CConstaterende datHaarlemmermeer
Koppel je AI →
Document · PDF

Informatiebrief inzake de Polderlinten Haarlemmermeer_Deel1.pdf

Raadsplein: Agenda en raadsstukken 11 februari 2021, gemeente HaarlemmermeerBij agendapunt: Brieven van college aan raad (reeds verzonden)12.851 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

08 12-2020 -

39

Bomenrijen lanp de polderlinten, 1SM

6.2 Bomenrijen Ontwikkeling van de bomenrijen in de Haarlemmermeerpolder De meest opvallende en kenmerkende beplantingsvorm langs de wegen in de Haarlemmermeerpolder is de bomenrij. Dit in tegenstelling tot de noordelijke polders waar het ontbreken van bomen juist karakterstiek is. Al ver in het verleden waren de bomenrijen onderdeel van de polderlinten. Tot 1905 heeft het polderbestuur ervoor gekozen om de wegbeplanting van de lengtewegen over te laten aan de particuliere eigenaren. Zij experimenteerden in de bomenrijen met verschillende boomsoorten en plantafstanden. On­ danks dat de afspraak was om de bomen alleen aan de westzijde te planten gebeurde dat niet altijd. Door het experimenteren was er in die tijd veel variatie in de bomenrijen. Rijen van iepen, populieren, wilgen, eiken en essen wisselden elkaar af op verschillende delen langs de wegen. De dwarswegen werden in opdracht van het polderbestuur beplant door firma Copijn uit Maartensdijk, er ontstond een beeld met veel variatie in soorten en plantafstanden (3 meter voor de ene rij en 5 tot 6 meter voor een andere). Bovendien sloegen niet alle soorten goed aan.

In 1905 werd door de Ned. Heidemij een inventarisatie van het groen uitgevoerd en een nieuw beplantingsadvies opgesteld. De inventarisatie toonde aan dat de wegbeplantingen niet erg succesvol waren en dat er langs de dwarswegen vooral iepen stonden, soms in combinatie met essen. Langs de lengtewegen was er veel variatie in het sortiment. Ook waren grote stukken onbeplant. De Ned. Heidemij adviseerde het polderbe­ stuur om zowel langs de lengte- als dwarswegen iepen aan te planten aan weerszijden van de wegen, omdat deze soort het beste aansloeg op de kleigrond.

Bomenrijen langs de polderlinten, 190$

Bomenrijen langs de polderlinten, 190S-1940

ANALYSERAPPORT POLDERLINTEN

08 12-2020 -

40

In de Tweede Wereldoorlog is het overgrote deel van de wegbeplanting gekapt voor brandhout. In de peri­ ode tussen 1945 en 1955 heeft het polderbestuur zich bezig gehouden met het aanleggen van nieuwe beplan­ tingen, zo'n 14.000 bomen waarvan 12.000 populieren. In de 20e eeuw heeft de iepenziekte veel bomen het leven gekost. De iep werd daarom vaak vervangen door populieren, lindes, essen, elzen of cultuurvariëteiten die beter bestand zijn tegen de iepenziekte.

fiomrnrijcn langt de poldertinten. na 1$4S

Huidige situatie wegbeplanting In de huidige situatie zien we dat veel beplantingen langs de linten zijn verdwenen of dat zij niet meer bestaan uit doorgaande rijen. We vinden verschillende profielen, elk met een ander effect. Dit heeft direct invloed op de beleving en herkenbaarheid van het polderlint en het landschap. Een groot verschil zit in de dubbele bomenrij langs de Hoofdvaart, terwijl er langs andere linten vooral enkele bomenrijen voorkomen. De enkele rijen komen per lint aan zowel de linkerzij­ de als de rechterzijde van de weg voor. Op de kruising van polderwegen vinden we van oudsher bijzondere functies, zoals kroegen, café's, de Oude Secretarie. Hier zijn vaak bijzondere bomen geplant, zoals een groep kastanjebomen op kruising Uweg en de Bennebroekerweg. Een aantal bomen zijn tot monument verklaard. De bomenrijen langs de polderlinten in de Haarlemmermeerpolder hebben diverse functies, waaronder verkeersbegeleiding, het breken van de wind en het opnemen van water zodat de wegen droog blijven. In de huidige DIOR en in de huidige groenstructuurplannen per kern staat momenteel het volgende met betrekking tot de structuur van polderbomen: • In bewoond gebied Linden aanbrengen • In overgangsgebieden Es aanbrengen • In polderlandschappen/buitengebied de populier Monoculturen leiden vaak tot problemen / ziektes.

Om de diversiteit en biodiversiteit te vergroten is de DIOR daarom niet meer leidend. Essen hebben veelal te kampen met de essenziekte. Vaak worden ook resisten­ te iepensoorten teruggeplant en op bijzondere plekken andere boomsoorten. Per locatie wordt momenteel gekeken welke bomen worden teruggeplant. Monumentale en waardevolle bomen

08 12-2020 -

41

Beleving openheid Haarlemmermeerpolder De bomen langs de wegen zijn belangrijk voor de bele­ ving van de linten en van de aangrenzende open gebie­ den. Zij bepalen mede de landschappelijke structuur. We zien langs de polderlinten in de Haarlemmermeer­ polder drie verschillende profielen met betrekking tot de wegbeplanting: een dubbele bomenrij (laan), een enkele bomenrij en het ontbreken van de bomenrij. De effecten van de bomenrij (of het ontbreken ervan) betekenen veel voor de beleving van het landschap. Bij een bomenrij aan weerszijden van de weg wordt het oog vooral naar voren getrokken. De lengte van de weg

Het geeft niet veel verschil welke soorten bomen wor­ den toegepast, de soort doet meer voor de sfeer en na­ tuurwaarde. Voor het ervaren van een bomenrij is het wel van belang dat een rij uit één soort bestaat, omdat dat bijdraagt aan de uniformiteit in de rij en daarmee bijdraagt aan een krachtig beeld in het landschap. Daarbij is het van belang dat de onderlinge plantafstand niet te groot is. Op dit moment is de onderlinge afstand veelal 10 meter. Het is belangrijk om de continuiteit van de bomenrij te blijven ervaren. Een ander effect van de bomenrijen is dat het bijdraagt aan het ervaren van doorzichten. Met name voor

wordt daarmee benadrukt. Bij de Hoofdvaart is dit duidelijk zichtbaar. Bij de aanwezigheid van een bo­ menrij aan één zijde van de weg, wordt het oog meer naar het landschap getrokken en wordt de weidsheid van de open polder benadrukt. Bij de meeste linten in de droogmakerij is een bomenrij aanwezig. In de situ­ atie waarin de bomen ontbreken gebeurt er vrij wei­ nig met de ruimtelijkheid. De open polder is de open polder, maar wordt niet extra benadrukt omdat een spanningsboog ontbreekt. Dit komt omdat de bomen ontbreken. Het uitzicht is overal gelijk.

langzamer verkeer (fietsers, voetgangers) creëren de bomen een omlijsting van het landschap. Het heeft de­ zelfde werking als de lijst van een schilderij; het beeld, in dit geval het landschap, wordt benadrukt. Niet alleen voor de identiteit van het lint zijn bomenrij­ en belangrijk. In de open polder werken zij als belang­ rijke structuurdragers. Mede dankzij de bomenrijen zijn de polderlinten niet alleen van dichtbij, maar ook van veraf herkenbaar in de polder. Vooral vanaf hoofdinfra­ structuur zijn de silhouetten van de bomen duidelijk te zien. Met een verschil in sortiment kan worden bijge-

ANALYSERAPPORT POLDERLINTEN

08 12-2020 -

42

dragen aan de herkenbaarheid van een lint en wordt het oriënteren in de polder eenvoudiger. In het verleden waren de 2x3 km ruimtes van het oorspronkelijke gridpatroon door de bomen duidelijk herkenbaar. Door de vele ontwikkelingen op het gebied van woningbouw, recreatiegebieden, verandering in agrarische gebruik, groei Schiphol en de realisatie van de vele infrastructuur is het 2x3 km grid op veel plaat­ sen niet meer overal zichtbaar. De openheid rondom Schiphol is groter geworden, en is rond de kernen

en recreatiegebieden afgenomen. De rijkswegen zijn weliswaar niet beplant, maar de wegvoorzieningen, windmolens langs de weg, parkeer-restaurant- bezinestationzone nabij Hoofddorp, knooppunten van wegen en dergelijke zorgen voor een versnippering van de open ruimtes. In het zuidelijke deel van de polder is het poldergrid, en ook de randzones van de Ringvaartdijk nog vrij goed herkenbaar. De vele ontwikkelingen heb­ ben mede geleid tot een beleving met een grote mate aan variatie en diversiteit.

Beleving openheid noordelijke polders In noordelijke polders is de afwezigheid van de bomen juist karakteristiek. In het open weidegebied vormen de dijklichamen lange, vaak, slingerende lijnen in het groene weidelandschap. Wel zijn de stedelijke invloeden aan de randen goed zichtbaar: aan de oostkant de gebouwen van Haarlem, de olietanks en de windturbines van het Westelijk havengebied en aan de zuidkant Sugar City en de datacentra en de distributie centra van Polanenpark nabij het verkeersplein Rottepolderplein. Ook de beboste delen van het recreatiegebied Spaarnwoude zorgen voor een beëindiging van de zichtlijnen.

08 12-2020 -

43

6.3 Boerderijen Ontwikkeling van de boerderijen De boerderijen langs de polderlinten vertellen het ver­ haal van de ontwikkeling van de polders. Een van de primaire doelen van de drooglegging van het Haarlemmermeer was grond beschikbaar stellen aan agrariërs. De polder trok, vanwege de ruimtelijke mogelijkheden veel agrariërs aan die op een vernieu­ wende manier landbouw wilden bedrijven. Intensieve bemesting, vermindering van braak, rijenteelt, drainage en stoommachines waren innovaties die tot vernieu­ wing in de gehele sector leidden. Rijke Nederlanders die hun geld wilden investeren in de landbouw, haalden de nieuwste technische apparatuur uit het buitenland en maakten de Haarlemmermeerpolder een van de meest innovatieve landbouwgebieden van die tijd (ca. 1857). Naast 153 woonhuizen en 724 keten (armoedige onderkomens) stonden er in 1857, 248 boerderijen in de polder (Kaart G. A. de Geus). In 1868 waren dat 462 boerderijen. Van deze originele boerderijen uit 1868, die ook in de befaamde lijst van J. P. A. Amersfoordt zijn genoemd, zijn er vandaag de dag nog slechts 42 over. Veel boerderijen werden in de loop der tijd herbouwd, gerenoveerd of gesloopt. Ook werden kavels gesplitst en werden nieuwe boerderijen gebouwd. In 2020 zijn er in totaal nog 297 historische boerderijen (enigszins) actief.

Sommige zijn nog steeds in gebruik voor land­ bouwactiviteiten, anderen zijn hervormd tot woonhui­ zen, zorgboerderijen of horecagelegenheden.

uit hun geboortestreek. Soms combineerden zij ook stijlkenmerken van verschillende boerderijen zodat een boerderij ontstond die beter aan de omstandigheden van Haarlemmermeer aangepast was. Dit heeft ervoor gezorgd dat er veel boerderijtypen, uit heel Nederland en zelfs Duitsland, in de Haarlemmermeerpolder te vinden zijn. Noordelijke polders In de noordelijke polders zijn vooral Noord-Hollandse boerderijtypen aanwezig. Dit is niet verrassend, de ontginningen hier waren kleiner van schaal en de pioniers voor deze polders kwamen voornamelijk uit de omliggende dorpen en streken. Ze gebruikten hun eigen tradities en kennis om een hoeve te plannen en te bouwen. Er zijn hier daarom Stolpboerderijen, Kop-(hals)romp boerderijen en ook moderne boerde­ rijen te vinden. Van oudsher zijn er in de noordelijke polders naast de lintbebouwing onderaan de dijken ook clusters van boerderijen en huisplaatsen te vinden. Een van deze clusters ligt bij het plaatsje Spaarnwoude, hier liggen meerdere boerderijen en andere voorzienin­ gen vlak bij elkaar bij de Stompetoren. Een ander ligt bij het plaatsje Liede. Een deel van de boerderijen in deze clusters zijn behoorlijk oud, zo is bijvoorbeeld de Blauwhekboerderij aan de Kerkweg 4 uit circa 1750. De boerderijen in Nederland zijn in grote lijnen te ver-

Niet alle boerderijtypen konden de uitdaging om te transformeren even goed aan. Vooral de Noordhollandse Stolp en haar subtypes zijn in grote mate gesloopt en vervangen door moderne boerderijen. De hoge pyramidedaken boden plaats voor mens, vee, oogst en voertuigen, wat tegenwoordig niet meer handig is voor een modern agrarisch bedrijf. Veelal zijn de stolpen te klein en ouderwets, daarnaast gaat het houtwerk rotten en verzakt de fundering bij veel stolpen. Ook blikseminslagen en brandgevaar hebben ertoe geleid dat veel stolpen verdwenen zijn. In de transformatie naar een pure woonfunctie of kantoren is de stolp ook relatief duur. In tegenstelling van de kop-romp type bijvoorbeeld kan niet alleen het woongedeelte gerenoveerd worden, het hele gebouw moet daarbij aangepakt worden. In 1958 werd nog 85% van de gronden in Haarlem­ mermeer voor agrarische doeleinden gebruikt, in 1986 was dat nog maar 64% en sindsdien is dat veel minder geworden. De grondeigenaren en boeren lieten hun boerderij­ en vaak bouwen naar het voorbeeld van boerderijen

\ /'Tï

/ .

De Haarlemmermeer als kolonisatiegebied (H.N. ter Veen, 1925)

ANALYSERAPPORT POLDERLINTEN

08 12-2020 -

44

Actieve boerderijen 1950

Dit zijn alle boerderijen die in 1950 nog actief waren.

08 12-2020 -

45

Actieve authentieke pioniersboerderijen 1868-2020 Legenda Polderlint Actieve authentieke pioniersboerderij

A

4km H—i—I—i

Dit zijn de nog authentieke boerderijen die sinds 1868 onveranderd zijn. Daarnaast zijn er nog vele boerderijen die aangepast zijn. ANALYSERAPPORT POLDERLINTEN

08 12-2020 -

46

Boerderijtypen in Nederland delen in vijf groepen (Het Boerderijen boek, 2011) met een aparte zesde groep die voortkomt uit de droogmakingsprojecten en modernisering sinds het 19e eeuw. 1. 2. 3. 4.

5. 6.

De noordelijke huisgroep (noordelijke provincies en Noord-Holland) De hallehuisgroep De langgevelboerderijen (beneden de grote rivie­ ren in Brabant en Limburg) De boerderijen van het Zuidwesten (Zeeland, Zuid-Hollandse Eilanden, westelijk deel van Bra­ bant) De boerderijen in Zuid-Limburg De moderne boerderijen

zeventiende eeuw kwamen de variabes tot hun hoog­ tepunt. Waar op grote schaal land ingepolderd werd ontstond er een nieuwe impuls in de boerderijenbouw. De zestiende- en zeventiende-eeuwse Noord-Hollandse droogmakerijen bijvoorbeeld versnelden de ontwikke­ ling van de stolpboerderij. De Haarlemmermeerpolder en de Flevopolders gaven vorm aan de schaalvergroting en de standardisatie in de boerderijenbouw.

De groepen zijn vooral gebiedsgebonden en in de

Roons Hoeve, Haarlemmermeerse Boerderij met dubbel verhoogd schuurdak, Rijksmonument gelegen in de Houtrakpolder

AncöraMmparo^aariëmmëmTëërs^öfMomp-boerderij met enkel ver­ hoogd schuurdak gelegen aan de Rijnlanderweg.

08 12-2020 -

47

Type: Noordelijke huisgroep De Friese Stelp, Kop-hals-romp boerderij, Kop-romp boerderij, de Stolp en de Oldambstertype boerderij ho­ ren allemaal bij de noordelijke huisgroep die vanaf het midden van de zestiende eeuw in de noordelijke pro­ vincies ontstond om vee, oogst en dorsruimte in een gebouw onder te brengen. Het hoge middenvak van de boerderij werd gebruikt om hooi op te slaan en in de lagere zijbeuken kwamen het vee en de werk- en woon­ ruimten. In Noord-Holland ontwikkelde zich hieruit de Stolp en in Friesland de kop-romp en de kop-hals-romp boerderij, en na 1700 de Friese Stelp. De kop-hals-romp boerderij werd ook in Groningen en aangrenzende de­ len van Duitsland overgenomen, vanuit Duitsland werd

in het achttiende eeuw het Oldamstertype in Gronin­ gen en Drenthe geïntroduceerd.

Kop hals romp boerderij

Boerderijen 2020 Groep Noordelijke huisgroep

ANALYSERAPPORT POLDERLINTEN

08 12-2020 -

48

Type: Hallehuisgroep en langgevelboerderijen In het gehele midden van Nederland van Groningen en Friesland tot Brabant en Noord-Limburg komen hallehuisboerderijen voor. De boerderijen van dit type kenmerken zich door een rechthoekig gebouw met voorin het woongedeelte en achterin het bedrijfsgedeelte. Voorbeelden in Haarlemmermeer zijn vooral het Langgeveltype, maar ook de Hoekgevelboerderij, het Gelders type, het Saksisch Maliehuis, het Leegmeertype en de T-Huisboerderij horen bij deze groep. In het Zuid-Hollandse weidegebied waar de kaasmakerij belangrijk werd bouwde men onder het woongedeelte grote kelders, waarboven de zogenoemde opkamers gelegen waren. Deze kelders werden ook in Haarlem-

mermeer vaak toegepast, maar zorgen tegenwoordig voor structurele problemen bij oudere hoeven door ongelijkmatige verzakking van de grond.

Langgevel boerderij

Boerderijen 2020 Groep Hallehuisgroep en Langgevel

08 12-2020 -

49

Type: Zuid-West nederlands De boerderijen van deze groep richtten zich vooral op graanteelt en hebben daarom bijzonder grote schuren. Het woongedeelte bevond zich zelden onder een dak met de schuur, vaak ontstond een boerderijencomplex met grote schuur en vrijstaand woonhuis. Alleen op de Zuid-Hollandse Eilanden bleef men huis en schuur meestal aan elkaar bouwen in kop-romp stijl. Andere vertegenwoordigers van deze boerderijgroep in de Haarlemmermeer zijn het West-Brabantse en Brabant­ se type, evenals het Zeeuwse Langhuis. Zeeuwse Langhuis

Boerderijen 2020 Groep Zuid-West Nederland

ANALYSERAPPORT POLDERLINTEN

08 12-2020 -

50

Type: Zuid-Limburgs Het heuvelige Zuid-Limburg is niet te vergelijken met de rest van Nederland, en ook de boerderijtypen hier zijn apart. De boerderijen hebben zich hier ontwikkeld tot een gesloten hoeve met een binnenhof waaromheen de verschillende functies zijn gegroepeerd. Terwijl de hoeven in Limburg veelal rijk versierd zijn, met poort­ gebouwen en torens, vakwerk en andere statussymbo­ len, is de uitvoering in de Haarlemmermeer aangepast aan de regio en iets soberder. In Haarlemmermeer komen het Vlaamse type, de Binnenhofboerderij en de Limburgse Kleiboerderij voor.

Binnenhofboerderij

Boerderijen 2020 Groep Zuid-Limburg

08 12-2020 -

51

Type: Moderne boerderij Met de grote droogmakingsprojecten die sinds het 19e eeuw in Nederland werden doorgevoerd en steeds modernere landbouwmethoden werden andere eisen aan nieuwe boerderijen gesteld. Schaalvergroting en standaardisatie werden ook bij nieuw te bouwen boer­ derijen toegepast. De negentiende-eeuwse Haarlem­ mermeer- en de Flevopolders leidden tot experimenten met traditionele boerderijtypen. In de Haarlemmermeerpolder als gespecialiseerd akkerbouwgebied werd ingezet op grote opslagschuren, moderne materialen en sobere vormen. Hieruit komt het Haarlemmermeerse type voort. De landbouw van het twintigste en een­ entwintigste eeuw ontwikkelde verdere trends die tot

de huidige moderne boerderijen leidden die soms niet eens meer over een woonhuis beschikken. De schaal, materialisering en uiterlijke uniformiteit van deze mo­ derne boerderijen bepaald het beeld van de boerderij van het 21e eeuw.

Boerderijen 2020 Groep Moderne boerderijen

ANALYSERAPPORT POLDERLINTEN

08 12-2020 -

52

Boerderijtypen in Nederland In totaal zijn er dus 34 boerderijtypen in Haarlemmer­ meer te onderscheiden. De Kop-romp-type boerderij is veruit het populairst, gevolgd door het Moderne type, het Langgeveltype, het Kop-hals-romp type en de Stolpboerderij. Negen typen zijn in de loop der tijd helemaal verdwenen. Het Overijssels type staat op het punt te verdwijnen. Bijzonder is het Haarlemmermeerse boerderijtype dat alleen in Haarlemmermeer ontwikkeld werd. De pio­ niers pasten hun boerderijen altijd al aan de gegeven omstandigheden aan, zo hadden de meeste kop-romp boerderijen twee grote deeldeuren aan de wegzijde en

veel kleine deuren aan de lange zijkant van de stal. De toenemende oogstvolumes en de modernere bedrijfs­ voering in Haarlemmermeer zorgden voor substantiële veranderingen in de bouwstijl, zoals te zien op de linker afbeelding. De Haarlemmermeerse boerderij bestaat uit een woonhuis, dat ook vrij kan staan, en een forse schuur met een bijzonder dak. Om nog meer oogstruimte te krijgen werd het dak omhoog gelicht, soms ook meerdere keren. Zo ontstaan ramen die voor lucht en frisse lucht in de binnenruimte zorgen. Deze licht­ beuken en brede, meest driebeukige opzet, leidt tot een uniek silhouet.

Actieve boerderijen 2020 met bouwjaar Legenda

Polderlint o

Actieve boerderij, bouwjaar <1868

o

Actieve boerderij, bouwjaar <1910

o

Actieve boerderij, bouwjaar <1945

o

Actieve boerderij, bouwjaar <1980

o

Actieve boerderij, bouwjaar <2020

A 4km

08 12-2020 -

53

Gebruiksstatus historische boerderijen 2020 Legenda

Polderlint o

Actieve boerderij Inactieve boerderij

o

Gesloopte boerderij

A 4km

■—\—'—(

Boerderijen zijn altijd al aangepast aan de be­ hoeften van de bewoners. Sinds de jaren 50 zijn er echter veel gesloopt. Dit kwam onder meer door de komst van Schiphol, en de grootschalige uitbreidingen van de kernen. Ten slotte is de land­ bouw zelf ook veranderd waardoor aanpassingen aan boerderijen nodig waren. ANALYSERAPPORT POLDERLINTEN

08 12-2020 -

54

Gesloopte boerderijen Legenda Polderlint Gesloopte boerderij

A 4km

De gesloopte boerderijen zijn hier uitgelicht. Het grote aantal gesloopte boerderijen in de kernen Hoofddorp en Nieuw-Vennep, en rond Schiphol zijn opvallend.

08 12-2020 -

55

6.4 Erven Ontwikkeling van de erven In de Haarlemmermeerpolder is er van oorsprong ver­ schil tussen de relatief grotere 'boerenerven' en klei­ nere 'woonerven'. Zowel het woonerf als het boerenerf hadden sloten die het erf begrensden al ontbrak deze soms op de erfgrens van het woonerf. Op plekken waar een sloot ontbrak, werd vaak een haag geplaatst. Op het woonerf zelf lagen over het algemeen geen sloten, dit in tegenstelling tot het boerenerf waar 'binnenslo­ ten' voorkwamen. Daarnaast hadden de boerderijen van oorsprong allemaal een brug over het water naar het erf. In de noordelijke polders liggen de boerderijen onderaan de dijk, ze liggen op maaiveldniveau, om het erf te bereiken moet je van de dijk af naar beneden. In de afgelopen honderd jaar zijn veel sloten rond de erven gedempt of vervangen door duikers. In het landschap zijn ze dus niet meer zichtbaar. Met name de wegsloten, die parallel liggen aan de polderlinten, zijn omgezet in duikers. Daarmee is de historische begren­ zing van het voorerf aangetast. Dit is anders dan in andere Noord-Hollandse droogmakerijen. Daar worden vaak bruggen verbreed of vervangen door een dam met duiker, zodat de wegsloot zichtbaar blijft. Door de diepe ontwatering in de polder staan veel van de over­ gebleven sloten bovendien vaak droog. Ook de beplanting is een belangrijk onderdeel van het erf.

Rond 1900 zijn vrijwel alle erven voorzien van randbeplantingen. Op het woonerf betrof dit vaak één of twee randen die voornamelijk met hagen werden beplant. Woonerven zonder randbeplanting kwamen echter ook voor. Vaak lag er dan een sloot die de erfafscheiding bepaalde. Naast hagen konden de randbe­ plantingen ook bestaan uit heesters en/of een enkele boom of bomenrij. Op het overgrote deel van de boerenerven, zowel in de Haarlemmermeerpolder als in de noordelijke polders I I

zien we rond 1900 beplantingen langs één of meer erfranden en dan met name bomenrijen en windsingels. De ruime meerderheid heeft bomenrijen rondom het erf liggen of ontbreekt alleen beplanting bij de voorgevel van de woning en richting de weg. Wanneer minder randen werden beplant, kwam dat vaak door­ dat er aan de betreffende zijde al randbeplanting van de buren stond. Verder was er niet veel variatie in de beplantingstypen op het woonerf. Op het voorerf werd vaak een moes­ tuin aangelegd en verder stonden er wat fruitbomen. Op sommige erven stond een solitaire boom voor de woning. De variatie in de beplanting was op het boe­ renerf daarentegen een stuk groter. De boerin zorgde ervoor dat het voorerf er representatief uitzag om de indruk van welstand te wekken. Vaak hield dat in dat een siertuin werd bijgehouden welke bestond uit een gazon met vakken van sierbeplanting of bomen. In de buurt van de entree werden één of meerdere solitaire bomen geplant, zoals een es, beuk, esdoorn, (treur) wilg, kastanje, linde, eik of sierkers. Om de voortuin af te kaderen van de rest van het erf, stonden aan weerszijden geschoren (liguster- of Taxus)hagen. Langs de voorzijde stonden alleen beplantingen tussen het voorerf en de weg wanneer de wegsloot is gedempt. Ook hier werd de erfafscheidende functie van de sloot dus vaak vervangen door een (laagblijvende) haag.

Op het achtererf was het domein van de boer en was de indeling vooral functioneel ten behoeve van het bedrijf. Voor beplantingen was daarom geen ruimte. Op het zijerf lag een moestuin, bleekveld (kort gemaaid gazon) en/of hoogstamfruitboomgaard. Door de varia­ tie in beplantingen was er een groot verschil tussen de open, winderige polder en de luwe 'binnenkant' van het erf. Om de verschillende 'kamers' op het erf fysiek van elkaar te scheiden, werden ook daar geschoren hagen toegepast langs de randen. Ook gebeurde dit door middel van een struweelhaag, hakhoutsingels en soms bomenrijen. In de Haarlemmermeerpolder: Begrenzing met sloten bij de woonerven: • 81% van de woonerven waren begrensd door sloten • 43% van de woonerven aan alle zijden • 38% door de wegsloot en de kavelsloot aan één zijkant • 19% van de erven had rond drie zijden een erfgrenssloot

Ek-bouwine Sloot

Begrenzing met sloten bij de boerenerven: • 78% rondom begrensd door sloten • 20% rond 3 zijden door sloten begrensd (de achtererfgrenssloot ontbreekt daar)

Lrfsloot |n et alttid aanw«>j!) ANALYSERAPPORT POLDERLINTEN

08 12-2020 -

56

Huidige situatie van de erven Tegenwoordig zijn de karakteristieke, volledig beplante erfranden nauwelijks meer aanwezig. Ook worden ze bijna niet meer toegepast bij nieuwe uitbreidingen. Ze zijn vaak vervangen door beplantingen zoals hagen die niet kenmerkend zijn voor de randen van het boe­ renerf. Ook is het verschil tussen het representatieve voorerf en het functionele achtererf nauwelijks meer aanwezig. De hoogstamfruitboomgaarden zijn tegen­ woordig op veel plekken (deels) verdwenen of hebben plaats gemaakt voor halfhoog- of struikfruitboomgaarden. Veel randbeplantingen van de boomgaarden,

wind- en boomsingels, zijn ook in verval geraakt. Door het aantasten van de oorspronkelijke, karakteristieke beplantingen is de identiteit van de erven in de loop der tijd vervaagd. Wel zien we dat nieuwe functies op het erf zoals trap­ veldjes of campings tegenwoordig ook worden geschei­ den door middel van beplantingen. De nog aanwezige solitaire bomen zijn ondertussen uitgegroeid tot oude, karakteristieke elementen en brengen een hoge sierwaarde naar het erf. Incidenteel kwamen er in 1900 laanbomen voor op de erven, die vandaag de dag de boerderijen op bijzondere wijze verbinden met de weg.

rondom, niets voor de gevel Beplanting erfranden; Bomenrij of windsrogel

08 12-2020 -

57

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Haarlemmermeer&id=6daf8e15-6d5d-48f5-963d-2950644e5747