RV Ontwerp vvgb voor negen woningen Badhoevedorp (2021.000138).pdf
Tekst van het document
gemeente Haarlemmermeer
raadsvoorstel
onderwerp
portefeuillehouder steller Collegevergadering
Ontwerpverklaring van geen bedenkingen voor negen woningen aan de Akerdijk 221 te Badhoevedorp mr. Mariëtte Sedee-Schuitemaker Judith FNippO 2 februari 2021
Raadsvergadering Raadsvoorstelnummer
2021.0000138 1. Voorstel Collegebesluit(en)
Het college besluit de raad voor te stellen om: 1. een ontwerpverklaring van geen bedenkingen af te geven voor het realiseren van negen woningen: drie twee-onder-één-kap-woningen en drie aaneengesloten woningen aan de Akerdijk 221 in Badhoevedorp. 2.
Samenvatting
Het beoogde project gaat over het realiseren van negen woningen (drie twee-onder-één-kapwoningen en drie aaneengesloten woningen) aan de Akerdijk in Badhoevedorp. De woningen hebben vier bouwlagen (vanaf de teen van de dijk oplopend). In het vigerende bestemmingsplan staan vier bouwblokken aangegeven waar ieder één woning in mag komen te staan. Ook is in het vigerende bestemmingsplan aangegeven dat de bebouwing niet hoger dan 9 meter mag zijn. De nieuwe bebouwing is circa 9,8 meter en is dus circa 0,8 meter te hoog. Wij kunnen deze omgevingsvergunning slechts verlenen nadat de raad heeft verklaard daartegen geen bedenkingen te hebben. Er kan geen gebruik worden gemaakt van de overgebleven categorieën waarvoor geen verklaring van geen bedenkingen is vereist volgens het raadsbesluit van 3 oktober 2019 (nummer 2019.0040560). 3. Uitwerking 3.1. Wat willen we bereiken?
Wij willen een omgevingsvergunning verlenen voor de realisatie van negen woningen aan de Akerdijk in Badhoevedorp. Drie twee-onder-één-kap-woningen en drie aaneengesloten woningen. In het vigerende bestemmingsplan staan vier bouwblokken aangegeven waar ieder één woning in mag komen te staan. Ook is in het vigerende bestemmingsplan aangegeven dat de bebouwing niet hoger dan 9 meter mag zijn. De nieuwe bebouwing is ca. 9,8 meter en is 0,8 meter te hoog.
Ontwerpverklaring van geen bedenkingen voor negen woningen aan de Akerdijk 221 te Badhoevedorp
pagina 2
We kunnen deze omgevingsvergunning slechts verlenen nadat de raad heeft verklaard daartegen geen bedenkingen te hebben. Het project kan namelijk niet geschaard worden onder een van de categorieën waarvoor geen verklaring van geen bedenkingen vereist is volgens het raadsbesluit van 3 oktober 2019 (nummer 2019.0040560) over het aanwijzen van categorieën gevallen waarvoor geen verklaring van geen bedenkingen nodig is op grond van artikel 6.5, derde lid, Besluit omgevingsrecht (Bor). 3.2 Wat gaan we daarvoor doen?
Goede ruimtelijke ordening De aanvraag is getoetst aan het bestemmingsplan 'Badhoevedorp Lijnden Oost' en heeft de bestemming 'Wonen'. Daarnaast geldt de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering'. Het initiatief kan niet worden gerealiseerd op grond van het ter plaatse geldende bestemmingsplan', omdat op grond van het bestemmingsplan er vier woningen zijn toegestaan. Daarnaast wordt de maximaal toegestane bouwhoogte van 9 meter met 0,8 meter overschreden. Het plan wordt ingepast in het lint van Badhoevedorp. De naastgelegen woningen bestaan uit twee bouwlagen met een kap. Het bouwplan sluit hierbij aan. Voor de verkaveling is gekozen voor een verspringende rooilijn overeenkomstig de naastgelegen rooilijn en zoals deze voorkomt op de ringdijk. De beoogde woningen zijn stedenbouwkundig akkoord. Onderdeel van de aanvraag is een ruimtelijke onderbouwing, waaruit blijkt dat het plan past binnen Rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid. De ruimtelijke onderbouwing en het ruimtelijk advies zijn als bijlage bij dit raadsvoorstel gevoegd. Het ruimtelijk advies is positief. Nu sprake is van een goede ruimtelijke ordening, wordt de raad voorgesteld een besluit te nemen tot afgifte van een ontwerp verklaring van geen bedenkingen. Procedure De ontwerp vvgb wordt samen met het ontwerpbesluit omgevingsvergunning ter inzage gelegd.
Zowel tegen de ontwerp vvgb als tegen de ontwerpomgevingsvergunning kunnen zienswijzen worden ingediend. Voor zover (mede) gericht tegen de ontwerp vvgb worden deze aan de raad toegezonden. De raad besluit vervolgens over verlenen van de ontwerp vvgb onder afweging van de zienswijzen. 3.2. Wat mag het kosten?
Aan de uitvoering van dit voorstel zijn, naast de beschikbare ambtelijke capaciteit, geen kosten verbonden. 3.3. Wie is daarvoor verantwoordelijk?
Op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is de raad bevoegd te besluiten over een verklaring van geen bedenkingen. De bevoegdheid te besluiten over een aanvraag omgevingsvergunning ligt bij het college. De wethouder Ruimtelijke ontwikkeling is eerste aanspreekpunt binnen het college. 3.5 Welke overige relevante informatie is beschikbaar?
Wette lijk kader Wij willen met toepassing van artikel 2.12 lid 1 onder a onder 3 Wabo een omgevingsvergunning verlenen. Dit is rnogelijk indien het gevraagde niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en de motivering van het besluit een goede ruimtelijke
Ontwerpverklaring van geen bedenkingen voor negen woningen aan de Akerdijk 221 te Badhoevedorp
pagina 3
onderbouwing bevat. Bovendien is in artikel 2.27 lid 1 Wabo geregeld dat de omgevingsvergunning slechts kan worden verleend nadat de gemeenteraad heeft verklaard geen bedenkingen tegen het project te hebben. Op grond van artikel 6.5 Besluit omgevingsrecht (Bor) kan de raad categorieën gevallen aanwijzen waarin geen vvgb vereist is. Geen van de aangewezen categorieën is op deze aanvraag van toepassing. Daarom is een verklaring van de raad nodig. De verklaring van geen bedenkingen maakt onderdeel uit van de te verlenen omgevingsvergunning. 3.6 Wanneer en hoe zal de raad/het college over de voortgang worden geïnformeerd?
De raad ontvangt de tegen het ontwerpbesluit ingediende zienswijzen. Daarna besluit de raad over de definitieve verklaring van geen bedenkingen. Deze maakt onderdeel uit van de omgevingsvergunning. 4
Ondertekening
Burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlemmermeer,
Bijlage(n): ( • ruimtelijke onderbouwing Akerdijk 221 Badhoevedorp • ruimtelijk advies Akerdijk 221 Badhoevedorp
Ruimtelijke onderbouwing Akerdijk 221 t/m 230 te Badhoevedorp Gemeente Haarlemmermeer
Ruimtelijke onderbouwing Akerdijk 221 t/m 230 te Badhoevedorp Gemeente Haarlemmermeer
Rapportnummer:
P01102_2
Datum:
28 januari 2020
Contactpersoon opdrachtgever:
Studio Maak
Projectteam BRO:
PZ, RF
Concept:
Oktober 2019
Definitief:
Januari 2020
Trefwoorden:
-
Bron foto kaft:
Studio Maak
Beknopte inhoud:
-
BRO Vestiging Amsterdam Sarphati Plaza Rhijnspoorplein 38 1018 TX Amsterdam T +31 (0)20 506 19 99 E info@bro.nl
Inhoudsopgave
Pagina
1. INLEIDING 1.1 Aanleiding en ontwikkeling 1.2 Bestemmingsplan 1.3 Procedure projectafwijking
3 3 4 5
2. BELEIDSKADER 2.1 Gemeentelijk beleid
6 6
2.1.1 Structuurvisie Haarlemmermeer 2030 2.1.2 Mobiliteitsvisie Haarlemmermeer 2.2 Provinciaal beleid
6 6 7
2.2.1 Omgevingsvisie NH2050 2.2.2 Regionaal actieprogramma wonen 2.3 Rijksbesluit
7 8 9
2.3.1 Luchthavenindelingsbesluit Schiphol 2.3.2 Nationaal Waterplan 2016-2021 2.3.3 Structuurvisie Randstad 2040
9 11 11
3. PROJECTBESCHRIJVING 3.1 Geschiedenis en stedenbouwkundige karakterisering 3.2 Huidige situatie 3.3 Planomschrijving
12 12 13 13
4. RUIMTELIJKE ONDERBOUWING 4.1 Ruimtelijke motivering
14 14
5. OMGEVINGSASPECTEN 5.1 Flora en fauna
15 15
5.1.1 Toetsingskader 5.1.2 Onderzoek 5.1.3 Conclusie 5.2 Archeologie
15 15 16 17
5.2.1 Toetsingskader 5.2.2 Onderzoek 5.3 Geluid
17 17 17
5.3.1 Toetsingskader 5.3.2 Onderzoek 5.3.3 Conclusie
17 18 19
Inhoudsopgave
5.4 Bodem
19
5.4.1 Toetsingskader 5.4.2 Onderzoek 5.4.3 Conclusie 5.5 Watertoets
19 19 20 20
5.5.1 Toetsingskader 5.5.2 Onderzoek 5.5.3 Conclusie 5.6 Verkeer en parkeren (incl. luchtkwaliteit)
20 20 21 21
5.6.1 Toetsingskader 5.6.2 Onderzoek 5.6.3 Conclusie 5.7 Externe veiligheid
21 21 24 24
5.7.1 Toetsingskader 5.7.2 Onderzoek 5.7.3 Conclusie 5.8 Bedrijven en milieuzonering
24 24 25 25
5.8.1 Toetsingskader 5.8.2 Onderzoek 5.8.3 Conclusie 5.9 Vormvrije MER-beoordeling 5.10 Ladder voor Duurzame verstedelijking
25 26 26 26 27
6. UITVOERBAARHEID 6.1 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 6.2 Economische uitvoerbaarheid 6.3 Planschaderisicoanalyse
BIJLAGEN Bijlage 1: Aanmeldingsnotitie MER Bijlage 2: Akkoordverklaring Bijlage 3: Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Bijlage 4: Quickscan bedrijven en milieuzonering Bijlage 5: Quickscan externe veiligheid Bijlage 6: Verkennend bodemonderzoek Bijlage 7: Quickscan flora en fauna Bijlage 8: Planschaderisicoanalyse
Inhoudsopgave
29 29 29 30
1.
INLEIDING 1.1 Aanleiding en ontwikkeling Het beoogde project gaat over het realiseren van negen woningen, 6 twee-onder-één-kap-woningen en 3 aaneengesloten woningen. Op dit moment valt het plan niet binnen het vigerend bestemmingsplan van plangebied. Het betreft de kavels kadastraal bekend onder sectie H, nummers 5075, 5693, 5076, 7753, 9646 en 7754. Deze kavels hebben gezamenlijk een oppervlakte van 2.600 m2. De voorgenomen ontwikkeling past niet binnen de kaders van het ter plaatse vigerende bestemmingsplan ‘Badhoevedorp Lijnden Oost’ van de gemeente Haarlemmermeer. Om de ontwikkeling mogelijk te maken moet van dit planologische regime worden afgeweken middels een uitgebreide omgevingsvergunningprocedure op basis van art. 2.12, lid 1 onder a, sub 3 Wabo. Onderdeel van deze procedure is een goede ruimtelijke onderbouwing.
Figuur 1.1 Uittreksel kadastrale kaart huidig
Figuur 1.2 Toekomstige situatie (Bron:Studio Maak)
Hoofdstuk 1
1.2 Bestemmingsplan De percelen Akerdijk 221 t/m 230 zijn gesitueerd in het bestemmingsplan ‘Badhoevedorp Lijnden Oost’ en hebben de bestemming ‘Wonen’. Hiernaast geldt dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterkering’. Wonen De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn o.a. bestemd voor wonen en aan huis verbonden beroepsuitoefening. Per bouwperceel is één woning binnen het bouwvlak toegestaan. In totaal gaat het om vijf percelen met vier bouwblokken. Op grond van het bestemmingsplan zijn er vier woningen toegestaan. De bouw van 9 woningen is in strijd met het bestemmingsplansvoorschrift. De bouwhoogte van de woningen is ca. 9,8 m. terwijl ter plaatse maximaal 9 m. is toegestaan. Waterstaat – Waterkering De als 'Waterstaat - Waterkering' aangegeven gronden zijn, behalve voor de daar andere voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor waterkering. Het is verboden om op gronden met deze bestemming grondbewerkingen en heiwerkzaamheden uit voeren. Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van de bouwregels voor het bouwen overeenkomstig de andere daar voorkomende bestemming(en) indien daartegen uit oogpunt van waterbeheersing en onderhoud geen bezwaar bestaat en vooraf schriftelijk advies is ingewonnen bij de waterbeheerder. Bij een positief advies zal de aanvraag moeten worden voorgelegd aan de waterbeheerder.
Figuur 1.3: Uitsnede vigerend bestemmingsplan “‘Badhoevedorp Lijnden Oost”
Hoofdstuk 1
1.3 Procedure projectafwijking Ten aanzien van de bouwregels is het initiatief in strijd met het vigerende bestemmingsplan ‘Badhoevedorp Lijnden Oost’. Het bouwen van de 9 woningen binnen het project is niet toegestaan. Daarnaast wordt de toegestane bouwhoogte overschreden met ca. 0,8 m. Ook moet er bewezen worden dat er vanuit het oogpunt van waterbeheersing en onderhoud geen bezwaar bestaat. Hiervoor moet vooraf schriftelijk advies worden ingewonnen bij de waterbeheerder. In art. 2.1 lid 1 onder c van de Wabo is aangegeven dat het verboden is om zonder omgevingsvergunning gronden of bouwwerken te gebruiken die in strijd zijn met het bestemmingsplan. Op basis van art. 2.12 Wabo kan de strijdigheid met het bestemmingsplan worden opgeheven via een omgevingsvergunning. Dit kan op basis van een: binnenplanse afwijking (artikel 2.12, lid 1 onder a, sub 1) – reguliere procedure; bij AMvB aangewezen gevallen (kruimellijst) en functiewijziging binnen de bebouwde kom (artikel 2.12, lid 1 onder a, sub 2) – reguliere procedure; buitenplanse afwijking (artikel 2.12, lid 1 onder a, sub 3) – uitgebreide procedure. Om het plan mogelijk te maken moet van dit planologische regime worden afgeweken middels een uitgebreide omgevingsvergunningprocedure op basis van art. 2.12, lid 1 onder a, sub 3 Wabo.
Hoofdstuk 1
2.
BELEIDSKADER 2.1 Gemeentelijk beleid 2.1.1 Structuurvisie Haarlemmermeer 2030 De Structuurvisie Haarlemmermeer 2030 gaat over belangrijke structurerende zaken met ontwerpprincipes voor duurzaamheid, een duurzaam en klimaatbestendig watersysteem, energie, netwerk- ketenmobiliteit, de synergie met Schiphol, ruimte voor attracties, en de cultuurhistorie en diversiteit als drager van de ontwikkelingen. Ook over de wijze waarop wordt ontwikkeld en het centraal stellen van de mens in dit ontwikkelproces worden belangrijke uitspraken gedaan. Het accent ligt hierbij op Sociale Duurzaamheid en Ruimtelijke Kwaliteit. Het doel van de Structuurvisie Haarlemmermeer 2030 is het bieden van een actueel juridisch en planologisch kader voor de gemeente Haarlemmermeer waarmee: 1. de ruimtelijk bestaande situatie, de huidige ontwikkelingen en de gewenste toekomstige ontwikkelingen in hun onderlinge samenhang (voor de periode tot 2030) worden geborgd; 2. een toetsingskader voor het ruimtelijk beleid voor de periode 2010-2020 wordt gegeven; 3. de kaders voor het maken van financiële afspraken met overheden en marktpartijen voor bovenplanse verevening worden vastgelegd. In de visie staat een aantrekkelijk woon-, werk- en leefklimaat centraal, dat klaar is voor de realiteit van morgen.
Het gaat in op netwerken en knooppunten, die bijdragen aan een evenwichtige balans tussen dynamiek en rust, en biedt een ruimtelijk raamwerk dat de gewenste ontwikkelingen mogelijk maakt en ze herkenbaar en samenhangend inbedt in de bestaande situatie. De belangrijkste opgave voor de noordzijde van de gemeente Haarlemmermeer (in de directe omgeving van de kern Badhoevedorp) is de gebiedsontwikkeling van Badhoevedorp. Dit project bestaat uit de omlegging van de rijksweg A9 en de bijbehorende aanleg van nieuwe woningen, bedrijven- en kantorenterreinen, (sport)voorzieningen en groengebieden. Een tweede opgave voor het noorden van de polder is de ontwikkeling van de Schipholdriehoek en het leggen van een verbinding tussen de Zuidas en Schiphol. De Schipholdriehoek, een gebied van 730 hectare tussen de A4, de A5 en de A9, ontleent zijn kracht en kwaliteit aan zijn strategische ligging, vlakbij Luchthaven Schiphol, en zijn uitstekende bereikbaarheid. In het gebied liggen kansen voor een bedrijvengebied met een internationaal profiel. Conclusie De ontwikkeling volgt de beleidslijnen van de Structuurvisie Haarlemmermeer 2030, er wordt in het projectgebied een aantrekkelijk woonklimaat gecreëerd.
2.1.2 Mobiliteitsvisie Haarlemmermeer Omdat er veel urgente en gestapelde opgaven op het gebied van economische ontwikkeling, woningbouw en bereikbaarheid in de Metropoolregio Amsterdam (MRA) spelen, die om een gezamenlijke en integrale aanpak vragen werken Rijk en Regio samen aan een programma “Samen werken aan bereikbaarheid MRA” Onderdeel van dit programma is een MIRT-onderzoek
Hoofdstuk 2
naar de integrale bereikbaarheid van de zuidwestkant van Amsterdam vanaf2030/2035 in combinatie met ENTER NL, een ontwikkelstrategie voor de kerncorridor HoofddorpSchiphol-Amsterdam, de internationale entree van Nederland. Mobiliteit is van vitaal belang voor het functioneren van Haarlemmermeer. Of het nu per auto, fiets, openbaar vervoer of een combinatie van vervoerswijzen is, de waardering voor de verbindingen is onverminderd zeer hoog. Het behouden van de bereikbaarheid is de komende decennia niet vanzelfsprekend. De snelle economische groei in Metropoolregio Amsterdam resulteert in een groei van het aantal inwoners en ondernemers in zowel de eigen als in omliggende gemeenten. Het doel van de gemeente is om de groei van mobiliteit te faciliteren. De reiziger krijgt hierin keuzevrijheid, hij kan immers zelf het beste bepalen met welke modaliteit(en) hij het beste zijn reis kan maken. De gemeente streeft naar een duurzaam en robuust systeem voor verkeer en infrastructuur. Het gemeentelijk beleid sluit aan bij nieuw beleid van de Provincie Noord-Holland en de Vervoerregio Amsterdam. Hierdoor wordt een optimale koppeling gemaakt met het programma van de Vervoerregio en de bijbehorende financiering. De Mobiliteitsvisie Haarlemmermeer is robuust en toekomstvast.
Conclusie De ontwikkeling volgt de beleidslijnen van de Mobiliteitsvisie Haarlemmermeer in zoverre dat de bereikbaarheid van de projectlocatie met diverse modaliteiten is gewaarborgd, inclusief voldoende auto parkeergelegenheden.
2.2 Provinciaal beleid 2.2.1 Omgevingsvisie NH2050 Op 19 november 2018 hebben de Provinciale Staten de Omgevingsvisie NH2050 vastgesteld. In deze visie wordt de ambitie beschreven te zorgen voor balans tussen economische groei en leefbaarheid. In de visie worden vijf samenhangende bewegingen omschreven die laten zien hoe de provincie wil omgaan met opgaven die op de samenleving afkomen en die de provincie wil faciliteren. De provincie geeft aantal ontwikkelprincipes en randvoorwaarden mee om de beweging naar de toekomst te kunnen maken. Het gaat om de volgende vijf bewegingen:
Dynamisch schiereiland – hier is het benutten van de unieke ligging leidend waarbij de kustverdediging voorop staat en waar toeristische en recreatieve kansen benut kunnen worden en natuurwaarden worden toegevoegd. Metropool in ontwikkeling – hierin wordt beschreven hoe de Metropoolregio Amsterdam steeds meer als één stad gaat functioneren en dat de reikwijdte van de metropool groter wordt. Door het ontwikkelen van een samenhangend metropolitaan systeem moet de agglomeratiekracht vergroot worden. Sterke kernen, sterke regio’s – deze beweging gaat over de ontwikkeling van centrumgemeenten die daarmee het voorzieningenniveau in de gehele regio waarin ze liggen vitaal houden en de kernen hun herkenbare identiteit behouden. Nieuwe energie – in deze beweging gaat het over het benutten van de economische kansen van de energietransitie en circulaire economie.
Hoofdstuk 2
Natuurlijk en vitaal landelijke omgeving – deze beweging gaat over het ontwikkelen van natuurwaarden in combinatie met het versterken van de (duurzame) agrifoodsector.
De metropoolregio Amsterdam, waar de Haarlemmermeer deel van uitmaakt, ontwikkelt zich snel. De vraag naar woningen en ruimte voor bedrijven houdt aan, evenals de ruimtevraag voor recreatie en andere functies. Tegelijkertijd wil de provincie de landschappen in de metropool sparen. De bebouwingsopgave moet dan ook zoveel mogelijk binnen de bestaande kernen plaatsvinden, met een voorkeur voor knooppunten van openbaar vervoer. Verdichting vraagt steeds meer inventiviteit en bestuurskracht. De bebouwde omgeving wordt steeds intensiever gebruikt, de plancapaciteit binnenstedelijk blijkt door een andere kijk op stad en stedelijkheid een stuk groter te zijn dan de provincie lang heeft gedacht. En zowel bij bestaande bouw als nieuwbouw zal ingezet worden op besparing van energie, een klimaatadaptieve ruimtelijke inrichting en bij nieuwbouw ook op circulair bouwen. Dit alles moet samen gaan met de verdere verbetering van de kwaliteit van de leefomgeving. Daarbij onderkent de provincie dat verdichting in de kernen leidt tot toenemende druk op het landschap. Wonen en werken worden binnenstedelijk geconcentreerd (transformeren, bundelen, verdichten). Hierbij houdt de provincie oog voor behoud en versterking van de leefbaarheid in bestaande en nieuwe gebieden. Er wordt gemonitord wat de kwalitatieve en kwantitatieve ontwikkeling van de vraag is.
Zo wil de provincie ervoor zorgen dat regionale afspraken over stedelijke ontwikkelingen bij de vraag blijven aansluiten. Hierbij moet de bestaande voorraad woningen betrokken worden. Op bestaande goed renderende en goed gelegen bedrijventerreinen wordt gezocht naar mogelijkheden voor verdichting bijvoorbeeld in de vorm van stapeling. Conclusie Het plan zorgt voor nieuwe woonmogelijkheden dichtbij de stad, binnen bestaand stedelijk gebied. Het past binnen de ruimtelijk-economische beleidsambities van de provincie Noord-Holland, waarin intensivering, optimalisering en verdichting centraal staan. 2.2.2 Regionaal actieprogramma wonen Binnen het Regionaal actieprogramma wonen staan de volgende uitgangspunten en doelstellingen centraal: Van aanbod- naar vraaggestuurd bouwen (zowel kwalitatief als kwantitatief); Nadruk op binnenstedelijk bouwen en transformeren; Ontwikkelen met betaalbaarheid/nadruk op sociale woningbouw (huur en koop); Ontwikkelen met integrale blik op wonen, zorg, welzijn en voorzieningen; Duurzaam Bouwen; Mogelijkheden bieden voor (collectieve) zelfbouw; Demografische prognoses en cijfers over de woningbouwbehoeften als uitgangspunt; Met name in de nabijheid van OV-knooppunten ontwikkelen; Het RAP dient ‘Ladderproof’ te zijn (Ladder voor Duurzame Verstedelijking).
Conclusie Vraaggestuurd bouwen is een van de belangrijke thema’s in het actieprogramma. De vraag voor woningen dichtbij de stad blijft groeien. Hierbij sluit dit plan aan.
Hoofdstuk 2
2.3 Rijksbesluit 2.3.1 Luchthavenindelingsbesluit Schiphol
Figuur 2.1. LIB Bijlage 3 – Beperking bebouwing
Figuur 2.2. LIB Bijlage4 – Maatgevende kaart toetshoogtes
Hoofdstuk 2
Figuur 2.3. LIB Bijlage4 – Beperking aantrekken vogels
De volgende artikelen uit het LIB Schiphol zijn van belang: Artikel 2.2.1 Het projectgebied valt niet binnen het beperkingsgebied en is dus niet strijdig met de beperkingen uit het LIB (zie figuur 2.1). Artikel 2.2.2 Het projectgebied valt binnen de laag ‘20-40 m NAP’. Het beoogde plan is 9,8 m. hoog en valt dus ruim onder deze grens (zie figuur 2.2). Artikel 2.2.3 De projectlocatie valt binnen het beperkingengebied van Schiphol (zie figuur 2.3). Op de gronden die zijn aangewezen op de kaart in bijlage 5 bij het Luchthavenindelingsbesluit Schiphol is grondgebruik of een bestemming binnen de volgende categorieën niet toegestaan: 1. industrie in de voedingssector met extramurale opslag of overslag; 2. viskwekerijen met extramurale bassins; 3. opslag of verwerking van afvalstoffen met extramurale opslag of verwerking; 4. natuurreservaten en vogelreservaten; 5. moerasgebieden en oppervlaktewateren groter dan 3 hectare. De beperkingen die hierdoor op het projectgebied vallen zijn niet strijdig met het beoogde plan. Conclusie Met het beoogde plan is er geen sprake van strijdigheid met de beperkingen uit het LIB.
Hoofdstuk 2
2.3.2 Nationaal Waterplan 2016-2021 Rijk, provincies, gemeenten en waterschappen hebben de gezamenlijke ambitie dat Nederland in 2050 zo goed mogelijk klimaatbestendig en waterrobuust is ingericht en bij (her)ontwikkelingen geen extra risico op schade en slachtoffers ontstaat als gevolg van een overstroming voor zover dat redelijkerwijs haalbaar is. Klimaatbestendig en waterrobuust inrichten zal daarom uiterlijk in 2020 onderdeel zijn van beleid en handelen. Bij een aantal regionale en lokale ruimtelijke afwegingen is ook het Rijk betrokken. In die gevallen zal het Rijk met de betrokken overheden de waterrobuustheid en klimaatbestendigheid van het betreffende plangebied analyseren, de resultaten van deze analyse vertalen in een gedragen ambitie en een adaptatiestrategie met concrete doelen en de beleidsmatige en juridische doorwerking van deze ambitie borgen voor uitvoering (‘weten, willen en werken’). Het Rijk zorgt ervoor dat de watertoets behouden blijft als wettelijk procesinstrument, om klimaatbestendig en waterrobuust inrichten vroeg in het ruimtelijk proces mee te laten wegen bij ruimtelijke ontwikkelingen.
In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel Omgevingswet is aangegeven dat de werking van de motiveringseisen en de overlegverplichting, die nu de kenmerkende elementen vormen van de watertoets, op een zodanige manier zullen worden opgenomen in de uitvoeringsregelgeving van de Omgevingswet, dat het doelbereik van de watertoets onverminderd wordt gewaarborgd. Het Rijk zorgt er voor dat nationale vitale en kwetsbare functies – zoals energievoorziening, afvalwaterketen, drinkwatervoorziening, ziekenhuizen en noodcommunicatie tijdens rampenbeheersing - uiterlijk in 2050 beter bestand zijn tegen overstromingen en dat daarvoor uiterlijk in 2020 beleid en zo nodig regelgeving zijn vastgesteld. Conclusie Het plan is in het kader van de motiveringsplicht getoetst door het Hoogheemraadschap. In onderhavige onderbouwing is dit vastgelegd in de zogenaamde waterparagraaf. 2.3.3 Structuurvisie Randstad 2040 In de Structuurvisie Randstad 2040 staat de koers van het kabinet om de Randstad integraal te ontwikkelen tot een duurzame en concurrerende Europese topregio. De Structuurvisie Randstad 2040 geeft aan hoe de Randstad de komende 30 jaar kan uitgroeien tot een internationaal krachtige, duurzame en aantrekkelijke regio. Hierbij staan stedelijke ontwikkelingen centraal.
Daarnaast wil het kabinet het Groene Hart verbinden met het IJsselmeer, de Zeeuwse wateren, de kust en de Utrechtse Heuvelrug. Conclusie De ontwikkeling is niet in strijd met de uitgangspunten van de Structuurvisie Randstad 2040
Hoofdstuk 2
3.
PROJECTBESCHRIJVING 3.1 Geschiedenis en stedenbouwkundige karakterisering Door zijn ontstaansgeschiedenis heeft Haarlemmermeer een uniek landschap. De polder ligt vier tot zes meter onder NAP en heeft een consequente en sober uitgevoerde structuur met loodrecht op elkaar staande lijnen. Dit wordt een orthogonale structuur genoemd. Vaarten, tochten, polderwegen, eenzijdige boombeplanting en grote arealen landbouw zijn kenmerkende elementen in dit landschap. Deze oorspronkelijke structuur is nog steeds zichtbaar en wordt gekoesterd. Vooral ook omdat Haarlemmermeer tegenwoordig deel uitmaakt van het metropolitane – oftewel grootstedelijke – landschap van de Metropoolregio Amsterdam (MRA). Het oorspronkelijke raamwerk van het landschap is ruimtelijke versterkt door het toevoegen van nieuwe waterlopen en lanen. Daarnaast kent Haarlemmermeer het naoorlogse netwerk van regionale en nationale verbindingswegen. Dit bovenlokale netwerk ontsnapt in toenemende mate aan de orthogonale structuur van de droogmakerij, omdat de snelheden op deze netwerken zich niet verstaan met haakse bochten. Onder druk van de economische ontwikkelingen zijn in Haarlemmermeer vijf typen landschappen ontstaan. Agrarische landschappen, stedelijke landschappen, transformatielandschappen, recreatielandschappen en het luchthavenlandschap.
Haarlemmermeer bestaat uit 26 kernen en vormt een unieke symbiose tussen stad en platteland. Sommige kernen zijn slechts enkele huizen groot, andere beginnen stadse proporties aan te nemen. De grote woonkernen in Haarlemmermeer hebben een suburbaan – voorstedelijk – karakter. De kleinere kernen hebben een meer landelijke sfeer. Het agrarisch gebied waarin de kernen liggen, biedt ruimte en relatieve rust. Deze diversiteit hebben we benoemd als atypische stedelijkheid. Met deze diversiteit draagt Haarlemmermeer in belangrijke mate bij aan het rijke palet van woonvormen in de Metropoolregio Amsterdam. De bewoners waarderen het wonen in onze kernen zeer. Niet alleen wegens de ruime woningen met tuin en de ruimte van de polder, maar vooral vanwege de goede bereikbaarheid van werk en allerlei voorzieningen in de omgeving. In Haarlemmermeer worden zes wijktypen onderscheiden. Badhoevedorp valt onder de wijktype Mozaïekkern. Mozaïekkern De transformatie van agrarische gemeenten naar dorpen met een meer stedelijke entourage is in de mozaïekkern zichtbaar in de variatie in bebouwing en openbare ruimte. Dit leidt soms tot geslaagde spannende overgangen tussen oud en nieuw, zoals in het centrum van Hoofddorp tussen Fruittuinen en Piratenweg.
De van oudsher aanwezige combinatie van wonen, werken en voorzieningen leidt enerzijds tot een levendige openbare ruimte, maar legt door een groeiende ruimtebehoefte van een of meerdere functies ook claims op de ruimte waar de bestaande stedenbouwkundige structuur niet op berekend is.
Hoofdstuk 3
3.2 Huidige situatie
Figuur 3.1. Aanzicht huisnummer 230
Figuur 3.2. Aanzicht huisnummer 221
In de huidige situatie staan er vier oude woningen binnen het plangebied. Deze woningen zijn allemaal rond 1930 gebouwd en zijn toe aan renovatie dan wel vernieuwing (sloop/nieuwbouw).
3.3 Planomschrijving Het beoogde project gaat over het realiseren van negen woningen (6 twee-onder-één-kap-woningen respectievelijk 3 aangesloten woningen) aan de Akerdijk in Badhoevedorp. De woningen hebben vier bouwlagen (vanaf de teen van de dijk oplopend) en hebben met een totale gebruiksoppervlakte van tussen de 131 en 160 m2. Achter de woningen worden 18 parkeerplaatsen gerealiseerd.
Figuur 3.3 Gevelaanzichten (Bron:Studio Maak)
Hoofdstuk 3
4.
RUIMTELIJKE ONDERBOUWING 4.1 Ruimtelijke motivering Het bouwvoornemen wijkt af van het bestemmingsplan. Er is sprake van een ruimtelijke afwijking. De ruimtelijke afwijking betreft de extra woningen in de percelen en de hoogte overschrijding. Ruimtelijke afwijking In het vigerende bestemmingsplan staan vier bouwblokken aangegeven waar ieder één woning in mag komen te staan. In de nieuwe, beoogde situatie wordt daar met meer dan het dubbele van afgeweken, namelijk 9 woningen. Zoals te zien in figuur 4.1 valt er in de huidige staat een groot gat tussen de bebouwing die in de rest van het gebied nauwelijks voorkomt. In figuur 4.2 is de beoogde situatie zichtbaar, deze sluit beter aan op de dichtheid van de rest van de omliggende bebouwing. Voor de verkaveling is gekozen voor een verspringende rooilijn overeenkomstig de naastgelegen rooilijn en zoals deze voorkomt op de ringdijk. De tussenmaat is gelijk aan de naastgelegen woningen. Ook is in het vigerende bestemmingsplan aangegeven dat de bebouwing niet hoger dan 9 meter mag zijn. De nieuwe bebouwing is ca. 9,8 meter en is dus ca. 0,8 meter te hoog. Dit verschil in hoogte is erg minimaal en zal dus geringe tot geen ruimtelijke impact hebben.
Figuur 4.1. Dichtheidskaart Akerdijk huidig
Figuur 4.2. Dichtheidskaart toekomstig
Hoofdstuk 4
5.
OMGEVINGSASPECTEN In een goede ruimtelijke onderbouwing worden alle relevante ruimtelijke, functionele en milieukundige thema’s behandeld die nodig zijn om de inpasbaarheid van het plan te motiveren. Naast een beschrijving van het project zelf en een toets plaats aan de hand van relevante beleidsstukken van verschillende overheden, vindt er een toets plaats op een groot aantal milieuaspecten., Afhankelijk van de situatie zullen aanvullende onderzoeken gedaan moeten worden.
5.1 Flora en fauna 5.1.1 Toetsingskader Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. De bescherming van de natuur is per 1 januari 2017 in Nederland vastgelegd in de Wet Natuurbescherming (Wnb). Deze wet vormt voor wat betreft soortenbescherming en gebiedsbescherming een uitwerking van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). 5.1.2 Onderzoek Er is door BRO een onderzoek uitgevoerd voor het plangebied. In deze ruimtelijke onderbouwing worden de belangrijkste conclusies vermeld, voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar de bijlagen. In het kader van een bestemmingsplanwijziging ten behoeve van de sloop en nieuwbouw van een rij woningen, is door middel van een verkennend flora- en faunaonderzoek (quickscan) een beoordeling gemaakt van de mogelijke effecten die het plan kan hebben op beschermde natuurwaarden. Hierdoor wordt duidelijk of het plan in overeenstemming is met de natuurwetgeving. Dit onderzoek is terug te vinden in de bijlagen.
Uit deze quickscan blijkt dat gelet op de potentiele ecologische waarden het voorgenomen plan alleen in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid kan worden uitgevoerd, mits voorafgaand en tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden het bepaalde in de Wet natuurbescherming, onderdeel soorten, in acht te worden genomen: Met betrekking tot de sloop zijn overtredingen ten aanzien van het verstoren/vernietigen van nestlocaties van huismus en verblijfplaatsen van een vleermuissoort op basis van de quickscan niet uit te sluiten. Vervolgonderzoek gedurende het juiste seizoen dient hieromtrent uitsluitsel te geven; Ten aanzien van broedvogels zonder jaarrond beschermde nesten dient, om overtreding op voorhand redelijkerwijs te voorkomen, het verwijderen van nestgelegenheid buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd, of een controle moet de aanwezigheid van een broedgeval kunnen uitsluiten;
Hoofdstuk 5
In het kader van de algemene zorgplicht is het noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor aanwezige individuen. Dit houdt in dat al het redelijkerwijs mogelijke gedaan dient te worden om het doden van individuen te voorkomen.
5.1.3 Conclusie Op basis van onderhavige quickscan wordt vervolgonderzoek naar effecten op beschermde gebieden (Natura 2000/NNN) niet noodzakelijk geacht. Evenmin is er sprake van een noodzaak tot het indienen van een ontheffingsaanvraag ten aanzien van houtopstanden dan wel een vergunningsaanvraag in het kader van gebiedsbescherming. De sloop van de bebouwing binnen het plangebied Akerdijk 221-230 heeft kan negatieve gevolgen hebben voor vleermuizen en/of huismus, die een overtreding van de verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming betreffen. Daarom zal middels soortgericht vervolgonderzoek eerst inzichtelijk moeten worden of in de huidige situatie nest- of verblijfplaatsen aanwezig zijn van de betreffende soort(groep)en. Een vervolgonderzoek naar vleermuizen loopt van half mei tot en met eind september. Een onderzoek naar de huismus begint echter al eerder en loopt van april tot half mei. Bij de daadwerkelijke aanwezigheid van een of meerdere huismusnesten zal door het treffen van maatregelen; zoals het aanbieden van tijdelijke nestkasten, werken buiten de gevoelige periode en het geschikt maken van de nieuwe situatie, de functionaliteit van de nesten behouden moeten blijven en schade aan individuen moeten worden voorkomen.
Bij de aanwezigheid van een vaste rust- en verblijfplaats van een vleermuizensoort is één van de onderdelen van de noodzakelijke maatregelen het tijdig aanbieden van temporele alternatieve verblijfsmogelijkheden (bijvoorbeeld vleermuiskasten). Afhankelijk van de aanwezige verblijfsfunctie(s), dienen meerdere geschikte alternatieve verblijfsmogelijkheden te worden aangeboden die de te verstoren/vernietigen verblijfplaatsen (tijdelijk) kunnen opvangen. Daarbij geldt conform de Wet natuurbescherming voor de vervanging van verblijfplaatsen, afhankelijk van de aangetroffen verblijfsfunctie, een gewenningsperiode van minimaal 3 à 6 maanden waarin vleermuizen actief zijn, alvorens met de sloopwerkzaamheden ter plaatse van de verblijfplaats mag worden gestart. De wintermaanden mogen hierbij dus niet worden meegerekend. Bij de aanwezigheid van een kraamverblijf dienen alternatieve kraamverblijven zelfs minimaal een volledig kraamseizoen (mei – juli) aanwezig te zijn geweest tegelijkertijd met de huidige verblijfplaats. Dit kan tot gevolg hebben dat bij het aantreffen van een verblijfplaats pas in het seizoen na het verlenen van de ontheffing voor het verstoren ervan kan worden gesloopt. Voor een initiatiefnemer is dat vaak een extra jaar tijdverlies.
Indien de projectplanning van essentieel belang is, adviseert BRO om vooraf aan het vleermuizenonderzoek al alternatieve verblijfplaatsen te plaatsen, conform hetgeen is gesteld in het kennisdocument van de te verwachten soorten en verblijffuncties. Hiermee kan eventuele vertraging van de planning worden beperkt. Daarnaast dient voor het verwijderen van de huidige nest- en verblijfplaats een ontheffing te worden aangevraagd bij de betreffende provincie of omgevingsdienst, in dit geval de Regionale Uitvoeringsdienst Noord-Holland Noord (RUD NHN). Een ontheffingsaanvraag dient te worden onderbouwd met een activiteitenplan waar juridische en ecologische aspecten als de specifieke maatregelen en werkzaamheden, de gunstige staat van instandhouding, het wettelijk belang, een
Hoofdstuk 5
alternatievenafweging en de planning in zijn opgenomen. Na het verkrijgen van de ontheffing kunnen de werkzaamheden ter plaatse van de aangetroffen verblijfplaats worden uitgevoerd, mits aan alle voorwaarden uit de ontheffing wordt voldaan en de gevoelige periodes worden ontzien.
5.2 Archeologie 5.2.1 Toetsingskader De bescherming van archeologisch erfgoed in Nederland is vastgelegd in de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden. De Erfgoedwet is in de plaats gekomen van zes wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed, waaronder de Monumentenwet 1988. Onderdelen van de Monumentenwet die van toepassing waren op de fysieke leefomgeving gaan naar de Omgevingswet die in 2019 van kracht wordt. Voor deze onderdelen is daartoe in de Erfgoedwet voor de periode 2016-2019 een overgangsregeling opgenomen. De basis van de bescherming van archeologisch erfgoed in de Erfgoedwet is het verdrag van Valletta (ook wel het verdrag van Malta). De bescherming heeft als doel om archeologisch erfgoed zoveel mogelijk in situ, dus in de grond, te behouden. Dankzij het principe van “de verstoorder betaalt” uit het verdrag van Valletta worden meer archeologische resten in situ behouden. 5.2.2 Onderzoek Op de archeologische beleidskaart van de gemeente Haarlemmermeer ligt de onderzoekslocatie in een zone met een lage verwachting. Er is archeologisch onderzoek noodzakelijk bij bodemingrepen groter dan 10.000 m2. Aangezien de onderzoekslocatie kleiner is dan 10.000 m2 is geen archeologisch onderzoek nodig.
5.3 Geluid 5.3.1 Toetsingskader Wegverkeer Op basis van de Wet geluidhinder (artikel 77 Wgh) dient bij een bestemmingsplan een akoestisch onderzoek te worden uitgevoerd als het plan mogelijkheden biedt voor: de toevoeging van een nieuwe woning of andere geluidsgevoelige functie binnen de zone van een weg; de aanleg van een nieuwe weg; de reconstructie van een bestaande weg. De breedte van de zone van een weg is afhankelijk van het aantal rijstroken, het stedelijk gebied en de maximumsnelheid. In een akoestisch onderzoek kunnen wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt buiten beschouwing worden gelaten.
Hoofdstuk 5
Tabel 5.1: Breedte geluidszones langs wegen
Stedelijk gebied
Buiten stedelijk gebied
Aantal rijstroken
Zone breedte
1 of 2
200 meter
3 of meer
350 meter
1 of 2
250 meter
3 of 4
400 meter
5 of meer
600 meter
In de Wgh zijn grenswaarden opgenomen met betrekking tot de geluidbelasting op de gevels van woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen. De voorkeursgrenswaarde voor de geluidbelasting op de gevel is 48 dB en mag in principe niet worden overschreden. Onder bepaalde voorwaarden, als maatregelen onvoldoende doeltreffend zijn en het voldoen aan de grenswaarden onoverkomelijke bezwaren ontmoet van landschappelijke, stedenbouwkundige of financiële aard, mag de geluidbelasting hoger zijn dan de voorkeursgrenswaarde. Hiervoor dient middels een ontheffing een hogere waarde te worden vastgesteld. Tabel 5.2 Maximale ontheffingswaarden Situatie
Maximale
Artikel
ontheffingswaarde Stedelijk gebied
Nieuwe woningen
63 dB
Artikel 83, lid 2 Wgh
Vervangende nieuwbouw
68 dB
Artikel 83, lid 5 Wgh
Buiten stedelijk gebied
Nieuwe woningen
53 dB
Artikel 83, lid 1 Wgh
Agrarische bedrijfsbebouwing
58 dB
Artikel 83, lid 4 Wgh
Vervangende nieuwbouw
58 dB
Artikel 83, lid 7 Wgh
Vervangende nieuwbouw* binnen de zone van
63 dB
Artikel 83, lid 6 Wgh
een autoweg of autosnelweg
*Met dien verstande dat de vervanging niet zal leiden tot een ingrijpende wijziging van de bestaande stedenbouwkundige functie of structuur en een wezenlijke toename van het aantal geluidgehinderden bij toetsing op bouwplanniveau voor ten hoogte 100 woningen.
5.3.2 Onderzoek De beoogde woningen gelden als een geluidgevoelige bestemming. Onderzoek brengt in het kader van de Wet geluidhinder de geluidbelasting in beeld van wettelijk gezoneerde bronnen. Akoestisch onderzoek is nodig vanwege de ligging in de zone van de Kamerlingh Onneslaan. De Akerdijk is 30 km/uur maar wordt in het kader van een goede ruimtelijke ordening wel meegenomen. Er is door Econsultancy een onderzoek uitgevoerd voor het plangebied. In deze toelichting worden de belangrijkste conclusies vermeld, voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar de bijlagen. De geluidsbelasting als gevolg van de Akerdijk is hoger dan 48 dB. Voor de Akerdijk kan vanwege het ontbreken van een zone formeel geen hogere waarden worden vastgesteld. Voor de woningen dient het akoestisch klimaat in de woning (het zogenaamde binnenniveau) van maximaal 33 dB te worden gegarandeerd. Voor de omgevingsvergunning ten behoeve van de bouw
Hoofdstuk 5
van de woningen wordt geadviseerd een nader onderzoek naar de geluidwering van de gevels uit te laten voeren. 5.3.3 Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor het afwijken van het bestemmingsplan. Voor de omgevingsvergunning ten behoeve van de bouw van de woningen wordt wel geadviseerd een nader onderzoek naar de geluidwering van de gevels uit te voeren, om na te gaan welke maatregelen er getroffen moeten worden om het maximale binnenniveau van 33 dB te kunnen garanderen.
5.4 Bodem 5.4.1 Toetsingskader In het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder d) is bepaald dat voor de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden moet worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bepaald of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden bepaald of nader onderzoek en eventueel saneringen noodzakelijk zijn. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Derhalve is een bodemonderzoek conform de NEN 5740 richtlijnen noodzakelijk. 5.4.2 Onderzoek Er is door Terrascan B.V. een onderzoek uitgevoerd voor het plangebied. In deze toelichting worden de belangrijkste conclusies vermeld, voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar de bijlagen. De resultaten van het veld- en laboratoriumonderzoek worden als volgt samengevat: In de bovengrond is siltig zand aangetroffen. Hieronder werd tot de einddiepte van de boringen (maximaal ca. 3,0 m – mv.) afwisselend siltig zand, zandig klei en kleiig veen aangetroffen.
Lokaal zijn in boven- en/of ondergrond bijmengingen van baksteen, grindkooldeeltjes en beton aangetroffen. In de baksteen- en kooldeeltjeshoudende bovengrond en de zintuiglijk schone bovengrond ter plaatse van de achtertuinen van Akerdijk 227 t/m 230 zijn lichte verontreinigingen met koper, kwik, lood, zink en PAK aangetoond. In de baksteen- en kooldeeltjeshoudende bovengrond is tevens een lichte verontreiniging met minerale olie aangetoond. In de overige zintuiglijk schone bovengrond is een lichte verontreiniging met lood aangetoond. In de baksteen-, grind-, en kooldeeltjeshoudende ondergrond van Akerdijk 227 en de voortuin van Akerdijk 229/230 zijn sterke verontreinigingen met koper en zink en lichte verontreinigingen met cadmium, kobalt, kwik, lood, molybdeen, nikkel, PAK en minerale olie aangetoond. In de zintuiglijk schone venige ondergrond ter plaatse van Akerdijk 221/222 zijn lichte verontreinigingen met kwik, lood, molybdeen en zink aangetoond. In de zintuigelijk schone
Hoofdstuk 5
kleiige ondergrond ter plaatse van de achtertuinen van Akerdijk 228 t/m 230 zijn lichte verontreinigingen met lood, zink en PAK aangetoond. In het grondwater zijn lichte verontreinigingen met barium en naftaleen aangetoond. Op het maaiveld zijn bij de maaiveldinspectie visueel geen asbestverdachte fragmenten aangetroffen. In de fractie > 20 mm van bovengrond zijn visueel eveneens geen fragmenten asbestverdacht materiaal aangetroffen. In één van de drie mengmonsters is in de fractie < 20 mm asbest aangetoond in een gewogen concentratie van 8,05 mg/kgds. In de overige twee mengmonsters is geen asbest aangetoond.
Er wordt geadviseerd nader onderzoek te verrichten naar de aangetoonde (sterke) verontreinigingen met zware metalen (met name koper, lood en zink) in de grond. Het nader onderzoek heeft tot doen de aard, concentratie en omvang van de verontreiniging vast te stellen om na te gaan of er op onderhavige locatie sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging (meer dan 25 m3 sterk (>l) verontreinigde grond). Er is in de grond analytisch een geringe hoeveelheid asbest aangetoond. De concentratie overschrijdt echter niet de helft van de interventiewaarde en behoeft derhalve niet verder onderzocht te worden. Met betrekking tot het grondwater dient bij eventuele onttrekking (bijvoorbeeld bij de bouwactiviteiten) rekening gehouden te worden met lichte verontreinigingen met barium en naftaleen. Opgemerkt wordt dat bij de herontwikkeling van de locatie tevens rekening gehouden dient te worden met de aanwezige sterke verontreinigingen op de functioneel gesaneerde locatie ter plaatse van Akerdijk 227. 5.4.3 Conclusie Voor de bestemmingswijziging is de locatie voldoende onderzocht. Er wordt wel geadviseerd bij de aanvraag omgevingsvergunning onderdeel bouwen nader onderzoek te verrichten naar de aangetoonde (sterke) verontreinigingen. Hieruit zal moeten blijken of er eventuele maatregelen getroffen moeten worden voordat gestart wordt met de bouw.
5.5 Watertoets 5.5.1 Toetsingskader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder b van het Bro) dient inzicht te worden gegeven in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. 5.5.2 Onderzoek Er is door Econsultancy een onderzoek uitgevoerd voor het plangebied. In deze toelichting worden de belangrijkste conclusies vermeld, voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar de bijlagen.
Hoofdstuk 5
Op basis van de genoemde uitgangspunten kan het plan hydrologisch neutraal en conform het beleid van Hoogheemraadschap van Rijnland en de gemeente Haarlemmermeer worden uitgevoerd. Aangaande het plan en de situatie wordt gewezen op de volgende aandachtspunten: Toename verhard oppervlak < 500 m2 dus geen compensatieplicht. Inzetten op een zoveel mogelijke duurzame en klimaatbestendige ontwikkeling. Begin tijdig met het verzamelen en vastleggen van de grondwatersituatie. Het (tijdelijk) monitoren van de grondwaterstand, voorkomt vaak dat “voorziene en onvoorziene omstandigheden” in het werk opgelost moeten worden. 5.5.3 Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor de beoogde afwijking op het bestemmingsplan.
5.6 Verkeer en parkeren (incl. luchtkwaliteit) 5.6.1 Toetsingskader Met het parkeerbeleid wil de gemeente Haarlemmermeer de parkeerbehoefte faciliteren, maar wel binnen bepaalde grenzen. Parkeren voor een voorziening of functie moet bij die voorziening worden opgelost, zoveel mogelijk op eigen terrein of binnen de plangrenzen van een ontwikkeling. Er moet voldoende parkeeraanbod gerealiseerd worden om de reguliere parkeervraag te kunnen faciliteren. De gemeente Haarlemmermeer heeft op 6 februari 2018 het ‘Handboek parkeernormen gemeente Haarlemmermeer 2018’ vastgesteld. In dit handboek wordt een stappenplan uiteengezet om te komen tot de juiste parkeernormering bij ruimtelijke ontwikkelingen. De gemeente heeft hier de parkeerkerncijfers van het CROW als uitgangspunt genomen. Het handboek bepaalt op welke manier er, binnen de bandbreedte die kengetallen van de CROW levert, een parkeernorm wordt bepaald voor een ontwikkeling. 5.6.2 Onderzoek Dit onderzoek bestaat uit een locatiespecifieke afweging van de verkeersgeneratie en toetsing aan de parkeernormen op basis van het gemeentelijk parkeerbeleid en de kengetallen van het CROW. Op deze wijze brengen we de verkeerseffecten van het plan in beeld en kunnen tevens uitspraken worden gedaan over de luchtkwaliteit. Verkeer Momenteel zijn er vier woningen aanwezig binnen het plangebied.
In de toekomstige situatie zal dit aantal toenemen naar in totaal 9 woningen. Het plan heeft daarom een grotere verkeersaantrekkende werking ten opzichte van de voorgaande situatie. Op basis van kencijfers van het CROW is gekeken wat deze ontwikkeling voor gevolgen heeft voor de verkeersgeneratie ter plaatse. In de navolgende tabel is de toename van het verkeer weergegeven.
Hoofdstuk 5
Huidige situatie Vrijstaand Twee-onder-eenkap woningen Totaal
Gehanteerd in CROW-tool Koop, vrijstaand Koop, twee-onder-een-kap
Aantal 1 woning 3 woningen
Min. verkeersgeneratie (mvt/etm) 8 23
Nieuwe situatie Aaneen gebouwde woningen Twee-onder-eenkap woningen Totaal
Gehanteerd in CROW-tool Koop, tussen/hoek
Max. aantal 3 woningen
Min. verkeersgeneratie (mvt/etm) 21
Koop, twee-onder-een-kap
6 woningen
47
31
68
Toename
37 mvt/etmaal
In totaal zal de verkeersgeneratie met circa 37 motorvoertuigen per etmaal toenemen. Gezien de ligging van het plangebied en de verkeerssituatie ter plekke kan aangenomen worden dat deze minimale verkeerstoename niet tot problemen leidt met de verkeersafwikkeling in het gebied. Tevens wordt er momenteel geparkeerd vanaf de Akerdijk, waardoor er meerdere uitritten zijn. In de nieuwe situatie zal er 1 uitrit zijn voor 18 parkeerplaatsen, wat een gunstig effect heeft op de verkeerssituatie ter plaatse. Toekomstige parkeersituatie Volgens het ‘Handboek parkeernormen gemeente Haarlemmermeer 2018’ ligt de locatie in sterk stedelijk gebied. Tevens ligt de locatie in het omgevingstype ‘rest bebouwde kom’. Omdat er geen sprake is van sociale huurwoningen en de dichtstbijzijnde halte van openbaar vervoer (HOV) hemelsbreed op minder dan 700 meter van de projectlocatie gelegen is, kan de gemiddelde verkeersnorm gehanteerd worden. Aan de hand van de parkeernormen uit het ‘Handboek parkeernormen gemeente Haarlemmermeer 2018’ is de toekomstige parkeerbehoefte berekend. In onderstaande tabel zijn de resultaten weergegeven. Geconcludeerd wordt dat er 17 parkeerplekken noodzakelijk zijn om in de parkeerbehoefte van de toekomstige woningen te kunnen voorzien. Nieuwe situatie Aaneen gebouwde woningen Twee-onder-een-kap woningen Totaal
Gehanteerd Koop, tussen/ hoek
Aantal 3 woningen
Min. openbare pp. 5
Koop, twee-onder-een-kap
6 woningen
12 17 parkeerplaatsen
Uit paragraaf 3.3 blijkt dat er met het voorliggende plan in totaal minimaal 18 parkeerplekken gerealiseerd worden. Hiermee voldoet het plan aan de geldende parkeernormen en is er op eigen terrein voldoende parkeergelegenheid. Luchtkwaliteit De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5, titel 5.2 Wm). Hierin zijn grenswaarden opgenomen voor luchtvervuilende stoffen. Voor ruimtelijke projecten zijn fijnstof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) de belangrijkste stoffen.
Hoofdstuk 5
Een project is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging; het project is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een regionaal programma van maatregelen. Om te bepalen of een project "niet in betekenende mate" bijdraagt aan de luchtkwaliteit is een algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate' (Besluit NIBM) en een ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels zijn vastgelegd. Een project kan in twee situaties NIBM bijdragen aan de luchtkwaliteit: het project behoort tot de lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) die is opgenomen in de Regeling NIBM; het project heeft een toename van minder dan 3% van de jaargemiddelde concentratie NO 2 en PM10 (1,2μg/m3). Luchtkwaliteit in relatie met plangebied Eerder in deze paragraaf bleek dat de toename van het verkeer met het plan per saldo ca. 37 motorvoertuigen per etmaal bedraagt.
Berekend is dat de bijdrage van het ontwikkelplan aan de concentraties voor NO2 (stikstofdioxide) en PM10 (fijnstof) niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit. De berekening laat zien dat het extra verkeer ten gevolge van het ontwikkelplan maximaal 0,03 µg/m3 bijdraagt aan de jaargemiddelde concentratie NO2. Voor de concentratie PM10 zal het verkeer maximaal 0,01 µg/m3 bijdragen.
De bijdrage van het extra verkeer ten gevolge van de beoogde ontwikkeling draagt niet in betekenende mate (NIBM) bij aan de luchtkwaliteit. Op basis van het geldende bestemmingsplan concluderen we dat de huidige situatie ook geen knelpunt vormt ten aanzien van luchtkwaliteit. Op basis van de huidige en nieuwe situatie vormt luchtkwaliteit geen belemmering voor dit bestemmingsplan.
Hoofdstuk 5
5.6.3 Conclusie De aspecten ‘verkeer en parkeren’ en ‘luchtkwaliteit’ vormen geen belemmering voor onderhavig plan.
5.7 Externe veiligheid 5.7.1 Toetsingskader Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Op beide categorieën is landelijke wet- en regelgeving van toepassing. In de landelijke wet- en regelgeving zijn kwaliteitseisen en normen op het gebied van externe veiligheid geformuleerd. Doel is om bepaalde risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld, tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Deze bedoelde risico's hangen vooral samen met: activiteiten met gevaarlijke stoffen in inrichtingen; transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen; transport van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor en het water. De risico's voor externe veiligheid komen tot uitdrukking via het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico kan op de kaart worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde plaatsgebonden risico. Via het plaatsgebonden risico wordt een basisbeschermingsniveau gewaarborgd. Bij het groepsrisico wordt wel beoordeeld hoeveel personen zich, redelijkerwijs, feitelijk in de omgeving kunnen bevinden. Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een oriëntatiewaarde. Dit is een ijkwaarde waaraan veranderingen getoetst kunnen worden.
Deze oriëntatiewaarde mag overschreden worden, mits goed beargumenteerd door het bevoegd gezag. Samen met de hoogte van groepsrisico moet andere kwalitatieve aspecten worden meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. Onder deze aspecten vallen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Deze argumentatie is een onderdeel van de verantwoording van het groepsrisico. 5.7.2 Onderzoek Er is door Econsultancy een onderzoek uitgevoerd naar de voor externe veiligheid relevante risicobronnen in de omgeving van het plangebied. In deze toelichting worden de belangrijkste conclusies vermeld, voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar de bijlagen. Het plan is gelegen binnen het invloedsgebied van de A4. De kans op een calamiteit met slachtoffers tot gevolg blijkt verwaarloosbaar klein te zijn. Ventilatievoorzieningen van de woningen dienen eenvoudig afsluitbaar te worden uitgevoerd
Hoofdstuk 5
5.7.3 Conclusie Uit het onderzoek blijkt dat het aspect externe veiligheid geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling.
5.8 Bedrijven en milieuzonering 5.8.1 Toetsingskader Onder milieuzonering wordt verstaan het waar nodig zorgen voor een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Bij de planontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzonering om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen en daarnaast bedrijven voldoende zekerheid te bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. Richtafstanden Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ 1. In de publicatie is een lijst opgenomen met bedrijfstypen. Voor de bedrijfstypen zijn indicatieve (richt)afstanden bepaald voor de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden vormen een indicatie van de aanvaardbaarheid in de situatie dat gevoelige functies in de nabijheid van milieubelastende functies worden gesitueerd. Indien bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd of aanwezig zijn, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden).
Omgevingstype De richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype (zoals een rustig buitengebied, een stiltegebied of een natuurgebied). Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven en kantoren) voor. Binnen gemengde gebieden heeft men te maken met milieubelastende en milieugevoelige functies die op korte afstand van elkaar zijn gesitueerd. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Voorbeelden van gebieden met functiemenging zijn horecaconcentratiegebieden, stadscentra, winkelcentra en winkelgebieden van dorpskernen, woon-werkgebieden met kleinschalige ambachtelijke bedrijvigheid, gebieden langs stadstoegangswegen met meerdere functies en lintbebouwing in het buitengebied met veel agrarische en andere bedrijvigheid. Indien woningbouw nabij bedrijven wordt beoogd of de realisatie van een bedrijf in de omgeving van woningen is gewenst, dient beoordeeld te worden of sprake is van een afdoende milieuzonering. Op basis van de VNG publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ wordt beoordeeld of verwacht mag worden dat sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat.
Op basis van de omgevingstypering en de planologisch toegestane milieucategorieën wordt de ruimtelijke scheiding getoetst aan de daarvoor geldende richtafstanden. De beoordeling wordt uitgevoerd voor 1
‘Bedrijven en Milieuzonering’, Uitgave VNG, Den Haag, 2009.
Hoofdstuk 5
de gewenste ruimtelijke scheiding tussen woningen en industrie. In de beoordeling worden de ruimtelijk relevante milieuhinderaspecten conform de VNG publicatie meegenomen. Indien aan de richtafstanden wordt voldaan, kan volstaan worden met deze quick-scan. Indien voor één van de milieucompartimenten niet wordt voldaan aan de richtafstand, wordt aangegeven op basis van welk vervolgonderzoek mogelijk alsnog kan worden aangetoond dat in deze specifieke situatie toch sprake is van een voldoende woon- en leefklimaat. 5.8.2 Onderzoek In de omgeving van het plangebied is een aantal bedrijven gelegen. Daarom is door Econsultancy indicatief onderzocht of de omliggende bedrijvigheid een belemmering vormt voor de geplande woningen en of het plan een belemmering kan vormen voor de bedrijvigheid. In deze toelichting worden de belangrijkste conclusies vermeld, voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar de bijlagen. Uit het onderzoek blijkt dat de bestaande bedrijvigheid niet wordt belemmerd met de realisatie van het plan, en dat sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat ter plaatse van de nieuwe woningen. 5.8.3 Conclusie Uit het onderzoek blijkt dat het aspect bedrijven en milieuzonering geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling.
5.9 Vormvrije MER-beoordeling Gemeenten en provincies moeten ook bij kleine bouwprojecten beoordelen of een m.e.r.-beoordeling nodig is. Achterliggende gedachte hierbij is dat ook kleine projecten het milieu relatief zwaar kunnen belasten en ook bij kleine projecten van geval tot geval moet worden beoordeeld of een m.e.r.-procedure nodig is. Een m.e.r.-beoordeling is een toets van het bevoegd gezag om te beoordelen of bij een project belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Wanneer uit de toets blijkt dat er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden moet er een m.e.r.-procedure worden doorlopen. Met andere woorden dan is het opstellen van een milieueffectrapportage (MER) nodig. Doorwerking plangebied Met dit planvoornemen wordt woningbouw mogelijk gemaakt. Dit kan leiden tot een m.e.r.(beoordelings)-plicht. Of een m.e.r.-procedure of m.e.r-beoordeling noodzakelijk is, dient bepaald te worden of de ontwikkeling de drempelwaarden uit lijst C en D van het Besluit m.e.r. overschrijdt. De voorgenomen activiteit is niet opgenomen in onderdeel C van het Besluit m.e.r. en is daarom niet aan te merken als een activiteit waarvoor een directe m.e.r.-plicht bestaat. Het is wel opgenomen in onderdeel D (categorie D.11.2) van bijlage II van het Besluit m.e.r.