CConstaterende datHaarlemmermeer
Koppel je AI →
Document · PDF

ECE_Haarlemmermeer_Report_2023_R05-sept2023

Raadsplein: Agenda en raadsstukken 12 september 2024, gemeente HaarlemmermeerBij agendapunt: SESSIEDEBAT 1 - Raadzaal 19:00-20:30 uur: RV Economische koers Haarlemmermeer 2024 'van grijs groeien naar groen ontwikkelen' (10973869) (21 mei)29.267 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

Het vestigingsklimaatecosysteem voor zes focussectoren in de gemeente Haarlemmermeer Eindrapportage 9 juni 2023

Inhoudsopgave 1 | Introductie

06

2 | Theoretisch kader

12

3 | Het vestigingsklimaatecosysteem in de gemeente

28

Haarlemmermeer

2

4 | Het vestigingsklimaatecosysteem voor de zes focussectoren

34

5 | Conclusie en aanbevelingen

52

Over Erasmus Centre for Entrepreneurship

62

Bibliografie

64

Appendix I - Infographics focussectoren

70

Appendix II - Overzicht betrokken experts

94

Appendix III - Onderzoeksvragen

95

Erasmus Centre for Entrepreneurship | Gemeente Haarlemmermeer

3

4

Voorwoord In samenwerking met de gemeente Haarlemmermeer heeft Erasmus Centre for Entrepreneurship onderzoek uitgevoerd naar het vestigingsklimaatecosysteem voor zes focussectoren. Het concept vestigingsklimaatecosysteem verbindt de vestigingsbeslissing (bedrijfsmigratie) aan de dynamische interacties tussen stakeholders, die gezamenlijk additionele waarde creëren voor alle partijen in de quadrupel helix (bedrijfsleven, onderwijsinstellingen, overheid, en burgers). De eindrapportage is gebaseerd op literatuuronderzoek, data-analyse, de enquête vestigingsklimaat uitgezet door de gemeente Haarlemmermeer, de survey vestigingsklimaatecosystemen, bijdrages van (wetenschappelijke) experts, en 27 interviews met stakeholders in de ecosystemen, waaronder 24 ondernemers/C-levels. Dit onderzoek benadert het vestigingsklimaatecosysteem vanuit het perspectief van het gevestigde bedrijfsleven en geeft het woord aan geselecteerde, representatieve vertegenwoordigers om het in kaart te brengen. Het onderliggende doel van het onderzoek is om een eerste inzicht te geven in de redenen waarom bedrijven gevestigd zijn in de gemeente, wat daarin belangrijke factoren zijn en waar verbeterpunten geïdentificeerd kunnen worden binnen dit vestigingsklimaatecosysteem.

Dit rapport schetst een zo grondig mogelijk beeld op basis van eerdergenoemde bronnen, maar erkent tevens de beperkingen, aangezien deze niet verder gevalideerd kon worden in de geplande rondetafelsessies. Het wil primair een eerste aanzet geven tot een beter begrip van de bedrijven gevestigd in de gemeente Haarlemmermeer, in de zes focussectoren. Als concreet handelingsperspectief is het, voor de toekomst, voor alle partijen van de quadrupel helix van belang om goede onderlinge relaties op te bouwen en te onderhouden. Wederzijds begrip en kennis vormen daarbij een eerste stap.

Wij willen graag alle bijdragers aan het onderzoek bedanken. In de eerste plaats, dank aan alle vertegenwoordigers van het bedrijfsleven die tijd hebben vrijgemaakt voor de interviews en enquête. Speciale dank ook aan de wetenschappelijk experts van de Erasmus Universiteit Rotterdam, voor het duiden van de belangrijkste ontwikkelingen in de sectoren en specifieke aanbevelingen. Verder veel dank aan Ineke van Tooren-Sluiters, Rob Sturm en Ad Reijneveld voor de samenwerking, vanuit team Economische Zaken van de gemeente Haarlemmermeer.

Erasmus Centre for Entrepreneurship | Gemeente Haarlemmermeer

Rotterdam, 9 juni 2023 Projectteam Erasmus Centre for Entrepreneurship Prof. dr. Tom Mom Leonardo Fuligni Katty Hsu Michel van Dalfzen Irene Tsitse Kathryn Moy Veronique Teer Mint Peters

4

5

6

Introductie

1 | Introductie

Erasmus Centre for Entrepreneurship | Gemeente Haarlemmermeer

6

De fameuze waterbouwkundige Jan Adriaanszoon Leeghwater (1575-1650) voorzag dat “de waterwolf de Hollandsche landleeuw van binnenuit zou opvreten” en pleitte 380 jaar geleden voor het inpolderen van de Haarlemmermeer.1 Toch duurde het tot 1837 vooraleer Koning Willem I per decreet tot de inpoldering besloot, onder druk van de waterdreiging op Amsterdam en Leiden, echter onder protest vanwege de economische waarde van het meer. Waar het Haarlemmermeerboek van Leeghwater het droogmaken nog voorzag met ruim 200 windmolens, werden voor de negentiende eeuwse inpoldering drie stoomgemalen in gebruik genomen: Cruquius, De Leeghwater en De Lynden. Deze gedurfde en innovatieve toepassing van een nieuwe, baanbrekende maar tevens betwiste technologie creëerde 18.000 hectare landbouwgrond, ruim vier meter onder de zeespiegel (MRA, 2021; Taverne, 2006). Anno 2022 telt de gemeente Haarlemmermeer 159.346 inwoners en heeft met mainport Schiphol de op twee na drukste luchthaven van Europa.

In 2019, net voor de intrede van COVID-19, vervoerde Schiphol 1.57 miljoen ton aan vracht en bijna 72 miljoen passagiers, naar 332 directe bestemmingen in 97 landen.2 De gemeente Haarlemmermeer fuseerde per 1 januari 2019 met de gemeentes Haarlemmerliede en Spaarnwoude en is onderdeel van Metropoolregio Amsterdam-regio (MRA) Amstelland-Meerlanden – de sterkste economische regio van Nederland.3 Haarlemmermeer behoort op het gebied van innovatief ondernemerschap tot de Top-5 Nederlandse gemeenten: de gemeente huisvest 45 groeibedrijven (2022) en zo’n 4.4% van alle Haarlemmermeerse KVK-geregistreerde bedrijven (met meer dan 10 FTE) groeit sneller dan 20% per jaar. Echter, er is sprake van een negatieve trend die al voor de intrede van COVID-19 is ingezet, een sterkere daling dan de algemene Nederlandse ontwikkeling – de gemeente telde in 2018 en 2019 nog 60 snelgroeiende bedrijven en presteerde ruim boven het landelijke gemiddelde (Erasmus Centre for Entrepreneurship, ScaleUp Dashboard 2021).4 Deze groeibedrijven zijn voor een regio van wezenlijk belang, omdat zij zorgen 1

Metropoolregio Amsterdam. (2021). State of the region 2021: Femke Halsema. https://www.metropoolregioamsterdam.nl/state-of-the-region-2021-westaan-aan-het-begin-van-een-nieuw-tijdperk/

2 Schiphol. (2022). Weetjes over luchthaven Schiphol. https://www.schiphol.nl/ nl/jij-en-schiphol/pagina/luchthavenfeitjes/. 3 Metropoolregio Amsterdam. (2022). Over de MRA. https://www. metropoolregioamsterdam.nl/over-mra/. De gemeente Haarlemmermeer bestaat uit de volgende kernen: Aalsmeerderbrug, Abbenes, Badhoevedorp, Beinsdorp, Boesingheliede, Buitenkaag, Burgerveen, Cruquius, Haarlemmerliede, Halfweg, Hoofddorp, Leimuiderbrug, Lijnden, Lisserbroek, Nieuw-Vennep, Oude Meer, Rijsenhout, Rozenburg, Schiphol, Schiphol-Rijk, Spaarndam, Vijfhuizen, Weteringbrug, Zwaanshoek en Zwanenburg.

voor de creatie van het merendeel van de nieuwe werkgelegenheid, voor nieuwe innovatie zorgen, nieuwe verdienmodellen ontwikkelen, oplossingen voor de grote sociaal-maatschappelijke uitdagingen verzinnen, en hiermee extra (economische) toegevoegde waarde creëren - wat ook zorgt voor de groei van de regionale economie (World Economic Forum, 2014). De gemeente Haarlemmermeer zet er op in om in de (nabije) toekomst groeidiamanten te faciliteren om de lokale economie te versterken, diversifiëren en verduurzamen. Daarbij is het belangrijk om een goed functionerend vestigingsklimaatecosysteem te hebben, om niet alleen waardetoevoegende bedrijven aan te trekken maar vervolgens ook de waardecreatie in de regio te maximaliseren – een synthese tussen een innovatie-ecosysteem en het vestigingsklimaat, verder toegelicht in hoofdstuk 1. Innovatie en verduurzaming vinden namelijk niet plaats in isolatie, maar zijn het resultaat van intensieve samenwerking tussen het bedrijfsleven, onderzoeks- en onderwijsinstellingen, en overheden (Audretsch & Belitski, 2017; Grandstrand & Holgersson, 2020; Mulas, Minges & Applebaum, 2016; World Economic Forum, 2014).

Een vestigingsklimaatecosysteem wordt gedefinieerd als: “Een complex systeem bestaande uit interacties, samenwerkingen en uitwisselingen tussen actoren binnen een geografische, institutionele en culturele context, wat bijdraagt aan de groei van bedrijven. Een vestigingsklimaatecosysteem wordt gekenmerkt door en is afhankelijk van de toegang tot: markt, gerelateerde en ondersteunende industrieën, talent en kennis, en kapitaal” (Erasmus Centre for Entrepreneurship, 2021). Binnen een vestigingsklimaatecosysteem spelen overheden een cruciale rol, met name bij het verbinden en faciliteren van partijen (Ahonen & Hämäläinen, 2012; Pereira & Temouri, 2017). De benaderingswijze van Erasmus Centre for Entrepreneurship onderscheidt zich door een oriëntatie op het perspectief en behoeften van de ondernemers in het lokale vestigingsklimaatecosysteem.5 4

In 2020 telde de gemeente nog 55 groeibedrijven en groeide zo’n 5.7% van alle Haarlemmermeerse KVK-geregistreerde bedrijven met meer dan dan 10 FTE sneller dan 20% per jaar (Erasmus Centre for Entrepreneurship, ScaleUp Dashboard 2021).

5 Voor een vrij recent overzicht van de discussie zie Grandstrand & Holgersson (2020). Enkele voorbeelden zijn Bruns, Bosma, Sanders & Schram (2017); Isenberg & Onyemah (2016); Mason & Brown (2014); Stam (2015); Stam & Spigel (2016); Stam & Van de Ven (2021).

7

8 Figuur 1 Aantrekken waardvolle groeisector van buiten gemeente

Behouden gevestigde groeisector voor Haarlemmermeer

1. Eenzijdige waardecreatie Haarlemmermeer biedt veel waarde, groeisector biedt weinig waarde.

2. Wederzijdse waardecreatie: Haarlemmermeer en groeisector bieden veel waarde; wederzijds profijt

Nieuwe groeisectoren vestigen zich in Haarlemmermeer en bestaande groeisectoren blijven

3. Geen waardecreatie: Haarlemmermeer en groeisector bieden elkaar weinig waarde

4. Eenzijdige waardecreatie: Groeisector biedt veel waarde, Haarlemmermeer biedt weinig waarde

Groeisectoren vertrekken uit Haarlemmermeer en nieuwe groeisectoren vestigen zich niet in Haarlemmermeer

Hoog

Introductie

1

Dit onderzoek naar het vestigingsklimaatecosysteem betreft vier geïdentificeerde sleutelsectoren en twee kansrijke sectoren (vanaf nu allen ‘focussectoren’). Het onderzoek bestaat uit een kritische evaluatie van en mate van tevredenheid betreffende de vestigingsklimaatfactoren voor deze focussectoren en, daarop voortbouwend, handvatten voor gemeentelijke beleid, uit te voeren in opdracht van de gemeente Haarlemmermeer. Deze focussectoren zijn in eerder stadium geïdentificeerd in een onderzoek door Decisio (2021) en aangevuld door de gemeente; de focussectoren betreffen ICT, groothandel, specialistische zakelijke dienstverlening, cargo/logistiek, life science(s) & health, en circulaire economie.6

1.1. Onderzoeksopzet en -vragen

Mogelijke strategische waarde van Haarlemmermeer voor focussector

diversificatiestrategie – een belangrijk onderdeel van het huidige coalitieakkoord. Als logisch vervolg op dit oriënterende onderzoek wil de gemeente meer verdiepend onderzoek naar deze zes focussectoren; specifiek is er behoefte aan het verkrijgen van: 1.

Een beter begrip van deze focussectoren en onderliggende deelsectoren, met de nadruk op ontwikkelingen op het gebied van circulaire economie, duurzaamheid en innovatie – deze gevat uit een transitieperspectief; 2. Een overzicht van de behoeften van deze focussectoren en een evaluatie van het huidige vestigingsklimaatecosysteem, vanuit het perspectief van lokale ondernemers; 3. In beeld brengen van (potentiële) groeibedrijven, zogenoemde ‘groeidiamanten’, per focussector en onderscheid maken in groeifase; 4. Suggesties wat de gemeente beleidstechnisch kan doen om deze groeidiamanten te faciliteren, inclusief een reflectie hoe dit zich verhoudt tot eerdere analyses, adviezen en koers.

Laag

Mogelijke strategische waarde van focussector voor Haarlemmermeer

De hoofdonderzoeksvragen betreffen: Wat zijn de belangrijkste vestingsklimaatfactoren voor de focussectoren in de gemeente Haarlemmermeer? Hoe wordt het vestigingsklimaatecosysteem door lokale ondernemers beoordeeld? Hoe kan de gemeente hier beleidstechnisch op inzetten? Wat zijn de (potentiële) groeibedrijven binnen de focussectoren? Om bovenstaande hoofdonderzoeksvragen te beantwoorden, is door de gemeente Haarlemmermeer een veertiental sub-vragen geformuleerd (zie Appendix III). Bij de analyse van het vestigingsklimaatecosysteem en het opstellen van de beleidsimplicaties is het belangrijk om twee fundamentele vragen in het achterhoofd te houden en hier duidelijk onderscheid in te maken (zie Figuur 1):

Vanuit sociaaleconomisch perspectief is het wenselijk de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te gebruiken, door focussectoren te stimuleren en eventueel zelfs bedrijven te hervestigen, om innovatie te bevorderen, kwalitatieve, (nieuwe) banen te creëren voor de inwoners, en de toevoeging van economisch waarde te maximaliseren, om zo de ‘kwaliteit van leven’ binnen het gemeentelijke woon-werkklimaat te optimaliseren.

In de gemeente Haarlemmermeer is sprake van een grote druk op de ruimte. Om de afhankelijkheid van economische activiteit omtrent de logistieke sector gericht op de luchtvaart, rondom mainport Schiphol, te verkleinen, heeft de gemeente Haarlemmermeer eerder opdracht gegeven zogenaamde focussectoren te identificeren, waarop ingezet kan worden om een divers, innovatief en duurzaam bedrijfsklimaat te creëren. De gemeente zet in op een zogenaamde

1.

Wat is het strategische belang van de regio voor de focussectoren?

2.

Wat is het strategische belang van de focussectoren voor de regio?

Hoog

Een vestigingsklimaatecosysteem is nooit stabiel maar altijd in ontwikkeling. Deze dynamiek wordt nog verder versterkt door de sociaal-maatschappelijke uitdagingen die sector-breed spelen in het Nederlandse bedrijfsleven. In relatie tot de ambitie tot diversificatie en verduurzaming neemt dit onderzoek expliciet een zogenoemd ‘transitieperspectief’ mee bij het in kaart brengen van de vestigingsklimaatecosystemen voor de zes focussectoren. De nadruk ligt hierbij op (toekomstige) ontwikkelingen op het gebied van de thema’s circulaire economie, automatisering en digitalisering, en diversiteit en inclusie – in elk deelhoofdstuk (hoofdstuk 4) wordt een korte katern ‘in tijden van transitie’ geïntegreerd, met een korte reflectie op de relatie tot en ontwikkelingen op dit vlak betreffende de kernthema’s (zie onderstaande uitsnede). Transitie wordt in dit onderzoek als volgt gedefinieerd: Het stelt maatschappelijke transities voor als de structurele en systematische herconfiguratie van een stabiel systeem naar een nieuw dynamisch evenwicht, dat zich in de loop van decennia of generaties ontwikkelt (Grin et al., 2010; Kanger & Schot, 2019).

6 De vraag is of circulaire economie daadwerkelijk een economische sector betreft, dan wel een ‘business model’ of een ‘economiebrede transitie’ – zie theoretisch kader voor deze discussie. De gemeente Haarlemmermeer benadert circulaire economie vanuit het perspectief 'Energie en grondstoffen'.

Erasmus Centre for Entrepreneurship | Gemeente Haarlemmermeer

8

9

10

1.2. Definities

Introductie

1

In dit onderzoek naar het vestigingsklimaatecosysteem voor zes focussectoren komen een aantal begrippen meerdere keren terug, zonder direct centraal te staan. Rondom deze begrippen is, juist vanwege het grote belang, veel discussie omtrent wat ze precies inhouden. Zowel in de wetenschap als het bedrijfsleven en het publieke domein komen deze concepten vaak terug, maar de ervaring leert dat ‘in het dagelijks gebruik’ deze begrippen vaak worden opgerekt. Het gevaar van deze losse omgang, hoewel volkomen begrijpelijk, is dat een begrip alle betekenis verliest. Innovatie: “Een nieuwe of significante verbetering van een product, (logistiek of productie) proces, (marketing) strategie of organisatie die een positieve impact heeft op nieuw ondernemerschap, economische groei, maatschappelijke waarde en de creatie van banen”(OECD, 2013). Innovatie vindt niet plaats in isolatie, maar binnen een ecosysteem waarin sprake is van versterkende, wederkerige interactie en uitwisselingen.

Hoewel complementair, het belangrijkste verschil tussen innovatie en uitvinding — wat nog verwarrender is met de Engelse termen ‘innovation’ en ‘invention’ — is dat het laatste puur refereert aan “een toename in het totale aggregaat van technische kennis binnen een samenleving.” Daarentegen hangt innovatie samen met de interactie tussen de diverse marktactoren en brengt het bovendien een belangrijke commerciële component met zich mee (Mokyr, 1990, pp. 9-11).” Startup: Een startup is een beginnend bedrijf (max. vijf jaar oud) met een uitvoerbaar businessmodel rondom een innovatief idee en/of nieuwe markt. Het bedrijf hoeft daarbij nog niet winstgevend te zijn en is mogelijk nog bezig met het valideren van een businessmodel. Scaleup: Een snelgroeiend bedrijf, ook wel een scaleup, is een bedrijf met een gemiddelde groei van 20 procent of meer per jaar in werknemers en/of omzet gedurende een meetperiode van 3 jaar. Daarnaast, moet het bedrijf minstens 10 fulltime werknemers (FTE) hebben aan het begin van de meetperiode.

MKB: Het midden- en kleinbedrijf is een onderneming met maximaal 250 werknemers (FTE’s) en hoogstens €50 miljoen omzet. Het MKB kan verder opgedeeld worden in drie subcategorieën. Micro-ondernemingen met minder dan 10 werknemers, hoogstens €2 miljoen jaarlijkse omzet en/of een jaarbalans kleiner of gelijk aan €2 miljoen. Het kleinbedrijf met minder dan 50 werknemers, hoogstens €10 miljoen omzet en/of een jaarbalans kleiner dan €10 miljoen. Een middelgrote onderneming heeft hoogstens 250 werknemers, €50 miljoen omzet en/of een jaarbalans kleiner dan €43 miljoen (RVO, 2022; Europese Unie, 2004). Grootbedrijf: Het grootbedrijf heeft meer dan 250 werknemers (FTE’s), een netto omzet van meer dan €50 miljoen en/of een balanstotaal van meer dan €43 miljoen. Tot deze categorie worden alle bedrijven die aan deze voorwaarden voldoen gerekend, ook als het onderdeel is van een concern dat in buitenlandse handen is (RVO 2022; CBS, 2022). Multinational: Een onderneming die actief is met bedrijfsoperaties en foreign direct investment (FDI; ‘directe buitenlandse investeringen’) in meerdere landen. Met foreign direct investment wordt gerefereerd aan investeringen in of het (gedeeltelijk) controleren en managen van waarde toevoegende productie- en dienstenactiviteiten buiten het land waar het bedrijfshoofdkwartier gevestigd is (Peng & Meyer, 2016).

1.3. Vervolg onderzoeksrapport In het theoretisch kader (Hoofdstuk 2.1 & 2.2) wordt de link gelegd tussen het vestigingsklimaat en innovatieecosystemen. Vervolgens wordt ingezoomd op de specifieke locatiefactoren voor de geïdentificeerde sectoren (2.3). Daarna wordt ingegaan op de invloed en rol van de belangrijkste transitievraagstukken van dit moment (duurzaamheid, digitalisering en diversiteit) voor het vestigingsklimaatecosysteem (2.4). Hoofdstuk 3 schetst het eerste beeld van het vestigingsklimaatecosysteem in de gemeente Haarlemmermeer, op basis van de dataanalyse en enquêtes. In hoofdstuk 4 wordt, focussector voor focussector, ingezoomd op het vestigingsklimaatecosysteem voor de zes focussectoren. Tot slot worden een conclusie en aanbevelingen gepresenteerd.

Erasmus Centre for Entrepreneurship | Gemeente Haarlemmermeer

10

11

Theoretisch Kader

12

Erasmus Centre for Entrepreneurship | Gemeente Haarlemmermeer

12

2 | Theoretisch kader In dit hoofdstuk wordt het concept ‘vestigingsklimaatecosysteem’ vanuit de wetenschappelijke literatuur geïntroduceerd (2.1). Daarna wordt ingezoomd op specifieke vestigingsklimaatwensen/eisen en de belangrijkste ontwikkelingen in de zes focussectoren (2.2). Tot slot wordt uitgezoomd op de belangrijkste transities in het algemeen die een invloed hebben op het vestigingsklimaatecosysteem (2.3). Het concept en belang van ‘nauwe economische groei’ staan sinds een aantal jaar onder druk. De wortels van deze kritiek zijn al terug te voeren tot de jaren 1960, met onder andere de publicatie van Silent Spring (1962) van Rachel Carson, en de opkomst van het ‘Grenzen aan de groei-paradigma’ met het eerste rapport van de Club van Rome (1972) (Du Pisani, 2006). Zonder expliciet stelling te nemen in dit debat, onderstrepen wij dat groei niet alleen betrekking heeft op het vergroten van de omzet en winst van een bedrijf, maar dat het juist gaat om het bewandelen van duurzame groeipaden, voor het bedrijf en de planeet (Jansen & Mom, 2021). Deze duurzame groei is daarnaast van groot sociaalmaatschappelijk belang omdat dit leidt tot de creatie en behoud van banen (FTE’s).

Snelgroeiende bedrijven zijn daarnaast belangrijk omdat zij innovatie ontwikkelen, oplossingen creëren voor sociaal-maatschappelijke problemen, nieuwe verdienmodellen toepassen en daarnaast de banenmotor van Nederland zijn. Tussen 2018 en 2021 nam het aantal banen bij snelgroeiende bedrijven met bijna 200.000 FTE’s toe; in totaal zijn er meer dan 335.000 arbeidsplaatsen binnen snelgroeiende bedrijven (ScaleUp Dashboard 2022).

2.1 Vestigingsklimaatecosysteem

(het succes van) de bedrijfsoperaties en het behouden van bedrijven voor een regio van belang is – op deze laatste twee wordt later teruggekomen. Het vestigen van een onderneming – vanuit het oogpunt van een gemeente beter omschreven als ‘aantrekken’ – maakt onderdeel uit van de bedrijfsdemografie en wordt ook wel omschreven als ‘bedrijfsmigratie’ (Eng. “re-location”). De bedrijfsdemografie bestaat verder uit de oprichting en de ‘exit’ (verkoop of opheffing). Voor een lokale overheid is het vestigingsklimaatecosysteem en daarmee het aantrekken van nieuwe bedrijven van belang vanwege onder andere de positieve invloed op de werkgelegenheid (‘nieuwe banen’), de opbrengsten uit de verkoop van uit te geven gronden en de extra inkomsten uit (lokale) belastingen. Bij een vestigingsklimaatecosysteem gaat het om de wederkerigheid van de relaties tussen de quadrupel helix partijen in het ecosysteem (de bedrijven, onderwijsinstellingen, overheid en burgers) – iets wat (in de literatuur) vaak vergeten wordt.7 Het gaat niet alleen om de strategische waarde van een regio voor een bedrijf, maar ook om de waarde van een bedrijf voor een regio (zie Figuur 1). Een bedrijf heeft meer toegevoegde waarde voor een regio dan enkel de direct gecreëerde banen en bijdrage aan regionaal binnenlands product, maar ook positieve en negatieve externe effecten.

Op basis van het literatuuronderzoek wordt een vestigingsklimaatecosysteem in dit onderzoek als volgt gedefinieerd – het is een synthese van de concepten vestigingsklimaat en innovatie-ecosystemen: Het teken op het groene duidt op een quote. Zou het quoteken oog wegkunnen en in haakjes erachter - (Erasmus Centre for Entrepreneurship, 2023)

Jaarlijks kiest ongeveer 2% van alle bedrijven voor een bedrijfsverplaatsing, maar dit geldt niet voor alle regio’s en bedrijven in gelijke mate – er zijn grote verschillen tussen de regio’s én bedrijven (Bodenman & Axhausen, 2011). Een goed vestigingsklimaatecosysteem is niet alleen van belang voor het aantrekken van nieuwe bedrijven, maar dit onderzoek stelt dat het ook voor 7

In de wetenschappelijke literatuur wordt een vestigingsklimaat vooral gezien als een relatief statisch geheel aan factoren: het is vooral de som van de losse elementen (talent, infrastructuur, etc.). Daarmee is het hoofdzakelijk een combinatie van de neo-klassieke en institutionele ‘macrotheorieën’ uit de economische geografie. Hierbij wordt ‘voorbij gegaan’ aan de interacties die factoren en actoren op elkaar hebben; het totale product kan daardoor meer zijn dan de som der delen.

13

14

2

hiervoor kan gevonden worden in de ‘sunk costs’ en de afhankelijkheid van een lokale markt (Holl, 2004; Kronenberg, 2013; Weterings & Knoben, 2013).

Theoretisch kader

of gebied behouden. Het gaat bijvoorbeeld om het behouden van het huidige personeel, beperkte kennis van andere regio’s, maar ook de mate van verbinding met lokale (formele en informele) netwerken. Onderstaand wordt dieper ingegaan op de interne factoren, stimuli die binnen de organisatie spelen, en externe factoren, die gebonden zijn aan vestiging in een bepaalde locatie, voor bedrijfsmigratie.

Figuur 2 Raamwerk voor het functioneren van een vestigingsklimaatecosysteem (Erasmus Centre for Entrepreneurship, 2021).

Het (her-)locatievraagstuk voor bedrijven: Push-, pull- en keep-factoren Als het gaat om het nemen van de daadwerkelijke beslissing voor het verplaatsen van (een gedeelte van) de bedrijfsactiviteiten valt onderscheid te maken tussen push, pull- en keep-factoren (Pellenbarg, Van Wissen & Van Dijk, 2002; Pellenbarg, 2005; Weterings & Knoben, 2012) – in de realiteit zijn deze natuurlijk nauw met elkaar verweven. Pushfactoren zijn elementen die leiden tot het verlaten van een locatie. Voorbeelden van pushfactoren zijn een gebrek aan uitbreidingsruimte, slechte bereikbaarheid of institutionele regeldruk. Pullfactoren zijn juist factoren die bedrijven naar een bepaalde locatie trekken. Te denken valt aan een goede bereikbaarheid, toegang tot markten en woon-werkafstand van het personeel. Keepfactoren zijn factoren die bedrijven voor een bepaalde locatie

Vestigingsklimaatecosysteemfactoren8 De hierboven beschreven theorieën liggen ten grondslag aan deze elementen. Deze bouwstenen zijn in werkelijkheid natuurlijk nauw met elkaar verweven en/of afhankelijk van elkaar. Om het belang duidelijk te maken echter, worden ze in dit geval los van elkaar besproken.

Jaarlijks verplaatst zo’n 2% van alle bedrijven haar activiteiten, maar er vallen grote verschillen te onderscheiden tussen deze ondernemingen (Bodenmann & Axhausen, 2012; Brouwer, Mariotti & Van Ommeren, 2004). De belangrijkste directe reden is het gebrek aan (groei)ruimte, gevolgd door bereikbaarheid ((Balbontin & Hensher, 2019; Kronenberg, 2013; Weterings & Knoben, 2013; Pellenbarg, 2005). Jonge bedrijven veranderen vaker van locatie dan oudere bedrijven (Brouwer et al., 2004; Nilsen et al., 2020; Risselada et al., 2013). De kosten van bedrijfsmigratie nemen namelijk toe naarmate een bedrijf ergens al langer gevestigd is, niet alleen door de gedane investeringen (‘sunk costs’), maar ook door het opgebouwde stakeholdernetwerk van klanten, toeleveranciers, investeerders en eigenaren (Brouwer et al, 2013; Risselada et al., 2013). Anderzijds, ondernemers vestigen hun startup vaak in hun thuisregio en blijven hier ook tijdens de initiële groeifase gevestigd (Stam, 2007). Verreweg de meeste snelgroeiende bedrijven die succesvol hun product of dienst op de markt weten te zetten, na de eerste periodes van tegenwind (‘groeisyndroomfase’) en herstel-/accumulatiefase, blijven ook in de thuisregio gevestigd. Het zijn enkel de uitzonderingen die om een specifieke reden vertrekken (i.a. dichterbij belangrijke stakeholders).

Kanttekening is dat als snelgroeiende bedrijven eenmaal een extra vestiging buiten hun thuisregio geopend hebben zij op termijn ook minder hokvast worden. Er zijn grote verschillen tussen de sectoren: ondernemingen in de zakelijke dienstverlening, transport en bouw zijn relatief mobiel, terwijl bedrijven in de industrie, handel, horeca en publieke diensten juist trouw zijn – verklaring

Toegang tot talent Hoewel het bedrijven zijn die innovatie op de markt brengen, zijn het uiteindelijk de individuen binnen deze ondernemingen die innovatie ontwikkelen. Talent kan omschreven worden als personen die in staat zijn een (potentiële) bijdrage te leveren aan de waardecreatie door de productie/service voor een organisatie te verhogen, in het heden of in de toekomst (Makram, 2015). Het is een belangrijk concurrentievoordeel en een strategisch hulpmiddel voor bedrijven (Barney et al., 2001; King, 2017; Wright et al., 1994). Bedrijven hebben behoefte aan verschillende soorten talent (technisch, management, theoretisch- en praktisch geschoold) en elke bedrijfsfase vraagt een ander type talent (Markkula & Kune, 2015; Andersson & Karlsson, 2004). Onderwijsinstellingen, met een speciale plaats voor regionale universiteiten, spelen daarom een essentiële rol bij het voorzien van kennis, middelen en mogelijkheden voor co-creatie en vernieuwing in de regio. Tot slot is diversiteit in de culturele leefomgeving -onderdeel van een woonwerkklimaat - belangrijk (Pellenbarg, 2002). Over het algemeen groepeert talent zich in steden met een divers aanbod van sociaal-culturele activiteiten (Florida, 2012) en wordt grotendeels gecultiveerd door de kennis van en interacties tussen universiteiten en industrieën.

Toegang tot markt Ondernemers geven de voorkeur aan vestiging in de nabijheid van een directe, grote afzetmarkt afhankelijk van de doelgroep business-to-business (B2B), business-to-consumers (B2C) en business-togovernment (B2G) (World Economic Forum, 2013). Toegang tot nieuwe markten kan immers leiden tot meer klanten en daardoor tot een een hoger concurrentievermogen(McCutcheon & Hartley, 1994). Niet alleen door de hoge vraag, maar ook door de aanwezigheid van (lokale) concurrenten wordt de innovatiekracht van bedrijven geprikkeld (Audretsch & Beletski, 2017; Menon Economics & DNV, 2022). Onderzoek wijst erop dat de aanwezigheid van lokale concurrenten in een sector een positief effect heeft op de groei en mate van innovatie van bedrijven (Block, Fisch & Van Praag, 2017). Daarnaast speelt ook de aanwezigheid van ‘leader firms’ een belangrijke rol: zij creëren niet alleen extra vraag bij leveranciers in hun netwerk, maar hebben ook een belangrijke ‘soft powerrol’ als voorbeeldfunctie en (impliciete) kennisdeler (Nijdam, 2010). Leader firms hebben toegang tot markten die kleinere bedrijven niet kunnen aanboren.

Door hun ‘market power’, omvang en invloed kunnen toonaangevende bedrijven innovatie aanmoedigen, internationalisering van andere bedrijven in een cluster mogelijk maken en de interne coördinatie van een cluster verbeteren door middel van spill-over- en multiplicatoreffecten (Eng. multiplier) (Nijdam, 2010).

Toegang tot kapitaal Hoewel er onder ondernemers onderling discussie over is en sommige de voorkeur geven aan ‘bootstrappen’ - oftewel het zelf financieren van innovatie en bedrijfsuitbreiding op basis van de omzet – is (extern) kapitaal van groot belang voor een succesvolle en innovatieve bedrijfsvoering (Aaltonen, 2016). Nabijheid van investeerders is daarmee een belangrijke factor als het gaat om de vestigingbeslissing en succesvol ondernemerschap. De toegang tot kapitaal en de

8

Deze ‘centrale locatiefactoren’ kunnen (metaforisch) gezien worden als kapstokken waaraan een vestigingsklimaat wordt opgehangen en zijn steeds terugkerende factoren in de literatuur (o.a. Dialogic, 2021; Stam, 2015; Stam & Spigel, 2016; Stam & Van de Ven, 2021; TNO, 2020; World Economic Forum, 2021).

Erasmus Centre for Entrepreneurship | Gemeente Haarlemmermeer

14

15

16

Theoretisch kader

2

diversiteit van het financieringslandschap, niet alleen de beschikbaarheid van financiering (kwantiteit) maar ook de kwaliteit en verschillende vormen (grants, Venture Capital, private equity, etc.) zijn daarmee erg belangrijk voor het vestigingsbesluit van een bedrijf. Bovendien verschilt de financieringsbehoefte van een onderneming ook van bedrijfsfase tot bedrijfsfase en sector tot sector (Kerr & Nanda, 2015).

Voor startups speelt ook de aanwezigheid van incubators en accelerators een belangrijke rol voor het vestigen en het groeien (Stam & Van de Ven, 2021). Daarnaast hebben kennis- en onderwijsinstellingen en partijen die de onderzoekseconomie - aan de commerciële economie koppelen een belangrijke rol, waardoor wetenschappelijke kennis gevalideerd kan worden (Asheim, 2018; Chen & Hung, 2016; Jackson, 2011).

Toegang tot gerelateerde en ondersteunende industrieën

Institutionele en culturele context

Bedrijven worden aangetrokken door de voordelen van ‘agglomeration economics’; zij trekken vooral naar regio’s met een hoge bevolkingsdichtheid en hoge werkgelegenheid (De Bok & Van Oort, 2011; Nilsen et al., 2020). Localization economies verwijst naar de specifieke, positieve effecten van de co-locatie met bedrijven actief in dezelfde sector – ook wel Marshall externaliteiten genoemd (De Bok & Van Oort, 2011); de voordelen zijn onder andere lagere zoekkosten voor geschikt personeel, de aanwezigheid van een netwerk van gespecialiseerde leveranciers en ondersteunende dienstverleners, en opleidingsinstituten. Urbanization economies gaat over de algemene voordelen van gevestigd zijn in een stedelijk gebied, met een meer diverse arbeidsmarkt, toegang tot publieke faciliteiten en (culturele) instellingen, het leren van de best practises van andere bedrijven en een grotere, nabije afzetmarkt (Nilsen et al., 2020). Door meer interactie met andere bedrijven, zowel formeel in de productieketen als qua informele kennisoverdracht, en meer competitie zijn bedrijven in de steden vaak ook productiever (Combes, Duranton, Gobillon & Roux, 2010). Meer praktisch hebben bedrijven in hun ontwikkeling vaak ook behoefte aan ondersteuning en begeleiding, afhankelijk van de bedrijfsfase.

Voor startups is het vaak te duur om ervaren senior managers in dienst te nemen, maar zij kunnen alsnog een belangrijke rol vertolken als consultants en adviseurs; voor MKB en grootbedrijf gaat het naast een netwerk van leveranciers ook om de aanwezigheid van opleidings- en trainingsprogramma’s.

Hoewel controversieel, speelt een gunstig fiscaal klimaat internationaal een belangrijke rol (Baaij et al, 2009; Bodeman & Auxhausen, 2012; Bodenmann & Axhausen, 2012; Bondonio & Greembaum, 200). Ongeveer de helft van de belangrijkste locatiefactoren zijn gerelateerd aan belasting. Voor een regionaal vestigingsklimaat zijn belastingen een minder interessante factor vanwege relatief beperkte verschillen. Anderzijds zijn er natuurlijk wel regionale verschillen die een invloed (kunnen) hebben op de vestigingsbeslissing en het aanjagen van succesvol ondernemerschap (Haschka & Herwartz, 2020).

‘Bereikbaarheid’ is een sleutelwoord als het gaat om een vestigingsklimaat; efficiënte vervoerssystemen zijn essentieel voor het economische concurrentievermogen van regio’s en het aantrekken van bedrijven (De Bok, 2007; Hilber, 1999; Wegener, 2013). Een efficiënt vervoerssysteem heeft niet alleen gevolgen voor werknemers en de supply chain van bijna elk bedrijf, maar ook voor het verlagen van drempels voor het contact met andere stakeholders (Corwin & Pankratz, 2017). In samenwerking met het Rijk en de provincie heeft een gemeente ook een belangrijke rol bij het verbeteren en onderhouden van de (fysieke) infrastructuur. Bedrijven hebben een voorkeur voor vestigingsplaatsen met een treinstation en, in mindere mate, voor directe toegang tot de autosnelweg - het exacte belang hangt af van de sector (De Bok & Van Oort, 2011).

2.2 Vestigingsklimaten voor de zes groeisectoren: succesfactoren en ontwikkelingen In dit deelhoofdstuk worden de volgende subvragen beantwoord. Wat is vanuit het perspectief van vestigingsklimaatbeleid een sluitende definitie van de focussectoren? Wat zijn de belangrijkste ontwikkelingen en trends in deze sectoren? Wat zijn de belangrijkste voorwaarden voor de groei van bedrijven in deze sectoren?

Vanuit een vestigingsklimaatperspectief zijn er in Nederland een aantal uitdagingen, zoals de druk op de ruimte, de duurzaamheidstransities, de stikstofcrisis, waar wet- en regelgeving een cruciaal rol (kan) spelen bij het vinden van een oplossing. Eerder onderzoek van Erasmus Centre for Entrepreneurship (MRA, 2022) brengt naar voren dat ondernemers vooral behoefte hebben aan een duidelijke langetermijnvisie en stabiliteit omtrent beleid, wet- en regelgeving. Als het gaat om de sociaal-maatschappelijke uitdagingen waar we voor staan (zie ook Hoofdstuk 2.4) is ook hier behoefte aan een leidende visie, beleidscoördinatie, reflexiviteit en een gevoel van urgentie (Weber & Rohracher, 2012; Hekkert & Koenen, 2017). Dit is natuurlijk gemeente-overstijgend en dient gezamenlijk op lokaal, provinciaal, nationaal en Europees niveau te worden opgepakt.

De Duitse filosoof Friedrich Nietzsche (1844-1900), in de voetsporen van de pre-Socraat Anaxagoras, stelde dat al het begrip (van de wereld om ons heen) begint bij het gelijkstellen van het ongelijke. Lichtelijk gechargeerd zijn er waarschijnlijk meer verschillen tussen de bedrijven onderling binnen de sectoren dan tussen de sectoren (ook erkend door Decisio, 2021). Wat specifiek speelt in dit onderzoek is dat er daarnaast overlap tussen de sectoren is: een bedrijf dat gespecialiseerd is in een bepaalde vorm van ICTdienstverlening (business-to-business) en zelf geen technologie ontwikkelt, verschilt (waarschijnlijk) qua bedrijfsvoering weinig van een specialistische zakelijke dienstverlener. De logistiek is daarnaast onderdeel van elk bedrijf dat te maken heeft met fysieke producten.

Bij het definiëren van de sectoren in dit onderzoek, wordt een aantal centrale criteria gehanteerd. Er is bewust de keuze gemaakt voor een praktische operationalisering van de sectoren, met het zwaartepunt bij de toepassing op het gemeentelijk beleid voor de lange termijn, in tegenstelling tot een meer academische definitie. In de eerste plaats is het belangrijk dat de definitie duidelijk en kaderend is. Het moet duidelijk zijn wat de sector inhoudt qua activiteiten en er moet grosso modo onderscheid gemaakt kunnen worden tussen wanneer een bedrijf wel en niet tot een sector te rekenen valt. In de tweede plaats moet de definitie leiden tot een beter begrip van de sectoren. In de derde plaats, misschien wel het belangrijkst, moet de definitie operationaliseerbaar en toetsbaar zijn zodat de ontwikkelingen van de bedrijven in de sectoren actief gemonitord kan worden. Uitgangspunt van dit onderzoek is dat het draait om de specifieke succesfactoren van het vestigingsklimaat voor bedrijven die actief zijn in deze sectoren, met nadruk op de rol die de gemeente speelt in het faciliteren hiervan. Hierbij is het belangrijk dat de gemeente de sectoren en de behoeften goed begrijpt. Onderstaande deelhoofdstukken geven hier een eerste aanzet tot; in het vervolg van dit onderzoek wordt dit verder kwantitatief en kwalitatief in beeld gebracht.

De sectoren zijn echter altijd ‘in beweging’, met ontwikkelingen en verschuivingen op de korte, middellange en lange termijn. Deze transities hebben ook een invloed op de behoeftes van bedrijven. Daarom is het voor een gemeente van belang om continu de vinger aan de pols te houden en te weten er speelt binnen de ecosystemen.9

9 De duiding van de geïdentificeerde groeisectoren en diens belangrijkste vestigingsklimaatfactoren wordt gedaan in samenwerking met wetenschappelijke experts van de Erasmus Universiteit Rotterdam en het bedrijfsleven. Deze secties en factoren worden verder ‘ingevuld’ na afname van alle interviews.

Erasmus Centre for Entrepreneurship | Gemeente Haarlemmermeer

16

17

18

Theoretisch kader

2

2.2.1 Informatie en communicatietechnieken (ICT) De ICT-sector ‘Informatie en communicatie’ (J) is een snelgroeiende sector die een belangrijke rol speelt bij het faciliteren van communicatie, het delen van informatie en gegevensbeheer. De sector is opgebouwd uit de subsectoren: Uitgeverijen; Productie van films, TV, radio en muziek; Uitzending van radio- en televisieprogramma’s; Telecommunicatie; IT-dienstverlening; en Diensten op het gebied van informatie. De ICT-sector is cruciaal voor het functioneren van de moderne samenleving en speelt een cruciale rol bij het vormgeven van de toekomst. ICT-bedrijven hanteren meerdere verdienmodellen, een combinatie daarvan leidt tot een duurzame en gediversifieerde inkomstenstroom. Waar vroeger vooral gebruik gemaakt werd van het licentiemodel, zijn tegenwoordig abonnement- of lidmaatschap modellen bij SaaS (Software-as-aService), Cloud-computing en streamingdiensten veelvoorkomend (Datacenternetworks, 2018). Hier betalen klanten een vergoeding om toegang te krijgen tot diensten (Trendrapport, 2020). Ook worden inkomsten gegenereerd door advertentiemodellen: hier bieden bedrijven gratis diensten aan, zoals zoekmachines en social-media platforms, en genereren zij inkomsten door middel van advertenties. Daarnaast worden Freemium-modellen gebruikt als een combinatie van de op abonnementen gebaseerde en op advertenties gebaseerde modellen.

Klanten hebben gratis toegang tot een basisversie van de service, maar moeten betalen voor extra functies of om advertenties te verwijderen. Bij het pay-per-usemodel betalen klanten voor de specifieke hoeveelheid resources of services die ze gebruiken, voornamelijk bij Cloud-computing en opslagdiensten. Tot slot wordt het productverkoop model gebruikt door bedrijven die hardware zoals smartphones, laptops en andere elektronische apparaten verkopen. De behoeften van bedrijven actief in de sector informatie- en communicatietechnologie (ICT) variëren, afhankelijk van de specifieke producten of

Tot slot is adequate infrastructuur en ondersteuning van belang. De ICT-sector is afhankelijk van een scala aan infrastructuur en ondersteunende diensten (zoals telecommunicatienetwerken en datacenters) om effectief te kunnen opereren. Bedrijven in deze sector hebben behoefte aan toegang tot dit soort bronnen (Kamal, 2006).

diensten die worden geleverd en de behoeften van de klanten die worden bediend. Daarmee spelen er ook diverse specifieke locatiefactoren voor bedrijven in de ICT-sector (Cogman & Poon, 2012; Kamal, 2006): Ten eerste is de vraag naar innovatieve en hoogwaardige producten en diensten belangrijk, omdat bedrijven in de ICT-sector vaak up-to-date moeten blijven met de nieuwste technologieën en ontwikkelingen om aan de eisen van hun klanten te voldoen en concurrerend te blijven in de markt. Daarnaast leidt de nabijheid van klanten en markten, zoals de toegang tot transporten logistieke netwerken tot een vergemakkelijking van de distributie van producten en diensten (Cogman & Poon, 2012).

Belangrijke gebeurtenissen die de afgelopen jaren hebben plaatsgevonden in de ICT-sector zijn: de verspreiding van mobiele apparaten en de opkomst van mobiel computergebruik; de groei van de cloud computing-industrie; de opkomst van het Internet of Things (IoT); de opkomst van kunstmatige intelligentie en machine learning; de groei van sociale media en online platformen. Al met al is de ICT-sector een dynamische en snel evoluerende industrie, met continue belangrijke veranderingen en ontwikkelingen, die zich naar verwachting in de toekomst zullen voortzetten. Vandaag de dag is er ook een verschil tussen technologiebedrijven en technologie in bedrijven. Uber, Takeaway en Booking.com zijn voorbeelden van non-traditionele ICT-bedrijven, maar worden wel aangedreven door digitale technologieën (Interview Ting Li, 2022). Traditioneel gezien draait de ICT-sector alleen om hardware en software, maar tegenwoordig is het breder dan dat: software en digitale technologie zijn bijvoorbeeld ook onderdeel van financiële dienstverleners (Interview Ting Li, 2022). Het onderscheid tussen traditionele ICT-bedrijven en non-traditionele ICT-bedrijven is daardoor nagenoeg weggevallen, door de toepassing van de ICT-platformen op bestaande sectoren.

Ten tweede is er ook behoefte aan gekwalificeerde en goed geïnformeerde arbeidskrachten: de ICT-sector vertrouwt op hoogopgeleide en goed geïnformeerde arbeidskrachten om zijn producten en diensten te ontwikkelen en te ondersteunen. Als gevolg hiervan hebben bedrijven in deze sector mogelijk behoefte aan voortdurende training en ontwikkeling om ervoor te zorgen dat hun werknemers over de nodige vaardigheden en expertise beschikken. Daarin spelen de aanwezigheid van lokale universiteiten en technische scholen, die bekwame afgestudeerden afleveren, en de aanwezigheid van andere bedrijven, die toptalent aantrekken en behouden, een belangrijke rol. Ten derde is toegang tot kapitaal en financiering van belang omdat ICT-bedrijven behoefte hebben aan toegang tot kapitaal en financiering om onderzoek en ontwikkeling te financieren, in nieuwe technologieën te investeren of hun activiteiten uit te breiden. Ten vierde zijn sterke samenwerkingen tussen bedrijven, onderzoeksinstellingen en andere belanghebbenden essentieel in de ICT-sector, met name Als gevolg hiervan hebben bedrijven in de sector mogelijk behoefte aan sterke relaties met belangrijke partners om toegang te krijgen tot nieuwe technologieën of markten (Cingula et al., 2008).

Erasmus Centre for Entrepreneurship | Gemeente Haarlemmermeer

18

19

20

Theoretisch kader

2

2.2.2 Groothandel Groothandel vormt een onderdeel van de SBI-sector Handel (G), samen met de Autohandel en reparaties en de Detailhandel (retail). In essentie is groothandel logistiek van aard, met een traditioneel verdienmodel op basis van het op grote schaal inkopen en opslaan en vervolgens in kleinere hoeveelheden verkopen. Bij groothandel gaat het niet om de producten die verkocht worden, maar om de bovenliggende competenties zoals toegevoegde waarde, klantgemak, mate van digitalisering en schaalbaarheid van het businessmodel (Rabobank, 2021). De sector groothandel is cyclisch, beweegt dus mee met de algemene conjunctuur, en is sterk internationaal georiënteerd. Groothandels zijn onderdeel van veel verschillende waardeketens, met elk een eigen marktdynamiek, en bedienen vaak meerdere eindmarkten – afhankelijk van de specialisatie vormt een groothandel de verbinding tussen leverancier en retailer, merkeigenaar en B2B-klant, producent en klant. De groei van de focussector is dus afhankelijk van de vraag van de eindmarkten.

Daarnaast is de nabijheid van klanten en leveranciers een belangrijke factor (Sakai et al., 2020). De relatief grote ruimtebehoefte van groothandels, vanwege schaalvoordelen, maakt ook dat regionaal ruimtelijk beleid met betrekking tot het geven van vergunningen een grote invloed hebben op de vestigingslocatie. Net zoals de groothandel leidt de druk op de ruimte tot een verschuiving van een oriëntatie op vierkante meters (m2) naar kubieke meters; een ontwikkeling die ondersteund wordt door de toepassing van nieuwe technieken (De Koster, 2022).

een gevoel van nabijheid van groot belang. Specifieke vormen van specialistische zakelijke dienstverlening zijn meer grondgebonden dan andere vormen van dienstverlening: Bepaalde professionele diensten, zoals juridische of boekhoudkundige diensten, zijn bijvoorbeeld op staats- of nationaal niveau gereguleerd; van beoefenaars wordt daarom verlangd dat zij bepaalde regels en richtlijnen volgen.

2.2.3 Specialistische zakelijke dienstverlening De SBI-sector ‘Specialistische zakelijke diensten’ (M) is een uiterst diverse en brede verzameling van bedrijven, bestaande uit: juridische diensten en administraties; Holdings en managementadviesbureaus; architectenen ingenieursbureaus; research; reclamewezen en marktonderzoek; design, fotografie en vertaalbureaus; en veterinaire dienstverlening. Hoewel voor de hand liggend, moet allereerst gesteld worden dat deze sector dienstverlenend is en dus ondersteunend is voor andere bedrijven.

Vanwege de kwetsbare middenpositie, met margedruk vanuit zowel de leverancier als de klant, draait het voor groothandels om het vergroten van de toegevoegde waarde; deze toegevoegde waarde zit in factoren die leveranciers en klanten zelf niet hebben, zoals kennis, data, toegang tot specifieke markten en efficiëntie. (Digitale) technologie is zowel een bedreiging, omdat dit de interactie in de waardeketen sterk verandert waardoor leveranciers en klanten direct zaken kunnen doen, als een kans om de efficiëntie te vergroten. In de afgelopen jaren is de concurrentie voor groothandels uit verschillende hoeken sterk toegenomen, waaronder door logistieke dienstverleners, leveranciers en online retailers; toch groeit de sector sneller dan haar klanten.

De literatuur stelt dat specialistische zakelijke dienstverlening in sterke mate mobiel is, dus niet sterk grondgebonden, en nabijheid van klanten en daarmee nabijheid van financiële markten belangrijke vestigingsfactoren zijn. Deze services kunnen vaak worden aangepast aan de specifieke behoeften van een klant en kunnen op verschillende manieren worden geleverd, zoals persoonlijk, op afstand of via een combinatie van beide. Als gevolg hiervan kan de SBIsector vrij flexibel zijn hoe diensten worden verleend en het soort klanten dat wordt bediend. Ondanks een sterke mate van digitalisering is face-to-face contact en

Omdat groothandel in sterke mate logistiek is, gelden hier grotendeels dezelfde factoren. Belangrijke factoren voor groothandels zijn de nabijheid van een grote haven, internationale luchthaven en een goede (vracht)spoorverbinding (Daunfeldt et al., 2012).

Erasmus Centre for Entrepreneurship | Gemeente Haarlemmermeer

20

Het verdienmodel voor een bedrijf in deze sector hangt af van de specifieke diensten die worden geleverd en de behoeften van de klanten die worden bediend. Over het algemeen is het verdienmodel van de industrie gestoeld op de specifieke kennis van haar werknemers en leunt sterk op theoretisch geschoolden. Afhankelijk van de specifiek dienst kan het verdienmodel bestaan uit het adviseren van klanten, maar ook het uitvoeren van bepaalde activiteiten in de productieketen of de ‘back office’ van de klant. Er zijn verscheidene belangrijke gebeurtenissen die zich de afgelopen jaren hebben voorgedaan in deze SBI-sector. Ten eerste is er een toename in het gebruik van technologie in professionele dienstverlening. Zo hebben kunstmatige intelligentie en automatisering een grote impact gehad op de sector, waardoor bedrijven de efficiëntie kunnen verbeteren en diensten effectiever kunnen leveren. Ten tweede heeft de toenemende vraag naar duurzaamheid en maatschappelijk verantwoord ondernemen geleid tot een toename van de vraag naar diensten op het gebied van milieu, maatschappij en governance (ESG). Daarnaast heeft de impact van COVID-19 geleid tot een shift waarbij veel bedrijven overstapten op (gedeeltelijk) “remote-working” en virtuele diensten om zich aan te passen aan de uitdagingen van de pandemie.

Tot slot leidde de expansie van opkomende markten tot een toename van de vraag naar professionele diensten in deze regio's, wat de groei van de SBI-sector stimuleert.

21

22

Theoretisch kader

2

2.2.4 Cargo/logistiek Zoals eerder gesteld heeft elk bedrijf met een fysiek product te maken met logistieke processen – dit geldt in mindere mate voor dienstverleners. De SBI-sector ‘Vervoer en opslag’ (H) verwijst specifiek naar logistieke dienstverleners, bedrijven die logistieke dienstverlening als verdienmodel hebben. Onderscheid kan gemaakt worden tussen bedrijven die de opslag en transport uitvoeren en bedrijven die middels specialistische kennis het proces optimaliseren. Deze laatste categorie vertoont een grote mate van overeenkomsten met de specialistische zakelijke dienstverlening. Gedacht kan worden aan bedrijven die gespecialiseerd zijn in douanezaken. Logistiek is een discipline die fors in omvang is toegenomen door de groei van de mondiale economie en daarmee de complexiteit van de toeleveringsketen (Topolšek, et al., 2018). Het is een complexe wetenschap die de kwaliteit van bedrijfsprocessen verbetert en die een bedrijf in staat stelt om sneller te reageren op de eisen van zowel een markt als een klant. Het doel van een dergelijke optimalisatie is het meest effectieve gebruik van transportmiddelen, technologieën en menselijke hulpbronnen (Peceny et al., 2020; Ranieri et al., 2018). In dit onderzoek wordt logistiek vooral gezien in relatie tot vervoer.

De twee belangrijkste ontwikkelingen in deze sector zijn het duurzaamheidsvraagstuk en de toepassing van nieuwe (digitale) technologieën. Het duurzaamheidsvraagstuk speelt sterk in de transporten opslagindustrie en de industrie is onderworpen aan toezicht en controle op dit gebied (Činčalová & Hedija, 2020). Aanpassing aan de duurzaamheidswetgeving is een uitdaging voor zowel bestaande als voor nieuwe ondernemingen; het vormt een belemmering voor nieuwe bedrijven om de markt te betreden. Overheden kunnen een rol spelen bij het verlagen van deze drempels door goede voorlichting en duidelijk, voorspelbaar beleid.

Innovatie speelt een belangrijke rol bij de productiviteit en het concurrentievermogen van bedrijven in deze industrie (Gbadegeshin, 2019). Deze innovatie is echter complex, duur en afhankelijk van een risicovol proces, vooral voor het MKB (Gurau, 2004). Het LS&H innovatieproces wordt gekenmerkt door lange bedrijfscycli, meerdere belanghebbenden en complexe interacties en samenwerkingsverbanden (Attridge, 2007; Glass en Poli, 2009). De complexiteit van de sector stelt lokale innovatie-ecosystemen dan ook voor uitdagingen. Hoewel de grote wetenschappelijke bedrijven hun processen en strategieën hebben gewijzigd in de richting van een meer open benadering van innovatiebeheer, om hun concurrentievoordeel te beschermen of verder te ontwikkelen, moet het MKB nieuwe manieren zoeken om te overleven en toegang tot de markt te behouden (Marangos & Warren, 2017; Chiaroni et al., 2009). Volgens Attridge (2007, p. 221) zou het MKB nieuwe vaardigheden kunnen verwerven op basis van het ontwikkelen van interdisciplinaire samenwerking en specifieke en kerncompetenties voor het beheer van het proces over een wereldwijde reeks van contribuanten.

Supply chain management, expresslevering, e-commerce, omgekeerde logistiek, goederenlogistiek, maritieme, lucht- en landlogistiek, zijn allemaal vormen van logistieke operaties die aanzienlijk zijn verbeterd door de toepassing van nieuwe technologieën in vervoersketen. Deze nieuwe technologieën leiden tot een digitale transformatie van vervoer en logistiek en creëren een steeds grotere hoeveelheid data. Het Internet-of-Things (IoT), één van de meest verbreide trends in de logistiek en de vervoerssector, maakt optimaal gebruik van de communicatietechnologieën, zoals de Machine-to-Machine communicatie (M2M), om vrijwel elk object met het internet te verbinden. IoT kan worden gebruikt voor car-to-car communicatie en vele andere toepassingen van intelligente vervoerssystemen, met name door de toename van het gebruik van sensoren, Global Positioning Systems (GPS), Radio Frequency Identification (RFID) en WIFI, waardoor voertuigen en objecten steeds meer connectiviteit krijgen (Rey et al., 2021). Vervoer en logistiek worden dus een belangrijke bron van omvangrijke datasets. In feite kunnen al deze gegevens worden gezien als een enorme uitdaging wat betreft beheerscapaciteiten en middelen.

Het (nu nog) grotendeels onbenutte potentieel van deze gegevens biedt echter ook enorme mogelijkheden om nuttige nieuwe bedrijfsmodellen te creëren en de klantervaring en operationele efficiëntie te verbeteren (Borgi et al., 2017; Liashenko et al., 2021).

Grote LS&H bedrijven hebben grotendeels hun innovatiefocus naar buiten verschoven en kijken naar kleine bedrijven voor (de ontwikkeling van) nieuwe patenten, en zijn op zoek naar partners om met succes kennis te evalueren, te gebruiken en te verwerven (Sabatier et al., 2010, p. 3). Ondanks de dominantie van wereldwijde spelers zijn lokale markten erg belangrijk. Lokale clusters genereren niet alleen kennisexternaliteiten, maar creëren ook een markt voor lokaal MKB dat producten en diensten ontwikkelt voor academische en industriële actoren in de biowetenschappen. Een grote, gediversifieerde wetenschappelijke en technologische basis binnen een regio is noodzakelijk voor de continue totstandkoming van nieuwe innovatie en ondernemingen. In deze gespecialiseerde regio's is de oprichting van ondernemingen niet regelmatig, omdat wetenschappelijke en technologische ontdekkingen

2.2.5 Life Sciences & Health In dit onderzoek wordt de groeisector ‘Life Sciences & Health’ breder gezien, als ‘Pharma, Medical & Healthcare’; bedrijven zijn verspreid over verscheidene SBI-sectoren (zie Infographic voor het overzicht). Dit heeft uitdrukkelijk geen betrekking op bedrijven in de SBI-sector ‘Gezondheids- en welzijnszorg’ (Q). Er is namelijk een belangrijk onderscheid tussen de bedrijven actief in de ‘traditionele’ zorg en hulpverleningskant, de ‘toepassing en uitvoering’, en ondernemingen die gespecialiseerd zijn in de ontwikkeling van LS&H innovaties, met het zwaartepunt bij ‘tech-ontwikkeling’.

Erasmus Centre for Entrepreneurship | Gemeente Haarlemmermeer

alleen betrekking hebben op specifieke deelgebieden. Deze dynamiek is echter sterk afhankelijk van organisatorische factoren. Eerder dan het kwantitatieve potentieel van het publieke en private onderzoek in de regio zijn het de diversiteit van de beschikbare wetenschappelijke competenties en de capaciteit om publiek-private interacties te ontwikkelen die de oprichting van biotechbedrijven in de regio bevorderen (Autant-Bernard et al., 2006). Het positieve effect van "onderzoeksmarkten" (academische wereld, R&Dafdeling) is sterker tijdens de opkomende fase van de industrie dan wanneer de industrie volwassen wordt en meer consument- en marktgericht wordt. Overheden kunnen de LS&H-industrie bevorden door stimulering van de ontwikkeling van lokale onderzoeksmarkten, middels funding en faciliteiten, en stimulering van publiek-private synergieën.

22

23

24

Theoretisch kader

2

2.2.6 Circulaire economie De kansrijke sector circulaire economie is een geval apart, omdat het niet zo zeer een sector is, maar een ontwikkeling die, afhankelijk van de exacte definiëring, van toepassing is op vrijwel alle SBIsectoren. Zoals eerder gesteld, benadert de gemeente Haarlemmermeer deze ontwikkeling vanuit de hoek 'grondstoffen en energie. Het Planbureau voor de leefomgeving (PBL), onderdeel van het rijksbrede programma Circulaire Economie, stelt “een circulaire economie is gericht op het optimaal inzetten en hergebruiken van grondstoffen in de verschillende schakels van de productieketen: van de winning van grondstoffen tot consumptie. Grondstoffen dreigen schaars te worden door een groeiende bevolking en toenemende welvaart in de wereld. Hierdoor wordt het steeds belangrijker om de beschikbare grondstoffen zo efficiënt mogelijk te gebruiken. Dit geeft ook nieuwe kansen voor bedrijven: nieuwe markten, meer samenwerking en minder grondstoffenverbruik. De transitie naar een circulaire economie is volgens de Europese Commissie ‘de gelegenheid om onze economie te transformeren en nieuwe en duurzame concurrentievoordelen voor Europa te genereren’.”10 Probleem van bovenstaande opvatting van het concept is dat deze heel breed is. Onderscheid valt te maken in: 1) Bedrijven die een circulair verdienmodel hebben (i.a. recycling/hergebruik van materialen - bv.

duurzame keukens); 2) Bedrijven die de ‘achterkant’ van de waardeketen vormen (i.a. afval- en reststroomverwerking); 3) Circulariteit in relatie tot de duurzaamheidstransitie - bedrijven in de groene energiehoek (i.a. zonnepanelen, windmolens, warmtepompen, etc.); 4) Bedrijven die andere ondernemers helpen met het verduurzamen van het verdienmodel en operaties. Al deze opvattingen vallen onder PBLs kadering: “In een circulaire economie staat juist het hergebruik van producten en grondstoffen centraal en worden afval en schadelijke emissies naar bodem, water en lucht zo veel mogelijk voorkómen (‘het sluiten van kringlopen’).” In lijn met deze definitie

van het PBL benadert de gemeente Haarlemmermeer de transitie vanuit het perspectief van 'Energie en grondstoffen'; dit valt grotendeels onder de categorieën 2 en 3.

genomen, een spreekwoordelijke slag om de arm, en niet al te boud stelling moet worden genomen. Wat wel, zonder enige twijfel, gesteld kan worden, is dat er sprake is van een aantal ‘transities’ die op dit moment spelen.

Volgens dr. Steve Kennedy is circulariteit geen (eind)doel op zich maar een tussenstap naar een duurzame economie, die restoratief en regeneratief is (interview 23 november 2022). Die uitdaging is om de economische stromen (zoveel mogelijk) gesloten te houden op het niveau van de hoogst mogelijke toegevoegde waarde. Duurzaamheid en circulariteit moeten daarnaast niet gezien worden op individueel bedrijfsniveau, maar het gaat het erom dat het totale ecosysteem in balans is. Kennedy stelt bovendien dat het van belang is om bio-fysieke componenten en de invloed van de economische activiteiten op de leefomgeving, mee te nemen bij het beoordelen van een vestigingsklimaatecosysteem.

Transitieonderzoek beoogt het potentieel van maatschappelijke of technologische veranderingen benutten door de dynamiek van verandering te begrijpen en om in te zetten op richtinggevende punten voor maatschappelijke transities (Grin, Rotmans & Schot, 2010; Loorbach et al., 2017). Het stelt maatschappelijke transities voor als de structurele en systematische herconfiguratie van een stabiel systeem naar een nieuw dynamisch evenwicht, dat zich in de loop van decennia of generaties ontwikkelt (Grin et al., 2010; Kanger & Schot, 2019).11 Markten die radicale innovaties en dus transities stimuleren en bevorderen, bevinden zich meestal ofwel in een vroeg ontwikkelingsstadium of zijn nog niet-bestaand. Vanuit een transitieperspectief zijn de belangrijke aanjagers de nieuwe spelers in het ecosysteem en niet de grote, gevestigde bedrijven en hun bestaande specialisaties (van Bree et al., 2020). Deze bevindingen in de literatuur zijn zeer belangrijk met het oog op de ontwikkeling van een bloeiend en aantrekkelijk vestigingsklimaat voor nieuwe "innovators". Lokale overheden worden dus gestimuleerd om de factoren te vinden die bijdragen aan het creëren van een "transitie" en innovatie-vriendelijk economisch klimaat. De belangrijkste uitdaging is dat dit klimaat het resultaat is van een nog onbekende combinatie van kennis, technologie, beleid en bedrijfsactiviteiten.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Haarlemmermeer&id=bcf35b57-a6f3-4f32-90cc-93bc5156ce8a