CConstaterende datHaarlemmermeer
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2-5 Onderzoek Landbouw

Raadsplein: Agenda en raadsstukken 6 april 2023, gemeente HaarlemmermeerBij agendapunt: RV (GEHEIME BIJLAGE) PARK21 Bestemmingsplan en Milieueffectrapportage (MER) (7225811)13.682 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Opdrachtgever Gemeente Haarlemmermeer Contactpersoon Jeroen de Pijper

Uitgevoerd door: Willem Rienks Nicoline van der Windt Jochem Besten

November 2021

2

1.

Inleiding .............................................................................................................................................. 5

1.1.

Aanleiding/context ............................................................................................................................. 5

1.2.

Vraag .................................................................................................................................................. 5

1.3.

Doel .................................................................................................................................................... 6

1.4.

Aanpak ............................................................................................................................................... 6

1.5.

Disclaimer ........................................................................................................................................... 7

2.

De landbouw in het projectgebied ...................................................................................................... 8

2.1.

Kengetallen bedrijven in PARK21 ........................................................................................................ 8

2.2.

Focus op akkerbouw bedrijven ............................................................................................................ 8

3.

Impact op de bestaande bedrijfsvoering ............................................................................................. 9

3.1.

Context transformatie ........................................................................................................................ 9

3.2.

Methode 1 - Vergelijking twee bedrijfsgroottes ................................................................................. 10

3.3.

Methode 2 – winst en toegerekende kosten .......................................................................................11

3.4.

Conclusie & Discussie ........................................................................................................................ 12

4.

Toekomstige bedrijfsvoering verbreed op het bouwvlak ....................................................................13

4.1.

Algemeen beeld verbredingsactiviteiten ........................................................................................... 14

4.2.

Agrarische kinderopvang .................................................................................................................. 15

4.3.

Zorglandbouw ................................................................................................................................... 17

4.4.

Boerderijverkoop, verkoop van streekproducten............................................................................... 18

4.5.

Recreatie en toerisme ....................................................................................................................... 20

4.6.

Conclusie Verbreding op het bouwblok ............................................................................................. 21

5.

Toekomstige bedrijfsvoering verbrede activiteiten op het teeltareaal ............................................... 22

5.1.

Biologische landbouw ....................................................................................................................... 22

5.2.

Strokenteelt...................................................................................................................................... 23

5.3.

Hoogrenderende gewassen .............................................................................................................. 23

5.4.

Conclusie en discussie ....................................................................................................................... 24

6.

Toekomstige bedrijfsvoering bij beheer PARK21............................................................................... 25

6.1.

Onderhoud van terreinen .................................................................................................................. 25

6.2.

Randvoorwaarden ............................................................................................................................ 26

7.

Grond en beheer ............................................................................................................................... 27

8.

Rol van zonneakkers in de transitie ................................................................................................... 29

8.1.

Vergoeding zonnevelden .................................................................................................................. 29

3

8.2.

Verschillende perspectieven ............................................................................................................. 29

8.3.

Conclusies ......................................................................................................................................... 30

9.

Conclusies en discussie ......................................................................................................................31

9.1.

Conclusies ..........................................................................................................................................31

9.2.

Discussie ........................................................................................................................................... 32

10.

Verantwoording/bronnen ................................................................................................................. 35

4

1.1.

AANLEIDING/CONTEXT

Voor het gebied tussen Hoofddorp en Nieuw-Vennep is een Masterplan opgesteld voor de ontwikkeling van een ca. 1000 ha groot natuur- en recreatiegebied. Een gebied als groen tegenwicht voor de sterke verstedelijking in dit deel van de noordelijke Randstad: PARK21.

Figuur 1 – het herijkte masterplan PARK21. Bijzonder aan dit park is dat het via organische gebiedsontwikkeling gerealiseerd zal worden. In het Masterplan zijn de kaders vastgelegd, maar de invulling ervan zal voor een groot deel bepaald worden door initiatiefnemers uit de private sector die daarbinnen iets willen ontwikkelen. Dit kunnen allerlei partijen zijn en de bestaande agrarische bedrijven zullen hierbij zeker een belangrijke rol spelen. Het is de ambitie van de gemeente om met de realisatie van PARK21 een grootschalig parklandschap te ontwikkelen, met voldoende ruimte voor recreatieve (en commerciële) leisurevoorzieningen. Dit gebied moet het recreatieve hart van de Haarlemmermeer gaan vormen. De gemeente geeft haar visie, ambities, randvoorwaarden en kaders (ruimtelijk, functioneel en financieel) bij de planologische uitnodiging mee via het bestemmingsplan.

1.2.

VRAAG

Voor de milieueffectrapportage (MER) is onderzoek gedaan naar het landbouwperspectief binnen PARK21. Conclusie is, dat door de aanleg van de park- en leisurelaag van PARK21 de context van de agrarische bedrijven die in de polderlaag actief blijven, verandert. De gemeente ziet graag dat de agrarische bedrijven middels hun bedrijfsstrategie meebewegen door te transformeren, om zo de recreatieve functie van de parklaag te versterken en zo tot één samenhangend PARK21 te komen. Dit vraagt flexibiliteit en ondernemersdrift van de zittende agrariërs, waarbij de gemeente ze wil faciliteren in het verlengde van de ontwikkeling van PARK21, door o.a. te ondersteunen met planologische mogelijkheden. Conclusie van dit onderzoek voor het MER was ook dat de agrariërs en de gemeente gezamenlijk de landbouwperspectieven verder moeten verkennen en deze op de juiste manier omarmen, zowel planologisch en beleidsmatig.

5

Om hieraan invulling te geven en de regels in het bestemmingsplan zo optimaal mogelijk te formuleren, en tegelijkertijd uitnodigend te zijn naar initiatiefnemers, is gevraagd om nader onderzoek uit te voeren naar de financieel economische impact van vrijwillige (gedeeltelijke) transformatie van agrarische bedrijven. De inzichten daaruit wil de gemeente gebruiken om regels op te stellen die een gezonde economische bedrijfsvoering mogelijk maken. Zo wil de gemeente de agrariërs verleiden tot toekomstbestendige landbouwvormen passend binnen de PARK21 visie. In deze verkenning wordt gevraagd op hoofdlijnen de financieel economische impact van een transformatie voor agrarische bedrijven inzichtelijk te maken voor in vier situaties: 1.

Binnen de bestaande bedrijfsvoering. Dit is vertaald als: wat gebeurt er met het verdienvermogen als een bestaand landbouwbedrijf een deel van zijn areaal naar PARK21 transformeert?

2.

Toekomstige bedrijfsvoering, verbreed agrarisch op het bouwvlak. Dit is vertaald als: welke mogelijkheden zijn er om de afname van verdienvermogen met nieuwe activiteiten op het bouwblok te compenseren?

3.

Toekomstige bedrijfsvoering, verbrede activiteiten op het teeltareaal. Dit is vertaald als: welke mogelijkheden zijn er om de afname van verdienvermogen met andere activiteiten op het teeltareaal te compenseren?

4.

Toekomstige bedrijfsvoering in PARK21. Dit is vertaald in de vraag of het beheer van het park zelf mogelijkheden biedt voor nieuw verdienvermogen voor agrarische bedrijven.

Tenslotte is ook gevraagd om inzichtelijk te maken op welke wijze (tijdelijke) zonneakkers de transformatie kunnen ondersteunen. Dit is vertaald in de vraag of zonneakkers mogelijkheden bieden voor de compensatie van verlies aan verdienvermogen.

1.3.

DOEL

Het doel van de verkenning is antwoord te geven op de vijf vragen uit de vorige paragraaf. Hiermee ontstaat ‘gevoel voor de bal’ rondom het extra verdienvermogen van verbredingsactiviteiten afgezet tegen de afname van het verdienvermogen door reductie van het teeltareaal van bedrijven. Het onderzoek is ook een toets op hoe ruimtelijke ambities voor PARK21 op basis van vrijwilligheid, economisch uitvoerbaar zijn. De gemeente kan deze toets gebruiken bij het uitwerken van het bestemmingsplan naar concrete mogelijkheden die de gemeente wil bieden aan agrariërs. Deze mogelijkheden kunnen worden opgenomen in de planologische regels om de vrijwillige transformatie economisch haalbaar te maken..

1.4.

AANPAK

Voor deze verkenning is allereerst geput uit een veelheid aan openbare bronnen: onderzoeksliteratuur, databases van Wageningen UR, diverse websites en agrarische vaktijdschriften. Meer specifieke en verdiepende informatie is verkregen via interviews met bedrijfsadviseurs, bankmedewerkers, vakverenigingen, agrariërs (met een neventak), onderzoekers, accountants, etc. De financiële aspecten van zonneakkers zijn gebaseerd op expertise van ROM3D vanuit haar werkzaamheden voor diverse zonneparkontwikkelaars in Nederland. De tussenresultaten zijn in twee rondes gedeeld en besproken met een klankbordgroep met deelnemers van de gemeente Haarlemmermeer, de agrarische sector en provincie Noord-Holland, Ministerie van LNV en Rabobank.

6

1.5.

DISCLAIMER

Deze verkenning geeft een beeld van verbrede landbouw, waarbij gepoogd is gegevens zo veel mogelijk kwantitatief te maken. Zowel de agrarische bedrijven gelegen binnen het PARK21 gebied en de verbrede landbouw in het algemeen laten een grote diversiteit zien. Een diversiteit aan bedrijfsgroottes in de primaire tak, in ondernemersfilosofie, de beschikbare arbeid op een bedrijf, in financiële mogelijkheden, in de context van de locatie waar zij zitten, etc. Ook is de vervlechting van een de neventak in de primaire agrarische bedrijfsvoering soms heel nauw en soms helemaal gescheiden. Dit maakt dat gegevens over omzet en winst in die context moeten worden bekeken. De resultaten moeten worden gezien als richtinggevend voor de bedrijfstak en mogelijkheden, maar zijn niet bedrijfsspecifiek voor individuele bedrijven. Uiteindelijk zal de ondernemer en de eigenschappen van de locatie vooral bepalend zijn voor het succes, waarbij de juiste planologische voorwaarden faciliterend zijn.

7

2.1.

KENGETALLEN BEDRIJVEN IN PARK21

De landbouw in het projectgebied is via een aantal interviews met gebiedskenners voor gemeente Haarlemmermeer in beeld gebracht (Antea Group, 2021 en inventarisatie door gemeente Haarlemmermeer). Dit is een momentopname en wordt gebruikt om gevoel te krijgen bij het gebied en de daarin actieve agrarische bedrijven. In het gebied zijn 25 à 30 agrarische bedrijven actief. In de inventarisatie zijn 26 bedrijven naar voren gekomen waarvan er 23 een erf met gebouwen hebben binnen PARK21. Op circa 60% van de bedrijven is er een opvolger of een nog jong bedrijfshoofd. Circa 60% van de bedrijven heeft neveninkomsten en 40% heeft al verbredingsactiviteiten. Op twee bedrijven is sprake van een biologische bedrijfsvoering. Het gaat vooral om akkerbouwbedrijven (19) en daarnaast één veehouderij, vier sierteelt bedrijven en twee gemengde bedrijven. De focus van deze verkenning zal met name op de akkerbouw liggen. De andere takken zijn te klein van omvang om in algemene zin iets over te zeggen, waarbij wel geldt dat de sierteelt bedrijven op een relatief klein areaal een grote omzet en winst behalen en bedrijfsverkleining op deze bedrijven relatief meer impact heeft dan bij akkerbouwbedrijven.

2.2.

FOCUS OP AKKERBOUW BEDRIJVEN

De akkerbouwbedrijven in PARK21 hebben gemiddeld zo’n 29 hectare aan grond in het gebied. Ongeveer de helft van de akkerbouwbedrijven gebruikt ook grond buiten het projectgebied. Als we naar de omvang van de akkerbouwbedrijven kijken zien we het volgende beeld: •

9 bedrijven van circa 20 hectare of minder

•

12 bedrijven tussen de 25 à 50 hectare

•

5 bedrijven groter dan 60 hectare

Akkerbouwbedrijven van circa 25 hectare kunnen niet van de akkerbouw alleen bestaan en zullen voor een belangrijk deel van hun inkomen afhankelijk zijn van neveninkomsten. Cijfers uit de Agrimatie database van Wageningen UR geven voor bedrijven van circa 25 ha voor 2018 en 2019 inkomsten uit de agrarische bedrijfsvoering aan van respectievelijk 6 duizend en 14 duizend euro per jaar. Bedrijven van rond de 55 hectare verdienden volgens dezelfde bron 70 duizend en 32 duizend euro per jaar. Bedrijven van circa 90 hectare verdienden in 2018 en 2019 respectievelijk 136 duizend euro en 64 duizend euro. Het gaat hier om de inkomsten uit de normale bedrijfsvoering dus zonder neveninkomsten. De cijfers geven aan dat de inkomsten uit de normale bedrijfsvoering wisselen over de jaren heen. Onze inschatting is dat akkerbouwbedrijven kleiner dan 50 hectare structureel een deel van hun inkomsten uit nevenactiviteiten of een baan buitenshuis moeten halen. Bedrijven groter dan 60 hectare kunnen gemiddeld genomen een volwaardig inkomen verdienen met de akkerbouw.

8

De eerste vraag gaat over de financieel economische impact van de transformatie waarbij een deel van het agrarische teeltareaal van het bedrijf transformeert naar een park. Wat betekent dit voor het verdienvermogen van een bedrijf? Gelet op de aantallen bedrijven hebben we deze analyse beperkt tot de akkerbouwbedrijven. In dit hoofdstuk wordt eerst kort de context van de transformatie uitgewerkt. Daarna wordt via twee verschillende methodes bekeken wat de transformatie van een deel van de kavel betekent voor het verdienvermogen van een akkerbouwbedrijf. Daarna worden conclusies getrokken.

3.1.

CONTEXT TRANSFORMATIE

De transformatie van een deel van de kavels naar parklaag is vrijwillig. De plankaarten geven een beeld van hoe het er uit zou kunnen gaan zien, maar dit is geen gefixeerd eindbeeld. De landbouw blijft deels bestaan binnen het gebied en vrijwel alle kavels worden in het eindbeeld ingevuld met een deel parklaag. Kijkend naar de plankaarten wordt wel duidelijk dat het areaal dat wordt omgezet naar parklaag sterk kan verschillen. Een aantal landbouwkavels wordt bij vrijwillige transformatie volledig dus 100% parklaag en een aantal landbouwkavels wordt voor 10 à 20% omgezet naar parklaag en alle variaties daar tussen komen ook voor.

a

a

Figuur 2 – Kaart van PARK21 met 2 voorbeeldkavels in paars met circa 90% parklaag en in rood met circa 10% parklaag. Het areaal dat per kavel wordt omgevormd zal ook doorwerken in de bedrijfsvoering. Hoe meer areaal een akkerbouwbedrijf verliest, des te groter de impact op de bedrijfsvoering. Niet alleen in de zin van verlies aan productiecapaciteit en opbrengsten daaruit, maar ook doordat de vaste kosten (de zogenaamde niettoegerekende kosten) over een kleinere oppervlakte moeten worden omgeslagen. Er treedt schaalverkleining op.

9

De gemeente heeft ambitie om het recreatiegebied PAKR21 te realiseren waarbij de parklaag en polderlaag elkaar versterken. De realisatie van het park kan daarom samen gaan met verbreding van activiteiten op de polderlaag. In deze studie wordt verkend, onder welke economische voorwaarden de ambitie ook haalbaar is. Om zo tot gedegen vertaling te komen in het ruimtelijke kader. In figuur 3 is de vrijwillige transformatie naar het ruimtelijke concept waarbij de polder- en parklaag elkaar versterken schematisch weergegeven.

Figuur 3 – schematische weergave van denklijn vrijwillige transformatie van landbouwkavel naar deels parklaag en een padenstructuur in combinatie met planologische mogelijkheden voor verbreding van activiteiten op het agrarisch erf. De landbouw blijft ook op een deel van de kavel. Op termijn kunnen ook in de parklaag leisureactiviteiten worden ontwikkeld.

3.2.

METHODE 1 - VERGELIJKING TWEE BEDRIJFSGROOTTES

Om grip te krijgen op de impact op de bestaande bedrijfsvoering hebben we als eerste methode twee verschillende bedrijfsgroottes met elkaar vergeleken. Hiervoor gebruiken we de data van Wageningen UR van de website Agrimatie. Wageningen UR houdt op basis van een steekproef bij hoe een groot aantal bedrijfseconomische, milieu- en bedrijfsstructuurkenmerken van agrarische bedrijven zich ontwikkelen. Deze database biedt de mogelijkheid om gemiddelde bedrijven in grootteklassen in te delen en deze ook door de jaren heen te volgen. Dit geeft een gedetailleerd beeld van de ontwikkeling van landbouwsectoren. Uit deze database hebben we twee bedrijfsgroottes, te weten 25 en 55 hectare, van akkerbouw naast elkaar gezet, waarbij we voor de bedrijfsgroottes aansluiting hebben gezocht met de bedrijfsgroottes binnen PARK21. We hebben daarbij gekeken naar de arbeidsinzet en het inkomen uit de normale – agrarische – bedrijfsvoering. Hieronder zijn de gegevens van 2017 en 2018 (de meest recente definitieve gegevens) in een tabel weergegeven voor een akkerbouwbedrijf van circa 55 hectare en een bedrijf van circa 25 hectare.

10

Tabel 1 – overzicht kengetallen bij akkerbouwbedrijven van 25 en 55 hectare afgeleid uit WUR/Agrimatie. Akkerbouw 25 hectare Akkerbouw 55 hectare 2018 Arbeidskrachten (fte) 0,79 1,07 Opbrengsten (euro) 106.000 280.000 Betaalde kosten en afschrijvingen (Euro) 100.000 210.000 Inkomen uit agrarische bedrijfsvoering 6.000 70.000 Inkomen per fte 7.500 65.000 2017 Arbeidskrachten (fte) 0,76 1,12 Opbrengsten (euro) 108.000 235.000 Betaalde kosten en afschrijvingen (Euro) 94.000 203.000 Inkomen uit agrarische bedrijfsvoering 14.000 32.000 Inkomen per fte 18.500 28.500 Uit de cijfers in de tabel volgt dat teruggaan van 55 naar 25 hectare bedrijfsgrootte ongeveer 0,3 fte aan arbeid vrij maakt. Het verdienvermogen van het bedrijf gaat terug met gemiddeld zo’n 40 duizend euro. Aangezien de inkomens en kosten in de akkerbouw van jaar op jaar variëren zijn voor een aantal andere jaren namelijk 2016, 2019 (voorlopige cijfers) en 2020 (raming) ook de cijfers bekeken. Gemiddeld bieden deze jaren hetzelfde beeld. Bij een transformatie van 55 naar 25 ha is dit het verschil , de eerder onderbouwde 40.000 euro met het vrijkomen van de 0,3 FTE, dat zou moeten worden goedgemaakt met nieuwe economische activiteiten op het bedrijf om het bedrijfsinkomen op peil te houden.

Uit de cijfers volgt ook dat voor bedrijven van 25 hectare de inkomens uit de akkerbouw klein zijn en dat dit geen volwaardig inkomen oplevert. Bedrijven van 25 hectare akkerbouw zijn voor hun inkomen afhankelijk van inkomsten van buiten het bedrijf. De cijfers van de Agrimatie database laten zien dat gemiddeld door de jaren heen er 20 tot 40 duizend euro aan andere inkomsten van buiten het agrarisch bedrijf worden verdiend op de bedrijven van 25 hectare. Op bedrijven van 55 hectare is er ook sprake van inkomsten van buiten het bedrijf, maar deze liggen lager. In de orde grootte van 10 à 20 duizend euro per bedrijf. Dit cijfermatige beeld uit de Agrimatie database sluit goed aan bij de praktijkwaarnemingen uit de PARK21 gebiedsinventarisatie waarin is geconstateerd dat circa ongeveer 60% van de bedrijven neveninkomst heeft.

3.3.

METHODE 2 – WINST EN TOEGEREKENDE KOSTEN

Een tweede methode om houvast te krijgen op de materie is tevens gebaseerd op de gegevens van de Agrimatie database. We kijken daarbij naar de kosten en opbrengsten van een gemiddeld akkerbouwbedrijf van 52 hectare in 2019. We slaan daarbij de kosten en opbrengsten om per hectare. Tabel 2 – kosten en opbrengsten van een gemiddeld akkerbouwbedrijf in 2019. Totale kosten 52 ha Jaarlijkse opbrengsten 285.000 Jaarlijkse kosten 260.000 Winst 25.000 Kosten externe arbeid, loonwerk, toegerekende kosten 100.000 Niet toegerekende kosten/vaste kosten 160.000

11

Kosten per ha 5.500 5.000 500 2.000 3.000

Als een bedrijf een hectare akkerland zou omzetten naar de parklaag zou dit betekenen dat hij over die hectare geen winst meer maakt. Dus dat betekent 500 euro minder winst per hectare. Het zou ook betekenen dat hij nog wel de niet-toegerekende kosten heeft voor die hectare van zo’n 3.000 euro per ha. Immers de schuur, de eigen machines, de rente en huur voor de grond moeten gewoon worden betaald. We gaan er dan vanuit dat de grond niet vervreemd wordt. De transformatie van een hectare akkerland naar parklaag zal dan 500 plus 3.000 is 3.500 euro per hectare kosten. Het uit productie halen van 10 hectare akkerland betekent voor dit bedrijf dat er 35.000 euro minder verdiencapaciteit is. Omdat het bedrijf in dit jaar slechts 25.000 euro verdiende zal dit betekenen dat het inkomen negatief wordt. Ook hier zal de variatie tussen de jaren en bedrijfsgroottes weer aanzienlijk zijn. In algemene zin zal de bedrijfswinst per hectare op akkerbouwbedrijven tussen de 500 en 1000 euro per hectare per jaar zijn en liggen de vaste kosten in de orde van grootte van 3.000 euro per ha. Een afname van 10 hectare areaal betekent dus tussen de 35 à 40 duizend euro per jaar aan verdiencapaciteit die een bedrijf kwijtraakt.

3.4.

CONCLUSIE & DISCUSSIE

Aan de hand van cijfers van de Agrimatie database is op twee manieren geprobeerd om inzicht te krijgen in het verlies aan verdiencapaciteit wanneer akkerbouwers een deel van hun areaal transformeren. Beide methoden komen uit op een verlies aan verdiencapaciteit van circa 35 duizend à 40 duizend euro. Dit geldt voor een bedrijf van ruim 50 hectare wat bij de eerste methode ruim de helft van zijn areaal omvormt en in de tweede methode ongeveer 20%. Verdere afname in areaal leidt, zo volgt uit de cijfers, niet tot heel veel minder verdiencapaciteit. Dit zal ook komen omdat agrariërs dan ‘schakelen’ en het land verkopen, machines afstoten, overgaan op een eenvoudiger bouwplan etc. Bij het krimpen van het akkerbouwareaal komt ook arbeid vrij ter grootte van circa 0,3 fte bij krimp van 55 naar 25 ha. Bij minder krimp zal minder arbeid vrijkomen. Het verlies aan verdiencapaciteit bestaat aan de ene kant uit de winst of eigen arbeidsopbrengst per hectare (500 à 1000 euro per jaar), maar daarnaast voor een veel groter deel uit doorlopende vaste kosten (zo’n 3.000 euro) zoals de lasten voor grond, gebouwen en machines. Bij krimp zou een bedrijf ook kunnen besluiten om een deel van de machines af te stoten en dus ook de lasten daarvoor te verminderen. Hetzelfde geldt voor de gebouwen.

Als daar nieuwe activiteiten in plaatsvinden kunnen de gebouwkosten ook – deels – daaraan worden toegerekend in de toekomst. Op het aspect grond komen we later terug. Voor relatief kleine akkerbouwbedrijven geldt dat hun winst of arbeidsinkomen uit akkerbouw al zeer beperkt is. Voor deze bedrijven is de opbrengst uit akkerbouw vaak de neventak en ze hebben daarnaast andere inkomstenbronnen. Dergelijke bedrijven hebben vaak ook minder vaste kosten.

12

Het onderzoek naar landbouwperspectief welke is uitgevoerd voor de MER richt zich op de verschillende bedrijfsstrategieën welke agrariërs in het plangebied kunnen hanteren: •

(vervroegd) beëindigen;

•

schaalvergroting;

•

intensiveren;

•

waardecreatie;

•

werkzaamheden buiten bedrijf;

•

verbreden.

Uit dit onderzoek blijkt dat schaalvergroting nu de meest gehanteerde strategie is, maar dat dit door de afname van landbouwareaal in PARK21 minder aantrekkelijk wordt. Een aantal strategieën is aan de ondernemer zelf, bijvoorbeeld om te kiezen voor intensiveren of vervroegd beëindigen. Voor de overige strategieën geldt dat extra perspectief wordt geboden door de geleidelijke transformatie naar een metropolitaan park met vermenging van park, landbouw en leisure, waarvoor voor agrarische bedrijven de planologische mogelijkheden worden verruimd. Dit heeft vooral betrekking op kansen op het gebied van verbreding, waardecreatie en werkzaamheden buiten het bedrijf. In dit hoofdstuk wordt uiteengezet welke vormen van verbreding er denkbaar zijn op het bouwvlak van een agrarische onderneming in PARK21. Doel hierbij is dat de polder- en parklaag elkaar versterken en aansluiten bij de ruimtelijke ambities zoals het verbinden van stad, park en platteland. Verbrede landbouw wordt ook wel multifunctionele landbouw genoemd. In de periode 2008 tot 2012 was er een taskforce multifunctionele landbouw. Uit de resultaten van haar onderzoek komen zes hoofdgroepen naar voren: •

Agrarische kinderopvang (verbredingsvorm)

•

Zorglandbouw (verbredingsvorm)

•

Verkoop van streekproducten/boerderijverkoop (vorm van verbreding en waardecreatie)

•

Recreatie en toerisme (verbredingsvorm)

•

Boerderij-educatie (verbredingsvorm)

•

Agrarisch natuur- en landschapsbeheer (is niet op het bouwvlak) (vorm van werkzaamheden op eigen teeltoppervlak of buiten het bedrijf).

In dit hoofdstuk worden deze verbredingsactiviteiten ieder kort toegelicht, waarbij eerst een beeld in feiten en cijfers wordt geschetst. Daarbij wordt veel aandacht besteed aan de diversiteit, de context en de factoren die medebepalend zijn voor een succesvolle/gezonde (neven)bedrijfsvoering. Vervolgens wordt beschreven wat dit betekent voor de bedrijven in PARK21 met de daarbij horende specifieke hoogstedelijke omgeving.

13

Een belangrijke bron van informatie vormen de onderzoeken die Wageningen University & Research over dit onderwerp heeft uitgevoerd in de afgelopen jaren 12.

4.1.

ALGEMEEN BEELD VERBREDINGSACTI VITEITEN

Op allerlei typen agrarische bedrijven vinden nevenactiviteiten plaats, maar de accenten liggen per bedrijfstype wel anders, zoals is te zien in figuur 4 3. Relatief veel nevenactiviteiten vinden plaats op melkveehouderij- en overige graasdierbedrijven: veel agrarisch natuurbeheer, maar daarnaast ook alle andere vormen van verbrede activiteiten. Ook op akkerbouwbedrijven zien we verbreding, maar met name zorg, kinderopvang en boerderijeducatie zien we daar nauwelijks. Naast de in de figuur genoemde activiteiten is er ook sprake van loonwerk voor derden, energieproductie aan derden en (heel beperkt) aquacultuur.

Figuur 4 - Aantal verbrede bedrijven per hoofdtypen (overgenomen uit Gerritsen, 2020)

Uit onderzoek (uitgevoerd in 2008-2012) van de tasforce Multifunctionele landbouw onder 120 boeren in zes gebieden kwam naar voren dat de gemiddelde omzet 195.00o euro per bedrijf bedroeg, goed voor 33% van de bedrijfsomzet en 40% van het gezinsinkomen. Welke takken van verbreding zouden voldoende kunnen renderen? Uit onderzoek van de Taskforce Multifunctionele Landbouw zijn cijfers beschikbaar met de gemiddelde jaaromzet per bedrijf in 2018. -

Agrarisch natuurbeheer:

6.600 euro omzet per bedrijf

-

Agrarische kinderopvang:

800.000 euro omzet per bedrijf

1

Meulen, van der, H.A.B. er al. 2019. Kijk op multifunctionele landbouw, omzet 2007-2018. Wageningen, Wageningen University & Research, Rapport 2019-054. 2

Multifunctionele landbouw in Nederland, meer dan boeren alleen. PPO Wageningen UR, Taskforce Multifunctionele Landbouw en Roodbont.

14

-

Boerderij-educatie:

1.125 euro omzet per bedrijf

-

Zorglandbouw:

200.000 euro omzet per bedrijf

-

Grote boerderijwinkel:

400.000 euro omzet per bedrijf

-

B&B en groepsaccommodaties:

62.000 en 134.000 euro omzet per bedrijf

-

Sport/spel en cursussen:

90.000 euro omzet per bedrijf.

Wanneer de omzet gemiddeld al veel kleiner is dan het benodigde verdienvermogen om de omzet reductie in het agrarische bedrijf te compenseren, biedt deze tak gemiddeld genomen te beperkt perspectief. Dit geldt ons inziens voor boerderij-educatie en agrarisch natuurbeheer. Natuurlijk is het zo dat iedere ondernemer zijn eigen niche kan vinden en zo toch veel meer omzet en veel meer winstmarge weet te maken. Echter op basis van bovenstaand schema concluderen we dat een aantal verbredingstakken met name potentieel lijken te hebben om een verlies aan verdiencapaciteit goed te maken. Het gaat dan om: -

Agrarische kinderopvang

-

Zorglandbouw

-

Productverkoop

-

B&B / groepsaccommodaties

Deze takken zijn hieronder ieder kort uitgewerkt. Daarbij is per tak op basis van expertcijfers, accountantsrapporten, gesprekken met bank en ondernemers in die sector, een vertaling gemaakt naar een eenvoudige businesscase met kosten en inkomsten. Doel is om zodoende, ondanks het ontbreken van uniform verzamelde cijfers, gevoel te geven voor de bandbreedte van het verdienvermogen en waar mogelijk ook investeringen en benodigde arbeid. We gaan daarbij telkens uit van een professionele aanpak van een dergelijk bedrijf op een agrarisch erf.

4.2.

AGRARISCHE KINDEROPVANG

4.2.1.

Inleiding

Onder agrarische kinderopvang zien we bedrijven met kinderdagopvang, buitenschoolse opvang, peuteropvang en vakantieopvang. Daarnaast zijn er agrarische bedrijven waar een gastouder actief is. De twee laten andere cijfers zien: kinderopvangbedrijven zetten gemiddeld zo’n 800.000 euro om, een gastouder gemiddeld ca. 13.200 euro. Uit de stukken van taskforce multifunctionele landbouw volgt dat agrarische kinderopvang met name plaats vindt op melkveehouderijbedrijven. Tabel 3 – omzet uit de kinderopvang (taskforce multitfunctionele landbouw, 2018) Gemiddelde omzet per bedrijf 2018 investering Kinderopvang 800.000 Bij 24 kindplaatsen (80 echte kinderen) Gastouder

350.000*

Gemiddeld 600.000 euro voor 24 kindplaatsen

13.200

In de omgeving van PARK21 zal er wel vraag zijn naar dergelijke locaties. Deze zijn vaak gewild en hebben een goede bezettingsgraad. In de regio worden in het kader van de schaalsprong circa 30 duizend nieuwe woningen gebouwd waarin naar verwachting veel jonge gezinnen met kinderen komen.

15

4.2.2.

Cijfers onderzoeken

De omzet is onder meer afhankelijk van het aantal kindplaatsen, de bezettingsgraad, de tariefstelling en de openingstijden. Bij 24 kindplaatsen met 85% bezetting en 10,5 uur/dag open en een tarief van € 6,40 per uur dat gedurende 50 weken en 5 dagen per week geopend is komt de omzet op circa € 350.000 omzet per jaar. Volgens een zelfde rekensystematiek moet je voor een omzet van 800.000 euro naar 50 of meer kindplaatsen voor de kinderopvang. Dit komt in praktijk neer op circa 160 echte kinderen gedurende de week. Iedere medewerker mag een maximaal aantal kinderen onder zijn of haar hoede nemen. Dit aantal hangt af van de leeftijd van de kinderen. Ook geldt het vierogenprincipe waarbij er altijd 2 leid(st)ers per groep aanwezig moeten zijn. Bij 24 kindplaatsen gaat het dan al gauw om meer dan 6 fulltime werknemers. Naast de kosten voor inhuur van arbeid zijn ook investeringen nodig in gebouwen en inrichting. Een richtlijn van het Ministerie van Sociale Zaken geeft aan dat er per kind 3,5 vierkante meter aan binnenspeelruimte moet zijn. Bij 24 kindplaatsen zo’n 100 m2. Bij 60 kindplaatsen ruim 200 m2. We gaan uit van het dubbele aan totale binnenruimte in verband met toiletten, slaapplaatsen, keuken etc. Investeringen worden door taskforce multifuctinonele landbouw benoemd op 600.000 euro voor 24 kindplaatsen.

PPP agro advies heeft in een notitie voor verbredingsopties voor de boerderij van de toekomst een bedrag van 1.000.000 euro genoemd voor een kinderdagverblijf met 36 plaatsen. Dit is op zich in lijn met elkaar. Vanuit de VAK – de verenigde agrarische kinderopvang – ziet men ook veel ruimte per kind als één van de unieke kwaliteiten van kinderopvang op agrarische bedrijven. In praktijk is het ook zeker 2 a 3 keer de minimale waarde die de wet voorschrijft. In praktijk zal bij 2 groepen van 16 kinderen dan al gauw 200 a 300 vierkante meter. Bij grotere kinderdagverblijven van 60 kindplaatsen zal dit richting de 400 of 500 m2 gaan. Tenslotte zijn er kosten voor eigen ontwikkeling: cursussen en trainingen, zoals pedagogische scholing, personeelsmanagement, ondernemersvaardigheden, timemanagement. Het kan tot 2 jaar duren voor er geld verdiend wordt, dat is vanaf 85% bezetting. De kinderopvang is sterk gereguleerd en staat onder veel toezicht. Er is veel vraag naar kinderopvang en eigenlijk is er constant tekort aan ondernemers. Het imago is een ontzettend belangrijke en zelfs bepalende factor voor het succes van het bedrijf. Als je bezettingsgraad hoger is kun je meer geld verdienen. Een interessant rapport komt van het waarborgfonds kinderopvang. Hierin is ook een financiële analyse gemaakt die inzicht geeft in de kosten en baten van kinderdagverblijven.

De personeelslasten zijn zo’n 68%, huisvestingslasten zo’n 13 à 14% en overige lasten zo’n 10%. Gemiddeld maakt een kinderdagverblijf 3,3% winst. Bijna 80% van de bedrijven maakt winst. Het beeld is dat de winsten beperkt zijn, maar dat de sector wel een stabiel verdienmodel kent. 4.2.3.

Samenvatting cijfers

Vertalen we deze cijfers naar een kinderdagverblijf met 24 kindplaatsen en een omzet van circa 350.000 euro dan heeft dat bedrijf 10 duizend euro aan winst. We gaan ervan uit dat het salaris voor de directeur betaald is voor ongeveer 60 duizend euro. En zijn de huisvestingskosten van 13 à 14 procent dus zo’n 46 duizend euro. Eerder zagen we dat een dergelijk bedrijf zo’n 600 duizend euro aan investeringen moet doen. Als we die in 15 jaar afschrijven gaat het om 48 duizend euro.

16

4.2.4.

Conclusie

Met het ontwikkelen van een kinderdagverblijf, tussen de 24 en 60 kindplaatsen en een omvang van ca. 200 – 500m2, ontstaat op het erf een heel nieuw bedrijf. Een bedrijf met al snel meer dan 10 werknemers. Dat moet je natuurlijk passen als ondernemer. Bij een dergelijke omvang is er een inkomen mee te verdienen. Een inkomen als directeurssalaris wordt ingeschat op 3500 à4000 bruto per maand. Dit zal zo’n 50 à 60 duizend euro aan jaarsalaris opleveren voor de directeur; daarbij komt de overwinst van circa 10 duizend euro die een gemiddeld kinderdagverblijf draait per jaar. In beginsel zou dit aangevuld kunnen worden vanuit de verhuur van de gebouwen die in eigen beheer worden verbouwd tot kinderdagverblijf.

4.3.

ZORGLANDBOUW

4.3.1.

Inleiding

Zorgboerderijen ontstaan vanuit agrarische hoek of vanuit ondernemers met een zorgachtergrond. Passie voor het vak speelt een belangrijke rol. Er is een grote diversiteit. Er zijn bedrijven die woonzorg aanbieden (24x7) en bedrijven die zich richten op alleen dagbesteding. In Nederland zijn circa 1100 zorgboerderijen waar circa 15.000 mensen zorg krijgen. Volgens de taskforce multifunctionele landbouw werd in 2018 gemiddeld 200.000 omzet gemaakt op bedrijven met zorg. De omzet van zorgbedrijven is afhankelijk van de grootte van de zorgtak (het aantal cliënten, bezettingsgraad), het ondernemerschap, de zorgzwaarte (meer specialistisch) en woonzorg. Ook hier is net als bij de kinderopvang sprake van certificering, sterke professionalisering en kwalificatiesystemen. De financiering van de zorg komt uit verschillende bronnen: Zorg in Natura (ZIN), Wet langdurige zorg (WLZ), Jeugdzorg, Persoonsgebonden budget en Ouderenzorg. De verwachting is dat tarieven onder druk zullen staan in de toekomst. 4.3.2.

Cijfers onderzoeken

Een onderzoek van Ernst en Young heeft voor veel zorgbedrijven de kosten per dagdeel in beeld gebracht. Hieronder is in tabel 4 een uitsnede gemaakt van de kostprijs en de gerealiseerde vergoedingen. Tabel 4 – kostprijs en gerealiseerde vergoedingen per dagdeel per client op zorgboerderijen per type zorg. Ernst en Young, 2012. In euro’s Jeugd Verstandelijk beperkten Ouderen

Gemiddelde kostprijs 48 39 46

Gerealiseerde vergoedingen 38 36,50 37

Boerderijen die maar enkele cliënten bedienen (1.000 tot 5.000 cliënturen dagbesteding per jaar) kennen een veel hogere kostprijs per dagdeel (meer dan € 100 per dagdeel per client), dan grotere zorgboerderijen (rond de € 20 per dagdeel bij zorgboerderijen met 25.000 tot 30.000 cliënturen dagbesteding per jaar). Bij grotere zorgboerderijen kan dus ruim 25 euro marge per dagdeel gemaakt worden. We gaan ervan uit dat de arbeidskosten en de gebouwkosten gedekt zijn tegen een normaal medewerkerstarief en dat daarbovenop dan circa 15 duizend euro winst kan worden gemaakt.

17

Een andere bron komt van de Federatie Landbouw en Zorg heeft samen met Wageningen UR een rekenmodel ontwikkeld voor zorgbedrijven. Hierin wordt een voorbeeldberekening gemaakt op basis van 8000 dagdelen met een bezetting van 85%. De ingevulde kengetallen geven een aardig beeld van wat er in dergelijke bedrijven rondgaat. De omzet is circa 378.000 euro en de kosten circa 366.000 euro. De winst is circa 12.000 euro en voor de ondernemers wordt een ondernemersinkomen van 50.000 euro per fte berekend. Naast de arbeid van de ondernemers (1,5 fte) is er circa 3 fte aan externe arbeid nodig en wordt ook gebruik gemaakt van 1,2 fte aan vrijwilligers en stagiairs. Een derde interessante verkenning is te vinden via accountant.nl. Het is een analyse van de omzet en winst van kleine, middelgrote en grote zorgboeren met omzetten tot respectievelijk 244, 450 en 859 duizend euro. In dit stuk geven ze aan dat de winst voor kleine boeren circa 37% is. Dit is echter ook de arbeidsbeloning. Voor grotere bedrijven verandert vaak de rechtsvorm en daalt de winst, maar is de eigenaar/firmant al betaald als medewerker. Men geeft aan dat het gemiddelde salaris voor medewerkers circa 47 duizend euro is en voor ondernemers net geen 60 duizend euro. De personeelskosten samen met de winst ofwel de arbeidsbeloning maakt op veel bedrijven circa 60% van de totale kosten uit.

Slechts 10% van de bedrijven draait verlies. Dit zijn vaak de grotere ondernemingen die als stichting of BV te boek staan. Bij 400.000 euro aan omzet en circa 60% personeelskosten betekent dit inzet van circa 4 à 5 fte. Dit is in lijn met de voorgaande studie. Vanuit de gesprekken met bankmedewerkers kwam naar voren dat in West-Nederland er best veel bedrijven zorg leveren. Gemiddeld zit de bijdrage aan het inkomen als ondernemer tussen de 20 en 50 duizend euro aldus de bank. Dat zou dan gaan om gemiddeld gesproken kleinere zorgboerderijen. Een expert op het gebied van landbouw en zorg gaf aan dat er heel veel diversiteit is tussen bedrijven. Diversiteit in omvang van het aantal zorgplaatsen maar ook in type zorg. Ouderenzorg, verslavingszorg, dagbesteding, werken met rolstoelen, werken met mensen die echt aan het werk gaan op het bedrijf en dus minder ‘algemene’ ruimte nodig hebben. Dit bepaalt ook mee de ruimte die nodig is voor de zorg. Uit de praktijk van deze expert volgt een bandbreedte van tussen de 150 en 800 vierkante meter per bedrijf. Dit is in lijn met een quick scan van een aantal zorgbedrijven via vergunningaanvragen en bestemmingsplannen via de website ruimtelijkeplannen.nl. 4.3.3.

Conclusie

Conclusie is dat zorg een interessante tak is. Er is voor ondernemers een inkomen te verdienen van circa 50 à 60 duizend euro als ze de zaak goed en professioneel aanpakken. Zeker voor middelgrote bedrijven met een omzet van circa 400 duizend euro en rond de 30 duizend clienturen. De investeringen zijn relatief beperkt en eenvoudig. In de zorg wordt vaak wel gewerkt met meerdere medewerkers. De benodigde ruimte is sterk afhankelijk van het type zorg dat geboden wordt en de omvang van de zorgtak. De bekeken voorbeelden gaan van 150 tot 800m2 aan bruto vloer oppervlakte.

4.4.

BOERDERIJVERKOOP, VERKOOP VAN STREEKPRODUCTEN

4.4.1.

Inleiding

De directe afzet van een boer of tuinder aan consumenten, catering, instellingen en horeca en verkoop langs de weg zijn vormen van boerderijverkoop. Er is een trend te zien, waarbij verkoop via een automaat in de plaats komt van de boerderijwinkel. Ook binnen de groep boerderijverkoop is een grote diversiteit.

18

Onderstaande tabel geeft een overzicht van de omzet in 2018 van verschillende afzetkanalen van directe verkoop vanuit het agrarisch bedrijf. Tabel 5 – omzet uit de boerderijverkoop (taskforce multifunctionele landbouw, 2018) Gemiddelde omzet per bedrijf 2018 Boerderijverkoop 5.000 – 400.000 Langs de weg 5.000 – 97.000 Op de markt 125.000 Boerderijwinkel 45.000 – 400.000 Levering aan huis 50.000 Levering aan instelling, catering, horeca 30.000 Er is een trend naar verdere professionalisering van boerderijwinkels. Een oppervlak van 50 vierkante meter zoals vaak aan planologisch ruimte wordt geboden is dan te weinig (bron: Nieuwe Oogst, 06/11/20). Een andere trend is rechtstreekse levering van producten aan huis. Deze service wordt steeds vaker uitgevoerd door gespecialiseerde bedrijven als neventak. 4.4.2.

Cijfers

Om wat gevoel te krijgen voor omzet en winst is de volgende casus uitgewerkt. Er wordt uitgegaan van 30% marge op externe producten. Op eigen producten wordt 50% marge gemaakt. Rentelast voor investeringen in gebouw en inrichting en de inhuur van externe arbeid moet dan nog worden betaald. Uit de verkenning van Combee, 2018 is een uitwerking gemaakt voor kaasverkoop. In dit rapport wordt als vuistregel benoemd dat men via huisverkoop circa 40 kg kaas per 10 uur per week verkoopt. Navraag leert dat in goedlopende boerderijwinkels al gauw 120 euro per uur wordt omgezet per persoon op goed lopende tijden. Bij een grote boerderijwinkel wordt 400.000 euro aan omzet gedraaid per jaar zo blijkt uit tabel 5. Stel dat we uitgaan van gemiddeld 80 euro per manuur aan omzet dan zou dit betekenen dat er 5000 uur aan winkelarbeid beschikbaar moet zijn. Dit is circa 2,5 à 3 fte. Als een winkel 6 dagen per week 8 uur per dag open is dan zouden er 2400 openingsuren zijn. Een grote boerenlandwinkel heeft circa 2 personen gemiddeld full time aanwezig zo blijkt uit deze vingeroefening. Stel bij 50% eigen product en 50% extern product wordt er dan gemiddeld 40% marge gemaakt. Over 400 duizend euro omzet is dit dus 160 duizend euro aan bruto marge. Hiervan moeten de kosten van de winkelinrichting, kassasysteem en de gebouwkosten nog van af.

Als we uitgaan van 200 m2 winkel en 1000 euro per m2 aan investeringskosten dan vraagt dit 200 duizend euro aan investering voor het gebouw plus naar schatting 50.000 voor de inrichting en voorzieningen. Dit is samen 250 duizend euro en als deze in 15 jaar met een annuïteit van 8% wordt afgelost is dit 40 duizend euro per jaar. Van de 160 duizend euro aan bruto marge blijft dan 120 duizend euro over. Wanneer er nog 40 duizend euro voor marketing en algemene kosten afgaan (10% van de bruto omzet) dan blijft er 80 duizend euro over om 2 fte van te betalen. Er zou ook 1 fte kunnen worden ingehuurd à 30 duizend euro en dan is er 50 duizend euro als inkomen voor de ondernemer. Andere bronnen zoals PPP agro advies, maar ook het rapport van WUR over kengetallen over vleesverkoop aan huis komen tot circa 20 à 25 duizend euro aan extra gezinsinkomen. Dat betreft huisverkoop van een kleinere omvang voor fruit, kaas en vlees.

19

De gemiddelde verkoopoppervlakte voor een boerderijwinkel was in 2010 zo’n 65 m2. De omzet is de afgelopen jaren per boerderijwinkel sterk gegroeid. Uit recente vergunningaanvragen te vinden via ruimtelijke plannen leiden we af dat oppervlaktes nu eerder tussen 150 a 200 vierkante meter per winkel liggen. Dit beeld wordt bevestigd door de Landwinkel Coöperatie waarbij 80 grotere landwinkels zijn aangesloten. Zij geven aan dat bij hen aangesloten winkels circa 150 a 200 vierkante meter per winkel omvatten. Naast de winkelruimte zelf (verkoop vloer oppervlakte) is er ook ruimte nodig voor opslag, logistiek en koeling. 4.4.3.

Conclusie

Conclusie is dat met een grote boerderijwinkel circa 2 à 3 fte’s nodig zijn voor een omzet van 400 duizend euro. Het ondernemersinkomen is naar verwachting rond de 50 duizend euro. Investeringen zullen rond de 200 à 250 duizend euro zijn. Voor kleine boerderijwinkels is de bijdrage aan het arbeidsinkomen in de orde grootte van 20 à 25 duizend euro. Benodigde oppervlaktes voor een grote boerderijwinkel zullen rond de 200 vierkante meter aan verkoopoppervlakte liggen.

4.5.

RECREATIE EN TOERISME

4.5.1.

Inleiding

De diversiteit aan recreatie die wordt aangeboden op agrarische bedrijven is groot. Er is zowel dagrecreatie (zoals boerengolf) als verblijfsrecreatie (bijvoorbeeld B&B en groepsaccommodatie). In tabel 6 is een overzicht te zien van verschillende vormen van recreatie en de bijbehorende omzet. Tabel 6 – omzet uit de recreatie (taskforce multifunctionele landbouw, 2018) Gemiddelde omzet per bedrijf 2018 Verblijfsrecreatie Boerderijcamping 46.000 B&B 62.000 Huisjes/appartementen 54.000 Groepsaccommodaties 134.000 Camperplekken (5) Jachthaven (60 boten) Dagrecreatie Sport, spel, cursussen 90.000 Verhuur recreatiegoederen 20.000 Horeca (incl. kookworkshops) 60.000 Vergader/ontvangst 26.500 De afgelopen jaren is het aantal B&B’s in het buitengebied gestegen, waarvan een deel bij agrarische. Deze B&B’s zijn gemiddeld genomen goed voor 8 overnachtingsplekken, tegenover 5 op een ‘gewone’ B&B. De capaciteit van groepsaccommodaties is gestegen naar gemiddeld 30 personen. Het aantal verblijfsaccommodaties is gestegen en ook de bezettingsgraad ervan door beter gebruik van boekingssites. Qua tijdsbeslag (wassen, ontbijt verzorgen, boekingen etc.) maakt het niet veel uit of er 2 of 6 kamers zijn. 4.5.2.

Cijfers uitgewerkt voor B&B

Om gevoel te krijgen voor de cijfers voor een B&B is deze uitgewerkt voor een situatie met 6 B&B kamers. Daarbij wordt uitgegaan van verhuur via professionele verhuursite en een voorzichtige inschatting van 50% bezetting jaarrond. Prijs 120 euro per nacht en er wordt gerekend met 40 euro aan kosten voor schoonmaak,

20

ontbijt en de bemiddelingskosten. Op basis van deze cijfers komen we met 6 kamers op 1100 bezette nachten per jaar. Deze 1100 nachten met 80 euro marge per kamer maakt zo’n 88 duizend euro aan bruto winst. De B&B kamers vergen een investering van circa 200 duizend euro. We gaan uit van 150 vierkante meter die luxe worden ingericht voor 6 B&B’s. Gemiddeld is dat 25 vierkante meter bruto per kamer. Daarboven is nog ruimte nodig voor gezamenlijke voorziening. De investering wordt afgeschreven in 15 jaar en dit is een annuïteit van 16 duizend euro voor rente en aflossing. Dan blijft over circa 72 duizend euro aan inkomsten voor de ondernemer. Navraag bij een aantal B&B’s bevestigt dit beeld op hoofdlijnen. In praktijk heeft een goedlopende B&B via een bookingsite een bezetting van 50 tot 60%. Het gaat gepaard met een arbeidsinspanning van circa 0,5 à 0,6 fte voor inboeken, schoonmaken, wassen, strijken en gastvrij zijn. Prijzen variëren met de luxe en de plek in Nederland, maar in West-Nederland zijn prijzen van 100 euro of meer per kamer niet ongewoon. 4.5.3.

Conclusie

Een professionele B&B van 6 tot 8 kamers, gemiddeld 150-200m2 bruto vloer oppervlakte, levert in potentie 70 duizend euro aan verdiencapaciteit op. Naast de uitwerking voor een B&B zijn er ook andere recreatieve vormen zoals groepsverblijven, sport en spel, horeca en inclusief kookworkshops benoemd waar in potentie voldoende omzet te halen is om een rendabel inkomen aan over te houden. Deze vormen van recreatie zijn hier niet verder uitgewerkt, omdat dit in te grote mate afhankelijk is van het specifieke concept en ondernemerskwaliteiten. De constatering is wel dat ook voor deze vormen van verbreding kansen liggen die ook lijken te passen bij het profiel van PARK21.

4.6.

CONCLUSIE VERBREDING OP HET BOUWBLOK

Een aantal takken op het bouwblok leveren substantieel omzet op en heeft daarmee ook potentie voor het – meer dan -compenseren van het verlies verdiencapaciteit bij (gedeeltelijke) omzetting van agrarisch land naar park. Deze takken vragen alle om een professionele aanpak. Ze moeten worden benaderd als een volwaardige tak en zullen qua arbeidsinzet tenminste 0,5 fte, maar eerder één volwaardige fte vragen van de ondernemer. Bij een kinderdagverblijf is veel externe arbeid nodig; dit geldt in wat beperktere mate ook in de boerderijwinkel en een grotere zorgtak. In praktijk is het ontwikkelen van een succesvolle tweede tak sterk afhankelijk van de ondernemer die affiniteit heeft met de tak. Als de boer druk is met het akkerbouwbedrijf ligt het vooral bij de partner of opvolger om van de tweede tak een succes te maken. Tweede takken kunnen qua omzet en marge uitstijgen boven de akkerbouwtak. Het meeste perspectief voor verdiencapaciteit uit een tweede tak op het bouwblok zien we voor B&B, kinderdagverblijf, zorg en een professionele boerderijwinkel. Hieronder is in tabel 7 samengevat welke omzet, arbeidsinkomens en benodigde investeringen uit de cijfers af te leiden zijn.

Tabel 7 - overzicht van omzet, inkomen en investeringen van een aantal verbredingstakken op het bouwblok Omzet Ondernemersinkomen Investering Ruimte (indicatief) (indicatief) (indicatief) (indicatief) m2 B&B (6 kamers) 120.000 70.000 per fte 250.000 euro 150/200+ m2 Kinderdagverblijf (24+) 400.000 50.000 + per fte 600.000 euro 200-500 m2 Kinderdagverblijf (60+) 800.000 70.000 + per fte 1 mln euro Zorg (8+) 200.000 – 50.000 + per fte 150.000 euro 150 – 800 m2 400.000 Boerderijwinkel groot 400.000 50.000 + per fte 250.000 euro 200+ m2

21

In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de potentie van enkele andere vormen van landbouw op het akkerbouwareaal. Het gaat om het omvormen naar biologische landbouw, naar strokenteelt of naar andere hoogrenderende gewassen zoals vollegrondstuinbouw of sierteelt.

5.1.

BIOLOGISCHE LANDBOUW

5.1.1.

Inleiding

In de biologische landbouw wordt geteeld zonder gewasbescherming en kunstmest. Hierdoor zijn de opbrengsten in kg product per hectare minder dan in de gangbare landbouw. Biologische producten leveren over het algemeen meer op per kg product en liggen meestal voor een meerprijs in de supermarkt. Het aantal boeren dat biologisch teelt is nog zeer beperkt net als de marktvraag. Voor boeren die biologisch willen telen is er sprake van een omschakelperiode van twee jaar voor de grond. Producten moeten wel op biologische wijze worden geteeld, maar kunnen nog niet als biologisch verkocht worden. 5.1.2.

Cijfers

Over het algemeen levert een hectare biologische landbouw zo’n 20% minder opbrengst in kilogrammen product dan gangbare landbouw. Dit blijkt ook uit diverse metastudies zoals bijvoorbeeld Crowder, 2015. De kosten die gemaakt worden voor kunstmest en gewasbescherming zijn er vanzelfsprekend ook niet. Voor dierlijke mest moet grotendeels gebruik worden gemaakt van mest van biologisch gehouden dieren. Die mest is schaarser en daardoor kostbaarder. Ook het krachtvoer in het geval van veehouderij is duurder. Tegenover de lagere opbrengsten staan dus soms lagere en soms hogere kosten voor de teelt maar vrijwel altijd ook hogere prijzen die betaald worden per kilogram product. Ook zijn biologische boeren meer ingebed in vaste ketenrelaties en nemen zij ten opzichte van gangbare collega’s relatief een groter aandeel uit de uiteindelijke consumentenprijs. De bronnen, zoals Akkerwijzer Delphy, 2020, laten zien dat gemiddeld over de jaren heen de inkomsten van biologische bedrijven versus hun gangbare collega’s soms hoger en soms lager worden ingeschat. Daarbij moet nadrukkelijk worden aangetekend dat vergelijken op zich al lastig is. Wat vergelijk je met elkaar? De bedrijfsomvang in hectares, de bedrijfsomvang in omzet in euro’s of in aantallen koeien, in kilogrammen melk of geproduceerde tarwe op bedrijfsniveau.

De vruchtwisseling en bedrijfsopzet tussen bedrijven is structureel verschillend. Dat maakt vergelijken lastig. In zekere zin is het appels met peren vergelijken.

22

5.1.3.

Conclusie

Conclusie is dat biologisch ten opzichte van de gangbare akkerbouw geen of beperkte meeropbrengsten of minderopbrengsten in euro’s per bedrijf gaat opleveren. De eventuele meeropbrengsten zullen het verlies aan verdiencapaciteit door de omvorming tot PARK21 naar verwachting niet goed kunnen maken.

5.2.

STROKENTEELT

5.2.1.

Inleiding

Strokenteelt is een voor Nederland relatief nieuwe vorm van landbouw. Gewassen worden niet volvelds perceelsgewijs geteeld, maar in smalle stroken naast elkaar. Ze worden bewerkt met het bestaande machinepark. Stroken variëren in breedte van 3 tot 48 meter. Dit leidt tot een gevarieerder beeld met veel diversiteit aan gewassen en meer ruimte voor biodiversiteit. In theorie heeft dit voordelen in de zin dat ziekten en plagen een soort ‘social distancing’ hebben en minder gemakkelijk overspringen, omdat er stroken met andere gewassen tussen liggen. Ook zijn er voordelen mogelijk doordat natuurlijke vijanden ook in tussenliggende stroken aanwezig zijn. Nadelen lijken te zijn dat er qua mechanisatie en teeltrotatie zeer goed nagedacht moet worden en dat dit meer kosten oplevert. Oogsten en bewerken vragen een uitgekiende planning en precisie. In praktijk experimenteren in Nederland momenteel enkele tientallen telers met akkerbouw en groente gewassen met strokenteelt. 5.2.2.

Cijfers/onderzoek

Wageningen UR doet veel onderzoek op het gebied van strokenteelt met meerdere promovendi en houdt ook regelmatig bijeenkomsten met telers of geïnteresseerde telers. Uit interviews met WUR onderzoeker Dirk van Apeldoorn (bijvoorbeeld foodagribusiness, 2020) volgt dat de balans tussen opbrengsten en kosten vergelijkbaar is met gangbaar. Strokenteelt is ook nog een relatief nieuw en klein fenomeen en in die zin zijn er nog weinig langjarige harde cijfers onder vergelijkbare omstandigheden. Het Louis Bolk instituut heeft bijvoorbeeld een eenjarige studie gedaan bij enkele telers die zowel stroken als gangbaar telen (Koopmans, 2019). Uit deze studie volgt dat voor strokenteelt gemiddeld 150 euro minder saldo gemaakt wordt per hectare waarbij meerdere gewassen bekeken zijn. Dit komt vooral door hogere teeltkosten die groter zijn dan de winst van de meeropbrengsten. 5.2.3.

Conclusie

De conclusie is dat strokenteelt interessant is en dat er veel belangstelling is, maar ook scepsis bij andere agrariërs. Strokenteelt gaat niet leiden tot aanzienlijke meeropbrengsten voor agrarische bedrijven en is in die zin niet in staat een achteruitgang in verdiencapaciteit op te vangen. Strokenteelt kan wel voor de beleving van bezoekers van het park een aanvulling zijn.

5.3.

HOOGRENDERENDE GEWASSEN

5.3.1.

Inleiding

Met de teelt van vollegrondstuinbouw of sierteelt kan per hectare aanzienlijk meer omzet worden gedraaid. Ook de winst per hectare is hoger dan bij akkerbouw. Echter omschakelen naar vollegrondsteelten vraagt ook andere machines, meer menskracht, specifieke teeltkennis en waarschijnlijk ook meer marktkennis of markttoegang; ook worden hoge eisen gesteld aan bodem en water. Dit geldt in extremere mate voor de teelt van siergewassen.

23

5.3.2.

Cijfers

Ter illustratie hieronder een aantal kengetallen voor vollegrondsgroente bedrijven en akkerbouw bedrijven. •

Vollegrondsgroente bedrijven zijn gemiddeld in Nederland zo’n 25 hectare, hebben 1,5 fte aan eigen arbeid. Deze bedrijven verdienden in de periode 2017 tot en met 2020 zo’n 100.000 euro per bedrijf oftewel zo’n 70 duizend euro per fte eigen arbeid. De omzet was zo’n 600 duizend euro. Dus de omzet per hectare circa 24.000 euro waarvan dus 4.000 euro per hectare voor de eigen arbeid overblijft.

•

Voor akkerbouw bedrijven geldt dat ze gemiddeld in Nederland zo’n 56 hectare zijn en 1,2 fte aan eigen arbeid hebben. Deze bedrijven verdienden in de periode 2017 tot en met 2020 zo’n 50.000 euro per bedrijf ofwel zo’n 45 duizend euro per fte aan eigen arbeid. De omzet was zo’n 300 duizend euro. Dus de omzet per hectare is circa 5500 euro per hectare en de waarvan dus circa 900 euro overblijft voor de eigen arbeid.

5.3.3.

Conclusie

Met hoger renderende gewassen kan in potentie meer verdiencapaciteit worden gerealiseerd. Deze keuze kunnen bedrijven nu ook al maken. Ondernemerschap en de vaardigheden van de ondernemer en de mogelijkheden van de grond zijn hierin bepalend. Deze keuze is nu ook al mogelijk en is niet afhankelijk van de planologische ruimte die de gemeente biedt.

5.4.

CONCLUSIE EN DISCUSSIE

Biologische landbouw en strokenteelt zullen naar verwachting niet leiden tot extra verdiencapaciteit op de agrarische bedrijven. Voor biologisch is bovendien sprake van een omvormingsperiode. Voor strokenteelt lijken de meerkosten iets hoger te zijn dan voor gangbare landbouw. De teelt van vollegrondsgroente of sierteelt heeft de potentie voor extra verdiencapaciteit. De keuze hiervoor is des ondernemers. Zij zijn niet afhankelijk van de planologische ruimte van de gemeente. Strokenteelt, biologische landbouw met een ruime vruchtwisseling en vollegrondsgroenteteelt of sierteelt bieden meer gewasdiversiteit op de kavel en zijn daarmee naar verwachting interessant voor de beleving van bezoekers aan PARK21.

24

6.1.

ONDERHOUD VAN TERREINEN

Binnen PARK21 zullen verschillende terreinen worden ontwikkeld, die ieder een vorm van beheer vragen. Het beheren bestaat uit gras maaien, sloten schonen, paden onderhouden, onderhoud van groensingels, bomen en bos. Dit ligt dicht bij het werk dat de agrarisch ondernemer op zijn eigen bedrijf uitvoert en sluit aan bij belangrijke drijfveren van veel agrarisch ondernemers zoals het werken met machines en techniek en buitenwerken in de natuur. Uit de gesprekken met de agrariërs en provincie Noord-Holland wordt dit beeld ondersteund. Ook nu al werken verschillende akkerbouwers buiten hun bedrijf als loonwerker of ze verhuren zichzelf en hun machinepark. De werkzaamheden in PARK21 kunnen niet met alledaagse akkerbouwmachines worden uitgevoerd, maar een tractor of kraan op het bedrijf kan wel gebruikt worden. De producten uit het groenbeheer zoals snippers, takken en maaisel zijn ook niet direct van meerwaarde in de agrarische bedrijfsvoering. Eventueel kan maaisel worden gecomposteerd of worden gefermenteerd als bokashi en dienen als organische stof voor bodemverbetering. Om gevoel te krijgen bij de verdiencapaciteit van het beheer van groene elementen is gekeken naar normbedragen voor groenbeheer. Deze normbedragenlijst is beschikbaar van Park Lingezegen.

Prijzen variëren per hectare per jaar van 2400 euro voor bermbeheer, 600 euro voor bos, 400 euro voor kruidenrijk grasland, 700 euro voor moeras en bijvoorbeeld ruim 9.000 euro voor gazon. Voor paden, bruggen, banken etc. wordt per element een normprijs gehanteerd. Het is lastig om per hectare park één bedrag te destilleren. Dit zal immers sterk afhangen van de inrichting van het park, maar laten we vooralsnog om gevoel te krijgen voor de bandbreedte uitgaan van het beheer van bos, bermen en kruidenrijk grasland uitgaan. We vertalen dit naar een gemiddelde van circa 1.000 euro per hectare parklaag aan beheersvergoeding. Als iemand 50 hectare of 70 hectare parklaag met bos, kruidenrijk gras en bermen zou beheren zou daarmee een omzet van 50 duizend of 70 duizend euro kunnen worden behaald. Hiervoor moet deze persoon het werk uitvoeren en de benodigde machines aanschaffen en de rente en afschrijving betalen of de machines huren of leasen. Huur van een man met machine kost circa 60 euro per uur. Voor de ondernemer tellen we daarvoor een tarief van 30 euro voor eigen arbeid en de overige 30 euro voor de machine. Bij 50 hectare en 50 duizend euro omzet betekent dit dat ruim 800 werkuren oftewel 0,4 fte waarmee circa 25 duizend euro wordt verdiend aan inkomen en 25 duizend euro is voor machinekosten.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Haarlemmermeer&id=0f76e112-244b-4b22-ab91-dc38ea30dc54