CConstaterende datHaarlemmermeer
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 - Ruimtelijke onderbouwing

Raadsplein: Agenda en raadsstukken 4 juli 2024, gemeente HaarlemmermeerBij agendapunt: RV Ontwerpverklaring van geen bedenkingen voor het transformeren van een bedrijfsgebouw naar een gebouw met zeventien appartementen met een extra woonlaag aan de Wilgenlaan 5 te Zwanenburg (11039272) (11 juni)- AANGENOMEN17.737 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

34

personen- en/of goederenverkeer aantrekt, mede bepalend voor de mate van hinder. Onderstaande tabel geeft inzicht in het verband tussen de (richt)afstand en de milieucategorie. Richtafstand 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m

Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5

Deze gaat uit van een “rustige woonwijk”. In zogenaamde “gemengde gebieden” echter kan gemotiveerd een kleinere afstand van milieugevoelige functies (wonen) tot overlast veroorzakende gebieden worden aangehouden. Het idee is dat een rustige woonwijk een hoger beschermingsniveau verdient dan een gebied waar al enige hinder is van bedrijven of infrastructuur (gemengd gebied). in een gemengd gebied komt matige tot sterke functiemenging voor. direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Een indicatie van richtafstanden bij verschillend bedrijfstypes voor gemengde gebieden is weergegeven in onderstaande tabel. Uitgangspunt is dat steeds één stapje lager kan worden aangehouden wat betreft afstand. Richtafstand 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 150 m 300 m

Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5

In beginsel dient te worden uitgegaan van de maximale mogelijkheden van het bestemmingsplan, er dient tussen enerzijds de grens van de bestemming die bedrijven (of andere milieubelastende functies) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunningvrij bouwen mogelijk is 3. Blijkens meerdere jurisprudentie mag echter ook uitgegaan worden van de representatieve mogelijkheden van het bestemmingsplan 4. De maximale mogelijkheden worden dan bepaald door de huidige, feitelijke situatie. Zo kan van het bestaand gebruik blijkens een uitspraak van de ABvRS worden uitgegaan als verandering van het bestaand agrarisch gebruik binnen de planperiode zodanig onwaarschijnlijk dat de raad in redelijkheid geen rekening heeft hoeven houden met een vorm van agrarisch gebruik waarbij spuitzones dienen te worden aangehouden 5. In deze uitspraak van de Raad van State is er sprake van een melkveehouderij, 3 ECLI:NL:RVS:2014:1173 4 ABRS 26 september 2012, nr. 201206937/1/R1 en 20120693/2/R1, r.o. 4.2. en Vz. ABRS 5

november 2010, nr. 201007744/2/R1, r.o. 2.7.5 5 ECLI:NL:RVS:2018:3131

35

ten behoeve waarvan recent nog een nieuwe ligboxenstal is gebouwd, en geen concreet voornemen kenbaar is gemaakt om de veehouderij te staken of de bedrijfsvoering ervan ingrijpend te wijzigen. Dit oordeel is in lijn met de uitspraak van de ABvRS 20 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3524, r.o. 36.2. Daarmee wordt dus het huidig gebruik bepalend en hoeft niet gekeken te worden naar de maximale mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt. Er wordt uitgegaan van een representatieve invulling van de maximale planologische mogelijkheden. Ook wordt in dit verband gewezen op een uitspraak van 4 april 2012, ABRS 4 april 2012, nr. 201004316/1/R1 welke betrekking heeft op een nieuw te realiseren bedrijventerrein. De ABvRS overweegt dat in het akoestisch onderzoek en het luchtkwaliteitonderzoek uit is gegaan van een invulling van het bedrijventerrein met bedrijven in milieucategorie 3.1 en 3.2. Zij is van oordeel dat niet tevens rekening hoefde te worden gehouden met bedrijven in milieucategorie 4.1. Weliswaar kunnen volgens de Afdeling met ontheffing categorie 4.1-bedrijven op Distriport worden gerealiseerd, maar kunnen tevens bedrijven in een lagere milieucategorie dan 3.1 worden gevestigd.

Gelet daarop is de Afdeling van oordeel dat in het akoestisch onderzoek en het luchtkwaliteitonderzoek een representatieve invulling van de maximale planologische mogelijkheden als uitgangspunt is genomen. Uit deze uitspraak tenslotte, volgt ook dat uitgegaan mag worden van een representatieve invulling van de maximale mogelijkheden van het bestemmingsplan, zijnde de feitelijke situatie in combinatie met concrete plannen, als het gaat om het beoordelen van de geluidseffecten van een bedrijventerrein in relatie tot woningbouwontwikkeling. I.c zijn de geluidseffecten van de feitelijke situatie van enkele bedrijven in milieucategorie 3.1 berekend, terwijl het bestemmingsplan maximaal milieucategorie 3.2 toestaat (ECLI:NL:RVS:2020:717). Beoordeling en conclusie Dit deel van Zwanenburg is als gemengd gebied te typeren. Er komen zowel woningen (geel op navolgende uitsnede van het bestemmingsplan als bedrijven (paars) als een sportcomplex (lichtgroen) voor. Er is dus sprake van een verhoogde achtergrondbelasting en daarom kan een kleinere afstand van woningen tot bedrijven worden aangehouden.

36

Gemengd gebied De omliggende bedrijven aan de Wilgenlaan hebben allen de mogelijkheid bedrijvigheid tot maximaal milieucategorie 2 te exploiteren. In gemengd gebied zou dan een afstand van 10 m aangehouden moeten worden. De afstand van de gevels van het plangebied tot de grens van de bedrijfsperceel Wilgenlaan 7/7a bedraagt ca. 3 m. Zoals hieronder te zien, gaat het om een toegangspad, niet voor auto’s/vrachtwagens/zwaar materieel te gebruiken. In de wand van het bedrijfspand bevinden zich geen roldeuren/ openstaande deuren naar een werkplaats en ook geen installaties die geluidoverlast kunnen veroorzaken. Op de verdieping zijn logiesverblijven aanwezig (en deze zijn ook als zodanig vergund), welke geen overlast veroorzaken en bovendien als buffer dienen. Voorts zijn ter plaatse gevestigd een kantoor en opslag ten behoeve van een hoveniersbedrijf. Er vinden dus geen activiteiten plaats die als milieucategorie 2 zijn te beschouwen, doch deze bevinden zich in categorie 1. In gemengd gebied mogen deze op 0 m van woningen aanwezig zijn. Uitgaande van de feitelijke situatie, die als representatief kan worden beschouwd, zal vanwege dit bedrijf geen sprake zijn van een onacceptabel woon- en leefklimaat. Daarbij wordt tevens in ogenschouwen genomen dat ten noorden van dit bedrijf op kortere afstand reeds een woning aanwezig is, die maatgevend is voor wat het bedrijf hier kan.

Hiermee is dus gemotiveerd onderbouwd waarom Wilgenlaan 7a niet in haar bedrijfsvoering belemmerd wordt. Er wordt daarbij nadrukkelijk gewezen op de expliciete jurisprudentie (zie eerder deze paragraaf), waarbij van de feitelijke situatie als representatieve invulling van de maximale mogelijkheden van het bestemmingsplan mag worden uitgegaan. Er zal dus sprake zijn van een acceptabel woon- en leefklimaat.

37

Situatie Wilgenlaan 7a

De perceelsgrens van Wilgenlaan 3 bevindt zich op ca. 15 m van de zuidgevel van het plangebied, wordt bovendien door een haag gescheiden die wel degelijk een afschermende werking heeft omdat het pand uit slechts één bouwlaag bestaat. De afstand is groot genoeg om te concluderen dat ook vanwege dit bedrijf sprake zal zijn van een acceptabel woon- en leefklimaat.

Ten oosten van het bedrijf staat dan nog een garagebedrijf, dat ook specifiek als zodanig is bestemd. De grens van de inrichting tot de oostgevel van het plangebied bedraagt meer dan 20 m; voldoende om dezelfde conclusie te trekken. Daarbij wordt aangegeven dat in de regels is geregeld dat het garagebedrijf maximaal activiteiten voor dit bedrijf in milieucategorie 2 mag ontplooien.

38

Afstand Garagebedrijf tot plangebied Andere bedrijven liggen verder en ruim buiten de richtafstanden. Deze kunnen daarom buiten beschouwing blijven. Omgekeerd zijn woningen geen functie die milieu-overlast veroorzaken. Het onderwerp bedrijven en milieuzonering werpt gelet op bovenstaande geen belemmeringen op. 4.2.3

Geluid Inleiding De mate waarin het geluid veroorzaakt door het (spoor) wegverkeer het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). Voor wegverkeer stelt de wet dat in principe de geluidsbelasting op geluidsgevoelige functies de voorkeurgrenswaarde van 48 dB niet mag overschrijden. Indien nieuwe geluidsgevoelige functies worden toegestaan, stelt de Wet geluidhinder de verplichting akoestisch onderzoek te verrichten naar de geluidsbelasting ten gevolge van alle (spoor)wegen op een bepaalde afstand van de geluidsgevoelige functie(s). Algemeen Langs wegen en spoorwegen liggen zones. Binnen deze zones moet voor de realisatie van geluidgevoelige bestemmingen akoestisch onderzoek worden uitgevoerd. Spoorverkeer is ter plaatse niet relevant. De breedte van de zone bij wegverkeer is afhankelijk van het aantal rijstroken en de ligging van de weg: stedelijk of buitenstedelijk. De zone ligt aan weerszijden van de weg en is gemeten vanuit de rand van de weg. De zones, zoals beschreven in artikel 74 van de Wgh, zijn weergegeven in de onderstaande tabel. Aantal rijstroken

Zones langs wegen Stedelijk gebied

Buitenstedelijk gebied

1 of 2 rijstroken

200 meter

250 meter

3 of 4 rijstroken

350 meter

400 meter

5 of meer rijstroken

350 meter

600 meter

Tabel 4-1. Overzicht van de zones langs wegen

39

Artikel 74 lid 2 van de Wgh maakt een uitzondering voor wegen met een 30 km-regime en woonerven. Deze wegen hebben geen zone en zijn daarmee niet onderzoeksplichtig 6. Beoordeling en conclusie Het bestemmingsplan voorziet in een nieuwe geluidgevoelige functie in de vorm van 17 woningen. De nieuwe ontwikkeling ligt in de zone van de Lijnderdijk. Deze weg ligt binnen de bebouwde kom en heeft twee rijstroken. De zone van deze weg bedraagt 200 meter op basis van de Wgh. Er is daarom akoestisch onderzoek verricht 7. De nieuwe ontwikkeling ligt tevens aan de Wilgenlaan en nabij de Olmenlaan. De Wilgenlaan en de Olmenlaan hebben een 30 km/uur-regime. Formeel geldt voor deze weg volgens de Wgh geen onderzoeksplicht, omdat de maximaal toegestane snelheid 30 km/uur bedraagt. De verkeersintensiteit op de Wilgenlaan is dusdanig dat overschrijding van de voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet kan worden uitgesloten. Daarom is in het kader van een goede ruimtelijke ordening toch akoestisch onderzoek uitgevoerd naar de omliggende 30 km-wegen (Wilgenlaan en Olmenlaan). Ten zuiden van Zwanenburg ligt de luchthaven Schiphol. De geluidsniveau bij de ontwikkeling afkomstig van het vliegverkeer van Schiphol is daarom ook bepaald. Uit het onderzoek komt het volgende naar voren:. Deze ontwikkeling ligt (net) buiten de zone van de A5.

Op grond van de Wgh is akoestisch onderzoek naar de A5 niet noodzakelijk. Echter een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet kan worden uitgesloten. Daarom is in het kader van een goede ruimtelijke ordening toch akoestisch onderzoek uitgevoerd naar de A5. De hoogste geluidsbelasting, afkomstig van de A5, bedraagt evenwel 48 dB, inclusief aftrek op grond van artikel 110g Wgh. Bij het appartementengebouw wordt dus vanwege de A5 voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 47 dB uit de Wgh. De hoogste geluidsbelasting, afkomstig van de Lijnderdijk, bedraagt 33 dB, inclusief aftrek op grond van artikel 110g Wgh. Bij het appartementengebouw wordt vanwege de Lijndendijk ook voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB uit de Wgh. De hoogste geluidsbelasting, afkomstig van de Wilgenlaan, bedraagt 43 dB, inclusief aftrek op grond van artikel 110g Wgh. De Wilgenlaan heeft op basis van de Wgh geen zone. Formeel gelden de normen uit de Wgh dan ook niet voor 30 km-wegen. Echter, in het kader van een goede ruimtelijke ordening, zijn bij de beoordeling van

6

Conform artikel 74 lid 2 van de Wgh is voor 30 km/uur-wegen geen onderzoeksplicht. Op 3 september 2003 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State uitgesproken (nr. 200203751/1: Abcoude) dat nog niet geconcludeerd kan worden dat het plan aanvaardbaar is vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening (goed woon- en leefklimaat, zoals opgenomen in het Bouwbesluit). Daarom wordt bij 30 km/uur-zones onderzocht of wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB of de hoogst toelaatbare geluidbelasting op de gevel.

7 Akoestisch onderzoek wegverkeer Wilgenlaan, De milieu-adviseur, 8 april 2024

40

de geluidsbelastingen zijn de voorkeursgrenswaarde van 48 dB en de hoogste toelaatbare geluidsbelastingen van 63 dB gebruikt. Deze normen gelden voor een vergelijkbare weg met een 50 km/hregime. Bij het appartementengebouw wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB uit de Wgh. De Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat heeft geluidskaarten gemaakt voor jaar 2021 opgesteld. Hieruit blijkt het geluidsniveau ter hoogte van de ontwikkeling 55 dB bedraagt. De nieuwe woningen liggen nabij diverse wegen en Schiphol. Optelling van de geluidsbelastingen van de verschillende geluidbronnen resulteert in de cumulatieve geluidsbelasting. Formeel moet de cumulatieve geluidsbelasting van geluidsbronnen met een zone op basis van het Bouwbesluit 2012 worden bepaald op basis van de Wgh. Dit betekent dat de geluidsbelastingen van de omliggende 30 kmwegen in de berekening van de cumulatieve geluidsbelasting niet hoeven te worden meegenomen. Echter in het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn de geluidsbelastingen afkomstig van 30 kmwegen wél meegenomen in de berekening van de cumulatieve geluidsbelastingen. Bij de berekening van de cumulatieve geluidsbronnen zijn alle relevante geluidsbronnen [A5, Lijnderdijk, 30 km-wegen en Schiphol] gebruikt bij de berekening van de cumulatieve geluidsbelastingen.

Aangezien het vliegverkeer van Schiphol is bij deze ontwikkeling maatgevend, is de cumulatieve geluidsbelasting bepaald op basis van het luchtvaartspectrum. De cumulatieve geluidsbelasting is van belang voor de berekening van de vereiste gevelisolatie. Op grond van de nieuwe Omgevingswet moet bij transformatie worden gestreefd naar een binnenwaarde van 33 dB. De hoogste cumulatieve geluidsbelastingen en de minimaal benodigde gevelwering zijn weergegeven in onderstaande tabel:

Conclusie Aangezien bij het appartementengebouw wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van de 48 dB uit de Wgh is de realisatie van het appartementengebouw vanuit akoestisch oogpunt zonder meer mogelijk. Ter indicatie: volgens artikel 3.2 van het Bouwbesluit 2012 bezit een standaard gevelconstructie een minimale geluidsisolatie van 20 dB. Echter door de hogere eisen voor de thermische isolatie voor nieuwe woningen is ook de geluidsisolatie van nieuwe woningen verbeterd. Bij nieuwe woningen is een gevelisolatie van 24 dB zonder extra geluidsisolatie goed mogelijk, wanneer wordt gekozen voor goed geluidsgeïsoleerde ventilatievoorzieningen. Naar

41

verwachting wordt de binnenwaarde van 33 dB in de nieuwe woning gehaald zonder dat aanvullende geluidsisolerende maatregelen worden getroffen. 4.2.4

Bodem De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat gemeenten bij het vaststellen van bestemmingsplannen / Waboprocedures regels stellen voor een goede ruimtelijke ordening. Dit betekent voor de bodem (grond en grondwater) dat de bodemkwaliteit en de voorgenomen bestemming met elkaar in overeenstemming dienen te zijn. Of de bodem een planontwikkeling in de weg staat, wordt middels een historisch onderzoek eventueel aangevuld met een bodemonderzoek bepaald. Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) In de Wabo staat dat een omgevingsvergunning, voor het bouwen op een vermoeden van ernstig verontreinigde grond, pas in werking treedt nadat: − er is vastgesteld dat er geen sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging; − het bevoegd gezag heeft ingestemd met het saneringsplan/BUS-melding; − er een melding is gedaan van een voornemen tot saneren. Wet bodembescherming (Wbb) Als er sprake is van ernstige bodemverontreiniging dan gelden de regels van de Wet Bodembescherming. In de Wbb is een saneringsdoelstelling bepaald (het saneren naar de functie) en een saneringscriterium (wanneer moet er gesaneerd worden (bij zogenaamde “spoed- of risicolocaties”). Besluit bodemkwaliteit (Bbk) Het Besluit bodemkwaliteit geeft de lokale bevoegde gezagen de mogelijkheid om de bodemkwaliteit binnen hun gebied actief te gaan beheren binnen de gegeven kaders.

Dit geeft onder andere ruimte voor nieuwe projecten op het gebied van natuur, wonen en industrie. Daarnaast worden de kwaliteit en de integriteit van belangrijke intermediairs bij bodemactiviteiten beter geborgd. In het Besluit staan ook regels met betrekking tot het toepassen van bouwstoffen, grond en baggerspecie. Grond wordt in Nederland als volgt ingedeeld:

42

Beoordeling en conclusie De functie wijzigt van Bedrijf naar Wonen. Er is daarom bodemonderzoek verricht 8. In het grondwater zijn geen verhogingen aan benzeen aangetoond. De sterke verontreiniging in het grondwater ten zuiden van de locatie is niet grensoverschrijdend in noordelijke richting. Er is geen aanleiding om een aanvullend onderzoek te verrichten. De onderzoeksresultaten vormen geen belemmeringen voor de afgifte van een omgevingsvergunning. Bodem werpt daarom geen belemmeringen op. 4.2.5

Luchthavenindelingsbesluit Op 1 januari 2018 is het nieuwe Luchthavenindelingsbesluit is in werking getreden. Het gebied is gelegen in het beperkingengebied bijlage 3, en daarbinnen zowel nummer 4 als 5. Het gaat hier om het afwegingsgebied geluidgevoelige gebied (4) geluid en externe veiligheid (5).

Ligging in beperkingengebied bebouwing

8 Verkennend bodemonderzoek Wilgenlaan, Grondslag, 12 april 2023

43

Op de gronden die op de kaart in bijlage 3 bij dit besluit met nummer 4 zijn aangewezen, zijn ingevolge artikel 2.2.1c met het oog op geluidbelasting geen geluidgevoelige gebouwen toegestaan, behoudens: • bestaand gebruik van een geluidgevoelig gebouw; • toevoeging binnen bestaand stedelijk gebied van niet meer dan 25 woningen per bouwplan of binnen lintbebouwing van niet meer dan 3 woningen per bouwplan; • een geluidgevoelig gebouw ter vervanging van een bestaand geluidgevoelig gebouw, mits van gelijke aard en gelijke schaal en onder de voorwaarde dat het te vervangen gebouw wordt verwijderd of dat de bestemming van het te vervangen gebouw wordt omgezet naar niet-geluidgevoelig; • herstructurering van een bestaand stedelijk gebied, indien dit niet leidt tot een toename met meer dan 25 woningen en indien dit niet leidt tot een toename van de capaciteit van andere geluidgevoelige gebouwen binnen dit gebied; • nieuwbouw van een bedrijfswoning, voor zover de noodzaak daarvan is aangetoond. Zoals aangegeven, ligt de locatie binnen BSG en het aantal blijft onder de 25. In de regels is over nummer 5 in artikel 2.2.1 d het volgende opgenomen Op de gronden die op de kaart in bijlage 3 bij dit besluit met nummer 5 zijn aangewezen, zijn buiten bestaand stedelijk gebied geen nieuwe woningbouwlocaties toegestaan.

Voor de gronden die op de kaart in bijlage 3 bij dit besluit met nummer 5 zijn aangewezen, motiveren gemeenten in de toelichting op het bestemmingsplan of in de onderbouwing van de omgevingsvergunning de wijze waarop rekening is gehouden met de mogelijke gevolgen van een vliegtuigongeval met meerdere slachtoffers op de grond als gevolg van ruimtelijke ontwikkelingen. Voor het begrip stedelijk gebied wordt verwezen naar het Besluit ruimtelijke ordening: bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur. De locatie is zoals aangegeven gelegen in BSG. Daarom kan de ontwikkeling doorgang vinden, mits zoals aangegeven rekening wordt gehouden met de mogelijke gevolgen van een vliegtuigongeval. In de Nota van Toelichting (Stb. 2017, 402) is ten aanzien van deze motiveringsplicht het volgende aangegeven: • Lokaal kunnen de locatiekeuze, de risico’s en de eventueel te nemen maatregelen het best worden afgewogen met de bijbehorende maatschappelijke kosten en baten. • Integrale beleidsmatige toelichting op het omgaan met risico’s. Geen groepsrisicoberekening. • Aanwezigheid van gevaarlijke of ontplofbare stoffen (kettingreacties-dominoeffecten). • Mitigerende maatregelen.

• Bestrijdbaarheid van gevolgen van een ongeluk bevorderen: o Vluchtwegen;

44

o o o o o

Bereikbaarheid voor hulpdiensten; Inrichtingsmaatregelen om de zelfredzaamheid van personen te bevorderen; Training van bestuurlijke crisismanagement; Voorlichting; Rampenbestrijdingsplannen oefenen.

Overwegingen In de oude situatie was de locatie als bedrijfsgebouw in gebruik, waar meerdere personen werkzaam (kunnen) zijn, naar schatting 40 á 50 maximaal. In de nieuwe situatie kan worden uitgegaan van gemiddeld 2 personen per woning, ofwel 34. De verblijftijd neemt hooguit iets toe omdat de personen ook ’s nachts aanwezig (kunnen) zijn. Er is dus sprake van een licht verhoogd risico, doch dit is zodanig gering, dat dit geen significante toename van het risico betekent. De kans dat een vliegtuig neerstort is voorts klein. Hetzelfde geldt voor de kans om te overlijden door een neerstortend vliegtuig. Dichtbij Schiphol is de kans wat groter dan verder van de luchthaven af. De kans dat een persoon komt te overlijden als gevolg van bijvoorbeeld een verkeersongeval is vele malen groter. De maatschappelijke impact van een ongeval met een vliegtuig is uiteraard groter. In het gebied spelen ook andere veiligheidsthema’s een rol, zoals verkeersveiligheid. Plaatselijk zijn echter geen grote risico’s bekend. De kans op een vliegtuigongeval binnen het plangebied is zeer klein te noemen. Deze is in ieder geval kleiner dan 1 op de 1 miljoen per jaar, gelet op de ligging buiten de LIB 3 zone. Een kans van 1 op de 1 miljoen per jaar wordt in het algemeen (bij andere risicobronnen) als zo gering gezien dat het risico aanvaardbaar wordt geacht.

Er wordt uiteraard alles aan gedaan om het vliegverkeer zo veilig mogelijk te laten verlopen. De (rijks)overheid stelt strenge eisen aan luchthavens, de verkeersleiding en luchtvaartmaatschappijen. De eisen gelden voor vliegtuigen (technische veiligheid), maar ook voor persoonlijke veiligheid. Er zijn regels voor bemanningen, voor mensen die op of in de buurt van de luchthaven werken en voor reizigers. De rijksoverheid controleert of de organisaties aan de gestelde eisen voldoen. De gemeente kan geen maatregelen treffen om ongelukken met vliegverkeer te voorkomen (bronmaatregel). Bestrijdbaarheid, bereikbaarheid en bluswatervoorzieningen De nood- en hulpdiensten treden in het geval van een vliegtuigongeval volgens het hiervoor geldende protocol op. De kwaliteit van de nood- en hulpdiensten wordt door intensieve monitoring steeds verbeterd. Sinds de Bijlmerramp zijn de lokale rampenplannen verbeterd. Lokale bestuurders zijn en worden getraind in het leiding geven tijdens crisissituaties. Dit wordt periodiek herhaald en geëvalueerd. Bij het stedenbouwkundig ontwerp is rekening gehouden met de bereikbaarheid voor nood- en hulpdiensten. Deze is plaatselijk -met inachtneming van enkele voorwaarden/ uit te werken aspecten, voldoende; e.e.a. wordt in het kader van uitgebreide procedure nog geverifieerd bij de veiligheidsregio. In de omgeving zijn verder geen ge-

45

vaarlijke of ontplofbare objecten aanwezig waardoor een vervolgschade (kettingreactie of domino-effect) zou kunnen ontstaan. Tot slot kan met betrekking tot de informatievoorziening worden aangegeven dat toekomstige bewoners geïnformeerd worden over de ligging binnen het beperkingengebied van het Lib. Er is daarom sprake van een verantwoorde situatie v.w.b. de risico’s met betrekking tot de luchtvaart. Geluid Naast het beperkingengebied externe veiligheid ligt het plangebied ook binnen het beperkingengebied geluid. Uitgangspunt is dat een beschrijving van de huidige geluidsituatie op de woningbouwlocatie, als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel b, voldoet aan de volgende voorwaarden: a. het geldende planologische regime voor woningbouw ingevolge het Luchthavenindelingbesluit en de Verordening Ruimte wordt beschreven: zie hiervoor deze paragraaf en voor de Verordening Ruimte paragraaf 3.3.2. b. de huidige geluidbelasting wordt beschreven aan de hand van de theoretische geluidbelasting (contouren geluidskaart) en de feitelijke geluidbelasting (www.bezoekbas.nl). Voornoemde site laat het volgende beeld zien:

Uitsnede bezoekbas.nl/NOMOS Gecumuleerd geluidniveau Bij de bepaling van het gecumuleerde geluidniveau worden de geluidniveaus van de verschillende geluidbronsoorten weg- en railverkeerslawaai, industrielawaai en luchtvaartlawaai bij elkaar opgeteld. Dit geldt voor zover de voorkeurswaarden voor de betreffende geluidbronsoort overschreden worden; voor luchtvaartlawaai geldt de cumulatie voor locaties die liggen binnen de LIB-4 contour. Voor het plangebied is alleen luchtvaartlawaai van belang.

46

De hoogste gecumuleerde geluidbelasting vanwege bedraagt 55 dB (zie paragraaf 4.2.3). Beoordeling goede ruimtelijke ordening luchtvaartlawaai Bij de beoordeling van de goede ruimtelijke ordening is uitgegaan van de gecumuleerde geluidbelasting van 55dB. Zoals hierboven aangegeven gelden er geen bijzondere voorwaarden vanwege andere geluidbronsoorten zoals wegverkeerslawaai, omdat voldaan wordt aan de van toepassing zijnde voorkeurswaarden als bepaald in de Wet geluidhinder. Ten aanzien van luchtvaartlawaai is in artikel 3.4, lid 2 van het Bouwbesluit 2012 de volgende voorwaarde opgenomen: "Een uitwendige scheidingsconstructie van een verblijfsgebied van een gebruiksfunctie in een voor de luchthaven Schiphol op de kaarten in bijlage 3B, nummer 4, van het Luchthavenindelingbesluit Schiphol aangewezen gebied of een krachtens de Wet luchtvaart vastgestelde 56 dB(A) Lden beperkingengebied of een vastgestelde 35 Kegeluidzone bij een burgerluchthaven, heeft een zodanige volgens NEN 5077 bepaalde karakteristieke geluidwering dat het karakteristiek geluidniveau in het verblijfsgebied ten hoogste 33 dB is.

Daarbij wordt uitgegaan van de krachtens de Luchtvaartwet of de Wet luchtvaart bepaalde geluidbelasting op de uitwendige scheidingsconstructie." Uit het bovenstaande en omdat geen hogere waarde vastgesteld hoeft te worden vanwege wegverkeerslawaai, volgt dat op grond van het Bouwbesluit 2012 alleen de standaardeis voor de karakteristieke geluidwering van 20 dB geldt. Uitgaande van het gecumuleerde geluidniveau van 55 dB, houdt dit in dat het geluidniveau in de woningen 35 dB zal bedragen bij een standaard gevelreductie van 20 dB. Mogelijk zijn dus aanvullende isolerende maatregelen nodig, hoewel gevels tegenwoordig doorgaans meer isoleren dan voornoemde 20 dB. Maatregelen aan de bron en in de overdracht zijn in het kader van vliegverkeer (op plaatselijk niveau) niet mogelijk, zodat vrijwel alleen gevelmaatregelen als mogelijke voorziening getroffen kunnen worden. Het LIB werpt gelet op bovenstaande ook geen belemmeringen op bv.w.b. geluid. Er zijn nog enkele kaarten met bijbehorende regels, die volledigheidshalve worden benoemd: Allereerst de ligging op kaart 4: maatgevende kaart toetshoogtes: de bouwhoogte van objecten mag hier maximaal 41 meter bedragen. Hier wordt aan voldaan. En voorts is relevant de ligging op kaart 9, bijlage 6.

Op de gronden die zijn aangewezen op de kaart in bijlage 6 bij dit besluit is geen vaste laserinstallatie toegestaan en geen windturbine die met de tiphoogte steekt door een vlak met een maatgevende toetshoogte zoals opgenomen in de in bijlage 4 opgenomen kaart, met een ashoogte van meer dan 35 meter, of in geval van plaatsing op een gebouw, met een tiphoogte van meer dan 5 meter dan wel meer dan 35 meter voor gebouw en tiphoogte tezamen. Op de gronden die zijn aangewezen op de kaart in bijlage 6 bij dit besluit, is een windturbine toegestaan die met de tiphoogte steekt door het vlak met de toetshoogte voor

47

radar zoals opgenomen in de in bijlage 4A opgenomen kaart mits uit een advies van de Inspectie Leefomgeving en Transport blijkt dat de windturbine geen belemmering vormt voor het functioneren van radarapparatuur met het oog op veilig luchtverkeer. In afwijking van het eerste lid en tweede lid is een vaste laserinstallatie of een windturbine, bedoeld in die leden, toegestaan voor zover: • deze rechtmatig aanwezig is op 1 januari 2015 of daarvoor voor 1 januari 2015 een bouwvergunning of een omgevingsvergunning is verleend, mits binnen twee jaar na die datum een begin met de werkzaamheden is gemaakt, of • het betreft vervanging door een nieuwe windturbine met gelijkblijvende of lagere hoogtes en met gelijkblijvende of verminderde verstoring van het radarbeeld. • In afwijking van het eerste lid is een vaste laserinstallatie of een windturbine, bedoeld in dat lid, toegestaan voor zover dit in overeenstemming is met een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 8.9 van de wet. Dit plan voorziet niet in laserinstallaties of windturbines.

Uitsneden kaarten 4 en 9 Volgens het LIB mogen er tot slot ook bepaalde functies niet komen in verband met aantrekken vogels. Woningbouw is geen van de in het LIB benoemde functies. Het LIB werpt gelet op bovenstaande geen belemmeringen op.

48

4.2.6

Luchtkwaliteit Wettelijk kader Het aspect luchtkwaliteit is verankerd in de Wet Milieubeheer hoofdstuk 5, titel 5.2 en is een implementatie van diverse Europese richtlijnen betreffende de luchtkwaliteit waarin onder andere grenswaarden voor vervuilende stoffen in de buitenlucht zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu. In Nederland zijn stikstofdioxide (NO2) en zwevende deeltjes als PM10 (fijn stof) de maatgevende stoffen waar de concentratieniveaus het dichtst bij de grenswaarden liggen. Overschrijdingen van de grenswaarden komen -uitzonderlijke situaties daargelaten- bij andere stoffen niet voor. De jaargemiddelde grenswaarden voor NO2 en PM10 is 40 µg/m3. Het uitgangspunt is dat de grenswaarden voor luchtkwaliteit worden gehaald. In artikel 5.16 lid 1 van de Wm staat opgesomd wanneer een (luchtvervuilend) project toelaatbaar is. Dan moet aannemelijk worden gemaakt, dat het project aan één of een combinatie van de volgende vier voorwaarden voldoet: 1 er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; 2 een project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; 3 een project draagt slechts in ‘niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; 4 een project is opgenomen in of past binnen het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een regionaal programma van maatregelen.

Hoewel de luchtkwaliteit de afgelopen jaren flink is verbeterd kan Nederland niet voldoen aan de luchtkwaliteitseisen die in 2010 van kracht zijn geworden. De EU heeft Nederland derogatie (uitstel) verleend op grond van NSL. Dit betreft een gemeenschappelijke aanpak van het Rijk en diverse regio’s om samen te werken aan een schonere lucht waarbij ruimte wordt geboden aan noodzakelijke ruimtelijke ontwikkelingen. Plannen die in betekenende mate bijdragen aan luchtverontreiniging worden opgenomen in het NSL, in de provincies c.q. regio’s waar overschrijdingen plaatsvinden. Het maatregelenpakket in het NSL is hiermee in evenwicht en zodanig dat op termijn de luchtkwaliteit in heel Nederland onder de grenswaarden ligt. Plannen die ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdragen aan luchtverontreiniging hoeven niet langer individueel getoetst te worden aan de Europese grenswaarden, omdat deze niet leiden tot een significante verslechtering van de luchtkwaliteit. Deze grens is in de AMvB NIBM gelegd bij 3% van de grenswaarde van een stof: Voor NO2 en PM10 betekent dit dat aannemelijk moeten worden gemaakt dat het plan tot maximaal 1,2 ųg/m³ verslechtering leidt. Voor een aantal functies (o.a. woningen, kantoren, tuin- en akkerbouw) is dit gekwantificeerd in de ministeriële regeling NIBM. Voor woningen bedraagt de drempelwaarde 1.500 bij één ontsluitingsweg.

Beoordeling en conclusie Dit plan maakt 17 woningen mogelijk, ruim onder de drempelwaarde. Om deze reden is het initiatief NIBM en haalbaar voor wat betreft luchtkwaliteit, immers het volstaat als aan één van voornoemde voorwaarden is voldaan. Daarnaast blijkt uit de Atlas voor de Leefomgeving dat ter plaatse geen grenswaarde voor fijnstof PM2,5 en stikstof

49

NOx worden overschreden (als de grenswaarde voor PM2,5 niet wordt overschreden geldt dat automatisch ook voor PM10). 4.2.7

Externe veiligheid Algemeen Externe veiligheid richt zich op het beheersen van risico’s bij onder meer de productie, opslag, transport en gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten leggen beperkingen op aan de omgeving. Door maatregelen kunnen de afstanden worden verkleind. Er wordt onderscheid gemaakt tussen plaatsgebonden risico en groepsrisico. Het groepsrisico heeft een oriënterende waarde, voor het plaatsgebonden risico geldt een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. De grenswaarde mag niet worden overschreden. Voor de oriënterende waarde en richtwaarde geldt dat afwijken alleen met een degelijke motivering is toegestaan. Het aspect externe veiligheid betreft het risico op een ongeval waarbij een gevaarlijke stof aanwezig is. Deze gevaarlijke stoffen kennen twee verschillende bronnen. Dit zijn de stationaire bronnen, zoals een chemische fabriek of een lpgtankstation en de mobiele bronnen, zoals een tankwagen. Wet- en regelgeving Voor inrichtingen (bedrijven) is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en de Regeling externe veiligheid (Revi) van toepassing. Het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) is van toepassing op onder meer hoofdtransportleidingen voor aardgas.

Voor het transport van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor en het binnenwater is een risiconormering vastgesteld in het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Op 1 april 2015 is het Basisnet volledig in werking getreden. Het basisnet bestaat uit een aangewezen aantal routes (wegen, spoorwegen en vaarwegen) waarop het mogelijk moet zijn en blijven om gevaarlijke stoffen te vervoeren. De Wet Basisnet en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) stellen dat bij ruimtelijke besluiten waarbij de vestiging van kwetsbare objecten wordt toegelaten in de nabijheid van een weg, waarover het vervoer van gevaarlijke stoffen is toegestaan, de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico (PR) en de oriëntatiewaarde van het groepsrisico (GR) moet worden beschouwd. Nieuw in het Bevt ten opzichte van de huidige situatie is het begrip Plasbrandaandachtsgebied (PAG). Dit begrip heeft betrekking op de kans dat een tankwagen met brandbare vloeistof als gevolg van een calamiteit lek raakt, waardoor brandbare vloeistof vrij komt en vlam vat. De regelgeving voor externe veiligheid kent twee grootheden waaraan getoetst wordt bij het nemen van een besluit: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is een maat voor de veiligheid van het individu op een bepaalde locatie.

Het PR heeft een wettelijk vastgelegde grenswaarde van maximaal 10-6 per jaar voor nieuwe situaties. Dit betekent dat de kans op overlijden van een persoon als gevolg van handelingen met gevaarlijke stoffen maximaal 1 op een miljoen per jaar mag zijn. Op locaties waar het risico hoger is, mogen geen nieuwe kwetsbare objecten worden gesitueerd en in beginsel ook geen nieuwe beperkt kwetsbare objecten. Op basis van

50

art 5, 1e lid van het Bevi dient het bevoegd gezag bij het vaststellen van een bestemmingsplan (lees: afwijkingsbesluit ex art. 2.12, lid 1 onder a sub 2 Wabo waar in dit geval sprake van is) de grenswaarde (voor het PR) in acht te nemen. Daarbij is dus niet relevant of het kwetsbare object reeds aanwezig is; op het moment van het vaststellen van het bestemmingsplan dient aangetoond te zijn dat de aanwezige kwetsbare objecten in het plangebied voldoen aan de grenswaarde. Het GR heeft ten opzichte van het PR een extra dimensie; het wordt namelijk beïnvloed door het aantal personen dat zich binnen de invloedssfeer van mogelijke ongevallen bevindt. Het groepsrisico zet de kans op een ongeval uit tegen het aantal mogelijke slachtoffers. Hoe groter de groep slachtoffers kan zijn, hoe lager de kans op een dergelijk ongeval mag zijn. Het GR kent een richtwaarde, de zogenaamde oriëntatiewaarde. Deze oriëntatiewaarde, vaak aangeduid met "1”, geeft weer wat de algehele politiekmaatschappelijke opvatting is over de aanvaardbaarheid van een kans op een ramp met een groep slachtoffers. De oriëntatiewaarde biedt een handvat om tot consensus te komen over de mate van vertrouwen dat de toekomst gevrijwaard blijft van een ramp. Door het groepsrisico te vergelijken met de oriëntatiewaarde legt het bevoegd gezag verantwoording af of de kans acceptabel is.

Het GR wordt berekend binnen het invloedsgebied dat ligt tussen de risicobron en lijn waar 1% letaliteit optreedt. Als oriëntatiewaarde geldt de in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde “norm” voor het GR, namelijk: 1 10-5 voor een ongeval met meer dan 10 dodelijke slachtoffers; 2 10-7 voor een ongeval met meer dan 100 dodelijke slachtoffers; 3 10-9 voor een ongeval met meer dan 1.000 dodelijke slachtoffers; 4 enzovoort (een lijn door deze punten bepaalt de norm). Een verantwoording van het GR kan achterwege blijven indien: b het groepsrisico, gelet op de dichtheid van personen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, onder 1° en 2°, niet hoger is dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde, of c 1°. het groepsrisico, gelet op de redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, onder 2°, met niet meer dan tien procent toeneemt, en 2°. de oriëntatiewaarde, gelet op de dichtheid van personen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, onder 1° en 2°, niet wordt overschreden. Beoordeling en conclusie Om te bepalen of er sprake is van veiligheidsrisico’s wordt per potentieel gevaar opleverende activiteit (Inrichtingen, buisleidingen, vervoer over de weg) gekeken naar de aanwezigheid daarvan in de buurt van het plangebied en daarna naar het eventuele plaatsgebonden- en groepsrisico.

Inrichtingen en buisleidingen Aan de hand van de Atlas voor de Leefomgeving kan worden gesteld dat het plangebied - en de omgeving daarvan – niet valt binnen een Plaatsgebonden Risico contour (PR) of binnen het invloedsgebied van een inrichting, een buisleiding of een route die is aangewezen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Dit houdt tevens in dat het

51

Groepsrisico (GR) van die activiteiten niet nader hoeft te worden beschouwd. Zie navolgende afbeelding. Slechts zichtbaar is een buisleiding (rode stippellijn). Vervoer over de weg Hoewel zowel de nabij gelegen A5 als de Lijnderdijk dus niet zijn opgenomen in het Basisnet, kan worden beredeneerd dat er wel enig vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvind. Bepalend zal zijn het vervoer van GF3. De A5 ligt op meer dan 400 m, zodat deze desalniettemin buiten beschouwing kan blijven. De Lijndendijk ligt op meer dan 70 m. in diverse andere woonplannen op vergelijkbare afstand heeft de gemeente er geen verdere aandacht geschonken 9, zodat aangenomen mag worden dat de Lijnderdijk niet leidt tot onaanvaardbare risico’s.

Uitsnede Atlas voor de Leegomgeving Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan.

9 Zie onder meer:

https://www.ruimtelijkeplannen.nl/documents/NL.IMRO.0394.OGVzwbdennenln141 6-C001/t_NL.IMRO.0394.OGVzwbdennenln1416-C001.pdf, d_NL.IMRO.0394.OGVzwbwilgen49-C001.pdf (ruimtelijkeplannen.nl) en t_NL.IMRO.0394.OGVzwbwilhl24-C001.pdf (ruimtelijkeplannen.nl)

52

4.3

Omgevingsaspecten

4.3.1

Water Beleid In het kader van het verkrijgen van een duurzaam watersysteem hebben Rijk, provincies, gemeenten en waterschappen in 2001 de Startovereenkomst waterbeleid 21e eeuw (WB’21) ondertekend. Onderdeel van het nieuwe waterbeleid is de “watertoets” de check van ruimtelijke plannen aan de gevolgen voor het watersysteem. De uitkomsten uit deze watertoets zijn in deze paragraaf opgenomen. Europees beleid Europese Kaderrichtlijn De Europese Kaderrichtlijn is gericht op het bereiken van een goede ecologische waterkwaliteit in alle Europese wateren. In 2009 zijn de eerste (inter)nationale stroomgebiedbeheersplannen vaststellen waarin zij aangeven welke maatregelen zij gaan nemen om de doelstelling te halen. De provincie Noord-Holland maakt volledig deel uit van het deelstroomgebied Rijndelta en het daarbinnen begrensde deelstroomgebiedsdistrict Rijn-West. Binnen Rijn-West is het Stroomgebied beheerplan Rijn 20162021 vastgesteld. Nationaal Water Programma 2022–2027 Nederland heef te maken met grote wateropgaven die bovendien in de toekomst steeds groter en complexer worden. Dit komt door een aantal samenhangende uitdagingen: klimaatverandering, bodemdaling, milieuverontreiniging, biodiversiteitsverlies en ruimtedruk.

In de uitvoering ligt bovendien een grote opgave om verouderde infrastructuur zoals bruggen en sluizen in stand te houden en waar nodig te vervangen of te renoveren. De wateropgaven waar Nederland op dit moment voor staat, de uitdagingen richting de toekomst en de noodzaak van een integrale aanpak vormen de basis voor 3 hoofdambities van dit NWP: • Een veilige en klimaatbestendige delta. • Een concurrerende, duurzame en circulaire delta. • Een schone en gezonde delta met hoogwaardige natuur Voor een integrale aanpak is het belangrijk om bij alle afwegingen in de leefomgeving de waterdoelen uit dit NWP op het gebied van klimaatadaptatie, waterveiligheid, zoetwatervoorziening, waterkwaliteit, ecologie, landschap, cultureel erfgoed en scheepvaart mee te wegen. In waterland Nederland moeten ‘aansluiten op de (historische) karakteristieken van het watersysteem’ en ‘meebewegen met water’ leidende principes voor de ontwikkeling van onze leefomgeving blijven.

53

Waterwet Voornoemd beleid is voor zover nodig juridisch verankerd in de Waterwet. De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater. Ook verbetert de Waterwet de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) stelt een watertoets verplicht voor ruimtelijke plannen waarin waterbelangen spelen. De watertoets bewaakt waterkwaliteit en waterkwantiteit. Een watertoets is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en beoordelen. Waterhuishoudkundige aspecten zijn onder meer veiligheid, wateroverlast, waterkwaliteit, verzilting en verdroging. De watertoets heeft betrekking op alle wateren: rijkswateren, regionale wateren, gemeentelijke en particuliere wateren en grondwater. Provinciaal beleid In het provinciaal Waterplan Noord-Holland is het Europese en nationale beleid vertaald naar wat er binnen de provincie moet gebeuren om het water zo goed mogelijk te blijven. Het Provinciaal Waterplan staat niet op zichzelf. Water heeft met heel veel zaken te maken, variërend van landbouw tot recreatie en van stadsuitbreidingen tot gezond drinkwater. Daarom is het Provinciaal Waterplan afgestemd met het beleid op het gebied van natuur, recreatie, landschap, cultuurhistorie, milieu, landbouw, ruimtelijke ordening en verkeer en vervoer.

In het Provinciaal Waterplan is het waterbeleid beschreven aan de hand van de thema’s veiligheid, wateroverlast en watertekort, waterkwaliteit en grond- en drinkwater. Het Provinciaal Waterplan fungeert hierbij als het kader voor de uitvoering: het is de basis voor allerlei te nemen maatregelen door de Provincie, waterschappen en gemeenten gedurende de looptijd van het plan. Het is dus geen uitvoeringsprogramma. Er zal een apart uitvoeringsprogramma worden opgesteld dat jaarlijks wordt aangepast. Watertoets Met behulp van de watertoets wordt getoetst of binnen nieuwe plannen aan de waterhuishouding voldoende aandacht is besteed. Uitgangspunt van de watertoets is dat de initiatiefnemer en de waterbeheerder samenwerken aan het ruimtelijk plan, waarbij het wateraspect volledig wordt ingevuld. In de dagelijkse praktijk van de ruimtelijke orde-

54

ning is de positie van de waterbeheerder met de introductie van de watertoets sterker geworden. Navolgende tekst dient als watertoets (de opbouw en inhoud van de watertoets is vormvrij). Beoordeling en conclusie Beleid hoogheemraadschap Het Hoogheemraadschap van Rijnland is in het plangebied het bevoegd gezag voor het beheer van waterkeringen, oppervlaktewater en (ondiep) grondwater. De drie hoofddoelen van dit beheer zijn veiligheid tegen overstromingen, voldoende water en gezond water. Wat betreft veiligheid is cruciaal dat de waterkeringen voldoende hoog en stevig zijn én blijven en dat rekening wordt gehouden met mogelijk toekomstige dijkverbeteringen. Wat betreft voldoende water gaat het erom het complete watersysteem goed in te richten en te beheren. Daarbij wil Rijnland dat watergangen en kunstwerken zoals gemalen op orde en toekomstbestendig worden gemaakt, rekening houdend met klimaatverandering. Rijnlands taken en bevoegdheden op het gebied van gezond water betreffen het zuiveren van afvalwater en het reguleren van lozingen op oppervlaktewater. Europese regelgeving (de Kaderrichtlijn Water) is hierbij kaderstellend. Het voorkómen van verontreiniging en een goede inrichting van oppervlaktewateren dragen in belangrijke mate bij aan gezond water. Met het oog op het zuiveren van afvalwater beheert Rijnland rioolgemalen, persleidingen en zuiveringsinstallaties.

Aan de hand van het Waterbeheersplan (2016-2021) werkt Rijnland aan zijn ambities: http://www.riinland.net/plannen/waterbeheerplan. In het proces van ruimtelijke planvorming heeft Rijnland een adviserende rol. In de uitvoerings- en beheersfase van ruimtelijke plannen heeft Rijnland een regelgevende rol. Keur en beleidsregels 2015 Op grond van de Waterwet is Rijnland als waterschap bevoegd via een eigen verordening, de Keur, regels te stellen aan handelingen die het watersysteem beïnvloeden. Denk hierbij aan handelingen in of nabij: − Waterkeringen (onder andere duinen, dijken en kaden), − Watergangen (onder andere kanalen, rivieren, sloten, beken), − Andere waterstaatswerken (o.a. bruggen, duikers, stuwen, sluizen en − gemalen), − De bodem van kwelgevoelige gebieden. − Maar ook aan: − Onttrekken en lozen van grondwater, − Het aanbrengen van verhard oppervlak. Per 1 juli 2015 is een Keur in werking getreden met daarbij horende uitvoeringsregels. De Keur gaat uit van een Ja, tenzij benadering; handelingen met een klein risico vallen onder de zorgplicht en kunnen zonder vergunning of melding worden uitgevoerd. Voor handelingen met een groter risico of in expliciet benoemde situaties zijn er algemene regels met voorwaarden van kracht of wordt een watervergunning geelst.

De Keur vermeldt expliciet welke handelingen vergunningplichtig zijn en welke aan algemene regels of aan de zorgplicht moeten voldoen (zie de vergunningencheck: https://vergunningen.info/?overheid=RIJ).

55

Hemelwater Indien een toename van het verhard oppervlak plaats vindt, dient de initiatiefnemer een oppervlak ter grootte van minimaal 15% van het nieuw aan te leggen verhard oppervlak te reserveren voor extra open water. Het nieuwe open water moet aangesloten worden op het bestaande watersysteem. Initiatieven met een toename van verharding tot 500 m² in stedelijk gebied hoeven niet in watercompensatie te voorzien. Uitgangspunt is dat de aanleg van verhard oppervlak geen negatieve gevolgen mag hebben op het watersysteem. In overleg met het hoogheemraadschap is het mogelijk om de compensatie-eis voor verhard oppervlak te verminderen door alternatieve maatregelen toe te passen. De compensatie geschiedt in hetzelfde peilgebied. Riolering en afkoppelen Voor zover het bestemmingsplan nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt, is het van belang dat er met Rijnland afstemming plaatsvindt over het omgaan met afvalwater en hemelwater. Overeenkomstig het rijksbeleid gaat Rijnland uit van een voorkeursvolgorde voor de omgang met deze waterstromen. Deze houdt in dat allereerst geprobeerd moet worden het ontstaan van (verontreinigd) afvalwater te voorkomen, bijvoorbeeld door het toepassen van niet uitlogende bouwmaterialen en het vermijden van vervuilende activiteiten op straat zoals auto’s, wassen en chemische onkruidbestrijding.

Vervolgens is het streven vuil water te scheiden van schoon water, bijvoorbeeld door het afkoppelen van hemelwaterafvoeren van gemengde rioolstelsels. De laatste stap in de voorkeursvolgorde is het zuiveren van het afvalwater. De doelmatigheid daarvan wordt vergroot door het scheiden van de schone en de vuile stromen. Het plangebied is gelegen binnen de bebouwde kom van Zwanenburg. Het bebouwde/verharde oppervlak neemt ten opzichte van de bestaande situatie niet toe, zelfs iets af omdat het perceel nu geheel verhard is. Zodoende blijft het infiltrerend vermogen in stand. Er wordt gebleven onder de voornoemde grens van 800 m2 zodat watercompenserende maatregelen niet nodig worden geacht (i.c. neemt de verharding iets af, zie paragraaf 3.4.2). De riolering wordt afgekoppeld van het bestaande gemengde rioleringssysteem. Het aspect water werpt zodoende geen belemmeringen op. 4.3.2

Ecologie Algemeen Bij ruimtelijke ingrepen moet rekening gehouden worden met de aanwezige natuurwaarden van het projectgebied. De bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Beide onderwerpen zijn geregeld in de Wet natuurbescherming. Gebiedsbescherming Het plangebied is niet gelegen in of in de directe omgeving van een gebied dat is beschermd op grond van de Wet natuurbescherming en/of de Vogel- en/of Habitatrichtlijn. De dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden zijn het Kennemerland-Zuid, Polder Westzaan en het Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske. Als enig extern effect kan worden beschouwd stikstofuitstoot. Verstoring als gevolg van verlichting of

56

trilling (tijdens werkzaamheden) wordt niet verwacht. Van deze ligt Polder Westzaan het dichtste bij, op ruim 7 km. Gelet op deze grote afstanden en de relatieve geringe impact van het plan moet op voorhand de conclusie worden getrokken dat geen stikstofberekening nodig is om te stellen dat geen sprake is van significant negatieve effecten.

Ligging Natura 2000-gebieden rondom plangebied (groene ster) Het plangebied ligt ook niet in het Natuurnetwerk Nederland. Bij de beleidsdoelstellingen die zijn geformuleerd rondom het NNN bestaat er niets zoals externe werking. De voorngenomen ingreep zal geen effect op de wezenlijke waarden en kenmerken van het NNN hebben. De bescherming van het NNN staat de uitvoering van het plan niet in de weg. Ook ligt het plangebied niet in een weidevogelleefgebied of een ganzenfoerageergebied; dit ligt tevens op ca. 45 m. Doordat deze gebieden van het plangebied worden afgeschermd door aanwezige bebouwing, is verstoring van deze gebieden ook niet te verwachten. Soortenbescherming Er wordt geen water gedempt en er worden geen bomen gekapt. Wel worden er aanpassingen aan een bestaand pand gedaan. Er is daarom een quick scan verricht 10. In verband met de mogelijke aanwezigheid van algemene broedvogels direct rond de woningen is het noodzakelijk om de werkzaamheden te starten buiten het broedseizoen of op een manier te werken dat de vogels niet tot broeden komen. Op deze manier kan worden voorkomen dat verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming worden overtreden. Het voorkomen van en negatieve effecten op verblijfplaatsen van vleermuizen en broedvogels met vaste rust- en verblijfplaatsen wordt uitgesloten.

Er zijn daarnaast mogelijk algemene nationaal beschermde zoogdieren en amfibieën aanwezig. Voor deze algemene soorten bestaat een algemene vrijstelling in de Provincie Noord-Holland. Het voorkomen van en negatieve effecten op broedvogels met vaste rust- en verblijfplaatsen en verblijfplaatsen van

10 Quick scan beschermde planten- en diersoorten Wilgenlaan 5 Zwanenburg, Adviesbureau

Mertens, 1 december 2023

57

vleermuizen wordt uitgesloten. Het voorkomen van overige beschermde soorten kan tevens worden uitgesloten. Op grond van bovenstaande analyse worden negatieve effecten op beschermde planten- en diersoorten uitgesloten; het omvormen van een loods tot appartementencomplex aan de Wilgenlaan 5 te Zwanenburg is niet in strijd met het gestelde binnen de Wet natuurbescherming. Conclusie Het onderwerp natuur werpt gelet op bovenstaande geen belemmeringen op. Wel dient te allen tijden de zorgplicht in acht te worden genomen als opgenomen in artikel 1.11 van de Wet Nb. In het tweede lid wordt de zorgplicht iets geconcretiseerd door te bepalen dat de zorgplicht in elk geval inhoudt dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt. 4.3.3

Cultuurhistorie Algemeen Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening is het sinds 2012 verplicht om de cultuurhistorische waarden mee te laten wegen. Daartoe wordt een beschrijving gegeven van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Beoordeling en conclusie In hoofdstuk 2 is de ontstaansgeschiedenis beschreven. Er zijn in en om het plangebied geen cultuurhistorische waarden aanwezig die bescherming behoeven. Er is voldoende rekening gehouden met cultuurhistorie.

4.3.4

Archeologie Algemeen Met de ondertekening van het verdrag van Valletta (1992) en de parlementaire goedkeuring daarvan (1998) heeft de Nederlandse overheid zich verplicht er op toe te zien dat met archeologische vindplaatsen rekening wordt gehouden bij ruimtelijke ordening, milieueffectrapportage, bouwactiviteiten en andere ingrepen in een gebied. Het verdrag heeft inmiddels zijn weerslag verkregen in de Erfgoedwet, die per 1 juli 2016 van toepassing is. Een belangrijk uitgangspunt in het archeologisch beleid is dat ingrepen die tot de aantasting van de verwachte archeologische resten leiden, zoveel mogelijk worden vermeden. Het behoud in situ (op de oorspronkelijke plaats) gaat voor op het behoud ex situ (opgraven en bewaren in depot). Van belang is dat door middel van vooronderzoek tijdig inzicht wordt verkregen in de archeologische waarden van een gebied, zodat deze bij beoogde planontwikkelingen kunnen worden betrokken. Voor de ruimtelijke ordening is een belangrijke bepaling, dat de wet niet van toepassing is op projecten met oppervlakte kleiner dan 100 m2; de gemeenteraad kan een hiervan afwijkende andere oppervlakte vaststellen.

58

Beoordeling en conclusie Er is ter plaatse geen archeologische dubbelbestemming opgenomen, waaruit wordt afgeleid dat er ter plaatse geen of een lage verwachting op de aanwezigheid van archeologische relicten is. Volgens het gemeentelijk beleid (4 maart 2021) kan evenwel uitgegaan worden van een Waarde-Archeologie 6, zie navolgende afbeelding. Hieruit volgt een onderzoeksverplichting bij bodemingrepen groter dan 10.000 m2 en dieper dan 40 cm. Er is geen verplichtend onderzoek nodig bij plannen van dit volume (en bovendien worden geen grondroerende werkzaamheden verricht). Als bij de werkzaamheden toch archeologisch vondsten worden gedaan, moeten deze op grond van artikel 5.10 van de Erfgoedwet zo spoedig mogelijk gemeld worden bij de Minister (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed: telefoon 033-4217456). Een vondstmelding bij de gemeentelijk of provinciaal archeoloog kan ook. De werkzaamheden moeten dan worden gepauzeerd, en onderzoek door een KNA archeoloog worden uitgevoerd.

Uitsnede beleidskaart archeologie Haarlemmermeer De zorgplicht, zoals vastgelegd in de Erfgoedwet, ofwel ‘meldingsplicht’, zoals vastgelegd in Artikel 5.10. Archeologische toevalsvondst luidt volledigheidshalve als volgt: 1 Degene die anders dan bij het verrichten van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologische vondst betreft, meldt dit zo spoedig mogelijk bij Onze Minister. 2 De gerechtigde tot een archeologische vondst als bedoeld in het eerste lid, is gehouden de vondst gedurende zes maanden, te rekenen van de dag van de in het eerste lid bedoelde melding, ter beschikking te houden of te stellen voor wetenschappelijk onderzoek.

4.3.5

Verkeer en parkeren Verkeer Door de realisatie van het initiatief zal de verkeersaantrekkende werking van het plangebied nauwelijks veranderen, wanneer wordt vergeleken met de huidige functie, be-

59

drijf. Wanneer sec wordt uitgegaan van de nieuwe situatie, bedraagt de extra op basis publicatie VNG-publicatie CROW Publicatie Toekomstbestendig parkeren; van parkeerkencijfers naar parkeernormen (publicatie 381, 2018) van 8,6+17 mvt/etmaal=146mvt/etmaal, oftewel gemiddeld 6 per uur of één per 10 minuten. De woningen worden ontsloten op de bestaande infrastructuur, oftewel op de Wilgenlaan en van daaruit op de Olmenlaan en dan de Lijnderdijk. De toename is zodanig gering, dat dit geen belemmering vormt voor de doorstroming en veiligheid van/ op deze wegen. Parkeren Ingevolge het gemeentelijk parkeerbeleid dienen alle auto’s op eigen terrein te worden geparkeerd. Om de behoefte te bepalen wordt de publicatie VNG-publicatie CROW Publicatie Toekomstbestendig parkeren; van parkeerkencijfers naar parkeernormen (publicatie 381, 2018), gehanteerd. Zoals onderbouwd in hoofdstuk 2 komen er voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein.

60

5 5.1

Economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid Economische uitvoerbaarheid Bij het opstellen van een ruimtelijk plan dient de financiële haalbaarheid van het plan aangetoond te worden. Op grond van artikel 6.12, lid 1, van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) moet voor een bestemmingsplan een exploitatieplan worden vastgesteld indien er sprake is van een ‘bouwplan’. Artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) beschrijft wat een ‘bouwplan’ is. De raad kan bij een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan, besluiten geen exploitatieplan vast te stellen, wanneer: − het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan begrepen gronden anderszins verzekerd is (art. 6.12 Wro); − er geen kosten te verhalen zijn (art 6.2.1a Bro). De 'grex-wet' is erop gericht dat de overheid kosten kan verhalen die gemaakt worden naar aanleiding van een bouwplan. Indien er geen kosten gemaakt worden, hoeven deze ook niet verhaald te worden. De gemeente sluit een anterieure overeenkomst met initiatiefnemer. De ambtelijke kosten voor de realisatie van het plan zijn voor de gemeente anderszins verzekerd. Via een overeenkomst worden financiële afspraken gemaakt ten aanzien van overdracht, planschade, e.d.. De gemeente neemt niet deel aan de ontwikkeling van dit plan. Het vaststellen van een exploitatieplan is hiermee niet noodzakelijk.

De financieel-economische uitvoerbaarheid van dit plan is zodoende aangetoond.

5.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid Overleg Het plan wordt voor overleg ex artikel 3.1.1 Bro verzonden aan de overlegpartners. Eventuele reacties worden hier samengevat en beantwoord. Ontwerp Het ontwerp besluit zal daarna gedurende 6 weken ter inzage worden gelegd waarbij een ieder zijn of haar zienswijze kan indienen. Deze zienswijzen worden te zijner tijd samengevat en beantwoord, waarbij tevens wordt aangegeven of de zienswijze aanleiding vormt het plan aan te passen.

61

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Haarlemmermeer&id=edf7f4b7-63b1-4825-a4ac-2dcc9fa18b46