CConstaterende datHaarlemmermeer
Koppel je AI →
Document · PDF

bijlage a. Rapport Leven met de Voedselbank RKC Haarlemmermeer 2022.pdf

Raadsplein: Agenda en raadsstukken 22 december 2022, gemeente HaarlemmermeerBij agendapunt: RV RKC Onderzoek Leven met de Voedselbank (2022.6961529)18.793 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

G u i d o B r u m m e l k a m p, J u r r i a a n O m l o & S y lva n a R o b b e r s

LEVEN MET DE VOEDSELBANK Ervaringen en behoeften van mensen die langdurig de voedselbank van Haarlemmermeer bezoeken

INHOUD

Colofon Dit onderzoek is uitgevoerd in opdracht van de rekenkamercommissie van Gemeente Haarlemmermeer. Auteurs: Guido Brummelkamp Jurriaan Omlo Sylvana Robbers Guido Brummelkamp, Jurriaan Omlo en Sylvana Robbers werken ieder vanuit een eigen bureau als zelfstandig (beleids)onderzoeker in het sociale domein. Zij werken in opdracht van ministeries, uitvoeringsinstellingen, hogescholen, gemeenten en reken­kamers. Sylvana is tevens docent-onderzoeker aan de Hogeschool Utrecht voor het lectoraat Werken in Justitieel Kader. Juli 2022

1

inleiding

5

1.1 1.2 1.3 1.4 1.5

Voedselhulp in Haarlemmermeer en de vragen die dat oproept Wie zijn afhankelijk van voedselhulp en hoe helpt de gemeente? Focus van het onderzoek Plaats van de voedselbank op de sociale kaart Onderzoeksaanpak

5 6 6 7 8

2

wie zijn afhankelijk van voedselhulp?

11

2.1 2.2

Wat is er bekend over bezoekers van voedselbanken? Wat weten we over armoede (in de Haarlemmermeer)

11 13

3

bezoekers van de voedselbank in beeld

19

3.1 3.2 3.3 3.4 3.5

Inleiding Hoe komen mensen onder de leefgeldnorm van de voedselbank terecht? Hoe ervaren mensen armoede? Gebruik van lokale voorzieningen Welke behoeften hebben mensen?

19 22 27 32 43

4

conclusies

47

Bijlage 1: Begrippenlijst Bijlage 2: Overzicht geïnterviewde bezoekers voedselbank

54 56

Geraadpleegde literatuur en beleidsstukken

62

1 INLEIDING 1.1 voedselhulp in haarlemmermeer en de vragen die dat oproept Twintig jaar geleden werd in Rotterdam de eerste voedselbank van Nederland opgericht. Naast de concrete hulp aan Rotterdammers, bracht dit initiatief voor een breed Nederlands publiek aan het licht dat er in Nederland mensen zijn die niet genoeg geld hebben om eten te kopen. Naast bijval voor de initiatiefnemers leidde het vooral ook tot verontwaardiging (Goudsmit & Keukenkamp, 2020). De verzorgingsstaat bleek een vangnet met gaten waar mensen – aanvankelijk buiten het zicht van het grote publiek – door heen waren gegleden. De verontwaardiging uit de begintijd over de noodzaak van voedselbanken lijkt in twintig jaar tijd wat weggeëbd. Nederland is gewend geraakt aan het idee. Voedselbanken horen erbij. Nederland telt inmiddels 171 voedselbanken met 528 uitgiftepunten. 96% van alle gemeenten heeft inmiddels een voedselbank, ook Haarlemmermeer. In 2006 opende in Haarlemmermeer, in Hoofddorp, de eerste vestiging, mede dankzij een donatie van het Rode Kruis en een subsidie van de gemeente. In dat eerste jaar werden zo’n 104 huishoudens geholpen. De organisatie is sindsdien gegroeid naar 6 vestigingen waar inmiddels zo’n 150 vrijwilligers werken. Het aantal huishoudens dat wordt geholpen is gestegen tot 369 (januari 2020). Met deze ontwikkeling is voedselhulp niet meer weg te denken in Haarlemmermeer.

Het heeft een definitieve plek gekregen op de sociale kaart, waarbij direct aangetekend moet worden dat voedselhulp nog steeds buiten het gemeentelijke minimabeleid valt. De gemeente ondersteunt de voedselbank wel, met een subsidie en met ondersteuning bij de intake, maar neemt er geen verantwoordelijkheid voor. Uitgangspunt van het gemeentelijke en landelijke beleid is nog altijd dat mensen te allen tijde over een inkomen moeten kunnen beschikken om zelf in hun noodzakelijke levensbehoeften te voorzien. Dat de voedselhulp op dit moment voor 369 huishoudens in Haarlemmermeer desondanks van essentieel belang is, roept bij de rekenkamercommissie vragen op. Wie zijn de mensen die van voedselhulp afhankelijk zijn en worden zij in het kader van het reguliere beleid wel goed ondersteund? Deze vraag kwam bij de rekenkamercommissie naar boven na signalen van de voedselbank en de participatieraad dat de groep mensen die langdurig afhankelijk is van de voedselbank groeit. 4

5

1.2 wie zijn afhankelijk van voedselhulp en hoe helpt de gemeente? De signalen van de voedselbank en de participatieraad zijn voor de rekenkamercommissie aanleiding geweest om voorliggend onderzoek te laten uitvoeren. Met dit onderzoek wordt in beeld gebracht wie in de gemeente Haarlemmermeer langdurig (langer dan drie jaar) afhankelijk zijn van voedselhulp en in hoeverre het gemeentelijke minimabeleid hen bereikt. Er is daarbij gekozen voor een kwalitatieve aanpak. Dit onderzoek bouwt voort op, en geeft verdieping aan het cijfermatige inzicht dat al bestaat op basis van de jaarverslagen van de voedselbank en de kwantitatieve indicatoren die de gemeente jaarlijks bijeen laat brengen met het Dashboard Minima (Ellens & Van der Wijk, 2021).

In dit onderzoek staat de beantwoording van de volgende drie vragen centraal: • Wie zijn er in Gemeente Haarlemmermeer langdurig afhankelijk van de voedselbank? Hoe zoet de groep eruit? Hoe ervaren zij hun situatie? Welke belemmeringen ervaren zij? Waar hebben zij behoefte aan? • Welke ondersteuning biedt de gemeente aan deze mensen en hoe wordt die ondersteuning uitgevoerd? • Welke mogelijkheden (die aansluiten bij het perspectief van inwoners) hebben het college en de gemeenteraad om het perspectief voor deze inwoners te verbeteren? Bovenstaande vragen worden in voorliggend rapport beantwoord op basis van interviews die wij met 21 bezoekers van de voedselbank voerden. Op basis hiervan is op persoonsoverstijgend niveau een beeld verkregen van hoe armoede ontstaat, hoe mensen dat ervaren, ermee omgaan, van welke voorzieningen zij gebruik maken en in hoeverre hen dat helpt. Om tegelijkertijd zo dicht mogelijk bij de situatie op individueel niveau te blijven, zijn in het rapport vijf portretten opgenomen van mensen die in armoede leven.

1.3 focus van het onderzoek

namelijk als voorwaarde. Of iemand in aanmerking komt voor hulp van de voedselbank wordt bepaald aan de hand van het leefgeld, dit is het bedrag dat iemand (of een huishouden) maandelijks overhoudt voor uitgaven aan kleiding en eten. Voedselbank Haarlemmermeer volgt de normen die daarover landelijk zijn opgesteld door ‘Voedselbanken.nl’. Een overzicht daarvan is opgenomen in onderstaande tabel. Maandelijks normbedrag Eén persoonshuishouden Met 1 kind Met 2 kinderen Elk extra kind

€ 250 € 350 € 450 + € 100

Twee persoonshouden Met 1 kind Met 2 kinderen Elk extra Kind

€ 350 € 450 € 550 + € 100

Bron: Voedselbanken NL

Tabel 1: Leefgeldnorm voor toegang tot de voedselbank

1.4 plaats van de voedselbank op de sociale kaart Het geven van voedselhulp is geen wettelijke taak. Er bestaat in Nederland geen wetgeving die voedselhulp regelt of partijen aanwijst om dergelijke hulp aan te bieden. Net als elders in het land is de voedselbank van Haarlemmermeer een particulier initiatief. Het bestuur van de Stichting Voedselbank Haarlemmermeer is autonoom en bepaalt haar eigen beleid. Verder draait de organisatie volledig op vrijwilligers. Voor de kosten (huur, vervoermiddelen, inventaris en aanvullende inkoop van voedingsmiddelen) is de stichting afhankelijk van donaties van particulieren, bedrijven, scholen en serviceclubs. Daarnaast ontvangt zij jaarlijks een subsidie van de gemeente1.

Met dit onderzoek brengen wij Haarlemmermeerders in beeld die langdurig (tenminste drie jaar) afhankelijk zijn van hulp van de voedselbank. Volgens de voedselbank zelf gaat het om een groep van 115 huishoudens. We focussen hiermee op een specifieke groep binnen de doelgroep van het Haarlemmermeerse minimabeleid. Bezoekers van de voedselbank onderscheiden zich van de bredere doelgroep van het minimabeleid met hun zeer beperkte besteedbare inkomen. De voedselbank stelt dat

De ondersteuning die de voedselbank biedt, is hiermee inhoudelijk geen onderdeel van het gemeentelijke minimabeleid. De gemeente heeft geen verantwoordelijkheid voor hoe de hulp wordt geboden, aan wie, of wat de hulp inhoudt (wat er bijvoorbeeld in de voedselpakketten zit). Dit neemt niet weg dat de voedselbank wel in

6

7

1 De voedselbank ontving over 2021 van de gemeente een subsidie van € 36.900.

verbinding staat met lokale instellingen die (al dan niet op wettelijke basis) ondersteuning bieden aan burgers die moeten rondkomen van een laag inkomen, zoals Stichting Leergeld, MeerWaarde, Vluchtelingenwerk en PLANgroep. Veel van deze instellingen verwijzen mensen door naar de voedselbank. Omgekeerd komen mensen regelmatig ook via de voedselbank bij deze instellingen terecht. Hoewel de gemeente formeel geen verantwoordelijkheid of zeggenschap heeft over voedselhulp, speelt zij wel een rol in de intake. Inwoners die er gebruik van willen maken, moeten daarvoor een aanvraag indienen bij de gemeente. Deze toetst vervolgens of het besteedbare inkomen onder de leefgeldnorm ligt (zie Tabel 1). Omdat het geven van voedselhulp geen gemeentelijke taak is, mag de gemeente rond deze toets geen persoonsgegevens verwerken. Er worden ten behoeve van deze toets daarom geen bewijsstukken verzameld of verwerkt, zoals dat bijvoorbeeld wel gebeurt rond de aanvraag van een bijstandsuitkering. Op basis van de toets adviseert de gemeente de voedselbank over toekenning van hulp.

1.5 onderzoeksaanpak Om een antwoord te krijgen op de onderzoeksvragen is met 21 Haarlemmermeerders gesproken die langer dan 3 jaar afhankelijk zijn van hulp van de voedselbank. Wij spraken daarmee met 18% van alle 115 langdurige bezoekers. Met medewerking van de voedselbank hebben wij mensen tijdens hun bezoek aan de voedselbank benaderd met het verzoek om mee te werken aan het onderzoek. Daarbij is geprobeerd om tot een zo volledig mogelijke afspiegeling te komen van het klantenbestand. Met hen die daar positief op reageerden is vervolgens een afspraak gemaakt voor een interview. Op enkele bezoekers na reageerden de bezoekers die wij benaderden positief. De meeste gesprekken hebben uiteindelijk bij de mensen thuis plaatsgevonden. Daarnaast hebben gesprekken plaatsgevonden bij de voedselbank. Mensen die er de voorkeur aan gaven ons telefonisch te woord te staan, zijn gebeld. De gesprekken waren half gestructureerd. We hanteerden weliswaar een vragenlijst, maar gaven tijdens het gesprek betrokkenen zoveel mogelijk de ruimte om uit zichzelf over hun situatie te vertellen. Voorafgaand aan de interviews met bezoekers, spraken wij ter oriëntatie met gemeente, voedselbank en participatieraad.

en hoe dat betrokkenen helpt en ontlast. In de tweede plaats zijn portretten geschetst van individuele bezoekers. Deze portretten zijn gebaseerd op mensen die zijn geïnterviewd. Bij enkele portretten zijn daarbij elementen weggelaten of gewijzigd om te voorkomen dat mensen herkenbaar in beeld komen. Hier is afstemming over geweest met de betrokkenen. Bij de portretten moet worden opgemerkt dat deze volledig zijn gebaseerd op wat betrokkenen ons hebben verteld. Wij hebben zaken niet kunnen verifiëren, bijvoorbeeld door met mensen te spreken die vanaf de zijde van de gemeente betrokken zijn geweest bij de betrokken inwoner. In Bijlage 2 is een geanonimiseerd overzicht gegeven van alle mensen die zijn geïnterviewd. Ten behoeve van de verificatie zijn de bevindingen van het onderzoek via twee kanalen teruggekoppeld. Allereerst is de gemeente Haarlemmermeer een reactie gevraagd. Doel hiervan was de inhoud van het rapport voor zover dat ingaat op het gemeentelijk beleid en de gemeentelijke voorzieningen te laten toetsen op feitelijke onjuistheden. De portretten die in het derde hoofdstuk zijn opgenomen, zijn buiten deze toets gehouden. De portretten zijn immers geanonimiseerd waardoor de gemeente niet heeft kunnen nagaan hoe zij zich verhouden tot de dossiers van betrokkenen.

Ten tweede zijn de bevindingen van het onderzoek in een groepsgesprek voorgelegd aan een aantal geïnterviewde bezoekers van de voedselbank. Doel hiervan was na te gaan of de bevindingen voor hen herkenbaar zijn.

De bevindingen uit de interviews zijn op twee manieren in voorliggend rapport verwerkt. In de eerste plaats is er een algemeen beeld geschetst, waarbij wordt ingegaan op de oorzaken van afhankelijkheid van voedselhulp, de manier waarop de hulp ervaren wordt, de mate waarin gebruik wordt gemaakt van gemeentelijke voorzieningen 8

9

2 WIE ZIJN AFHANKELIJK VAN VOEDSELHULP? 2.1 wat is er bekend over bezoekers van voedselbanken? De Nederlandse koepel van voedselbanken (Voedselbanken.nl) heeft al eens in beeld laten brengen wie de voedselbank bezoeken. Op haar website staan 53 portretten van (ex) bezoekers2. Hoewel de portretten zich beperken tot algemene beelden, en het lang niet altijd duidelijk wordt in welke situatie betrokkenen precies zitten, wordt wel duidelijk dat de groep gevarieerd is: het zijn mannen, vrouwen, zowel oudere als jongere mensen, alleenstaanden en gezinnen. Voor zover de portretten daar informatie over geven, valt op dat de afhankelijkheid van voedselhulp vaak samenhangt met problematische schulden; dat veel mensen gezondheidsklachten hebben (mentaal en fysiek); en dat relatieproblemen regelmatig een trigger zijn waarmee de neergaande spiraal in gang werd gezet die er uiteindelijk toe leidde dan het besteedbaar inkomen tot (ver) onder het bestaansminimum daalde. Een andere publicatie die specifiek de groep bezoekers van de voedselbank belicht, betreft een onderzoek door de vakgroep Voeding en Gezondheid van de Vrije Universiteit. Met dit onderzoek – waaraan onder andere Voedselbank Haarlemmermeer meewerkte - is nagegaan in hoeverre de inhoud van voedselpakketten voorziet in de voedingsbehoeften van mensen.

In de marge van hun voedingstechnische analyse doen de onderzoekers enkele observaties die betrekking hebben op hoe mensen zich voelen in hun afhankelijkheid van voedselhulp. Mensen blijken veel te moeten overwinnen om de stap naar de voedselbank te zetten en voelen zich er vaak door in hun eigenwaarde aangetast. Wat de studie ongemakkelijk maakt, is de klinische observatie dat een pakket niet de voeding bevat die een mens wekelijks nodig heeft, waardoor sommige mensen regelmatig honger lijden. De citaten waarmee bevindingen worden geïllustreerd zijn indringend: ‘Ik heb regelmatig honger, ik ben eraan gewend geraakt’, ‘De honger speelt een spelletje met mij’, ‘Ik zie voedsel als iets waar ik mijn maag mee moet vullen om geen honger te hebben. Ik denk niet aan wat ik zou willen eten, omdat ik daar toch niks mee kan’ (Neter, Dijkstra, Nicolau, Visser, & Brouwer, 2019). De bevindingen en citaten werpen een ander licht op de portretten 2 www.voedselbankennederland.nl

10

11

van bezoekers op de website van de voedselbank, waarin vooral dankbaarheid voor de geboden hulp wordt getoond. Wat verder bekend is over de specifieke groep die in de gemeente Haarlemmermeer afhankelijk is van voedselhulp, is de omvang. De meest recente openbare cijfers hebben betrekking op 2020. In Haarlemmermeer werden toen 1.140 personen met een voedselpakket geholpen in 369 huishoudens. Ten opzichte van een jaar eerder steeg het aantal bezoekers met 28%. Deze stijging past in de trend die de voedselbank al langer waarneemt (zie Tabel 2). Daarnaast geeft de voedselbank in het jaarverslag aan dat de coronapandemie en maatregelen die werden genomen om deze in te dammen waarschijnlijk hebben bijgedragen aan de stijging. Zij constateert dat de maatregelen bij sommige huishoudens leidden tot een abrupte daling van het inkomen (Voedselbank Haarlemmermeer, 2021).

Aantal bezoekers Aantal huishoudens

2016

2017

2018

2019

894

1.140

141

138

185

293

369

455

460

636

2020

Bron: Voedselbank Haarlemmermeer

Tabel 2: Ontwikkeling aantal bezoekers van de Voedselbank Haarlemmermeer Of met de 1.140 bezoekers ook alle mensen in Haarlemmermeer zijn geholpen die die hulp nodig hebben, is de vraag. De voedselbank zelf veronderstelt dat er mensen zijn die niet bereikt worden, bijvoorbeeld omdat zij de weg naar de hulp niet kennen, of omdat zij drempels voelen. Hoe groot de groep is die in aanmerking komt, is niet bekend. Er worden centraal noch door de gemeente, noch door CBS, gegevens bijgehouden op basis waarvan voor Haarlemmermeer kan worden bepaald hoeveel mensen onder de leefgeldnorm zitten (zoals beschreven in Tabel 1) en daarmee in aanmerking komen voor hulp. Op basis van bestaande gegevens is er wel een schatting te maken. Dat kan met name op basis van twee indicatoren. In de eerste plaats is dat het aantal inwoners dat langer dan vier jaar moet rondkomen van een inkomen onder de armoedegrens. De armoedegrens verwijst naar het inkomen dat iemand nodig heeft om in de basisbehoeften te kunnen voorzien; het inkomen dat nodig is om een menswaardig bestaan te kunnen leiden. Haarlemmermeer had in 2020 zo’n 1.800 inwoners die onder de armoedegrens zaten. Dit aantal is al enige tijd stabiel. In de tweede plaats is 12

het aantal wanbetalers voor de zorgverzekering een goede indicator. Mensen die als zodanig zijn geregistreerd, hebben vaak ook bij andere partijen betaalachterstanden en problematische schulden en zitten vaak in afbetalingstrajecten waardoor de maandelijkse bestedingsruimte tot een minimum is beperkt. In 2020 waren er in Haarlemmermeer 1.240 inwoners die als wanbetaler bij de zorgverzekering geregistreerd stonden. Ook dit aantal is over de jaren heen stabiel. Hoewel het aantal mensen met een inkomen onder de armoedegrens in Haarlemmermeer in de afgelopen jaren (de periode tot 2021) dus niet is toegenomen, is het bezoek aan de voedselbank wel toegenomen. Een verklaring hiervoor is dat meer mensen moeilijker kunnen rondkomen vanwege de sterk stijgende prijzen. Een andere verklaring is dat ondanks de drempels van schaamte en schroom, steeds meer mensen vanwege de toegenomen publieke bekendheid van de voedselbank hun weg ernaartoe weten te vinden. Naast een stijging van het aantal bezoekers constateert Voedselbank Haarlemmermeer dat mensen langer afhankelijk zijn van de hulp. Ondanks het feit dat de Voedselbank bij de start in 2006 haar hulp vooral beschouwde als noodhulp, waar mensen niet te lang van afhankelijk zouden moeten zijn, ziet zij het aantal klanten dat jaar na jaar terugkomt, toenemen.

In het eerste jaarverslag wordt gemeld dat de hulp in principe maximaal zes maanden kan duren. Later werd deze periode verlengd tot drie jaar. Op dit moment is ook dat losgelaten, al blijft het uitgangspunt dat mensen snel geholpen moeten worden om onafhankelijk van de voedselbank te kunnen leven. Dat lukt dus lang niet altijd. Een derde van de mensen die op dit moment (februari 2022) staat ingeschreven, is al langer dan 3 jaar klant (zie Tabel 3). Minder dan 1 jaar 1 tot 3 jaar Langer dan 3 jaar Totaal

huishoudens

122 118 115 355

personen

379 372 348 1.099

Bron: Voedselbank Haarlemmermeer

Tabel 3: Afhankelijkheid van de voedselbank in jaren (meetmoment februari 2022)

13

2.2 wat weten we over armoede (in de haarlemmermeer) Een goed beeld van de specifieke omstandigheden en oorzaken van de afhankelijkheid van voedselhulp is er dus niet. Wel is er veel bekend over de bredere groep van mensen die in Nederland langere tijd in armoede leven. Onder andere ook over hen die in Haarlemmermeer wonen. In 2014 deed de gemeente er zelf onderzoek naar. Team Onderzoek van de gemeente interviewde 29 inwoners om zicht te krijgen onder welke omstandigheden zij leven en wat hun ervaringen zijn met ondersteuning die onder andere de gemeente biedt. Sociaal en cultureel kapitaal als factor Het rapport maakt allereerst onderscheid tussen mensen met meer en minder sociaal en cultureel kapitaal. Zonder dat dit in het rapport expliciet wordt geoperationaliseerd, lijken de onderzoekers ermee te verwijzen naar lichamelijke en geestelijke vitaliteit en veerkracht. Mensen die daar meer van hebben, zouden in armoede zijn vervallen door ongunstige omstandigheden. Voor hen zou armoede vaker van voorbijgaande aard zijn. Zij zijn geconfronteerd met een gebeurtenis die hen terugwierp maar zouden op den duur wel weer de kans zien terug te komen, bijvoorbeeld op het moment dat de economie aantrekt. De vooruitzichten op een leven zonder armoede zijn beperkter naarmate het sociale en culturele kapitaal minder is. Armoede zonder perspectief op verbetering kan leiden tot depressie.

Er bestaan daarmee aanzienlijke verschillen tussen groepen in de manier waarop ze hun armoedesituatie beleven (Gemeente Haarlemmermeer, Team Onderzoek, 2014). Gezondheidsklachten Een andere uitkomst die in het onderzoek sterk naar voren komt, is dat veruit de meeste mensen die in Haarlemmermeer in armoede leven, kampen met psychische en/of fysieke gezondheidsklachten. Op één geïnterviewde persoon na, had iedereen hiermee te maken. Bij een deel waren gezondheidsklachten de oorzaak van armoede en droegen deze ook bij aan de bestendiging ervan en ontnamen zij het perspectief op een beter bestaan. Bij een ander deel leidde de armoede juist tot gezondheidsklachten. De meeste mensen met wie de onderzoekers spraken, spreken over een mentale druk als gevolg van financiële gevolgen die uiteindelijk ook hun fysieke conditie raakt in de vorm van hoofd-, maag-, hart- of schildklierproblemen. ‘Armoede levert spanning op in het dagelijks bestaan. Omdat het verschijnsel vaak samengaat met andere problemen, is het vooral de cumulatie van stressfactoren die het voor mensen mentaal zo zwaar maakt’ (Gemeente Haarlemmermeer, Team Onderzoek, 2014).

14

Oorzaken van armoede De relatie tussen gezondheid en armoede komt ook naar voren in landelijke studies, bijvoorbeeld die van het Sociaal Cultureel Planbureau (SCP). Hieruit blijkt dat van de ‘life events’ die een structurele armoedeval tot gevolg kunnen hebben, ziekte een belangrijke is. Arbeidsongeschiktheid levert een groot armoederisico op. Twintig procent van de mensen die arbeidsongeschikt raken, vervallen in armoede. Acht procent komt in een situatie van langdurige armoede terecht (Sociaal Economische Raad, 2021; Vrooman e.a., 2018). Het SCP stelt verder dat mensen in armoede (daardoor) ook vaker een beroep doen op medische zorg en gemeentelijke welzijnsvoorzieningen. Hoe mensen armoede ervaren In de afgelopen jaren is er in binnen- en buitenland vaker onderzoek gedaan naar armoede vanuit gedragswetenschappelijke perspectief. In dat onderzoek staat de gedachte centraal dat armoede een groot beslag legt op het denk- en handelingsvermogen van mensen. Betrokkenen zouden erdoor minder goed in staat zijn te plannen, overzicht te houden, beslisprocessen volledig te doorlopen en emoties en gedrag bij te sturen. Het leidt tot een grotere kans op denkfouten, minder gevoel van grip en controle, een lager zelfbeeld en verhoogde stress (Mullainathan & Shafir, 2013).

In een recente publicatie van de Raad voor de Volksgezondheid en Samenleving wordt in dit verband ook wel gesproken van ‘toxic stress’, statistieken wijzen uit dat mensen er letterlijk ziek van worden (Raad voor Volksgezondheid en Samenleving, 2022). Armoede is daarmee op individueel niveau een zichzelf versterkend verschijnsel. Armoede leidt tot stress wat leidt tot een aanslag op iemands denk- en handelingsvermogen en regelmatig ook op de gezondheid, wat vervolgens leidt financieel ongunstig handelen en een bestendiging van armoede tot gevolg. Armoede is in deze benadering bij uitstek een vicieuze cirkel waar mensen heel lastig zelfstandig uit kunnen komen. Kinderen in armoede Er bestaan grote verschillen in hoe mensen armoede beleven. Dit komt onder meer in het Haarlemmermeerse onderzoek naar voren. De emoties bij betrokkenen lopen uiteen van gelatenheid en apathie tot frustratie en woede. Een belangrijke factor in de beleving is betrokkenheid van kinderen. Mensen ervaren hun armoede als zwaarder wanneer zij de zorg hebben over kinderen (Gemeente Haarlemmermeer, Team Onderzoek, 2014; Omlo, Talma, Grubben, & de Ruig, 2021). De uitkomsten van onderzoek naar wat armoede met kinderen doet, laten zien dat deze zorgen zeer reëel zijn.

Naast de praktische bevinding dat deze kinderen minder vaak deelnemen aan sociale en culturele activiteiten, hebben zij een minder goede gezondheid, blijven 15

hun schoolprestaties achter, hebben zij vaker te maken met overgewicht, vertonen zij vaker ongezond gedrag, zoals alcohol- en drugsgebruik en hebben zij een lagere levensverwachting. Ook leidt hun psychische welzijn onder armoede: kinderen in armoede oordelen negatiever over hun leven en voelen zich vaker ongelukkig (Omlo, Talma, Grubben, & de Ruig, 2021). Ook blijkt dat armoede wordt doorgegeven aan opeenvolgende generaties. In de wet gemeentelijke schuldhulpverlening is dan ook bepaald dat gemeenten in hun beleid specifiek aandacht moeten besteden aan de aanpak van (dreigende) problematische schulden bij gezinnen met thuiswonende kinderen. Welke groepen worden onderscheiden? Naast de doelgroep ‘huishoudens met minderjarige kinderen’ worden in de literatuur ook andere doelgroepen onderscheiden. Op basis van armoedecijfers geeft CBS aan dat met name twee groepen oververtegenwoordigd zijn: 55 tot 65-jarigen en asielmigranten. Na de vorige crisis steeg de armoede onder de eerste groep het sterkst. Zij zijn structureler afhankelijk van een laag inkomen (uitkering), en hebben beperktere mogelijkheden om hun inkomen te verhogen. Bij asielmigranten speelt armoede vooral bij huishoudens die recent een verblijfsstatus hebben gekregen en afhankelijk zijn van een bijstandsuitkering.

Ruim een vijfde van de huishoudens met een niet-westerse migratieachtergrond had in 2020 te maken met een laag inkomen. Het aandeel met langdurig een laag inkomen bedroeg bijna 12 procent. Een groep met het hoogste risico op armoede zijn Syrische en Eritrese huishoudens (Centraal Bureau voor de Statistiek, 2021). In de publicatie wordt niet verklaard waarom specifiek deze groepen van asielmigranten een hoger risico hebben.

willen ze vaak meer of opnieuw gaan werken om samen met de kinderen een nieuw bestaan op te bouwen. De aanwezigheid van (jonge) kinderen weerhoudt mensen van het vervallen in berusting of apathie. Ouders willen zich vaak optimaal inzetten om de kinderen een toekomst te kunnen bieden. • Werkloze mannen: het zijn vooral de werkloze mannen die na verloop van tijd vervallen in apathie, frustratie of woede. Deze negatieve ontwikkeling hangt samen met zowel de maatschappelijke druk die zij ervaren, als met hun eigen behoefte om weer aan de slag te gaan. In het volgende hoofdstuk worden bovenstaande onderwerpen met betrekking tot oorzaken, coping en doelgroepen verder verdiept op basis van de gesprekken die wij met de 21 bezoekers van de Voedselbank Haarlemmermeer voerden.

Een groep die de afgelopen jaren meer aandacht heeft gekregen, is de groep van werkende armen. Hun aantal neemt toe. Van de mensen met hoofdzakelijk inkomen uit betaald werk maakte 1,9 procent (147 duizend werkenden) in 2020 deel uit van een huishouden onder de lage inkomensgrens. De Sociaal Economische Raad (SER) wijt deze toename vooral aan het grote aantal mensen dat op flexibele basis werkt. In het rapport ‘Uit de schaduw’ worden – op basis van hoe mensen armoede ondergaan drie groepen onderscheiden: • Ouderen en vluchtelingen: zij onderscheiden zich vanwege hun neiging om hun problemen te relativeren. Zij verwijzen daarbij regelmatig naar tijden en omstandigheden waarin zij het slechter hadden. • Alleenstaande moeders: zij zijn met name in de beginfase strijdvaardig en zien de financiële nood eerder als een tijdelijk verschijnsel in hun leven. Na de scheiding 16

17

3 BEZOEKERS VAN DE VOEDSELBANK IN BEELD 3.1

inleiding

Geen bezoeker van de voedselbank is hetzelfde. Elke bezoeker die wij spraken, had een ander verhaal. De enige overeenkomst is dat de verhalen altijd intens en veelbewogen zijn. Elke poging om te komen tot een indeling zal de betrokkenen en hun specifieke omstandigheden tekort doen. Ook deze poging zal vooraf moeten worden gegaan met de disclaimer dat deze de werkelijkheid sterk vereenvoudigt en dat met woorden niet is uit te drukken wat mensen hebben meegemaakt. Ook is niet eenduidig te doorgronden hoe mensen hun situatie ondergaan en hoe deze leidt tot afhankelijkheid van de voedselbank. Een voorbeeld is de 58-jarige Syrische man die acht jaar geleden naar Nederland vluchtte. Los van de impact van de oorlog en zijn vlucht naar Nederland , kan vastgesteld worden dat zijn leeftijd en zeer beperkte beheersing van de Nederlandse taal – er was een tolk nodig om het gesprek te voeren - een lastig overbrugbare afstand tot de arbeidsmarkt vormen. Een afstand die verder vergroot wordt door de zorg voor vijf kinderen en een zieke vrouw. Met welke mentale belasting of trauma deze man en zijn gezin moeten leven is moeilijk in te schatten, en blijft in dit onderzoek onbeschreven. Een ander voorbeeld is de vrouw die in het interview aangaf geen goede relatie met haar buren te hebben vanwege de geluidsoverlast die haar agressieve ex-man destijds veroorzaakte.

Zij gaf daarmee een vluchtige doorkijk in een zwaarbelast gezinsleven dat waarschijnlijk nog steeds op verschillende manieren doorwerkt in haar huidige leven en de moeite die het kost om de zaken – waaronder de financiën - op een rij te krijgen. Ondanks de verscheidenheid en moeilijk te vatten omstandigheden, kunnen op basis van de 21 gesprekken die wij voerden wel enkele rode lijnen worden geschetst. Dit hoofdstuk gaat achtereenvolgens in op hoe het komt dat mensen onder de leefgeldnorm van de voedselbank terecht zijn gekomen, hoe zij dat ervaren, welke behoeften zij hebben, en van welke (lokale) diensten zij naast de voedselbank gebruik maken. Om daarnaast een beeld te geven van afzonderlijke bezoekers en hun onderlinge verschillen, zijn in dit hoofdstuk ook vijf portretten opgenomen. Deze zijn gebaseerd op de mensen met wie wij spraken. Ten behoeve van de anonimiteit van betrokkenen, zijn daarbij wel gegevens veranderd of weggelaten. 18

19

maria, alleenwonende vrouw (respondent 17) Maria (vijftiger) heeft een moeilijk leven. Ze heeft veel meegemaakt tijdens haar jeugd in Brazilië en is mede daardoor getraumatiseerd. Ze is zonder ouders opgegroeid en werd als klein kind gedwongen te werken. Ze heeft ernstige mentale en fysieke klachten, waardoor ze niet kan werken. Sinds kort woont ze, dankzij een urgentieverklaring, zelfstandig in een klein nieuwbouwappartementje in Hoofddorp. Haar ex-man is haar steun en toeverlaat en helpt haar met veel dagelijkse zaken. Ze heeft vaak de deur in haar gezicht gekregen van de gemeente. Ze is enorm teleurgesteld in de overheid en wordt naar eigen zeggen weggezet als fraudeur. Ze is erg boos op de gemeente. Inkomsten, schulden en ondersteuning Maria is in de financiële problemen gekomen door het UWV. Ze was ernstig depressief en kwam daardoor in de ziektewet. Ze ontving destijds naast haar WIA-uitkering een toeslag tot bijstandsniveau. Toen ze in de ziektewet kwam bleef ze die toeslag ontvangen. Maar na anderhalf jaar vorderde het UWV die toeslag terug omdat ze daar blijkbaar geen recht meer op had. Toen moest ze ineens 7.500 euro terugbetalen. Ze kon verschillende rekeningen niet meer betalen en haar schuld liep al snel op tot 12.000 euro. Toen ze naar de gemeente stapte voor hulp kwam ze bij PLANgroep.

Maar die gaven aan haar niet te kunnen helpen, omdat ze te weinig inkomsten had om de schuldeisers van te kunnen betalen. Dit veroorzaakte zoveel stress dat Maria een conversiestoornis kreeg en niet meer kon lopen of praten. Ze moest het gebouw worden uitgedragen. Ze voelde zich compleet machteloos en niet geholpen. Sinds eind 2019 zit ze bij een bewindvoerder. Die heeft wat rust gecreëerd. Ook krijgt ze ondersteuning van Meer-team. Die hebben oog voor haar persoonlijke situatie, leven met haar mee en proberen haar echt te helpen. Sinds begin 2021 is PLANgroep weer in beeld gekomen voor een schuldsaneringstraject, maar ze wacht al een jaar op een plan van aanpak. Ze leeft nu van 70 euro per week. De bus kan ze niet betalen, waardoor ze niet mobiel is. Ze heeft eigenlijk een scootmobiel of iets dergelijks nodig om naar het centrum te komen, maar aanvragen daarvoor worden afgewezen. Ze weet dat ze gebruik zou kunnen maken van

20

bepaalde dagbesteding, zoals yoga, maar daar kan ze niet komen. Dat ze geen vervoer heeft is een grote frustratie. Van het pakket van de voedselbank kan ze geen maaltijd maken, daar is ze erg ontevreden over. Haar start bij de voedselbank verliep ook moeizaam. Ze kreeg geen eten omdat de gemeente haar aanvraag nog niet had verwerkt. En toen ze 2 keer niet kon komen omdat ze geen vervoer had wilde de voedselbank de hulp stopzetten. Meer-team heeft toen geregeld dat de hulp toch kon worden voortgezet. Ze heeft het gevoel dat ze constant overal wordt weggestuurd en wordt weggezet als fraudeur, terwijl ze haar schulden niet zelf heeft veroorzaakt. Ze heeft het gevoel dat ze elke keer moet smeken om steun en ervaart dit als vernederend. Ze vindt dat de gemeente ontzettend moeilijk doet om bepaalde bijzondere bijstand toe te kennen. Bijzondere bijstand voor fysiotherapie werd geweigerd. Ze heeft gelukkig wel een tegemoetkoming gekregen van de gemeente voor de inrichting van haar nieuwe woning. Maria heeft niet het gevoel dat ze kan leven. Ze kan nergens heen om mensen te ontmoeten. Ze wil de dingen graag zelf doen maar zonder hulp komt ze nergens. Ze heeft geen sociaal netwerk en voelt zich erg alleen. Ze ziet geen oplossing en heeft ook al een paar keer geprobeerd een einde aan haar leven te maken. Soms schreeuwt ze het uit van de pijn.

Ze krijgt af en toe bezoek van een psycholoog, daar heeft ze wel wat steun aan. Toch voelt ze zich hopeloos, depressief en heeft ze 24 uur per dag stress. Er is geen moment dat ze zich geen zorgen maakt. Haar hond is een enorme steun voor haar. Als ze verdrietig is, dan laat ze zich door haar hond troosten. Voor haar hoeft het leven niet meer, ze wil rust en niet meer wakker worden met al deze toestanden. Ze leeft enkel nog voor haar drie kinderen. Toekomstperspectief Ze ziet geen mogelijkheid nog iets aan haar situatie te veranderen. Ze zou wel graag vrijwilligerswerk willen doen, maar vervoer is een belemmering. Ze doet geen moeite meer om nog te hopen of te geloven dat het goed komt en heeft geen vertrouwen meer in de overheid.

21

3.2 hoe komen mensen onder de leefgeldnorm van de voedselbank terecht? Ondanks de verschillen, complexiteit en onbenoembare factoren, komt afhankelijkheid van voedselhulp per definitie voort uit een laag besteedbaar inkomen. Het is immers de voorwaarde om voor de hulp in aanmerking te komen. Ondanks de voorzieningen waarin het socialezekerheidsrecht voorziet en de daarin opgenomen garanties voor inkomensondersteuning, zijn betrokkenen onder het bestaansminimum beland. Voor de meeste bezoekers kwam dat omdat zij het beheer van inkomen uit handen hebben (moeten) gegeven aan een bewindvoerder of budgetbeheerder en hun inkomen wordt afgeroomd voor het aflossen van schulden en/of het doen van de vaste maandelijkse uitgaven. Het leefgeld dat deze mensen wekelijks uitbetaald krijgen is beperkt. De bedragen die de bezoekers tijdens de interviews noemden zijn afhankelijk van de samenstelling van het huishouden en variëren tussen de € 20 en € 80. Regelmatig is dit bedrag enigszins rekbaar en kunnen betrokkenen voor incidentele uitgaven een beroep doen op een spaarpotje dat door de budgetbeheerder of bewindvoerder wordt beheerd.

Wij zagen bij de bezoekers de volgende vormen van inkomensbeheer (deze vormen kunnen in de praktijk overlappen): • Mensen die door tussenkomst van een rechter, al dan niet vrijwillig, onder financieel bewind staan en voor hun dagelijkse uitgaven maar voor een beperkt deel over inkomen kunnen beschikken. Het zijn mensen die voor hun dagelijkse uitgaven aangewezen zijn op een bedrag dat hun bewindvoerder wekelijks op hun rekening stort. • Mensen die vrijwillig gebruik maken van een budgetbeheerder die voor hen het inkomen ontvangt, daarvan maandelijks betalingen doet en vaak ook een spaarpot aanlegt. Ook voor deze mensen geldt dat zij voor hun dagelijkse uitgaven zijn aangewezen op het weekgeld dat de budgetbeheerder op hun rekening stort. • Mensen die vanwege problematische schulden een (minnelijke) regeling hebben getroffen met hun schuldeiser(s)2. Het gaat doorgaans om mensen die daarin worden begeleid door een bewindvoerder of schuldhulpverlener (van PLANgroep). Met betrekking tot het bedrag waarvan zij maandelijkse moeten rondkomen, is landelijk een norm afgesproken die bekend staat als het ’vrij te laten bedrag’. • Mensen die door de rechter zijn toegelaten tot een schuldsaneringstraject in het kader van de Wet schuldsanering natuurlijke personen (Wsnp) en daarvoor een bewindvoerder hebben.

Het zijn mensen die voor een periode van 3 jaar (maximaal 5 jaar) voor hun dagelijkse uitgaven zijn aangewezen op een bedrag rond de beslagvrije voet.

Een minderheid van de bezoekers met wie wij spraken, had geen budgetbeheerder of bewindvoerder. Zij konden weliswaar zelf over hun gehele inkomen beschikken, maar kwamen maandelijks tekort om in de noodzakelijke levensbehoeften te voorzien. Kijkend naar de mensen met wie wij spraken gaat het overwegend om mensen met grote gezinnen (met minstens vier kinderen). Wat in de gesprekken opviel bij mensen wier inkomen werd beheerd, is dat zij regelmatig niet met zekerheid kunnen aangeven met welke van bovenstaande vormen van inkomensbeheer zij te maken hebben. Een oorzaak daarvan is dat regelingen en hulp voor hen geen duidelijk start- of eindpunt hebben. Zo waren er enkele mensen die niet wisten of hun schuldhulpverlener er inmiddels al in was geslaagd tot een regeling te komen met schuldeisers (een minnelijk traject) en of daar nu wel of niet een rechter aan de pas was gekomen (Wsnp-traject). Uit de gesprekken werd verder duidelijk dat een aantal mensen na afronding van een Wsnp- dan wel minnelijk traject ervoor kozen om hun budgetbeheerder aan te houden. Wat verder opviel was dat lang niet iedereen gebruik maakt van de mogelijkheid om de budgetbeheerder of bewindvoerder te laten betalen door de gemeente3. Een aantal mensen had de bewindvoerder zelf gezocht en gevonden (vaak via vrienden of familie) en betaalde daar ook zelf voor.

Voor enkelen was dat een bewuste keuze omdat zij geen fiducie hadden in de gemeentelijke budgetbeheerder/schuldhulpverlening. Vitaliteit, weerbaarheid en veerkracht Voor alle mensen met wie wij spraken, geldt dat hun (te) lage inkomen structureel is. Bij de meeste mensen komt het beeld naar voren van iemand die al lange tijd met zijn rug tegen de muur staat. Dat geldt met name voor hen die aangewezen zijn op leefgeld vanwege de aflossing van schulden of het nakomen van schuldregelingen. De mogelijkheid om het besteedbare inkomen te verhogen is er bij hen niet. Voor zover zij al in staat zouden zijn om hun inkomen te verhogen zou dat meteen worden afgeroomd. Afgezien daarvan zien wij dat de meeste mensen – tijdelijk dan wel structureel – niet in staat zijn zelfstandig een inkomen te verwerven. Kijkend naar hun vitaliteit, weerbaarheid en veerkracht, gaat het met de meeste mensen niet goed. Uit de verhalen leiden wij drie oorzaken af: • Structurele en ernstige gezondheidsklachten: de meeste mensen met wie wij spraken hebben structurele gezondheidsklachten. Het is een bevinding die eerder ook uit het onderzoek van de gemeente naar voren kwam. De klachten lopen uiteen van fysieke klachten en beperkingen zoals een zwak hart of hypermobiele gewrichtsbanden en pezen, tot aan psychische of psychiatrische klachten zoals

2 De begrippen die betrekking hebben op schuldhulpverlening zijn nader uitgelegd in de begrippenlijst die is opgenomen als bijlage 1 op blz. 54

22

23

een bipolaire stoornis of een borderline. Regelmatig gaven mensen daarnaast aan concentratieproblemen te hebben, in enkele gevallen was dat ook door een arts of psycholoog gediagnosticeerd als ADD of ADHD. Bij een deel van de bezoekers uitten de beperkingen zich al snel in het gesprek. Zij waren – in geval van fysieke klachten - deels afhankelijk van een scootmobiel of hadden een ziekenhuisbed in de woonkamer staan, of hadden moeite in het gesprek de gesprekslijn vast te houden (in geval van psychische klachten). • Levensgebeurtenissen: levensgebeurtenissen die in armoedeonderzoek vaak naar voren komen als trigger van armoede en problematische schulden zijn echtscheidingen en ontslag. Ook in de gesprekken die wij voerden kwamen deze gebeurtenissen vaak langs. Twee derde van de mensen die wij spraken had een relatiebreuk achter de rug. Met betrekking tot werk, blijkt eveneens twee derde in het verleden gewerkt te hebben, het betreft vrijwel altijd ongeschoold werk, vaak met loondienstverbanden van korte duur. Voor de meeste mensen eindigde hun wisselvallige carrière uiteindelijk vanwege de zorg voor kinderen (onder andere na een scheiding), of vanwege gezondheidsproblemen. Het beeld dat daarbij tijdens de gesprekken naar voren kwam, is dat het voor mensen zeer lastig is die carrière weer op te pakken.

Het ontbreekt ze aan de fysieke gezondheid (zeker de helft is afgekeurd), energie of mentale ruimte. • Mentale overbelasting, stress en trauma’s: Met betrekking tot levensgebeurtenissen, valt op dat deze regelmatig ingrijpend zijn. Soms geven mensen zelf aan dat zij getraumatiseerd zijn. Dat gold bijvoorbeeld voor een man die last had van beelden uit zijn jeugd. Beelden die hij niet goed kon thuisbrengen maar een onveilig gevoel opriepen en mogelijk verband hielden met een vader waarvan hij achteraf begreep dat die gewelddadig was en een drankprobleem had. Andere mensen spreken niet direct van trauma’s maar vertellen over gebeurtenissen die dat waarschijnlijk wel zijn. Zoals een vrouw die vanwege een gewelddadige relatie met haar kind moest onderduiken in een blijf-van-mijn-lijfhuis. Het zijn vaak gebeurtenissen die lang doorwerken in het leven van mensen en soms ook nog niet afgesloten zijn. Dat geldt met name voor relatiebreuken. Regelmatig speelde die breuk nog door in het huidige leven bijvoorbeeld omdat de omgangsregeling met de kinderen nog niet rond is of omdat er nog steeds schulden zijn die in tijdens de relatie zijn aangegaan. Een groep waarvan de achtergronden van armoede lastig in beeld te krijgen zijn, zijn mensen die hun land zijn ontvlucht. In dit onderzoek spraken wij er drie. Wat uit de gesprekken naar voren kwam, is dat de opgave waar zij voor staan enorm is.

Naast bovengenoemde factoren hebben zij een taalbarrière en hebben zij hun weg moeten vinden in een voor hen nieuwe maatschappij. Daarnaast hadden twee van de drie respondenten de zorg voor een groot gezin (tenminste vier kinderen). 24

hajera, syrische alleenstaande vrouw met 4 jonge kinderen (respondent 16) Hajera is een vrouw van rond de 40 en moeder van 4 kinderen in de leeftijd van 4 tot 16 jaar. Ze is 5 jaar geleden uit Syrië gevlucht en na een jaar verblijf in een AZC woont ze nu zo’n 4 jaar in Hoofddorp. In 2018 is ze gescheiden van haar man. Sindsdien zorgt ze alleen voor haar kinderen. Ze werkte altijd hard in Syrië, o.a. als docent Engels en als tandartsassistente. Ze heeft veel meegemaakt tijdens de oorlog en heeft daardoor nu last van mentale problemen en stress. Ze krijgt hulp van een psycholoog voor traumaverwerking. Door de stress van de oorlog vergeet ze veel woorden en is haar Engels hard achteruit gehold. Ze is er ondanks alles in geslaagd om goed Nederlands te leren spreken. Inkomsten, schulden en ondersteuning Ze heeft geen werk en leeft van een bijstandsuitkering met aanvullende toeslagen. Door toedoen van haar ex-man heeft ze schulden. Haar inkomen is niet genoeg om met haar hele gezin van te leven. De hulp van de voedselbank is noodzakelijk. Een groot gedeelte van het pakket van de voedselbank kan ze echter niet eten, o.a. vanwege haar geloof. Ze is dankbaar voor de ondersteuning vanuit de gemeente. Ze regelt zelf haar eigen financiën, de betaling van haar schulden, ze regelt betalingstermijnen, etc. Als ze een grote factuur moet betalen dan biedt de gemeente extra ondersteuning.

Met de bijzondere bijstand kunnen haar kinderen nu sporten en krijgen ze bijles en een laptop. Ze ervaart echter wel dat de gemeente veel druk op haar uitoefent om 32 uur te gaan werken. Dat is meer dan zij denkt aan te kunnen en daar heeft ze veel stress van. Ze is bang dat de zorg voor haar kinderen in het gedrang komt als ze zoveel gaat werken, want dan kan ze bijvoorbeeld de kinderen niet meer van school halen. Of dat ze het al snel niet meer aan zou kunnen. Ze wil graag parttime werken omdat de kinderen haar nu nog veel nodig hebben. Van de vele afspraken, bijvoorbeeld voor school, krijgt ze stress. Ze vraagt zich af hoe ze kan werken als ze nu al van 7 tot 19u zo druk in de weer is. Om werkervaring op te doen zou ze graag als vrijwilliger bij Stichting MeerWaarde aan de slag gaan maar daar gaat de gemeente niet mee

25

3.3 hoe ervaren mensen armoede? akkoord. Daar is ze erg boos en gefrustreerd over, want ze wil graag zelf kiezen wat voor werk ze gaat doen en een eigen inkomen verdienen. Ze voelt zich niet gehoord door de gemeente. Ze ervaart de hulp vooral als praktisch, zonder oog of empathie voor haar persoonlijke situatie. Ze geeft aan dat als ze nu 32 uur zou gaat werken ze nog steeds niet genoeg heeft om van te leven, o.a. doordat extra’s als de bijzondere bijstand dan mogelijk vervallen. Ze voelt zich daardoor hopeloos. Ze wil graag weer grip op haar eigen leven en haar eigen keuzes maken. Ze wil niet dat anderen beslissen over haar leven. Het voelt alsof de gemeente haar eigen plannen zomaar van tafel veegt. Ze is ontzettend moe en heeft veel stress. De situatie is heel moeilijk. Ze wil heel graag weer de regie over haar leven terug. Ze is erg oplossingsgericht bezig. Zo vindt ze het erg belangrijk dat zij en haar kinderen goed Nederlands leren spreken. Ondanks dat ze veel over oplossingen nadenkt, voelt het momenteel toch alsof alle deuren gesloten zijn. Om te ontspannen vindt ze het fijn om te wandelen of haar huis schoon te maken. Ze vindt het ook heel fijn om met haar kinderen te spelen of samen te zingen. Als ze ziet dat haar kinderen blij zijn, voelt ze zich minder gestrest.

Ze is dankbaar voor haar 4 prachtige kinderen, haar mooie huis en dat ze op een plek woont waar geen oorlog heerst. Toekomstperspectief Ondanks alles is ze positief ingesteld. Ze wil graag maatschappelijk werk gaan doen en haar Nederlands B2 examen halen. Ze verwacht dat haar situatie wel iets zal verbeteren wanneer haar schulden binnenkort zijn afbetaald. Ze hoopt zo snel mogelijk zonder de hulp van de gemeente te kunnen en zelfstandig te zijn. Wellicht als de kinderen wat ouder zijn en zelf gaan werken…

26

Hoewel de bezoekers van de voedselbank met elkaar gemeen hebben dat ze wekelijks moeten rondkomen van een zeer laag bedrag, bestaan er duidelijke verschillen in de manier waarop zij deze beperkte bestedingsruimte ervaren. Binnen de groep mensen die wij spraken, staan er twee typen bezoekers haast diametraal tegenover elkaar. Enerzijds de ‘alleenstaande moeder met thuiswonende kinderen’. Anderzijds de ‘alleenwonende oudere man’ die al lang geleden het contact verloor met zijn ex en kinderen. Bij de eerste overheerst frustratie, verdriet en overbelasting. Zij wordt vrijwel dagelijks geconfronteerd met zaken die niet kunnen. Zij ziet dat haar beperkte budget de kwaliteit van het leven op alle vlakken ernstig belemmert. Nergens is geld voor. Het overheersende idee is dat het zo niet langer kan maar dat het ondertussen wel al lang duurt. Er is geen geld voor een beugel voor een kind. Er is geen geld voor nieuwe kleren en regelmatig ook niet voor een gezonde maaltijd. De afhankelijkheid van instellingen valt zwaar. Dat er een aanvraag moet worden gedaan voor een nieuwe fiets, of dat de contributie voor de sportclub via Stichting Leergeld moet worden betaald. Deze mensen zouden graag deze dingen gewoon zelf betalen zonder steeds toestemming nodig te hebben of aanvragen te moeten doen.

Zij voelen zich opgesloten in de eigen situatie, voelen zich structureel met de rug tegen de muur staan. Een beter perspectief zien zij wel maar vooral op de langere termijn. Tegenover deze bezoeker staat – aan de andere kant van het spectrum - de alleenstaande oudere man bij wie ex-vrouw en kinderen als weer geruime tijd uit beeld zijn, en voor wie hij ook geen verantwoordelijkheden meer voelt. Leeftijd, lichamelijke klachten en soms ook een verslaving ontnemen hen het perspectief op een ander leven. Bij deze groep heeft het leven zich gevoegd naar de omstandigheden. Zij nemen het leven zoals het is. Vergelijkbaar met het onderscheid dat we hier tussen deze twee mensen maken, is het onderscheid dat Gemeente Haarlemmermeer maakte in het onderzoek ‘Uit de schaduw’. De gemeente onderscheidde daar drie typen waarvan er twee gelijkenis hebben met de twee bovenbeschreven casussen, namelijk de alleenstaande moeder die zich strijdbaar opstelt en de alleenstaande man die berust in zijn omstandigheden (Gemeente Haarlemmermeer, Team Onderzoek, 2014). Kijkend naar deze typen en naar de mensen met wie wij spraken, dan lijken er met name twee elementen te zijn die bepalend zijn voor hoe mensen hun situatie ervaren.

27

• De mate waarin mensen hun situatie als zwaar ervaren en er gefrustreerd over zijn. • De mate waarin mensen voor zichzelf perspectief zien om hun besteedbaar inkomen op termijn te verhogen, bijvoorbeeld door te re-integreren, beter betaald werk te gaan doen en/of onafhankelijk te worden van een budgetbeheerder of bewindvoerder. Met betrekking tot het eerste komt sterk naar voren dat armoede als zwaarder wordt ervaren wanneer er minderjarige thuiswonende kinderen in het spel zijn. Een uitspraak die meerdere keren voorbij is gekomen is: ‘Voor mijzelf maakt het niet zoveel uit. Ik vind het vooral erg voor mijn kinderen’. Het zijn met name de alleenstaande ouders (moeders) die lijden onder het gevoel te kort te schieten en ook zien dat hun kinderen daadwerkelijk te kort komen. Met betrekking tot het tweede (de mate waarin mensen voor zichzelf perspectief zien) zien we bij veel mensen dat het perspectief wordt belemmerd door gezondheid en regelmatig ook door de nasleep van live-events. Een voorbeeld van een bezoeker die op termijn voor zichzelf een beter perspectief ziet is uitgewerkt als casus 16. Het betreft de vrouw (veertiger) met vier thuiswonende kinderen, die vijf jaar geleden vanuit Syrië naar Nederland vluchtte.

De zorg voor haar kinderen, de onthechting van haar familie en de schulden die zij destijds is aangegaan met haar ex-man, zorgen voor veel stress wat haar ervan weerhoudt werk te maken van re-integratie. De huidige situatie neemt niet weg dat zij ernaar verlangt om op termijn weer te gaan werken, mogelijk als maatschappelijk werker. Wij spraken andere bezoekers die zo’n perspectief niet zien, bijvoorbeeld de vrouw die van kindsbeen af last hadden van een psychische en persoonlijkheidsstoornis (borderline en autisme) en daar in de loop der jaren lichamelijke klachten bij ontwikkelde.

Figuur 1: hoe ondergaan bezoekers van de voedselbank hun situatie4 Perspectief zien op een verbetering van financiële situatie

1

Berusting

12

20

6

4 14

18d

21

18m

11 13

7

3

16 10

15 5

2

9

Frustratie

19 8

17

Geen perspectief zien op een verbetering van financiële situatie Bron: gesprekken met bezoekers van de voedselbank

zouden doen. Vijf van de zes zijn in de bovenste helft van het figuur gepositioneerd.

De mate waarin mensen voor zichzelf perspectief zien lijkt bepalend te zijn voor het al dan niet doen van vrijwilligerswerk. Wij spraken vier mensen die vrijwilligerswerk deden (als taalmaatje of als medewerker bij de voedselbank) én twee die dat graag

Een andere dimensie waarop mensen van elkaar verschillen, is de mate waarin zij de oorzaken van armoede en de mogelijkheid om daar uit te komen bij zichzelf zoeken. Het is een dimensie die niet bij iedereen even duidelijk naar voren komt, en daarom buiten het schema van Figuur 1 is gehouden. Wij spraken evenwel met mensen die de oorzaak van problemen primair bij zichzelf zochten. Zij namen zichzelf dingen kwalijk en vonden dat ze in het verleden zaken beter anders hadden kunnen aanpakken. Deze mensen verwachten weinig van anderen, ook niet van gemeentelijk gefinancierde instellingen, zoals bijvoorbeeld MeerWaarde of Stichting Leergeld. Zij voelen zich ook snel bezwaard, kloppen niet graag ergens aan. Willen niet nog een keer aankomen met een verzoek of aanvullende wens. Deze mensen onderscheiden zich van hen die benadrukken dat zij door anderen in de problemen zijn gekomen en dat de afwezigheid van ondersteuning of hulp hen uiteindelijk verder in de problemen heeft gebracht. Zij zien de hulp die zij krijgen als een recht, voelen zich minder snel bezwaard, en gaan in beroep of in bezwaar als zij het idee hebben dat hen tekort wordt gedaan. De aanwezigheid van deze instellingen in hun leven is vanzelfsprekendheid. Je moet je laten horen om de hulp te krijgen waar je recht op hebt.

28

29

In Figuur 1 is een beeld gegeven van hoe verschillend mensen hun situatie ervaren. We hebben de mensen met wie wij spraken in dit figuur tegen elkaar afgezet op basis van hoe gefrustreerd of gelaten zij hun situatie beoordelen en of zij voor zichzelf wel of geen perspectief zien op een toekomst met een hoger besteedbaar inkomen. De nummering in de figuur komt overeen met die van het overzicht van respondenten in Bijlage 2. Ten behoeve van de anonimiteit zijn de beschrijvingen daar sterk vereenvoudigd. De oranje nummers in onderstaande figuur zijn in dit rapport als casus verder uitgewerkt.

corrie en kim, moeder en inwonende dochter (respondent 18m & 18d) Corrie (vijftiger) woont al 22 jaar in Hoofddorp en heeft 3 kinderen. Ze woont samen met haar dochter Kim (twintiger). Sinds 4 jaar is ze weduwe. Ze leven samen met haar hond en de katten. Corrie vermaakt zich aardig gedurende de dag. Spelletjes, lezen en muziek vindt ze leuk. Of ze maken een rondje in het park met de hond. Tot 2007 heeft ze altijd met veel plezier gewerkt als caissière. Ze mist het nog weleens. Want achter de kassa ben je met mensen in contact. Dat zou ze misschien nog wel een paar uurtjes per week kunnen doen, maar niemand neemt haar meer aan. Haar gezondheid is niet al te best. Corrie is slecht ter been, heeft een scootmobiel en een traplift. Ze heeft o.a. hartproblemen, versleten gewrichten en COPD. Vanwege deze problemen kan ze niet heel veel. Haar dochter is haar mantelzorger. Inkomsten, schulden en ondersteuning In 2008 kreeg Corrie’s man een hartaanval. Ze raakte in paniek was even helemaal de weg kwijt. Het inkomen van Corrie daalde abrupt. Toen ontstonden er betalingsachterstanden, onder andere voor de huur. Toen is Kim gaan meebetalen in het levensonderhoud, vanuit haar studiefinanciering. Daar heeft ze nu een flinke schuld bij opgebouwd en ook bij haar zorgverzekering. Corrie heeft een WIA-uitkering, want ze is afgekeurd. Kim heeft een bijstandsuitkering van zo’n 700 euro.

Daar redden ze het niet mee. Corrie snapt niet dat die uitkering zo laag is voor inwonende kinderen, want een brood is toch net zo duur als ze thuis woont of op zichzelf ? Ze zitten allebei onder beschermingsbewind bij dezelfde bewindvoerder. Dat is een goed, lief mens, die met je meedenkt en met oplossingen komt. Ze hebben daar alle vertrouwen in. De vaste lasten worden betaald en de situatie is nu stabiel. Ze krijgen ieder 50 euro per week leefgeld. Meestal zitten ze in het weekend zonder geld en dan eten ze brood. Het is ook weleens gebeurd dat ze geen eten hadden. Ze zorgen er nu voor dat dat niet meer gebeurt. En ze zorgen dat ze genoeg eten hebben voor de dieren. Corrie maakt gebruik van de WMO voor haar traplift. Ze vraagt ook af en toe bijzondere bijstand aan. Voor haar gasfornuis en de wasmachine kreeg ze die helaas niet. Ze kreeg te horen dat daarvoor gespaard kan

30

worden. Ze heeft alleen geen idee waarvan, want er blijft niks over. Ook zakte ze door haar bed. Dat er voor deze eerste levensbehoeften geen geld beschikbaar wordt gesteld vindt ze heel triest. Ze komen elke week bij de voedselbank. Corrie is er blij mee, maar er zitten veel dingen bij die behoorlijk over datum zijn en niet alles is even lekker. Ze vindt het ook jammer dat ze er vaak geen fatsoenlijke maaltijd van kan koken. Ze denkt niet dat ze voorlopig van de voedselbank afkomt. Corrie heeft momenteel maar 1 broek die goed zit en 1 paar schoenen. Als er een broek stuk gaat en er is geen geld om een nieuwe te kopen levert dat stress op. De schutting is omgewaaid tijdens de laatste storm. Ze mag een goedkope schutting kopen van de bewindvoerder, maar ze heeft niemand om haar ermee te helpen dus ze laat het maar zo. Toen Corrie’s man was overleden heeft ze periodes gehad dat ze niet meer haar bed uit wilde komen. Nu staat ze elke dag voor haar dieren op. Corrie en Kim vinden beiden veel afleiding en troost bij hun dieren. Kim is soms boos. Ze vindt het erg vervelend dat ze geen leuke dingen kan doen, niet kan sporten en bepaalde dingen niet kan kopen. Corrie en Kim hebben vooral elkaar. Ze hebben beiden geen vrienden of vriendinnen. De vriendinnen van Kim hebben haar laten vallen toen haar vader overleed. Kim voelt zich weleens eenzaam, Corrie niet meer.

Kim hoopt als ze aan het werk gaat weer wat mensen te gaan ontmoeten. Ze wil heel graag aan het werk en onderneemt daarvoor de nodige activiteiten. Helaas had ze onlangs een negatieve ervaring met een consulent van de gemeente die haar wilde korten op haar uitkering. Daar was ze erg teleurgesteld over. Toekomstperspectief De bewindvoering van Kim duurt nog een paar jaar en dan is ze schuldenvrij en kan ze veel meer. Hun financiële situatie zal ook verbeteren als Kim gaat werken en uit huis gaat, want dan gaat de huurtoeslag omhoog. Maar Kim is er nog helemaal niet aan toe om uit huis te gaan, ze heeft erg last van heimwee. Corrie hoopt ook over een paar jaar van het bewind af te zijn en zelf alles weer te kunnen doen. Ze wil laten zien dat ze zelf de regie weer kan voeren. Tegen de gemeente zou Corrie willen zeggen: kijk naar de situatie waar mensen in zitten en beslis dán. Kijk naar de mensen en wat ze nodig hebben en doe daar wat mee. 31

3.4 gebruik van lokale voorzieningen Kijkend naar de hoogte van het (besteedbare) inkomen behoren alle mensen met wie wij spraken tot de doelgroep van het minimabeleid van Haarlemmermeer. In de gesprekken passeerden dan ook verschillende voorzieningen. Het vaakst waren dat de bijstandsuitkering, bijzondere bijstand, schuldhulpverlening en voorzieningen die via/door Stichting Leergeld worden verstrekt. Tevens doen veel mensen een beroep op de dienstverlening van Meerwaarde. Inkomensondersteuning (en eventueel hulp bij re-integratie) Op twee na zijn alle mensen met wie wij spraken afhankelijk van een uitkering. Elf mensen ontvangen in het kader van de Participatiewet een uitkering van de gemeente, zeven ontvangen een uitkering van UWV vanwege arbeidsongeschiktheid (WIA of Wajong). Twee mensen hebben inkomen uit betaald werk en één respondent ontvangt een AOW-uitkering. Voor alle klanten met een uitkering geldt dat zij die al langere tijd ontvangen. De ervaringen die wij van hen optekenden, hebben daardoor vooral betrekking op het lopende contact met de uitvoeringsinstelling (gemeente dan wel UWV) en niet op de toegang tot de uitkering of het aanvraagproces dat voor mensen doorgaans erg belastend is. Voor zover wij spraken met mensen die voor hun inkomen afhankelijk zijn van de gemeente, zien wij dat de ervaringen wisselend zijn.

Ter illustratie zijn in onderstaande tabel enkele ervaringen tegen elkaar afgezet.

negatieve ervaringen

‘Ze vertellen niet waar je allemaal recht op hebt. Je moet er zelf aan trekken. Tegelijkertijd word ik erg gepusht om aan het werk te gaan. Ze tonen geen empathie. Werk zit er nu voor mij niet in, ook vanwege zorg voor mijn vier kinderen.’ (respondent 16) ‘Ze hebben geen oog voor het persoonlijke. Het is hard beleid en erg gericht op de administratie. Alles moet gekeurd worden. Tegen mij werd gezegd: je kan wel beweren dat je broer meervoudig gehandicapt is, maar dat moet wel eerst door de GGD gecontroleerd worden.’ (respondent 9) ‘De gemeente houdt niet van mensen, ze houdt van regels en vooral als je donker of een buitenlander bent, dan word je onder het tapijt geveegd. Ze sturen mij door naar de voedselbank waar ik een uur in de rij moet staan zonder bescherming, één uur wachten voor een beetje chips, cola en soms een paprika. Ik voel me net een hond, ik ben er klaar mee.‘ (respondent 17)

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Haarlemmermeer&id=70643367-c041-4d34-a8c8-153cd5c888c7