CConstaterende datHaarlemmermeer
Koppel je AI →
Document · PDF

Provinciale Ruimtelijke Verordening juni 2019

Raadsplein: Agenda en raadsstukken 30 mei 2024, gemeente HaarlemmermeerBij agendapunt: - Sessieverzoek Forza! (dhr. Vermeulen) Woningbouw in Badhoevedorp26.261 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

b

overige ingrepen die een aanzienlijk effect hebben op gronden met een agrarische bestemming, of;

c

een vermindering van het areaal landbouwgrond met minimaal 100 ha.

De toelichting van een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid bevat de resultaten van de landbouw effect rapportage en bevat de motivering hoe rekening is gehouden met deze resultaten in de belangenafweging.

3

De toelichting van een bestemmingsplan dat betrekking heeft op landelijk gebied, waarop het eerste lid niet van toepassing is, maar dat een functiewijziging bevat van een agrarische functie naar een niet-agrarische functie bevat een motivering hoe rekening is gehouden met de effecten op de agrarische structuur van het betreffende gebied.

4

Het bepaalde in de voorafgaande leden is niet van toepassing op de gronden aangeduid op kaart 4 en op de digitale verbeelding ervan als Natuurnetwerk Nederland of als natuurverbinding.

5

Gedeputeerde staten kunnen nadere regels stellen ten aanzien van de inhoud van een landbouweffectrapportage als bedoeld in het eerste lid.

Artikel 28 Vervallen

6

Provinciale Ruimtelijke Verordening juni 2019

25

Provincie Noord-Holland

DE BLAUWE RUIMTE

Artikel 29 Vervallen Artikel 29a Vervallen Artikel 30 Regionale waterkeringen (klik hier voor toelichting) 1

Voor zover een bestemmingsplan mede betrekking heeft op regionale waterkeringen, zoals aangegeven op kaart 8 en de digitale verbeelding ervan, voorziet het bestemmingsplan in bescherming van de waterkerende functie door op deze functie toegesneden bestemmingen en regels en voorziet het bestemmingsplan tevens in een vrijwaringzone aan weerszijden van de waterkeringen opdat reconstructies van de waterkeringen niet onmogelijk worden gemaakt. Deze lokaal benodigde vrijwaringzones worden overgenomen van de hoogheemraadschappen.

2

Afwijken van de vrijwaringzone, als bedoeld in het eerste lid, is mogelijk indien hierover blijkens de toelichting bij het bestemmingsplan overeenstemming is bereikt tussen betrokken gemeenten, waterbeheerder en provincie.

Artikel 31 Strandzonering (klik hier voor toelichting) 1

Een bestemmingsplan voorziet niet in bebouwing in de op kaart 8 en op de digitale verbeelding ervan als natuurstrand aangeduide gebieden.

2

Een bestemmingsplan voorziet alleen in seizoensgebonden bouwwerken in de periode van 1 februari tot 1 november in de op kaart 8 en op de digitale verbeelding ervan als seizoenstrand aangeduide gebieden.

3

Gedeputeerde Staten kunnen, gehoord de desbetreffende commissie van Provinciale Staten, de begrenzing van een natuur- of seizoenstrand op kaart 8 en de digitale verbeelding ervan wijzigen.

7

26

Provinciale Ruimtelijke Verordening juni 2019

Provincie Noord-Holland

ENERGIE Artikel 32 Windturbines (klik hier voor toelichting) 1

Een bestemmingsplan voorziet niet in bestemmingen en regels die het bouwen of opschalen van een of meer windturbines mogelijk maken.

2

Zolang een bestemmingsplan niet voldoet aan het bepaalde in het eerste lid is het verboden om een of meer windturbines te bouwen of op te schalen tenzij sprake is van: a

vervanging van een of meer met vergunning gebouwde windturbines waarbij geen sprake is van verwijdering als bedoeld in het vierde lid, onderdeel a: 1°

buiten het op kaart 9 en op de digitale verbeelding ervan aangegeven windgebied Wieringermeer;

2°

door eenzelfde aantal of minder windturbines met eenzelfde, vergelijkbare of geringere ashoogte, rotordiameter en verschijningsvorm en;

3°

op gronden waarop op het tijdstip van het van kracht worden van deze bepaling de bouw van een of meer windturbines volgens een bestemmingsplan is toegestaan of;

b

het bouwen of opschalen van een of meer windturbines: 1°

binnen het op kaart 9 en op de digitale verbeelding ervan aangegeven windgebied Wieringermeer;

2°

op gronden waarop op het tijdstip van het van kracht worden van deze bepaling de bouw van een of meer windturbines volgens een bestemmingsplan is toegestaan en;

3°

voor zover wordt voldaan aan de voorwaarden als bedoeld in het derde lid, onderdelen a. tot en met f.

3 In afwijking van het eerste lid mag een bestemmingsplan binnen het op kaart 9 en op de digitale verbeelding ervan aangegeven windgebied Wieringermeer bestemmingen en regels bevatten die het bouwen of opschalen van een of meer windturbines mogelijk maken voor zover in het bestemmingsplan ten minste regels worden opgenomen met de volgende strekking: a

de ashoogte van een windturbine bedraagt minimaal 100 en ten hoogste 120 meter;

b

binnen een lijn of cluster van windturbines anders dan een lijn of cluster als bedoeld in onderdeel d draaien de rotorbladen in eenzelfde richting;

c

binnen een lijn of cluster van windturbines anders dan een lijn of cluster als bedoeld in onderdeel d hebben windturbines eenzelfde verschijningsvorm;

d

binnen een lijn of cluster die is aangewezen als testlocatie voor prototypewindturbines bedraagt de rotordiameter ten hoogste 175 meter;

e

binnen een lijn of cluster als bedoeld in onderdeel d bedraagt de ashoogte ten hoogste 150 meter en;

f

binnen een lijn of cluster als bedoeld in onderdeel d dan wel binnen een straal van 500 meter van een prototype windturbine als bedoeld in onderdeel d mag een meetmast worden opgericht met een hoogte van ten hoogste 150 meter.

4

Binnen de op kaart 9 en op de digitale verbeelding ervan aangegeven herstructureringsgebieden mag met behulp van een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onderdeel a, onder 2° of 3° of tweede lid van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van een bestemmingsplan of beheersverordening wordt afgeweken het bouwen of opschalen van een of meer windturbines mogelijk worden gemaakt, waarbij: a

het bouwen of opschalen van één windturbine niet eerder geschiedt dan na verwijdering van ten minste twee andere windturbines op grondgebied van de provincie;

b

de windturbines in een lijnopstelling worden geplaatst van minimaal zes windturbines;

c

de rotorbladen van de windturbines binnen een lijnopstelling dezelfde draairichting hebben;

d

de windturbines binnen een lijnopstelling eenzelfde verschijningsvorm hebben;

e

de ashoogte van de windturbines maximaal 120 meter bedraagt;

Provinciale Ruimtelijke Verordening juni 2019

f

27

Provincie Noord-Holland

de rotordiameter voor windturbines met een ashoogte vanaf 80 meter gelijk is aan de ashoogte met een maximale afwijking van tien procent en de rotordiameter voor windturbines met een ashoogte tot 80 meter gelijk is aan de ashoogte met een maximale afwijking van twintig procent, met dien verstande dat voor windturbines met een ashoogte tot 80 meter de afstand tussen het laagste punt van de tip van het rotorblad en maaiveld minimaal 28 meter bedraagt;

g

de windturbines op minimaal 600 meter afstand worden geplaatst van gevoelige bestemmingen en in geval van bijzondere lokale omstandigheden normen als bedoeld in artikel 3.14a, derde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer worden vastgesteld conform de daarvoor gestelde voorschriften in de Provinciale Milieuverordening Noord-Holland;

h

een windturbine niet is gelegen in een weidevogelleefgebied, het Natuurnetwerk Nederland of een natuurverbinding;

i

een windturbine niet is gelegen in een aardkundig monument, een UNESCO-erfgoed van uitzonderlijke universele waarden of een voormalig Nationaal Landschap en;

j

de omgevingsvergunning niet tot gevolg heeft dat in totaal meer dan 685,5 Megawatt windenergie op grondgebied van de provincie ruimtelijk wordt mogelijk gemaakt.

5

Op het bepaalde in het tweede tot en met het vierde lid is artikel 15 en artikel 15a van overeenkomstige toepassing

6

In afwijking van het vierde lid, onderdeel a, kunnen te verwijderen windturbines gedurende maximaal vijf jaar gelijktijdig met de nieuwe dan wel opgeschaalde windturbines in werking blijven, indien dat vanwege economische uitvoerbaarheid van de onder het vierde lid, onderdeel b, genoemde lijnopstelling noodzakelijk is en met betrekking tot de te verwijderen windturbines een intrekkingsbesluit als bedoeld in artikel 2.33 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht wordt overgelegd. De periode van vijf jaar wordt gerekend vanaf het moment dat wordt gestart met de bouw dan wel opschaling van de windturbines.

7

Gedeputeerde staten kunnen nadere regels stellen ten aanzien van het bepaalde in het eerste tot en met het zesde lid.

8

Het bepaalde in het eerste tot en met het zevende lid is niet van toepassing op een bestemmingsplan dat voorziet in het bouwen of opschalen van windturbines indien aangetoond kan worden dat: a

voor 11 april 2011 een vergunningsaanvraag voor het bouwen of opschalen van een of meer windturbines of een verzoek tot het wijzigen van een bestemmingsplan of het vaststellen van een inpassingsplan voor het bouwen of opschalen van een of meer windturbines is ingediend bij het bevoegd gezag;

b

een windturbine niet is gelegen in een weidevogelleefgebied, het Natuurnetwerk Nederland of een natuurverbinding;

c

een windturbine niet is gelegen in een aardkundig monument, een UNESCO-erfgoed van uitzonderlijke universele waarden of een voormalig Nationaal Landschap;

d

de afstand tussen een windturbine en een gevoelige bestemming minimaal vier maal de ashoogte en minimaal 300 meter bedraagt en;

e

de bepalingen van artikel 15 en artikel 15a in acht zijn genomen.

Artikel 32a Opstellingen voor zonne-energie (klik hier voor toelichting) 1

In het landelijk gebied kan de oprichting van een of meer opstellingen voor zonne-energie uitsluitend mogelijk worden gemaakt met behulp van een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onderdeel a, onder 2° of 3° van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van een bestemmingsplan of beheersverordening wordt afgeweken.

2

Het is niet toegestaan om de oprichting van een of meer opstellingen voor zonne-energie als bedoeld in het eerste lid mogelijk te maken in het landelijk gebied op gronden die zijn aangemerkt als: a

Natuurnetwerk Nederland en natuurverbinding, als bedoeld in artikel 19;

b

erfgoed van uitzonderlijke universele waarden de Stelling van Amsterdam, als bedoeld in artikel 20, aanhef en onder a;

3

c

bufferzones, als bedoeld in artikel 24, of;

d

weidevogelleefgebieden, als bedoeld in artikel 25.

Aan de omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid worden in ieder geval de volgende voorwaarden verbonden: a

de omgevingsvergunning geldt voor een bepaalde termijn, die maximaal 25 jaar bedraagt;

b

na het verstrijken van die bepaalde termijn wordt de vóór de verlening van de omgevingsvergunning bestaande toestand hersteld en wordt de opstelling voor zonne-energie verwijderd, en;

c

voor het gestelde onder b wordt financiële zekerheid gesteld.

Provinciale Ruimtelijke Verordening juni 2019

4

28

Provincie Noord-Holland

In afwijking van het eerste tot en met derde lid kan een bestemmingsplan voorzien in bestemmingen en regels die het oprichten van een of meer opstellingen voor zonne-energie in het landelijk gebied mogelijk maken op gronden met nutsvoorzieningen, niet zijnde leidingtracés voor gas, water of elektriciteit, of infrastructuur voor weg, spoor, water en vliegverkeer, indien de reeds bestaande functie tevens wordt gehandhaafd.

5

Op het bepaalde in het eerste en het vierde lid is artikel 15 en artikel 15a van overeenkomstige toepassing.

6

Gedeputeerde Staten stellen in ieder geval nadere regels over de locatie, omvang en inpassing van een opstelling voor zonne-energie als bedoeld in het eerste lid. Voor het overige kunnen gedeputeerde staten nadere regels stellen.

Artikel 33 Energie en duurzaam bouwen 1

Bestemmingsplannen voor woningbouw, renovatie, (herstructurering) bedrijventerreinen, kantoorlocaties en glastuinbouw dienen te beschrijven op welke wijze invulling wordt gegeven aan energiebesparing en inzet van duurzame energiebesparing en inzet van duurzame energie, waaronder mede wordt verstaan het gebruik van restwarmte, Warmte Koude Opslag en aardwarmte, zonne-energie, biomassa.

2

Een nieuwe stedelijke ontwikkeling dient aan eisen van duurzaam bouwen te voldoen.

8

Provinciale Ruimtelijke Verordening juni 2019

29

Provincie Noord-Holland

HARDHEIDSCLAUSULE

Artikel 34 Ontheffing (klik hier voor toelichting) Gedeputeerde staten kunnen op aanvraag van burgemeester en wethouders een ontheffing als bedoeld in artikel 4.1a van de wet verlenen van artikel 5 tot en met artikel 33 van deze verordening voor zover de verwezenlijking van het gemeentelijk ruimtelijk beleid wegens bijzondere omstandigheden onevenredig wordt belemmerd in verhouding tot de met die regels te dienen provinciale belangen. In voorkomende gevallen worden provinciale staten vooraf geïnformeerd over het voornemen van gedeputeerde staten om ontheffing te verlenen. Artikel 35 Voorschriften aan ontheffing (klik hier voor toelichting) Gedeputeerde staten kunnen aan de ontheffing als bedoeld in artikel 34 voorschriften verbinden indien de betrokken provinciale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken. Artikel 36 Inhoud aanvragen om ontheffing (klik hier voor toelichting) Een aanvraag om een ontheffing bevat in ieder geval: a

een beschrijving van de redenen waarom de ontheffing wordt gevraagd;

b

een beschrijving van de mogelijke gevolgen van de ontheffing voor het belang dat beschermd wordt door de bepaling waarvan ontheffing wordt gevraagd;

c

een of meer kaarten op een zodanige schaal of de digitale verbeelding ervan dat een duidelijk beeld wordt verkregen van de plaats waarop de ontheffing betrekking heeft.

Artikel 37 Bij beslissing op aanvraag te betrekken provinciaal beleid (klik hier voor toelichting) Gedeputeerde staten houden bij de beslissing op de aanvraag om ontheffing ten minste rekening met de geldende Provinciale Structuurvisie, respectievelijk de door gedeputeerde staten vastgestelde uitwerkingen daarvan. Artikel 38 Vervallen Artikel 39 Weigering ontheffing (klik hier voor toelichting) Gedeputeerde staten verlenen geen ontheffing indien door het stellen van beperkingen of voorschriften niet voldoende kan worden tegemoetgekomen aan de belangen die de bepaling waarvan ontheffing is aangevraagd, beoogt te beschermen. Artikel 40 Intrekken ontheffing (klik hier voor toelichting) Gedeputeerde staten kunnen - anders dan op aanvraag - een ontheffing geheel of gedeeltelijk intrekken indien: a

de ontheffing is gebaseerd op onjuiste of onvolledige gegevens;

b

door de aanvrager wordt gehandeld in strijd met of in afwijking van de bij de ontheffing gegeven voorschriften;

Artikel 41 Vervallen ontheffing (klik hier voor toelichting) Een verleende ontheffing vervalt indien niet binnen twee jaar na het verlenen van de ontheffing een bestemmingsplan is vastgesteld met gebruikmaking van de ontheffing. Artikel 42 Termijn beslissing op ontheffing (klik hier voor toelichting) 1

Gedeputeerde staten beslissen binnen 12 weken nadat de aanvraag om ontheffing is ontvangen op het verzoek om ontheffing.

Provinciale Ruimtelijke Verordening juni 2019

2

30

Provincie Noord-Holland

Indien gedeputeerde staten niet binnen de in het eerste lid genoemde termijn kunnen beslissen, delen zij dit aan de aanvrager van de ontheffing mede onder vermelding van de termijn waarbinnen de beslissing wel tegemoet kan worden gezien.

9

Provinciale Ruimtelijke Verordening juni 2019

31

Provincie Noord-Holland

OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 43 Technische correctie van begrenzingen Gedeputeerde staten zijn bevoegd kennelijke onjuistheden in de begrenzing van gebieden in de bij deze verordening behorende kaarten of op de digitale verbeelding ervan te wijzigen. Artikel 44 Aanpassing termijn bestemmingsplannen (klik hier voor toelichting) 1

Een bestemmingsplan anders dan een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid, is uiterlijk tien jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening, of zoveel eerder als het bestemmingsplan ingevolge artikel 3.1, tweede lid, van de wet is aangepast, in overeenstemming met deze verordening vastgesteld.

2

Gedeputeerde staten nemen geen verzoek tot ontheffing in overweging dat gebaseerd is op een verouderd bestemmingsplan. Indien provinciale belangen beschermd dienen te worden, die niet in het verouderde bestemmingsplan zijn geborgd, neemt de provincie indien nodig de verantwoordelijkheid van gemeenten over door middel van een inpassingsplan.

Artikel 45 Vervallen Artikel 46 Intrekking De Provinciale Ruimtelijke Verordening Structuurvisie wordt ingetrokken. Artikel 46a Overgangsrecht (klik hier voor toelichting) 1

De verordening zoals die gold vóór 7 juni 2019 blijft van toepassing ten aanzien van een bestemmingsplan, een wijzigingsplan of een uitwerkingsplan waarvan het ontwerp voor dit tijdstip ter inzage is gelegd, met dien verstande dat het besluit omtrent vaststelling binnen 2 jaar na dit tijdstip wordt genomen.

2

De verordening zoals die gold vóór 7 juni 2019 blijft van toepassing ten aanzien van een omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 3, waarvan de aanvraag vóór dit tijdstip is ingediend, met dien verstande dat de vergunning binnen 2 jaar na dit tijdstip wordt verleend.

Artikel 47 Inwerkingtreding (klik hier voor toelichting) Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het provinciaal blad waarin het wordt geplaatst. Artikel 48 Naamgeving PRV Deze verordening wordt aangehaald als: Provinciale Ruimtelijke Verordening.

10 Provinciale Ruimtelijke Verordening juni 2019

32

Provincie Noord-Holland

ALGEMENE TOELICHTING RUIMTELIJKE VERORDENING

Wettelijke context

Op 1 juli 2008 is de Wet ruimtelijke ordening (Wro) in werking getreden. De bevoegdheden voor Rijk, provincies en gemeenten zijn fundamenteel gewijzigd, voor zowel beleidsvorming als voor de uitvoering. Voor de provincies komt de stelselwijziging er kortweg op neer dat het streekplan de status heeft gekregen van structuurvisie en daarmee een zelfbindend beleidsdocument is geworden (dus niet meer bindend voor gemeenten). Ook de goedkeuringsvereiste door gedeputeerde staten voor gemeentelijke bestemmingsplannen is komen te vervallen: gemeenten zijn ervoor verantwoordelijk dat het bestemmingsplan voldoet aan het provinciale beleid. Daarnaast heeft de provincie een aantal instrumenten gekregen waardoor zij zelf haar belangen pro-actief kan borgen en verwezenlijken. Deze staan beschreven in de Provinciale Structuurvisie, hoofdstuk 7. Op Rijksniveau is het geldende beleid uit de Nota Ruimte – voor zover daartoe geschikt – beleidsneutraal neergelegd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro), ofwel Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) Ruimte. Dit geldt ook voor een aantal belangen uit de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR). Hierin zijn de Rijksbelangen juridisch geborgd. In het Barro worden algemene regels gesteld die rechtstreeks doorwerken in bestemmingsplannen en zich daarmee dus richten op de gemeenteraden.

Naast het Barro bevat artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) regels op Rijksniveau ten aanzien van de toelichting en onderbouwing van bestemmingsplannen, Hierbij is met name de Ladder voor duurzame verstedelijking specifiek van belang, gelet op de samenhang met artikel 5a van deze verordening. De wetgever geeft de provincie de ruimte om, daar waar nodig en noodzakelijk, regels te stellen teneinde de provinciale belangen zoals omschreven in de Structuurvisie Noord-Holland 2040, juridisch te borgen. Hiertoe heeft de provincie de Provinciale Ruimtelijke Verordening vastgesteld. Provinciale context In de Structuurvisie (2010) staan de drie provinciale hoofdbelangen geformuleerd, met daaruit voortvloeiende deelbelangen. Er staat in welke beleidsdoelen de provincie voor deze belangen heeft en met welke instrumenten zij deze doelen wil bereiken (hoofdstuk 7 van de structuurvisie). Eén van die instrumenten is de Ruimtelijke Verordening. De structuurvisie is zelfbindend; de Provinciale Ruimtelijke Verordening is bindend voor gemeenten en derden. Relatie met Omgevingswet, -visie en –verordening De Omgevingswet integreert een groot deel van de wetgeving op het gebied van ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur en water. Eén van de kerninstrumenten van de Omgevingswet is de Omgevingsvisie. De omgevingsvisie NH2050 is op 26 november 2018 vastgesteld.

Daarmee komen de wettelijke verplichte provinciale plannen (Structuurvisie, het Provinciaal Verkeer- en Vervoerplan, het Milieubeleidsplan en de Watervisie) te vervallen. De Omgevingsverordening, die op dit moment in samenspraak met onze partners wordt opgesteld, zorgt waar nodig voor juridische doorwerking van de visie. Vooruitlopend op de invoering van de Omgevingswet worden voorstellen gedaan aan Provinciale Staten met betrekking tot de overgangsperiode tot aan de invoering van de Omgevingswet. Uitgangspunt daarbij is toewerken naar een eerste integrale Omgevingsverordening, gebaseerd op de huidige wetgeving, die na de zomer van 2019 in procedure zal worden gebracht. Vooruitlopend op bovenstaande transitie richting Omgevingsverordening vinden GS het belangrijk dat de PRV actueel en kloppend is. Daarom wordt de PRV nog gewijzigd, ook al wordt er tegelijkertijd gewerkt aan de Omgevingsverordening. De actualisering van de PRV beperkt zich tot de hoogst noodzakelijke

Provinciale Ruimtelijke Verordening juni 2019

33

Provincie Noord-Holland

aanpassingen die niet kunnen wachten tot de omgevingsverordening. Onderwerpen en inzichten die niet noodzakelijkerwijs in deze actualisering meegenomen hoeven te worden, krijgen een plek in het proces naar de Omgevingsverordening. Rechtstreeks werkende bepalingen In de Provinciale verordening zijn geen rechtstreeks werkende bepalingen opgenomen met uitzondering van de artikelen 8b lid 2 en artikel 32 lid 2. Eerst genoemde artikel bevat het verbod op nieuwvestiging of omschakeling naar geitenhouderijen en het uitbreiden van het aantal geiten. Artikel 32 lid 2 bevat het beleid rond wind op land. Door het opnemen van rechtstreeks werkende regels moeten gemeenten na inwerkingtreding van de verordening vergunningaanvragen toetsen aan de desbetreffende voorschriften uit de verordening (artikel 8b lid 2 en artikel 32 lid 2). Daarnaast kunnen gemeenten tegen overtreding van deze rechtstreeks werkende bepalingen handhavend optreden. De wettelijke basis daarvoor is neergelegd in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Reikwijdte De Ruimtelijke Verordening richt zich op bestemmingsplannen, beheersverordeningen, wijzigings- en uitwerkingsplannen en omgevingsvergunningen waarbij wordt afgeweken van het bestemmingsplan (artikel 2.12 lid 1 onderdeel a onder 2 en 3 Wabo). Hierbij gaat het om algemene regels omtrent de inhoud.

Uiteraard moet het provinciale belang de inzet van de verordening altijd rechtvaardigen.

11 Provinciale Ruimtelijke Verordening juni 2019

34

Provincie Noord-Holland

ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING

Artikel 1 Algemene bepalingen (klik hier voor het artikel) In het eerste lid van artikel 1 is bepaald wat onder bestaande bebouwing en functies moet worden verstaan. In het tweede lid van artikel 1 is omschreven wat we onder nieuwe bebouwing en functies moet worden verstaan. Het onderscheid tussen nieuw en bestaand is van belang omdat de verordening bestaande functies en bebouwing en juridisch-planologische rechten respecteert. Nadrukkelijk is bepaald dat vervanging van rechtmatig aanwezige bebouwing door bebouwing van gelijke aard, omvang en karakter wordt aangemerkt als bestaande bebouwing. Vervangende nieuwbouw op (nagenoeg) dezelfde locatie, met (nagenoeg) dezelfde omvang en met voortzetting van het huidige gebruik, is bijvoorbeeld dus geen nieuwe bebouwing, maar wordt aangemerkt als bestaand. Artikel 2 Begripsbepalingen (klik hier voor het artikel) In artikel 2 zijn omschrijvingen van begrippen opgenomen die in de diverse bepalingen in de verordening worden gehanteerd en waarvan een goede omschrijving nodig is voor de toepasbaarheid van deze bepalingen.

Artikel 3 Toepasselijkheid (klik hier voor het artikel) De verordening is van toepassing op bestemmingsplannen, beheersverordeningen, wijzigings- en uitwerkingsplannen en omgevingsvergunningen waarbij wordt afgeweken van het bestemmingsplannen als bedoeld in artikel 2.12 lid 1 onderdeel a onder 3 of lid 2 van de Wabo. De PRV is ook van toepassing op artikel 4 van Bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (Bor). Dat artikel bevat een lijst met gevallen die met een lichte procedure (8 weken) mogelijk gemaakt kunnen worden. Bij het beoordelen van aanvragen van omgevingsvergunningen voor gevallen die in dit artikel genoemd worden, moet het bevoegd gezag de verordening in acht nemen. Zie ook: handreiking uitzonderingen Artikel 5a Nieuwe stedelijke ontwikkeling (klik hier voor het artikel) Artikel 5a sluit aan op de wettelijk verplichte toepassing van de Ladder voor Duurzame Verstedelijking, zoals vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In deze versie van de PRV zijn eerdere regels over het aantonen nut en noodzaak (Laddertrede 1) en het benutten van binnenstedelijke mogelijkheden van de betreffende marktregio (Laddertrede 2) uit de PRV gehaald, omdat het al bij wet is geregeld in artikel 3.1.6 van het Bro. Door het uit de PRV halen van regels die samenvallen met de Ladderregels in het Bro komt het accent in de PRV te liggen op datgene wat niet in de wet is vastgelegd.

Dat zijn de regionale afspraken. Al eerder zijn in de PRV voor woningbouw regionale afspraken in de Regionale Actie Programma’s (RAP’s) verplicht gesteld en zijn voor detailhandel regionale visies verplicht. Lid 1 De regionale afspraken betreffen nieuwe stedelijke ontwikkelingen van woningbouw, bedrijventerreinen en kantoorlocaties, detailhandel en overige stedelijke voorzieningen. Zie ook: handreiking verblijfsrecreatie Regionale afstemming staat centraal Omdat het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) via de Ladder voor duurzame verstedelijking (Ladder) al regels stelt over 1) aantonen nut en noodzaak en 2) onderzoeken van binnenstedelijke mogelijkheden, zijn deze regels niet meer in de Provinciale Ruimtelijke Verordening (PRV) opgenomen. Daarmee komt de regionale afstemming in de PRV centraal te staan als het gaat om nieuwe stedelijke

Provinciale Ruimtelijke Verordening juni 2019

35

Provincie Noord-Holland

ontwikkelingen. Regionale afstemming is niet in het Bro via de Ladder geregeld en blijft daarom in de PRV gehandhaafd. Evenals de Ladder gaat de PRV uit van een ‘ja, mits’ voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Verantwoordelijkheid en afwegingsruimte ligt bij de regio De gemeenten in de regio moeten het gezamenlijk eens worden over de gemeentegrens overschrijdende nieuwe stedelijke ontwikkelingen. De verantwoordelijkheid en de afwegingsruimte liggen bij de regio. Dit is in lijn met de gedachte van de Omgevingswet, waarbij de verantwoordelijkheid zo decentraal mogelijk wordt belegd. De regionale afspraken worden bij voorkeur op visie- en programmaniveau gemaakt, zodat wordt voorkomen dat pas in een laat planstadium, bijvoorbeeld bij het voorontwerp van een bestemmingsplan duidelijk wordt of wordt voldaan aan de wetgeving. De regionale afspraken en de daaruit voortvloeiende bestemmingsplannen horen uiteraard ‘ladderproof’ te zijn. Wat is de regio? Bij de Ladder wordt onder de regio verstaan het ‘marktgebied’ of ‘verzorgingsgebied’ van de betreffende nieuwe stedelijke ontwikkeling. De inhoudelijke onderbouwing van een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet zich dus richten op het markt- of verzorgingsgebied. De gemeenten overleggen in de regio over bovenlokale of regionale stedelijke ontwikkelingen en maken daar bestuurlijke afspraken in regionaal verband over.

Voor de besluitvorming over regionale afspraken wordt daarom in eerste instantie de bestuurlijke regioindeling aangehouden, zoals die gelden voor de Regionale Actie Programma’s woningbouw. De provincie staat open voor andere indelingen indien dit beter werkbaar is. Regio- en provinciegrensoverschrijdende nieuwe stedelijke ontwikkelingen Bij nieuwe stedelijk ontwikkelingen die de grens van een regio overschrijden heeft de provincie de rol van intermediair tussen de regio’s. Dat geldt ook voor provinciegrensoverschrijdende nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Naast artikel 5a zijn ook andere artikelen van de PRV van belang De regionale afspraken moeten dus voldoen aan de vereisten van de Ladder, maar ook aan de andere artikelen van de PRV. Als er geen binnenstedelijke mogelijkheden zijn in de marktregio of het verzorgingsgebied dan kan buiten bestaand stedelijk gebied (BSG) naar een locatie worden gezocht. Echter, niet elke uitbreidingslocatie buiten BSG in het landelijk gebied is mogelijk door bijvoorbeeld landschappelijke beschermingsregimes of milieubelemmeringen, zoals artikel 19 Natuurnetwerk Nederland en natuurverbindingen, artikel 24 Bufferzones of artikel 25 Weidevogelleefgebieden. Als aan artikel 5a is voldaan, dan is bij een nieuwe stedelijke ontwikkeling buiten BSG in ieder geval artikel 15 ‘Ruimtelijke kwaliteit’ van toepassing.

Lid 2 Voor het borgen van het provinciale hoofdbelang van duurzaam ruimtegebruik worden aan de regionale afspraken via nadere regels inhoudelijke en procedurele voorwaarden gesteld. Deze regels zorgen ervoor dat vooraf duidelijk is waaraan de regionale afspraken moeten voldoen. De regels voor woningbouw, bedrijventerreinen en kantoorlocaties, detailhandel overige stedelijke voorzieningen worden niet meer via de PRV geregeld, maar via nadere regelgeving. Het gaat bijvoorbeeld om de regels voor het opstellen van een Regionaal Actie Programma (RAP) Woningbouw en de regionale detailhandelsvisie. De nadere regelgeving betreffen alle nieuwe stedelijke ontwikkelingen met gemeentegrensoverschrijdende consequenties. Voordat GS nadere regels of wijzigingen daarvan vaststellen, zullen GS de regio’s daarover consulteren.

Provinciale Ruimtelijke Verordening juni 2019

36

Provincie Noord-Holland

Artikel 5b Detailhandel (klik hier voor het artikel) De provincie stelt enkele specifieke regels over de locatie van detailhandel. Om die reden staan de regels lid 1 en lid 2 in dit artikel. In artikel 5a ‘Nieuwe stedelijke ontwikkeling’ lid 1 zijn algemene regels opgenomen die ook voor detailhandel gelden. Artikel 5c Kleinschalige ontwikkeling (klik hier voor het artikel) Dit artikel regelt verstedelijking die zodanig beperkt van omvang is dat deze niet Ladderplichtig is. Lid 1 De gedachte achter artikel 5c is dat voor een kleinschalige ontwikkeling, zoals bijvoorbeeld enkele woningen, altijd ruimte is te vinden binnen bestaand stedelijk gebied. Artikel 5c voorkomt dat voor bijvoorbeeld een enkele woning er landelijk gebied (weiland) wordt opgeofferd. Dit artikel gaat niet over agrarische bouwpercelen; zie daarvoor artikel 17 en 26. Artikel 5c is in lijn met de toepassing van artikel 17 waar bij de beëindiging van een agrarisch bedrijf ‘het niet sluipenderwijs mag leiden tot nieuwe burgerwoningen’ in het landelijk gebied. Wel kan via artikel 17 in de bestaande bebouwing van een voormalig agrarisch bedrijf het mogelijk worden gemaakt een bedrijfswoning om te zetten naar een burgerwoning. Lid 2 Het bestaande bouwblok (feitelijk en legaal aanwezig en nog bestaande planologische ruimte) is uitgangspunt bij dit artikel.

Om maatwerk mogelijk te maken is een afwijkingsmogelijkheid opgenomen, waardoor op het perceel buiten het bestaande bouwblok kan worden gebouwd, mits het bouwoppervlak niet toeneemt. Uiteraard met behoud van minimaal dezelfde ruimtelijke kwaliteit. Het is echter aan de gemeente om daarop toe te zien. Lid 3 Er zijn meer artikelen in de Provinciale Ruimtelijke Verordening opgenomen, die regels stellen over kleinschalige ontwikkelingen, zoals artikel 13a Nieuwe landgoederen, artikel 16 Ruimte voor Ruimte, artikel 17 Voormalige agrarische bouwpercelen, artikel 17a Agrarisch aanverwante bedrijven en artikel 24 Bufferzones (lid 5). Door het opnemen van lid 3 als afwijkingsmogelijkheid behouden andere artikelen hun werking. Lid 4 In het landelijk gebied zijn er, naast agrarische bouwpercelen, ook percelen met een bestemming voor een stedelijke functie, zoals voor wonen, bedrijven, horeca, maatschappelijke doeleinden e.d. Als een bedrijf in het landelijk gebied verhuist naar een bedrijventerrein of stopt, dan is het vanwege lid 1 niet mogelijk om de (bedrijfs)bestemming van het perceel om te zetten naar een woonfunctie. Het aantal woningen mag immers niet toenemen. Transformatie kan echter wel wenselijk zijn, bijvoorbeeld vanwege ruimtelijke kwaliteit of om milieutechnische redenen.

Met lid 4 wordt transformatie naar een woonfunctie toch mogelijk gemaakt onder voorwaarde van een substantiële verbetering van de ruimtelijke kwaliteit door sloop van bestaande (bedrijfs-) bebouwing, en het verkleinen van het bestemmingsvlak met de stedelijke functie. De woonfunctie betreft het bestemmingsvlak waarbinnen de burgerwoning met tuin en erf wordt gesitueerd. Het is aan de gemeente om te bepalen welk percentage van het bestemmingsvlak bebouwd mag worden. Het perceel met de woonfunctie is maximaal 2500 m² en betreft zowel de situatie met één burgerwoning als de situatie met twee burgerwoningen. In het landelijk gebied is de tuin of het erf bij een burgerwoning vaak veel groter dan in het stedelijk gebied. Om die reden is een maximale omvang van 2500 m² voor de woonfunctie aangehouden. De grootte van de woning hangt af van de specifieke situatie en de beoogde ruimtelijke kwaliteit. Het is aan de gemeente om, binnen het maximum van 2500 m2, te bepalen hoe groot het perceel met de woonfunctie in een specifieke situatie zal worden.

Provinciale Ruimtelijke Verordening juni 2019

37

Provincie Noord-Holland

De (bedrijfs)woning en bijbehorende bouwwerken kunnen blijven staan, mits ze binnen de bestemming ‘wonen-bebouwd’ vallen, dus niet op gronden met de bestemming en aanduiding ‘onbebouwd’. Om diverse redenen kan een andere situering van woonbebouwing op de kavel gewenst zijn. Het is aan de gemeente om de sloop van de bestaande (bedrijfs)bebouwing en de verbetering van de ruimtelijke kwaliteit te borgen. De mogelijkheid van transformatie naar een woofunctie met maximaal twee burgerwoningen, onder voorwaarde van sloop van bestaande (bedijfs)bebouwing, is ook opgenomen bij artikel 17 lid 2 om gestopte agrariërs dezelfde mogelijkheden te bieden en sloop van leegstaande stallen te bevorderen. Lid 5 Deze bepaling is overgenomen van artikel 17 lid 4, om artikel 5c en artikel 17 zoveel mogelijk met elkaar in overeenstemming te brengen. Artikel 5d Transformatie glastuinbouw (klik hier voor het artikel) In de PRV wijziging per 1 maart 2017 is het landelijke BSG begrip geïntroduceerd. De jurisprudentie over dit begrip leidt ertoe dat glastuinbouw in bepaalde situaties als BSG moet worden beschouwd. Om te voorkomen dat hierdoor een onbedoelde inhoudelijke wijziging van de verordening ontstaat, is in sub a van deze bepaling geregeld dat transformatie van glastuinbouwbedrijven alleen mogelijk is als toepassing kan worden gegeven van al bestaande mogelijkheden in de PRV.

Daarnaast biedt sub b de mogelijkheid om transformatie van glastuinbouw te realiseren indien die past binnen de schriftelijke regionale afspraken die door de Stuurgroep Greenport Aalsmeer worden gemaakt. Daarnaast wordt artikel 5a (nieuwe stedelijke ontwikkeling in overeenstemming met regionale afspraken) toegevoegd aan dit artikel, omdat gelet op de grootte van bestaande glastuinbouwbedrijven het kan voorkomen dat een transformatie ook qua omvang leidt tot een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Met deze regeling maakt het dus niet uit of glastuinbouw als BSG moet worden gezien of niet. Glastuinbouwconcentratiegebieden zijn uitgesloten van de mogelijkheid tot transformatie. Voor deze glastuinbouwconcentratiegebieden is het beleid immers gericht op continuering van de glastuinbouw. Artikel 5e Woningen binnen de 20 Ke-contour (klik hier voor het artikel) In dit artikel wordt bepaald dat binnen de 20 Ke-contour enkel binnen bestaand stedelijk gebied, nieuwe woningen mogelijk mogen worden gemaakt. Met het bestaand stedelijk gebied wordt bedoeld het bestaand stedelijk gebied als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder h, van het Besluit ruimtelijke ordening. Een uitzondering op deze regel geldt voor woningbouw die tot stand komt met toepassing van de Ruimte voor Ruimte-regeling als bedoeld in artikel 16.

Het is vanwege haar doelstelling, het mogelijk maken van het opruimen van storende bebouwing van agrarische bedrijven in ruil voor het bouwen van één of meer compensatiewoningen in het buitengebied, wenselijk dat dit instrument ook binnen de 20 Ke-contour kan blijven functioneren. Tweede categorie uitzonderingen zijn functiewijzigingen naar wonen op Voormalig Agrarisch Bouwpercelen als bedoeld in artikel 17. Ook deze specifieke categorie huisvesting, waarbij moet worden gedacht aan afhankelijke woonruimte ten behoeve van mantelzorg of andere specifieke doelgroepen, dient te blijven functioneren binnen de 20 Ke-contour. Ook woningen die mogelijk zijn op grond van de regeling voor nieuwe landgoederen (artikel 13a) en de regeling voor bedrijfswoningen (artikel 26, eerste lid onder c) zijn binnen de 20 Ke-contour mogelijk. Naar aanleiding van de inwerkingtreding van het Luchthavenindelingbesluit Schiphol op 1 januari 2018 zijn daaraan toegevoegd woningen die mogelijk zijn op grond van de regeling voor kleinschalige ontwikkelingen (artikel 5c). Ook die woningen kunnen dus mogelijk worden gemaakt binnen de 20 Ke-contour. Gelet op artikel 2.2.1 e, vijfde lid, van het Luchthavenindelingbesluit Schiphol is de in onderdeel b genoemde datum van 1 maart 2017 ten aanzien van verleende verklaringen van geen bezwaar (vvgb) ex artikel 8.9 van de Wet luchtvaart vervallen.

In het algemeen geldt nu dus dat woningbouwontwikkelingen waarvoor een vvgb is verleend, worden gerespecteerd. Toegevoegd is voorts de uitzonderingscategorie voor woningbouwontwikkelingen binnen de verstedelijkingslocaties als bedoeld in artikel 2.2.1e, derde lid, Luchthavenindelingbesluit Schiphol (tweede lid, onderdeel c). Ook deze ontwikkelingen kunnen mogelijk worden gemaakt binnen de 20 Ke-contour. Voor Noord-Holland gaat het daarbij om de locatie Hoofddorp Zuidrand. In het derde lid wordt voorgeschreven dat er bij plannen voor nieuwe woningen binnen de 20 Ke contour altijd een integrale ruimtelijke afweging dient plaats te vinden waarbij luchtvaartgeluid expliciet wordt afgewogen in een bestemmingsplan. Met artikel 5d wordt bewerkstelligd dat bij de juridisch-planologische

Provinciale Ruimtelijke Verordening juni 2019

38

Provincie Noord-Holland

besluitvorming tot toevoeging van woningen voor zover gelegen binnen de 20 Ke-contour, het bevoegd gezag zich nadrukkelijk rekenschap geeft van de geluidsaspecten die samenhangen met deze ligging. Daar de provincie het wenselijk acht vast te leggen op wijze zij haar toezichthoudende bevoegdheden ten aanzien van dit artikel toepast, is de beleidsregel `wonen en vliegen 20 Ke-contour Schiphol’ vastgesteld. De beleidsregel sluit aan op de binnen de BRS (Bestuurlijke Regie Schiphol) overeengekomen aanpak, waarvan is afgesproken dat ook de 20 Ke-gemeenten deze aanpak zullen verankeren in een door de Raad vast te stellen algemene regel. Dit artikel moet worden gelezen in samenhang met het Luchthavenindelingbesluit Schiphol (LIB), dat de ruimtelijke regels op rijksniveau bevat in verband met luchthaven Schiphol. Artikel 2.2.1d van het LIB bepaalt dat binnen de 20 Ke-contour (daar: `Afwegingsgebied geluid en externe veiligheid LIB 5 Schiphol’) geen nieuwe woningbouwlocaties zijn toegestaan buiten bestaand stedelijk gebied. Deze regel is er op gericht om enerzijds buitenstedelijk voldoende ruimte te laten voor de ontwikkeling van Schiphol en anderzijds binnenstedelijk (woningbouw)ontwikkelingen mogelijk te maken. Dit sluit aan bij het gehanteerde principe om zo min mogelijk over dichtbebouwd stedelijk gebied te vliegen.

Het Rijkskader laat de provincie afwegingsruimte om beperkt één of enkele woningen in het buitengebied toe te staan. Dit artikel geeft daaraan invulling. Het Rijk blijft, zoals ook geregeld in lid 1 sub b en c, bevoegd als het gaat om een uitbreiding of ontheffing van het 20 Ke-beleid inzake woningbouwlocaties buiten BSG, zoals de verstedelijkingslocaties als bedoeld in artikel 2.2.1e lid 3 en de Verklaring van Geen Bezwaar op grond van artikel 2.2.1e lid 5 LIB. Voor een aantal aspecten van het thema `Wonen-Vliegen’ in SMASH geldt dat zij niet in deze ruimtelijke verordening geregeld kunnen worden. Het gaat dan om een vroegtijdige en juiste informatievoorziening aan potentiële en nieuwe bewoners, middels toezicht op- en het actief bijdragen aan deze informatie, al dan niet in combinatie met kettingbedingen. Dit in het kader van het dragen van volle verantwoordelijkheid voor de gemeentelijke besluitvorming, ook met oog op mogelijke klachten in de toekomst. Artikel 8 Aardkundige waarden (klik hier voor het artikel) Het beleid voor aardkundige waarden kent twee, deels geografisch overlappende, kwalificaties van gebieden: aardkundig waardevolle gebieden en aardkundige monumenten. Het beleid voor aardkundige waarden is deels in het milieu- en deels in het ruimtelijke ordeningsrecht verankerd.

De aardkundige monumenten worden beschermd via hoofdstuk 6 van de Provinciale Milieuverordening (PMV); aardkundig waardevol gebieden via artikel 8 in de PRV. Om de bescherming van de aardkundige monumenten via de PMV beter voor het voetlicht te krijgen, is artikel 8 aangevuld met een verwijzing naar de PMV. Daarnaast worden de aardkundig waardevolle gebieden en monumenten beschreven in de nieuwe Leidraad Landschap en Cultuurhistorie, hetgeen ook bijdraagt aan meer aandacht voor het in stand houden van deze gebieden bij nieuwe ontwikkelingen. Artikel 8a Overstromingsrobuust inrichten (klik hier voor het artikel) Voorheen werd in dit artikel aan gemeenten gevraagd om voor alle type ontwikkelingen in bestemmingsplannen inzicht te geven in de risico’s van en bij overstroming en de maatregelen en voorzieningen die worden getroffen om deze risico’s te voorkomen of te beperken. Het nieuwe artikel 8a is specifieker geformuleerd: het richt zich alleen op vitale en kwetsbare functies, omdat de maatschappelijke gevolgen van een overstroming op deze functies, erg groot kunnen zijn en gevolgen kunnen hebben voor het gebied dat overstroomt maar ook ver daarbuiten. Voor overige ruimtelijke projecten of plannen (niet-vitale of niet-kwetsbare functies), zowel binnendijks als buitendijks, heeft de gemeente een eigen verantwoordelijkheid.

De motivering wordt niet alleen gevraagd bij bestemmingsplannen die nieuwbouw ten behoeve van vitale of kwetsbare functies mogelijk maken, maar ook bij bestemmingsplannen die herstructurering van of transformatie naar vitale of kwetsbare functies mogelijk maken, zoals de wijziging van de functie van een bestaand gebouw naar een vitale of kwetsbare functie. In artikel 2 (begripsbepalingen) is het begrip vitale of kwetsbare functies gedefinieerd als ‘functies die cruciaal zijn voor de rampenbeheersing bij overstromingen of functies die bij een overstroming ernstige schade met zich mee kunnen brengen voor mens, milieu of economie’. De vitale en kwetsbare functies kennen tal van onderlinge relaties (ketenafhankelijkheid) en bepalen bij overstromingen samen de robuustheid van een gebied. Om deze redenen is het belangrijk dat bij nieuwe vitale en kwetsbare functies het overstromingsrisico wordt meegewogen bij locatiekeuze en inrichting. Ter verduidelijking van de vitale of kwetsbare functies worden hieronder enkele voorbeelden genoemd, waarbij

Provinciale Ruimtelijke Verordening juni 2019

39

Provincie Noord-Holland

de functies zijn ingedeeld in gebruikscategorieën. Deze opsomming is niet uitputtend, maar ter indicatie: -

Categorie energie: elektriciteitscentrales, zonne-akkers, windturbines, het regionale distributienet en opslag van aardgas, tankstations;

-

Categorie telecom, ICT en transport: internet en telecom netwerk, wegen, spoorwegen, stations, busbanen;

-

Categorie waterketen: gemalen, pompen, sluizen, rioolwaterzuiveringsinstallaties;

-

Categorie gezondheid: ziekenhuizen, zorginstellingen, huisartsenposten, EHBO’s, ambulanceposten;

-

Categorie bedrijven: brzo-bedrijven, vuilverbrandingsinstallaties;

-

Categorie openbare orde en veiligheid: crisiscentra, brandweerkazernes, penitentiaire inrichtingen;

-

Categorie niet-zelfredzame groepen: dierentuinen, verpleegtehuizen, scholen, kinderdagverblijven, AZC’s, wooncomplexen voor niet-zelfredzamen;

-

Categorie cultuur: archieven, musea, depots, theaters, monumenten.

De provincie heeft een handreiking Overstromingsrobuust inrichten opgesteld die door gemeenten kan worden benut om invulling te geven aan dit artikel. Tevens is deze handreiking voor gemeenten bruikbaar voor ruimtelijke ontwikkelingen niet vallende onder de categorie ‘vitaal en kwetsbaar’ en waarvoor gemeenten een eigen verantwoordelijkheid hebben (in navolging van de deltabeslissing Ruimtelijke Adaptatie). Artikel 8b Geitenhouderijen (klik hier voor het artikel) Artikel 8b wordt toegevoegd aan hoofdstuk 2: regels voor het gehele provinciale grondgebied. Er wordt geen onderscheid gemaakt in bedrijven met een grondgebonden of niet-grondgebonden bedrijfsvoering. In het artikel wordt aangesloten op het eerdere verbod in het voorbereidingsbesluit. Het is niet toegestaan om nieuwvestiging, uitbreiding van geitenhouderijen of (gedeeltelijke) omschakeling van een agrarisch bedrijf naar een geitenhouderij mogelijk te maken. Hierin wordt specifiek verwezen naar uitbreiding als ‘uitbreiding van het aantal dieren’. Het uitbreiden in stalruimte wordt daarmee niet onmogelijk gemaakt. Bedrijven die bijvoorbeeld investeringen doen in het kader van dierenwelzijn en hun stalruimte per dier willen vergroten, blijven hiertoe de mogelijkheid houden.

Dit geldt uiteraard alleen voor geitenhouderijen die legaal aanwezig zijn op grond van het recht zoals dat gold voor inwerkingtreding van het voorbereidingsbesluit op 12 december 2018 of die op grond van het derde lid van dit artikel nog gevestigd mochten worden. Onder nieuwvestiging van een geitenhouderij wordt ook verstaan de gehele of gedeeltelijke verplaatsing van een bestaande geitenhouderij naar een nieuwe locatie. Het tijdelijk in gebruik nemen van bouwwerken of gronden voor een geitenhouderij is eveneens niet toegestaan. Lid 1 Met het eerste lid van dit artikel wordt voorkomen dat in nog vast te stellen gemeentelijke bestemmingsplannen of andere ruimtelijke besluiten waarop de verordening van toepassing is, ruimte wordt geboden aan nieuwvestiging of uitbreiding van geitenhouderijen of geheel of gedeeltelijke omschakeling naar geitenhouderijen. Lid 2 Dit artikellid bevat een rechtstreeks voor bedrijven geldende verbodsbepaling. Deze bepaling beoogt een bevriezing van de bestaande legale situatie zoals deze bestond voor inwerkingtreding van het voorbereidingsbesluit op 12 december 2018. De verbodsbepaling staat geen afwijking toe en daarmee kan ook geen ‘afwijkvergunning’ worden verleend zoals bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

Een nieuwe aanvraag om een bouw- of aanlegvergunning (artikel 2.1, eerste lid, onder a of b, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht) moet bij strijdigheid met deze verbodsbepaling worden geweigerd (artikelen 2.10, eerste lid, onder c, en 2.11, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht). Voor nieuwe aanvragen om andere (omgevings)vergunningen die niet aan het bestemmingsplan of Provinciale Ruimtelijke Verordening kunnen worden getoetst, zoals een vergunning op grond van de Wet milieubeheer of de Wet natuurbescherming, of meldingen, die betrekking hebben op een uitbreiding van het aantal geiten, heeft deze verbodsbepaling geen rechtstreekse gevolgen. Ongeacht de uitkomst van de behandeling van deze andere nieuwe aanvragen of meldingen, voorkomt het verbod in dit artikel op planologische gronden dat hiervan gebruik gemaakt kan worden.

Provinciale Ruimtelijke Verordening juni 2019

40

Provincie Noord-Holland

Lid 3 Het derde lid van artikel 8b bevat een overgangsregeling voor een aantal situaties, waarbij vóór het moment van kennisgeving en inwerkingtreding van het voorbereidingsbesluit al sprake was van een voldoende concreet – immers uit een melding of aanvraag blijkend - initiatief tot uitbreiding van de geitenhouderij. Meldingen in het kader van het Activiteitenbesluit (milieu) en aanvragen om een bouw- of aanlegvergunning van vóór 12 december - mits passend in het geldende bestemmingsplan - kunnen daarmee worden afgehandeld en uitgevoerd. Een afwijkvergunning (artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht) kan niet meer worden verleend, ook al dateert de aanvraag van vóór 12 december 2018. De (beoogde) ontwikkeling waarop deze aanvraag ziet, was namelijk ook voor inwerkingtreding van het voorbereidingsbesluit al in strijd met het planologisch regime en dus niet toegestaan. Het zou in strijd zijn met het doel van deze verordening om deze situaties niet onder de werking van dit artikel te laten vallen. Dit geldt ook voor aanvragen voor de activiteit ‘bouwen’ die op grond van artikel 2.10, tweede lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht mede moeten worden aangemerkt als aanvragen voor de activiteit ‘afwijken van het bestemmingsplan’.

Aan eerder aangevraagde of verleende vergunningen, anders dan voor de activiteiten ‘bouwen’, ‘werken geen bouwwerk zijnde’ of ‘milieu’ wordt niet hetzelfde overgangsrecht toegekend. Deze vergunningen worden vanuit een ander perspectief beoordeeld dan een goede ruimtelijke ordening. Het zou het belang dat met de voorlopige stop op nieuwvesting en uitbreiding van geitenhouderijen is gemoeid te zeer schaden als ook aan ongebruikte vergunningen voor andere activiteiten dan ‘bouwen’, ‘werken geen bouwwerk zijnde’ of ‘milieu’ of nog in behandeling zijnde aanvragen op grond van andere wetgevingsregimes overgangsrecht zou worden geboden. Dit betekent dat geitenhouderijen die bijvoorbeeld in het bezit zijn van een vergunningen op grond van de Wet natuurbescherming waarin nog ruimte zit voor groei van het aantal geiten, deze ruimte niet langer kunnen benutten op grond van deze verordening. Het zou het belang dat met de voorlopige stop op nieuwvesting en uitbreiding van geitenhouderijen is gemoeid te zeer schaden als ook aan ongebruikte vergunningen voor andere activiteiten dan ‘bouwen’, ‘werken geen bouwwerk zijnde’ of ‘milieu’ of nog in behandeling zijnde aanvragen op grond van andere wetgevingsregimes overgangsrecht zou worden geboden, zodanig dat alsnog vergunningen verleend zouden moeten worden om uitvoering van de vergunning op grond van natuurwetgeving mogelijk te maken.

Dit betekent dat geitenhouderijen die bijvoorbeeld in het bezit zijn van een vergunningen op grond van de Natuurbeschermingswet 1998/Wet natuurbescherming waarin nog ruimte zit voor groei van het aantal geiten, maar daarvoor nog geen benodigde bouw- of milieuvergunning hebben, deze ruimte niet langer kunnen benutten op grond van deze verordening. Lid 4 Met dit lid wordt aangegeven hoe bepaald wordt wat het aantal geiten is dat voor inwerkingtreding van het voorbereidingsbesluit op een geitenhouderij aanwezig was. Mits dit gebruik passend was in het toen geldende regime, kan dit gebruik onder de gewijzigde verordening worden voortgezet. Dit aantal geldt als het maximale aantal geiten en kan door de verboden uit het eerste en tweede lid van dit artikel, niet meer worden uitgebreid. Naast de melding op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer, kan hiervoor ook gebruik worden gemaakt van het Identificatie en Registratiesysteem dat door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland wordt beheerd op grond van de Regeling identificatie en registratie van dieren. Op deze wijze wordt recht gedaan aan de feitelijk situatie die aanwezig was én past binnen het planologisch regime dat van kracht was voor 12 december 2018.

Artikel 13a Nieuwe landgoederen (klik hier voor het artikel) Hoewel de provincie het landschap buiten bestaand stedelijk gebied zoveel mogelijk open wil houden, gaat het buitengebied niet op slot. Ontwikkeling van nieuwe landgoederen is mogelijk, mits het nut en de noodzaak van de nieuwe landgoederen kan worden aangetoond en de ruimtelijke kwaliteitseisen uit artikel 15 worden toegepast. Tevens moet er gemotiveerd kunnen worden aangetoond dat de nieuwe landgoederen kunnen bijdragen aan een substantiële verbetering van de in de directe omgeving daarvan aanwezige kwaliteiten van het landschap. Gedeputeerde staten kunnen nadere regels ten inzake de aard, de omvang en de locatie van nieuwe landgoederen in het landelijk gebied. Zie ook: handreiking nieuwe landgoederen

Provinciale Ruimtelijke Verordening juni 2019

41

Provincie Noord-Holland

Artikel 15 Ruimtelijke kwaliteitseis ingeval van een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling in het landelijk gebied (klik hier voor het artikel)

De Leidraad Landschap en Cultuurhistorie (Leidraad) is een van de provinciale instrumenten om te kunnen sturen op Ruimtelijke kwaliteit, een provinciaal hoofdbelang zoals benoemd in de Structuurvisie 2040. De Leidraad wordt vastgesteld door Gedeputeerde Staten en beschrijft de provinciale belangen ten aanzien van landschappelijke en cultuurhistorische waarden. Dit artikel regelt de juridische doorwerking van de Leidraad. Dit artikel is van toepassing op alle ‘nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen’ in het landelijk gebied. Daarmee is de toepassing verbreed ten opzichte van de voorgaande versie van dit artikel, waarbij dit artikel van toepassing was op ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’. De nieuwe term dekt beter de lading van de ruimtelijke ingrepen die van invloed zijn op de ruimtelijke kwaliteit. Bij ruimtelijke ontwikkelingen in het landelijk gebied gaat het om bijvoorbeeld nieuwe bebouwing, agrarische bedrijven, natuurontwikkeling, infrastructuur of vormen van energieopwekking. Voor de mate van doorwerking van de Leidraad is gebruik gemaakt van de systematiek zoals deze ook onder de Omgevingswet zal gelden. In de Omgevingswet wordt een driedeling gehanteerd van doorwerking van regels: 1

“in acht nemen” Dit betreft harde, absolute doorwerking. Afwijken is niet mogelijk;

2

“rekening houden met” Dit is een verzwaarde status van het betreffende aspect. Afwijken is mogelijk, maar moet goed worden gemotiveerd;

3

“betrekken bij”. Dit betekent dat aan het aspect aandacht moet worden besteed, maar dat het aspect geen bijzondere of verzwaarde status heeft in de belangenafweging.

De Leidraad bevat geen normstellende elementen die in acht moeten worden genomen. Voorzover ten aanzien van landschap en cultuurhistorie sprake is van harde doorwerking, is dit op andere plekken in de PRV geregeld, in het bijzonder in artikel 19 tot en met 25. Artikel 15 regelt dat de ambities en ontwikkelprincipes, zoals die zijn beschreven voor de verschillende ‘ensembles en structuren’ in de Leidraad, richtinggevend zijn (‘rekening houden met’). Hier kan slechts gemotiveerd van worden afgeweken. De ontwikkelprincipes die als ‘kans’ gemarkeerd staan, zijn inspirerend (‘betrekken bij’). Ditzelfde geldt voor de analyse en ontstaansgeschiedenis. Er moet aandacht aan worden besteed, maar het aspect heeft geen bijzondere, verzwaarde status. Ditzelfde geldt voor de analyse en ontstaansgeschiedenis. Bij de beoordeling van bestemmingsplannen die ten behoeve van het wettelijk vooroverleg aan GS worden aangeboden, besluiten GS of zij een advies vragen aan de Adviescommissie Ruimtelijke Ontwikkeling (ARO). Bij deze overweging speelt de impact op het landschap en de mate waarin wordt afgeweken van de richtinggevende onderdelen van de Leidraad een belangrijke rol. Bij grote, ingrijpende of anderszins belangrijke plannen met impact op het landschap zullen GS de ARO om advies vragen.

Daarnaast kunnen gemeenten in een eerder stadium dan het wettelijke vooroverleg aan GS verzoeken om hun ruimtelijke plannen voor te leggen aan de ARO voor een advies op de ruimtelijke kwaliteit van de ontwikkelingen die het bestemmingsplan mogelijk maakt. Artikel 15a Ruimtelijke kwaliteitseis voor windturbines (klik hier voor het artikel) De inhoud van dit artikel stond in de vorige versie van de PRV in artikel 15, derde lid. Dit betreft een aanvullend toetsingskader ruimtelijke kwaliteit specifiek voor windturbines binnen de op kaart 9 en op de digitale verbeelding ervan aangegeven herstructureringsgebieden. Dit toetsingskader is opgenomen in het beleidskader wind op land. Artikel 15 is in verband met de verankering van de nieuwe Leidraad Landschap en Cultuurhistorie inhoudelijk gewijzigd. Met de verplaatsing van het oude artikel 15, derde lid, naar een afzonderlijk artikel 15a is niet beoogd om deze specifieke regeling voor windturbines inhoudelijk te wijzigen. Artikel 16 Ruimte-voor-Ruimte-regeling (klik hier voor het artikel) Het gaat om een door de gemeente op vrijwillige basis toe te passen regeling. GS hebben nadere regels vastgesteld: de Uitvoeringsregeling ruimte voor ruimte 2015 met een bijbehorende toelichting.

Zie ook: handreiking Ruimte voor Ruimte Artikel 17 Voormalige agrarische bouwpercelen (klik hier voor het artikel) Dit artikel ziet op functiewijzigingen op een voormalig agrarisch bouwperceel, dus na bedrijfsbeëindiging. Lid 2 biedt de mogelijkheid om onder voorwaarde van sloop van de bestaande agrarische (bedijfs)bebouwing

Provinciale Ruimtelijke Verordening juni 2019

42

Provincie Noord-Holland

(stallen en/of bedrijfswoning) één of maximaal twee burgerwoningen te realiseren. Het voormalige agrarische bouwperceel mag worden omgezet naar een woonfunctie van maximaal 2500 m2 en betreft zowel de situatie met één burgerwoning als de situatie met twee burgerwoningen. De woonfunctie betreft het bestemmingsvlak waarbinnen de burgerwoning met tuin en erf wordt gesitueerd. De grootte van de woning hangt af van de specifieke situatie en de beoogde ruimtelijke kwaliteit. Het is aan de gemeente om te bepalen welk percentage van bestemmingsvlak mag worden bebouwd. Het overige deel van het agrarische bouwperceel dient een bestemming te krijgen zonder bouwmogelijkheden. Afhankelijk van de omvang van te slopen bestaande agrarische bedrijfsbebouwing kunnen er twee burgerwoningen worden gerealiseerd, indien meer dan 1.500 m2 aan bestaande (bedrijfs)bebouwing wordt gesloopt. Omdat er agrarische bedrijven zijn die ook stallen elders hebben staan, regelt lid 4 f dat een burgerwoning alleen op de locatie kan worden gerealiseerd op de locatie met de agrarische bedrijfswoning. Het is aan de gemeente om de sloop van de bestaande (bedrijfs)bebouwing en de verbetering van de ruimtelijke kwaliteit te borgen. .

Artikel 17a Agrarisch aanverwante bedrijven (klik hier voor het artikel) Met het artikel 17a wordt de verplaatsing en uitbreiding van agrarisch aanverwante bedrijven onder voorwaarden toegestaan in het landelijk gebied. Indien er geen ruimte beschikbaar is op een regionaal bedrijventerrein dan dient te worden bekeken of er vrijkomende agrarische bouwpercelen beschikbaar zijn. Een alternatief op een regionaal bedrijventerrein is reëel als het past binnen het vestigingsmilieu van het beschikbare terrein en niet leidt tot onaanvaardbare lange afstanden tot de agrarische klantenkring. Dergelijke afstanden kunnen door de grootte en zwaarte van de landbouwmachines immers leiden tot verkeersonveilige situaties. Bovendien hebben deze machines een beperkte actieradius. Om verrommeling van het landschap te voorkomen is permanente buitenopslag niet toegestaan. Tijdelijke buitenopslag zoals bij grondverzet (tijdelijke opslag van grond op het terrein waarna het wordt vervoerd naar de eindbestemming) is wel toegestaan. Het gaat in dit artikel niet om nieuwvestiging, maar uitsluitend om verplaatsing of uitbreiding van bestaande, fysiek reeds aanwezige, bedrijven. In artikel 2 is een definitie van agrarisch aanverwant bedrijf opgenomen. In Bufferzone, Natuurnetwerk Nederland, Unesco en Weidevogelleefgebied blijft de daar geldende bescherming van kracht.

Artikel 19 Natuurnetwerk Nederland en natuurverbindingen (klik hier voor het artikel) Dit artikel heeft als doel de bescherming van de natuurwaarden – de zogeheten wezenlijke kenmerken en waarden – van het natuurnetwerk Nederland (NNN) en natuurverbindingen in de provincie Noord-Holland. Met het artikel wordt invulling gegeven aan de verplichting uit het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) om bij provinciale verordening regels te stellen aan gemeentelijke bestemmingsplannen ter bescherming van het NNN. De natuurwaarden van het NNN worden in het Barro aangeduid met de term wezenlijke kenmerken en waarden. In artikel 19 en in deze toelichting wordt bij deze terminologie aangesloten. Lid 1 Het eerste lid bepaalt als uitgangspunt dat bestemmingsplannen die van toepassing zijn op het NNN moeten strekken tot de bescherming, instandhouding en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van de gebieden die tot het NNN behoren. Lid 2 In het tweede lid wordt hieraan voor gemeenten de verplichting gekoppeld om in het bestemmingsplan regels te stellen in het belang van de bescherming, instandhouding en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden. Bij het stellen van deze regels moeten de wezenlijke kenmerken en waarden – die zijn opgenomen in een bijlage bij de verordening – in acht worden genomen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Haarlemmermeer&id=a0613825-e5e8-48e4-a459-cdff323b5d7f