CConstaterende datHaarlemmermeer
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 - Ruimtelijke onderbouwing

Raadsplein: Agenda en raadsstukken 4 juli 2024, gemeente HaarlemmermeerBij agendapunt: RV Ontwerpverklaring van geen bedenkingen voor het transformeren van een bedrijfsgebouw naar een gebouw met zeventien appartementen met een extra woonlaag aan de Wilgenlaan 5 te Zwanenburg (11039272) (11 juni)- AANGENOMEN17.737 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Ruimtelijke onderbouwing Wilgenlaan 5, Zwanenburg

Gemeente Haarlemmermeer

Datum: 8 april 2024

INHOUD TOELICHTING

1

Inleiding

3

1.1 1.2 1.3 1.4

Aanleiding Het plangebied Geldend bestemmingsplan Leeswijzer

3 3 4 6

2

De omgeving van het plangebied en het plan

7

2.1 2.2

Huidige situatie Het plan

7 9

3

Beleidskader

13

3.1 3.2 3.3 3.4

Inleiding Rijksbeleid Provinciaal beleid Gemeentelijk beleid

13 13 15 22

4

Milieu- en omgevingsaspecten

33

4.1 4.2 4.3

Inleiding Milieu-aspecten Omgevingsaspecten

33 33 53

5

Economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid

61

5.1 5.2

Economische uitvoerbaarheid Maatschappelijke uitvoerbaarheid

61 61

Bijlagen 1. Verkennend bodemonderzoek Wilgenlaan, Grondslag, 12 april 2023 2. Akoestisch onderzoek wegverkeer Wilgenlaan, De Milieu-adviseur, 8 april 2024 3. Quick scan beschermde planten- en diersoorten Wilgenlaan 5 Zwanenburg, Adviesbureau Mertens, 1 december 2023

1

Inleiding

1.1

Aanleiding Aan de Wilgenlaan 5 staat een bedrijfspand, bestaande uit twee bouwlagen, dat niet effectief voor deze doeleinden gebruikt kan worden. Het pand ligt temidden een gemengd gebied waar meerdere woningen voorkomen, hetgeen milieuhygiënische beperkingen opwerpt ten aanzien van de bedrijfsactiviteiten die mogelijk zijn ter plaatse. De locatie ligt ook niet op een herkenbare plek en de bereikbaarheid en logistiek zijn ook niet optimaal. Er is daarom nagedacht over een wijziging van het gebruik. De woonfunctie dient zich als logische vervolgfunctie aan, gegeven de omstandigheid dat er in de omgeving al gedomineerd wordt door deze functie. Bovendien is er nog steeds grote vraag naar woningen en kan het bestaande pand relatief eenvoudig naar deze functie worden getransformeerd. Daarmee is sprake van duurzaam ruimtegebruik. De bestaande footprint wordt dus gevolgd; wel wordt er een bouwlaag toegevoegd, zodat er uiteindelijk 17 appartementen gerealiseerd worden. Het gaat om een ruimtelijk en stedenbouwkundig gewenst plan. Wel is sprake van strijd met het bestemmingsplan, zie verder dit hoofdstuk. De strijdigheden kunnen worden vergund met toepassing van artikel 2.12, lid 1 onder a sub 3 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Toepassing van dit wetsartikel vereist een goede ruimtelijke onderbouwing, waar dit document in voorziet.

1.2

Het plangebied Het plangebied ligt aan de Wilgenlaan 5 in Zwanenburg, nabij de ringvaart van de Haarlemmermeer, even ten noorden van een sportcomplex en de A5. Het perceel staat kadastraal bekend HLM03-A-6692 en meet 1.997 m2.

Ligging plangebied

3

Plangebied ingezoomd

1.3

Geldend bestemmingsplan Primair geldt het bestemmingsplan Zwanenburg, vastgesteld op 13 juni 2013. De gronden hebben de bestemming Bedrijf gekregen, met een bouwvlak voor het gebouw en een maximale bouwhoogte van 7 m. voor het gehele perceel is een functieaanduiding bedrijf tot en met categorie 2 opgenomen en een gebiedsaanduiding Luchtvaartverkeerzone-LIB opgenomen. De voor ‘Bedrijf’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: bedrijfsactiviteiten zoals opgenomen in de bij dit plan behorende Staat van Bedrijfsactiviteiten, waarbij geldt dat: • ter plaatse van de aanduiding ‘bedrijf tot en met categorie 2’ bedrijfsactiviteiten behorende tot bedrijfscategorie 1 en 2 zijn toegestaan; (..) met daarbij behorend(e): • verhardingen, in- en uitritten; • fiets- en voetpaden; • groen; • water en waterhuishoudkundige voorzieningen; • nutsvoorzieningen; • parkeervoorzieningen; • kantoren; met dien verstande dat: • garagebedrijven niet zijn toegestaan; • geluidzoneringsplichtige inrichtingen niet zijn toegestaan; • verkooppunten van motorbrandstoffen niet zijn toegestaan;

4

•

risicovolle inrichtingen als bedoeld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen en het Vuurwerkbesluit, opslag hieronder begrepen, niet zijn toegestaan.

De gronden mogen dus niet gebruikt worden voor woondoeleinden, hetgeen strijd met het bestemmingsplan oplevert. Tevens wordt het gebouw zoals aangegeven opgetopt met één bouwlaag, waardoor de bouwhoogte op 10 m uitkomt, waarmee de maximaal toegestane bouwhoogte van 7 m wordt overschreden.

Uitsnede geldend bestemmingsplan Zwanenburg Voor zover de gronden, met de aanduiding ‘Luchtvaartverkeerzone’, zijn gelegen binnen de luchtvaartverkeerzone-LIB artikel 2.2.2, zoals aangegeven in bijlage LIB 222, gelden de beperkingen met betrekking tot de hoogte van gebouwen, andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde en objecten, gesteld in artikel 2.2.2 van het “Luchthavenindelingbesluit Schiphol”. Het plangebied ligt in zowel het beperkingengebied bebouwing als het hoogtebeperkingengebied (maximale hoogte mag 45 m bedragen), zie afbeeldingen navolgende pagina. Verwezen wordt echter naar het oude Luchthavenindelingsbesluit en de oude kaarten. Zie voor de actuele regeling en situatie hoofdstuk 4. Er geldt ook een Parapluplan parkeerregels, vastgesteld op 4 oktober 2018. Hierin wordt in essentie geregeld dat er voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein aanwezig moeten zijn gezien de parkeerbehoefte. Die wordt bepaald aan de hand van het gemeentelijk parkeerbeleid. Zie hiervoor hoofdstuk 2. In een partiele herziening van dit plan (het bestemmingsplan heeft als ontwerp ter inzage gelegen maar is nog niet vastgesteld) past de gemeente de regeling aan, dit heeft met name betrekking op de binnenplanse afwijkingsmogelijkheid van voornoemde basisregel.

Omdat er echter op eigen terrein voorzien wordt in voldoende parkeergelegenheid heeft de partiele herziening geen relevantie voor het plan.

5

Tot slot geldt een Parapluplan Wonen, vastgesteld op 23 november 2022. Hierin wordt geregeld dat een woning door maximaal één huishouden mag worden bewoond. Geregeld wordt niet dat maximaal het bestaande aantal woningen is toegestaan, wat wel de bedoeling lijkt te zijn. Niet geheel duidelijk is of dit parapluplan daarom strijdigheid oplevert. Voor zover dat het geval is, wordt deze met de voornoemde buitenplanse afwijkingsmogelijkheid artikel 2.12, lid 1 onder a sub 3 Wabo weggenomen.

Bijlagen bij regels LIB zones

1.4

Leeswijzer In hoofdstuk 2 is een omschrijving gegeven van de huidige situatie, de omgeving van het plangebied en de beoogde ontwikkelingen. In hoofdstuk 3 komt het beleidskader aan bod waarin de relevante beleidsplannen die de verschillende overheden hebben opgesteld, wordt beschreven. De sectorale aspecten ten behoeve van het aantonen van de uitvoerbaarheid van het plan worden tot slot in hoofdstuk 4 behandeld. In dit hoofdstuk worden achtereenvolgens de aspecten verkeer en verkeerslawaai, milieu, waterhuishouding, ecologie en archeologie beschreven. De ruimtelijke onderbouwing eindigt met een beschrijving van de maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid.

6

2 2.1

De omgeving van het plangebied en het plan Huidige situatie Zwanenburg is een dorp gelegen in de gemeente Haarlemmermeer, even ten zuiden van Halfweg. Het vormt een dubbeldorp met Halfweg dat aan de ‘andere kant’ ligt, buiten de Haarlemmermeerpolder. Het ligt in een deel van Nederland dat vroeger een moerasgebied was en later een veengebied. In het veenland van Noord-Holland ontstond een aantal zich snel uitbreidende meren, waaronder het Haarlemmermeer, dat via de toen niet bedijkte IJ in contact stond met de Zuiderzijde.

Uitsnede kaart Chr. Sgrooten, 1573 Ter bescherming tegen het open IJ werd vanaf de 13e eeuw de Spaarndammerdijk aangelegd. De dijk lag ten noorden van Halfweg en vormde eeuwenlang de scheiding tussen de watermassa's van het Haarlemmermeer en het open IJ. In 1492 zijn in Halfweg twee houten spilsluizen aangelegd door het Hoogheemraadschap van Rijnland voor de afwatering van het Spieringmeer. In 1509 spoelt het land tussen het Spieringmeer en het Haarlemmermeer weg als gevolg van een stormvloed en wordt het Spieringmeer opgenomen in de Haarlemmermeer. In 1632 wordt de trekvaart tussen Haarlem en Amsterdam aangelegd wat de geïsoleerde ligging van Zwanenburg en Halfweg deed afnemen. In 1839 wordt de eerste spoorlijn van Nederland aangelegd tussen Haarlem en Amsterdam met een brug over de Oostsluis. In 1852 wordt de Haarlemmermeer ingepolderd en in 1866 wordt een ijzeren spoorbrug aangebracht over de Oostsluis. Daarna werd een zijkanaal gegraven vanuit het Noordzeekanaal (IJ) welke aantakt op de Ringvaart van de Haarlemmer. Zwanenburg is eigenlijk pas na de drooglegging van Haarlemmermeerecht ontstaan doordat landarbeiders zich gingen vestigen onderaan de dijk op de goedkopere gronden. Langzaam krijgt Zwanenburg dan zijn huidige vorm en omvang, die lange tijd beperkt blijft tot enige bebouwing/activiteiten rondom de sluizen/ punt waar zijkanaal/ Ringvaart elkaar ontmoeten.

Er is sprake van enige woonbebouwing en bedrijfsbebouwing, waarvan de suikerfabriek meest in het oog springt. Na de Tweede Wereldoorlog vinden in Zwanenburg diverse planmatige uitbreidingen plaats, waar het plan-

7

gebied in ligt. Of nabij. Want het perceel grenst aan een planmatig gebouwd woonwijkje uit de jaren ’60 van de vorige eeuw, maar feitelijk ligt het binnen een compact bedrijventerrein, dat min of meer organisch is ontstaan.

Afbeeldingen historische atlas, ca. 1925 boven en ca. 1970 Het gebied kenmerkt zich zodoende door een gemengd karakter. Enerzijds zijn diverse woningen aanwezig, meestal bestaande uit twee bouwlagen met kap, in rijenvorm, eenvoudig maar zorgvuldig vormgegeven. Maar daarnaast zijn bedrijfsgebouwen aanwezig, die functioneel zijn vormgegeven, zonder verdere architectuur in verschillende verschijningsvorm. Het plangebied zelf bestaat uit zo’n bedrijfsgebouw, bestaande uit twee bouwlagen en is plat afgedekt. De bouwhoogte bedraagt ca. 6 m en de oppervlakte circa 581 m2. De rest van het 1997 m2 grote perceel is hoofdzakelijk verhard en grotendeels als parkeerruimte in gebruik. Een bedrijf is er momenteel niet gevestigd en er is sprake van achterstallig onderhoud. Meest recent was hier een garagebedrijf en een showroom voor een autobedrijf aanwezig.

8

Impressies plangebied en omgeving

2.2

Het plan Om langdurige leegstand en verdere verloedering te voorkomen, is nagedacht over een nieuwe zinvol gebruik. Deze wordt gevonden door het bestaande gebouw te transformeren naar een gebouw voor appartementen. Er wordt met het oog op een effectieve transformatie een bouwlaag toegevoegd, waardoor de hoogte op 9,65 m uitkomt. De derde bouwlaag komt iets terug te liggen, bij wijze van setback. Er is dan plaats voor in totaal 17 appartementen. Negen daarvan komen in de vrije sector, koop

9

en 8 daarvan in het middensegment, koop. De appartementen kennen een verschillende BVO, uiteenlopend van ca. 43 tot ca. 113 m2. Het erf wordt gebruikt voor parkeren, er komen 35 parkeerplaatsen. Tevens komen er enkele bomen en groen. Op de begane grond komen de (fiets)bergingen. Zie navolgende impressies, plattegronden en situatieschets.

Impressie nieuwe situatie, K+P architecten

Plattegronden nieuwe situatie, K+P architecten

10

Impressies en situatieschets nieuwe situatie, K+P architecten

11

Met het plan wordt een bijdrage geleverd aan de leniging van de behoefte aan woningen. De woonfunctie is passend in de omgeving, ondanks dat er in de omgeving enkele bedrijven aanwezig zijn kan toch een acceptabel woon- en leefklimaat worden gerealiseerd, zie meer in detail hoofdstuk 4. Een bestaand pand, gelegen binnen stedelijk gebied, wordt op een goede manier hergebruik zodat sprake is van duurzaam ruimtegebruik. Er vindt in zoverre ook geen nieuw ruimtebeslag plaats, anders dan de optopping. Deze hoogte verdraagt zich tot de omgeving en omdat de nieuwe, derde bouwlaag bij wijze van setback wordt gerealiseerd, is sprake van een in stedenbouwkundig opzicht verzachtend effect. Er worden tevens genoeg parkeerplaatsen op eigen terrein gerealiseerd zodat geen sprake zal zijn van aanvullende druk op de openbare ruimte. Voor het hoge segment kan ingevolge het gemeentelijk beleid uitgegaan worden van 2,4P en voor het middensegment tussen de 1,4 en 2,2P, oftewel gemiddeld 1,7P. uitgaande van deze normen zijn 35,2P nodig, naar boven afgerond 36, die er ook komen. De afstand tot belendende percelen van de nieuwe woningen is meer dan 2 m (afstand artikel 5.50 Burgerlijk Wetboek om voldoende privacy te garanderen) en er kan ruimschoots voldaan worden aan zowel de lichte als de strenge TNO-norm 1.

Zodoende is er geen onaanvaardbare schending van de privacy of onaanvaardbare schaduwwerking. Het gebouw wordt gestript, maar het bestaande betonnen skelet blijft (zoveel mogelijk) behouden. Het bestaande constructieve grid dient als basis voor de indeling van de appartementen. Een groendak inclusief grijswater voorzieningen en PV-panelen worden geïntegreerd in het ontwerp. Op het gebied van klimaatadaptief ontwerpen worden ook de parkeerplaatsen genoemd, die worden uitgevoerd met grasbetontegels. Zie voor informatie over dit onderwerp meer navolgend hoofdstuk. Het maaiveld van de Wilgenlaan ligt ca. 3,3 m lager dan de Lijnderdijk. Met dit verschil in acht nemend, komt de extra verdieping komt men niet hoger uit dan bebouwing aan de Lijnderdijk 62 (9 m) of 11,4 m aan de Lijnderdijk 63. De hoogte van 9,65 m is mede nodig om het pand te verduurzamen met een groen dakpakket met eventueel zonnepanelen. Hierdoor gaan de opstanden iets omhoog. Het gaat met andere woorden om een ruimtelijk en stedenbouwkundig gewenst initiatief en er kan zodoende medewerking aan worden verleend. In navolgend hoofdstukken volgt een toets aan het ruimtelijk relevant beleid van de diverse overheden ne vervolgens aan milieu- en omgevingsaspecten.

1 De 'lichte' TNO-norm: ten minste 2 mogelijke bezonningsuren per dag in de periode van 19 fe-

bruari – 21 oktober (gedurende 8 maanden ) in midden vensterbank binnenkant raam. De 'strenge' TNO-norm: ten minste 3 mogelijke bezonningsuren per dag in de periode 21 januari – 22 november (gedurende 10 maanden) in midden vensterbank binnenkant raam.

12

3 3.1

Beleidskader Inleiding Het al dan niet voldoen aan verschillende randvoorwaarden en uitgangspunten is bepalend voor de vraag of onderhavig herontwikkelingproject naar woningen daadwerkelijk in het plangebied kunnen worden gerealiseerd. Hierbij moet worden gedacht aan onder meer het ruimtelijk beleid van de hogere overheden en de gemeente zelf, milieu-aspecten als geluid, bodem en hinder van bedrijven, flora en fauna, archeologie, verkeerskundige aspecten en economische haalbaarheid.

3.2

Rijksbeleid

3.2.1

Nationale Omgevingsvisie 2021 De kaders van het rijksbeleid op het gebied van de fysieke leefomgeving zijn opgenomen in de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). De NOVI is op 11 september 2020 vastgesteld en per 1 januari 2021 in werking getreden. De NOVI vervangt vanaf dat moment de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR, 2012). Met de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomst en de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. Nederland staat immers voor een aantal urgente opgaven, die zowel lokaal, nationaal als wereldwijd spelen. Het zijn grote en complexe opgaven op het gebied van klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw. Deze opgaven zullen Nederland flink veranderen. De toenemende druk op de fysieke leefomgeving vraagt daarbij om een actiever Rijksoverheid. De NOVI stelt een integrale aanpak voor: integraal, samen met andere overheden en maatschappelijke organisatie, en met meer regie vanuit het Rijk. Regie vanuit het Rijk betekent echter niet het centraliseren van taken en verantwoordelijkheden; wel het geven van richting op grote opgaven en regie op goed samenspel, zowel publiek als publiek/privaat. In de NOVI zijn de genoemde opgaven samengevat in vier prioriteiten: 1. ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; 2. een duurzaam en economisch groeipotentieel; 3.

sterke en gezonde steden en regio's; 4. toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Om dit te bereiken worden 21 nationale belangen benoemd in de NOVI waarop de nationale overheid zich richt. Deze hebben onder andere betrekking op het zorgdragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoeften, het waarborgen en realiseren van een veilig, robuust en duurzaam mobiliteitssysteem, het beperken van klimaatverandering, het waarborgen van de hoofdinfrastructuur voor transport van stoffen via (buis)leidingen, het behouden en versterken van cultureel erfgoed en landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten van (inter)nationaal belang en het verbeteren en beschermen van natuur en biodiversiteit.

13

Deze 21 nationale belangen hebben ook een relatie met het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro), zie ook paragraaf hierna. Beoordeling en conclusie Er zijn geen Rijksbelangen in het geding. 3.2.2

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Op 30 december 2011 is het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) in werking getreden. Voortaan moeten gemeenten bij het vaststellen van ruimtelijke plannen rekening houden met het Barro. Doel van het Barro is bepaalde onderwerpen van nationaal belang uit de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte te verwezenlijken. De volgende onderwerpen worden in het Barro genoemd: Rijksvaarwegen, Project Mainportontwikkeling Rotterdam, Kustfundament, Grote rivieren, Waddenzee en waddengebied, Defensie, Ecologische hoofdstructuur, Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, Hoofdwegen en hoofdspoorwegen, Elektriciteitsvoorziening, Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen, Primaire waterkeringen buiten het kustfundament en IJsselmeergebied (uitbreidingsruimte). Beoordeling en conclusie Het plan valt niet binnen de reikwijdte van één van de onderwerpen uit het Barro. Er zijn hierin daarom geen regels opgenomen die van belang zijn voor het onderhavige plangebied. Het plan is hierdoor niet strijdig met het Barro.

3.2.3

Ladder voor duurzame verstedelijking Het laatste nationale belang, zorgvuldige afweging, is verankerd in het Besluit ruimtelijke ordening. De regeling komt er op neer dat van bepaalde ontwikkelingen nut en noodzaak dient te worden aangetoond. Op 1 oktober 2012 is de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ toegevoegd aan het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Op 1 juli 2017 is een wijziging van het Bro in werking getreden, waarbij de Ladder voor duurzame verstedelijking is aangepast. De (gewijzigde) Ladder is in artikel 3.1.6 lid 2 Bro vastgelegd en luidt als volgt: De toelichting bij een bestemmingsplan (=ruimtelijk plan) dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Het doel dat hiermee wordt beoogd is het stimuleren van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik en het bewerkstelligen van een goede ruimtelijke ordening, onder meer door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden, het bevorderen van vraaggerichte programmering en het voorkomen van overprogrammering. Met de ladder wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke besluiten nagestreefd.

Een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet daarom altijd worden afgewogen en gemotiveerd. Daarbij moet een beschrijving worden gegeven van de behoefte aan de betreffende ontwikkeling. Indien de ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied mogelijk wordt gemaakt, dient te worden gemotiveerd waarom de ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied wordt voorzien.

14

Wat onder ‘stedelijke ontwikkeling’ en ‘bestaand stedelijk gebied’ wordt verstaan is in het Bro opgenomen en verder uitgekristalliseerd in jurisprudentie. Een stedelijke ontwikkeling is volgens het Bro ‘een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen’. Onder ‘bestaand stedelijk gebied’ verstaat het Bro een ‘bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur’. Niet elke ontwikkeling van stedelijke aard wordt door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State aangemerkt als een stedelijke ontwikkeling in de zin van de ladder. Uit enkele uitspraken blijkt dat plannen tot 11 woningen niet als stedelijke ontwikkeling zijn aan te merken. Zie onder meer 201308263/2/R4 en 201302867/1/R4201501297/1/R4. Ook inpandige functiewijzigingen zijn in beginsel niet als stedelijke ontwikkeling aan te merken. Zie onder meer een uitspraak van de Afdeling van 24 augustus 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2316) of de uitspraak van de Afdeling van 21 januari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:96) inzake een functiewijziging van een restaurant.

Bedrijfsuitbreidingen tot 400 m2 (ECLI:NL:RVS:2014:4409), van een winkel met 400 m2 (ECLI:NL:RVS:2014:4409), of van een kantoor met 540 m2 (201506789/1/A1) worden niet gezien als stedelijke ontwikkeling. Uitzondering hierop vormt een ontwikkeling waarvan de aard en impact zodanig substantieel is dat deze aanleiding geeft de ontwikkeling wel als stedelijke ontwikkeling te merken. Een functiewijziging naar een hotel met 160 kamers is daar een voorbeeld van (ECLI:NL:RVS:2016:1064). Beoordeling en conclusie Onderhavig plan gaat om het realiseren van zeventien woningen. Er vindt echter geen nieuw ruimtebeslag plaats: de appartementen worden gerealiseerd in een bestaand pand en er wordt slechts één verdieping aan toegevoegd. Onder deze omstandigheden kan betoogd worden dat geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Wanneer voorzichtigheidshalve deze wel als zodanig moet worden gezien, dan blijkt uit navolgende paragrafen dat de appartementen zowel kwalitatief als kwantitatief voorzien in een regionale behoefte. Gezien de huidige bestemming - Bedrijf- en ligging en jurisprudentie hieromtrent ligt de locatie bovendien binnen Bestaand Stedelijk Gebied (BSG). Het plan voldoet gelet hierop aan de Ladder.

3.3

Provinciaal beleid

3.3.1

Omgevingsvisie Noord-Holland 2050 De Omgevingsvisie NH2050 is op 19 november 2018 door Provinciale Staten (PS) vastgesteld. In de Omgevingsvisie NH2050 staat een duurzame ontwikkeling van de fysieke leefomgeving centraal. De leefomgeving is de basis, met een samenleving die wensen en behoeften heeft en de leefomgeving gebruikt voor ruimtelijk- economische ontwikkelingen. De hoofdambitie is gericht op een goede balans tussen economische groei en leefbaarheid. De belangrijkste onderwerpen zijn:

15

1. Klimaatverandering bedreigt onze leefomgeving; de ambitie is een klimaatbestendig en waterrobuust Noord-Holland 2. Verbetering van bodem, water- en luchtkwaliteit; de ambitie is het behouden en waar mogelijk verbeteren van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving 3. Biodiversiteit; de ambitie luidt deze te vergroten; 4. Economische transitie; ambitie is een duurzame economie, met innovatie als belangrijke motor. 5. Energietransitie; de ambitie is dat Noord-Holland als samenleving in 2050 volledig klimaatneutraal en gebaseerd is op (een maximale inzet op opwekking van) hernieuwbare energie. 6. Mobiliteit: de ambitie is dat de inwoners en bedrijven van Noord-Holland zichzelf of producten effectief, veilig en efficiënt kunnen verplaatsen, waarbij de negatieve gevolgen van de mobiliteit op klimaat, gezondheid, natuur en landschap steeds nadrukkelijk meegewogen worden 7. Wonen en Werken: de ambitie is dat vraag en aanbod van woon- en werklocaties (kwantitatief en kwalitatief) beter met elkaar in overeenstemming zijn; 8. Landschap: de ambitie is het benoemen, behouden en versterken van de unieke kwaliteiten van de diverse landschappen en de cultuurhistorie. De kernkwaliteiten van de Noord-Hollandse landschappen staan beschreven in de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie 2018.

Conclusie Onderhavig plan gaat uit van een flexibel gebruik van een reeds bebouwde binnenstedelijke locatie. Er is sprake van duurzaam ruimtegebruik. Het appartementencomplex worden ingepast in het straat- en bebouwingsbeeld c.q wijzigt dit niet. Het plan past binnen de provinciale omgevingsvisie. 3.3.2

Omgevingsverordening NH2020 (2020) Op 11 november 2020 is de Omgevingsverordening NH2020 vastgesteld. In de verordening staan de regels waaraan bestemmingsplannen (lees: ruimtelijke plannen) moeten voldoen. In de verordening zijn regels opgenomen over onderwerpen in zowel het landelijke als het stedelijke gebied van Noord-Holland waar een provinciaal belang mee gemoeid is. Een deel van de regels is alleen van toepassing voor het landelijk gebied. Beoordeling en conclusie Het plan is zoals aangegeven niet als stedelijke ontwikkeling aan te merken. De provincie hanteert voor het begrip stedelijke ontwikkeling namelijk hetzelfde begrip als het Besluit ruimtelijke ordening (zie paragraaf Fout! Verwijzingsbron niet gevonden.). Eerder is al onderbouwd dat de locatie binnen BSG is gelegen. Van belang voor dit plan is dat stedelijke ontwikkelingen mogelijk zijn als ze passen binnen regionaal gemaakte afspraken. Binnen de provincie Noord-Holland worden deze afspraken ten aanzien van woningbouw vastgelegd in de Woonakkoorden (zie navolgende paragrafen). Hoewel er voldoende plannen zijn, is er, wanneer sec de harde plancapaciteit wordt beschouwd, dus een tekort. Doorgaans moet immers om de vraag te bepalen geke-

16

ken worden naar de harde plan-capaciteit versus de behoefte ( in sommige gemeenten worden de buitenstedelijke plannen ook niet meegenomen). Dit blijkt uit jurisprudentie, zie hiervoor 201506063/1/R6, alsook uit de meest recente Handreiking bij de Ladder voor Duurzame Verstedelijking van het Ministerie van Infrastructuur & Milieu: “Kort gezegd is de 'behoefte' het saldo van de aantoonbare vraag naar de voorgenomen ontwikkeling (de komende tien jaar, zijnde de looptijd van het bestemmingsplan) verminderd met het aanbod in planologische besluiten, ook als het feitelijk nog niet is gerealiseerd (harde plancapaciteit)”. Weliswaar staat deze Handreiking op een website van een semi-overheidsorgaan, infomil, doch expliciet staat aangegeven dat deze Handreiking afkomstig is van het Rijk.

Tot slot staat het in een ‘externe handreiking nut en noodzaak’ van de provincie Noord- Holland zelf ook aangegeven: “Lokaal is er vraag naar 300 woningen. Het harde aanbod is 175 woningen. Om te bepalen of er nog ruimte is voor dit plan, wordt de volgende berekening uitgevoerd: vraag – hard aanbod = resterende ruimte voor woningbouw. In dit geval betreft het 300-175 = 125 woningen. Het plan bedraagt 100 woningen, dus het past binnen de nog resterende lokale kwantitatieve behoefte”. Verder geven recente woningmarktgegevens aan dat de Metropoolregio Amsterdam niet kunnen voorzien in hun woningbehoefte. Gelet op deze ontwikkelingen doen zich daarmee mogelijkheden voor om plannen toe te voegen aan de plancapaciteit. Conclusie Het plan voorziet in extra woningen in een stedelijk milieu; het plan komt overeen met de Provinciale Omgevingsverordening. 3.3.3

Woonagenda provincie Noord-Holland 2020-2025 De Woonagenda is de uitvoeringsagenda van het woonbeleid van de provincie NoordHolland voor de komende vijf jaar. De Woonagenda volgt uit en past binnen de randvoorwaarden van het provinciaal ruimtelijk beleid, zoals beschreven in de provinciale Omgevingsvisie NH2050 en het coalitieakkoord ‘Duurzaam doorpakken’. Vanuit het provinciaal én regionaal belang dat de woningmarkt goed functioneert en het wonen optimaal bijdraagt aan het versterken van de kwaliteiten van Noord-Holland, maakt deze agenda de inzet en bijdrage van de provincie daaraan concreet.

17

De provincie maakt via ’woonakkoorden’ afspraken met regio’s en gemeenten daarbinnen over woningbouw, programmering en fasering van woningbouwplannen. Uitgangspunt is de juiste balans tussen vraag en aanbod, zowel kwantitatief als kwalitatief. Er komen maatwerkafspraken om tot voldoende, bij de vraag passende woningen te komen en de nieuwbouwopgave zoveel mogelijk klimaatneutraal, klimaatadaptief, natuur- en landschapsinclusief en circulair te kunnen realiseren. De woonakkoorden vervangen daarmee de Regionale Actieprogramma’s Wonen (RAP’s). Zie hiervoor navolgende paragraaf. De provincie in op meer flexibiliteit en adaptiviteit in de woningprogrammering. Om te zorgen voor voldoende woningbouwproductie én zorgvuldig ruimtegebruik, is het van belang dat de woningprogrammering niet in beton is gegoten, maar realistisch, flexibel en ruimte biedt om te anticiperen op veranderingen in de vraag of goede kansen die zich voordoen. Om te zorgen dat er voldoende woningen worden gebouwd, is het belangrijk dat er voor de korte termijn (5 jaar) voldoende harde plannen zijn. Als vuistregel richten we ons op minimaal 130% ten opzichte van de behoefte voor 5 jaar. Bij het hard maken van plannen ligt de focus daarom op plannen die snel gerealiseerd kunnen worden. Het is belangrijk om regionale ’Ladder-ruimte’ vrij te houden voor kansrijke, snel te realiseren nieuwe initiatieven.

Dit kan door ervoor te zorgen dat de harde planvoorraad kleiner is dan de woningbehoefte op de middellange termijn (5 10 jaar). Deze ’Ladder-ruimte’ zorgt voor meer flexibiliteit en adaptiviteit in de programmering. In de woonakkoorden kunnen afspraken worden gemaakt over hoeveel ruimte hiervoor wordt gereserveerd De provincie Noord-Holland wil zorgen voor voldoende betaalbare, duurzame en toekomstbestendige woningen voor alle doelgroepen. Ruimtelijke uitgangspunten 1 Wonen is onderdeel van een integrale verstedelijkingsopgave. 2 We geven ruimte voor woningbouw, uitgaande van zorgvuldig ruimtegebruik. 3 We versterken de rol van de kernen en steden in het regionale netwerk, leidend tot keuzes voor woningbouw- en economische ontwikkeling en het voorzieningenniveau in de regio. 4 We geven invulling aan onze ambities door aan de hand van deze Woonagenda ruimte te bieden voor maatwerk en te sturen op regionale samenwerking. Speerpunten 1 Een woning voor iedereen: A Adaptief en vraaggestuurd programmeren. B Productie op peil: aanjagen woningbouwproductie. C Kwalitatief, betaalbaar en divers woningaanbod. 2 Gezond, duurzaam en toekomstbestendig wonen in een aantrekkelijke provincie. Richtinggevende principes 1. De vraag is leidend.

De regionale programmeringen worden bepaald op basis van gegronde onderbouwing van vraag, aanbod en het kwalitatieve en kwantitatieve verschil daartussen voor nu en in de toekomst. 2. Er zijn snel meer woningen nodig. De provincie zet in op het versnellen van de woningbouwproductie en helpt gemeenten hierbij door voortzetting van het Uitvoeringsprogramma Binnenstedelijk Bouwen en Versnellen Woningbouw.

18

3. De woningbouwprogrammering is regionaal en adaptief. De programmering houdt rekening met fasering en haalbaarheid, zodat de in het woonakkoord af te spreken regionale productiedoelstellingen kunnen worden gehaald. 4. De provincie geeft gemeenten ruimte om bij binnenstedelijke plannen nabij een OV-knooppunt en/of in een groeiregio hogere aantallen woningen te realiseren dan de prognose, om het woningtekort versneld in te lopen. 5. De woningmarkt heeft structureel meer flexibiliteit en betaalbare opties voor alle verschillende doelgroepen van woningzoekenden nodig. 6. Betaalbaar en divers woningaanbod voor alle doelgroepen vraagt regionale afstemming en samenwerking. 7. Vanuit het oogpunt van leefbaarheid en gezondheid bewaakt de provincie de goede balans tussen economie, wonen, mobiliteit, natuur en landschap. 8. Woningbouw heeft een grote impact op het landschap, de natuur en de biodiversiteit, zowel binnen als buiten het bestaand stedelijk gebied. In de woonakkoorden maken we afspraken om woningbouw zoveel mogelijk klimaatneutraal, klimaatadaptief, actieve mobiliteit (gericht op fietsen en lopen) stimulerend, circulair en natuur- en landschapsinclusief te ontwikkelen en dit vroegtijdig bij de locatiekeuze en planontwikkeling mee te nemen.

Beoordeling en conclusie Het plan geeft uitvoering aan de provinciale woonvisie door het realiseren van zeventien appartementen, voor verschillende doelgroep en waarvan een deel sociaal/ betaalbaar.

3.3.4

Woonakkoord 2021-2025 Amstelland-Meerlanden Haarlemmermeer ligt in de re regio Amstelland-Meerlanden, een gebied waar de druk op de woningmarkt groot is. Volgens de indicatieve woningbehoefteprognose van de Provincie Noord-Holland zijn er in de periode 2019-2030 in de regio naast het huidige tekort nog 20.970 extra woningen nodig vanwege de toename van het aantal huishoudens. Dit maakt dat de regio een forse woningbouw opgave kent. Voor zover nu bekend voorzien de plannen van de gemeenten in een netto toename van de woningvoorraad in de regio tussen 2020 en 2030 met bijna 38.000. Dit betreft zowel harde als zachte plancapaciteit, waarbij een groot deel van de plannen aan te merken is als ‘zacht’. De opgave ligt de komende jaren dan ook vooral op het ‘hard’ maken van de zachte plannen en uiteindelijk het daadwerkelijk realiseren van de voorgenomen plannen. Naast het vergroten van het woningaanbod zet de regio nu stappen om de woonruimteverdeling aan te passen, zodat woningzoekenden met een dringende verhuiswens zoals starters/jongeren, spoedzoekers en kwetsbare groepen, meer kans op een woning maken.

De prioriteiten: • We committeren ons aan versnelling van de woningbouwrealisatie met een betaalbaar, aantrekkelijk en duurzaam woonaanbod voor verschillende doelgroepen; • We willen de bestaande betaalbare woningvoorraad beter benutten; • Als er knelpunten zijn in de samenwerking, dan maken we die zoveel mogelijk bespreekbaar – en werken we gezamenlijk aan een oplossing;

19

•

Samen sterk in de regionale samenwerking: waar mogelijk trekken we als partners op – binnen AM en de MRA en naar het Rijk. Ieder vanuit eigen rol en verantwoordelijkheid

Voor nieuwbouw is de doelstelling: Het versnellen van de woningbouwrealisatie met een betaalbaar, aantrekkelijk en duurzaam woonaanbod voor verschillende doelgroepen. Dit om in te spelen op de woningbehoefte in de regio. Onder ‘betaalbare woningvoorraad’ verstaan we huurwoningen in de sociale sector, middeldure huurwoningen en betaalbare koopwoningen (met een koopprijs tot de NHG-grens, waarbij ook wordt geprobeerd om woningen met een koopprijs onder de € 200.000 te realiseren). Uitgaand van het basisscenario is de additionele behoefte 4.500 sociale huurwoningen in de periode tot 2030. Onder ongunstige economische omstandigheden (tegenspoed) kan de behoefte aan extra sociale huurwoningen oplopen tot bijna 8.000, waarmee het aandeel oploopt tot 37%. In alle scenario’s betreft de additionele behoefte aan betaalbare koopwoningen circa 6.000 voor de genoemde periode (waarbij RIGO een bovengrens van 279.000 hanteert). De behoefte aan meer vrije sector huurwoningen is in de drie scenario’s (voorspoed en tegenspoed) beperkt, met 250 tot 900 woningen. Deze twee segmenten zijn tot op zekere hoogte uitwisselbaar, althans uit oogpunt van woonlasten / betaalbaarheid. Monitor Woningbouw 2022 Zorgen voor (ruim) voldoende harde plancapaciteit is een randvoorwaarde om op korte termijn van plan tot voldoende productie te komen en te kunnen voldoen aan de woningbouwopgaven.

Harde plancapaciteit omvat woningbouwplannen die zijn vastgesteld in een bestemmingsplan en waar bouwen planologisch gezien mogelijk is. In Amstelland-Meerlanden is de capaciteit harde plannen 7.300 tot 2050.

20

Bij het bepalen van een tekort worden alleen de harde plannen beschouwd. Dit blijkt uit jurisprudentie, zie hiervoor 201506063/1/R6, alsook uit de meest recente Handreiking bij de Ladder voor Duurzame Verstedelijking van het Ministerie van Infrastructuur & Milieu: “Kort gezegd is de 'behoefte' het saldo van de aantoonbare vraag naar de voorgenomen ontwikkeling (de komende tien jaar, zijnde de looptijd van het bestemmingsplan) verminderd met het aanbod in planologische besluiten, ook als het feitelijk nog niet is gerealiseerd (harde plancapaciteit)”. Weliswaar staat deze Handreiking op een website van een semi-overheidsorgaan, infomil, doch expliciet staat aangegeven dat deze Handreiking afkomstig is van het Rijk.

21

Tot slot staat het in een ‘externe handreiking nut en noodzaak’ van de provincie Noord- Holland zelf ook aangegeven: “Lokaal is er vraag naar 300 woningen. Het harde aanbod is 175 woningen. Om te bepalen of er nog ruimte is voor dit plan, wordt de volgende berekening uitgevoerd: vraag – hard aanbod = resterende ruimte voor woningbouw. In dit geval betreft het 300-175 = 125 woningen. Het plan bedraagt 100 woningen, dus het past binnen de nog resterende lokale kwantitatieve behoefte”. Beoordeling en conclusie Uit het Woonakkoord kan worden opgemaakt dat er behoefte is in kwantitatieve zin. Maar ook op kwalitatief niveau wordt voorzien in een behoefte, nu een deel in het goedkope en middensegment terecht komt. In Amstelland-Meerlanden is er voldoende plancapaciteit om aan de indicatieve opgave tot 2030 te voldoen. Wanneer gekeken wordt naar de opgave tot 2050, zijn er te weinig harde plannen. Het is daarom van belang dat een aantal zachte plannen, waaronder dit plan, toegevoegd wordt aan de harde plancapaciteit. Om deze reden is de conclusie dat voldaan wordt aan de Ladder, in kwantitatieve zin. Het plan komt daarom overeen met de Provinciale Omgevingsverordening, Woonvisie en Woonakkoord en voldoet aan de Ladder voor Duurzame Verstedelijking; er wordt voorzien in een leniging van een behoefte, zowel in kwalitatieve als kwantitatieve zin.

3.4 3.4.1

Gemeentelijk beleid Omgevingsvisie Haarlemmermeer 2040 Samen maken we Haarlemmermeer De omgevingsvisie helpt om de juiste afwegingen te maken en zuinig en zorgvuldig met de ruimte om te gaan. Ook inspireert de omgevingsvisie om opgaven gezamenlijk op te pakken: de gemeente samen met inwoners, ondernemers en ontwikkelaars. De bedoeling is (omgevings)kwaliteit toe te voegen waar mogelijk. Daarmee bereiken we ons doel voor een aantrekkelijke leefomgeving, waar inwoners en ondernemers graag deel van uitmaken. De visie wordt in eerste instantie via vier verhaallijnen geduid. 1. Wonen waar dorp en stad samenkomen Ruimte voor dorpse rust en stads leven Door de grote woningbehoefte en de gewenste economische ontwikkeling staat er veel druk op de ruimte. Daarom gaan we slim om met de beschikbare ruimte en gebruiken we deze ruimte voor meer functies (multifunctioneel). We staan voor een bijzondere opgave. We willen het eigen karakter van de dorpen en het polderlandschap behouden, dorpse kwaliteiten stedelijke gebieden omarmen en op plekken waar het kan het stadse leven uitbouwen. Verdichten met kwaliteit De toenemende druk op de beschikbare ruimte en de beperkingen van bouwen buiten de grenzen van dorpen en kernen maakt dat we onze blik op zogenaamd ‘binnenstedelijk gebied’ gaan richten.

We willen op plekken die zich er voor lenen stedelijke kwaliteiten, zoals horeca en nieuwe woonmilieus toevoegen door

22

te ‘verdichten’. Sommige plaatsen worden meer stads, op andere plaatsen houden we ruimte voor groen. Daar omheen zorgen we voor een prettig beloopbaar en ‘befietsbaar’ stedelijk milieu met lommerrijke straten en pleinen. Schaalsprong in ontmoeten We stimuleren het ontstaan van levendige plekken op pleinen en in parken waar mensen elkaar kunnen ontmoeten. Daar tegenover staan rustige gebieden in de ‘mazen’ van het stedelijk netwerk, waar ruimte is voor ontspanning en bewegen. 2. Economisch krachtig en divers Haarlemmermeer heeft een stevige positie binnen de metropool Amsterdam. Onze metropoolregio doet het economisch bijzonder goed in Europa en behoort al jarenlang tot één van de sterkste economische regio’s van Nederland. De coronacrisis laat zien dat diversificatie ons minder afhankelijk van de luchtvaartsector kan maken. Daarom richten wij ons meer op sectoren die minder afhankelijk zijn van de luchthaven. 3. Ontspannen in het buitengebied Ons buitengebied is uniek: midden in het stedelijk gebied van West-Nederland met veel openheid en vergezichten. Hoewel er de afgelopen decennia steeds meer ruimte nodig was voor wonen en werken, zijn er grote delen in het noorden en zuiden van onze gemeente waar we de openheid ervaren, met uitgestrekte akkers waar voedsel en energie geproduceerd wordt en veenweidelandschap waar koeien in de wei staan.

Met grote en kleine recreatie฀en natuurgebieden die allemaal hun eigen sfeer en karakter hebben, waar we vanuit onze wijken en dorpen via aantrekkelijke routes makkelijk naar toe kunnen. 4. Slim en stevig verbonden met onze netwerken Onze leefomgeving is in toenemende mate een kluwen van in elkaar grijpende netwerken. Fysieke netwerken met verplaatsing van mensen, water, elektriciteit, data, afval en riolering. Sociale netwerken van collega’s, familie, vrienden, buren, verenigingen en belangengroepen, waarin we ons de hele dag bewegen. In een extra dimensie ontwikkelen zich virtuele netwerken die steeds slimmer worden en steeds belangrijker worden voor het functioneren van onze samenleving. Na deze algemene doelen volgt een uitwerking via thema’s. voor dit plan zijn met namet name de thema’s geluid, geluidapaptief bouwen, water/klimaatadaptie en wonen relevant. Geluid De gemeente staat voor een grote uitdaging gelet op de woningbouwopgave. Hierbij is sprake van zowel verdichting als uitbreiding. Ook transformatie van bestaande bebouwing en gebieden is hierbij aan de orde. De gemeente vindt het van belang dat, met name bij verdichting en transformatie waarbij wonen en industrie c.q. verkeer naar elkaar groeien, een goede leefomgeving kan worden gegarandeerd.

Geluidadaptief bouwen Geluidscontouren van vliegtuiggeluid zijn gebaseerd op de gemiddelde geluidsbelasting van al het vliegverkeer rond de luchthaven. Deze zijn de afgelopen decennia

23

flink kleiner geworden door stillere vliegtuigen en beter afgestemde vliegprocedures. Het aantal vliegbewegingen is daarentegen toegenomen. Het aantal mensen dat zich gehinderd voelt is gestegen. Daarnaast lijkt de ‘geluidsgevoeligheid’ te zijn toegenomen. Een hoger percentage mensen geeft aan zich ‘gehinderd’ te voelen bij hetzelfde geluidsniveau. De gemeente streeft ernaar om met geluidsadaptief bouwen geluidsniveaus te verminderen of de perceptie van geluid te beïnvloeden. Water/klimaatadaptie Om te komen tot een robuust, duurzaam en klimaatbestendig watersysteem zetten we in op twee sporen; (1) het vergroten van klimaatbestendigheid en (2) het verbeteren van de waterkwaliteit. Klimaatbestendigheid kan vergroot worden door de gevolgen en schade van de effecten van klimaatverandering (hitte, droogte, wateroverlast en overstroming) zoveel mogelijk te beperken al dan niet te voorkomen. De waterkwaliteit wordt verbeterd door bewust om te gaan met (de hoeveelheid) schoon en vuil water in natuur-, landbouw- en stedelijke gebieden. Vanwege de toename van temperaturen is de kans op hittestress in stedelijk gebied groot. In het belang van een gezond leefklimaat en prettig wonen en werken mag de hittestress niet te veel toenemen. Neemt de hittestress in stedelijk gebied te veel toe dan kan de volksgezondheid in gevaar komen.

Van hoge temperaturen hebben vooral kwetsbare groepen zoals ouderen en kinderen last, maar ook de waterkwaliteit lijdt eronder. Het warmer worden van stedelijke gebieden kan voorkomen worden door meer groen en water in de openbare ruimte. Daartegenover staat dat het gebruik van stenen, asfalt en beton moet afnemen, want deze verharding draagt extra bij aan opwarming. Meer oppervlaktewater, natuurlijke oevers of een uitgebreidere bomenstructuur moeten zorgen voor koeling en schaduwwerking. Warmer oppervlaktewater en warmer afvalwater kunnen zorgen voor stankoverlast, toenemende groei van blauwalg en in het meest extreme geval vissterfte en ziekten. Warmer drinkwater veroorzaakt een risico voor slechte kwaliteit van het drinkwater. Zie ook spoor 2: verbeteren waterkwaliteit. Bij bouw en renovatie van de openbare ruimte streeft de gemeente naar voldoende schaduw en verkoeling tijdens hitte. De gemeente draagt bij aan de kennisontwikkeling over hitte. Wonen • De gemeente wil door nieuwbouw mogelijk te maken bijdragen aan een toegankelijke woningmarkt. • De gemeente wil een diverser aanbod van woonmilieus: van (sterk) stedelijk in Hoofddorp tot centrum dorps en landelijk in de kleinere kernen. • De gemeente wil meer diversiteit in prijs- en eigendomscategorieën; de beschikbaarheid van betaalbare woningen willen we vergroten.

• De gemeente wil een goede huisvesting voor verschillende doelgroepen. • De gemeente wil een vitale en kwalitatief goede woningvoorraad in aantrekkelijke wijken en kernen. • De gemeente wil een toekomstbestendige, gezonde en aantrekkelijke leefomgeving voor onze inwoners behouden en creëren. Om de woningmarkt in Haarlemmermeer toegankelijk te houden is het nodig om woningen toe te voegen. De gemeente maakt het mogelijk dat er tot 2040 in ieder geval 20.000 woningen worden gebouwd. Zonder nieuwbouw worden woningen nog

24

schaarser – en daarmee minder betaalbaar. Ook de doorstroming die de nieuwbouw teweegbrengt, vergroot voor woningzoekenden de slaagkansen op de woningmarkt. De gemeente wil in elk bouwplan en in elk woonmilieu een gemengd bouwprogramma realiseren naar eigendomscategorie en prijsklasse. We bouwen de helft van de woningen in het betaalbare segment, oftewel huur- en koopwoningen in de prijssegmenten laag en midden. Hiermee wil de gemeente de slaagkansen voor actieve woningzoekenden groter laten worden. Beoordeling en conclusie Op de algemene visiekaart ligt de planlocatie binnen suburbaan wonen, en binnen het deelgebied Haarlemmermeer-Noord. De voor het deelgebied Haarlemmermeer-Noord en voor dit plan relevante opgaven voor de toekomst zijn: • Geef aandacht aan de leefbaarheid van bestaande gebieden, zowel ruimtelijk als sociaal. Geef daarbij aandacht aan groen en gezondheid. Zorg voor levendige centra en dorpskernen. • Benut de beperkte ruimte (die het Luchthavenindelingbesluit geeft) voor nieuwe woningen voor verbetering van de leefbaarheid. Zorg dat deze woningen met goede geluidsmaatregelen gebouwd worden. Het plan draagt bij aan de benoemde woningbouwpogave en verbetert de leefbaarheid van Zwanenburg doordat leegstand en verloedering van een bestaand pand wordt voorkomen. De verharding neemt af, hetgeen gunstig is voor vermindering van hittestress.

Voor geluid zie paragraaf 4.2.3. In het pand komen voorts appartementen van verschillende oppervlakte, daarmee in verschillende prijsklassen en zodoende geschikt voor meerdere doelgroepen. Het plan past zodoende op meerdere manieren in de Omgevingsvisie.

Visiekaart Omgevingsvisie Haarlemmermeer

25

3.4.2

Klimaatadaptief bouwen Om te komen tot een klimaatbestendig Haarlemmermeer in 2050 ontwerpen en veranderen we de leefomgeving in onze gemeente aan de hand van een aantal minimale normen. Deze normen, basisveiligheidsniveaus genoemd, is wat er minimaal nodig is om een toekomstbestendige en veerkrachtige leefomgeving te realiseren. Basisveiligheidsniveaus met gekleurde vlakken gelden alleen voor nieuwe ontwikkelingen.

26

Figuur: basisveiligheidsniveaus in Haarlemmermeer Beoordeling en conclusie Het plan beantwoordt op meerdere manieren aan het beleid. De locatie ligt blijkens de klimaateffectatlas binnen 200 meter van een koele plek. Daarnaast zijn en blijven er op eigen terrein bomen aanwezig (voor de zuidoostgevel). Er komt voorts een groen dak en een dichte borstwering met planten/groen op de bovenste verdieping. De glasoppervlaktes op de zon-belaste gevels kunnen worden voorzien van zonweringen, en Verder beschikt het ontwerp over meerdere overstekken.

Uitsnede klimaateffectatlas

Daarnaast neemt de verharding af (van ca. 774 m2 naar ~700m2) en komt er extra groen, hetgeen het tegengaan van hittestress bevordert. Op navolgende afbeeldingen

27

zijn de bestaande en nieuwe situatie te zien. Er komt ca. 511 m2 groen op maaiveld, 404 m2 half verhard (parkeerplaatsen, 50% = 202 m2 groen/ 50% = 202 m2 verhard), 461 m2 verharding en 598 m2 bebouwing (waarvan ca. 440 m2 groendak). Voorts wordt het hemelwater afgekoppeld (riolering wordt afgekoppeld van het gemengd rioleringssysteem). Beschaduwing van langzaam verkeersroutes is in dit plan niet aan de orde, het gaat om een enkel perceel zonder openbare ruimte. Het projectgebied moet verder voldoen aan de eis om 85% water vast te houden. Het perceel meet ca. 2000 m2 aarvan ca 600 m2 bebouwing, oftewel 1.400 m2 onbebouwd. 85% van 70mm in 1 uur (maatgevend regenval) = ca. 60mm 1400m2 x 0,06mm = 84m3 = 84.000 Liter. Er worden 20 waterbergingskratten.per parkeervak gerealiseerd, met dubbellaags stappelen 40 kratten.. Een waterbergingskrat van 100x50x40cm = ca. 950L Met 2,5 parkeervakken verspreid op het terrein met dubbellaags waterbergingskratten wordt ruimschoots voldaan aan de waterbergingsopgave.

Verharding bestaande situatie

28

Uitsnede verharding/groen nieuwe situatie

3.4.3

Verdichtingsvisie Haarlemmermeer 2040 Haarlemmermeer ontwikkelt zich verder Haarlemmermeer ontwikkelt zich op weg naar de toekomst. Er zijn nationaal woningen en werklocaties nodig, veel woningen en aantrekkelijke gemengde werklocaties. Wij willen dat die groei in Haarlemmermeer slim en efficiënt plaatsvindt. Nadenken over verantwoorde verdichting hoort daarbij. Verdichting, op een goede manier gedaan, biedt kansen voor een kwaliteitssprong. De verdichtingsvisie beschrijft hoe Haarlemmermeer op sommige plaatsen meer stads wordt en er op andere plekken ruimte is voor groen, recreatie en het open polderlandschap. Op die manier groeit de gemeente naar de toekomst als aantrekkelijke locatie met verschillende sferen om te wonen, werken en recreëren. Een plaats waar huidige en toekomstige bewoners en bedrijven zich thuis kunnen voelen. Verdichting gaat in principe om het beter benutten van de ruimte en het ‘stedelijker’ maken van een omgeving door compact te bouwen, in diverse vormen en bouwhoogtes. Het wordt gezien als een belangrijk middel om de kwaliteit van het stadsleven te verhogen en biedt een mogelijkheid om slimmer te ontwikkelen. Door compacter bouwen is het vaak mogelijk om herkenbare locaties te ontwikkelen. Een hogere dichtheid biedt daarnaast meer ruimte voor functiemenging van wonen, werken, voorzieningen en recreatie.

Hierdoor ontstaan interessante gemengde milieus voor diverse doelgroepen, met kansen voor niet-gemotoriseerd verkeer en prettige leefomstandigheden. Dit zijn vaak gebieden die beter zijn voor het klimaat, sociale interactie stimuleren, een gezonde leefstijl promoten en waar hoogwaardig openbaar vervoer en publieke voorzieningen financieel haalbaar zijn. Verder wordt verdichting gezien als een manier om te voorkomen dat er steeds meer groene ruimte verdwijnt; een middel om de kwaliteit van het stadsleven en de beleving van het landschap te versterken en met elkaar te verbinden. Zo kan namelijk door de verdichting ruimte worden gehouden

29

voor groen, pleinen of andere doeleinden voor openbare ruimte. Hiermee is verdichting niet alleen een ruimtelijke maar tegelijkertijd een sociale opgave, omdat het bepalend is voor het gebruik en de beleving van de ruimte en daarmee het dagelijkse leven van inwoners raakt. Tot slot leidt de hogere dichtheid tot efficiënter ruimtegebruik en creëer je door het toenemend aantal inwoners meer draagvlak voor bestaande voorzieningen. Er worden verschillende manieren van verdichting onderscheidden:

Beoordeling en conclusie Het plan is een voorbeeld van verdichting en valt onder de variant middelhoogbouw in een dorp. Daarmee past het plan binnen de Verdichtingsvisie.

3.4.4

Woonbeleidsprogramma 2019-2025 Het woonbeleid gaat uit van eigenheid, verscheidenheid en doorstroming. Variatie in het woningaanbod zorgt voor gemengde dorpen en wijken, is toekomstbestendig en vergroot de mogelijkheden voor een wooncarrière binnen Haarlemmermeer. Wonen houdt in onze visie verband met een visie op groen, bereikbaarheid, werk en voorzieningen. Om die reden maken we verschil tussen de grote (centraal gelegen) dorpen

30

Hoofddorp, Nieuw-Vennep en Badhoevedorp enerzijds en de kleinere kernen langs de Ringvaart anderzijds. Langs de Ringvaart wil de gemeente met de nieuwbouw de lokale identiteit, de vitaliteit en het dorpse karakter versterken. Nieuwe plannen sluiten daarom aan bij het centrum-dorpse woonmilieu. Dit milieu heeft een menging van wonen, werken en voorzieningen met een gematigde woningdichtheid. We zorgen ervoor dat in alle woonmilieus de helft van de nieuwe woningen betaalbaar (prijssegmenten laag en midden) wordt en blijft. We gaan de productie van koop- en huurwoningen in het middensegment extra stimuleren en starten daarvoor een actieprogramma. Voor huishoudens met een middeninkomen is de sociale huursector niet toegankelijk en zijn de mogelijkheden in de bestaande voorraad gering. In juli 2019 heeft de Metropoolregio Amsterdam (MRA) de ‘Woondeal’ met het Rijk ondertekend. Hierin is afgesproken dat de regio aan de lat staat om voor het jaar 2040 230.000 nieuwe woningen in alle prijssegmenten bij te bouwen. Op basis van onze plancapaciteit kunnen we in Haarlemmermeer tussen tot 2040 circa 20.000 woningen toevoegen aan de voorraad. Om dit te bereiken is een versnellingsoperatie gestart. Eind 2018 is in de raad de Nota Schaalsprong besproken; een eerste kwalitatieve verkenning rondom het nieuwe woningbouwprogramma. ‘Vergroting van verscheidenheid’ is hierin het devies.

In januari van 2019 sloten we het coalitieakkoord ‘Samen bouwen aan een krachtig nieuw Haarlemmermeer’. We willen vaart maken met nieuwbouw. Nieuwbouw van woningen in de prijssegmenten laag en midden willen we met 10 procentpunten (van 40% naar 50%) toe laten nemen ten opzichte van de vorige bestuursperiode. Bij een gebiedsontwikkeling met minder dan 31 woningen geldt de genoemde verdeling in prijssegmenten niet. Kleinschaligheid en variatie blijft in kleinere projecten wel ons streven. Beoordeling en conclusie Het plan geeft invulling aan voornoemde nieuwopgave. Het plan bestaat uit 17 appartementen en is daarmee vrijgesteld van voornoemde verdeling in segmenten. Zoals aangegeven, zal desalniettemin er een verdeling qua prijsklasse ontstaan door de uiteenlopende omvang van elk der appartementen. 3.4.5

Welstandsnota Haarlemmermeer 2013 Uitgangspunt bij het welstandsbeleid is dat welstandstoezicht alleen moet plaatsvinden daar waar dat belangrijk wordt gevonden, zoals ook omschreven in de welstandsnota 2010. Er zijn plekken in de polder waar een esthetische beoordeling niet zo belangrijk is en de ruimtelijke dynamiek meer haar gang kan en mag gaan. Andere plekken verdienen juist weer sturing of bescherming, bijvoorbeeld rond monumenten of bijzondere ensembles. Het beleid is gericht op deregulering: voor minder bouwaanvragen een welstandstoets gebaseerd op minder en duidelijkere regels. Het beleid is gericht op het beheer van de rust in het groene straatbeeld en het aanzien vanuit de omringende gebieden. Bouwplannen aan achterkanten zonder invloed op het straatbeeld worden beperkt getoetst. Bij de advisering zal onder meer aandacht geschonken worden aan het behoud van het straatbeeld met herhaling in rooilijnen en gevelindeling en samenhang in zowel de architectonische uitwerking als het materiaalgebruik. Beoordeling en conclusie

31

Het gebouw zullen voorts moeten voldoen aan de welstandsnota. Dit is naar verwachting mogelijk.

32

4 4.1

Milieu- en omgevingsaspecten Inleiding Aan de verschillende overheden zijn op basis van milieuwetgeving zoals de Wet milieubeheer, de Wet bodembescherming, de Wet geluidhinder en de Wet luchtkwaliteit vele taken en bevoegdheden op milieugebied toegekend. Deze hebben ook betrekking op de ruimtelijke ordening. Het milieubeleid van de verschillende overheden is er op gericht om te komen tot een integrale verbetering van de leefomgeving door een vroegtijdige integratie van milieukwaliteit in ruimtelijke planvormingsprocessen.

4.2

Milieu-aspecten

4.2.1

Besluit m.e.r Op 1 april 2011 is het nieuwe Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Het besluit is aangepast omdat de Europese rechter heeft geoordeeld dat de drempelwaarden voor m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten onvoldoende recht deden aan de vraag of er sprake is van aanzienlijke gevolgen voor het milieu. Het besluit is aangepast en de drempelwaarden in onderdeel D van de bijlage van het Besluit m.e.r. zijn nu indicatief. Dit betekent dat als een plan onder de richtwaarden blijft er wel een toetsing moet worden gedaan. Het bevoegd gezag moet zich er van vergewissen of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. De toetsing vindt plaats aan de hand van de selectiecriteria in de EEG-richtlijn milieu-effectbeoordeling. Getoetst moet worden op: − de kenmerken van het project; − de plaats van het project; − de kenmerken van de mogelijke gevolgen. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden: 1. Belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(beoordeling) noodzakelijk en het plan kan worden vastgesteld; 2. Belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.-beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor een m.e.r. en het plan is daarmee m.e.r.-plichtig.

Beoordeling en conclusie Het plan biedt de mogelijkheid om 2 woningen te realiseren, maar het bestemmingsplan biedt hiertoe al de mogelijkheid. Planologisch worden er dus geen woningen tegevoegd. Het gaat niet om activiteiten die zijn genoemd in de Dlijst (categorie D 11.2 Stedelijk vernieuwingsproject). Hiermee wordt immers bedoeld grootschalige integrale gebieds (her)ontwikkeling 2. Uit verschillende uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ECLI:NL:RBOBR:2017:3537, 29 juni 2017) en (ECLI:NL:RVS:2018:2414, 18 juli 2018) blijkt dat het antwoord op de vraag of er sprake is van een (wijziging van een) stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Be2 ECLI:NL:RVS:2022:2394

33

sluit milieueffectrapportage afhangt van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als aard en omvang van de voorziene wijzigingen van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen. Daarbij mogen de bestaande planologische mogelijkheden worden meegewogen bij de vraag of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Ook het opvullen van een open gebied in een stedelijke omgeving en het uitbreiden van bebouwing zijn, op basis van een uitspraak 12 juni 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1879, 12 juni 2019) en een tussenuitspraak van de AbRvS (ECLI:NL:RVS:2019:1668, 22 mei 2019) niet zonder meer te beschouwen als een stedelijke ontwikkeling zoals bedoeld in het Besluit m.e.r. In dit plan neemt het verhard oppervlak niet toe ten opzichte van de bestaande situatie en mede gezien de binnenstedelijke ligging en de geringe planomvang is geen sprake van een stedelijke ontwikkeling)sporject) en daarom is geen vormvrije m.e.r beoordeling noodzakelijk. M.e.r.-plicht op grond van de Wet natuurbescherming Natuurgebieden of andere gebieden die belangrijk zijn voor flora en fauna kunnen aangewezen worden als Europese Vogelrichtlijn en/of Habitatrichtlijngebieden (Natura 2000). De verplichtingen uit de Vogel- en Habitatrichtlijngebieden zijn in Nederland opgenomen in de Wet natuurbescherming.

Met het opstellen van een plan mag het plan de instandhoudingsdoelstelling, de kwaliteit van de natuurlijke habitattypen en de habitats van soorten niet verslechteren en het plan mag geen verstorend effect hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen. Beoordeling M.e.r.-plicht De beoordeling of er significante effecten zijn te verwachten vindt plaats in paragraaf 0. In deze paragraaf wordt geconcludeerd dat significant negatieve effecten kunnen worden uitgesloten. Beoordeling en conclusie Gelet op de geringe omvang van de toename, ruim onder de drempelwaarde, en de ligging van het plan, worden geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu verwacht. Het milieubelang wordt in het kader van dit bestemmingsplan in voldoende mate afgewogen. Een nadere beoordeling in een m.e.r-beoordeling of plan-m.e.r. is daarom niet noodzakelijk. 4.2.2

Milieuzonering Beleid en regelgeving Bij het realiseren van een nieuwe functie dient gekeken te worden naar de omgeving waarin de nieuwe functies worden gerealiseerd. Hierbij spelen twee vragen: 1 past de nieuwe functie in de omgeving? 2 laat de omgeving de nieuwe functie toe? Richtinggevend hierin zijn de indicatieve onderzoekszones zoals opgenomen in de VNG-publicatie “Bedrijven en milieuzonering”. Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof. Kenmerkend voor deze milieuaspecten is dat de belasting op grotere afstand van de bron afneemt. Daarnaast is de mate waarin een bedrijfstype

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Haarlemmermeer&id=edf7f4b7-63b1-4825-a4ac-2dcc9fa18b46