Bijlage 2-4 Leidraad Groene Bouwstenen
Tekst van het document
regelmatig plantverband
leidraad groene bouwstenen
wild plantverband
wild heterogeen plantverband
36
Afbeelding 4, schematische weergave van verschillende plantverbanden. In PARK21 wordt bij aanplant van bomen en/of struiken gebruik gemaakt van het wild heterogeen plantverband waarin planten in een onregelmatig patroon worden geplaatst, met sterk variërende onderlinge afstanden.
PARK21
BEPLANTINGSCONTOUR Zodra bomen en struiken goed zijn aangeslagen, neemt de lengte- en breedtegroei van de bovengrondse delen snel toe. Voor bomen en struiken aan de rand van beplanting geldt dat zij het mooiste worden als ze in hun natuurlijke habitus kunnen uitgroeien. Voorkomen moet worden dat na verloop van tijd de eerste rij planten verwijderd moet worden of periodieke snoei noodzakelijk is om de toegankelijkheid van wegen en paden te behouden (afbeelding 5). Om bovenstaande reden maken we onderscheid tussen de wenselijk contour van een beplantingsgroep en de ruimte die daadwerkelijk wordt ingeplant. De wenselijke contour van een beplantingsgroep geeft de contour aan van de beplanting op het moment dat bomen en struiken hun uiteindelijke omvang hebben bereikt. Bij aanplant wordt bepaald wat de omvang van de toegepaste boom- en struiksoorten in volwassen stadium is. Op basis daarvan wordt bepaald op welke afstand tot de wenselijke contour bomen en struiken daadwerkelijk worden geplant. Waar beplanting grenst aan wegen of paden, kan nog een halve tot hele meter extra worden gerekend voor een berm.
jonge aanplant
volwassen beplanting
grens aanplant gewenste contour
Afbeelding 5, jonge (links) en volwassen beplanting (rechts). Boven is geplant tot op de grens van de gewenste beplantingscontour. Als deze beplanting uitgroeit, moet periodiek worden gesnoeid of de eerste rij planten worden verwijderd. Planten daarachter zijn in concurrentie opgegroeid en minder mooi gevormd. Midden is beplanting aangebracht op afstand van de gewenste beplantingscontour en heeft ruimte om vrij uit te groeien. Onder: bomen kunnen tot op de gewenste beplantingscontour worden geplant mits onder de boomkronen voldoende ruimte wordt gecreëerd.
Voor aanplant van bomen gelden twee aanvulling op bovenstaande regel. In situaties waarin boomkronen boven wegen en paden mogen uitgroeien, kunnen bomen dichterbij of zelfs tot op de gewenste beplantingscontour worden geplant (afbeelding 5, onder). In dat geval is jeugdbegeleidingssnoei noodzakelijk om de minimale takvrije zone te ontwikkelen. Ook zal op latere leeftijd onderhoud nodig blijven wanneer zich in de boomkronen dode takken ontwikkelen. Een tweede aanvulling geldt voor aanplant van bomen in de directe nabijheid van een laan of bomenrij. Een laan heeft als groenstructuur altijd voorrang boven vlaktegewijze natuurlijke aanplant. Dat betekent dat concurrentie tussen laanbomen en andere bomen moet worden voorkomen. In dergelijke gevallen moet dus rekening worden gehouden met de uiteindelijke omvang van zowel de bomen in de beplantingsgroepen als van de laanbomen en wordt dus extra ruimte vrijgehouden tussen laanbomen en andere beplanting (zie ook paragraaf 8.1).
leidraad groene bouwstenen
37
PARK21
7.3
BOS ONTWERPEN MET BEPLANTINGSGROEPEN
In hoofdstuk 6 zijn vijf bostypen beschreven die model staan voor het bos dat in PARK21 wordt aangelegd. De bostypen verschillen van elkaar op gebied van boomsoortensamenstelling en de opbouw van het bosmozaïek. Onderstaand worden deze kenmerken per bostype toegelicht. Deze gegevens vormen belangrijke ontwerptools voor het ontwerp van bos. Ter verduidelijking is aansluitend op deze paragraaf een voorbeelduitwerking opgenomen die laat zien hoe dit in zijn werk gaat. In de navolgende beschrijving is in een tabel per bostype weergegeven in welke verhouding beplantingsgroepen ter grootte van 1x, 2x en 3x de boomhoogte voorkomen en hoe zij worden verdeeld over de verschillende ontwikkelingsfasen. De ontwikkelingsfasen worden in het ontwerp gesimuleerd door gebruik te maken van verschillende plantdichtheden, zoals in paragraaf 7.2 is toegelicht. De getallen die in de tabellen zijn weergegeven geven de procentuele verhouding weer van het aantal beplantingsgroepen dat per grootte en ontwikkelingsfase voorkomt. Zo geldt voor droog essen-iepenbos (tabel 4) dat, wanneer in totaal 100 beplantingsgroepen in het nieuwe bos passen, daarvan 10 groepen worden aangelegd met een grootte van 1x de boomhoogte en een plantverband behorende bij de biostatische fase II (conform tabel 3 750stuks/hectare).
Passen in een nieuw bos bijvoorbeeld maar 35 beplantingsgroepen, dan worden van dit type afgerond maar 3 stuks ingepast. Bij kleinere bosgebieden, waarin relatief weinig beplantingsgroepen passen, is het evident dat beplantingsgroepen die in een bostype verhoudingsgewijs maar weinig voorkomen, afgerond 0x worden toegepast. In die gevallen worden de beschikbare beplantingsgroepen zo verdeeld dat voldoende variatie ontstaat tussen heel dichte en heel open plantverbanden. Ook is het in dergelijke gevallen goed om het ontwerp af te stemmen op bos dat in de directe omgeving al is aangelegd zodat het bosmozaïek op grotere schaal zo veel mogelijk overeenkomt met de kenmerken van het betreffende bostype. In hoofdstuk 6 is aangegeven welke boom- en struiksoorten per bostype een goede keuze zijn. In bijlage 2 is per bostype aangegeven welke boomsoorten worden gebruikt en in welke verhouding zij voorkomen. Per beplantingsgroep wordt steeds maar één boomsoort aangeplant. Dat betekent dat de verhouding waarin de boomsoorten voorkomen, vertaald moet worden naar het aantal beplantingsgroepen dat met de betreffende soort wordt ingeplant. Ook hier geldt dat bij het bij kleinere bosgebiedjes, met relatief weinig beplantingsgroepen voor kan komen dat soorten die verhoudingsgewijs weinig worden geplant, afgerond in nul beplantingsgroepen passen.
In die gevallen geldt dat de diversiteit van boomsoorten belangrijker is dan het volgen van de voorgeschreven verhoudingen. Soorten die eigenlijk buiten de boot vallen, worden dan toch in kleine groepen in het bos opgenomen. Samengevat kunnen we stellen dat de verhouding tussen de beplantingsgroepen en boomsoorten geen wet van meden en perzen is, maar gebruikt kan worden als knoppen waaraan de ontwerper binnen zekere grenzen kan draaien. Zo kan de open ruimte die invulling geeft aan de innovatiefase worden vergroot waar bijvoorbeeld meer ruimte wenselijk is voor specifieke voorzieningen of functies (parkkamers of parkeerkamers). Ook kan de biostatische fase gedeeltelijk worden ingevuld met boomweiden, waarin een vergelijkbaar ruim plantverband wordt gehanteerd.
leidraad groene bouwstenen
38
PARK21
BEPLANTINGSGROEPEN IN HET DROOG ESSEN-IEPENBOS In het droog essen-iepenbos kan een gemiddelde boomhoogte van circa 20 meter worden verwacht. Omdat de grootte van de beplantingsgroepen samenhangt met de boomhoogte, bestaat het bosmozaïek van droog essen-iepenbos daardoor uit wat grotere eenheden dan bijvoorbeeld elzenrijk essen-iepenbos of schietwilgenbos. Voor een bos van dit type, waarin alle ontwikkelingsfasen zijn vertegenwoordigd is een oppervlakte van ten minste 1,5 hectare nodig, maar ideaal is een oppervlakte van 5 hectare of meer. In het bosmozaïek van droog essen-iepenbos is de biostatische fase sterk vertegenwoordigd, te zien in tabel 4. Open ruimte -de innovatiefase- is in dit bostype relatief weinig aanwezig.
TABEL 4, PROCENTUELE VERDELING VAN HET AANTAL BEPLANTINGSGROEPEN IN DROOG ESSEN-IEPENBOS Grootte Ontwikkelingsfase innovatiefase aggradatiefase biostatische fase totaal variant 1 variant 2 variant 1 variant 2 1x boomhoogte 3,0% 3,5% 3,5% 10% 10% 30% 2x boomhoogte 6,0% 7,5% 7,5% 19,5% 19,5% 60% 3x boomhoogte 1,0% 1,5% 1,5% 3% 3% 10% totaal 10% 25% 65% 100%
Droog essen-iepenbos is van nature een soortenrijk bostype. Van oorsprong zijn de naamgevende gewone es en gladde iep in dit bostype de meest voorkomende soorten. Deze soorten worden in PARK21 niet geplant vanwege hun gevoeligheid voor respectievelijk essentaksterfte en iepziekte. De ruimte die hierdoor in de soortensamenstelling vrijkomt, wordt ingevuld door andere kenmerkende boomsoorten voor dit bostype met een groter aandeel toe te passen. Voor het droog essen-iepenbos zijn dit zomereik, zoete kers, fladderiep, zwarte populier, zomerlinde, schietwilg, Spaanse aak, zwarte els en kraakwilg. Overwogen kan worden ook de soort haagbeuk te planten. Haagbeuk is niet kenmerkend voor dit bostype, maar kan hier wel worden toegevoegd in plaats van gewone es en gladde iep. Met name in grotere bosgebieden kan daarmee de diversiteit worden vergroot. In bijlage 2 is aangegeven in welke verhouding de boomsoorten in dit bostype worden toegepast. In de biostatische fase variant 2 worden tussen de bomen ook groepen met struiken geplant. Welke struiksoorten hiervoor geschikt zijn is eveneens in bijlage 2 aangegeven.
leidraad groene bouwstenen
39
PARK21
BEPLANTINGSGROEPEN IN HET ELZENRIJK ESSEN-IEPENBOS In hel elzenrijk essen-iepenbos, de nattere variant van het droog-essen-iepenbos, worden bomen minder hoog. Een gemiddelde hoogte van circa 16 meter kan hier worden verwacht. Daardoor zijn de beplantingsgroepen kleiner en het bosmozaïek wat fijnmaziger. Voor een bos van dit type waarin alle ontwikkelingsfasen zijn vertegenwoordigd, is een oppervlakte van ten minste 1,0 hectare nodig, maar ideaal is een oppervlakte van 3 hectare of meer. In het bosmozaïek van droog essen-iepenbos is de biostatische fase in iets meer dan de helft van de oppervlakte vertegenwoordigd, te zien in tabel 5. Open ruimte -de innovatiefase- is in dit bostype beperkt aanwezig.
TABEL 5, PROCENTUELE VERDELING V/H AANTAL BEPLANTINGSGROEPEN IN ELZENRIJK ESSEN-IEPENBOS Grootte Ontwikkelingsfase innovatiefase aggradatiefase biostatische fase totaal variant 1 variant 2 variant 1 variant 2 1x boomhoogte 4,5% 4,5% 4,5% 8,0% 8,0% 30% 2x boomhoogte 9,0% 9,0% 9,0% 16,5% 16,5% 60% 3x boomhoogte 1,5% 1,5% 1,5% 3,0% 3,0% 10% totaal 15% 30% 55% 100%
Boomsoorten die in dit bostype thuishoren zijn zomereik, fladderiep, schietwilg, zwarte els en kraakwilg. De naamgevende soorten van dit bostype, gewone es en gladde iep, worden niet gebruikt vanwege hun gevoeligheid voor respectievelijk essentaksterfte en iepziekte. De ruimte die hierdoor in de soortensamenstelling vrijkomt, wordt ingevuld door bovengenoemde soorten met een groter aandeel toe te passen. Overwogen kan worden ook een beperkt aandeel van de haagbeuk te planten. Haagbeuk is niet kenmerkend voor dit bostype, maar kan in dit bostype worden toegevoegd in plaats van gewone es en gladde iep. Met name in grotere bosgebieden kan daarmee de diversiteit worden vergroot. In bijlage 2 is aangegeven in welke verhouding de boomsoorten in dit bostype worden toegepast. In de biostatische fase variant 2 worden tussen de bomen ook groepen met struiken geplant. Welke struiksoorten hiervoor geschikt zijn is eveneens in bijlage 2 aangegeven.
leidraad groene bouwstenen
40
PARK21
BEPLANTINGSGROEPEN IN HET ELZENBROEKBOS In elzenbroekbos in PARK21 kan een boomhoogte worden verwacht van circa 14 meter. De beplantingsgroepen zijn daardoor vrij klein. Doordat ook het aantal soorten in dit bostype beperkt is, kan op een beperkte oppervlakte een bos worden aangelegd waarin alle structuurelementen van dit bostype voorkomen. Een oppervlakte van 0,5 tot 1 hectare volstaat hier al voor. Echter, ook wanneer minder ruimte beschikbaar is, kan dit bostype worden ingepast. Met kleine eenheden, vanaf enkele aren, kan met dit bostype al een bijdrage worden geleverd aan de variatie binnen PARK21. Het bosmozaïek van elzenbroekbos kent een aandeel van circa 20% open ruimte en 30% opgroeiend bos. De helft bestaat uit volwassen bos (zie tabel 6).
TABEL 6, PROCENTUELE VERDELING V/H AANTAL BEPLANTINGSGROEPEN IN ELZENBROEKBOS Grootte Ontwikkelingsfase innovatiefase aggradatiefase biostatische fase variant 1 variant 2 variant 1 variant 2 1x boomhoogte 6,0% 4,5% 4,5% 7,5% 7,5% 2x boomhoogte 12,0% 9,0% 9,0% 15,0% 15,0% 3x boomhoogte 2,0% 1,5% 1,5% 2,5% 2,5% totaal 20% 30% 50%
totaal 30% 60% 10% 100%
Elzenbroekbos is qua boom- en struiksoorten een relatief arm bostype (zie bijlage 2). Zwarte els is hier verreweg dominant. In beperkte mate komt ook zachte berk voor. Deze soort is eerder kenmerkend voor veengebieden, maar wordt in PARK21 toegevoegd ter verhoging van de variatie en het vergroten van het onderscheid met andere bostypen. In de biostatische fase variant 2 worden tussen de bomen ook groepen met struiken geplant. Hiervoor worden onder meer wilgensoorten gebruikt. De struiklaag is echter open waardoor een kruidlaag tot ontwikkeling komt met een groot aandeel moerasplanten. Elzenbroekbos kan desgewenst worden beheerd als elzenhakhout.
leidraad groene bouwstenen
41
PARK21
BEPLANTINGSGROEPEN IN HET SCHIETWILGENBOS Schietwilgenbos wordt vanwege de beperkte hoogte van de bomen ook wel schietwilgenstruweel genoemd. De te verwachten boomhoogte in PARK21 is voor dit bostype circa 12 meter. Dit resulteert in een fijnmazig bosmozaïek van kleine beplantingsgroepen. Voor de ontwikkeling van een schietwilgenbos waarin alle ontwikkelingsfasen zijn vertegenwoordigd is circa 0,5 hectare nodig, maar een oppervlakte van 1,5 hectare of meer is ideaal. In schietwilgenbos is de innovatiefase ruim vertegenwoordigd. Ongeveer 30% van de oppervlakte bestaat uit open ruimte met een vegetatie van kruiden en grassen. Vanwege de groeisnelheid van de boomsoorten die in dit bos voorkomen is de aggradatiefase met een oppervlakteaandeel van ongeveer 15% juist beperkt aanwezig (zie tabel 7).
TABEL 7, PROCENTUELE VERDELING V/H AANTAL BEPLANTINGSGROEPEN IN SCHIETWILGENBOS Grootte Ontwikkelingsfase innovatiefase aggradatiefase biostatische fase variant 1 variant 2 variant 1 variant 2 1x boomhoogte 9,0% 2,0% 2,0% 8,5% 8,5% 2x boomhoogte 18,0% 4,5% 4,5% 16,5% 16,5% 3x boomhoogte 3,0% 1,0% 1,0% 2,5% 2,5% totaal 30% 15% 55%
totaal 30% 60% 10% 100%
Boomsoorten die voorkomen in het schietwilgenbos zijn vanzelfsprekend schietwilg, maar ook kraakwilg, zwarte els en zwarte populier. Gewone es, die van nature met een klein aandeel in dit bostype voorkomt, wordt vanwege de gevoeligheid voor essentaksterfte niet toegepast. In plaats daarvan wordt een groter aandeel schietwilg gebruikt zodat het onderscheid met andere bostypen wordt versterkt. In bijlage 2 is aangegeven in welke verhouding de boomsoorten in dit bostype worden toegepast. In de biostatische fase variant 2 worden tussen de bomen ook groepen met struiken geplant. Welke struiksoorten hiervoor geschikt zijn is eveneens in bijlage 2 aangegeven.
leidraad groene bouwstenen
42
PARK21
BEPLANTINGSGROEPEN IN HET ABELEN-IEPENBOS De voor dit bostype naamgevende boomsoort grauwe abeel is goed bestand tegen wind en kan een flinke hoogte bereiken. Voor PARK21 wordt de boomhoogte geschat op 24 meter. Omdat de grootte van de beplantingsgroepen samenhangt met de boomhoogte, bestaat het bosmozaïek van dit bostype uit relatief grote beplantingsgroepen. Een oppervlakte van ten minste 2,0 hectare is nodig om een bos van dit type te ontwikkelen waarin alle ontwikkelingsfasen zijn vertegenwoordigd. Een oppervlakte van circa 5 hectare of meer is echter ideaal om ook alle boomsoorten in de gewenste onderlinge verhouding in te passen. In het bosmozaïek van abelen-iepenbos is de biostatische fase sterk vertegenwoordigd, te zien in tabel 8. Open ruimte -de innovatiefase- is in dit bostype relatief weinig aanwezig.
TABEL 8, PROCENTUELE VERDELING V/H AANTAL BEPLANTINGSGROEPEN IN ABELEN-IEPENBOS Grootte Ontwikkelingsfase innovatiefase aggradatiefase biostatische fase variant 1 variant 2 variant 1 variant 2 1x boomhoogte 4,0% 4,5% 4,5% 8,5% 8,5% 2x boomhoogte 9,0% 9,0% 9,0% 16,5% 16,5% 3x boomhoogte 2,0% 1,5% 1,5% 2,5% 2,5% totaal 15% 30% 55%
totaal 30% 60% 10% 100%
In abelen-iepenbos is gladde iep van nature de dominante boomsoort, gemengd met onder andere gewone es. Deze soorten worden in PARK21 echter niet geplant vanwege hun gevoeligheid voor respectievelijk iepziekte en essentaksterfte. De ruimte die hierdoor in de soortensamenstelling vrijkomt, wordt ingevuld door andere kenmerkende boomsoorten voor dit bostype met een groter aandeel toe te passen. Voor het abelen-iepenbos zijn dit zomereik, ratelpopulier, fladderiep, grauwe abeel en Spaanse aak. Aanvullend wordt een klein aandeel haagbeuk opgenomen. Deze soort is niet kenmerkend voor dit bostype, maar wordt toegevoegd om in dit bostype de diversiteit te vergroten. In bijlage 2 is aangegeven in welke verhouding de boomsoorten in dit bostype worden toegepast. In de biostatische fase variant 2 worden tussen de bomen ook groepen met struiken geplant. Welke struiksoorten hiervoor geschikt zijn is eveneens in bijlage 2 aangegeven.
leidraad groene bouwstenen
43
PARK21
ONTWERPVOORBEELD BOS Voor een fictief deelgebied van PARK21 wordt hieronder weergegeven hoe het ontwerp voor bos tot stand komt volgens de bovenbeschreven methodiek. We starten met het bepalen van de belangrijkste groeiplaatseigenschappen, zoals beschreven in hoofdstuk 4. Op basis daarvan bepalen we welke natuurlijke referentie hier het best bij past, beschreven in hoofdstuk 6. Oppervlakte: Bodem: Grondwater: Natuurlijke referentie:
circa 5 hectare Kalkrijke poldervaaggrond met lichte klei Grondwatertrap VI (ghg 40-80cm-mv, glg >120cm-mv) Droog essen-iepenbos
Tabel 4 geeft aan hoe de beschikbare oppervlakte voor droog essen-iepenbos verdeeld moet worden over beplantingsgroepen van verschillende omvang en plantverbanden (zie voor plantverbanden tabel 3). Omdat we behalve opgaand bos ook mantelvegetatie willen aanplanten, wordt niet alle beschikbare oppervlakte gebruikt voor de aanplant van bomen. In totaal worden de volgende beplantingsgroepen opgenomen:
Dit is een schematische weergave. In werkelijkheid hoeven beplantingsgroepen zeker niet vierkant te zijn. Rechthoekige, ronde of grillige vormen zijn vanzelfsprekend mogelijk. Afhankelijk van de wijze waarop het bos in de omgeving wordt ingepast, kunnen de beplantingsgroepen als puzzelstukjes in het landschap worden uitgelegd. Onderstaand is weergegeven hoe met de beplantingsgroepen een bos kan worden ontworpen dat vrij in het landschap ligt (links) of ingepast wordt in een bestaande kavelstructuur (rechts).
aanplant in vrije ruimte
leidraad groene bouwstenen
aanplant ingepast in bestaande kavelstructuur (witte lijnen markeren kavelgrenzen)
44
PARK21
Deze ontwerpmethodiek biedt -tot op zekere hoogte- ruimte om te schuiven met verhoudingen en maten. Zo kan naar gelang ruimte beschikbaar is meer of minder oppervlakte worden benut voor een mantel- en zoomvegetatie. Ook kan ervoor worden gekozen om een groter aandeel open ruimte in te passen, zodat in het bos meer recreatieve gebruiksruimte wordt geboden. In de volgende stap wordt bepaald welke boomsoorten worden toegepast en hoe deze over het plangebied worden verdeeld. In bijlage 2 is op basis van de natuurlijke referentie droog esseniepenbos aangegeven welke boomsoorten in het bos worden opgenomen en in welke onderlinge verhouding zij worden geplant. Elke beplantingsgroep wordt met één boomsoort ingeplant. Onderstaande afbeelding toont hoe dit in het ontwerp kan worden verwerkt. Voor de beplantingsgroepen in de biostatische fase II geldt dat naast bomen ook groepen met struiken worden geplant. In bijlage 2 is aangegeven welke struiksoorten bij deze natuurlijke referentie passen. De eenheden die vallen in de innovatiefase worden niet beplant en blijven behouden als open ruimte in het bos.
Deze ontwerpmethodiek maakt het mogelijk de beleving van het bos te optimaliseren voor verschillende functies. Paden en voorzieningen kunnen zo worden ontworpen dat het hele spectrum van bosfasen en boomsoorten tijdens een wandeling in beeld worden gebracht. Tegelijkertijd kunnen rustgebieden worden gecreëerd voor fauna door clusters met verschillende beplantingsgroepen af te schermen van recreatief gebruik.
leidraad groene bouwstenen
45
PARK21
7.4
ONTWERPEN VAN MANTEL EN STRUWEEL
Struiken komen voor in de ondergroei van bos, maar vooral waar bomen ontbreken kunnen struiken een dichte vegetatie vormen, uitbundig bloeien en veel vruchten en zaden vormen. Niet alleen geeft dit een aantrekkelijk beeld voor parkbezoekers, ook insecten, vogels en zoogdieren profiteren hiervan. Dergelijke situaties komen voor in de randen van bos (mantel) en in opgaande beplantingen zonder bomen (struweel).
7.4.1 ONTWERPEN VAN MANTELS Mantels vinden we aan de buitenrand van bos, maar ook rond open plekken ín het bos. In het laatste geval spreken we van interne mantels. OPBOUW Een mantel heeft een specifieke opbouw. Hoger wordende en meer schaduwverdragende struiksoorten staan direct of zelfs onder de bomen, terwijl lichtminnende en lager blijvende soorten verder van de bomen afstaan en de overgang naar de zoomvegetatie vormen. Zo ontstaat een geleidelijke overgang van de lage zoomvegetatie naar de hogere begroeiing van bomen. Bij bosranden die op het zuiden zijn georiënteerd wordt deze overgang zo geleidelijk mogelijk gemaakt, afhankelijk van de beschikbare ruimte, zodat het invallende zonlicht optimaal kan worden benut. Omdat mantelvegetaties die op het noorden gericht zijn grotendeels in de schaduw staan van de bomen, is hier de invloed van direct zonlicht beperkter en kan met een smallere mantelvegetatie worden volstaan. Afbeelding 6 verduidelijkt dit principe.
noord
zuid
bos
mantel
zoom
grasland
noord
zuid
bos
mantel
zoom
grasland
Afbeelding 6, schematische weergave van bosranden aan de buitenzijde van de groene bouwsteen bos (boven) en van interne bosranden rond open plekken in bos of rond parkkamers (onder).
leidraad groene bouwstenen
46
PARK21
De breedte van de mantel is bij voorkeur niet overal gelijk. Zo mogen plaatselijk bomen direct aan de zoomvegetatie grenzen, terwijl elders de mantel diepe inhammen vormt in het bos. Zeker wanneer deze grillige lijnen (zie afbeelding 7) ook in de zoomvegetatie worden gecreëerd ontstaat een grote variatie in microklimaat, waardoor vele plant- en diersoorten hier de specifieke leefomstandigheden vinden waaraan zij de voorkeur geven.
Afbeelding 7, vaak worden bosranden met een vaste breedte rond een bos aangelegd (links). Naarmate zowel het bos als de mantel en de zoom meer grillige vormen aannemen, neemt de variatie in microklimaat enorm toe, en daarmee de waarde van de groene bouwsteen voor tal van plant- en diersoorten.
Na aanplant zullen struiken breder worden. Worden struiken te dicht op wegen, paden, (parkeer)voorzieningen of eigendomsgrenzen geplant, dan is de kans groot dat zij over wegen, paden of grenzen zullen groeien; het zogenoemde ‘overkoken’. De struiken moeten dan periodiek worden afgezet, wat leidt tot hoge beheerkosten. Óf de eerste rij(en) struiken moeten permanent worden verwijderd waardoor de nieuwe beplantingsgrens bestaat uit minder mooie struiken doordat zij in concurrentie zijn opgegroeid. Beide situaties zijn ongewenst. Daarom worden struiken op voldoende afstand geplant van wegen, paden of andere grenzen (zie ook paragraaf 7.2). Is aansluitend nog een zoomvegetatie of berm gewenst, dan moet deze ruimte daar nog bij worden opgeteld.
leidraad groene bouwstenen
47
PARK21
MOZAÏEK Net als bos, worden mantels aangeplant in beplantingsgroepen. Elke beplantingsgroep bestaat uit één soort. De grootte van de beplantingsgroepen varieert. De minimale maat is ten minste zo groot als twee keer de doorsnede die één exemplaar van de betreffende struiksoort kan bereiken. Zo wordt voorkomen dat door verschillen in groeisnelheid en concurrentiekracht soorten uit de mantel verdwijnen. Er geldt geen maximale maat voor beplantingsgroepen in de mantels, deze wordt afgestemd op de schaal van de betreffende groene bouwsteen en de voorkeur van de ontwerper. Beplantingsgroepen worden onderling zó gepositioneerd dat een mooie overgang van laag naar hoog ontstaat, maar ook voldoende variatie (zie afbeelding 8).
bos
mantel: hoge soorten
mantel: middelhoge soorten
mantel: lage soorten
zoom
Afbeelding 8, schematische weergave van de ordening van beplantingsgroepen in de mantel. Groepen met hogere struiken worden dichter bij het bos, en groepen met lagere struiken dichter bij de zoom gepositioneerd. In het beplantingsontwerp kan hier creatief mee worden omgegaan en kan plaatselijk van dit principe worden afgeweken om de variatie te vergroten. Anders dan in deze afbeelding is aangegeven, hoeven beplantingsgroepen niet in regelmatige vierkante vormen te worden vormgegeven. Meer grillige vormen zijn mogelijk. Ook wordt de grens tussen mantel en zoom bij voorkeur niet als rechte lijn vormgegeven (zie ook afbeelding 7).
Struiken worden aangeplant in een wild heterogeen plantverband (zie ook paragraaf 7.2), met een gemiddelde dichtheid van 5.000stuks per hectare. De hoge dichtheid zorgt ervoor dat de struiken snel in sluiting komen, waarmee overmatige verruiging wordt voorkomen en snel na aanplant een mooi beeld ontstaat. STRUIKSOORTEN In de mantels worden in beginsel de struiksoorten aangeplant die horen bij de natuurlijke referentie voor de betreffende groeiplaats. Dit zijn dus dezelfde soorten die ook in het achterliggende bos te verwachten zijn. Aanvullend kunnen soorten worden toegevoegd die meer lichtminnend zijn en daardoor in het bos veelal ontbreken. Rozensoorten zijn hiervan een goed voorbeeld. Waar betreding van de mantel of het achterliggende bos onwenselijk is, kan gebruik gemaakt worden van een groot aandeel doorn- of stekelvormende soorten. Soorten als meidoorn, sleedoorn en rozen zijn hiervoor bij uitstek geschikt. Maar ook dauwbraam is hiervoor geschikt en past bovendien goed in de meeste van de natuurlijke referenties voor PARK21.
leidraad groene bouwstenen
48
PARK21
7.4.2 ONTWERPEN VAN STRUWEEL De ontwerpprincipes voor struweel komen gedeeltelijk overeen met die voor mantels, maar wijken op enkele punten af. OPBOUW Bij de ideale opbouw van struweel is net als bij een mantel onderscheid gemaakt tussen hogere en lagere struiksoorten. De hogere struiksoorten worden in het midden van een struweel geplaatst, terwijl de lagere meer aan de randen worden geplant en de laagste aan de uiterste rand tegen de zoomvegetatie. Zo ontstaat net als bij een mantelvegetatie een geleidelijke overgang van de lage zoomvegetatie naar de hogere begroeiing. De geleidelijke overgang van hoog naar laag is vooral van belang bij struweelranden die op het zuiden zijn georiënteerd zodat invallend zonlicht optimaal kan worden benut en veel ruimte is voor lichtminnende soorten. Op het noorden gerichte struweelranden kunnen meer abrupt worden vormgegeven. Afbeelding 9 verduidelijkt dit principe.
noord
zuid
struweel
zoom
grasland
Afbeelding 9, schematische weergave van struweelranden. Bij voldoende ruimte wordt de overgang naar de zoomvegetatie vooral aan de zuidzijde zo geleidelijk mogelijk ingericht.
MOZAÏEK Struwelen worden op dezelfde wijze als mantels aangeplant in een mozaïek van beplantingsgroepen. Elke beplantingsgroep bestaat uit één soort. De grootte van de beplantingsgroepen varieert. De minimale maat is ten minste zo groot als twee keer de doorsnede die één exemplaar van de betreffende struiksoort kan bereiken. Zo wordt voorkomen dat door verschillen in groeisnelheid en concurrentiekracht struiksoorten uit het struweel verdwijnen. Er geldt geen maximale maat voor beplantingsgroepen in de mantels, maar voorkomen moet worden dat groepen zo groot worden dat monoculturen ontstaan. Een en ander wordt afgestemd op de schaal van het struweel. Beplantingsgroepen worden onderling zó gepositioneerd dat een mooie overgang van laag naar hoog ontstaat, maar ook voldoende variatie (zie afbeelding 8). Aanvullend aan de struiken kan in struweel worden overwogen één of enkele solitaire bomen op te nemen. Dit zijn bij voorkeur boomsoorten die een beperkte hoogte en omvang bereiken en daarmee een beperkte schaduwdruk leggen op de struiken.
leidraad groene bouwstenen
49
PARK21
STRUIKSOORTEN In struwelen worden struiksoorten aangeplant die horen bij de natuurlijke referentie voor de betreffende groeiplaats. Verhoudingsgewijs worden veel soorten gebruikt met een opvallende bloei, vruchtvorming en/of herfstverkleuring. Op de struiken in struweel wordt geen schaduw geworpen door bomen. Daardoor is in struweel, meer dan in bos, veel ruimte voor struiksoorten met een voorkeur voor een zonnige groeiplaats. In de leisurelaag is desgewenst ruimte om struwelen aan te vullen met struiksoorten die niet behoren tot de natuurlijke referentie, maar bijdragen aan een herkenbare uitstraling van het in te richten gebied. Wordt deze ruimte benut, dan is het van belang dat geen soorten worden gebruikt met een verhoogde kans op verspreiden naar andere locaties binnen of buiten PARK21.
leidraad groene bouwstenen
50
PARK21
8
ONTWERP VAN LIJNVORMIGE BEPLANTING
Lanen, bomenrijen, singels en hagen vallen onder de noemer lijnvormige beplantingen. Deze beplantingstypen hebben een verbindende, structurerende of afschermende functie in het landschap zonder dat ze zelf veel volume hebben. De verschillen tussen deze beplantingstypen zijn echter talrijker dan de overeenkomsten. De ontwerpprincipes worden hieronder in aparte paragrafen beschreven.
8.1
ONTWERPEN VAN EEN LAAN
Of lanen nu in een stedelijke, landelijke of natuurlijke omgeving staan, ze voldoen altijd aan dezelfde basisprincipes. Daardoor zijn het herkenbare formele structuren in het landschap. OPBOUW Bij het ontwerp van een laanbeplanting zijn twee onderwerpen belangrijk: homogeniteit en uniformiteit. Met homogeniteit wordt bedoeld dat de vormgeving van de beplanting over de hele lengte van de laan of een laansegment gelijk is. Dat komt tot uiting in de volgende kenmerken: ▪ Alle bomen staan in een rechte lijn of, in geval van een afbuigende weg, in een vloeiende curve die de hartlijn van de weg volgt; ▪ De onderlinge afstand tussen bomen in een laan is overal gelijk; ▪ Bij laanbeplanting van meerdere rijen is de onderlinge positie (bijvoorbeeld parallel of verspringend) van de bomen over de hele lengte van de laan gelijk; ▪ Bij laanbeplanting aan weerszijden van een weg, ligt de hartlijn van de laan exact op de hartlijn van de weg; ▪ Onderbrekingen in een laan worden zo veel mogelijk voorkomen; ▪ Bij noodgedwongen onderbrekingen, bijvoorbeeld bij een uitrit van een erf, zijstraat of kruisende watergang, worden één of meer bomen in de beplanting weggelaten. ‘Doorschuiven’ van de beplanting wordt voorkomen, zodat het plantpatroon voor en na de onderbreking gelijk is. Onder uniformiteit wordt verstaan dat bomen in een laanbeplanting zo veel mogelijk overeenkomsten vertonen.
Concreet betekent dat het volgende: ▪ Lanen worden in principe aangelegd met één boomsoort. Bij een laanbeplanting van meerdere rijen, al dan niet aan twee zijden van de weg, wordt in alle rijen dezelfde soort gebruikt; ▪ Een laanbeplanting van meerdere soorten is mogelijk in lanen met een minder formele uitstraling, mits goed onderbouwd. Klimaatbestendigheid van laanbeplanting op groeiplaatsen waarvan de belangrijkste kenmerken in de toekomst mogelijk veranderen kan reden zijn dit te overwegen. Bij gebruik van meerdere soorten worden de soorten in een vast patroon afgewisseld over de volledige lengte van de laan of het laansegment; ▪ Bomen in de hele laan zijn van vergelijkbare leeftijd en omvang; ▪ Een laan wordt beheerd als één zelfstandig element. Bomen in de hele laan worden op vergelijkbare wijze beheerd; ▪ Concurrentie tussen laanbomen en overige beplanting wordt voorkomen in het voordeel van laanbomen, zodat de bomen over de hele lengte van de laan op vergelijkbare wijze kunnen uitgroeien; ▪ Bij uitval van jonge laanbomen wordt ingeboet met bomen van dezelfde omvang als de rest van de laanbomen; ▪ Bij uitval van volwassen laanbomen wordt per locatie de kans op succesvolle inboet bepaald. Is die kans door omgevingsfactoren klein, dan wordt niet ingeboet en de laan in segmenten vervangen indien het uitvalpercentage te groot wordt.
leidraad groene bouwstenen
51
PARK21
Verder gelden ten aanzien van laanbeplantingen nog de volgende algemene voorschriften: ▪ Laanbomen staan op voldoende afstand van de weg om de verkeersveiligheid te kunnen garanderen. Hiervoor wordt verwezen naar de van toepassing zijnde voorschriften die gemeente Haarlemmermeer hanteert voor het buitengebied; ▪ Waar kronen van laanbomen boven wegen of paden groeien is een obstakelvrije zone van toepassing. Dit is een zone boven de verharding van weg of pad waarin geen takken groeien zodat een vrije doorgang mogelijk is. De hoogte van de obstakelvrije zone is afhankelijk van de verkeerscategorieën. Voor wandel- en fietspaden geldt een minimale obstakelvrije zone van 2,5 meter, voor wegen is dat 4,5 meter. PLANTVERBAND In de beeldkwaliteitsplannen voor de polderlaag en de openbare ruimte van PARK21 zijn nadere richtlijnen gegeven voor lanen op verschillende locaties in het gebied. De onderlinge afstand tussen bomen, de afstand tussen de laanbomen en de weg of het (fiets)pad en het aantal rijen waaruit de laan is opgebouwd, wordt daarin per locatie en functie toegelicht. De onderlinge afstand tussen laanbomen is van invloed op het eindbeeld, maar ook op de tijd die het kost tot het moment dat de boomkronen elkaar raken en de laan een samenhangende beplanting wordt. Met het oog hierop wordt een maximale afstand tussen laanbomen in de rij van 6 meter gehanteerd.
Afhankelijk van de locatie en andere kenmerken van de laan kan een kleinere plantafstand worden gekozen. Bij gebruik van meerdere rijen worden bomen aangeplant in een driehoekverband. Wordt haaks op de laan gekeken, dan maakt een driehoekverband alle laanbomen zichtbaar en geeft de laan een voller beeld dan bij een vierkantverband.
Afbeelding 10, een haakse blik op een laan geplant in driehoekverband, toont alle bomen en geeft daardoor een gevuld beeld, ook bij een grotere onderlinge afstand tussen de laanbomen.
BOOMSOORTEN De polderlinten worden voorzien van een herkenbare laanbeplanting van populier. Hiervoor wordt de kloon Vereecken (Populus nigra ‘Vereecken’) gebruikt. Voor overige lanen geldt dat een passende boomsoort moet worden geselecteerd. De beeldkwaliteitsplannen geven hiervoor richtlijnen aan. Belangrijk is te beseffen dat lanen langgerekte bouwstenen kunnen zijn en dat over de lengte de grondslag en ontwateringstoestand kunnen variëren. Per laan of laansegment moet dus een boomsoort worden gekozen die geschikt is voor alle variaties die daarbinnen voorkomen.
leidraad groene bouwstenen
52
PARK21
ONDERGROEI Voor aanwezigheid van bomen en struiken onder laanbomen gelden strikte voorwaarden: ▪ Bij alle lanen is de ruimte tussen de laanbomen onderling en tussen de laanbomen en de weg of het (fiets)pad waaraan de laan staat, volledig vrij van bomen en struiken; ▪ Bij lanen in open gebied is ook achter de stammen de volledige zone onder de kroonprojectie (berekend op basis van een volwassen boom) vrij van bomen en struiken; ▪ Bij lanen die grenzen aan andere beplanting, zoals erfbeplanting, struweel of bos is een zone van ten minste drie meter achter de stammen vrij van bomen en struiken. In het resterende deel van de kroonprojectie (berekend op basis van een volwassen boom) kunnen struiken staan, maar geen bomen.
laan in open landschap
laan grenzend aan bos of erfbeplanting
Afbeelding 11, de kroonprojectie van laanbomen in open landschap is uitsluitend begroeid met korte vegetatie. Bij lanen door of grenzend aan bos mogen vanaf 3 meter achter de stam struiken groeien. Andere bomen staan altijd ruim buiten de kroonprojectie van laanbomen.
De open ruimte onder de kroonprojectie van de laanbomen wordt ingevuld met recreatief gras of kruidenrijk gras. De eerste meter uit de rand van de verharding (berm) wordt uit oogpunt van draagkracht, verkeersveiligheid en het voorkomen van overlast altijd ingericht en beheerd als recreatief gras. De ondergroei onder laanbomen kan desgewenst worden aangevuld met verwilderende bolgewassen. Het maairegime moet daarop dan worden aangepast.
leidraad groene bouwstenen
53
PARK21
8.2
ONTWERPEN VAN EEN BOMENRIJ OF SINGEL
Bomenrijen en singels onderscheiden zich van een laan door de onregelmatige, quasi willekeurige wijze waarop bomen in de beschikbare ruimte zijn verspreid. Ten aanzien van de opbouw van een bomenrij of singel gelden dan ook geen strikte ontwerpregels. Deze bouwstenen worden aangelegd als jonge, dichte beplanting, op min of meer vergelijkbare manier als bos. Natuurlijke selectie en/of dunning, leidt na verloop van tijd tot een begroeiing met een informele uitstraling. In een bomenrij of singel kunnen meerdere boomsoorten voorkomen, maar ook bomen van verschillende leeftijden. Het onderscheid tussen bomenrijen en singels wordt bepaald door de ondergroei. Deze bestaat bij bomenrijen uit een zoomvegetatie, kruidenrijk gras of recreatief gras. Bij singels groeit onder de bomen een weelderige vegetatie van struiken en ruigtekruiden. Bomenrijen en singels worden beide op dezelfde wijze ontworpen. Binnen de beschikbare ruimte wordt de beplantingscontour bepaald. Bomen worden niet geplant tot aan de grens van de beschikbare ruimte. Daarmee wordt voorkomen dat op termijn de bomen aan de buitenrand verwijderd moeten worden. De bomen die dan in de nieuwe rand staan, zijn in concurrentie opgegroeid en hebben minder mooie kronen. Door te planten op voldoende afstand tot de rand, kunnen de buitenste bomen vrij uitgroeien en mooie, volle kronen vormen.
De ruimte die vrij blijft tussen de rand van het plantvak en de beplantingscontour wordt bij voorkeur gebruikt voor ontwikkeling van een zoomvegetatie. Maar ook een wandelpad kan hier uitstekend worden ingepast. Worden meerdere soorten geplant dan worden deze groepsgewijs gemengd. Een beplantingsgroep heeft de grootte van ten minste één keer de kroonomvang van een volwassen exemplaar van de betreffende boomsoort. Daarmee wordt voorkomen dat langzaam groeiende of lichtminnende soorten door concurrentie van andere soorten uit de beplanting verdwijnen. Overwogen kan worden om in singels ook struiken aan te planten, maar in de regel zullen deze zich spontaan vestigen naar mate de beplanting ouder wordt. PLANTVERBAND Bomen worden in singels en bomenrijen geplant in een wild heterogeen plantverband (zie ook paragraaf 7.2). De plantdichtheid wordt bepaald op basis van het gewenste beeld en de functie van de beplanting. Wordt bijvoorbeeld een windsingel aangeplant die snel dicht moet groeien en beschutting moet geven tegen harde wind, dan worden bomen in hoge dichtheid geplant, bijvoorbeeld 5.000st/ha. Wanneer een bomenrij wordt aangelegd met een ondergroei van bijvoorbeeld kruidenrijk of recreatief gras, dan is een lagere dichtheid wenselijk, bijvoorbeeld 2.000st/ha.
Is het doel een singel met een uitbundige ondergroei van bloeiende en vruchtdragende struiksoorten, dan volstaat een aanplant van bomen in een nog lagere dichtheid, waartussen een groepsgewijze menging van verschillende struiksoorten wordt geplant. BOOM- EN STRUIKSOORTEN Boom- en struiksoorten die het best passen in singels en bomenrijen zijn die soorten die van nature op de betreffende groeiplaats voorkomen. Voorafgaand aan de soortenkeuze wordt daarom bepaald welke natuurlijke referentie past bij de groeiplaats, beschreven in hoofdstuk 6. In bijlage 2 is aangegeven welke boom- en struiksoorten daarbij horen. Afhankelijk van de locatie (laag) en functie van de beplanting kan worden overwogen hier extra soorten aan toe te voegen, of ruimte te bieden voor spontane vestiging van soorten.
leidraad groene bouwstenen
54
PARK21
Het is goed mogelijk om singels en bomenrijen te beheren als hakhout. In dat geval wordt de opgaande begroeiing periodiek afgezet met als doel deze weer opnieuw te laten uitlopen. De frequentie waarmee de beplanting wordt afgezet -de hakcyclus- varieert van circa 5 jaar bij snelgroeiende soorten zoals wilgen tot 15 jaar bij langzaam groeiende soorten zoals zomereik. Is dat het doel, dan is het belangrijk daar bij de soortenkeuze rekening mee te houden, omdat niet elke boomsoort hiervoor geschikt is. Ook is het belangrijk de beplanting samen te stellen met soorten die een min of meer vergelijkbare hakcyclus verdragen.
8.3
ONTWERPEN VAN EEN HAAG
Als beschreven in hoofdstuk 3 komen hagen voor in verschillende vormen, uiteenlopend van vrij uitgroeiende tot strak geschoren beplantingen. De eerste stap in het ontwerp van een haag is het bepalen van de vorm die wenselijk én mogelijk is. De functie, het gewenste beeld, maar ook de beschikbare ruimte zijn daarin leidend. Waar een vrij uitgroeiende haag, afhankelijk van de geplante soort, al snel een breedte van 5 meter of meer nodig heeft, is voor een strak geschoren haag een strook van een meter breed al snel voldoende. Bij aanleg van hagen op drukbezochte locaties, is het raadzaam de haag te combineren met een draadraster. Daarmee wordt voorkomen dat mensen zich een weg door de haag verschaffen waardoor open/kale plekken ontstaan die maar moeilijk dichtgroeien. PLANTVERBAND Hagen worden geplant met een relatief hoge dichtheid. Bij geschoren hagen worden, afhankelijk van de gewenste breedte van de haag één, twee of drie rijen struiken geplant met een dichtheid van respectievelijk vijf, zeven of negen struiken per strekkende meter. Bij vrij uitgroeiende hagen geldt dat meerdere rijen worden ingeplant op voldoende afstand van de rand van het plantvak. Een dichtheid van één of twee planten per vierkante meter volstaat daarvoor.
STRUIKSOORTEN Net als bij de andere beplantingsvormen geldt ook voor haagbeplanting dat eerst wordt bepaald wat de natuurlijke referentie is voor de betreffende groeiplaats. In bijlage 2 kan worden afgelezen welke soorten daarbij het beste passen. In de uiteindelijke soortenkeuze wordt echter ook de functie van de haag in overweging genomen. Voor hagen die vooral een afschermde functie hebben, wordt gekozen voor doorn- en stekelvormende soorten met een compacte groeivorm, zoals meidoorn, sleedoorn en rozen. Is vooral de visuele kwaliteit van belang, dan kunnen soorten worden geselecteerd op bloeiwijze, bloeitijd en herfstverkleuring. In PARK21 geldt een voorkeur voor gemengde hagen. In vrij uitgroeiende hagen worden meerdere soorten in kleine groepen gemengd, in geschoren hagen worden ze juist individueel gemengd. Tot slot is het goed te realiseren dat in een haag niet alleen struiksoorten opgenomen kunnen worden. Ook boomsoorten als Spaanse aak, haagbeuk, els en zelfs iep (die niet zelden spontaan opslaat in groenelementen) passen uitstekend in hagen. Voorwaarde is wel dat de beplanting periodiek gesnoeid wordt omdat deze soorten anders zullen uitgroeien tot bomen en de haag tot een singel evolueert.
leidraad groene bouwstenen
55
PARK21
leidraad groene bouwstenen
56
PARK21
9
ONTWERP VAN OVERIGE BEPLANTING
9.1
ONTWERPEN VAN SOLITAIRE BOMEN EN CLUMPS
Solitaire bomen en bomen in kleine groepen, de clumps, zijn relatief kleine groene bouwstenen. Maar omdat ze vrij in het terrein staan én daardoor vaak tot imposante bomen kunnen uitgroeien, spelen ze een grote rol in de beleving van een landschap. Daarom moet ook de locatie van een clump of zelfs een enkele boom zorgvuldig worden gekozen. OPBOUW Clumps bestaan uit meerdere bomen die niet noodzakelijkerwijs van dezelfde soort zijn. Wordt gebruik gemaakt van meerdere soorten, dan geldt een aantal vuistregels. Per boomsoort wordt bepaald wat de te verwachten eindhoogte is. Bij wat grotere clumps worden de hoogste bomen in het midden van de clump geplaatst en de lager blijvende bomen aan de rand. Bij kleinere clumps worden de lager blijvende boomsoorten zo gepositioneerd dat zij zichtbaar zijn vanuit de richting(en) waar de clumps het meest wordt bekeken. Wat voor de boomhoogte geldt, geldt ook voor andere uiterlijke kenmerken. Zo worden boomsoorten met een opvallende groeivorm, bloeiwijze of (herfst)bladkleur zo in de clump gepositioneerd dat zij goed zichtbaar zijn. PLANTVERBAND Op solitaire bomen is het begrip plantverband niet van toepassing. Wel geldt dat de locatiekeuze van solitaire bomen, meer nog dan bij andere opgaande begroeiing, erg nauw komt en soms tot op de meter nauwkeurig bepaald moet worden.
Voor bomen in clumps is het plantverband wel van belang, hoe weinig bomen de clump ook bevat. Voor PARK21 geldt dat bomen in clumps uitsluitend dan in een regelmatig plantverband worden geplaatst wanneer daaraan een weloverwogen ontwerpkeuze ten grondslag ligt. In alle andere gevallen worden bomen nooit in een rij, vierkantverband, driehoekverband of ander regelmatig patroon geplant maar juist losjes over de beschikbare ruimte verspreid. Omdat clumps vaak maar uit weinig bomen bestaan, verdient het aanbeveling om ook de ogenschijnlijk willekeurige locatie van bomen in de clump te ontwerpen. Ongeacht het plantverband worden bomen in een clump altijd met een beperkte onderlinge afstand geplant zodat zij bij het uitgroeien samen één kroonvolume zullen worden. BOOMSOORTEN Net als voor andere groene bouwstenen waarin bomen en struiken de hoofdrol spelen, geldt ook voor solitaire bomen en clumps dat bij de soortenkeuze eerst gekeken wordt naar de natuurlijke referentie voor de betreffende groeiplaats. Op basis van de natuurlijke referentie wordt bepaald welke boomsoorten het beste op een groeiplaats passen. Solitaire bomen en clumps functioneren vaak als natuurlijke landmarks. Ze mogen daarom qua verschijning opvallen en afsteken tegen de achtergrond. Om die reden kan ervoor worden gekozen bij de soortkeuze juist af te wijken van de natuurlijke referentie.
Juist bij deze groene bouwsteen kan worden gekozen voor een soort of cultuurvariëteit met een opvallende kleur, bloei of groeivorm. In bijlage 2 zijn hiervoor enkele suggesties gedaan, maar ruimte voor creativiteit is hier op zijn plek. Dit laat echter onverlet dat een boomsoort alleen wordt toegepast wanneer deze past bij de lokale groeiplaatseigenschappen en daar dus gezond en veilig oud kan worden.
leidraad groene bouwstenen
57
PARK21
9.2
ONTWERPEN VAN BOOMWEIDEN
Boomweiden zijn eenvoudig van opbouw en bestaan uit een boomlaag met daaronder een vegetatie van grassen en/of kruiden. Dit laatste kan recreatief gras zijn, maar ook kruidenrijk gras of zelfs een zoomvegetatie. Ook een combinatie van meerdere vegetatietypen is mogelijk. Zo kunnen bijvoorbeeld stroken van een meer natuurlijke, ruigere zoomvegetatie in de rijen worden afgewisseld met recreatief gras tussen de rijen. PLANTVERBAND In boomweiden staan de bomen in een regelmatig plantverband. Of dit rijen zijn, een driehoekverband of een vierkantverband is, is aan de keuze van de ontwerper. Bomen worden op ruime afstand van elkaar geplant, zodanig dat de kronen elkaar in volwassen fase (net) niet raken en de totale kroonbedekking van de boomweide niet meer dan 60% bedraagt. Bij boomweiden die (mede) dienstdoen als speel- en/of ligweide kan voor een lagere kroonbedekking, en dus voor een groter aandeel open ruimte worden gekozen. Hetzelfde geldt voor boomweiden met een ondergroei van kruidenrijk gras. Hier geldt dat de kansen voor een ecologisch waardevolle vegetatie toeneemt naar mate meer zonlicht door het kronendak dringt.
Door de keuze van het plantverband, de onderlinge afstand van bomen in een rij en de afstand tussen de rijen én de richting van de rijen ten opzichte van de zonnebaan, kan gespeeld worden met de kroonsluiting en kunnen zowel schaduwrijke als zonnige plekken worden gecreëerd. BOOMSOORTEN In boomsoortenkeuze voor boomweiden is niet de natuurlijke referentie maar de functie leidend. Op basis van de specifieke wensen ten aanzien van beeldkwaliteit of gebruik wordt de boomsoort (of boomsoorten) gekozen die daar het beste bij passen. Ook hier geldt wel dat uitsluitend boomsoorten worden gekozen die op de betreffende groeiplaats passen en daar gezond oud kunnen worden.
9.3
ONTWERPEN VAN ERFBEPLANTING
Erfbeplanting kan worden beschouwd als een verzameling van meerdere groene bouwstenen, vaak bestaande uit opgaande beplanting. Hierin passen bijvoorbeeld (wind)singels, bomenrijen en watergangen. Maar in meer of minder mate zijn ook hagen, solitaire bomen, struweel, zomen en kruidenrijk gras in te passen. Ongeacht de exacte bouwstenen die in de erfbeplanting worden opgenomen geldt dat al het groen in een duidelijke samenhang moet vertonen en aan de voorwaarden moet voldoen die beschreven zijn in hoofdstuk 3. OPBOUW De belangrijkste onderdelen van erfbeplanting zijn de lijnvormige beplantingen die de zijkanten en achterkant van de erven omzomen. In de regel zijn dit singels, geflankeerd door erfsloten. Voor het ontwerp hiervan wordt verwezen naar de ontwerprichtlijnen die voor die specifieke groene bouwstenen in deze leidraad zijn opgenomen. De erven zijn gelegen aan de polderlinten die worden voorzien van een beplanting van populieren. Deze laanbeplanting heeft een dominante positie ten opzichte van alle andere beplanting. Dat betekent dat erfbeplanting op voldoende afstand tot de laanbomen wordt aangeplant om onderlinge concurrentie te voorkomen (zie hiervoor ook paragraaf 8.1).
leidraad groene bouwstenen
58
PARK21
BOOM- EN STRUIKSOORTEN Voor erfbeplantingen geldt dat uitsluitend boom- en struiksoorten worden toegepast die van nature voorkomen op de betreffende groeiplaats. De natuurlijke referentie (zie hoofdstuk 6) is daarbij leidend. In bijlage 2 is voor elk van de bostypen die van nature in PARK21 kunnen worden verwacht, aangegeven welke boom- en struiksoorten daarbij passen. Doel is in de erfbeplanting zo veel mogelijk van deze boom- en struiksoorten op te nemen. Het is goed mogelijk om singels en bomenrijen die deel uitmaken van erfbeplantingen te beheren als hakhout. In dat geval wordt de opgaande begroeiing periodiek afgezet met als doel deze weer opnieuw te laten uitlopen. De frequentie waarmee de beplanting wordt afgezet -de hakcyclusvarieert van circa 5 jaar bij snelgroeiende soorten zoals wilgen tot 15 jaar bij langzaam groeiende soorten zoals zomereik. Beplantingen die op deze manier worden beheerd zijn bij uitstek geschikt voor locaties waar de ruimte voor opgaande begroeiing beperkt is. Is dat het doel, dan is het belangrijk daar bij de soortenkeuze rekening mee te houden, omdat niet elke boomsoort hiervoor geschikt is. Ook is het belangrijk de beplanting samen te stellen met soorten die een min of meer vergelijkbare hakcyclus verdragen.
leidraad groene bouwstenen
59
PARK21
leidraad groene bouwstenen
60
PARK21
10 ONTWERP VAN KORTE VEGETATIES 10.1 ONTWERPEN VAN ZOOMVEGETATIES Onder ideale omstandigheden wordt de zoom ontwikkeld door een afgepast maaibeheer en spontane vestiging van passende plantensoorten. Omdat veel groene bouwstenen worden aangelegd op (voormalig) agrarische percelen is de kans op verruiging groot en kan het lang duren voordat de gewenste soorten zich daar op eigen kracht zullen vestigen. Om die reden worden zomen in PARK21 ingezaaid met een passend zaadmengsel. OPBOUW Zoomvegetaties zijn vaak smalle stroken, grenzend aan opgaande beplanting zoals bos, struweel of onder laanbomen. Net als bij andere vegetaties geldt dat de overgang tussen zomen en opgaande begroeiing, maar ook de overgang tussen zomen en kort gemaaid gras een waardevol onderdeel is in het leefgebied van veel plant- en diersoorten. Harde, strakke grenzen moeten daarom worden voorkomen. De grens tussen een zoom en bos of mantel is zo diffuus mogelijk. Zoomplanten worden in dat kader zowel vóór als tussen de buitenste rij struiken of bomen gezaaid en kunnen zich soms tot ver in het bos of struweel uitzaaien. Andersom kan een incidentele boom of struik tot ver in de zoomvegetatie worden geplant. Ook de overgang tussen de zoom en kort gemaaid gras vormt een subtiel overgangsmilieu.
Door hier met het maaien een geen strakke, rechte, maar een golvende rand te creëren ontstaan verschillen in het microklimaat wat gunstig is voor de biodiversiteit. Nog meer kleinschalige variatie wordt gecreëerd door het aanbrengen van microreliëf. Hiertoe worden plaatselijk verhogingen en verlagingen aangebracht. Als gevolg hiervan ontstaan subtiele verschillen in de ontwateringstoestand, de invloed van wind en zon en de maaihoogte. Op korte afstand wordt uitgegaan van microreliëf van maximaal plus of min 10 centimeter, zodat de vegetatie met regulier materieel kan worden gemaaid. Op grotere schaal mag het microreliëf groter zijn, tot plus of min 25 centimeter. Ideaal is het wanneer in de zoom op korte afstand van elkaar delen met één, twee en driejarige vegetatie voorkomen. Dit kan worden bereikt met een gefaseerd maaibeheer. SOORTENSAMENSTELLING Zoomvegetaties worden ingezaaid met een mengsel van gebiedseigen kruiden, dat het best op maat kan worden samengesteld voor de betreffende locatie. Onder gebiedseigen soorten wordt verstaan inheemse soorten die zowel passen in dit deel van het land, maar ook bij de specifieke groeiplaatseigenschappen in het plangebied. Ook hier biedt de natuurlijke referentie (hoofdstuk 6) een goed aanknopingspunt.
Het mengsel bevat een groot aandeel soorten die kenmerkend zijn voor bos en bosranden, onder de geldende omstandigheden tot bloei en zaadzetting kunnen komen en zich bij een extensief maaibeheer kunnen handhaven. Het verdient aanbeveling om een passend zaadmengsel samen te stellen in overleg met een ecoloog/vegetatiekundige. Hoewel brandnetels vaak als alledaags of zelfs ongewenst worden beschouwd, zijn zij een belangrijke waardplant voor veel inheemse dagvlinders. Een aandeel brandnetels in de zoomvegetatie is dan ook zeker wenselijk.
leidraad groene bouwstenen
61
PARK21
10.2 ONTWERPEN VAN KRUIDENRIJK GRAS Net als voor zomen geldt dat kruidenrijk gras bij voorkeur wordt ontwikkeld via een aangepast beheer van maaien en afvoeren. Door het consequent afvoeren van de overmaat aan nutriënten ontstaat geleidelijk een evenwichtige situatie waarin voor het gebied kenmerkende kruiden en grassen zich kunnen vestigen. Op (voormalige) agrarische percelen moet via deze weg rekening worden gehouden met een vrij lange ontwikkelperiode. De ontwikkeling kan mogelijk worden bespoedigd door het treffen van voorbereidende maatregelen. Deze kunnen variëren van het tijdelijk verbouwen van een veeleisend landbouwgewas zonder te bemesten (uitmijnen) tot het afgraven en afvoeren van de verrijkte bovengrond. Wordt het laatste overwogen, dan moet bodemonderzoek uitwijzen of en tot hoe diep het afgraven van de toplaag wenselijk is. Op kleinere bouwstenen van kruidenrijk gras kan de oppervlakte worden ingezaaid met een passend zaadmengsel. Op grotere oppervlakten gaat de voorkeur uit naar ontwikkeling van de gewenste vegetatie via beheer, al dan niet gecombineerd met het doorzaaien met een aantal gewenste kruiden om de ontwikkeling te bespoedigen.
OPBOUW Kruidenrijk grasland kan ingepast worden op de meest uiteenlopende locaties in PARK21, variërend van open plekken in het bos tot het voorterrein van boerenerven en van taluds en bermen langs wegen en paden tot volledige agrarische percelen die beheerd worden als hooiland of extensief worden begraasd. De concrete inrichting van kruidenrijk grasland is dan ook afhankelijk van de locatie en functie. Voor alle situaties geldt dat de ecologische kwaliteit (en daarmee samenhangend ook vaak de belevingswaarde) kan worden verhoogd door een aantal basisprincipes. Ten eerste geldt dat de overgang tussen kruidenrijk grasland en opgaande begroeiing zo geleidelijk mogelijk wordt vormgegeven. Aan randen van bos, struweel, singels, boomgroepen en zelfs onder de kroonprojectie van solitaire bomen of laanbomen wordt de buitenrand van het kruidenrijk grasland extensief beheerd zodat hier een zoomvegetatie ontstaat (zie ook paragraaf 10.1). Ten twee geldt dat zo veel mogelijk kleinschalige variatie wordt gecreëerd door het aanbrengen van microreliëf. Hiertoe worden plaatselijk verhogingen en verlagingen aangebracht. Als gevolg hiervan ontstaan verschillen in de ontwateringstoestand, de invloed van wind en zon en de maaihoogte. Op korte afstand wordt uitgegaan van microreliëf van maximaal plus of min 10 centimeter, zodat de vegetatie met regulier materieel kan worden gemaaid.
Op grotere schaal mag het microreliëf groter zijn, tot plus of min 25 centimeter. Tot slot geldt dat met variatie in het beheerregime de diversiteit in de vegetatie kan worden vergroot. Gefaseerd maaibeheer of bijvoorbeeld sinusmaaien zijn hiervoor geschikte methoden, die leiden tot verhoging van de biodiversiteit. SOORTENSAMENSTELLING Wordt kruidenrijk grasland ontwikkeld door middel van inzaaien, dat kan daarvoor het best een zaadmengsel worden samengesteld specifiek voor de betreffende locatie. Hierin worden uitsluitend gebiedseigen kruiden en grassen opgenomen. Onder gebiedseigen soorten wordt verstaan inheemse soorten die zowel passen in dit deel van het land, maar ook bij de specifieke groeiplaatseigenschappen in het plangebied. Het mengsel bevat soorten die onder de geldende omstandigheden tot bloei en zaadzetting kunnen komen en zich bij het geplande maaibeheer kunnen handhaven. Het verdient aanbeveling om een passend zaadmengsel samen te stellen in overleg met een ecoloog/vegetatiekundige.
leidraad groene bouwstenen
62
PARK21
10.3 ONTWERPEN VAN RECREATIEF GRAS Aan recreatief gras worden relatief weinig eisen gesteld. De vegetatie moet geschikt zijn voor uiteenlopende vormen van recreatie en bestand zijn tegen intensief gebruik. De soortensamenstelling van de vegetatie is ondergeschikt aan deze voorwaarden. Waar recreatief gras wordt ontwikkeld op een voormalig agrarisch perceel, wordt met gericht beheer een passende vegetatie ontwikkeld. Waar geen of geen geschikte vegetatie aanwezig is, wordt dit met een passend zaadmengsel ingezaaid. OPBOUW Recreatief gras wordt ontwikkeld op het bestaande maaiveld. Met het oog op de gebruiksfunctie en het intensievere beheer is microreliëf in recreatief gras niet gewenst. In het terrein aanwezige hoogteverschillen worden behouden, maar wordt niet versterkt. SOORTENSAMENSTELLING Recreatief gras bestaat overwegend uit grassoorten. Daarin is ruimte voor een aandeel kruiden, zoals klaversoorten, madeliefjes en andere soorten die bestand zijn tegen meer intensief beheer en betreding. De uiteindelijke soortensamenstelling van recreatief gras wordt bepaald door die soorten die zich weten te handhaven onder de geldende omstandigheden en het gevoerde maaibeheer, maar wordt niet doelgericht gestuurd.
leidraad groene bouwstenen
63
PARK21
leidraad groene bouwstenen
64
PARK21
11 ONTWERP VAN NATTE BOUWSTENEN 11.1 ONTWERPEN VAN OPPERVLAKTEWATER Oppervlaktewater komt in het PARK21 dat wordt beschreven in het Masterplan in vele verschijningsvormen voor. Kavel-, erf- en wegsloten zijn bekende vormen in het polderlandschap, maar daaraan worden toegevoegd de sloten op de overgangen tussen polder- en parklaag, water rond en in de parkkamers en grotere eenheden van oppervlaktewater. De vormgeving van de verschillende vormen van oppervlaktewater is al even divers. In hoofdstuk 4 van het Beeldkwaliteitsplan Openbare Ruimte PARK21 worden voor concrete richtlijnen gegeven voor het ontwerp en inpassing van watergangen in PARK21.
11.2 ONTWERPEN VAN RIETLAND/MOERAS Moeras en rietland wordt ontwikkeld in terreindelen met een hoge grondwaterwaterstand. Dit kunnen terreindelen zijn die van nature laag liggen of waar het maaiveld gericht wordt verlaagd. Geleidelijke overgangen tussen oppervlaktewater en droog land zijn hiervoor bij uitstek geschikt. De vegetatie in deze bouwsteen wordt ontwikkeld door het creëren van de juiste condities en het voeren van het juiste beheer. In de terreincondities speelt de relatie tussen de maaiveldhoogte(n) en het grondwaterpeil een belangrijke rol. In het beheer gaat het vooral om het tegengaan van verlanding en verbossing middels maaien. Hierin ligt ook het onderscheid tussen moeras en rietland. In moeras heeft het maaibeheer tot doel de vegetatie in stand te houden door verdergaande successie te stoppen. Bij rietland is het maaibeheer er (mede) op gericht de rietvegetatie te oogsten. OPBOUW Deze groene bouwsteen wordt aangelegd op locaties waar het grondwaterpeil gemiddeld tussen de 0 en 20 centimeter onder het maaiveld staat, maar nooit dieper zakt dan 40 centimeter onder maaiveld. Bovendien is ten minste eens per jaar sprake van overstroming met oppervlaktewater. Een directe koppeling van het waterpeil aan het VDS zorgt voor de nodige dynamiek. Een vegetatie van moerasplanten domineert in deze bouwsteen, zoals riet, rietgras, lisdodde, zeggen en biezen.