Luchtvaartverkeer
5.11.1 Wet- en regelgeving Het Luchthavenindelingbesluit (LIB) bevat ruimtelijke maatregelen op rijksniveau die verband houden met de luchthaven Schiphol. Het Luchthavenverkeerbesluit is gericht op de beheersing van de belasting van het milieu door het luchthavenluchtverkeer. Tezamen vormen deze besluiten een uitwerking van het hoofdstuk 8 van de Wet luchtvaart. In aanvulling op het LIB zijn in de Nota Ruimte ook voor een ruimer gebied, de zogenaamde 20 Ke-contour, beperkingen gesteld, specifiek aan woningbouwontwikkelingen. Binnen het ruimtelijk beperkingengebied 20 Ke mag sinds de Nota Ruimte geen woningbouw plaatsvinden, met uitzondering van de al in de verstedelijkingsafspraken (Vinex en Vinac) vastgelegde locaties en herstructurering en intensivering in bestaand bebouwd gebied. 5.11.2 Inventarisatie Het plangebied ligt binnen het hoogtebeperkingengebied. De bouwmogelijkheden in het plan blijven hier met een bouwhoogte van maximaal 1,5 meter ruim onder. Het plangebied ligt buiten de 20 Ke contour.
DNS Planvorming BV
34/36
Onderzoeken en beperkingen
Afbeelding 5.1: Plangebied ten opzichte van 20 Ke contour 5.11.3 Conclusie Het aspect luchtvaartverkeer vormt geen belemmering voor de ontwikkeling.
5.12
Vormvrije m.e.r.-beoordeling
In Nederland is het verplicht om de effecten op het milieu volwaardig onderdeel te laten zijn van de voorbereiding en de besluitvorming over ruimtelijke plannen. Daarvoor is in de Wet milieubeheer de methodiek van de milieueffectrapportage (m.e.r.) opgenomen. De voorgenomen ontwikkeling is niet direct m.e.r. beoordelingsplichtig op basis van het onderdeel ‘aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen’. Echter, omdat de voorgenomen ontwikkeling wel valt onder de noemer van een ‘stedelijk ontwikkelingsproject’, is een vormvrije m.e.r.-beoordeling verplicht. De vormvrije m.e.r.-beoordeling is in feite een beknopte opsomming van de beoordeling van de ontwikkeling op verschillende milieuaspecten. Het Besluit m.e.r. en de Wet milieubeheer zijn per 7 juli 2017 gewijzigd. Gemeenten zijn thans verplicht om een expliciet besluit te nemen over het al dan niet opstellen van een milieueffectrapport (Mer). Uit de in deze Goede Ruimtelijke Onderbouwing opgenomen milieuparagraaf volgt dat de kenmerken van de activiteit en de mogelijke gevolgen voor het milieu geen aanleiding geven voor het opstellen van een milieueffectrapportage.
5.13
Conclusie milieu- en omgevingsfactoren
Uit bovenstaande paragrafen kan worden geconcludeerd dat er geen belemmeringen bestaan voor de woningbouwontwikkeling in het plangebied.
DNS Planvorming BV
35/36
Maatschappelijke en financiële uitvoerbaarheid
6
Maatschappelijke en financiële uitvoerbaarheid
6.1
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Op grond van artikel 3.7 Wabo, gelezen in samenhang met artikel 3.10 Wabo, kan worden vastgesteld dat op de voorbereiding van een omgevingsvergunning, zoals bedoeld in artikel 2.12, lid 1, onder a, sub 3, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), de uitgebreide voorbereidingsprocedure van toepassing is. De beslistermijn is 26 weken en kan door het bevoegd gezag eenmaal met 6 weken worden verlengd. Tegen de vergunning kan bezwaar worden gemaakt en er is vervolgens ook beroep en hoger beroep mogelijk. 3.1.1 overleg Ten behoeve van het overleg als bedoeld in artikel 3.1.1. van het Besluit ruimtelijke ordening is de ruimtelijke onderbouwing toegezonden aan de overlegpartners. Reacties per overlegpartner: Opmerkingen ……………….. Gemeentelijke reactie hierop. …………………
6.2
Financiële uitvoerbaarheid
Ingevolge artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient er in het kader van het ruimtelijk besluit een onderzoek te worden gedaan naar de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan. In artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is voorgeschreven dat de gemeenteraad een exploitatieplan vaststelt voor de gronden waarop een bouwplan is voorgenomen. In artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening is de definitie van bouwplan gegeven, waarbij het onderhavige plan als bouwplan kan worden aangemerkt. Met het tweede lid van artikel 6.12 Wro kan worden afgeweken van de plicht een exploitatieplan vast te stellen, mits het verhaal van kosten anderszins is verzekerd. De kosten voor het bouwplan alsmede de plankosten worden gedragen door de ontwikkelaar van het plan. Hetzelfde geldt voor eventuele kosten als gevolg van planschade. Hiervoor wordt een overeenkomst tussen de initiatiefnemer en de gemeente gesloten. De ambtelijke kosten voor de realisatie van het plan zijn voor de gemeente anderszins verzekerd in deze overeenkomst. Om deze reden is een exploitatieplan niet nodig. De financiële uitvoerbaarheid van het plan is voldoende gewaarborgd.
6.3
Procedure
Omdat de omgevingsvergunning de bouw van meer dan 11 woningen mogelijk maakt, is de Crisis- en Herstelwet van toepassing.
DNS Planvorming BV
36/36