Bijlage Ruimtelijke onderbouwing Uniformplatform
Tekst van het document
Afgezien daarvan is er binnen het plangebied weinig tot geen potentie voor andere soorten; Grondgebonden zoogdieren: in het plangebied zelf zijn er geen waarnemingen bekend van kleine marterachtigen. Het is wel mogelijk dat deze voorkomen in het gebied, als ook andere (kleine) zoogdieren (vos, haas, egel en verschillende algemene soorten (spits)muizen). Het plangebied biedt schuilmogelijkheden in de vorm van dichte vegetatie, begroeide oeverranden, opgeslagen materialen, stronken en takken waar kleine marterachtigen gebruik van kunnen maken. Tijdens het nader onderzoek zijn er waarnemingen gedaan van de (spits)muizen, Bruine rat en de Waterhoen. Verder zijn er geen marterachtigen waargenomen. Daarom worden er geen negatieve effecten verwacht op kleine marterachtigen in het plangebied;
6 december 2024
CLICK TO ENTER "DLCOLOPHON"
BJ1012-RHD-RDI-RP01
24
Projectgerelateerd
•
Vleermuizen: in de omgeving van het plangebied zijn drie soorten vleermuizen waargenomen (gewone dwergvleermuis, laatvlieger en rosse vleermuis). De waarnemingen betroffen foeragerende en langsvliegende exemplaren. Het plangebied is geschikt voor foeragerende vleermuizen. Echter is er geen potentie van verblijfplaatsen door het gebrek aan bebouwing en bomen.
Gebiedsbescherming Het plangebied bevindt zich op meer dan 10 kilometer afstand van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ‘Kennemerland-Zuid’. Op basis van de afstand, afscherming door groengebieden en stedelijk gebied en de uit te voeren werkzaamheden worden er geen directe negatieve gevolgen verwacht. Er is de mogelijkheid tot een toename in stikstofemmissie en depositie; zie § 4.7 Stikstof. Het planvoornemen hoeft niet getoetst te worden aan de beschermende waarden binnen het Natuurnetwerk Nederland (NNN), aangezien het niet binnen de begrenzing van het NNN ligt. Hetzelfde geldt voor het Bijzonder Provinciaal Landschap. Conclusie Het plangebied biedt geen geschikt leefgebied voor beschermde flora, amfibieën en vissen. Hoewel er geen verwachtingen zijn voor broedvogels met een jaarrond beschermd nest in het plangebied, kunnen er wel broedvogels voorkomen met een niet-jaarrond beschermd nest. Zo is er een broedende Oeverzwaluw aangetroffen. Er dient een alternatieve nestgelegenheid of vervangend leefgebied te worden aangeboden, of buiten het broedseizoen te worden gewerkt. Uit nader onderzoek is gebleken dat er geen kleine marterachtigen voorkomen in het plangebied.
Gezien de aard van de plannen, de reikwijdte daarvan en de locatie van het plangebied ten opzichte van beschermde gebieden is, buiten eventuele indirecte gevolgen door toegenomen stikstofemissie, op voorhand uit te sluiten dat beschermde gebieden onder de Wnb of andere (provinciaal) beschermde of aangewezen gebieden, direct beïnvloed worden door de plannen.
4.7
Stikstof
Wettelijk kader De Wet natuurbescherming (Wnb) voorziet in specifieke kaders voor gebieden die op grond van internationale verplichtingen moeten worden beschermd, te weten de Natura 2000-gebieden, bedoeld in de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Vanwege de Wnb zijn projecten vergunningplichtig als ze, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen, significante gevolgen voor habitattypen of soorten kunnen hebben in de Natura 2000-gebieden. Er is sprake van significantie als een project de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000-gebied in gevaar dreigt te brengen. In veel Natura 2000-gebieden is door een overbelasting van stikstof (stikstofoxiden en ammoniak) een probleem met de realisatie van de instandhoudingsdoelstellingen. Nieuwe ontwikkelingen die een toename van de stikstofdepositie tot gevolg hebben, kunnen hierdoor significante negatieve effecten hebben voor de instandhoudingsdoelstellingen. Effecten van een plan op de stikstofdepositie kunnen ontstaan tijdens de gebruiks- en/of realisatiefase van het project. Met het rekenmodel “AERIUS Calculator” kan de stikstofdepositie (mol N/ha/jaar) op stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden ten gevolge van de ontwikkeling worden berekend. Voor het berekenen van de stikstofdepositie worden in het rekenmodel de emissies van stikstof in de verschillende situaties ingevoerd.
Het rekenmodel berekent vervolgens de verspreiding van deze stikstofemissies en de stikstofdepositie binnen Natura 2000-gebieden op stikstofgevoelige habitattypen en stikstofgevoelige leefgebieden van soorten. 6 december 2024
CLICK TO ENTER "DLCOLOPHON"
BJ1012-RHD-RDI-RP01
25
Projectgerelateerd
Beschouwing Op 26 september 2023 heeft de minister voor Natuur en Stikstof Schiphol de Wnb-vergunning verleend voor de exploitatie van de luchthaven, voluit het besluit vergunning Wet natuurbescherming project Exploitatie Luchthaven Schiphol d.d. 26 september 2023 met kenmerk DGNV / 20307623. De vergunning is verleend voor een jaarlijks aantal van 440.000 vliegtuigbewegingen handelsverkeer, klein luchtverkeer (general aviation) en alle met de exploitatie samenhangende grondgebonden activiteiten. Tot het moment waarop het Luchthavenverkeerbesluit (LVB) luchthaven Schiphol is gewijzigd is bovendien vergunning verleend voor een jaarlijks aantal van 500.000 vliegtuigbewegingen. Naast de genoemde luchtgebonden activiteiten (landen, stijgen en taxiën van handels- en general aviation-verkeer) zijn de volgende grondgebonden activiteiten toegestaan, die ook toegestaan zijn op grond van de vigerende omgevingsvergunning milieu voor luchthaven Schiphol.
Dit betreft met name: • Het in gebruik hebben van auxiliary power units (APU): gebruik van een kleine motor in het vliegtuig die het vliegtuig van stroom voorziet en stroom die benodigd is voor andere functies dan voor voortstuwing; • Proefdraaien: het testdraaien van motoren terwijl een vliegtuig stilstaat en opgesteld staat op één van de proefdraaiplaatsen; • Platformverkeer: het gebruiken en in werking hebben van alle voertuigen en mobiele werktuigen op en rond het platform; • Het in gebruik hebben van ground power units (GPU): verrijdbare apparaten die geparkeerde vliegtuigen van stroom voorzien; • Gasverbruik van de gebouwen; • Baanonderhoud aan de Polderbaan; • Andere werkzaamheden in het kader van aanleg, renovatie en beheer voor zover onlosmakelijk verbonden met de exploitatie van Schiphol. De aantrekkende werking op het wegverkeer, inclusief het verkeer op het luchthaventerrein, is een direct gevolg van de exploitatie van Schiphol. Daarom is dit effect betrokken in de passende beoordeling (PB) en de stikstofberekening in het kader van de Wnb-vergunningaanvraag en wijziging LVB. Uit de stikstofberekening van het projecteffect in het kader van de PB volgt een toename van stikstofdepositie op dertien Natura 2000-gebieden.
Met behulp van mitigerende (interne en externe) maatregelen wordt zorggedragen dat de voorgenomen activiteit in geen van de Natura 2000-gebieden leidt tot een toename in stikstofdepositie op locaties waar de kritische depositiewaarde (KDW) wordt overschreden. De interne maatregelen zijn: • Het behalen van 15% reductie van de emissies van het taxiën door middel van éénmotorig ‘N-1 taxiën’ • Het behalen van 5% reductie van de emissies van de grondoperatie door verdere elektrificatie en beperking van het APU-gebruik Daarnaast is met behulp van extern salderen inclusief 30% afroming conform de Beleidsregel extern salderen depositietoename in relevante Natura 2000-gebieden voorkomen, door de depositieveroorzakende activiteiten van de saldogevers (blijvend) te beëindigen. Gebruiksfase Ten aanzien van het gebruik als platform stelt de Wnb-vergunning het volgende onder grondgebonden activiteiten: “De PB stelt in paragraaf 4.1 van het Hoofdrapport dat significante gevolgen op de instandhoudingsdoelstellingen door grondgebonden activiteiten op het luchthaventerrein uitgesloten kunnen worden. De banen en infrastructuur zijn op minstens 7 km verwijderd van het meest nabije Natura 2000-gebied waardoor verstoring door grondgebonden activiteiten uitgesloten kunnen worden.” 6 december 2024
CLICK TO ENTER "DLCOLOPHON"
BJ1012-RHD-RDI-RP01
26
Projectgerelateerd
Ook volgens deelrapport 3d (Ecologische beoordeling) hebben de grondgebonden handelingen op Schiphol, zeker geen effecten op instandhoudingsdoelstellingen van nabije Natura 2000-gebieden omdat de afstand tot Natura 2000-gebieden te groot is om nog effecten te kunnen veroorzaken. Aanlegfase Ten aanzien van de aanlegfase stelt de Wnb-vergunning het volgende: “Schiphol heeft aangegeven jaarlijks diverse bouwwerkzaamheden uit te voeren die onlosmakelijk zijn verbonden met de exploitatie van Schiphol. De werkzaamheden zijn divers, van het plaatsen van kleine objecten, bijvoorbeeld een bushokje, tot de renovatie van een terminal. De effecten voor de natuur zijn in de aanvraag beoordeeld als onderdeel van de Voorgenomen Activiteit (zie rapport 3b, Emissies en deposities, paragraaf 3.6).” “Als resultaat van de interne en externe maatregelen, is ook in de situatie met (bouw)werkzaamheden in geen van de Natura 2000-gebieden een toename van stikstofdepositie op locaties waar de kritische depositiewaarde (KDW) wordt overschreden. Daarmee kunnen significant negatieve effecten worden uitgesloten.
De maximaal toegestane emissie is vastgelegd in de voorschriften in combinatie met een voorafgaande meldingsplicht van de werkzaamheden aan de toezichthouder.” Specifiek gaat het hier om vergunningvoorschrift 20: “Het is vergunninghouder toegestaan diverse bouwwerkzaamheden in het kader van aanleg, renovatie en beheer uit te voeren, die onlosmakelijk zijn verbonden met de exploitatie van Schiphol. Hiervoor geldt als uitgangspunt dat er maximaal 46 ton/jaar NOx en 0,71 ton/jaar NH3 mag worden uitgestoten.” Dit betreft de reservering voor stikstofruimte ten behoeve van projecten. Daarbij dient wel aangetoond te worden op welke wijze de stikstofruimte wordt gebruikt. Het blijft dus noodzakelijk door middel van een AERIUS-berekening vast te stellen wat het projecteffect is, waarbij een depositietoename verrekend kan worden met de stikstofruimte die in de Wnb-vergunning is opgenomen. Aan dit voorschrift is de verplichting verbonden om de werkzaamheden in het kader van aanleg, renovatie en beheer, inclusief de daarmee gepaard gaande stikstofemissie, vier weken voorafgaand aan de uitvoering te melden aan de toezichthouder, het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (voorschrift 27). In Bijlage 5 is de rapportage van het onderzoek stikstofdepositie opgenomen inclusief AERIUSberekening.
Uit de rekenresultaten zoals weergegeven in bijlage 1 van het rapport, volgt dat vanwege de aanlegwerkzaamheden van het Uniform platform fase 3 sprake is van een depositiebijdrage van 0,01 mol H/ha/jar ter plaatse van ca. 416,38 ha in het Natura 2000-gebied Kennemerland-Zuid en ca. 0,07 ha in het Natura 2000-gebied Polder Westzaan. In totaal is sprake van 21,4 kg/jaar emissie NH3 en 729,5 kg/jaar emissie NOx in het (reken)jaar van aanleg 2024. Met verwijzing naar vergunningvoorschriften 20 en 27 uit de Wnb-vergunning zal melding worden gedaan bij LNV dat voor de aanleg van Uniform-3 gebruik wordt gemaakt van de stikstofruimte voor projecten uit de Wnb-vergunning. Conclusie Met verwijzing naar de Wnb-vergunning (voluit het besluit vergunning Wet natuurbescherming project Exploitatie Luchthaven Schiphol d.d. 26 september 2023 met kenmerk DGNV / 20307623) en de in het kader van die vergunning uitgevoerde stikstofonderzoeken leidt dit project in de gebruiksfase niet tot een toename van stikstofuitstoot op stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000-gebieden. De aanlegwerkzaamheden leiden wel tot stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000gebieden. Daarom wordt aanspraak gemaakt op de stikstofruimte voor projecten (bouwwerkzaamheden die onlosmakelijk verbonden zijn met de exploitatie van Schiphol).
Separaat aan deze vergunningaanvraag wordt melding gedaan bij de toezichthouder van LNV (uiterlijk 4 weken voor aanvang
6 december 2024
CLICK TO ENTER "DLCOLOPHON"
BJ1012-RHD-RDI-RP01
27
Projectgerelateerd
van de werkzaamheden), zodat het stikstofsaldo geactualiseerd kan worden. In totaal is sprake van 21,4 kg/jaar emissie NH3 en 729,5 kg/jaar emissie NOx in het (reken)jaar van aanleg 2024. Hiermee vormt dit onderdeel geen belemmering voor het planvoornemen.
4.8
Externe veiligheid
Wettelijk kader Het wettelijke kader voor externe veiligheid bestaat uit verschillende besluiten en regelingen. Deze besluiten regelen aan welke milieukwaliteitseisen met betrekking tot externe veiligheid moet worden voldaan. De volgende besluiten zijn van toepassing op onderzoek in het kader van externe veiligheid: • Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi): Inrichtingen met gevaarlijke stoffen; • Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt): Spoorwegen, autowegen, vaarroutes met transport van gevaarlijke stoffen; • Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb): Hogedruk aardgasleidingen. Beschouwing De uitbreiding van het Uniform platform vormt een aanvulling op het bestaande gebruik van het platform. Hoofdzakelijk gaat het hier om het tijdelijk parkeren van vliegtuigen, zonder dat er passagiers in de vliegtuigen zitten. Tussen de vliegtuigen (Schiphol airside) en eventuele kwetsbare objecten of personen (Schiphol landside) wordt door middel van zonering al rekening gehouden met veiligheidsafstanden. Formeel valt een vliegtuig als vervoermiddel ook niet onder het kader van externe veiligheid, maar onder de Wet luchtvaart. In het Luchthavenverkeerbesluit (LVB) luchthaven Schiphol zijn de normen en grenswaarden vastgelegd voor geluidbelasting, emissies en externe veiligheid (artikel 4.1.1).
Het plangebied bevindt zich ook niet in het invloedgebied van andere bronnen. Conclusie De voorgenomen uitbreiding omvat geen externe veiligheidsaspecten en deze zijn daarmee niet van toepassing.
4.9
Bedrijven en milieuzonering
Wettelijke kader In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet bij een nieuw initiatief rekening worden gehouden met de belangen van gevestigde bedrijven en met een goed woon- en leefklimaat van de omgeving. Door middel van milieuzonering wordt voldoende ruimtelijke scheiding aangebracht tussen milieubelastende en milieugevoelige functies ter bescherming of vergroting van de leefkwaliteit. De Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) heeft hiervoor een handreiking opgesteld: de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' (2009). Hierin zijn afstanden opgenomen voor verschillende vormen van hinder, zoals geur, stof, geluid en gevaar. Beschouwing Het planvoornemen omvat een uitbreiding van het Uniform-platform binnen het luchthavengebied. Deze verandering heeft geen invloed op de afstand tussen de inrichting SNBV (Schiphol Nederland B.V.) en gevoelige functies in de omgeving. Door middel van het uitvoeren van verschillende onderzoeken naar onder andere geluid en stikstof is aangetoond dat dit project als onderdeel van de gehele operatie van Schiphol geen significante bijdrage levert aan eventuele milieuoverlast ten opzichte van gevoelige functies, in vergelijking met de huidige situatie. Dit geldt zowel voor de burgerwoningen aan de Sloterweg als voor eventuele nieuwe bedrijvigheid op de te ontwikkelen bedrijfslocatie Lijndenhof in BadhoevedorpZuid.
6 december 2024
CLICK TO ENTER "DLCOLOPHON"
BJ1012-RHD-RDI-RP01
28
Projectgerelateerd
Conclusie Vanuit het aspect van Bedrijven en milieuzonering is er geen belemmering voor de uitbreiding van het Uniform-platform.
4.10
Archeologie en cultuurhistorie
Wettelijk kader In de Erfgoedwet (2015) is bepaald dat gemeenten in het kader van ruimtelijke ordening rekening dienen te houden met het archeologisch erfgoed. In dit verband dient bij de voorbereiding van een bestemmingsplan een inventariserend archeologisch onderzoek te worden gedaan, zodat in het plan indien nodig - een passende regeling kan worden getroffen om aanwezige archeologische waarden te beschermen. In het kader van de modernisering van de Monumentenwet tot de Erfgoedwet is in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) opgenomen dat in een bestemmingsplan niet alleen een beschrijving moet staan op welke wijze rekening gehouden wordt met aanwezige of te verwachten monumenten in de grond (archeologie), maar ook met de aanwezige cultuurhistorische waarden. Beschouwing In het projectgebied, of in directe omgeving daarvan, bevinden zich geen monumenten of beeldbepalende objecten van (middel)hoge cultuurhistorische waarde. Ook bevindt het gebied zich niet in een beschermde stads- of dorpsgezicht. In het bestemmingsplan is (dan ook) geen dubbelbestemming met archeologische waarde opgenomen. Conclusie Er bevinden zich geen archeologische en/of cultuurhistorische waarden binnen het plangebied. Deze aspecten vormen geen belemmering voor het planvoornemen.
4.11
Ontplofbare oorlogsresten
In de Nederlandse bodem zitten nog veel ontplofbare oorlogsresten (voorheen: conventionele explosieven of niet-gesprongen explosieven) uit de Tweede Wereldoorlog. Bij het opsporen en ruimen van ontplofbare oorlogsresten (hierna: OO) vormt de openbare orde en veiligheid het bepalende uitgangspunt. De burgemeester is op grond van artikel 172 van de Gemeentewet belast met de handhaving daarvan. De beslissing om in een concrete situatie al dan niet over te gaan tot het opsporen en ruimen van OO is dus de bevoegdheid van de burgemeester. In een OO-verdacht gebied is de grondroerende partij verplicht een explosievenonderzoek uit te voeren in het kader van een ‘veilige werkomgeving en veiligheid voor derden en de omgeving. Dit volgt direct uit de Arbeidsomstandighedenwet (Arbowet) en onderliggende wet- en regelgeving, waarin regels staan over de omgang met ontplofbare oorlogsresten. Het Arbobesluit, artikel 4.10, lid 2 spreekt over het risico van de mogelijke aanwezigheid OO te inventariseren en te evalueren door oriënterend onderzoek vóór aanvang van de werkzaamheden. De toelichting daarop geeft aan dat “het oriënterend onderzoek een “quick scan” betreft waarmee, bijvoorbeeld bij de betreffende gemeente of op de bommenkaart, na wordt gegaan of er in dat gebied oorlogshandelingen hebben plaatsgevonden”. Vaak wordt hiervoor ook een bodembelastingskaart gebruikt.
Beschouwing Bij alle aangemelde projecten wordt het digitale systeem van Schiphol met ontplofbare oorlogsresten (OO) geraadpleegd. Als OO worden verwacht, zal onderzoek worden uitgevoerd en zullen deze indien noodzakelijk worden verwijderd. De beoogde activiteiten zullen pas worden gestart als de locatie is vrijgegeven. Schiphol heeft hiervoor een convenant met de gemeente Haarlemmermeer. Schiphol laat de onderzoeken naar de aanwezigheid van OO uit de Tweede Wereldoorlog op bij hun in eigendom zijnde
6 december 2024
CLICK TO ENTER "DLCOLOPHON"
BJ1012-RHD-RDI-RP01
29
Projectgerelateerd
gebieden zelf uitvoeren en rapporteert vervolgens aan de gemeente. In de gebieden binnen de gemeente die buiten de luchthaven liggen, komen de onderzoeken voor rekening van de gemeente. Conclusie Het aspect ontplofbare oorlogsresten vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit project.
4.12
Kabels en leidingen
In een ruimtelijk plan dienen planologisch relevante leidingen te worden opgenomen. Deze kunnen beperkingen opleggen aan het gebruik in de omgeving. Planologisch relevant zijn hoofdnutsvoorzieningen, zoals waterleidingen, aardgasleidingen, hoogspanningsleidingen, afvalwaterleidingen, en dergelijke. Indien dergelijke leidingen in het plangebied voorkomen zullen deze als zodanig bestemd moeten worden, inclusief de afstand die vrijgehouden moet worden van bebouwing ter bescherming van de leiding. Beschouwing Bij de inrichting van het plangebied wordt rekening gehouden met de aanwezige kabels, leidingen en verbindingen. Deze worden waar nodig ruimtelijk ingepast. Derhalve vormen de aanwezige kabels, leidingen en verbindingen binnen het plangebied geen belemmering. Conclusie Er worden met deze vergunningaanvraag geen ontwikkelingen mogelijk gemaakt die een probleem opleveren met betrekking tot de veiligheid van de diverse kabels en leidingen.
4.13
m.e.r.-beoordeling
In het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) is vastgelegd wanneer voor welke activiteiten een verplichting geldt tot het maken van een (project-)MER (onderdeel C) en is aangegeven in welke situaties voor welke activiteiten een (vormvrije) m.e.r-beoordelingsplicht geldt (onderdeel D). Met terugwerkende kracht bestaat per 16 mei 2017 met de Wet implementatie herziene m.e.r.-richtlijn, ook beneden de drempel van onderdeel D een m.e.r.-beoordelingsplicht. Een m.e.r.-beoordeling gaat na of er (ter beoordeling door het bevoegd gezag) een aanleiding is voor het opstellen van een MER. Het in gebruik nemen van het Uniform platform voor vliegtuigopstelplaatsen staat als activiteit niet genoemd in onderdeel C of D van de Bijlage behorende bij het Besluit milieueffectrapportage. Op grond hiervan hoeft geen MER opgesteld te worden en is geen m.e.r.-beoordelingsbesluit nodig. Op basis van de in dit hoofdstuk behandelde milieueffecten is bovendien aangetoond dat het initiatief milieutechnisch inpasbaar is en er geen sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu als gevolg van het voorgenomen gebruik als platform.
6 december 2024
CLICK TO ENTER "DLCOLOPHON"
BJ1012-RHD-RDI-RP01
30
Projectgerelateerd
5
Maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid
5.1
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Procedure Conform artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en artikel 6.18 Besluit omgevingsrecht (Bor) is het verplicht om bij de voorbereiding van een omgevingsvergunning overleg te voeren met het Rijk, de provincie en het waterschap. Dit overleg is vormvrij en de betreffende instanties kunnen ook aangeven wanneer overleg niet nodig is. Burgers en maatschappelijke instanties worden tijdens de termijn van terinzagelegging van het ontwerpbesluit gedurende 6 weken in de gelegenheid gesteld hun zienswijze kenbaar te maken.
5.2
Economische uitvoerbaarheid
Initiatiefnemer Schiphol neemt alle kosten voor het project en de procedure voor eigen rekening. Het plan is daarmee economisch uitvoerbaar.
6
Conclusie
Om de huidige trend waarbij luchtvaartmaatschappijen overstappen naar grotere vliegtuigtoestellen te accommoderen, dient Schiphol meer parkeergelegenheid te creëren voor WABO-toestellen. Deze ontwikkeling heeft geen gevolgen voor de passagiersafhandeling op Schiphol, het milieu en nabijgelegen woongebieden. De uitbreiding van het Uniform platform is in strijd met het vigerende bestemmingsplan Schiphol. Om het planvoornemen mogelijk te maken wordt een omgevingsvergunning aangevraagd. Met onderhavige ruimtelijke onderbouwing is aangetoond dat: •
het beoogde gebruik past in het vigerende beleidskader;
•
het beoogde gebruik niet leidt tot onomkeerbare milieu- en omgevingseffecten;
•
het beoogde gebruik en de afwijking van het bestemmingsplan economisch uitvoerbaar is;
•
het beoogde gebruik niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.
Het plan ter zake het afwijken van het bestemmingsplan voldoet aan het vereiste van een goede ruimtelijke ordening in de zin van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en de Wet ruimtelijke ordening (Wro), zodat geconcludeerd kan worden dat de voorgenomen ontwikkeling van de uitbreiding van het Uniform-platform en daarmee de afwijking van de huidige gebruiksmogelijkheden in het plangebied aanvaardbaar is.
6 december 2024
CLICK TO ENTER "DLCOLOPHON"
BJ1012-RHD-RDI-RP01
31
Projectgerelateerd
Bijlage 1
6 december 2024
Bodemkundige Verklaring
CLICK TO ENTER "DLCOLOPHON"
BJ1012-RHD-RDI-RP01
32
Projectgerelateerd
Bijlage 2
6 december 2024
Geluidonderzoek
CLICK TO ENTER "DLCOLOPHON"
BJ1012-RHD-RDI-RP01
33
Projectgerelateerd
Bijlage 3
6 december 2024
Quickscan Wnb
CLICK TO ENTER "DLCOLOPHON"
BJ1012-RHD-RDI-RP01
34
Projectgerelateerd
Bijlage 4
6 december 2024
Nader onderzoek kleine marterachtigen
CLICK TO ENTER "DLCOLOPHON"
BJ1012-RHD-RDI-RP01
35
Projectgerelateerd
Bijlage 5
6 december 2024
Onderzoek stikstofdepositie
CLICK TO ENTER "DLCOLOPHON"
BJ1012-RHD-RDI-RP01
36