CConstaterende datHaarlemmermeer
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 Technisch ontwerp VHGM (ontwerp ondergronds)

Raadsplein: Agenda en raadsstukken 27 februari 2025, gemeente HaarlemmermeerBij agendapunt: RV Technisch ontwerp en kredietaanvraag collectieve warmte- koudeopslag Raadhuisplein en omgeving (11778531) - AANGENOMEN28.452 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

VHGM Leidsevaart 580 2014 HT Haarlem

Uitvraagspecificatie Grondwatersysteem OBES Collectieve WKO Raadhuisplein, Hoofddorp

Dit rapport is opgesteld in opdracht van Gemeente Haarlemmermeer KENMERK 12159/230155/MvH

|

DATUM 20 november 2024

|

STATUS Definitief v2

Documentbeheer De ondergetekende projectleider van VHGM verklaart dat het ontwerp onafhankelijk van de opdrachtgever is uitgevoerd conform de eisen van BRL SIKB 11000 en de daarbij behorende protocollen.

Concept

Naam

Datum

Opgesteld door

Mark van Harlingen

5 april 2024

Goedgekeurd door

Stef van Harlingen

26 april 2024

Naam

Datum

Mark van Harlingen

28 oktober 2024

Naam

Datum

Mark van Harlingen

20 november 2024

Definitief Definitief gemaakt door

Definitief v2 Definitief gemaakt door

KENMERK

12159/230155/MvH

DOCUMENT

Uitvraagspecificatie

|

STATUS Definitief v2

Paraaf

Paraaf

Paraaf

2

De volgende partijen zijn betrokken bij het tot stand komen van dit rapport: Opdrachtgever Naam Postadres Bezoekadres Contactpersoon Telefoonnummer E-mailadres

Gemeente Haarlemmermeer Postbus 250 2130 AG Hoofddorp Taurusavenue 100 2132 LS Hoofddorp Mevr. Esther Moeke (06) 43 19 60 72 ester.moeke@haarlemmermeer.nl

Vergunninghouder Naam Postadres Bezoekadres

Gebouwadviseur Naam Adres

Contactpersoon Telefoonnummer E-mailadres

Gemeente Haarlemmermeer Postbus 250 2130 AG Hoofddorp Taurusavenue 100 2132 LS Hoofddorp

Halmos B.V. Wassenaarseweg 30 2596 CJ Den Haag Dhr. Ubo van der Burg (06) 10 05 47 83 ubo@halmos.nl

Adviseur bodemenergiesysteem Naam Adres Contactpersoon Telefoonnummer E-mailadres

VHGM B.V. Leidsevaart 580 2014 HT Haarlem Dhr. Mark van Harlingen (023) 584 11 22 markvanharlingen@vhgm.nl

KENMERK

12159/230155/MvH

DOCUMENT

Uitvraagspecificatie

|

STATUS Definitief v2

3

INHOUDSOPGAVE 1

INLEIDING 1.1 1.2 1.3 1.4 1.5 1.6 1.7 1.8

2

5

Projectorganisatie Levering door leverancier grondwatersysteem Levering door installateur/hoofdaannemer Planning Demarcatie Voorschriften materiaalkwaliteit Algemene bepalingen Aandachtspunten aannemer

5 6 6 6 6 7 7 7

WERKZAAMHEDEN GRONDWATERSYSTEEM

8

2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 2.6 2.7 2.8 2.9 2.10 2.11

Werkomstandigheden Boren bronnen Ontwikkelen bronnen Spuivoorziening Ontgassingsdrukbepaling Afwerken putinstallatie Omkeersectie Buffervat Circulatiepompen Kabel- en leidingwerkzaamheden Bronpompen en injectiekleppen

8 8 9 9 9 10 10 10 10 11 11

3

WERKTUIGBOUWKUNDIGE INSTALLATIE

12

4

REGELTECHNIEK

12

4.1 4.2

Regeltechniek Bedrijfssituaties

12 12

5

BEHEER EN ONDERHOUD GRONDWATERSYSTEEM

13

6

GARANTIEVOORSCHRIFTEN GRONDWATERSYSTEEM

14

6.1 6.2 7

Algemene garantiebepaling Aanvullende garantiebepalingen

14 14

BIJLAGEN Bijlage 1

Algemene voorwaarden boorwerkzaamheden

Bijlage 2

Definitief ontwerp OBES scope 1a

Bijlage 3

Definitieve Effectenstudie voor vergunningaanvraag Waterwet

Bijlage 4

Leidingtracé en bronlocaties

Bijlage 5

Principeschema grondwatersysteem

KENMERK

12159/230155/MvH

DOCUMENT

Uitvraagspecificatie

|

STATUS Definitief v2

4

1 Inleiding In Hoofddorp wordt het nieuwe gemeentehuis ontwikkeld door de gemeente Haarlemmermeer. Voor de verwarming en koeling van het complex zal gebruik gemaakt gaan worden van een duurzaam open bodemenergiesysteem. Er worden daarnaast meerdere gebouwen ontwikkeld nabij het raadhuis, in het centrum, welke aangesloten dienen te worden op het gezamenlijke bronnet. De gebouwen kunnen met behulp van een bronnet van energie worden voorzien of onderling energie uitwisselen. Het project ligt aan het Raadhuisplein in Hoofddorp (zie bijlage 1) en heeft globaal de coördinaten x = 107.898 en y = 479.458. Deze uitvraagspecificatie heeft als doel de eisen te formuleren voor de aanleg van het grondwatersysteem dat deel uitmaakt van het complete open bodemenergiesysteem. De aannemer van deze uitvraag wordt aangeduid met “booraannemer” en zal zijn prijs maken op basis van dit document, waarin delen van scope 2a zijn uitgewerkt, en het bijbehorende basisontwerp overeenkomstig scope 1a van de BRL 11000 protocol 11001. Deze uitvraagspecificatie betreft een onderdeel van het “Technische Ontwerp” met TO-nummer 3127610-W en omvat een onlosmakelijk geheel met deze uitvraag.

1.1 Projectorganisatie Bij de uitvoering van de werkzaamheden voor het bodemenergiesysteem zijn de volgende partijen betrokken: Partij

Opdrachtgever

Gemeente Haarlemmermeer

Onderdeel -

Aanvrager feitelijke vergunning Investeerder

Installateur (hoofdaannemer)

Gemeente Haarlemmermeer

-

Detailontwerp installaties Installatie Beheer en onderhoud

Gebouwadviseur Halmos

Gemeente Haarlemmermeer

-

Ontwerp energiecentrale van het nieuwe gemeentehuis

Boorbedrijf (onderaannemer)

Gemeente Haarlemmermeer

VHGM

Gemeente Haarlemmermeer

-

Detailontwerp Realisatie bron Realisatie warmtenet Onderhoud bron Ontwerp ondergronds deel scope 1a Effectenstudie Verzorgen vergunningaanvraag Verzorgen lozingstoestemming Opstellen bestekdocumenten

VHGM B.V. heeft van de gemeente Haarlemmermeer de adviesopdracht gekregen voor het ontwerp, de vergunningaanvraag en de uitvraag van het grondwatersysteem als onderdeel van het open bodemenergiesysteem en bronnetsysteem.

KENMERK

12159/230155/MvH

DOCUMENT

Uitvraagspecificatie

|

STATUS Definitief v2

5

1.2 Levering door leverancier grondwatersysteem Hieronder staat een korte weergave van de werkzaamheden van de booraannemer: o Verdere uitwerking van het detailontwerp van het grondwatersysteem overeenkomstig de BRL 11000, scope 2a. Het detailontwerp mag aangeleverd worden in meerdere documenten, maar moet wel voorzien worden van berekeningen. o Boren, leveren en installeren van de bronnen waarbij het gaat om een enkel doublet. o Leveren en installeren van kabel- en leidingwerk tussen de energiecentrales van de verschillende aan te sluiten gebouwen, de bronnen en ook de buffertank. o Het leveren, plaatsen en inrichten putbehuizingen, gelijk aan maaiveld. o Het leveren en plaatsen onderwaterpompinstallatie met bijbehorende appendages. o Leveren en installeren van de inpandige installatie tot en met de warmtewisselaar en ook buffervat, circulatiepompen en kleppen. o Leveren, inregelen en beveiligen van het nieuwe grondwatersysteem. o Aansluiten en opnieuw inregelen grondwatersysteem bij gefaseerd aansluiten overige gebouwen. o Beheren en onderhouden van het grondwatersysteem. o De booraannemer vraagt de nodige vergunnigen aan voor de aanleg van het systeem in openbaar gebied. Daarnaast verzorgt de aannemer alle voorschriften uit de afgegeven vergunningen.

1.3 Levering door installateur/hoofdaannemer De volgende punten worden uitgevoerd door derden: - Onderverdeelkast elektriciteit wordt geleverd door de installateur. De booraannemer en installateur stemmen gezamenlijk het vermogen af. - Internetkabel bij de regelkast voor GBS op afstand. - Doorvoering van sparingen gebouw; de booraannemer dient deze wel tijdig door te geven aan de bouwkundig aannemer. - Koppeling GBS gebouwzijdig en grondwaterzijdig. - Lekdetectie technische ruimte.

1.4 Planning Zie hoofdbestek.

1.5 Demarcatie De demarcatie van deze uitvraag ligt op de afsluiter aan de primaire zijde van de bodem TSA’s, zie bijlage 5.

KENMERK

12159/230155/MvH

DOCUMENT

Uitvraagspecificatie

|

STATUS Definitief v2

6

1.6 Voorschriften materiaalkwaliteit Voor het WKO-systeem worden er eisen gesteld aan de materiaalkwaliteit van verschillende componenten. Drukklasse Al het leidingwerk en alle appendages dienen te voldoen aan een drukklasse van 10 bar (PN10). Transportleiding terrein De transportleiding in het terrein dient vervaardigd te zijn uit PE100 SDR 17. Leidingwerk in put en technische ruimte Het leidingwerk in de putten en in de technische ruimte dient uit RVS 316 vervaardigd te worden. Warmtewisselaar De warmtewisselaar dient vervaardigd te worden uit RVS 316. De flensverbindingen tussen de gebouwzijdige installatie en de warmtewisselaar dienen voorzien te worden van pakkingen welke vervaardigd zijn uit EPDM of NBR. Onderwaterpomp De onderwaterpompen dienen vervaardigd te worden uit RVS 316 en zinkvrij brons. Putdeksel terrein De deksel in het terrein dient een Fibrelite deksel van een verkeersklasse van D400 te zijn.

1.7 Algemene bepalingen De algemene bepalingen in de bijlage 1 zijn geldig en bepalend voor deze uitvraag.

1.8 Aandachtspunten aannemer Let op spanningswater in de watervoerende pakketten. Dit geldt voor het boren, maar ook voor het gelijk met maaiveld afwerken van de putbehuizingen. In de bronnen worden per bron 2 onderwaterpompen aangebracht, namelijk 60 m³/h en 140 m³/h. In de bronnen dienen 2 injectiekleppen te worden aangebracht en in de putbehuizing moeten motorbediende kleppen worden aangebracht. Het leidingwerk dient voorzien te zijn van T-stukken en afsluiters met blindflens bij de toekomstige gebouwen. De T-stukken dienen voldoende diameter te hebben om de toekomstige gebouwen aan te sluiten. De kabel dient in glasvezel te worden aangebracht in een duct. Voor toekomstige kabels dient ook een duct aangelegd te worden, zodat de glasvezel later geblazen kan worden. De afsluiters dienen bediend te kunnen worden vanaf een straatpot met spindelafsluiter. De booraannemer kan deels gebruik maken van het bouwterrein van het nieuwe gemeentehuis, indien gewenst. Het bouwterrein wordt afgeschermd. De gemeente levert doeken welke op de bouw geplaatst dienen te worden. De bronnen zijn ontworpen op een capaciteit van 250 m³/h. Het leidingwerk en de installaties zijn gedimensioneerd op een capaciteit van 250 m³/h. Voor de later aan te sluiten gebouwen dient de aannemer een stelpost op te nemen. De volgende zaken dienen meegenomen te worden in deze stelpost.

• Na gereedkomen van de toekomstige gebouwen Voorzetgebouw, Centrumzicht en Parkzicht dienen deze te worden aangesloten op het bronnet. • Het leidingwerk dient te worden aangebracht tot en met de warmtewisselaar in de technische ruimte van de desbetreffende gebouwen. • De stelpost dient te worden opgegeven per gebouw. Voor de installatie is een zorgplicht in de communicatie met de desbetreffende stakeholders. KENMERK

12159/230155/MvH

DOCUMENT

Uitvraagspecificatie

|

STATUS Definitief v2

7

2 Werkzaamheden grondwatersysteem 2.1 Werkomstandigheden De koude en warme bron bevinden zich in openbaar gebied. Omdat de bronnen zich nabij funderingen, verkeer, parkeergarage en toekomstige bouw bevinden, dient er een casing te worden aangebracht. De casing dient geplaatst te worden tot 25 m -N.A.P. en dient voldoende diameter te hebben om de ruimere pompkamer in te plaatsen en te voldoen aan de boordiameter. De casing dient aangebracht te worden door middel van trillen, met hoogfrequent trilblok met variabel moment of drukken, e.e.a. volgens lokale wet- en regelgeving. Tijdens de aanleg van de bron dient er rekening gehouden te worden met puin of funderingsresten in de grond. De aannemer dient voorafgaande aan de uitvoering van het boorwerk proefsleuven te graven en met een guts voor te steken tot een diepte van 4 meter. Voor het aanbrengen van de kabels en leidingen moet de verharding worden opgebroken. De kabels en leidingen dienen te worden aangebracht volgens informatie in bijlage 4. In de bijlage Algemene voorwaarden staat beschreven hoe de kabels en leidingen dienen te worden aangebracht. Voor het aanbrengen van de kabels en leidingen dienen verkeersmaatregelen genomen te worden en moeten BLVC-plannen worden opgesteld. De doorlooptijd van deze plannen bedraagt minimaal 6 weken. Locatie koude bron De koude bron wordt aangelegd in het trottoir aan de Prins Hendriklaan.

De bron dient buiten de kruin van de boom geplaatst te worden. Voor de aanleg van de bron moet rekening gehouden worden met de doorgang van de openbare weg. Voorafgaande aan de boring regelt de aannemer een opbreekvergunning en draagt zorg voor een BLVC- en verkeerplan. Locatie warme bron De warme bron bevindt zich achter het C-punt (bibliotheek). Bij de aanleg van de bron dient rekening gehouden te worden met de bevoorrading van het C-punt. Ook hier dient de aannemer een opbreekvergunning, een verkeersplan en een BLVC-plan op te stellen. Beide plannen dienen door de opdrachtgever goedgekeurd te worden.

2.2 Boren bronnen Het detailontwerp van de bronnen dient te worden uitgewerkt volgens de BRL 11000. Voor meer informatie over de filterstelling dient het ontwerp scope 1a geraadpleegd te worden. Beschrijving

Eenheid

Type systeem

[-]

Doublet

Watervoerend pakket

[-]

3

Aantal bronnen

[-]

2

Afstand tussen de bronnen (L)

[m]

119 Warme bron

Koude bron

[mm]

700

700

Boordiepte aanbieden

m -mv

180

180

Maximaal debiet

[m³/uur]

250

250

Gemiddelde infiltratietemperatuur

[°C]

17

7

Minimale/maximale infiltratietemperatuur

[°C]

25

Boordiameter ter hoogte van filter

Gemiddelde doorlatendheid*

[m/dag]

5 40

Gewenste filterlengte

[m]

60

Beoogd filtertraject

m -N.A.P.]

95 – 155

Filtertraject vergunningaanvraag

m -N.A.P.]

89 – 180

Lengte pompkamer

m

Diameter pompkamer

mm

30 Voldoende groot voor dubbele pompcombinatie / injectiekleppen

KENMERK

12159/230155/MvH

DOCUMENT

Uitvraagspecificatie

|

STATUS Definitief v2

8

Koude bron = X: 107.945 en Y: 479.528 Warme bron = X: 107.973 en Y: 479.412 De bronbuis en peilfilters dienen vervaardigd te worden in PVC-drukklasse PN10 of hoger. Voor aanvang van de boorwerkzaamheden dienen het definitieve boorplan en de dimensionering van de pompkamers (met berekeningen conform Eis 2a.5 van de BRL 11000) ter goedkeuring aan de opdrachtgever te worden voorgelegd. Tijdens de filterstelling dient de adviseur van de opdrachtgever op locatie aanwezig te zijn voor toezicht. De aannemer blijft verantwoordelijk voor de kwaliteit van de bronnen.

2.3 Ontwikkelen bronnen De bronnen dienen te worden schoongepompt en ontwikkeld onder verantwoordelijkheid van de booraannemer. Het uitpompen van het boorwater moet direct na realisatie gebeuren. Het schoonpompen en ontwikkelen dient zo snel mogelijk daarna, maar minimaal na 3 weken, gestart te worden. In het boorplan moet beschreven worden hoe de bronnen moeten worden schoongepompt. Vervolgens zal de opdrachtgever aangeven of deze technieken mogen worden toegepast. De verwachting is dat er maximaal 5 m³/h geloosd mag worden op de riolering. De adviseur van de opdrachtgever dient aanwezig te zijn bij het schoonbeoordelen van de bronnen. De bronnen dienen schoongepompt en ontwikkeld te worden op een debiet van 250 m³/h. Als opleveringseis wordt gesteld dat de zandhoudendheid van het opgepompte grondwater niet meer dan 0,01 mg/l mag bedragen en dat het MFI-getal lager dan 2,0 s/l² moet zijn bij pompen op de ontwerpcapaciteit. Beoordeling met een filterspuit is ook toegestaan. De verlaging mag niet meer bedragen dan 3,50 meter. Indien dat wel het geval is, zullen de bronnen verder ontwikkeld moeten worden, tenzij ter hoogte van het filtertraject een geringere doorlatendheid is aangetroffen. De resultaten van de testen dienen gerapporteerd en gedocumenteerd te worden en moeten door de opdrachtgever beoordeeld worden.

De interpretatie van de testen zal in een notitie worden toegelicht en worden besproken met de booraannemer. De booraannemer blijft verantwoordelijk voor de kwaliteit van de bronnen.

2.4 Spuivoorziening Het vrijgekomen grondwater dient gespuid te worden over een kaarsenfilter. De aannemer dient in de technische ruimte een onderhoudsfilter te plaatsen met een maaswijdte van 0,45 µm, waarbij het volledige debiet van 250 m³/h gespoeld kan worden en geretourneerd wordt in de andere bron.

2.5 Ontgassingsdrukbepaling Er wordt een beperkte ontgassingsdruk in het grondwater verwacht. Na het ontwikkelen van de bronnen dient door de aannemer een gasanalyse gedaan te worden en dient de ontgassingsdruk te worden vastgesteld. Minimaal 3 weken na de schoonbeoordeling van een van de bronnen dient een watermonster uit de bron genomen te worden ter bepaling van de ontgassingsdruk. Een in-situ-bepaling van de hoogte van de ontgassingsdruk is niet toegestaan. Na het bekend worden van de ontgassingsdruk en systeemdruk dient de booraannemer de definitieve benodigde opvoerhoogte van de onderwaterpompen vast te stellen en aan te leveren aan de opdrachtgever.

KENMERK

12159/230155/MvH

DOCUMENT

Uitvraagspecificatie

|

STATUS Definitief v2

9

2.6 Afwerken putinstallatie Rondom de bronnen dient ter bescherming een betonnen putbehuizing geplaatst te worden. De putbehuizing dient een afmeting te hebben van minimaal 1800 x 1800 mm inwendig, met een diepte van circa 1200 mm. In verband met de freatische grondwaterstand van 1,30 m -mv dient de putbehuizing waterdicht uitgevoerd te worden. De putbehuizingen dienen te worden vervaardigd van prefab beton. Beide putbehuizingen moeten geplaatst en bevestigd worden op de casing. Hiervoor dient eerst een console op de casing aangebracht te worden, zodat de putbehuizing hier stabiel op geplaatst kan worden. De stijghoogte in het watervoerende pakket bedraagt 0,0 + mv tot 0,3 m + mv. De putbehuizing moeten gelijk aan maaiveld worden afgewerkt, waarbij een Fibrelite deksel D400 aangebracht dient te worden. De bronconstructie dient zich onder de deksel van de put te bevinden, zodat er onderhoud gedaan kan worden. Gezien de waterstand vraagt dit veel aandacht en inzicht van de booraannemer. De ventilatie dient gedaan te worden met ventilatiepijpjes nabij het gebouw of bij een boom. Bij ventileren op een grotere afstand van de put moet de ventilatie geforceerd worden.

2.7 Omkeersectie In het ondergrondse deel van het bodemenergiesysteem komen bij de verschillende gebouwen omkeersecties. De omkeersecties dienen te worden geleverd door de booraannemer. In het grondwatersysteem dienen per gebouw twee circulatiepompen te worden aangebracht van beide 50% van het vermogen. Middels een klepregeling dient de stroming over de TSA te worden aangepast. De kleppen dienen motorgestuurd open- en dichtgeschakeld te kunnen worden. Alle appendages dienen geschikt te zijn voor zout grondwater. Afhankelijk of er een warmte- dan wel koudevraag is vanuit het gebouw, dienen de kleppen gestuurd te worden vanuit de regeltechniek. Zie Regeltechnische omschrijving centrale warmte- en koudeopwekking (bijlage W-2 van de technische Omschrijving installaties).

2.8 Buffervat In het grondwatercircuit dient een buffer met een inhoud van 5 m³ te worden opgenomen. De buffer dient voorzien te zijn van geperforeerde plaat, van opnemers en dient te worden uitgevoerd in RVS316L en voorzien te zijn van 20 mm dampdichte isolatie. Het buffervat dient geschikt te zijn voor drukken tot 10 bar. De buffer komt in de technische ruimte van het nieuwe gemeentehuis te staan.

2.9 Circulatiepompen De drukverliesberekeningen moeten door de booraannemer gemaakt worden voor de selectie van de circulatiepompen. De pomp moet geschikt zijn voor het grondwatermilieu. De pomp dient toerengeregeld te zijn. Voor het nieuwe gemeentehuis dient 2 x 37,5 m³/h pompdebiet te worden opgesteld. Componentenserie Medium Efficiëntieklasse

KENMERK

12159/230155/MvH

DOCUMENT

Uitvraagspecificatie

KSB Etabloc [B] Water, zee- en brakwater IE5 (Ultra Premium)

|

STATUS Definitief v2

10

2.10 Kabel- en leidingwerkzaamheden Leidingspecificaties Voor het leidingwerk van het grondwatersysteem wordt gebruik gemaakt van twee soorten materialen die elk in een specifieke omgeving worden toegepast: RVS316 en HDPE. De diameters van het leidingwerk zijn gespecificeerd in het principeschema, bijlage 5.

RVS

In de technische ruimte dienen de leidingen van RVS316 vervaardigd te worden.

HDPE

Voor de transportleidingen die lopen tussen de bronnen en de technische ruimte wordt gebruik gemaakt van PE100. Het materiaal dient een drukklasse te hebben van PN10 (SDR17). Het hydraulische ontwerp van het grondwatersysteem dient dusdanig te functioneren dat de circulatiepompen hydraulisch worden kortgesloten over de buffer. Er moet voorkomen worden dat de circulatiepompen voor de TSA’s invloed hebben op de injectiekleppen. Alle uitpandige kabels en leidingen moeten volgens de WIBON geregistreerd worden bij het Kadaster.

2.11 Bronpompen en injectiekleppen In de warme bron dient een bronpomp toegepast te worden met een capaciteit van 60 m³/h en een bronpomp van 140 m³/h. De bronpomp dient regelbaar te zijn tot een minimaal debiet zijnde 6 m³/h. In de koude bron dient een bronpomp toegepast te worden met een capaciteit van 60 m³/h en een bronpomp van 140 m³/h. De bronpomp moet regelbaar zijn tot een minimaal debiet van 6 m³/h. De booraannemer dient een drukverliesberekening te maken ter bepaling van de opvoerhoogte van de onderwaterpompen. De drukverliesberekening moet ter beoordeling worden aangeboden aan de opdrachtgever. Boven de onderwaterpompen dienen injectiekleppen te worden aangebracht. Boven de bronnen moeten twee injectiekleppen worden aangebracht van MPT 4’’. Beide injectiekleppen krijgen evenveel debiet te verwerken. De onderwaterpomp, de injectieklep en frequentieregelaar moeten van Melotte Pumptechnology zijn. De bronpompen moeten geschikt zijn voor een chlorideconcentratie van circa 8.000 mg/l. De aannemer dient overeenkomstig de BRL 11000 scope 2a een drukverliesberekening en pompselectie ter goedkeuring aan de opdrachtgever aan te leveren. Dit kan plaatsvinden na de vaststelling van de ontgassingsdruk. De te leveren en aan te brengen meetapparatuur in de bron en op het leidingwerk in de put staan vermeld in het principeschema, zie bijlage 5.

KENMERK

12159/230155/MvH

DOCUMENT

Uitvraagspecificatie

|

STATUS Definitief v2

11

3 Werktuigbouwkundige installatie In bijlage 3 is een globaal principeschema van de werktuigbouwkundige installatie weergegeven. In dit schema zijn de belangrijkste onderdelen die aangebracht dienen te worden voor de goede werking van het WKO-systeem weergegeven.

4 Regeltechniek 4.1 Regeltechniek De software van het WKO-systeem dient uitgewerkt te worden door de regelfirma, in opdracht van de booraannemer. Voor de regeltechniek wordt verwezen naar het bovengrondse bestek. Het fabricaat van de regeling dient Priva te zijn.

4.2 Bedrijfssituaties Om het koude- en warmteopslagsysteem zo goed mogelijk te kunnen laten functioneren dient het systeem goed te worden ingeregeld. Hiervoor moet een stappenplan voor elke bedrijfstoestand worden opgesteld. Dit wordt gedaan in een regelomschrijving. De volgende bedrijfssituaties moeten in ieder geval beschreven worden: − Uit − Rust − Stand-by − Starten en optoeren − Bedrijf − Meer-/mindervraag van debiet − Noodbedrijf 50% injectieklep afsluiten warmtelevering − Noodbedrijf 50% bronpomp afsluiten warmtelevering − Noodbedrijf 50% injectieklep afsluiten koudelevering − Omkeersectie − Buffer laden − Buffer ontladen − Stoppen − Vullen − Spoelen − Drukhandhaving − Gecontroleerde noodstop − Onderhoud − Acute noodstop Zie daarnaast ook bijlage W-2 van het Technische ontwerp “3127610-W” dd. 2-03-2024.

KENMERK

12159/230155/MvH

DOCUMENT

Uitvraagspecificatie

|

STATUS Definitief v2

12

5 Beheer en onderhoud grondwatersysteem Het beheer dient in samenloop met het beheer van de bovengrondse installaties gedaan te worden. De aannemer van het grondwatersysteem is verantwoordelijk voor het functioneren van het grondwatersysteem. Het beheer en onderhoud dienen te worden aangeboden voor een termijn van 15 jaar. In deze jaren geldt een instandshoudingsverplichting waarbij componenten worden gerepareerd en worden vervangen voor de goede werking van de installatie. Aan het einde van deze termijn dient de installatie te voldoen aan een minimale conditiewaarde van 3 voor alle componenten, volgens de NEN2767. Bij inadequaat beheer en onderhoud van het grondwatersysteem kan de overeenkomst worden stopgezet. Redenen voor een opzegging vanuit de opdrachtgever zijn: Een gebrekkige samenwerking of slechte communicatie Overname van de onderhoudspartij of het uitbesteden in onderaanneming Niet tijdig vervangen van componenten, waardoor de conditiewaarde onder de 3 komt volgens de NEN2767 Meer dan 24 uur buiten gebruik zijn van het grondwatersysteem. Ontstane schade door het niet goed functioneren van het grondwatersysteem wordt verhaald op de aannemer. Opzegging gebeurt schriftelijk met een termijn van 2 maanden. Na opzegging worden alle revisie- en inloggegevens overhandigd aan de opdrachtgever.

Voor de opzegging vanuit de aannemer geldt een opzegtermijn van 2 jaar, waarbij de installatie wordt achtergelaten met een conditiewaarde van 2 volgens de NEN2767. Deze conditiewaarde geldt wanneer de onderhoudstermijn van 15 jaar niet in acht wordt genomen. De conditiemeting wordt verzorgd door een onafhankelijke adviseur.

KENMERK

12159/230155/MvH

DOCUMENT

Uitvraagspecificatie

|

STATUS Definitief v2

13

6 Garantievoorschriften grondwatersysteem 6.1 Algemene garantiebepaling De aannemer van het grondwatersysteem dient het beheer en onderhoud 15 jaar na opname te verzorgen. Gedurende die periode dient de booraannemer beschikbaar te zijn voor onderhoudswerkzaamheden/reparaties en bij defect raken van geleverde onderdelen. Alle onderdelen dienen tijdig vervangen te worden, zodat de conditie van de installatie niet lager dan 3 komt te liggen, volgens de NEN2767. De garantie- en onderhoudstermijn bedragen 15 jaar.

6.2 Aanvullende garantiebepalingen De prestaties van de bronnen dienen gedurende de garantietermijn te blijven voldoen aan de vermelde eisen. Het uitgangspunt hierbij is dat de stijghoogteverandering bij het ontwerpdebiet niet meer dan 30% extra is ten opzichte van de prestaties tijdens oplevering. Indien dit zich toch voordoet, dient de aannemer van het grondwatersysteem onderzoek en onderhoud aan de bronnen uit te voeren. Om beschadiging van de bronnen te voorkomen dienen door de leverancier softwarematige beveiligingen ingesteld te worden en zullen relevante parameters geregistreerd moeten worden. Indien hier aanleiding toe is, zal de leverancier de aannemer van het grondwatersysteem inzicht geven in de voorgedane bedrijfswijze van de bronnen. Levensduur Niet-demontabele delen van het warmte- en koudeopslagsysteem dienen te worden ontworpen op een minimale levensduur van 50 jaar. Deze 50 jaar is onder andere van toepassing op de putbehuizingen, de leidingen en de kabels. Demontabele onderdelen van het warmte- en koudeopslagsysteem dienen te worden ontworpen op een minimale levensduur van 15 jaar. Deze 15 jaar is onder andere van toepassing op bronpompen, afsluiters, warmtewisselaar, kleppen, buffervat, circulatiepompen en sensoren.

KENMERK

12159/230155/MvH

DOCUMENT

Uitvraagspecificatie

|

STATUS Definitief v2

14

VHGM Leidsevaart 580 2014 HT Haarlem

Bijlagen uitvraagspecificatie Grondwatersysteem OBES Collectieve WKO Raadhuisplein, Hoofddorp

Dit rapport is opgesteld in opdracht van Gemeente Haarlemmermeer KENMERK 12159/230155/MvH

|

DATUM 20 november 2024

|

STATUS Definitief v2

Bijlage 1

1 Algemene voorwaarden 1.1 Richtlijnen en voorschriften De booraannemer dient te beschikken over een functionerend en gedocumenteerd kwaliteitssysteem dat is opgezet volgens, en aantoonbaar voldoet aan, de eisen vermeld in de BRL SIKB 2100 en de BRL SIKB 11000 scope 2a detailontwerp, 3a realisatie en 4a beheer en onderhoud. Voor uitbesteding van deelwerkzaamheden dienen onderaannemers, voor aanbesteding, ter goedkeuring voorgelegd te worden aan de directie. De aanleg van de bronnen mag alleen uitbesteed worden aan een boorfirma die gecertificeerd is voor de BRL 11000 en de BRL 2100. De boorpartij en eventuele onderaannemer heeft aantoonbare ervaring bij ringnet systemen met grondwater. De booraannemer verzorgt alle voorschriften uit de vergunning Waterwet, de lozingsvergunning en indien van toepassing andere vergunningsvoorschriften. Al het uitvoerend personeel dient in het bezit te zijn van VCA Basis en daarnaast dient de booraannemer te handelen naar de veiligheidsprotocollen gesteld door de hoofdaannemer en de directie. CAR-verzekering Het warmte- en koudeopslagsysteem zal opgenomen worden onder de totale CAR-verzekering van de bouw, welke afgesloten wordt door de hoofdaannemer. Wel dient rekening te worden gehouden met een eigen risico van maximaal € 5.000,-.

1.2 Inschrijving De algemene leverings-, betalings-, en garantievoorwaarden van BodemenergieNL2013 en de Uniforme administratieve voorwaarden 2012 (UAV2012) zijn van kracht. Indien er tegenstrijdigheden zijn in de voorwaarden ten opzichte van deze uitvraag dan zijn de Nota van Inlichtingen en deze uitvraag leidend, vervolgens de voorwaarden BodemenergieNL2013 en vervolgens de UAV2012. Na de gunning deelt de aannemer een open begroting met de opdrachtgever. De open begroting dient te zijn opgebouwd uit alle toegepaste materialen, manuren, materieel, algemene kosten, winst en risico, transportkosten etc. Indien er sprake is van meer of minderwerk worden de kosten verrekend aan de hand van de prijzen in de open begroting.

1.3 Ontwerpeisen grondwatersysteem Het ontwerp scope 1a dient als basis voor het detailontwerp dat door de booraannemer uitgewerkt dient te worden volgens scope 2a van de BRL 11000. Voor dit detailontwerp dienen werktekeningen met stuklijsten vervaardigd te worden, welke ter goedkeuring aangeboden dienen te worden aan de opdrachtgever. De werktekeningen dienen eerst in concept aangeboden te worden, waarna deze, na verwerking van commentaar, definitief gemaakt kunnen worden. Na goedkeuring van de definitieve werktekeningen door de opdrachtgever mogen de tekeningen en documenten gebruikt worden voor uitvoering. Direct aansluitend, na goedkeuring van de definitieve tekeningen, kan de uitvoering starten. De aannemer van het grondwatersysteem is en blijft verantwoordelijk voor het detailontwerp. Voor de aanvang van de werkzaamheden dient er een V&G-plan te worden opgesteld waarbij het gaat om de veiligheid en risico’s specifiek op dit project. Dit plan dient afgestemd te worden met de hoofdaannemer en de opdrachtgever.

1.4 Tekeningen en documentvoorschriften Voordat er gestart mag worden met de uitvoering dient het detailontwerp van de booraannemer goedgekeurd te zijn door de opdrachtgever. De booraannemer dient hiervoor het detailontwerp uit te werken voor diverse onderdelen, wat ter goedkeuring aangeboden dient te worden aan de directie. Alle documenten dienen eerst in concept aangeboden te worden. Na het verwerken van het commentaar en de goedkeuring van de definitieve documenten kunnen de tekeningen en documenten gebruikt worden voor de uitvoering.

1

Van het detailontwerp dienen minimaal onderstaande documenten aangeleverd te worden: • Civiel ontwerp o Boorplan. o Detailontwerp filterstelling en aanvulschema na op diepte komen Boringen. o Detailtekening putconstructie, fundering en afdichting sparingen. •

Tekeningen leidingtracé WKO-systeem o Overzichtstekening verloop leidingtracé. o Detailtekening doorsnede leidingtracé. o Detailtekening doorsnede bij kruising overige infrastructuren.

•

Werktuigbouwkundige tekeningen putbehuizing o Overzichtstekening inrichting putbehuizing. o Detailtekening pompkamerinrichting.

•

Werktuigbouwkundige tekeningen technische ruimte o Overzichtstekening indeling technische ruimte. o Detailtekening leidingwerk.

•

Principeschema WKO-systeem o Werktuigbouwkundig principeschema. o Regeltechnisch principeschema.

•

Onderbouwing SPF en elektraverbruik.

•

Regeltechnische omschrijving o Gedetailleerde omschrijving van regelstrategie, beveiligingen en registratie, o Aansluitschema's en inrichting regelkast. o Defaultlijst met alle instelbare waarden. o Storingsoverzicht.

•

Een gedetailleerd werkplan, onder andere voorzien van de volgende punten: o Een gedetailleerde tijdsplanning, inclusief de werktijden voor binnenen buitenwerkzaamheden. o Een gedetailleerde werkomschrijving van alle werkzaamheden die genoemd zijn in de tijdsplanning. o Een opsomming van alle te verwachten knelpunten en oplossingen tijdens de uitvoering. o Gedetailleerde locatietekening van de inrichting van het bouwterrein. o Gedetailleerde locatietekening van de werkruimte welke op het terrein benodigd is gedurende de verschillende werkzaamheden. o V+G Plan.

•

Specificaties van onderdelen o Specificaties TSA. o Drukverliesberekening watertransportsysteem. o Analyse laagste drukken in compleet watertransportsysteem. o Specificaties onderwaterpompen en frequentieregelaar. o Specificaties drukhandhavingstoestel. o Specificaties kabels, inclusief berekening spanningsverlies.

•

Test- en inregelprotocol o Meetlijsten o Capaciteitsproeven

2

Op de werktekeningen dienen alle toe te passen materialen en installatieonderdelen aangegeven te worden, voorzien van fabricaat, type, model, afmeting, instelling, montagehoogte en dergelijke. Per discipline dient er een principeschema te worden gemaakt. Indien de plattegronden niet voldoende uitsluitsel geven, dienen detailtekeningen, aanzichten en/of doorsneden gemaakt te worden. Een en ander op aangeven, en ter beoordeling, van de adviseur of opdrachtgever. Op verzoek van de directie kunnen ook aanvullende documenten gevraagd worden. Concept documenten dienen 3 weken voor aanvang van de uitvoering digitaal aangeleverd te worden aan de directie. Alle partijen dienen ernaar te streven om tijdig de documenten te becommentariëren, zodat binnen deze periode de documenten aangepast en goedgekeurd kunnen worden. Werkzaamheden mogen pas worden uitgevoerd nadat de opdrachtgever de definitieve tekeningen en documenten heeft goedgekeurd. De aannemer blijft, ook na goedkeuring door de directie, verantwoordelijk voor de door hem gemaakte tekeningen betreffende de constructies, werkwijze, maatvoering en dergelijke. Wanneer door de aannemer wijzigingen in de door hem gemaakte tekeningen worden aangebracht wordt dit op het origineel bij het onderschrift aangegeven door middel van een nummer- en datumwijziging. De aannemer registreert en distribueert deze tekeningen.

Oudere versies van tekeningen komen daardoor te vervallen.

1.5 Afwijking uitvraagspecificatie In de uitvraag worden producten en leveranciers genoemd. Het staat de aannemer vrij, mits goed onderbouwd, uitvraagspecificaties te wijzigen indien van minimaal dezelfde kwaliteit. Indien wordt gekozen voor een afwijking dan dient er sprake te zijn van de volgende acties: • De Opdrachtgever dient op hoogte gesteld te worden van de afwijking en de Wijziging. • De wijziging dient beargumenteerd te worden met daarbij de specificaties van het product. • De voor- en nadelen van de wijziging dienen vermeld te worden. De adviseur van de opdrachtgever zal in samenwerking met de opdrachtgever vervolgens beslissen of de afwijking mag worden doorgevoerd.

1.6 Instructie aan eigenaar/beheerder De booraannemer dient bedieningsvoorschriften op te stellen en toe te voegen in de revisiemap. Tevens dient de booraannemer de beheerder te instrueren ten aanzien van de bediening van het WKO-systeem. Hierbij dient ook aandacht besteed te worden aan de wijze waarop gehandeld dient te worden bij storingen.

3

1.7 Kwaliteitsvoorschriften Algemene eisen onderdelen WKO-systeem • Het WKO-systeem dient gerealiseerd te worden door vakbekwaam en deskundig personeel. • Alle appendages van het WKO-systeem dienen geselecteerd en aangebracht te worden volgens de voorschriften van de fabrikant. Eventuele kosten welke voortkomen uit het juist aanbrengen van de appendages volgens de voorschriften van de fabrikant zijn voor rekening van de booraannemer. • Alle componenten dienen afgestemd te zijn op het temperatuurtraject zoals is aangegeven in de uitgangspunten van de brondimensionering. De afwijking van de componenten mag maximaal 0,1 K zijn. • Alle materialen dienen nieuw te worden aangebracht. Uitzonderingen hierop zijn stalen casings/voorbuis. • Met betrekking tot de brandveiligheid dienen de gebruikte materialen niet zelfontbrandend te zijn. Daarnaast dienen de materialen zelfdovend te zijn. • De verschillende appendages dienen zo in de technische ruimte samengebouwd te worden dat, bij gebreken, onderdelen eenvoudig te vervangen zijn. • Naast de eisen in deze uitvraag, dient bij het detailontwerp een beperkt energieverbruik en een hoge betrouwbaarheid nagestreefd te worden. • De samenbouw van de verschillende componenten dient zodanig te zijn dat er bij lekkages geen schade kan ontstaan aan het WKO-systeem, de technische ruimte of omliggende systemen.

• Rubberen afdichtingen die aangebracht worden dienen vervaardigd te zijn uit EPDM of NBR.

1.8 Uitvoeringsaspecten De aannemer dient voorafgaande aan de calculatie en indiening van de prijsaanbieding, het werk ter plaatse te schouwen, dan wel vanaf inrichtingstekeningen zich op de hoogte te stellen van alle mogelijkheden en onmogelijkheden voor het uitvoeren van de werkzaamheden en de logistiek. KLIC-melding (WIBON) De booraannemer dient rekening te houden met mogelijke kabels en leidingen op het werkterrein. Tekeningen van het eigen terrein kunnen worden opgevraagd bij de opdrachtgever. Het verzorgen van een graafmelding is verplicht. De aannemer draagt er zorg voor dat de kabel- en leidinggegevens over de in de grond aanwezige kabels en leidingen te allen tijde tijdens de uitvoering op de bouwplaats aanwezig zijn en instrueert uitvoerend en machine bedienend personeel. Ook dient er handmatig voorgegraven te worden voorafgaand aan machinale grondwerkzaamheden. Ter hoogte van de putconstructies dient de boorlocatie in de vorm van een kruis vrij gegraven te worden ter controle van de ligging van kabels en leidingen. Indien er onverhoopt kabels en/of leidingen op de locaties worden aangetroffen dient er een vrije locatie opgespoord te worden voor de aanleg van de put.

Ondergrondse explosieven Indien blijkt dat er een risico is voor ondergrondse explosieven dan dient de opdrachtgever voor aanvang van de boorwerkzaamheden de locaties nader te laten onderzoeken en vrij te geven. Bereikbaarheid Voorafgaande aan het boren van de bron dient de booraannemer overleg te voeren met de bouwaannemer/opdrachtgever over de bereikbaarheid. Daarnaast dient de booraannemer zelf ter plaatse de boorlocaties te bekijken en in overleg met de bouwaannemer de opstelling en aanvoerroutes van het boormaterieel te bepalen.

4

Werkruimte De benodigde werkruimte moet ruim voor aanvang van de werkzaamheden worden opgegeven aan de bouwaannemer/opdrachtgever. Voor de opslag van materiaal is maar een beperkte ruimte aanwezig op de bouwplaats. Voor de uitvoering zal vooraf overleg gevoerd moeten worden met de bouwaannemer om de opslag van materieel en materiaal af te stemmen en zo een ongehinderde uitvoering van de boringen mogelijk te maken. Werkzaamheden nabij gebouwen Ter voorkoming van ontlasting van het draagvermogen van de funderingspalen moet de bron minimaal met een afstand van minimaal 10 keer de boordiameter uit de fundering worden gepositioneerd. Daarnaast dient er overeenstemming te zijn met de constructeur op de voorgestelde boormethode wanneer er een risico is ten aanzien van de stabiliteit van het gebouw.

1.9 Elektriciteit op locatie De booraannemer zorgt zelf voor elektra op locatie zodat alle werkzaamheden toebehorende aan de booraannemer kunnen worden uitgevoerd. Kosten zijn voor rekening van de booraannemer.

1.10 Faciliteiten De booraannemer zorgt zelf voor een volledig ingericht werkterrein welke voorzien is van schaftruimte, toiletvoorziening, rijplaten, opslagruimte, aanvoerruimte etc.

1.11 Afschermen werkterrein De werklocaties worden, met bouwhekken, afgeschermd van de openbare weg of overige bouwwerkzaamheden indien nodig geacht, kosten hiervoor zijn voor rekening van de booraannemer.

1.12 Begaanbaarheid werkterrein Het werkterrein wordt ingericht met rijplaten en schotten zodat er veilig en schoon gewerkt kan worden op locatie. Alle kosten hiervoor zijn voor rekening van de booraannemer.

5

2 Aanleg bronnen 2.1 Voorbuis De booraannemer brengt een voorbuis aan om het inbressen van grond te voorkomen. De voorbuislengte is ter bepaling van de booraannemer en dient dusdanig te zijn dat er geen onderloopsheid kan plaatsvinden tijdens het boorproces. De booraannemer dient voorafgaande aan de plaatsing van de voorbuis de ondergrond te onderzoeken tot een diepte van 4 meter min maaiveld op de aanwezigheid van mogelijke puinresten, funderingen en holle ruimtes in de bodem. De grond rondom de voorbuis moet goed verdicht worden, door bijvoorbeeld intrillen met een trilblok. Voor het bepalen van de lengte vraagt de booraannemer sonderingen op en bepaalt zelf de inbreng diept. De aannemer is verantwoordelijk voor het aanbrengen en verwijderen van de voorbuis volgens de geldende lokale en nationale regelgeving.

2.2 Casing diepte en materiaal De booraannemer levert en brengt de casing aan. De casing lengte dient dusdanig te zijn dat er geen verlies van draagvermogen kan plaatsvinden van naastgelegen funderingen. De booraannemer bepaald de lengte van de casing op basis van de funderingsdiepte van de funderingspalen en in overleg met de constructeur. De booraannemer is verantwoordelijk voor het op diepte brengen van de casing. De booraannemer is verantwoordelijk voor het aanbrengen en mogelijk verwijderen van de casing volgens de geldende lokale en nationale regelgeving.

2.3 Uitkomende boorgrond De uitkomende boorgrond dient door de booraannemer te worden gekeurd en afgevoerd naar een erkend verwerker. Wanneer in de uitvraag of het ontwerp scope 1A niet is aangegeven dat de grond verontreinigd is, en achteraf blijkt deze wel verontreinigd te zijn dan zijn de kosten voor de opdrachtgever.

2.4 Verhoogd opstellen De booraannemer bepaalt het niveau van overdruk op het boorgat. Tijdens de uitvoering is de booraannemer verantwoordelijk voor de stabiliteit in het boorgat. Tijdens de aanbesteding rekent de aannemer met de juiste opstellingshoogte, eventuele aanvullende kosten kunnen naderhand niet worden verrekend.

2.5 Natuurlijk object in het boorgat Wanneer de boring niet op diepte kan komen door de aanwezigheid van een natuurlijk object in het boorgat dan valt dit onder het risico van de booraannemer.

2.6 Niet natuurlijke objecten in het boorgat. KLIC meldingen en gegevens over de locaties worden door de booraannemer ingewonnen bij de opdrachtgever en eventueel andere betrokken partijen. Voor het boren dient voorgegraven te worden tot 1,5 m -mv. Daarna tot een diepte met een guts prikken tot ca. 4 meter diepte. Indien er onnatuurlijke resten voorkomen in het boorgat welke dieper dan 4 m mv aanwezig zijn, en waardoor stagnatie ontstaat, kunnen deze kosten in rekening gebracht worden bij de opdrachtgever. De maximale aanvullende kosten bedragen maximaal 5% van de totale aanneemsom van het boorwerk.

2.7 Stagnatie tijdens boorwerkzaamheden. Voor de kwaliteit van de bronnen dient het filterstellen en omstorten tijdens de aanleg in een continue gang te worden voortgezet. Indien er stagnatie ontstaat door defecten of het ontbreken van materiaal dan maakt de aannemer dit kenbaar aan de opdrachtgever. Defecten of verminderde kwaliteit welke kunnen ontstaan door vertraging zijn voor rekening van de booraannemer.

6

2.8 Instorten van het boorgat De booraannemer is verantwoordelijk voor de stabiliteit van het boorgat. Wanneer het boorgat toch instort is de booraannemer aansprakelijk voor directe en indirecte schade. Gezien deze kans op mogelijk directe en indirecte schade dient er een verzekering afgesloten te worden welke past bij de complexiteit van het werk.

2.9 Verlies van materieel in het boorgat Wanneer materieel vast komt te zitten in het boorgat dan zijn dit risico’s voor de booraannemer. De opdrachtgever is niet verantwoordelijk voor verlies van materialen of stagnatiekosten voortkomende uit het boorproces.

2.10 Verkeerd inbouwen en/of omstorten van de bron Bij het foutief inbouwen, het defect raken van centreerbeugels of omstorten van de bron is de booraannemer verantwoordelijk. Indien er directe- of vervolgschade optreedt dan zijn deze voor rekening van de booraannemer. Onder foutief inbouwen en/of omstorten wordt verstaan; afwijkend aan de inbouwstaat en aanvulstaat zoals deze is goedgekeurd of overeengekomen met de opdrachtgever of adviseur van de opdrachtgever en zo ook afwijkend ten opzichte van de vergunning.

2.11 Doorboren van bodemverontreinigingen Indien de bodem sterk verontreinigd blijkt te zijn welke niet vooraf bekend is geweest dan kunnen eventuele stagnatiekosten doorberekend worden aan de opdrachtgever. De maximale aanvullende kosten mogen niet meer dan 5% van de totale aanneemsom bedragen. De opdrachtgever blijft eigenaar van de grond en zal deze verontreiniging moeten onderzoeken en verwerken. Na bekend worden van de aard van de verontreiniging maakt de booraannemer een nieuw werkplan en werkt volgens de benodigde veiligheidsvoorschriften om de bronnen te realiseren. Kosten worden verrekend op basis van de prijzen in de open begroting.

2.12 Boren nabij andere grondwateronttrekkingen/infiltratie De booraannemer regelt zelf de afschakeling van pompen van bronnen uit de omgeving welke invloed hebben op de werkzaamheden van de booraannemer. De invloed wordt beoordeeld door de booraannemer zelf. Eventuele aanvullende kosten welke daadwerkelijk nodig zijn voor het plaatsen van noodvoorzieningen bij systemen van derden zijn voor rekening van de opdrachtgever. Hierbij geldt wel dat de booraannemer de belangen van de opdrachtgever zoveel mogelijk behartigd.

2.13 Monstername Tijdens het boren dient per meter en/of bij een laagwisseling een monster te worden genomen. Hoeveelheid per monster ca. 1 liter. Booraannemer zorgt voor droging van de grondmonsters direct tijdens het boorwerk, ca. 10 cc per monster. Na droging van de grondmonsters deze per stuk opslaan met dieptebeschrijving. De booraannemer dient direct een boorbeschrijving te maken. Van alle zandmonsters moeten de M50 cijfers bepaald worden. De wijze van bemonsteren en de methode van boren dient te geschieden volgens SIKB 2101, NEN5104 en/of NEN-EN-ISO 14688-1.

2.14 Gebruik van boorspoeling In het boorplan en voorafgaande aan de boorwerkzaamheden moet door de booraannemer een voorstel gedaan worden ten aanzien van het wel of niet toepassen van boorspoeling, en met welke samenstelling. Indien er sprake is van fijn zand is het gebruik van boorspoeling niet gewenst. Uitgangspunt is dat boorspoeling alleen gebruikt wordt voor het doorboren van de grove zandlagen en bij valklei en bij te hoge of te lage stijghoogte ten opzichte van maaiveld van de te doorboren pakketten. In de fijnere zanden is de voorkeur gebruik te maken van de natuurlijk afbreekbare boorspoeling. Indien bij oplevering van de bron de boorkoek onvoldoende verwijderd is dient de booraannemer hiervoor aanvullende maatregelen te nemen.

7

2.15 Werkwater Het benodigde werkwater moet door de booraannemer zelf geregeld te worden. Het debiet en de hoeveelheid is ter inschatting van de booraannemer. Hierbij zorgt de booraannemer ervoor dat het water voldoende schoon is volgens de geldende regelgeving voor de aanleg van bronnen voor open bodemenergiesystemen. Indien er geen standpijp voorhanden is dan kan er gekozen worden voor een werkwaterbron. De booraannemer moet zorgen voor een dubbele watervoorziening met een niveau beveiliging die van afstand te volgen is. Alle vergunningen, kosten en werkzaamheden zijn voor rekening van de booraannemer.

2.16 Aantal suppletiebakken Er dienen 3 suppletiebakken te worden gebruikt. Het retourwater dient voldoende gereinigd te worden van sediment. De bakken dienen voldoende groot te zijn voor de diameter van de boring en de snelheid waarmee geboord wordt. De booraannemer beschrijft de suppletiebakken in het boorplan.

2.17 De filterstelling en aanvulstaat Bij de positionering van het filter houdt de booraannemer rekening met bijmenging klei, silt, organische resten en leem in het zandpakket. De booraannemer zorgt ervoor dat lagen vanaf een M50-cijfer van 150 µm meegenomen kunnen worden indien dit nodig is voor het behalen van het filterlengte. Bij het afstellen van het filter dient rekening gehouden te worden met de ligging van de redox, sulfaat en zoet/brak/zout grens. De filterstelling en aanvulstaat wordt gedeeld met de adviseur van de opdrachtgever.

2.18 Meten bij inbouwen Van alle individuele PVC-bronbuizen moet de lengte voor en na montage bepaald en gedocumenteerd worden. Na het inbouwen van het bronfilter tot einddiepte dient, conform paragraaf 6.2.1 uit de BRL 11000, voorafgaand aan het aanvullen door middel van peilen binnendoor de einddiepte gecontroleerd te worden. Na controle dient de einddiepte direct aan de directie te worden doorgegeven, zodat bij eventuele afwijkingen van de inbouwdiepte ten opzichte van de inbouwstaat, de nodige aanpassingen kunnen worden besproken voordat het boorgat wordt aangevuld.

2.19 Gebruik openbare weg Wanneer de openbare weg benodigd is voor het aanleggen van het bodemenergiesysteem dan is de booraannemer zelf verantwoordelijk voor het aanvragen van een WIOR-vergunning.

8

3 Schoonpompen en ontwikkelen van de bronnen De bronnen dienen zorgvuldig te worden schoongepompt, waarbij bij voorkeur de volgende ontwikkelacties dienen plaats te vinden: pompen boorwater uit de bron, jutteren, intermitterend en volcontinu pompen. Voorafgaande aan de uitvoering dient de booraannemer een schoonpompactie te omschrijven in het werkplan. Hierbij dient een voorstel gedaan te worden hoe de bronnen ontwikkeld zullen gaan worden. Dit plan zal door de directie beoordeeld en met de booraannemer besproken worden. Het staat de booraannemer vrij om een andere schoonpompmethode voor te stellen. Vooraf dient deze andere methode door de booraannemer in het werkplan opgenomen te worden en met de directie besproken en door hen goedgekeurd te worden. Het uitpompen van het boorwater dient direct aansluitend aan het op diepte komen of uitbouwen van de boorstangen te gebeuren.

3.1 Bronkeuring 5 werkdagen van tevoren maakt de booraannemer een afspraak met de adviseur van de opdrachtgever voor het bijwonen van de bronkeuring. Als opleveringseis wordt gesteld dat de zandhoudendheid van het opgepompte grondwater niet meer mag bedragen dan 0,01 mg/l en dat het MFI-getal lager moet zijn dan 2,0 s/l² bij pompen op de ontwerpcapaciteit. Tevens dient per bron een capaciteitstest uitgevoerd te worden, zie hiervoor de beschrijving hieronder. Deze werkzaamheden kunnen deels samenvallen met het testen van het opgepompte grondwater. De booraannemer dient zorg te dragen voor de benodigde meetapparatuur, inclusief planktonnet met een maaswijdte van 70 μm en een MFI-filterspuit met een maaswijdte van 0,45 μm. Tot aan de bodems van de bronbuizen en peilfilters moet al het materiaal (sediment) verwijderd worden door luchtlift-techniek. Bij de capaciteitsproef moet gedurende 2 uur bij elke bron een 4-tal divers ingehangen worden in de 3 peilbuizen en in de bron voor gelijktijdige meting van de stijghoogteverlagingen. De capaciteitstest dient afgesloten te worden met een stopproef. Aan het begin dienen ook bij de andere bron de ruststanden in alle peilbuizen en de bron gemeten te worden. Dit dient herhaald te worden aan het einde van de afpompingsproef (dus met maximale verlaging).

Aan de hand van deze test zal gecontroleerd worden of de putweerstand (boorgatwand) voldoende is afgenomen. Ook zal voor VHGM een toetsing van het onttrekkings- en infiltratiedebiet per bron worden vastgesteld. De resultaten van de testen dienen gerapporteerd en gedocumenteerd te worden en daarna door de adviseur van de opdrachtgever beoordeeld te worden. De booraannemer blijft verantwoordelijk voor de kwaliteit van de bronnen.

3.2 Bronnen geven zand Wanneer de zandnorm wordt overschreden dan dient de booraannemer de bron verder te ontwikkelen. Indien er zandintrede plaatsvindt door een defect in de buis, onvolledigheid van de bronbuis, de perforatie of doordat bij defect van centreerbeugels de filterbuis te dicht tegen de boorgatwand staat dan dient de booraannemer dit voor eigen kosten te herstellen.

3.3 MFI waarde blijft te hoog Wanneer de MFI waarde van de bron te hoog blijft dient er langer te worden schoongepompt. Wanneer na langdurig schoonpompen de waarde nog steeds te hoog is dan dient de boorpartij een langere garantietermijn af te geven van bijvoorbeeld 15 jaar of een nieuwe bron te boren.

9

3.4 Filters of omstorting verkeerd aangebracht Wanneer blijkt dat de filters of omstorting dusdanig verkeerd zijn afgesteld dat de bron niet voldoet aan de vergunning of ontwerpeisen, dan dient de booraannemer deze omissies voor eigen kosten zelf te herstellen door desnoods een nieuwe bron te boren.

3.5 Pompkamer te kort De pompkamer dient voldoende lengte te hebben voor toekomstig gebruik van de bronnen zonder dat er ontgassing gaat optreden. Hierbij dient ook rekening gehouden te worden met een verlaging van nabij gelegen bronnen of rivierwaterstanden.

3.6 Teveel verlaging in de bron Wanneer de bronnen meer verlagen dan het uitgangspunt uit de vergunning dan dient hiervan de oorzaak gemeld te worden bij de opdrachtgever en het bevoegde gezag. Indien de verlagingseis niet gehaald wordt door de bodemopbouw dan zijn eventuele kosten voor de vergunningswijziging voor rekening van de opdrachtgever. Indien de verlaging hoger is dan op basis van het aangeboorde aquifer mag worden verwacht, dan dient de bron langer ontwikkeld te worden totdat aan de vergunnings- en ontwerpeis voldaan wordt.

3.7 Herstel terrein Het terrein wordt na het boren en schoonpompen hersteld in oorspronkelijke staat tenzij anders is bepaald in het bestek. Kosten voor het herstel van het terrein zijn voor rekening van de booraannemer.

3.8 Tijdelijke afwerking bronbuis Na het afronden van werkzaamheden met betrekking tot het boren en schoonpompen van de bron, dient deze tijdelijk afgewerkt en beschermd te worden. Alle bronbuizen en peilbuizen moeten voorzien worden van een tijdelijke PVC-kap. Voorgesteld wordt om een afsluitbare stalen buis over de bronnen en peilfilters te plaatsen. De booraannemer mag hiervoor zelf een voorstel maken, maar blijft verantwoordelijk voor eventuele schade aan de bronconstructie.

10

4 Algemene eisen graven sleuf Voorafgaande aan de werkzaamheden dienen tracé- en ontgravingsprofiel(en) onderzocht te worden op vrije ruimte, vermeerderd met wat door derden wordt verlangd aan vrije ruimte. De leidingen dienen zoveel mogelijk in één lijn te worden aangebracht, waarbij zo spaarzaam mogelijk scherpe bochten en hoogteverspringingen worden toegepast met als doel de hydraulische weerstand te minimaliseren. De leidingen in de bodem moeten zodanig aangebracht worden dat deze spanningsloos in de bodem komen te liggen. Rondom de kabels en leidingen moet schoon zand worden aangebracht. Indien vanwege bestaande kabels, leidingen en/of obstakels afwijking van de geplande locaties en/of tracés nodig is, dient dit voorafgaande aan de werkzaamheden met de directie te worden overlegd.

4.1 Ontgravingen en aanvulling De sleuf dient voorafgaande aan het leggen van de leidingen vrij te zijn van scherpe obstakels zoals stenen, puin, hout, wapeningijzer en dergelijke. Na het leggen en beproeven van de leidingen, de sleuf opvullen met schoon zand tot 200 mm boven de transportleidingen (dus vrij van stenen en puin). Deze laag dient goed verdicht te worden. Aan weerskanten van de leiding kunnen de kabels worden aangebracht; de voedingskabel voor de onderwaterpomp aan de ene kant, de overige kabels aan de andere kant. Kabels om de 5 meter labelen. Na wederom een aanvulling met schoon zand van 200 mm een waarschuwingslint aanbrengen. Na het vullen van de sleuf tot aan maaiveld de grond wederom goed aantrillen met een trilplaat. Tijdens realisatie dient zoveel mogelijk te worden voorkomen dat de leidingen aan de binnenzijde worden vervuild. Daarom moet tijdens montage zoveel mogelijk met eindkappen gewerkt worden. Na realisatie van het totale leidingwerk dienen de leidingen te worden schoongespoeld om de eventuele achtergebleven vervuiling te verwijderen. In verband met vorstgevaar dient de gronddekking van het leidingwerk minimaal 80 cm te bedragen. De dekking op de kabels is ca. 60 cm. Bij kruisingen met andere kabels en leidingen dienen de voorschriften van de desbetreffende nutsbedrijven aangehouden te worden.

De kabels afdoppen met krimpkousen en in het maaiveld op rol achterlaten.

4.2 Sterkte- en dichtheidsbeproeving De beproeving gebeurt door het leidingwerk af te persen met water, waarbij de volgende stappen aangehouden moeten worden: -

Het leidingwerk vullen met water, leiding ontluchten. Bij een verschil in temperatuur tussen het water en de omgeving, moet het systeem in deze toestand gedurende minimaal 12 uur achtergelaten worden. Hierdoor wordt de invloed van de temperatuur op de uiteindelijke beproeving beperkt. Nadat de sleuf is aangevuld met ca. 200 mm zand dient de drukleiding afgeperst te worden op 2 bar. Deze druk dient gedurende minimaal 12 uur gehandhaafd te blijven. Nadat de gehele sleuf is aangevuld en aangetrild de druk geleidelijk opvoeren (in minimaal 2 uur tijd) tot 8 bar. Deze druk dient gedurende 2 uur gehandhaafd te blijven. De druk vervolgens geleidelijk verminderen tot 0 bar.

Alle tijdens deze test geconstateerde gebreken dienen onmiddellijk te worden hersteld en vervolgens dient het betreffende gedeelte opnieuw getest te worden.

11

4.3 Leidingen doorspoelen Na realisatie van het totale leidingwerk dienen de leidingen te worden schoongespoeld om de eventuele achtergebleven vervuiling te verwijderen. Voorstel is om dit pas te doen als ook het binnenleidingwerk is aangesloten. Het spoelwater mag nooit in de bron geloosd worden. Indien dit water wordt geloosd op de riolering dan moet gebruik gemaakt worden van een zandvang voor het verwijderen van vaste deeltjes uit het water.

4.4 Specificatie kabels De bekabeling voor het grondwatersysteem bestaat uit voedings-, stuurstroom- en signaleringskabels. De definitieve specificaties van de kabels dienen door booraannemer bepaald te worden, e.e.a. ter goedkeuring van de directie. De kabels moeten met een overlengte van 10 meter aangelegd worden. De exacte lengte dient in het werk te worden opgemeten, na het bekend worden van de definitieve bron- en TR-locaties en K+L-tracé. Ter plaatse van de bronnen dienen de kabels goed afgedopt te worden met krimpkousen en op rol gelegd. Dit geldt ook ter hoogte van de techniekruimte. Kabels dienen om de 5 meter gelabeld te worden met de tekst: Grondwatersysteem vanaf TR naar koude bron (of warme bron).

4.5 Testen kabels Na het aanbrengen van de kabels dienen de aders getest te worden door middel van het doormeten. Bij geconstateerde beschadiging dienen de kabels vervangen te worden.

4.6 Registreren kabels en leidingen Alle kabels en leidingen in het terrein worden op coördinaten ingemeten. De kabels en leidingen dienen te worden geregistreerd volgens de wet WIBON.

12

5 Werktuigbouwkundige installatie In de technische ruimte dient ruimte gereserveerd te worden voor de componenten van assemblages van het WKO-systeem. Hieronder vallen grote delen, zoals de warmtewisselaar, regelkast maar ook kleine delen, zoals appendages. Daarnaast dient rekening gehouden te worden met de opstelruimte van de installaties van de gebouwinstallateur. De toegepaste materialen dienen te voldoen aan de hoogste brandveiligheidsnormen. Ze moeten niet alleen zelfontbranding voorkomen, maar ook het verspreiden van vuur tegengaan en brand niet aanwakkeren. Alle gebruikte materialen dienen zelfdovende eigenschappen te hebben en bijdragen aan het minimaliseren van brandrisico's binnen het systeem. De configuratie van het leidingwerk en installatiecomponenten moet aangepast zijn aan de specifieke ruimte waarin ze geplaatst worden. Hierbij moeten toegankelijkheid, beschikbare ruimte en andere installatie-elementen in overweging worden genomen. Bij installatie en verwijdering moeten alle onderdelen vervangen kunnen worden zonder dat er extra bouwkundige ingrepen nodig zijn. De positionering en verbinding van onderdelen en installatiecomponenten dienen zo te gebeuren dat ze goed toegankelijk zijn voor onderhoud en reparatie, en tevens eenvoudig vervangen kunnen worden.

Afsluiters, componenten die gevoelig zijn voor vocht, elektrische onderdelen en bekabeling moeten zodanig geplaatst en beschermd worden dat eventuele lekkages geen schade kunnen veroorzaken. Bij het herstellen van lasnaden en het herstellen van beschadigingen en defecten aan corrosiewerende lagen, grondlagen, primers en coatings, dient dit te gebeuren door reiniging en aanvulling tot de oorspronkelijke dikte, gebruikmakend van dezelfde producten die bij de initiële behandeling zijn gebruikt. De booraannemer moet ervoor zorgen dat bochten en hoogteverschillen zo spaarzaam mogelijk worden ingezet, met als hoofddoel het minimaliseren van hydraulische weerstand. Bij het bevestigen van de leidingen aan bouwconstructies moet ervoor gezorgd worden dat er geen nadelige belasting, beschadiging of aantasting ontstaat. Het gehele leidingstelsel moet zonder spanning gemonteerd worden. Om eventuele uitzetting en krimp van leidingen als gevolg van temperatuur- en drukverschillen, evenals waterslag, effectief op te vangen, dient een doordachte keuze te worden gemaakt bij het ophangen en bevestigen van de leidingen. Dit garandeert een gelijkmatige verdeling van spanningen en vervormingen over het leidingnetwerk, met als doel het voorkomen van materiaalbelastingen of vormveranderingen. Het RVS leidingwerk dient nadat dit is bewerkt en gelast, opnieuw gebeitst en gepassiveerd te worden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Haarlemmermeer&id=316946dd-c98d-4195-b9f0-dff9858b4604