CConstaterende datHaarlemmermeer
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 Technisch ontwerp VHGM (ontwerp ondergronds)

Raadsplein: Agenda en raadsstukken 27 februari 2025, gemeente HaarlemmermeerBij agendapunt: RV Technisch ontwerp en kredietaanvraag collectieve warmte- koudeopslag Raadhuisplein en omgeving (11778531) - AANGENOMEN28.452 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Het leidingwerk dient voorzien te worden van kleur- en leidingcoderingen en stromingspijlen.

5.1 Eisen appendages inpandig De ontluchters in de technische ruimte dienen op de hoogste punten te worden aangebracht. Dit geldt ook voor de druktransmitters en indicators. Dit dient gedaan te worden door het aanbrengen van een T-stuk. Het WKO-systeem dient vanaf de werkvloer ontlucht te kunnen worden. Hiervoor dienen zakleidingen aangebracht te worden indien de ontluchtingspunten zich buiten handbereik bevinden. Alle aangebrachte indicators dienen afleesbaar te zijn vanuit het werkgebied rondom de TSA's. De drukindicators en transmitters op het leidingwerk dienen een bereik te hebben van -1 tot 9 bar. De temperatuurindicators op het leidingwerk dienen een bereik te hebben van 0 tot 30 °C.

13

De te installeren appendages en componenten dienen te worden aangebracht volgens de richtlijnen en (aansluit)voorwaarden van de leveranciers. Bij het ontwerp van de inrichting van de installaties dient rekening te worden gehouden met het kunnen vervangen van appendages. Alle appendages dienen bereikbaar te zijn voor onderhoud. Elektrische appendages en bekabeling dienen zodanig gemonteerd te worden dat bij lekkage geen schade toegebracht wordt aan deze appendages of bekabeling. Alle handafsluiters dienen te worden voorzien van een arreteerplaat. De door de transmitters aangegeven waarden in de regelsoftware dienen gecontroleerd te worden door middel van aangebrachte indicators. Om galvanische corrosie te voorkomen dient RVS 316 toegepast te worden bij het aansluiten van transmitters, indicators en overige appendages. Ook bij flensverbindingen waarbij een potentiaalverschil kan ontstaan tussen de materialen, dienen een pakking en kunststof hulzen te worden aangebracht.

5.2 Ontwerp warmtewisselaar De warmtewisselaar moet demontabel zijn (niet gelast), zodat de platen gedemonteerd kunnen worden voor onderhoud, vervanging of uitbreiding. Onder de TSA wordt een lekbak aangebracht. Bij het detailontwerp dient voldoende aandacht geschonken te worden aan de stromingsrichtingen over de circuits van de warmtewisselaar tijdens verschillende bedrijfssituaties en de aansluiting van leidingen op de warmtewisselaar. In detailtekeningen en principeschema’s dient daarom vastgelegd te worden welke aansluiting van de TSA welke functie krijgt. Bij de aansluitingen van de TSA dienen aftap- en ontluchtingskranen aangebracht te worden.

5.3 Expansievat Het expansievat dient geschikt te zijn voor gesloten installaties in combinatie met het zout of reactief grondwater en dient vervaardigd te zijn uit RVS of composiet. Het expansievat dient voldoende voordruk te kunnen leveren afgestemd op de grondwaterkwaliteit en temperaturen. De leiding tussen het hydraulische circuit van het WKO-systeem en het expansievat dient DN50 te zijn om de drukverschillen in het systeem op te kunnen vangen. Een te kleine leiding zorgt tevens voor een lage reactiesnelheid. Het expansievat dient zo dicht mogelijk bij de transportleidingen van het WKO-systeem te worden aangesloten. Indien de leidingafstanden erg lang zijn dienen er mogelijk 2 expansievaten te worden toegepast.

5.4 Isolatie leidingwerk Na het succesvol afronden van de beproevingen van het inpandig leidingwerk, moet deze geïsoleerd worden. De te isoleren hoofdonderdelen zijn; inpandige leidingen, platenwisselaar en appendages. De isolatie dient van voldoende kwaliteit te zijn en te zorgen voor voorkoming van condensatie van de leidingen. De isolatie dient dampdicht te zijn (weerstandfactor waterdampdiffusie > 2.500). De wanddikte dient minimaal 19 mm te bedragen. Leidingen WKO-systeem Fabrikaat: Armaflex, Armacell Dikte : minimaal 19 mm, ISSO Publicatie 64 en Publicatie 25 Optimale leidingisolatie

14

6 Elektrotechnische installatie Alle elektrotechnische verrichtingen dienen volgens de NEN1010 richtlijnen te worden uitgevoerd en dienen te voldoen aan het bouwbesluit, de Arbowet en de EMC-richtlijn. Vanuit het grondwater kunnen gassen uit oplossing treden en zich ophopen in de putbehuizing. Zonder ventilatie (bijvoorbeeld in de winter) kunnen deze gassen zich ophopen. Bij ophoping van explosieve gassen (zoals methaan) kan explosiegevaar ontstaan. De booraannemer dient zelf de risico’s vast te stellen op basis van de gevarenzone-indeling van de NRP 7910. De toe te passen appendages dienen te voldoen aan de vastgestelde ATEX veiligheidsklasse. Bij aanwezigheid van methaan in het grondwater heeft het de voorkeur om vrijkomende gassen direct af te voeren door een slang aan te sluiten op de ontluchter en hiermee het gas buiten de putbehuizing vrij te laten komen. In de putbehuizing dienen werkschakelaars, klemmenstroken, kabeldozen en aansluitkastjes gemonteerd te worden voor de te monteren apparatuur. De werkschakelaars moet men zo monteren dat de spanning van het circuit afgeschakeld kan worden. Zo is het mogelijk dat vakmensen hun werk veilig kunnen uitvoeren in geval van werkzaamheden zoals onderhoud. Voor voedings-, stuurstroom- en signaalkabels dienen separate kabeldozen toegepast te worden. Klemmenstroken dienen hierin gemonteerd te worden op DIN rails.

Bij de samenbouw van de elektrische installatie dient rekening gehouden te worden met het beperken van gevolgschade bij lekkages, bijvoorbeeld door elektrische componenten bovenop leidingwerk te monteren en kabels en kabeldozen zo hoog mogelijk te monteren in de bronput. Voor de elektrische componenten en bekabeling in de bronput en technische ruimte dient minimaal gestreefd te worden naar de dichtheidsklassen uit tabel 6.1. Voor componenten die niet aan de gestelde dichtheidsklasse kunnen voldoen dient de booraannemer zelf maatregelen te nemen om risico’s te beperken, bijvoorbeeld door componenten zo hoog mogelijk te monteren in bronputten, beschermkappen te plaatsen of door componenten in te gieten. Tabel 6.1 Eisen dichtheidsklasse Locatie onderdeel

IP Klasse

Putbehuizing algemeen

56

Technische ruimte algemeen

44

Regelkast extern

31

Regelkast/kabeldozen intern

20

De putbehuizing dient voorzien te worden van een spatwaterdichte wandcontactdoos met een voeding van 230 Volt. De wandcontactdoos dient gemonteerd te worden in de kabeldoos voor de voedingskabels en dient afgezekerd te worden op 6 Ampère. Een aantal aspecten vraagt extra aandacht. Deze aspecten worden in de onderstaande paragrafen nader toegelicht.

6.1 Regelkast De regelkast wordt gemonteerd aan de muur van de technische ruimte met minimaal 30 cm tussenruimte tot de grond. Alle kabels en leidingen in de kast worden vanaf de onderkant ingevoerd waarbij de bovenkant van de kast gesloten is. De kast dient spatwaterdicht te zijn bij eventuele calamiteiten in de technische ruimte. In de regelkast dient een interventieschakelaar aanwezig te zijn. De booraannemer verzorgt de elektrische aansluiting van de regelkast vanaf de verdeelkast. De booraannemer sluit de communicatiekabels aan op de regelkast van de energiecentrale.

15

6.2 Elektrische voeding De booraannemer dient de benodigde elektrische voeding van het WKO-systeem af te stemmen met de E-installateur van de gebouwinstallatie. De E-installateur verzorgt de voeding vanaf de hoofdverdeelinrichting tot in de regelkast van het WKO-systeem, inclusief installatieautomaat (karakteristiek C), aardlekschakelaar, SPF-elektrameter en voedingskabel. Naar verwachting zal een voeding van 400 Volt, 63 Ampère benodigd zijn. De elektrische netvoeding is opgebouwd uit 3 fasen 400 V + nul en aarding in het TN-S-stelsel. De voedingskabel van de regelkast in de technische ruimte dient rechtstreeks vanaf de hoofdverdeelinrichting te worden betrokken. Het definitief opgenomen vermogen en de benodigde voeding dienen door de booraannemer te worden berekend en ter goedkeuring te worden aangeboden aan de directie.

6.3 Aarding De installatie dient geaard te worden volgens de NEN 1010 bepaling 411.5.1 / 411.5.2 / 411.5.3. Hierin wordt vermeld dat de mate van aarding zodanig geïnstalleerd dient te worden dat de weerstand van de verbinding tussen een metalen gestel en de aarde, dus de weerstand van de aardelektrode (aardpen) plus de weerstand van de beschermingsleiding naar een metalen gestel, niet hoger mag zijn dan 166 Ω. Alle apparatuur in de putbehuizing dient geaard te worden aan de aardpen die meegenomen is in de omstorting van de bron. De bronput en de regelkast dienen voorzien te worden van aardrails. De aardrail in de regelkast dient verbonden te worden met de aarde vanuit de hoofdverdeelinrichting. De aardrail in de bronput dient verbonden te worden met de aardrail van de regelkast via het aardscherm van de voedingskabels van de bronpomp. De mate van aarding kan op de volgende manier toegepast worden: • Extra aardedraad van de bronput naar de aardpen van de gebouwinstallatie • Het gebruik van de armeringsmantel van de voedingskabel als aardedraad aangesloten op de aardpen van de gebouwinstallatie. • Een aparte aarde-installatie in de bronput. Deze bestaat o.a. uit een nieuwe aardpen en een maximale aardlekschakelaar van 300mA. In alle bovenstaande gevallen dient de aardingsweerstand gemeten en gerapporteerd te worden aan de directie.

Alle aanraakbare metalen delen, waaronder RVS-leidingen en panelen van de regelkast, dienen geaard te worden aan de aardrail.

6.4 Onderwaterpomp Er dient een NFO-frequentieregelaar toegepast te worden. De frequentieregelaar dient in de regelkast in de technische ruimte te worden geplaatst samen met andere elektrische onderdelen. De frequentieregelaar dient voorzien te zijn van een sinusfilter. De aanloop- en uitlooptijd van de onderwaterpomp dienen in de frequentieregelaar te worden ingesteld op maximaal 0,5 seconde. Bij het te langzaam aanlopen van de onderwaterpomp zal de smeerfilm zich te langzaam vormen, waardoor de slijtage van de pomp toeneemt. Tevens dient de startfrequentie iets hoger ingesteld te worden dan de minimale frequentie van de onderwaterpomp. Slipcompensatie mag niet worden toegepast.

16

Bij een (start)frequentie van 25 Hz dient de onderwaterpomp gestart te worden op 30 Hz waarna hij teruggetoerd kan worden naar 25 Hz. De startfrequentie dient te worden goedgekeurd door de fabrikant. De bronpompen dienen te worden toegepast met een koelmantel. De minimale en maximale toelaatbare frequentie van de onderwaterpompen dienen ingesteld te worden in de frequentieregelaar. Door middel van een analoog signaal mag de frequentieregelaar bestuurd worden vanuit de software binnen de toelaatbare frequenties. Er dient rekening gehouden te worden met langdurige belasting en een aanloopbelasting bij lage frequenties van de onderwaterpomp. De nominale voedingsspanning van de onderwaterpompmotoren dient afgestemd te zijn op het spanningsverlies van de frequentieregelaar en voedingskabels. Het voltage op de uitgang van de frequentieregelaar moet 400 volt zijn. Het elektraverbruik van de bronpompen dient per bronpomp separaat geregistreerd te worden conform de eisen uit de vergunning Waterwet.

6.5 Kabels De onderwaterpompen en overige appendages en kleppen van het WKO-systeem dienen gevoed te worden vanuit de regelkast in de technische ruimte. De bekabeling voor het WKO-systeem bestaat uit voedings-, stuurstroom- en signaleringskabels en is voor rekening van de booraannemer. Voor de kabels die in het terrein aangebracht worden tussen de regelkast en bronput, dienen grondkabels toegepast te worden (type VO-YMvKas mb). Binnen de technische ruimte of bronput dienen installatiekabels toegepast te worden (type YMvK mb). Alle kabels dienen met voldoende overlengte aangebracht te worden. Signaalbekabeling dient gescheiden te zijn van het stuurstroom- en voedingscircuit, zowel in de bronput en in de regelkast als bij de ligging in de grond. Bij voorkeur dient de onderlinge afstand minstens 20 cm te bedragen. Daar waar dit niet mogelijk is dienen EMC-kabels toegepast te worden (type VS-YMvKafas mb). De voedingskabels naar de bronnen mogen een spanningsverlies van maximaal 3% hebben. Specificaties van de kabels dienen tijdens de detaillering van het totale systeem bepaald te worden door de booraannemer. De specificaties dienen ter goedkeuring aan de directie te worden aangeboden. Na het aanbrengen van de kabels dienen de aders getest te worden door middel van doormeten om eventuele beschadigingen te kunnen ontdekken.

17

6.6 Algemene elektrotechnische eisen Sinds 30 juni 2003 is de ATEX-norm verplicht. Daarin wordt beschreven: ‘onder een explosieve atmosfeer wordt verstaan: een mengsel van lucht en ontvlambare stoffen in de vorm van gassen, dampen, nevels of stof, onder atmosferische omstandigheden, waarin de verbranding zich na ontsteking uitbreidt tot het gehele niet verbrande mengsel.’ Een misverstand is dat een explosie alleen

mogelijk is als vuur aanwezig is. Andere ontstekingsbronnen zijn: • Hete oppervlakken • Mechanische vonken • Statische elektriciteit • Elektrische apparatuur

Bekabeling Installaties moeten stelselmatig en overzichtelijk zijn ingericht en aangelegd. Ook moeten alle meeten controletoestellen aanwezig zijn die voor een veilig gebruik van de installatie nodig zijn (Bepaling NL 8.5 1 0.101). Kabels in de grond moeten tegen mechanische beschadiging zijn beschermd door de kabels op voldoende diepte te leggen en door toepassing van het juiste kabeltype of door aanvullende mechanische bescherming (Bepaling NL *8.520.401) Leidingsystemen moeten zo worden gekozen en geïnstalleerd dat (Bepaling CLC 522.1 .1): a. zij geschikt zijn voor de hoogste en de laagste plaatselijke omgevingstemperatuur b. is gewaarborgd dat de hoogst toelaatbare bedrijfstemperatuur van de isolatie zoals aangegeven. Het spanningsverlies tussen het begin van een installatie en de aansluitpunten mag bij normaal bedrijf niet meer dan 5 % van de nominale spanning bedragen (Bepaling NL *8.525.101). Werkschakelaars Een werkschakelaar dient aanwezig te zijn in bronputten om het gehele circuit uit te kunnen schakelen voor onderhoudswerkzaamheden en dergelijke. Werkschakelaars mogen alleen zijn opgenomen in hoofdstroomketens en hulpstroomketens. Werkschakelaars in hoofdstroomketens hebben de voorkeur. Het is noodzakelijk dat deze de vollaststroom van de stroomkring kunnen afschakelen. Daarbij behoeven niet altijd alle actieve delen te worden onderbroken.

Als werkschakelaars worden geplaatst in hulpstroomketens moet dezelfde veiligheid verzekerd zijn als van een werkschakelaar in de hoofdstroomketen. Indien noodzakelijk moeten daarvoor aanvullende maatregelen worden genomen. Werkschakelaars moeten schakelaars met handbediening zijn. Werkschakelaars waarvan de contacten niet zichtbaar zijn moeten voorzien zijn van een betrouwbare standaanwijzer die de open en gesloten stand pas aangeeft als deze is bereikt. Voeding aansluiting Wandcontactdozen voor algemeen gebruik moeten zijn voorzien van beschermingscontacten die deugdelijk zijn aangesloten op een beschermingsleiding. Vast elektrisch materieel moet blijvend deugdelijk zijn bevestigd. Actieve delen van elektrisch materieel mogen niet met aarde zijn verbonden. Deze bepaling geldt niet indien deze verbindingen zijn aangebracht op grond van veiligheidsof bedrijfstechnische overwegingen. Elektromagnetische compatibiliteit (EMC) (Bepaling 33.2) IEC Elektrische materieel moet voldoen aan de desbetreffende elektromagnetische compatibiliteitseisen en moet in overeenstemming zijn met de van toepassing zijnde normen. Door de ontwerper en de constructeur moet aandacht zijn geschonken aan maatregelen tot het verminderen van het effect van geïnduceerde spanningen en elektromagnetische interferentie (EMI).

18

6.7 Putconstructie om de bron Beide putten moeten geventileerd worden. Voor de ventilatie dient vanuit de putbehuizing een ventilatieleiding te worden aangebracht. Deze ventilatieleiding dient in het maaiveld uit te komen en voorzien te worden van een dakje tegen het inregenen. De leiding dient minimaal een diameter te hebben van Ø 125 mm. Per put dienen er twee ventilatieleidingen te worden aangebracht. In de putbehuizingen dient een spiraalkachel aangebracht te worden die ervoor moet zorgen dat er de temperatuur in de put boven de vorstgrens blijft. De kachel dient voorzien te zijn van een thermostaat. De putbehuizingen moeten goed gefundeerd geplaatst worden. Onder de putbodem een zandlaag aanbrengen en verdichten. In de zandlaag stoeptegels ‘’waterpas’’ aanbrengen in een carré, daarop de putbehuizing plaatsen. Als de grondwaterstand tijdens plaatsing te hoog is dient een drainbemaling te worden aangebracht. Na gebruik de drain afwerken voor eventueel later gebruik tijdens groot onderhoud. De omvang van de putbehuizing dient voldoende groot te zijn voor plaatsing van de werktuigbouwkundige installatie, de werkschakelaar, het verdeelkastje en dient voldoende werkruimte te hebben voor het uitvoeren van onderhoudswerkzaamheden. De kabels en leidingen dienen door de zijwand in de putbehuizingen te worden ingevoerd. De doorvoeringen dienen waterdicht te worden uitgevoerd.

Als gevolg van de mogelijke zetting van het omringende maaiveld kunnen de bronbuis, de leidingen en kabels onder spanning komen te staan. Door uitvoering van een Link Seal bij de doorvoeringen is het mogelijk deze spanningen in een latere fase te doen verminderen. Onder de putbehuizing zal een definitieve drain worden aangebracht, zodat ook in een latere fase het losdraaien van de Link Seal-verbinding rondom de bronbuis mogelijk blijft. De ontluchters op de bronplaat dienen voorzien te worden van een terugslagklep. De bron met bijbehorende peilfilters dienen gelabeld te worden: - Naam bron – filtertraject - Peilbuisnr. – filtertraject De door de leveltransmitter aangegeven waarden in de regelsoftware dienen gecontroleerd te worden door middel van peilen van het grondwater in de bron. Tevens dienen de druktransmitters vergeleken te worden met de indicators in de bronput. De handafsluiter dien voorzien te zijn van een arreteerplaat. Om galvanische corrosie te voorkomen dient RVS toegepast te worden bij het aansluiten van transmitters, indicators en overige appendages. Voor aan te brengen bochten in het leidingwerk, zowel voor RVS als PE, dient de bocht 1,5 x D of groter te zijn. Het is niet toegestaan om haakse bochten of knietjes toe te passen in het leidingwerk.

Op het hoogste punt bij de bronnen en TR dienen luchtverzamelpotten met ontluchtingsmogelijkheid aangebracht te worden. Bronkop De bronplaat dient 20 mm dik te zijn en vervaardigd te worden uit RVS. Alle doorvoeren dienen luchtdicht te worden doorgevoerd, geschikt voor hoge drukken. De bronplaat dient geflenst te worden aan een kraagbus en luchtdicht gemonteerd te worden. De bronplaat dient voorzien te zijn van een automatische ontluchter welke de installatie niet mag beluchten. Op de bronplaat dient een manometer geplaatst te worden welke negatieve druk kan registreren. Voor eventuele monstername dient er een DN50-opening aanwezig te zijn. Alle doorvoeren dienen waterdicht te worden afgewerkt. Inbouwen van de pompkamer De stijgbuis dient voldoende lengte te hebben, zodat de pomp voldoende diep geplaatst kan worden voor de huidige en toekomstige situaties. De gehele pompconstructie dient middels een telekraan verticaal gehesen te kunnen worden. De pompconstructie dient middels centreerbeugels in het midden van de pompkamer gehouden te worden. Hierbij dient de constructie robuust te zijn om de krachten van de pomp en injectiekleppen op te vangen.

19

7 Regeling, beveiliging en registratie In de regelkast dienen in ieder geval de volgende componenten te zijn ondergebracht: • Frequentieregelaar met LC-filter voor het aansturen van de onderwaterpompen. • Processor met in- en uitgangsmodules voor het ontvangen en versturen van signalen. • Ethernetkoppeling met internetverbinding. • Hoofdschakelaar voor het afschakelen van de hoofdvoeding. • Interventieschakelaars voor het handmatig bedienen van de verschillende appendages. De regelfirma dient eerst een regeltechnische omschrijving te maken van de regeling van het WKO-systeem. Na goedkeuring door de directie kunnen de schema’s voor de regelkast gemaakt worden en kan de software geschreven worden. Tevens dienen de regelschema’s ter goedkeuring te worden aangeboden aan de directie. De wisselwerking tussen het grondwater- en gebouwsysteem dient zodanig te zijn dat de infiltratietemperaturen gerealiseerd worden die in het ontwerp aangehouden zijn. Ook dient binnen de maximale debieten en waterhoeveelheden van de vergunning gebleven te worden. Voor uitlezing van gegevens ter plaatse en op afstand dienen communicatiekabels aangebracht te worden. Meldingen en storingen dienen door middel van de internetverbinding van het netwerk gecommuniceerd te worden aan de booraannemer en beheerder.

Met de aansluiting dient het systeem tevens uitleesbaar te zijn door de booraannemer, beheerder en de directie. Door middel van de communicatie met de regelkast van de installateur dienen alle actuele metingen, setpoints, meterstanden, toestanden, sturingen etc. uitgewisseld te kunnen worden. Het WKO-systeem dient “stand-alone’’ te kunnen functioneren en dus onafhankelijk van overige installaties gestuurd te kunnen worden. Een uitgebreide registratie van waterhoeveelheden, energiehoeveelheden, temperaturen en SPF is vereist. Voorafgaande aan het installeren van de software dient een defaultwaardenlijst gemaakt te worden waarin de beginwaarden en schakeltijden van de verschillende appendages moeten worden vermeld. De defaultwaardenlijst dient ter goedkeuring aangeboden te worden aan de directie. Alle waarden dienen instelbaar te zijn en inzichtelijk gemaakt te worden binnen de regeling middels menu’s of schema’s. Het uitgangspunt is dat de booraannemer of opdrachtgever alle parameters kan verstellen zonder de software hiervoor te hoeven aanpassen. Van alle componenten en regelprocessen binnen het WKO-systeem dient de status inzichtelijk gemaakt te worden, zodat te herleiden is in welke bedrijfssituatie het WKO-systeem zich bevindt en welke regeling de aansturing van de onderwaterpomp bepaalt.

Tijdens het inregelen zullen door fijnafstemming de definitieve instelwaarden bepaald worden. De directie zal, na het beschikbaar komen van de afpompgegevens, de onderhouds- en alarmniveaus doorgeven voor de beveiliging van de bronnen door de leveltransmitters. Minimaal vier weken voorafgaande aan de oplevering dient er getest te worden en een opname plaats te vinden samen met de directie. Tijdens deze opname zullen ook andere betrokken partijen aanwezig zijn. Uit de opname moet een restpuntenlijst ontstaan die door de booraannemer afgewerkt dient te worden. De energierekenwerken, die aangebracht zijn in het WKO-systeem, dienen het signaal aan de regelkast aan te leveren via M-Bus of Modbus. Alle overige transmitters dienen een uitgangssignaal aan te leveren van 4-20 mA.

20

Alle transmitters die opgenomen zijn in het WKO-systeem dienen te voldoen aan een meetnauwkeurigheid van 0,5% van het meetbereik. Vanwege het specialistisch karakter van grondwatersystemen is het niet gewenst om ondeskundige partijen de mogelijkheid te geven om instellingen te veranderen. In de software dienen daarom verschillende gebruikersaccounts aangemaakt te worden, waarbij per gebruiker ingesteld kan worden welke rechten deze hebben. Hier dienen ten minste de volgende niveaus onderscheiden te worden: • Toeschouwer (alleen leesrechten, geen enkele invloed op het systeem) • Gebruiker (kan installatie alleen aan of uit zetten, kan geen instellingen wijzigen) • Monteur (kan handmatig bedrijfssituaties vrijgeven, setpoints verstellen en mag het systeem resetten) • Inbedrijfsteller (kan het systeem en afzonderlijke onderdelen bedienen en kan ingestelde waarden voor beveiligingen wijzigen) • Programmeur (kan het systeem volledig bedienen en kan ook de software aanpassen) In de software dienen wijzigingen van gebruikers geregistreerd te worden. Voor uitlezing van gegevens ter plaatse en het bewaren van de historie dient een beheer-PC geplaatst te worden. Voor het uitlezen op afstand dienen communicatiekabels aangebracht te worden om in te loggen op de beheer-PC.

7.1 Regeling Om het koude- en warmteopslagsysteem zo goed mogelijk te kunnen laten functioneren moet het systeem zo goed mogelijk wordt ingeregeld. Om dit te bereiken moet een stappenplan voor elke bedrijfstoestand worden opgesteld. In de regelomschrijving dient aangegeven te worden welke bedrijfssituaties handmatig vrijgegeven kunnen worden en wat de voorwaarden zijn bij automatische inschakeling van bedrijfssituaties. De regeling van het WKO-systeem dient goed afgestemd te worden met de regeling van overige installaties. Elke bedrijfstoestand moet duidelijk en puntsgewijs beschreven worden voordat er een regelschema kan worden opgesteld of een programma kan worden geschreven. In de regelomschrijving wordt snel duidelijk hoe het systeem moet werken. Dit voorkomt complicaties bij het inregelen van het systeem. Debietregeling Het grondwaterdebiet dient tijdens normaal bedrijf primair geregeld te worden op basis van het debiet aan de secundaire zijde van de TSA. Daarnaast dient de regeling ook automatisch rekening te houden met minimale en maximale debieten en minimale en maximale infiltratietemperaturen. Spoelen Het spoelen van de bronnen dient bij maximaal debiet plaats te vinden. Noodstop Per onderhouds- of alarmmelding dient vastgelegd te worden of het WKO-systeem in bedrijf kan blijven of dat een (gecontroleerde) noodstop moet plaatsvinden.

Bij een gecontroleerde noodstop dient de actieve bedrijfssituatie wel direct onderbroken te worden, maar mag het systeem nog wel op druk weggezet worden. Bij een acute noodstop dienen direct alle kleppen gesloten te worden en de onderwaterpompen stilgezet te worden.

21

7.2 Beveiligingen Het WKO-systeem dient voor de volgende aspecten beveiligd te worden: • Te lage of te hoge systeemdruk • Te lage of te hoge stijghoogte in de bronnen • Te laag of te hoog debiet • Te lage of te hoge temperatuur in het systeem • Lekkage • Waterdetectie • Verstopping van de TSA • Drukverlies in het secundaire circuit van de TSA Storingen De booraannemer dient samen met de regelfirma alle storingsmeldingen op te nemen in een lijst. Daarbij dienen de meldingen te worden onderverdeeld in: • Urgente storingen die direct invloed hebben op het functioneren van het systeem. • Niet-urgente storingen die in latere fase invloed hebben op het functioneren van het systeem. • Meldingen die noodzakelijk periodiek onderhoud inhouden. De regelfirma dient een lijst op te stellen met mogelijke storingsmeldingen en de urgentie daarvan. Deze lijst dient ter goedkeuring aangeleverd te worden aan de directie. Na goedkeuring mogen de storingsmeldingen definitief worden doorgevoerd. Functionering beveiliging Alle beveiligingen dienen zowel in handbedrijf als in automatisch bedrijf te functioneren. Indien het nodig is dat de storingsmeldingen uitgeschakeld worden, bijvoorbeeld tijdens inregelen of reparatie, dient dit te gebeuren in overleg tussen de booraannemer en de regelfirma. Hierbij mag het WKO-systeem nooit onbeheerd achtergelaten worden.

Het is niet toegestaan om op afstand beveiligingen aan te passen of storingen te resetten. Dit mag uitsluitend op locatie gebeuren, wanneer de fysieke toestand van het grondsysteem gecontroleerd kan worden. Op basis van de informatie voortkomend uit de capaciteitstesten zullen de instelwaarden van de installatie worden opgegeven.

7.3 Registratie Bij afgifte van de vergunning Waterwet worden door de provincie eisen gesteld. Deze eisen zijn uitgewerkt in de Voorschriften. Een duidelijke en betrouwbare registratie is van groot belang om te kunnen voldoen aan de voorschriften en om inzicht te krijgen in de prestaties van het systeem. Het WKO-systeem dient uitgerust te worden met meetlichamen waarmee de registraties kunnen worden uitgevoerd volgens de eisen uit de vergunning Waterwet. De registratie van meterstanden en maandelijks berekende waarden dient minimaal 5 jaar bewaard te blijven. De registratiemodule dient gereed te zijn zodra begonnen wordt met het inregelen van het systeem, zodat zo spoedig mogelijk alle parameters geregistreerd, bewaakt en geanalyseerd kunnen worden. Naast de provinciale registratie dienen alle gemeten en gestuurde parameters in de regeling een half jaar gelogd te worden en in grafieken en tabellen gepresenteerd te worden.

22

8 Beproevingen In dit hoofdstuk gaan we in op beproevingen. Het systeem moet beproevingen ondergaan om gebrekkige componenten te achterhalen. Voorafgaande aan de beproevingen dient goed gecontroleerd te worden of het leidingsysteem lucht- en waterdicht is. Dit geldt ook voor de pompkamer en de persleiding in de bronnen.

8.1 Beproevingsprotocol WKO-systeem De aannemer dient een beproevingsprotocol op te stellen voor het testen en beproeven van het complete WKO-systeem. In het beproevingsprotocol dienen onder andere de volgende punten beschreven te zijn: • Het testen van alle componenten op de juiste montage, aansluiting en functioneren. • Het beproeven van alle onderdelen van het WKO-systeem op sterkte en gas- en waterdichtheid (drukken en afperstijden van de leverancier aanhouden). • Het reinigen/spoelen van het totale watertransportsysteem. • Het afvullen, het op druk brengen en het ontluchten van het systeem. • Het proefdraaien van het systeem. • Een defaultwaardenlijst met instelwaarden minimum en maximum. • Het bemeten van debieten, drukken, temperaturen e.d. Na de beproeving moeten de bevindingen gerapporteerd en ondertekend worden door degene die de beproeving heeft uitgevoerd. Dit mag met een tachograafschijf of met een zelfgemaakt rapport. De resultaten van de beproeving dienen te worden aangeleverd aan VHGM.

8.2 Sterkte- en dichtheidsbeproeving Om gebrekkige componenten van het systeem te achterhalen wordt er gebruik gemaakt van een sterkte- en dichtheidsbeproeving conform ISSO 7. De beproeving gebeurt door het leidingwerk, bronkoppen, stijgleidingen en hydraulische circuit af te persen met water, waarbij de volgende stappen aangehouden moeten worden: • Het leidingwerk vullen met water, leiding ontluchten. • Bij een verschil in temperatuur tussen het water en de omgeving moet het systeem in deze toestand gedurende minimaal 24 uur achtergelaten worden. Hierdoor wordt de invloed van de temperatuur op de uiteindelijke beproeving beperkt. • Nadat de gehele sleuf is aangevuld met zand en is afgetrild, dient de drukleiding afgeperst te worden op 1,5 maal de ontwerpdruk. Deze druk mag niet meer dan +/- 5% van de ingestelde waarde afwijken gedurende minimaal 15 minuten. • Nadat de sterktetest is volbracht de druk weer geleidelijk terugbrengen tot 1,3 maal de ontwerpdruk. Deze druk dient gedurende 24 uur gehandhaafd te blijven en dient te worden gemeten met een schrijvende meter. • De druk vervolgens geleidelijk terugbrengen tot 0 bar. De pompkamer moet afgeperst worden met lucht op 1 bar. Deze druk moet gedurende 4 uur gehandhaafd blijven. Alle tijdens deze test geconstateerde gebreken dienen onmiddellijk te worden hersteld.

Vervolgens dient het betreffende gedeelte opnieuw getest te worden. Bij het afpersen dient gebruik gemaakt te worden van een schrijvende meter. Na registratie dient de tachograafschijf afgetekend te worden door de projectleider en van datum voorzien.

23

8.3 Voorschriften leveranciers Voor het bodemenergiesysteem worden er eisen gesteld aan de materiaalkwaliteit van verschillende componenten. Tabel 8.1 Voorlopige lijst leveranciers Component Bronpompen Frequentieregelaar + LC-filter Injectiekleppen Vlinderkleppen Motorbediening vlinderkleppen Terugslagkleppen Leveltransmitters Druktransmitters Temperatuurtransmitters Flowtransmitters Energiemeter (rekenmodule) Drukindicators Temperatuurtindicators Expansievat Onderhoudsfilter Regeltechniek Bronbuis

Leverancier Melotte, of gelijkwaardig Danfoss, Control Techniques, Melotte Melotte, of gelijkwaardig Tyco Valves&Controls, Eriks Belimo, Tyco Valves&Controls Tyco Valves&Controls Endress + Hauser, Siemens Endress + Hauser, Siemens Endress + Hauser, Siemens Endress + Hauser, Siemens Endress + Hauser, Siemens Ter goedkeuring van directie Ter goedkeuring van directie Ter goedkeuring van directie MAHLE Industrial Filtration Priva Boode of gelijkwaardig

24

9 Beheer en onderhoud grondwatersysteem De booraannemer dient na oplevering van het grondwatersysteem het beheer en onderhoud voor zijn rekening te nemen. Hierbij wordt het onderhoud gedaan tot en met de warmtewisselaar. De werkzaamheden die hiervoor tenminste uitgevoerd moeten worden, staan hieronder omschreven. De beheerder moet hiervoor de erkenning hebben voor het beheer van bodemenergiesystemen overeenkomstig de BRL 11000 scope 4a.

9.1 Bronbeheer Urgente storingen Urgente storingen zijn storingen die het functioneren van het bodemenergiesysteem belemmeren. Indien er een urgente storing plaatsvindt, dienen met de regeltechniek automatisch een e-mail en sms-melding gegenereerd te worden aan de aannemer van het grondwatersysteem. Deze dient binnen 8 uur nadat de melding gegenereerd is de storing verholpen te hebben. Wanneer vastgesteld wordt dat een onderwaterpomp defect is, dient de aannemer van het grondwatersysteem deze binnen 6 uur om te schakelen naar de andere onderwaterpomp van de warme bron. De aannemer van het grondwatersysteem dient deze verantwoordelijkheid en de te volgen procedure op te nemen in het onderhoudscontract. Niet-urgente storingen Bij niet-urgente storingen dient eveneens een melding gegenereerd te worden aan de aannemer van het grondwatersysteem. Deze dient binnen 5 dagen nadat de melding gegenereerd is de oorzaak van de niet-urgente storing vastgesteld te hebben en actie ondernomen te hebben voor het herstel.

9.2 Preventief onderhoud Aan de eis wordt voldaan als het onderhoud- en beheerplan wordt uitgevoerd en de volgende onderdelen zijn vastgelegd en/of bijgewerkt: - de inspectierapportages zijn te herleiden aan het onderhoud- en beheerplan; - het logboek is bijgewerkt; - de vereiste periodieke actie uit de vergunning is onderdeel van het periodieke onderhoud; - de periodieke inspecties bevatten minimaal de volgende onderdelen: • controle van appendages op functie • bemeten van drukken en debieten van elke afzonderlijke lus • controle van de samenstelling van de koelvloeistof door met een hygrometer de dichtheid te bepalen van een representatief monster • communiceren van constateringen en afwijkingen met de beheerder • visuele opname van de staat van alle zichtbare materialen tijdens een onderhoudsinspectie, waarbij eventuele gebreken of indicaties op gebreken worden gerapporteerd • controle van de hoofdcomponenten en alle appendages op functionaliteit • advies aan de beheerder van de installatie • protocol voor storingsopvolging Spoelen Het spoelen van de bronnen dient 2 x per jaar plaats te vinden bij het wisselen van het stookseizoen.

25

10 Revisie grondwatersysteem De booraannemer dient binnen 1 week na oplevering een revisiemap aan te leveren met daarin de technische specificaties, gebruikershandleiding, ijkrapporten, opleverrapporten e.d. De revisiemap dient ook digitaal beschikbaar gesteld te worden. De booraannemer dient in de revisiemap een garantieverklaring op te nemen. De inhoud van de revisiemap dient ter goedkeuring aangeboden te worden aan de directie. De booraannemer dient een logboek aan te leggen waarin in ieder geval zijn opgenomen: • Vergunning Waterwet • Lijst van onderhoudswerkzaamheden en voorgedane calamiteiten. • Alle uitgewerkte voorschriften die opgenomen staan in de vergunning Waterwet en die betrekking hebben op het aanleveren van informatie voorafgaande aan de inwerkingtreding van het systeem. Van alle documenten van het detailontwerp die in paragraaf 1.4 genoemd zijn, dient na realisatie een revisie gemaakt te worden. Deze dienen opgenomen te worden in de revisiemap. Naast de ontwerpdocumenten dient de booraannemer rapporten aan te leveren over het beproeven en testen van het WKO-systeem.

Daarbij dienen minimaal onderstaande rapporten aangeleverd te worden: • Schoonbeoordeling bronnen • Capaciteitstest bronnen • Verslag van afhandeling vergunningsvoorschriften (met uitdraai schrijvende meter) • Afpersrapporten bronplaat (met uitdraai schrijvende meter) • Afpersrapporten transportleidingen (met uitdraai schrijvende meter) • Afpersrapporten leidingwerk technische ruimte (met uitdraai schrijvende meter) • Afpersrapporten van persleidingen • Rapporten van het doormeten van voedings- en signaleringskabels. • Meetlijsten en inregelrapporten van alle appendages na het inregelen van het systeem • Revisietekeningen van het complete leidingwerk conform de voorschriften van WIBON. o Detailtekening van het ingemeten leidingtracé o Voorschriften waar overige grondroerders zich aan dienen te houden o Revisie broninbouw • De definitieve versie van de projectsoftware van de regelkast In het kader van de WIBON wordt beoogd om de kabels en leidingen op het terrein van te registreren bij het Kadaster. De booraannemer dient hiervoor de revisietekeningen digitaal aan te leveren conform de eisen van de WIBON. De aannemer is verantwoordelijk voor de ingemeten kabels en leidingen. Wanneer deze gegevens verkeerd worden teruggekoppeld aan de netbeheerder kan de aannemer hiervoor aansprakelijk worden gesteld.

26

Bijlage 2

VHGM Leidsevaart 580 2014 HT Haarlem

Ontwerp Open bodemenergiesysteem WKO Raadhuisplein – Hoofddorp Conform BRL SIKB 11000, protocol 11001, scope 1a, versie 3.1, 2 november 2021

Dit rapport is opgesteld in opdracht van Gemeente Haarlemmermeer KENMERK 11805/230155/MvH

|

DATUM 23 mei 2024

|

STATUS Definitief

Documentbeheer De ondergetekende projectleider van VHGM verklaart dat het ontwerp onafhankelijk van de opdrachtgever is uitgevoerd conform de eisen van BRL SIKB 11000 en het daarbij horende protocol.

Concept

Naam

Datum

Opgesteld door

Maroushka Boers

9 april 2024

Goedgekeurd door

Mark van Harlingen

12 april 2024

Paraaf

Goedkeuring opdrachtgever : opmerkingen van Halmos van 8 mei 2024 verwerkt.

Definitief Opmerkingen verwerkt door

Naam

Datum

Mark van Harlingen

23 mei 2024

KENMERK

11805/230155/MvH

DOCUMENT

Ontwerp scope 1a

|

STATUS Definitief

Paraaf

2

De volgende partijen zijn betrokken bij het tot stand komen van dit rapport Vergunninghouder bodemenergiesysteem Naam Postadres Bezoekadres

Gemeente Haarlemmermeer Postbus 250 2130 AG Hoofddorp Taurusavenue 100 2132 LS Hoofddorp

Opdrachtgever Naam Postadres Bezoekadres Contactpersoon Telefoonnummer E-mailadres

Gemeente Haarlemmermeer Postbus 250 2130 AG Hoofddorp Taurusavenue 100 2132 LS Hoofddorp Mevr. Esther Moeke (06) 43 19 60 72 esther.moeke@haarlemmermeer.nl

Adviseur gebouwinstallaties Naam Adres Contactpersoon Telefoonnummer E-mailadres

Halmos Adviseurs Wassenaarseweg 30 2596 CJ Den Haag Dhr. Ubo van der Burg (06) 1005 4783 ubo@halmos.nl

Adviseur bodemenergiesysteem Naam Adres Contactpersoon Telefoonnummer E-mailadres

VHGM B.V. Leidsevaart 580 2014 HT Haarlem Dhr. Mark van Harlingen (023) 584 11 22 markvanharlingen@vhgm.nl

KENMERK

11805/230155/MvH

DOCUMENT

Ontwerp scope 1a

|

STATUS Definitief

3

INHOUDSOPGAVE INHOUDSOPGAVE

4

1

6

INLEIDING 1.1 1.2

2

Algemeen Uitgangspunten en communicatie

6 6

GEOHYDROLOGISCH VOORONDERZOEK

7

Bodemopbouw Grondwaterstand en grondwaterstroming Grondwaterkwaliteit en -temperatuur Overige onttrekkers Grondwater- en bodemverontreiniging Gebieden met richtlijnen Risicoanalyse

7 8 9 9 10 12 18

2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 2.6 2.7 3

JURIDISCH 3.1 Open bodemenergie 3.1.1 Registratieplicht 3.1.2 Maatwerk 3.2 Vergunningen 3.2.1 Planning en kosten 3.2.2 Lozing

19 19 19 20 20 20

SYSTEEMCONCEPT

23

4 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 5

Uitgangspunten bovengrondse installatie Reikwijdte energiesysteem Energiebalans Temperatuurselectie Debietrange BRON- EN BOORGATCONFIGURATIE

5.1 5.2 5.2.1 5.2.2 5.2.3 5.3 5.4 6

19

Keuze watervoerende pakket Mogelijkheden filterstelling Geschiktheid grondwaterkwaliteit en -temperatuur Spanningswater Effecten op overige belangen Bronontwerp Bronlocaties

EFFECTBEREKENINGEN 6.1 6.2 6.2.1 6.2.2 6.2.3 6.3 6.3.1 6.3.2 6.3.3 6.3.4 6.3.5 6.3.6 6.4 6.4.1

11805/230155/MvH

DOCUMENT

Ontwerp scope 1a

|

25 25 25 25 25 26 26 27 28

Inleiding Uitgangspunten Schematisatie bodemopbouw model Hydrologische uitgangspunten Hydrothermische uitgangspunten Resultaten hydrologische effectberekeningen Geohydrologische effecten Invloed op kwel- of infiltratiesituatie Beïnvloeding zoet / brak / zout grensvlak Invloed op overige onttrekkingen Verontreiniging Gebieden met richtlijnen Resultaten hydrothermische berekening Thermische invloed op overige open bodemenergiesystemen

KENMERK

23 23 23 24 24

STATUS Definitief

28 28 29 30 30 31 31 33 33 33 34 34 34 35

4

6.5 Grondmechanische effecten 6.5.1 Eindzettingen en zettingsverhang 6.5.2 Invloed op ondergrondse infrastructuur 6.5.3 Opbarstrisico’s 6.5.4 Bodemsplijting 7

OVERDRACHT INFORMATIE AAN ONTWERPER SCOPE 2A DETAILONTWERP GRONDWATERSYSTEEM

8

BIJLAGEN Bijlage 1

Omgevingskaart en bronlocaties

Bijlage 2

Hydrologische effecten

Bijlage 3

Hydrothermische effecten

Bijlage 4

Zettingsberekening

Bijlage 5

SPF-verklaring

Bijlage 6

Boorstaten

KENMERK

11805/230155/MvH

DOCUMENT

Ontwerp scope 1a

|

STATUS Definitief

35 35 35 36 36 37

5

1 Inleiding 1.1 Algemeen In Hoofddorp wordt het nieuwe gemeentehuis ontwikkeld door de gemeente Haarlemmermeer. Voor de verwarming en koeling van het complex zal gebruik gemaakt gaan worden van een duurzaam open bodemenergiesysteem. Er worden meerdere gebouwen ontwikkeld in het centrum van Hoofddorp. Hiervoor is in 2021 door VHGM een bodemenergieplan opgeleverd. De ambitie die de gemeente heeft voor een collectieve WKO staat in één lijn met de mogelijkheden die het bodemenergieplan biedt. De vijf gebouwen kunnen met behulp van een bronnet van energie worden voorzien. Het project ligt aan het Raadhuisplein in Hoofddorp (zie bijlage 1) en heeft globaal de coördinaten x = 107.898 en y = 479.458. Dit rapport beschrijft het (geohydrologisch) ontwerp van het open bodemenergiesysteem conform scope 1a van de BRL 11000 en protocol BRL 11001. De uitgangspunten worden ook gebruikt als basis voor de effectenstudie. Bij de verdere uitwerking van het detailontwerp van het grondwatersysteem moet met de uitgangspunten rekening gehouden worden. Voor het ontwerp is gekozen voor een doubletsysteem waarbij de bronfilters in watervoerend pakket 3 zijn gepositioneerd. In totaal worden er 1 warme bron en 1 koude bron gerealiseerd. In de winter wordt grondwater onttrokken vanuit de warme bron en, na afgifte van de warmte, met een lagere temperatuur in de koude bron geretourneerd.

In de zomer wordt grondwater onttrokken vanuit de koude bron en, na afgifte van de koude, met een hogere temperatuur in de warme bron geretourneerd.

1.2 Uitgangspunten en communicatie In onderstaande tabel wordt aangegeven welke onderdelen worden uitgevoerd door welke partij. In tabel 1a-T1 (hoofdstuk 7) zijn de verantwoordelijkheden voor het ontwerp van het open bodemenergiesysteem per partij vastgesteld. Tabel 1.1 Verantwoordelijkheden per partij Partij

Opdrachtgever

Gemeente Haarlemmermeer Installateur

Gemeente Haarlemmermeer

Gebouwadviseur Halmos

Gemeente Haarlemmermeer

Boorbedrijf

Gemeente Haarlemmermeer

VHGM

Gemeente Haarlemmermeer

KENMERK

11805/230155/MvH

DOCUMENT

Ontwerp scope 1a

|

STATUS Definitief

Onderdeel - Aanvrager feitelijke vergunning - Investeerder - Detailontwerp - Installatie - Beheer en onderhoud - Ontwerp energiecentrale gemeentehuis - Detail ontwerp - Realisatie bron - Realisatie warmtenet - Onderhoud bron - Ontwerp ondergronds deel scope 1a - Effectenstudie - Verzorgen vergunningaanvraag - Verzorgen lozingstoestemming

6

2 Geohydrologisch vooronderzoek 2.1 Bodemopbouw Voor een goede werking van een bodemenergiesysteem is de bodemopbouw van belang, zodat er voldoende grondwater onttrokken en geïnfiltreerd kan worden. Op basis van onderstaande bronnen is de bodemopbouw op de locatie bepaald (tabel 2.1): • Het hydrogeologisch bodemprofiel uit REGIS II v2.2. en GeoTop v1.5. • Grondlagenstaten zoals weergegeven in bijlage 5: o Boorstaten van TNO DINOloket: B24D0556, op ca. 3,8 km ten noordoosten van de projectlocatie, met een maximale diepte van 207 meter. o Boorstaten van nabijgelegen projecten, waaronder CHG Hoofddorp, Raadhuisplein op de projectlocatie en H. Joannes de Doper, Kruisweg 1071, Hoofddorp op ca. 0,8 km ten noordwesten. Daarnaast is in figuur 2.1 een noord-zuid hydrogeologisch profiel uit REGIS II v2.2 opgenomen. De zwarte lijn geeft de projectlocatie binnen het profiel weer. In de figuur zijn de verschillende lagen aangeduid met een label. Dit label bestaat uit een afkorting van de formatie (bv. PZWA voor PeizeWaalre) gevolgd door een c (complex), k (kleilaag) of z (zandlaag) en eventueel een nummer. Tabel 2.1 Geohydrologische schematisering Diepte t.o.v. N.A.P. [in m] mv: 4,3 – 4,6 m -N.A.P.

Samenstelling Klei met enkele kleiige zandlagen Zand, matig tot zeer grof, kan zijn afgewisseld met kleilagen

Geohydrologische eenheid

Doorlaatvermogen / weerstand

Deklaag

300 – 1000 d

Watervoerend pakket 1/2

1000 – 1200 m²/d

mv

Tot

-15 à -17

-15 à -17

Tot

-55 à -60

-55 à -60

Tot

-63 à -65

Klei

Slecht doorlatende laag 1

200 – 250 d

Zand, matig tot zeer grof, kan zijn afgewisseld met kleilagen

Watervoerend pakket 1/2

250 – 400 m²/d

Klei

Slecht doorlatende laag 2

2.000 – 4.500 d

Watervoerend pakket 3

4.000 – 4.500 m²/d

Geohydrologische basis

-

-63 à -65

Tot

-70 à -80

-70 à -75

Tot

-85 à -90

-85 à -90

Tot

-170 à -180

-170 à -180

KENMERK

11805/230155/MvH

DOCUMENT

Ontwerp scope 1a

|

Zand, matig tot uiterst grof, kan zijn afgewisseld met kleilagen. Onderin het pakket wordt het zand fijner vanaf ca. 170 à 180 m N.A.P. Klei

STATUS Definitief

7

Figuur 2.1 Hydrogeologisch N-Z profiel met projectlocatie (tussen de zwarte lijnen)

2.2 Grondwaterstand en grondwaterstroming De grondwaterstand (tabel 2.2) en grondwaterstroming (tabel 2.3) zijn bepaald aan de hand van grondwatertools (het LHM-model) en peilbuizen uit TNO DINOloket. Hierbij is een gemiddelde maaiveldhoogte van 4,3 tot 4,6 m -N.A.P. aangehouden. Er is kans op artesisch grondwater. Derhalve dient er bij het boren een verhoogde booropstelling gebruikt te worden, met een voldoende diepe casing geboord te worden en dient de putbehuizing boven maaiveld geplaatst te worden. Tabel 2.2 Gegevens grondwaterstanden en stijghoogten Gemiddelde grondwaterstand/stijghoogte m N.A.P. / [m mv]

Fluctuatie

Bronvermelding

Freatisch pakket

-5,9 [-1,6 tot -1,3]

± 0,5 m

LHM1, B25C0438, B25C0436, B25C0437

WVP1/2

-5,4 [-1,1 tot -0,8]

± 0,1 m

LHM2, LHM3, B25C0340

WVP3

-4,3 [+0,0 tot +0,3]

± 0,1 m

WVP3, boren met zoet water

-3,3 [+1,0]* tot -1,8 [+2,5]*

± 0,1 m

LHM4, LHM5, LHM6, B25C0183, B25D0556 Omrekening stijghoogte met chloridegehalte van 3.000 tot 8.000 mg Cl-/l bij een diepte van 180 m -N.A.P.

*Nota bene, door het hoge zoutgehalte van het grondwater en de grote diepte van de onderzijde van WVP2, kan de stijghoogte tijdens een boring sterk oplopen, omdat zout grondwater (hogere dichtheid) wordt vervangen door zoet kraanwater (lagere dichtheid). Boorspoeling (natuurlijk of toegevoegd) verhoogt de dichtheid van het boorwater, waardoor de stijghoogte lager zal uitkomen tijdens het boorproces.

Tabel 2.3 Gegevens grondwaterstroming Pakket

Snelheid [m/j]

Richting [-]

Bron

WVP1/2

<5

NW - O

Grondwatertools

WVP3

< 10

N

Grondwatertools

Scheidende laag

Snelheid [mm/d]

Richting [-]

Bron

Deklaag

0,9

Opwaarts

Grondwatertools

SDL1

4,9

Opwaarts

Grondwatertools

SDL2

0,3

Opwaarts

Grondwatertools

KENMERK

11805/230155/MvH

DOCUMENT

Ontwerp scope 1a

|

STATUS Definitief

8

2.3 Grondwaterkwaliteit en -temperatuur In tabel 2.4 zijn gegevens weergegeven van de grondwaterkwaliteit en -temperatuur. Tabel 2.4 Grondwaterkwaliteitsparameters Parameter

Waarde

Eenheid

Zoet/brakgrens (chloridegehalte 150 mg/l)

<30

m –N.A.P.

Brak/zoutgrens (chloridegehalte 1.000 mg/l)

30

m –N.A.P.

Chloridegehalte in gepland opslagpakket

8.000

mg/l

Temperatuur opslagpakket

12,5

°C

Redoxreactie (sub)-oxisch / anoxisch

<10

m -N.A.P.

Redoxreactie sulfaatrijk - sulfaatarm

30

m -N.A.P.

Ontgassingsdruk (relatief, 25 °C)

0,00

Bar

Bron Chloridemetingen DINOloket Chloridemetingen DINOloket B25D0556 Boorgatmeting B24C0340 Nitraatmetingen en ijzermetingen DINOloket Sulfaatmetingen DINOloket Grondwateranalyse AQUAradius op 4,6 km ten westen van de locatie

2.4 Overige onttrekkers Bij de omgevingsdienst zijn gegevens van geregistreerde grondwateronttrekkingen en bodemenergiesystemen binnen een straal van 1 km van de projectlocatie opgevraagd. Deze systemen staan in tabel 2.5 en 2.6 beschreven. In figuur 2.2 is de ligging van de nabijgelegen systemen weergegeven. Nabij de projectlocatie liggen meerdere open- en gesloten bodemenergiesystemen. Met de systemen binnen het hydrologisch invloedsgebied wordt rekening gehouden in de effectberekeningen in H5. Als de thermische bellen elkaar raken, wordt er gesproken over interferentie. Wanneer er negatieve interferentie optreedt, wordt dit meegenomen in het ontwerp en in de effectenberekeningen. De bronnen van het Cultuurgebouw en de Kruisweg liggen in hetzelfde watervoerende pakket en zeer dichtbij de voorgenomen bronnen op de projectlocatie. Hier dient rekening mee gehouden te worden met de modelberekeningen en de keuze voor een bronlocatie. Tabel 2.5 Gegevens open bodemenergiesystemen

Debiet [m³/h]

Waterhoeveelheid [m³/j]

WVP

Afstand [m]

50

210.000

2

13

132

200.000

2

13

Appartementencomplex Kruisweg Hoofddorp

65

200.520

2

115

479.187

Hyde Park Beukenhorst-West Hoofddorp

270

-

2

393

107.400

480.230

Parochiebestuur H. Joannes de Doper Kruisweg 1071 Hoofddorp

10

-

-

768

108.585

478.850

Vrij Uit Planeetbaan 4 Hoofddorp

23

-

-

781

478.373

Hoofdkantoor Irdeto Taurusavenue 105 Hoofddorp

50

-

2

954

x

y

107.765

479.475

107.937

479.528

107.963

479.656

108.354

108.087

Naam Lugano Burgemeester van Stamplein Nieuweweg Hoofddorp Het Cultuurgebouw Raadhuisplein 3a Hoofddorp

Tabel 2.6 Gegevens gesloten bodemenergiesystemen x

y

108.257

479.254

107.852

479.975

107.846

480.106

108.494

479.217

Energierendement [SPF]

Warmtevraag [MWh]

Koudevraag [MWh]

Bodemzijdig vermogen [kW]

Einddiepte [m]

Afstand [m]

Kalorama 118A Hoofddorp

4

5

3

4

127

272

Draverslaan 20 Hoofddorp

4

14

2

7

140

368

5

4–6

2–3

3–5

125 198

442

4

3,5 – 22,3

1,9 – 17,1

4 – 23

125 – 165

494

Naam

Burgermeester Pabstlaan 21 t/m 63 en Hoofdweg 658 en 660 te Hoofddorp Gemaalhof, Kalorama en Kruisweg, Hoofddorp

KENMERK

11805/230155/MvH

DOCUMENT

Ontwerp scope 1a

|

STATUS Definitief

9

Figuur 2.2 Relevante omliggende bodemenergiesystemen

2.5 Grondwater- en bodemverontreiniging Om relevante grondwater- en bodemverontreinigingen in de omgeving van de projectlocatie te inventariseren is het Omgevingsloket geraadpleegd en is informatie bij de opdrachtgever en omgevingsdienst opgevraagd. Het volgende bodemrapport is ontvangen: - “Verkennend bodem- en verhardingsonderzoek Burgemeester van den Willigenlaan 2 te Hoofddorp” door Antea Group op 15 juni 2018 met kenmerk 420193. Uit het verkennend bodemonderzoek blijkt dat de boven- en ondergrond niet verontreinigd zijn. Alleen onder de funderingslaag onder het asfalt zijn overschrijdingen van de achtergrondwaarde met minerale olie, PAK en kobalt aangetoond. Er is geen asbest gemeten, behalve de licht verhoogde gehalten bij boring 16. Het grondwater op de projectlocatie is licht verontreinigd met barium, molybdeen, kwik, naftaleen en arseen. Alleen bij peilbuis 14 zijn sterk verhoogde concentraties gemeten van arseen. Dit is echter niet ongebruikelijk, want arseen komt in deze regio van nature verhoogd voor. Uit contact met de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied (ODNZKG) blijkt dat binnen 700 m vanaf het Raadhuisplein 25 locaties met ernstige grondwaterverontreinigingen bekend zijn. De meeste verontreinigingen zijn aangetoond in het freatische grondwater tot maximaal 6 m -mv. Van een aantal verontreinigingen is de diepte niet ingevoerd.

Op basis van de aard van de verontreiniging (minerale olie en/of aromaten) verwacht de omgevingsdienst dat deze niet tot grote diepte zijn verspreid. Beïnvloeding van een WKO-systeem dat over het algemeen op veel grotere diepte wordt aangelegd, verwacht de omgevingsdienst daarom niet.

KENMERK

11805/230155/MvH

DOCUMENT

Ontwerp scope 1a

|

STATUS Definitief

10

Op basis van deze informatie kan geconcludeerd worden dat er enkel lichte verontreinigingen aanwezig zijn op de projectlocatie. Ook het voorkomen van ernstige grondwaterverontreinigingen op lage diepte in de omgeving zal hierom geen problemen veroorzaken bij het boren van een bodemenergiesysteem. Figuur 2.3 Locatie verkennend bodem- en verhardingsonderzoek (Antea Group, 2018)

KENMERK

11805/230155/MvH

DOCUMENT

Ontwerp scope 1a

|

STATUS Definitief

11

2.6 Gebieden met richtlijnen Op basis van de provinciale kaarten blijkt dat er gebieden met richtlijnen binnen een straal van 2 km van de projectlocatie aanwezig zijn. Hieronder zijn de onderstaande gebieden inbegrepen. Wanneer een van de belangen een aandachtspunt heeft, volgt een korte beschrijving. Tabel 2.7 Gebieden met richtlijnen Mogelijke belangen

1

2 3

4

Opmerking, attentiepunt: De locatie bevindt zich volledig in een kwetsbaar kwelgebied. Volgens de waterschapsverordening is een vergunning nodig voor het verlagen van het waterpeil in een kwetsbaar kwelgebied. Er moet voorkomen worden dat kwel en/of verzilting toeneemt.

Waterschapsverordening

Grondwaterbeschermingsgebieden en waterwingebieden PMV – Aardkundige waarden en specifiek provinciaal beleid

Net naast de projectlocatie ligt een overig oppervlaktewater met beschermingszone (figuur 2.4). Dit oppervlaktewater is niet meer aanwezig op de luchtfoto’s van 2022 en 2024, vanwege de sloop van het voormalige gemeentehuis. Ligt niet binnen 2 km van de projectlocatie. Ligt niet binnen 2 km van de projectlocatie Het projectgebied ligt gedeeltelijk in het bestemmingsplan Hoofddorp Centrum (2016) en gedeeltelijk in het bestemmingsplan Hoofddorp Stadscentrum 1 (2023) (figuur 2.5). In het bestemmingsplan Hoofddorp Stadscentrum 1 (2023) is aangegeven dat de locatie in een gebied ligt met Waarde – Archeologie. Dit betekent dat er een omgevingsvergunning benodigd is voor projecten groter dan 10.000 m². Dit zal geen gevolgen hebben voor de aanleg van een bodemenergiesysteem.

Archeologische waarden

In het bestemmingsplan Hoofddorp Centrum (2016) heeft de projectlocatie geen dubbelbestemming archeologie. 5

Natuurbelangen en landbouwgebieden

6

Interferentiegebied/ Masterplan

7

Zettingsgevoelige objecten

8

Ondergrondse constructies

9

Kabels en leidingen

10

Explosieven

De projectlocatie ligt op ca. 325 m van een natuurverbinding. Dit heeft geen gevolgen voor het gebruik van bodemenergie. De locatie ligt in het bodemenergieplan Hoofddorp Centrum (figuur 2.6). De regels zijn onder deze tabel weergegeven. De woningen in en rondom de projectlocatie zijn aangelegd tussen 1925 en 2011 (figuur 2.7). Bij de gebouwen gebouwd vóór 1960 is het van belang om in het ontwerp rekening te houden met zettingen die kunnen ontstaan door het infiltreren en onttrekken van grondwater, zodat eventuele schade door zettingen voorkomen wordt. Dit wordt in H6 verder beschreven. Nabij de projectlocatie ligt een parkeergarage. Hier dient rekening mee gehouden te worden. Op de KLIC-melding is te zien dat er meerdere kabels en leidingen aanwezig zijn (figuur 2.8). Hier dient rekening mee gehouden te worden met de plaatsing van bron- en leidingwerk. Op de CE Bodembelastingkaart van de gemeente Haarlemmermeer is de projectlocatie als onverdacht aangegeven. De kans is daarom niet groot op het aantreffen van het explosieven.

Legenda: Geen beperkingen

KENMERK

11805/230155/MvH

DOCUMENT

Ontwerp scope 1a

Aandachtspunt

|

STATUS Definitief

Verboden bodemenergiesysteem te realiseren.

12

Regels bodemenergieplan Hoofddorp Centrum De volgende regels gelden in het bodemenergieplangebied: - Het open bodemenergiesysteem dient uitgevoerd te worden als een doublet- of monobronsysteem. Er dient gebruik gemaakt te worden van het opslagprincipe (geen recirculatie). - De bronfilters van een doubletsysteem dienen in het watervoerende pakket gerealiseerd te worden tussen ca. 80 tot 180 m -N.A.P. Hierbij dient een minimale filterlengte van 50 m te worden aangehouden. - De warme en koude bronnen van een doubletsysteem dienen te worden gepositioneerd binnen de daarvoor bestemde zones, welke in de kaart “ruimtelijke indeling bodemenergie” (bijlage A) aangegeven zijn als, respectievelijk, rode en blauwe zones. Een monobronsysteem dient te worden gepositioneerd in de daarvoor bestemde zone, welke in de kaart “ruimtelijke indeling bodemenergie” is aangeduid als groene zone. - Bij toepassing van een monobronsysteem dient het bovenste bronfilter uitgevoerd te worden als warme bron. Dit bronfilter dient op een diepte tussen ca. 80 en 110 m -N.A.P. gerealiseerd te worden. - Bij toepassing van een monobronsysteem dient het onderste bronfilter uitgevoerd te worden als koude bron. Dit bronfilter dient op een diepte tussen 130 en 175 m -N.A.P. gerealiseerd te worden.

- In het ontwerp en de vergunningaanvraag voor het open bodemenergiesysteem dient te worden uitgegaan van een bodemzijdige energiebalans. Het open bodemenergiesysteem bereikt uiterlijk vijf jaar na de datum van ingebruikname een moment waarop de hoeveelheid koude en warmte, die tot dat moment in totaal door het systeem aan de bodem zijn toegevoegd, gelijk aan elkaar zijn. Het systeem dient deze status telkens opnieuw te bereiken uiterlijk vijf jaar na het laatste moment waarop die status bereikt is. Binnen deze periode zijn tijdelijke warmte- en koudeoverschotten toegestaan. - Bij het plaatsen van bronnen in openbare grond dienen de richtlijnen te worden aangehouden zoals omschreven in bijlage E van het Bodemenergieplan Hoofddorp Centrum. - Doubletbronnen mogen op openbaar terrein worden aangelegd, mits deze op een in samenspraak met de gemeente vast te stellen termijn worden aangesloten op een collectief warmte- en koudenet. Monobronnen in de daarvoor bestemde zone zijn uitgesloten van deze regel. - Middels effectenberekeningen moeten alle open bodemenergiesystemen, dus ook systemen met een capaciteit < 10 m³/h, onderbouwen dat er doelmatig gebruik van de bodem wordt gemaakt en dat er geen negatieve interferentie plaatsvindt. Deze berekeningen worden ter goedkeuring aan het bevoegd gezag voorgelegd.

- De booropstelling dient verhoogd te worden opgesteld en er dient met casing te worden geboord. Deze casing moet door de gehele deklaag geplaatst worden, dus in het projectgebied tot een diepte van ca. 12 à 14 m – N.A.P. De casing dient achter te blijven in het boorgat. - Uit de vergunningaanvraag voor het open bodemenergiesysteem dient te blijken of het te vergunnen systeem voldoet aan bovenstaande gebruiksregels. - Bij afwijking van enige gebruiksregel opgenomen in dit plan, dient door de initiatiefnemer aangetoond te worden dat het systeem geen zodanige interferentie kan veroorzaken met een ander bestaand of toekomstig bodemenergiesysteem dat het doelmatig functioneren van het andere systeem kan worden geschaad. Daarnaast dient aangetoond te worden dat geen sprake is van ondoelmatig gebruik van bodemenergie. Deze onderbouwing dient bij de vergunningaanvraag ter beoordeling aangeboden te worden aan het bevoegd gezag.

KENMERK

11805/230155/MvH

DOCUMENT

Ontwerp scope 1a

|

STATUS Definitief

13

Bijlage E Bodemenergieplan: Richtlijnen WKO-bronnen Hoofddorp Centrum 1. Bronnen dienen geplaatst te worden in de vastgestelde zones van het interferentiegebied. 2. Indien mogelijk dient de bron op eigen kavel te worden geplaatst om ruimte op openbare grond beschikbaar te houden. 3. Bronnen in openbare ruimte dienen aan te sluiten op een collectief zodra dit mogelijk is. 4. Door de aanwezigheid van artesisch grondwater dienen de bronnen mogelijk afgewerkt te worden met uitschuifbare stukken en ringstukken. 5. Voor de putconstructies op openbaar terrein gelden de aanvullende regels: a. Monobronnen in openbaar terrein dienen gelijk aan maaiveld te worden afgewerkt. b. Doubletbronnen met een minimale ontwerpcapaciteit van 150 m³/h mogen worden aangelegd met een bovengrondse putconstructie. Kleinere doubletbronnen dienen gelijk aan maaiveld afgewerkt te worden. c. De putten gelijk aan maaiveld moeten voldoen aan verkeersbelasting D 400 kN. d. Indien putten in het straatwerk komen, moeten deze ook als zodanig netjes worden afgewerkt. Geen beton in het zicht. Dit geldt ook voor andere maaiveldverhardingen. e. De gemeente behoudt het recht om de randen van bovengrondse putconstructies te voorzien van informatie, kunst, reclame of andere grafische afbeeldingen. Dit zal geen invloed hebben op het onderhoud van de bron. 6.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Haarlemmermeer&id=316946dd-c98d-4195-b9f0-dff9858b4604