CConstaterende datHaarlemmermeer
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2-14 Achtergrondrapport MER GroenBlauw

Raadsplein: Agenda en raadsstukken 6 april 2023, gemeente HaarlemmermeerBij agendapunt: RV (GEHEIME BIJLAGE) PARK21 Bestemmingsplan en Milieueffectrapportage (MER) (7225811)33.604 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

3.2

Referentiesituatie

3.2.1

Gebiedsbeschrijving De locatie van PARK21 is een agrarisch gebied met voornamelijk (intensieve) akkerbouw. Een deel van het gebied is al ingericht met een park in het noordwesten van het plangebied. Daar is onder andere een honkbalveld, een speeltuin en een klimpark. Door het gebied liggen verschillende wandel- en fietspaden. De rest van het gebied heeft nog de oorspronkelijke functie. Verschillende rechte wegen met fietspaden kruisen het plangebied. Langs de oude wegen zijn woningen, boerderijen en bedrijven als lint aanwezig. De bestaande beplanting bevindt zich voornamelijk langs de bewoonde wegen en erven. Hier bevinden zich de bomenlanen en boomsingels met soorten als populier, els, wilg, iep en, zo nu en dan, eik en struikvormige soorten, zoals katwilg en vlier. Het reeds ingerichte park van PARK21 bestaat voornamelijk uit zwarte els, eik, duindoorn, kardinaalsmuts, linde, hazelaar, haagbeuk, Spaanse aak, grove den en sierpeer. In Figuur 3.1 is een impressie gegeven van het plangebied.

Blad 24 van 90

Achtergrondrapport Groenblauw MER PARK21 projectnummer 0417636.109 10 december 2021 Gemeente Haarlemmermeer

Figuur 3.1: Impressie van het plangebied.

3.2.2

Beschermde en rode lijst soorten Beschermde soorten Uit de recente verspreidingsinformatie blijkt dat in of nabij het plangebied in het verleden diverse beschermde soorten zijn waargenomen (binnen een straal van 2,5 kilometer). Dit betreft de beschermde soorten genoemd in Habitatrichtlijn (bijlage IV onderdeel a en b) en de nietvrijgestelde ‘andere soorten’ uit bijlage I (onderdeel a en b) van de Wet natuurbescherming alsook vogelsoorten met een jaarrond beschermd nest. De soorten zijn weergegeven in Tabel 3.1. Tabel 3.1: Overzicht van waargenomen beschermde soorten in de omgeving van het plangebied (met een straal van 2,5km) die in het NDFF door derden zijn ingevoerd. De soorten zijn in te delen in Habitatrichtlijn (HR), lijsten A en B behorende bij artikel 3.10 en vogelsoorten met een jaarrond beschermd nest (JRB) en zijn aangegeven met een ‘X’ (NDFF, 2016-2021).

Soortgroep

Vogels met een jaarrond beschermd nest*

Soort

Boomvalk Buizerd Gierzwaluw Grote gele kwikstaart Havik Huismus Kerkuil Ooievaar Ransuil Roek Blad 25 van 90

JRB X X X X X X X X X X

HR

A/B

Achtergrondrapport Groenblauw MER PARK21 projectnummer 0417636.109 10 december 2021 Gemeente Haarlemmermeer

Soortgroep

Zoogdieren

Amfibieën Reptielen Insecten – Dagvlinders Insecten – Libellen Vissen Planten

JRB

Soort

Slechtvalk Sperwer Boommarter Bunzing Eekhoorn Hermelijn Noordse woelmuis Vleermuizen** Wezel Alpenwatersalamander Rugstreeppad

HR

A/B

X X X X X X X X X X X

Geen waarnemingen

Grote vos

X

Geen waarnemingen Geen waarnemingen X X

Groot spiegelklokje Muurbloem

Geen waarnemingen Overige soortgroepen *Categorie 5: de afweging of er sprake is van een jaarrond beschermd nest uit categorie 5 wordt gemaakt bij de beschrijving van de resultaten van het terreinbezoek (paragraaf 4.2.2). **Vleermuizen: gewone dwergvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis, meervleermuis en watervleermuis.

Uit het terreinbezoek is gebleken dat de soorten weergegeven in tabel 3.2 en die beschermde status hebben in de Wet natuurbescherming (en niet vrijgesteld zijn voor ruimtelijke ontwikkelingen) mogelijk voor kunnen komen in het plangebied. Tabel 3.2: Mogelijk aanwezige beschermde soorten in het plangebied.

Soort(groep) Vogels met jaarrond beschermd nest Algemene broedvogels

Beschermingsregime

Aanwezigheid 1)

Artikel 3.1

Waarschijnlijk

Artikel 3.1

Waarschijnlijk

Artikel 3.5

Waarschijnlijk 2)

Artikel 3.10

Waarschijnlijk

Artikel 3.5

Mogelijk

Vleermuizen Bunzing, hermelijn en wezel Rugstreeppad 1) 2)

Toelichting Groot plangebied waarbinnen aanwezigheid van jaarrond beschermde nestplaatsen aannemelijk is De vegetatie in het plangebied biedt nestgelegenheid Gebouwen zijn geschikt als verblijfplaats en watergangen en bomenrijen geschikt als vliegroute Projectgebied voldoet plaatselijk aan de biotoopeisen en deze zijn in de directe omgeving waargenomen Mogelijk in de sloten van het plangebied, dieren kunnen snel werkterrein kolonialiseren

Mogelijk – potentieel habitat aanwezig, waarschijnlijk – potentieel habitat en eerder aangetroffen, zeker – recent (>3 jaar) aangetoond “waarschijnlijk” aangezien bij de eerder onderzochte polderlinten vliegroutes zijn waargenomen. Tevens is in een recente quickscan geconcludeerd dat gewone en dwergvleermuis en laatvlieger gebruik kunnen maken van de laanbomen als vliegroute in het plangebied en meer- en watervleermuis van de Hoofdvaart. Tevens kunnen de bomen dienen als verblijfplaats voor een aantal soorten. Blad 26 van 90

Achtergrondrapport Groenblauw MER PARK21 projectnummer 0417636.109 10 december 2021 Gemeente Haarlemmermeer

Naast leefgebied voor de niet-vrijgestelde en beschermde Wnb-soorten, kan het plangebied leefgebied vormen van beschermde Wnb-soorten die algemeen zijn vrijgesteld bij ruimtelijke ontwikkelingen. Andere niet vrijgestelde dier- en plantensoorten komen niet voor. Dat heeft te maken met het gegeven dat het plangebied gecultiveerd (agrarisch gebruik) en bebouwd is, niet aansluit op grote natuur(lijke)gebieden, in een verstoorde omgeving ligt, en het verspreidingsgebied van een aantal soorten niet tot aan het plangebied loopt. Hierdoor zijn niet alle biotoop-kritische (sub)soortgroepen relevant. Zo komen er onder andere op basis van het terreinbezoek geen beschermde soorten voor van de volgende (sub)soortgroepen: reptielen, libellen, vissen en overige soortgroepen (kevers, kreeftachtigen, weekdieren, mieren en slakken). Er is voor deze soort(groep)en geen essentieel leefgebied in het plangebied. In de volgende alinea’s wordt ingegaan op voorkomende, beschermde, niet vrijgestelde soorten/soortgroepen. Vogels Soorten met jaarrond beschermd nest (categorie 1 t/m 4) Zoals blijkt uit de bureaustudie is een aantal vogelsoorten (de vogelsoorten genoemd in tabel 3.1) waargenomen in de omgeving van het plangebied waarvan de broedplaatsen jaarrond beschermd zijn en waar bij verwijdering of aantasting van de vaste rust- en verblijfplaats altijd ontheffing moet worden aangevraagd.

Er zijn tijdens het oriënterende veldbezoek een aantal buizerds waargenomen en op verschillende locaties grote nesten. Er zijn waarschijnlijk jaarrond beschermde nestplaatsen aanwezig in het plangebied. Soorten met mogelijk een jaarrond beschermd nest (categorie 5) Daarnaast zijn er categorie 5-vogelsoorten (bijvoorbeeld boerenzwaluw, huiszwaluw, tapuit, torenvalk) waarvan de nesten alleen jaarrond zijn beschermd als zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen. Dit laatste is op het plangebied niet van toepassing. Er zijn geen categorie 5 soorten te verwachten die zeldzaam zijn in de omgeving of onvoldoende nestgelegenheden hebben in de omgeving. Derhalve zijn er geen zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden die jaarronde bescherming rechtvaardigen. Algemene vogelsoorten (artikel 3.1) De vegetatie in het plangebied biedt een geschikt broedbiotoop voor diverse algemeen voorkomende soorten zoals bijvoorbeeld knobbelzwaan, grauwe gans, wilde eend, houtduif, Turkse tortel, roodborst en merel. Rode lijst soorten Een aantal voorkomende beschermde vogels is ook een rode lijst soort (zie tabel 3.3). Tabel 3.3: Overzicht van de Rode Lijstvogelsoorten in het plangebied die in het NDFF door derden zijn ingevoerd (NDFF, 2016-2021).

Soort Blauwe Kiekendief Boerenzwaluw Boomvalk

Jaarrond beschermd 1)

Cat 5 Cat 4

Rode Lijst

Waar in het plangebied (5 jaar)

Gevoelig

3 waarnemingen overvliegend nabij A4

Gevoelig Kwetsbaar

Verspreid 40 waarnemingen 1x overvliegend in noordwesten

Blad 27 van 90

Achtergrondrapport Groenblauw MER PARK21 projectnummer 0417636.109 10 december 2021 Gemeente Haarlemmermeer

Soort

Jaarrond beschermd 1)

Gele Kwikstaart Goudplevier Graspieper Gr. Mantelmeeuw Grutto Huismus Huiszwaluw

Rode Lijst

Waar in het plangebied (5 jaar)

Gevoelig Verdwenen uit NL Gevoelig

Verspreid 32 waarnemingen Verspreid 6 waarnemingen (meest overvliegend) 25 waarnemingen voornamelijk in de noordelijke helft Twee waarnemingen

Gevoelig

Cat 4 Cat 5

Gevoelig Gevoelig Gevoelig

Keep

Gevoelig

Kneu

Gevoelig

Koekoek

Kwetsbaar

Kramsvogel

Gevoelig

Nachtegaal

Kwetsbaar

Oeverloper

Gevoelig

Paapje Patrijs

Bedreigd Kwetsbaar

Ransuil Ringmus

Cat 4

Slobeend Spotvogel

Kwetsbaar Gevoelig Kwetsbaar Gevoelig

Tapuit

Cat 5

Bedreigd

Torenvalk

Cat 5

Kwetsbaar

Tureluur

Gevoelig

Veldleeuwerik

Gevoelig

Visdief Watersnip Wilde Zwaan Wintertaling Wulp

Gevoelig Bedreigd Gevoelig Kwetsbaar Kwetsbaar

1)

Eénmaal één exemplaar foeragerend 91 Overwegend in nabij gelegen tuin 13 voornamelijk op verschillende erven in plangebied Aantal waarnemingen (6) nabij het klimpark (wintergast) 26 waarnemingen voornamelijk in de noordelijk helft Aantal waarnemingen (4)in de al ingerichte delen Vooral waarnemingen (16) in de al ingerichte delen (wintergast) Aantal (14) waarnemingen in de al ingerichte delen Vier waarnemingen verspreid over plangebied Eén waarneming 41 waarnemingen waaronder gezin met jongen langs de busbaan. Verspreid vier waarnemingen 19 waarnemingen vooral in de al ingerichte delen Verspreid 10 waarnemingen Zeven waarnemingen in uiterste noordwesten plangebied Zes waarnemingen verspreid over plangebied 135 waarnemingen verspreid over plangebied Twee waarnemingen in de ingerichte delen plangebied Voornamelijk in het middendeel 14 waarnemingen Verspreid 17 waarnemingen Verspreid 13 waarnemingen Verspreid 5 waarnemingen Verspreid 14 waarnemingen Eén waarneming langs het spoor

Cat 4: Soorten waarvan de nesten als permanente verblijfplaats kwalificeren (jaarrond beschermde nesten) Cat 5: Soorten waarvan de nesten als permanente verblijfplaats kunnen kwalifieren indien geen c.q. onvoldoende alternatieve locaties aanwezig zijn (mogelijk jaarrond bescherrmde nesten). Blad 28 van 90

Achtergrondrapport Groenblauw MER PARK21 projectnummer 0417636.109 10 december 2021 Gemeente Haarlemmermeer

Zoogdieren Vleermuizen Bij het amoveren van bebouwing en het kappen van vooral oudere bomen dient te allen tijde rekening te worden gehouden met de mogelijke aanwezigheid van vleermuizen. Gebouwbewonende vleermuizen verblijven met name in spouwmuren, onder dakbetimmering, achter boeiborden of op zolders. Boombewonende vleermuizen verblijven in gaten, holen of scheuren van voornamelijk grote bomen. In het voorliggende plangebied bevinden zich veel gebouwen en bomen die potentieel geschikt zijn als verblijfplaats. Het plangebied is tevens geschikt als foerageergebied. Tevens kunnen watergangen en bomenrijen dienst doen als vliegroute(ondersteuning). De aanwezigheid van vleermuizen in het plangebied is waarschijnlijk (zie toelichting bij tabel 3.2). Overige (land)zoogdieren Boommarter De boommarter leeft bij voorkeur in bossen. In Nederland komt de soort voor in verschillende typen bossen. Boommarters kiezen hun rustplaatsen vaak in boomholten, konijnen-, vossen- of dassenholen, tussen boomwortels of onder takkenbossen. Nesten zitten vaak in oude spechten- of eekhoornholen en soms in gebouwen die in of aan de rand van het bos staan. Boommarters maken meestal niet zelf een hol maar passen een bestaand nest aan (Zoogdiervereniging, z.d.). Er zijn in de afgelopen vijf jaar geen waarnemingen van boommarter gedaan in de directe omgeving van het projectgebied.

De waarnemingen van de boommarter zijn vooral gedaan in het bos ten westen van Heemstede en rond Amstelveen (NDFF). In het plangebied is geen geschikt biotoop aanwezig. De aanwezigheid van de soort in het plangebied is uitgesloten. Steenmarter De steenmarter komt vooral voor in parklandschap, maar ook in volkomen bosloze gebieden. Hij is vooral te vinden in de nabijheid van dorpen en boerderijen en tegenwoordig zelfs in grote steden. Hij heeft een voorkeur voor gebieden met kleinschalige landbouw, met oude schuren, heggen en geriefhoutbosjes. Daarbij is de aanwezigheid van elementen zoals groenstroken, heggen, bosjes, greppels en bermen van belang, Tot voor kort kwam de steenmarter in de regio amper voor, maar de soort breidt zich wel uit. De dichtstbijzijnde waarneming in NDFF ligt op ongeveer 2,9 km van het plangebied en daarom komt de soort niet voor in de Natuurtoets. Bunzing, hermelijn en wezel De bunzing, hermelijn en wezel zijn aangetroffen in het plangebied (NDFF). Bosschages en ruigte bieden bijvoorbeeld geschikt leefgebied voor de marterachtigen. In het leefgebied worden holen van andere soorten (bijvoorbeeld van konijnen, ratten of muizen), steenhopen en takkenbossen als schuilplaats gebruikt. Zich verplaatsen doen ze vaak via lijnvormige landschapselementen zoals singels, heggen, oeverlijnen en dergelijke (Zoogdiervereniging, z.d.).

De aanwezigheid van de genoemde soorten in het plangebied kan niet worden uitgesloten. Rode lijst soorten Een aantal voorkomende beschermde, niet vrijgestelde zoogdiersoorten is ook een rode lijst soort. Daarnaast zijn er in het plangebied nog andere rode lijst soorten waargenomen, die vrijgesteld zijn (zie tabel 3.4). Tabel 3.4: Overzicht van de Rode Lijstzoogdierensoorten in het plangebied die in het NDFF door derden zijn ingevoerd (NDFF, 2016-2021).

Soort Bunzing

Beschermd x

Rode Lijst Kwetsbaar Blad 29 van 90

Waar in het plangebied (5 jaar) Verspreid over plangebied 8 waarnemingen

Achtergrondrapport Groenblauw MER PARK21 projectnummer 0417636.109 10 december 2021 Gemeente Haarlemmermeer

Soort Haas

Beschermd

Rode Lijst Gevoelig

Hermelijn Konijn Laatvlieger

x x

Kwetsbaar Gevoelig Kwetsbaar

Wezel

x

Gevoelig

Waar in het plangebied (5 jaar) Verspreid over plangebied 44 waarnemingen Eén waarneming langs Drie merenweg Twee waarnemingen langs A4 Vier waarnemingen in zuidelijke punt van plangebied Verspreid 5 waarnemingen

Amfibieën Rugstreeppad Uit waarnemingen uit de NDFF blijkt dat de afgelopen vijf jaar verschillende waarnemingen zijn gedaan van de rugstreeppad in de omgeving van het plangebied. Er zijn onder andere waarnemingen bij Hillegom (op 1,5 km afstand) en Zwaanshoek. Volgens RAVON (z.d.) komt de rugstreeppad voor in gebieden met een hoge dynamiek. Deze kan veroorzaakt worden door menselijk ingrijpen in de omgeving, zoals bij bouwterreinen, groeven en zandafgravingen. Daarnaast is de soort te vinden in sloten gelegen in akker- en graslandgebieden. De akkers hebben kenmerken van een hoog dynamisch gebied en zijn omringd door sloten. De soort plant zich vaak voort in ondiepe (tijdelijke) zeer snel opdrogende wateren, zoals poelen, ondiepe sloten en zelfs ‘karren’ sporen. Overwintering vindt plaats op allerlei plaatsen zoals in takkenbulten, onder puin of tegels en in muizenholen. In het plangebied zijn geen waarnemingen van de soort bekend, maar het plangebied voldoet aan de biotoopeisen van de soort. Daarnaast is het bekend dat ze zich over relatief grote afstanden verplaatsen. De maximale verplaatsingsafstand (van met name juvenielen) bedraagt circa 5,0 km. Het is derhalve denkbaar dat individuen uit de omgeving het plangebied kunnen bereiken. Vooral bij de inrichting van het gebied ontstaat mogelijk tijdelijk geschikt leefgebied wat ze snel kunnen kolonialiseren.

Rode lijst-soorten In het plangebied zijn nog rode lijst soorten waargenomen die niet behoren tot de beschermde soorten (zie tabel 3.5). Tabel 3.5: Overzicht van de Rode Lijstsoorten in het plangebied die in het NDFF door derden zijn ingevoerd (NDFF, 2016-2021).

Soortgroep Dagvlinders Vaatplanten

Soort Bruin blauwtje Akkerandoorn

Rode Lijst Gevoelig Kwetsbaar

Blauw walstro

Kwetsbaar

Bolderik

Kwetsbaar

Gew. Agrimonie

Gevoelig

Kamgras

Gevoelig

Kleine ratelaar Korenbloem

Gevoelig Gevoelig

Rode ogentroost

Gevoelig Blad 30 van 90

Waar in het plangebied (5 jaar) Eén waarneming lans de Ijweg Twee waarnemingen in de omgeving van Rijnlanderweg Eén waarneming in de omgeving van Rijnlanderweg Eén waarneming nabij kruising spoor en Bennebroekerweg Twee waarnemingen in omgeving Zuidtak Zuidtangent Vier waarnemingen in noordelijk deel plangebied Eén waarneming nabij klimpark 12 waarnemingen voornamelijk in de al ingerichte delen Drie waarnemingen in de al ingerichte delen

Achtergrondrapport Groenblauw MER PARK21 projectnummer 0417636.109 10 december 2021 Gemeente Haarlemmermeer

Soortgroep

3.2.3

Soort Valse kamille

Rode Lijst Kwetsbaar

Waterdrieblad

Gevoelig

Waar in het plangebied (5 jaar) Eén waarneming op volkstuinencomplex Ijweg Eén waarneming langs Rijnlanderweg

Beschermde gebieden: Natura 2000-gebieden Het plangebied ligt niet in Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Kennemerland-Zuid ligt op circa 4 kilometer afstand ten oosten van het plangebied. Dit gebied is door toenmalig ministerie van EZ aangewezen als Natura 2000-gebied op grond van de Habitatrichtlijn. Aanwijzing tot Natura 2000-gebied vindt plaats op basis van het voorkomen van specifieke soorten en/of habitattypen. Voor deze soorten en habitattypen worden doelen benoemd met betrekking tot aantal, oppervlakte en kwaliteit van het habitat of leefgebied – en voor soorten ook de populatie, de zogenaamde instandhoudingsdoelen. De habitattypen bevinden zich in het Natura 2000-gebied. Van de habitatsoorten liggen er voor de meervleermuis essentiële onderdelen van het leefgebied buiten het Natura 2000-gebied. Verblijfplaatsen en vliegroutes van de soort zijn in het plangebied niet uitgesloten.

Kennemerland-Zuid

Figuur 3.2: Natura 2000-gebied Kennemerland-Zuid (weergegeven in groen) ten opzichte van het onderzoeksgebied in het kader van het project PARK21 (rood omkaderd). Bron: Natura2000.nl

Rond de gemeente Haarlemmermeer ligt – naast het Natura 2000-gebied Kennemerland-Zuid een aantal andere Natura 2000-gebieden. Het betreft Coepelduynen, Meijendel & Berkheide, Nieuwkoopse Plassen & De Haeck,Botshol, Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske en Polder Westzaan (zie figuur 3.3)

Blad 31 van 90

Achtergrondrapport Groenblauw MER PARK21 projectnummer 0417636.109 10 december 2021 Gemeente Haarlemmermeer

Figuur 3.3: De ligging van Natura 2000-gebieden in de omgeving van Haarlemmermeer.

Voor een groot deel van de stikstofgevoelige habitats in deze Natura 2000-gebieden geldt dat de achtergrondwaarde hoger is dan de kritische depositiewaarde voor de betreffende habitats. Deze habitats verkeren in een zogenoemde overbelaste situatie. Omdat de effecten van stikstofdepositie ver kunnen reiken is het niet zinvol om hier alle overbelaste gebieden op te sommen.

3.2.4

Beschermde gebieden: Natuurnetwerk Nederland In het plangebied is NNN-gebied aanwezig (Figuur 3.4). Dit betreft een al ingericht deel van PARK21. In Figuur 3.4 is ten noordoosten van en evenwijdig aan PARK21 een nog te realiseren natuurverbinding weergegeven.

Blad 32 van 90

Achtergrondrapport Groenblauw MER PARK21 projectnummer 0417636.109 10 december 2021 Gemeente Haarlemmermeer

Figuur 3.4: NNN-gebied ten opzichte van het onderzoeksgebied in het kader van het project PARK21 (rood omkaderd. In geel het reeds gerealiseerde gedeelte van PARK21. Bron: maps.noord-holland.nl

Blad 33 van 90

Achtergrondrapport Groenblauw MER PARK21 projectnummer 0417636.109 10 december 2021 Gemeente Haarlemmermeer

3.3

Effecten

3.3.1

Beschermde en rode lijst-soorten De volgende biotopen worden beïnvloed door het voornemen: • De akkers worden omgevormd naar park (bos, struweel, plassen); • Verstoring door licht, geluid en optische verstoring tijdens de realisatie- en gebruiksfase. Uit het terreinbezoek is gebleken dat het plangebied een potentieel geschikt biotoop biedt voor beschermde en niet vrijgestelde vogels, zoogdieren (vleermuizen, kleine marterachtigen) en amfibieën (rugstreeppad) (zie ook Tabel 3.2). Om deze reden is er enkel op deze soorten (soortgroepen) een potentieel effect aan de orde. De onderstaande effectbeoordeling richt zich alleen op deze soort(groep)en. Het plan heeft ook effecten op beschermde soorten die vrijgesteld zijn bij ruimtelijke ontwikkelingen. Daar richt de effectbeoordeling zich niet op. Effecten op andere niet vrijgestelde dier- en plantensoorten kunnen uitgesloten worden. Zo zijn er onder andere op basis van het terreinbezoek geen effecten (overtredingen van verbodsbepalingen uit de Wnb) aan de orde op de beschermde (sub)soortgroepen: reptielen, libellen, vissen en overige soortgroepen (kevers, kreeftachtigen, weekdieren, mieren en slakken). Er is voor deze soort(groep)en geen essentieel leefgebied in het plangebied.

De andere soorten waar effecten op voorhand uitgesloten kunnen worden, kwamen naar voren in het bureauonderzoek en zijn daardoor wel nader onderzocht in de Natuurtoets, maar op basis van het veldbezoek kunnen effecten uitgesloten worden. Het betreft voor de beschermde diersoorten de boommarter, eekhoorn, Noordse woelmuis, Alpenwatersalamander, grote vos (vlinder) en de beschermde plantensoorten het groot spiegelklokje en muurbloem. De afweging ten aanzien van deze soorten is opgenomen in de Natuurtoets welke als bijlage bij dit achtergrondrapport opgenomen is. In de hiernavolgende passages worden kort de soorten waar een effect voor te verwachten is behandeld. Vogels Jaarrond beschermde nesten Er is een aantal vogelsoorten waarvan de broedplaatsen jaarrond beschermd zijn en waarbij verwijdering (of verstoring die kan resulteren in de aantasting) van de broedplaats altijd ontheffing moet worden aangevraagd. Dit zijn de zogenoemde categorie 1-4-vogelsoorten (zie Bijlage 1). Het is niet uit te sluiten dat vaste rust- en verblijfplaatsen in het plangebied aanwezig zijn. Voor de jaarrond beschermde broedplaatsen geldt dat aantasting niet zonder meer toegestaan is. Indien daadwerkelijk verblijfplaatsen van de soorten aanwezig zijn in de bebouwing en deze wordt gesloopt of in de bomen en deze worden gekapt, dan worden de beschermde verblijfplaatsen verstoord en vernietigd.

Ook kunnen beschermde verblijfplaatsen door verstoring worden vernietigd. Dit is een overtreding van gestelde verbodsbepalingen in de Wet natuurbescherming (artikel 3.1). Om de functie van het plangebied en tevens het effect van het plan op deze eventueel aanwezige jaarrond beschermde nesten te kunnen bepalen, is bij de kap van bomen of sloop van huizen/gebouwen een vervolgonderzoek naar het voorkomen van deze soorten en hun nesten noodzakelijk. Hetzelfde geldt voor werkzaamheden in het broedseizoen in een straal van circa 75

Blad 34 van 90

Achtergrondrapport Groenblauw MER PARK21 projectnummer 0417636.109 10 december 2021 Gemeente Haarlemmermeer

meter rond bomen of gebouwen. Wanneer er geen bomen gekapt en gebouwen gesloopt worden, zijn er buiten het broedseizoen geen beperkingen. Geschiktheidscontrole vogels jaarrond beschermd nest Om inzichtelijk te krijgen of de gebouwen en bomen daadwerkelijk in gebruik zijn door vogels met een jaarrond beschermd nest, dienen deze nauwkeurig geïnspecteerd te worden. Daarbij wordt gelet op de aanwezigheid van nesten en andere sporen (o.a. mestsporen, braakballen en, veren). Zo wordt inzichtelijk of de soorten mogelijk aanwezig zijn, of hier nader onderzoek naar gedaan moet worden en – indien reeds inzichtelijk – of er mogelijk effecten als gevolg van het voornemen optreden. Nader onderzoek Indien blijkt dat potentieel jaarrond beschermde nesten aanwezig zijn dient dit onderzocht te worden aan de hand van het geldende kennisdocumenten van BIJ12 (2017). Nader onderzoek, conform de kennisdocumenten, vindt in het voorjaar plaats. Rode lijst vogels Van de waargenomen vogelsoorten zal het overgrote deel weinig of geen effect ondervinden van de plannen of juist positief worden beïnvloed. Veel soorten worden slecht sporadisch waargenomen of juist in de delen die al ingericht zijn zoals het noordwestelijke deel van het plangebied en de huiskavels. De bestaande inrichting word min of meer doorgetrokken door het gebied waardoor voor veel soorten het habitat uitbreid.

Een aantal soorten die waarschijnlijk profiteren van de inrichting zijn kneu, koekoek, nachtegaal en spotvogel. Daarentegen zijn er soorten die mogelijk negatief beïnvloed worden door de plannen. Dit zijn voornamelijk de soorten van (overwegend) open agrarisch gebied zoals de gele kwikstaart, graspieper, patrijs en veldleeuwerik. Op het eerste gezicht lijkt het plangebied niet geschikt voor de patrijs, maar de soort heeft in het gebied de afgelopen jaren toch voor nakomelingen weten te zorgen. Belangrijk habitat bestaat uit heggen en ruige perceelranden, insecten- en kruidenrijke akkers en graslanden. Intensivering van het agrarisch gebied zorgt voor een achteruitgang van de soort in het boerenland. Het aandeel agrarisch gebied gaat door de plannen achteruit, zonder maatregelen resulteert dit waarschijnlijk in een achteruitgang of het verdwijnen van de soorten die erbij horen. Door in het resterende agrarisch gebied rekening te houden met de soorten die erbij horen kan er toch voldoende geschikt habitat overblijven. Door extensivering van het landgebruik kan er genoeg geschikt leefgebied overblijven. Algemene broedvogels Alle in gebruik zijnde nesten van vogelsoorten in Nederland zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming (artikel 3.1).

Met de meeste broedvogels kan echter in het algemeen relatief eenvoudig rekening worden gehouden door eventuele kap- en sloopwerkzaamheden niet uit te voeren in de broedtijd (circa maart tot en met juli 1)) en indien concrete broedgevallen aanwezig zijn. Op deze wijze zijn geen belemmeringen vanuit de Wet Natuurbescherming aan de orde. Er kunnen in het plangebied nesten gebouwd worden door (algemeen voorkomende) soorten met name in opgaande vegetatie. Indien nesten aanwezig zijn, mogen deze tijdens de broedperiode (en wanneer deze in gebruik zijn) niet verwijderd of verstoord worden.

1

Voor het broedseizoen wordt in het kader van de wet geen standaardperiode gehanteerd. Het broedseizoen is afhankelijk van klimatologische omstandigheden; dit houdt in dat het seizoen eerder dan wel later van start kan gaan en eerder dan wel later kan eindigen. Van belang is of er broedgevallen aanwezig zijn. Blad 35 van 90

Achtergrondrapport Groenblauw MER PARK21 projectnummer 0417636.109 10 december 2021 Gemeente Haarlemmermeer

Indien het niet mogelijk is om buiten het broedseizoen om te werken dan dient het plangebied (waar de werkzaamheden plaatsvinden) vóór het broedseizoen ongeschikt gemaakt te worden voor (broed)vogels. Mocht dit niet mogelijk zijn dan dient vooraf aan de werkzaamheden het plangebied gecontroleerd te worden op de aanwezigheid van broedvogels door een deskundig ecoloog. Indien vastgesteld wordt dat sprake is van actuele broedgevallen binnen het plangebied dan worden locatiespecifieke maatregelen voorgesteld en/of wordt het plangebied niet vrijgegeven en dienen de werkzaamheden uitgesteld te worden totdat het nest niet meer in gebruik is. Concluderend: de soortbescherming uit de Wet natuurbescherming vormt geen belemmering voor het vaststellen van het plan wat betreft jaarrond beschermde nestplaatsen en algemene broedvogels. Zoogdieren Vleermuizen In het projectgebied komen waarschijnlijk vleermuizen voor. Vleermuizen zijn beschermde soorten en staan vermeld in bijlage IV van de Habitatrichtlijn. In het kader van de Wet natuurbescherming is daarom een aantal verbodsbepalingen ten aanzien van vleermuizen neergelegd die in principe niet overtreden mogen worden door onder andere een ruimtelijke ontwikkeling. Er kunnen verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig zijn in gebouwen en bomen en daarnaast kan het plangebied in gebruik zijn als foerageergebied of vliegroute.

Bij eventuele sloop van het gebouwen en kap van bomen is mogelijk sprake van het vernietigen, verstoren en/of aantasten van vaste rust- en verblijfplaatsen, foerageergebied en/of vliegroutes van vleermuizen. Echter kan ook lichtverstoring resulteren in het ongeschikt raken van vliegroutes en foerageergebied en als gevolg daarvan ook de vernietiging van verblijfplaatsen. Indien daadwerkelijk verblijfplaatsen aanwezig zijn en indien gebouwen gesloopt/bomen gekapt worden of lichtverstoring (indirect) resulteert in vernietiging van verblijfplaatsen, is dit (zonder aanvullende maatregelen) in overtreding met de Wet natuurbescherming. Er zijn twee sporen mogelijk om overtredingen van de Wet natuurbescherming te voorkomen. 1.

2.

Rekening houden met de potentiële aanwezigheid van vleermuizen door geen gebouwen te slopen, bomen te kappen of brede watergangen (> 10 meter zoals de Hoofdvaart en de vaarten langs de Nieuwe Bennebroekerweg en de Bennebroekerweg) te dempen of blokkeren en bij het toepassen van verlichting te kiezen voor vleermuisvriendelijke verlichting. Buiten het actieve seizoen van vleermuizen (in de periode 15 oktober – 15 april) zijn bij tijdelijke werkzaamheden waar geen kap of sloop plaatsvindt geen aanvullende maatregelen nodig. In de delen die nu open agrarisch zijn, worden geen negatieve effecten van verlichting verwacht (gezien deze gebieden niet geschikt zijn als vliegroute of als foerageergebied) en is het toepassen van vleermuisvriendelijke verlichting niet aan de orde. Inzicht verkrijgen in het daadwerkelijke gebruik en de functie van de gebouwen en bomen in het plangebied voor vleermuizen. Dit kan onderzocht worden aan de hand van het meest recente vleermuisprotocol. Vleermuizen gebruiken hun leefgebied door het jaar heen op verschillende manieren. Daarom is het nodig om een het plangebied meerdere malen verspreid over het actieve seizoen van de soorten (tussen april en oktober) te bezoeken. Afhankelijk van de resultaten dienen nadere stappen te worden bepaald. Blad 36 van 90

Achtergrondrapport Groenblauw MER PARK21 projectnummer 0417636.109 10 december 2021 Gemeente Haarlemmermeer

Indien vaste rust- en verblijfplaatsen, vliegroutes en/of foerageergebied van vleermuizen in het plangebied aanwezig blijken te zijn, hoeft dit vooralsnog geen belemmering te zijn voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan, aangezien soortspecifieke maatregelen te combineren zijn met de nieuwe bestemming in, of in de directe omgeving van het plangebied. Het betekent wel dat voorafgaand aan de werkzaamheden ten behoeve van de ontwikkelingen in het plangebied voorwaarden worden gesteld (en zijn uitgevoerd) aan de wijze en periode van de werkzaamheden en het opnemen/integreren van voorzieningen zoals vleermuiskasten zo nodig geborgd via een ontheffing dan wel een geldende gedragscode. Concluderend: de soortbescherming uit de Wet natuurbescherming vormt geen belemmering voor het vaststellen van het plan wat betreft de vleermuizen. Vervolgstappen (1) Geen gebouwen slopen, bomen kappen of brede watergangen dempen of blokkeren en geen verlichting toepassen in gebruiksfase of eventueel vleermuisvriendelijke verlichting. Vervolgstappen (2) Nader onderzoek Vleermuizen gebruiken hun leefgebied door het jaar heen op verschillende manieren. Daarom is het nodig om een het projectgebied meerdere malen verspreid over het actieve seizoen van de soorten (tussen april en oktober) te bezoeken voor het vleermuisonderzoek.

Bunzing, hermelijn en wezel De bunzing, hermelijn en wezel komen waarschijnlijk voor in het plangebied. De marterachtigen vallen onder het beschermingsregime van de Wet natuurbescherming (artikel 3.10). In het projectgebied bieden bosschages en ruigte potentieel geschikt leefgebied. Oude holen van muizen, ratten, konijnen en takkenhopen zijn voorbeelden van geschikte verblijfplaatsen (zoogdiervereniging, z.d.). De kans op verblijfplaatsen is vooral aanwezig rond de erven, langs ruigere oevers en dergelijke. Of er als gevolg van het plan negatieve effecten zijn op marterachtigen dient nader te worden bepaald. Nader onderzoek Om te kunnen bepalen of eventuele verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming overtreden worden door de voorgenomen ontwikkeling, is (afhankelijk van de ingrepen) nader onderzoek naar het gebruik van geschikte gebiedsdelen noodzakelijk. Nader onderzoek is wenselijk en noodzakelijk bij ingrepen in de erven, singels, ruige oevers en soortgelijke biotopen. Voor dat nader onderzoek zijn de richtlijnen van de provincie relevant; onderzoek starten vanaf mei en (minimaal) 4 weken onderzoek.

Indien verblijfplaatsen van marterachtigen in het plangebied aanwezig blijken te zijn, hoeft dit vooralsnog geen belemmering te zijn voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan, aangezien soortspecifieke maatregelen te combineren zijn met de nieuwe bestemming in het plangebied. Het betekent wel dat voorafgaand aan de werkzaamheden ten behoeve van de ontwikkelingen in het plangebied voorwaarden worden gesteld (en zijn uitgevoerd) aan de wijze en periode van de werkzaamheden zo nodig geborgd via een ontheffing dan wel een geldende gedragscode. Blad 37 van 90

Achtergrondrapport Groenblauw MER PARK21 projectnummer 0417636.109 10 december 2021 Gemeente Haarlemmermeer

Concluderend: de soortbescherming uit de Wet natuurbescherming vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan wat betreft de bunzing, hermelijn en wezel. Rode lijst zoogdieren Het behoud van laanstructuren en bosschages en juist het uitbreiden ervan zal een positief effect hebben op alle zoogdiersoorten met uitzondering van de haas. Voor de haas geldt hetzelfde als voor de boerenlandvogels. Door extensivering van het landgebruik kan er genoeg geschikt leefgebied overblijven. Amfibieën Rugstreeppad Op 1,5 km afstand van PARK21 komt de rugstreeppad voor, dit is ruim binnen de verspreidingsafstand van 5 km die de soort kan overbruggen. De aanwezigheid van de soort is niet uit te sluiten op basis van het oriënterend veldbezoek. Bovendien is de kans aanwezig dat de soort het plangebied bij werkzaamheden in groten getale kolonialiseert. Hier zijn echter maatregelen tegen te nemen. Om inzichtelijk te krijgen of het plangebied in gebruik is door de rugstreeppad is nader onderzoek noodzakelijk. Met de uitkomsten van het onderzoek kunnen eventueel noodzakelijke vervolgstappen worden bepaald. Nader onderzoek Om inzichtelijk te krijgen of het plangebied in gebruik is bij de rugstreeppad zijn drie gebiedsbezoeken noodzakelijk in de periode in de periode half april – begin augustus (waarvan minimaal 1 keer in de periode t/m mei).

Onderzoek dient plaats te vinden vanaf 1 uur na zonsondergang (Soortinventarisatieprotocollen Netwerk Groene Bureaus). Indien de rugstreeppad in het plangebied aanwezig blijkt te zijn, hoeft dit vooralsnog geen belemmering te zijn voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan, aangezien soortspecifieke maatregelen te combineren zijn met de nieuwe bestemming in, of in de directe omgeving van het plangebied. Het betekent wel dat voorafgaand aan de werkzaamheden ten behoeve van de ontwikkelingen in het plangebied voorwaarden worden gesteld (en zijn uitgevoerd) aan de wijze en periode van de werkzaamheden en het opnemen/integreren van compensatie maatregelen zo nodig geborgd via een ontheffing dan wel een geldende gedragscode. Concluderend: de soortbescherming uit de Wet natuurbescherming vormt geen belemmering voor het vaststellen van het plan wat betreft rugstreeppad. Effecten ophoging Zowel de parklaag als de parkkamers worden gedeeltelijk opgehoogd. Voor de ophoging zijn nog verschillende opties mogelijk. Het ophogen van het gebied heeft geen effecten op andere dan de al genoemde soorten omdat de ophoging verlies aan actueel biotoop veroorzaakt en dat effect is al meegenomen als een gevolg van de herinrichting. Rode lijst dagvlinders Het bruin blauwtje is in de afgelopen vijf jaar éénmaal waargenomen in het plangebied.

Hethabitat van de soort bestaat uit droge, zandige, open kruidenrijke en schrale graslanden (Vlinderstichting, z.d.). Het plan is het plangebied op te hogen met grond(gebiedseigen materiaal), mogelijk kan de soort hiervan profiteren. De inrichting heeft naar verwachting dan ook geen negatief effect op de soort. Blad 38 van 90

Achtergrondrapport Groenblauw MER PARK21 projectnummer 0417636.109 10 december 2021 Gemeente Haarlemmermeer

Rode lijst vaatplanten In het plangebied komt een aantal Rode Lijst plantensoorten voor. Deels mogelijk het resultaat van inzaaiacties. Het gaat om een beperkt aantal waarnemingen op overwegend al ingerichte delen van het plangebied. De plannen hebben naar verwachting geen negatief effect op de soorten.

3.3.2

Effecten op Natura 2000-gebieden Uit de bureaustudie blijkt dat op circa 4 kilometer afstand van het plangebied het Natura 2000gebied Kennemerland-Zuid ligt (andere Natura 2000-gebieden liggen op grotere afstand). Vanwege de ligging van het plangebied ten opzichte van Natura 2000-gebied Kennemerland-Zuid zijn alle storingsfactoren uitgesloten met uitzondering van vermesting en verzuring als gevolg van stikstofdepositie. Voor de meervleermuis geldt bovendien dat er voorwaarden van toepassing zijn. Indien hier niet aan kan worden voldaan is nader onderzoek noodzakelijk (Zie 3.3.1 Vleermuizen). Stikstofdepositie is het gevolg van emissie van stikstofoxiden (NOx) en ammoniak (NH3). Belangrijke bronnen van NOx zijn verkeer en bedrijvigheid. NH3 komt onder andere vrij bij dierhouderijen en bemesting van landbouwgrond, maar ook (in mindere mate) t.g.v. verkeer en bedrijvigheid. . In PARK21 worden initiatieven gerealiseerd die NOx -en NH3-emissies veroorzaken, zoals bedrijven en voorzieningen en het aanvullende verkeer dat gaat rijden t.b.v. de voorgenomen ontwikkeling. Tegenover deze emissietoename staat een emissiereductie, als gevolg van het uit productie halen van agrarische grond. Deze gronden worden in huidige situatie bemest. Tijdens het bemesten komt NH3 vrij. Door het uit gebruik nemen van deze gronden zal de bemesting en de daarmee samenhangende NH3-emssies worden beëindigd.

De verdwijnende emissie t.g.v. het stopzetten van de bemesting kan mogelijk worden gebruikt als saldering t.o.v. de beoogde ontwikkeling. Op basis van verkennende berekeningen is de verwachting dat deze saldering, bij de uitgangspunten voor de minimale variant en de maximale variant, onvoldoende is om toename van stikstofdepositie op overbelaste habitats te voorkomen. De bijdragen zijn naar verwachting klein, maar significant negatieve effecten kunnen hierdoor niet op voorhand worden uitgesloten. Deze voorlopige resultaten geven aanleiding om in de uitwerking van de plannen voor PARK21 nadrukkelijk aandacht te besteden aan het aspect stikstofdepositie. Meer over de stikstofdepositie wordt beschreven in paragraaf 3.4.3. Conclusie is dat gezien de afstand tot stikstofgevoelige habitattypen in de Natura 2000-gebieden en de voorgenomen werkzaamheden effecten als gevolg van vermesting en verzuring door stikstofdepositie niet op voorhand zijn uit te sluiten. Een AERIUS-berekening kan hier duidelijkheid in verschaffen. Afhankelijk van de uitkomsten van die berekening kunnen eventueel noodzakelijke vervolgstappen worden bepaald. Zonder AERIUS-berekening kan niet met zekerheid gesteld worden dat de gebiedsbescherming de uitvoering van het plan niet belemmert.

Blad 39 van 90

Achtergrondrapport Groenblauw MER PARK21 projectnummer 0417636.109 10 december 2021 Gemeente Haarlemmermeer

Vervolgstappen Als gevolg van de plannen kunnen significante negatieve effecten op de Natura 2000-gebieden niet bij voorbaat met zekerheid uitgesloten worden. Een AERIUS-berekening is noodzakelijk om te kunnen bepalen of er kans is op significant negatieve effecten met betrekking tot stikstofdepositie. Aan de hand van de AERIUS-berekening kunnen eventueel noodzakelijke vervolgstappen worden bepaald. Voor eventueel noodzakelijk stappen m.b.t. (meer)vleermuizen (in verband met de instandhoudingsdoelstelling van Natura 2000 voor de meervleermuis) zie 3.3.1

3.3.3

Effecten op het Natuurnetwerk Nederland (NNN) De percelen NNN binnen het plangebied zijn al ingericht en er is van directe aantasting van de NNN dus geen sprake. Om te kunnen bepalen of er sprake is van indirecte aantasting is het nodig de plannen de toetsen aan de wezenlijke kenmerken en waarden (wkw), het oppervlak en de samenhang van de NNN. De wkw van het NNN in Noord-Holland bestaan (op deelgebiedsniveau) uit de aanwezige actuele en potentiële natuurwaarden waarvoor de provincie Noord-Holland op (inter)nationaal of regionaal niveau een grote (beleidsmatige) verantwoordelijkheid draagt, inclusief alle noodzakelijke abiotische en ruimtelijke condities voor deze natuurwaarden. De wezenlijke kenmerken en waarden van het betreffende NNN-gebied ‘Haarlemmermeer Z13’ zijn in de Omgevingsverordening beschreven. De actuele natuurwaarden luiden als volgt: ‘Kenmerkend is de afwisseling van bos, bosranden en open graslanden (N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland), waar ook recreatief medegebruik plaatsvindt. De meer aaneengesloten bosstructuren zijn nog relatief jong en deels ook eenvormig. Actueel is nog geen sprake van specifieke natuurwaarden of soortgroepen, maar bestaat de kwaliteit vooral uit het samenhangende groene karakter en de kleinschalige afwisseling (multifunctionele natuur). Deze kwaliteit vormt de basis voor zowel natuurbehoud als recreatie’.

En de potentiële natuurwaarden zijn ‘Met name de jonge bossen hebben de potentie voor de ontwikkeling naar gevarieerd loofbos op vochtige tot droge kleibodems (N14.03 Haagbeuken- en essenbos). Voor bosvogels en andere kenmerkende soorten van oude bossen is de potentie beperkt door de relatief geïsoleerde ligging en beperkte oppervlakte van de bossen. Door extensief beheer van aangrenzende graslanden kunnen wel gevarieerde bosranden met struweel en bloemrijke ruigten ontstaan en bij toenemende ouderdom en consequent beheer kan ook de kwaliteit van de nog jonge graslanden toenemen. In het Natuurbeheerplan is ook een strook met het natuurdoeltype N05.03 Veenmoeras (nieuw type per 1-1-2021) opgenomen. Veenmoerassen komen voor op de overgang van water naar land. Kenmerken voor deze moerassen is dat ze in de huidige situatie zeer nat zijn, maar een geringe waterdynamiek kennen. Het plan voor PARK21 heeft geen negatief effect op de actuele natuurwaarden (bos, bosranden en open graslanden met recreatief medegebruik). Het plan voor PARK21 heeft geen effect op de oppervlakte van NNN-gebied Haarlemmermeer, geen effect op de kwaliteit omdat er al rekening wordt gehouden met verstoring door recreatie en de kwaliteit met name bepaald wordt door geïsoleerde ligging en beperkte oppervlakte en er is geen negatief effect op de samenhang van gebieden.

Wanneer de gewenste verbinding door PARK21 gerealiseerd wordt, is er zelfs een Blad 40 van 90

Achtergrondrapport Groenblauw MER PARK21 projectnummer 0417636.109 10 december 2021 Gemeente Haarlemmermeer

positief effect op de kwaliteit van het NNN-gebied (mogelijkheden voor het spreiden van de recreatiedruk, eventueel via een zonering) en samenhang met andere gebieden. De beoogde inrichting van PARK21 heeft geen negatief effect op de wkw, oppervlakte, kwaliteit en samenhang van NNN-gebied Haarlemmermeer. Concluderend: Significant negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden van de NNN zijn uitgesloten. De biodiversiteit in het plangebied door de aanleg van de parklaag en natuurinclusieve transformatie van de te handhaven landbouwgebieden zal toenemen. Het natuurbeleid van het NNN vormt geen belemmering voor het vaststellen van het plan.

3.3.4

Samenvatting effecten/vergelijking varianten Het totaaleffect op de natuur is positief, zowel bij de minimalevariant als bij de maximale variant. In dit positieve overall effect is meegewogen dat het bestaande biotoop en leefgebied voor bepaalde soorten in het plangebied (deels of tijdelijk) verdwijnt in zowel de eindvariant als de basisvariant. Dit weegt negatief, maar de aanwezige biotopen hebben een beperkte waarde in de actuele situatie. Door de ontwikkeling van het park ontstaan nieuwe biotopen die bijdragen aan de biodiversiteit. Deze plus weegt bij beide varianten zwaarder dan de eerdere min. Het uiteindelijke positieve effect zal sterk afhangen van de recreatiedruk en eindomvang van de parklaag en van de uitwisselingsmogelijkheden met de omgeving (zie paragraaf 3.4.2 waarin daarover aanbevelingen staan). Ten aanzien van NNN zijn significant negatieve effecten uitgesloten. Ten aanzien van N2000 is – rekening houdend met de randvoorwaarden voor de meervleermuis – alleen stikstof een mogelijk effect. Meer over de stikstofdepositie wordt beschreven in paragraaf 3.4.3.

3.4

Biodiversiteit versterken De doelstelling voor PARK21 “versterken biodiversiteit” past bij een duurzame ontwikkeling en sluit aan bij de natuurwetgeving en -beleid. Biodiversiteit zorgt voor schoon water, vruchtbare grond en een stabiel klimaat. Biodiversiteit en gezonde ecosystemen zijn van cruciaal belang voor de mens. Ze zorgen bijvoorbeeld voor bestuiving en plaagbeheersing, maken recreatie mogelijk. Om dit ook in de toekomst te kunnen waarborgen, is het noodzakelijk om de biodiversiteit te beschermen. Ook de Wet natuurbescherming (Wnb) voorziet in de bescherming van natuur en biodiversiteit. De Europese regelgeving, met name de Vogel- en habitatrichtlijn, vormt het kader en het uitgangspunt van deze wet. De Vogelrichtlijn (1979) en de Habitatrichtlijn (1992) zijn door de Europese Unie opgesteld om de biologische biodiversiteit in Europa in stand te houden. De Wet natuurbescherming is daarvoor onder meer opgedeeld in passieve en actieve soortbescherming. Bij passieve bescherming gaat het over beschermde soorten, via verboden en het stelsel van uitzonderingen op de verboden. Actieve soortbescherming is een verplichting om de nodige maatregelen te nemen voor bescherming van leefgebieden en behoud of herstel van gunstige staat van instandhouding van soorten (ook rode lijst soorten) 2. En dit is waar de gebiedsgerichte 2

Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is onderdeel van de actieve soortbescherming uit de Wet natuurbescherming; bedreigde dier- en plantensoorten in een gunstige staat van instandhouding te brengen. Om dit te realiseren is in de Wnb art. 1.12, lid 2 vastgelegd dat de provincies zorgen voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd Natuurnetwerk Nederland. Blad 41 van 90

Achtergrondrapport Groenblauw MER PARK21 projectnummer 0417636.109 10 december 2021 Gemeente Haarlemmermeer

bescherming onder de Wet natuurbescherming, de realisatie en instandhouding van NNNgebieden en de doelstelling ten aanzien van biodiversiteit in PARK21 samenkomen. Het belang van biodiversiteit bij PARK21 is echter breder dan alleen de bescherming van soorten, gezien de relevantie van biodiversiteit en gezonde ecosystemen voor de mens. Daarom is er in dit achtergrondrapport een afzonderlijke paragraaf aan gewijd.

3.5

Streefbeeld natuur voor het plangebied Het streefbeeld voor de vergroting van biodiversiteit is gebaseerd op: • De waarden waarvoor de Natura 2000-gebieden in de omgeving aangewezen zijn. • De omvang, kwaliteit en samenhang in het Natuurnetwerk Nederland in en in de directe omgeving van het plangebied. • Het streefbeeld voor de natuurverbinding Haarlemmermeer. • De abiotische situatie van het plangebied, actueel en na het aanbrengen van de grond. De mogelijke natuurbouwstenen voor PARK21 heeft Buiting Advies beschreven in een Leidraad voor de inrichting van de groene buitenruimte. De verschillende vormen van inrichting zijn groene bouwstenen genoemd en spelen een rol in alle functies binnen P21, dus zowel natuur, als landschap, als recreatie. De informatie die verzameld via door de hiervoor genoemde vier punten leidt tot inzicht in de mogelijkheden en gewenste invulling van de natuurdoelen voor PARK21 met als einddoel de biodiversiteit te vergroten. In paragraaf 3.4.2 worden daartoe ook nog aanbevelingen geformuleerd. Ligging tussen Duin en Laagveenmoeras Ten westen van het gebied ligt het Natura 2000-gebied Kennemerland-Zuid; een duingebied en ten zuidoosten het Natura 2000-gebied Nieuwkoopse Plassen & De Haeck; een laagveenmoeras.

Het Habitatrichtlijngebied Kennemerland-Zuid is een uitgestrekt, reliëfrijk en landschappelijk afwisselend gebied, dat grotendeels bestaat uit kalkrijke duinen. Aan de binnenduinrand zijn diverse landgoederen aanwezig. Hier zijn een aantal oude buitenplaatsen gelegen, die voor een aanzienlijk deel bebost zijn met naaldbos en loofbos, waaronder oude bossen met rijke stinzeflora. De vogelbevolking van het duinlandschap is mede door de gevarieerde landschapsstructuur zeer rijk, maar broedvogels van het open duin, zoals Wulp en Tapuit, zijn schaars geworden. Mogelijk speelt ook de toegenomen recreatie hierin een rol. Zowel de duinplassen als het infiltratiegebied zijn rijk aan moeras- en watervogels. De binnenduinrandbossen en de naaldbossen zijn rijk aan vogels. Voor overwintering van de Meervleermuis (H1318) zijn oude bunkers in het gebied van groot belang. Het vogel- en habitatrichtlijngebied de Nieuwkoopse Plassen en de Haeck omvat restanten van het voormalige Hollandse kustvlakteveen. De is een laagveenverlandingsgebied waarin, naast veenplassen met bijzondere watervegetaties, een grote oppervlakte overgangsveen en moerasheide is gevormd. Het is tevens het meest westelijk gelegen verlandingsgebied waarin nog lokaal goed ontwikkelde vegetaties van basenrijk overgangsveen te vinden zijn.

Dit is belangrijk broedgebied voor broedvogels van rietmoerassen (Roerdomp, Purperreiger, Snor, Rietzanger). Het is ook van enig belang als broedgebied voor enkele andere moeras- en watervogels. Vanuit internationaal oogpunt is de Noordse woelmuis een van de belangrijkste diersoorten in het plassengebied. De populatie is van groot belang, omdat in het gehele Groene Hart nog slechts op een enkele plaats populaties van de soort voorkomen. Uitwisseling vindt plaats met twee kleine populaties langs de Grecht, zuidoostelijk van het Natura 2000-gebied, waarbij de tussenliggende graslanden als migratieroutes fungeren. Wat betreft de vleermuizen zijn uit het gebied rondom de Blad 42 van 90

Achtergrondrapport Groenblauw MER PARK21 projectnummer 0417636.109 10 december 2021 Gemeente Haarlemmermeer

Nieuwkoopse Plassen kraamkolonies bekend van zeven soorten, waaronder de Meervleermuis. Voor deze laatste soort betreft het een van de drie grootste kraamkolonies in Noordwest-Europa. De vleermuizen foerageren op de wateren van het plassengebied.

Figuur 3.5: Ligging Natura 2000-gebieden in de omgeving van het plangebied.

Water- en moerasvogels en de meervleermuis 3 vormen de gemeenschappelijke natuurwaarden en daarmee een mogelijke basis voor de te kiezen Groene bouwstenen. Door de keuze voor groene bouwstenen af te stemmen op de eisen die deze soorten stellen aan hun leefgebied, vergroot de kans op kolonisatie door deze soorten in het plangebied en daarmee tot een uitbreiding van het leefgebied van de genoemde soorten/soortgroepen.

3

Biotoopeisen foerageergebied meervleermuis zijn: groot open water en langs oevers van plassen, meren, kanalen, rivieren en vaarten. Maar ook vochtige weilanden en bosranden, binnen een straal van 500 meter van water. Blad 43 van 90

Achtergrondrapport Groenblauw MER PARK21 projectnummer 0417636.109 10 december 2021 Gemeente Haarlemmermeer

Natuurnetwerk Nederland en aanwezige soorten Versnippering van natuurgebieden wordt wereldwijd gezien als een van de belangrijkste problemen voor het behoud van biodiversiteit. Naast ‘omvang’ en ‘kwaliteit’ is ‘samenhang’ daarom een van de kenmerken van het Natuurnetwerk Nederland. De wens voor een verbinding komt uit het NNN. Deze verbindt de landgoederen bij Haamstede en Bennebroek (het gebied Z5) met de laagveenplassen (A1). De natuur in aangrenzende NNN-gebieden bestaat voornamelijk uit graslanden, parkbossen en plassen. De natuur in PARK21 kan een uitbreiding van het leefgebied van soorten betekenen die momenteel in de NNN-gebieden voorkomen, gezien de te ontwikkelen biotopen binnen het plangebied. Daarnaast kan het plangebied als natuurverbinding een schakel vormen tussen de natte gebieden en de meer droge natuur zoals de landgoederen bij Heemstede en Bennebroek. Voor de inrichting als verbinding zijn de eisen die de soorten aan de migratieroute leidend. Aan weerszijden van PARK21 komen vleermuizen (o.a. rosse- en watervleermuis) voor. Ook wordt aan beide zijden de ringslang verwacht. Naast deze soorten is een verbinding voor vissen, boommarter, kleine zoogdieren 4, moeras- en rietlandvogels (zoals kleine karekiet, blauwborst, waterral) gewenst. Voor verschillende genoemde soorten is een gecombineerde natte en droge verbinding van belang.

Voor onder andere amfibieën en zoetwatervissen is een doorlopende watergang van belang. De oeverzones dienen leefgebied te vormen voor kleine marterachtigen en andere (algemene) zoogdieren. Riet- en moeraszones zijn belangrijk als broedgebied en migratieroute voor algemene moeras- en rietvogels. De watergang en oeverstructuren zijn van belangrijk als vliegrouteondersteuning en foerageergebied voor vleermuizen. De droge verbinding is onder andere van belang voor kleine marterachtigen, vleermuizen, vogels, vlinders, etc.. De aanbeveling is om ook een verbindende functie (geïnspireerd op de NNN-opgave in de omgeving) vorm te geven binnen de parklaag en in de overgang naar de polderlaag. Dat betekent dat PARK21 dusdanig ingericht wordt dat het een onderdeel kan vormen van de verbinding tussen de westelijk en oostelijk gelegen NNN-gebieden. De verbinding is nu nog geprojecteerd langs de Bennebroekertocht maar daar zitten mogelijk niet op te lossen knelpunten in (bijvoorbeeld door ruimtegebrek) in de gebiedsopgave die hier voorzien is. Daarin verdient het de aanbeveling om uit te gaan van de NNN-opgave om vorm te kunnen geven aan de verbindende functie binnen de parklaag van PARK21 om de verbinding ruimtelijk mogelijk te maken c.q. te kunnen aansluiten op andere mogelijkheden die er zijn voor een oost-westverbinding.

Natuurverbinding Haarlemmermeer en omgeving Ten noorden van PARK21 moet een deel van de natuurverbinding ‘Haarlemmermeer en omgeving’ (ZNV1*) worden gerealiseerd. De totale natuurverbinding heeft een lengte van 74 km (Zie figuur 3.6) en bestaat overwegend uit natte verbindingen. Voor de hele natuurverbinding van 74 km zijn doelen geformuleerd. De verbinding door PARK21 is slechts een deel van die 74 km.

4

De otter volgt uit de wezenlijke kenmerken en waarden van de NNN-verbindingen in de gemeente Haarlemmermeer. Het plangebied zal niet zeer als leefgebied functioneren (watergang is smal/ondiep, zeker in de winter). Echter, voor het functioneren als verbinding is het vooral belangrijk dat het onverstoord is en een goede waterkwaliteit heeft. Daarmee kan het plangebied wellicht wel functioneren als corridor/verbinding. Daarom wordt meer in algemene zin ‘kleine zoogdieren’ in plaats van otter als doelsoort opgenomen. Blad 44 van 90

Achtergrondrapport Groenblauw MER PARK21 projectnummer 0417636.109 10 december 2021 Gemeente Haarlemmermeer

Figuur 3.6: Natuurverbindingen Haarlemmermeer in oranje. De in eerste instantie beoogde locatie van de natuurverbinding is blauw omlijnd

Grote noord-zuidgeoriënteerde watergangen verbinden de natte natuur van de verschillende plassen. West-oost georiënteerde zijtakken verbinden droge natuur met de Westeinderplassen, Molenpoel en Schinkelbos (A1) en Landgoederen bij Heemstede en Bennebroek (Z5), Haarlemmermeersebos en Groene Weelde (Z12) en Venneperhout (Z13). Doelsoorten zijn migrerende soorten, waaronder de otter, ringslang, trekvissen, amfibieën en zoetwatervissen. De oeverzone is leefgebied voor kleine marterachtigen en andere algemene kleine zoogdieren (waaronder egel en muizen). De (bredere) riet- en moeraszones zijn van belang als broedgebied en migratieroute voor algemene moeras- en rietvogels. Voor vleermuizen, zoals watervleermuis, zijn de wateren en oeverstructuren van belang als foerageergebied en vliegroute. De verbinding ten noorden van PARK21 is één van de west-oost georiënteerde zijtakken. De verbinding staat geprojecteerd langs de Bennebroekerweg. Dit betreft een bijna doorgaande natte verbinding. Er ontbreekt ter plekke een droge verbinding en de vraag is daarmee of de droge verbinding daar ook gerealiseerd kan worden door het intensieve gebruik van de zone (wonen, wegen etc). In PARK21 zijn echter ook kansen met betrekking tot de realisatie van een droge verbinding in combinatie met de versterking van de natte verbinding.

Knelpunten hierbij zijn de reeds aanwezige barrières in de vorm van verschillende peilen, busbaan, spoor etc. Binnen PARK21 is het lastig om een volwaardige blauwe ader van het oosten naar het westen te realiseren.

Blad 45 van 90

Achtergrondrapport Groenblauw MER PARK21 projectnummer 0417636.109 10 december 2021 Gemeente Haarlemmermeer

Natuurdoelen PARK21 Het vertrekpunt voor biodiversiteit/natuur in PARK21 is primair de gebiedseigen flora en fauna, passend bij de abiotische en biotische omstandigheden die kenmerkend zijn voor polders in dit deel van Nederland. Buiting Advies heeft in opdracht van de gemeente Haarlemmermeer een leidraad Groene Bouwstenen opgesteld voor PARK21. In deze leidraad wordt de samenhang en herkenbaarheid van het groen in PARK21 geborgd. Met kaders, regels, aanbevelingen en voorbeelden wordt richting gegeven aan ontwerp, aanleg en beheer van groene elementen die samen de groene ruimte van PARK21 zullen vormen. Het groen voor PARK21 is in deze leidraad al voor een groot deel uitgewerkt. In deze paragraaf worden de groene bouwstenen uit de leidraad gekoppeld aan de wensen/eisen vanuit natuurgebieden en de aanwezige soorten in de omgeving en de eisen die deze soorten aan hun omgeving stellen. Op deze manier wordt inzicht gegeven welke groene bouwstenen aansluiten op die wensen. Om aan te sluiten op de NNN-systematiek (als middel om biodiversiteitsdoel in te vullen) geeft tabel 3.4 de koppeling weer tussen de natuurbeheertypen en de groene bouwstenen. Te zien is dat de reeds opgestelde groene bouwstenen goed aansluiten bij de natuurbeheertypen.

Natuurbeheertype:

N04.02 Zoete plas

N05.03 Veenmoeras

N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland

Groene bouwsteen: Bos Struweel/mantel Boomweide Laan/singel Haag Zoom Kruidenrijk gras X Oppervlaktewater X Moeras Tabel 3.4: Koppeling groene bouwstenen en natuurbeheertypen

X X

N14.03 Haagbeukenen essenbos

N17.03 Parken stinzenbos

X X X X X X

x x X X X x X

Eerder is aangegeven dat PARK21 een functie kan hebben voor een aantal soorten. In tabel 3.5 is de koppeling gemaakt tussen die soorten en de groene bouwstenen. Te zien is dat de opgestelde groene bouwstenen geschikt zijn voor de gewenste (doel)soorten.

Blad 46 van 90

Achtergrondrapport Groenblauw MER PARK21 projectnummer 0417636.109 10 december 2021 Gemeente Haarlemmermeer

Soort: Klein e Kleine zoog marterdiere Ringachtigenr n slang

Bosen/of struweelvogels

Gewone/ Riet- en Ruige LaatMoeras- dwergvlievogels vleermuis ger

Rosse Water- en vleer- Meermuis vleermuis

Groene bouwsteen: Bos

X

x

X

X

X

X

Struweel/mantel

X

x

X

X

X

X

Boomweide

X

x

X

X

X

X

Laan/singel

X

x

X

X

X

X

Haag

X

x

X

X

X

X

x

X

X

X

X

x

X

X

X

X

X

X

X

X

X

Zoom Kruidenrijk gras Oppervlaktewater

X

X

X

X X X Moeras Tabel 3.5: koppeling groene bouwstenen en gewenste soorten

3.5.1

X X

Aanbevelingen Uit de beschrijving van het streefbeeld en de invulling van de ambities ten aanzien natuur, in relatie tot de natuurbeheertypen en de groene bouwstenen, volgen ook aanbevelingen vanuit natuurperspectief. In de aanbevelingen zijn prioriteiten te stellen • Must haves (M): deze eisen moeten in de uitwerking van PARK21 terugkomen, zonder deze eisen is de kans dat de ambitie gehaald wordt wel erg beperkt; • Nice te haves (N): deze eisen zijn zeer gewenst, maar zonder is de ambitie nog wel te behalen; Deze prioriteiten zijn gekoppeld aan het wel of niet kunnen behalen van ‘de ambitie’. Dat is de ambitie ten aanzien van het vergroten van de biodiversiteit. Dat wordt gerealiseerd door de herinrichting van het gebied met een grotere diversiteit aan (natuurlijke) biotopen. Deze ambitie kan niet los gezien worden van de zogenaamde NNN-opgave (aandacht voor de samenhang met omliggende natuurgebieden) omdat deze samenhang ook de biodiversiteit zal vergroten.

Maak de recreatieplas geschikt voor recreatie én natuur (N) Door in en rondom de recreatieplas ‘verstoringsluwe plekken’ te creëren (bijv. door middel van een rietkraag mits geen effect op ontstaan van zwemmersjeuk door cercariën) en/of de recreatie te centreren kan de recreatieplas ook een functie bieden voor diverse natuurwaarden. Hiermee dient de recreatieplas potentieel een functie voor bijvoorbeeld diverse soorten watervogels, zoogdieren als otter, watervleermuis en meervleermuis maar ook voor diverse soorten vissen, amfibieën, insecten, reptielen en planten. Door in en rondom de recreatieplas ‘verstoringsluwe plekken’ te creëren (bijv. door middel van een rietkraag) en/of de recreatie te centreren kan de recreatieplas ook een functie bieden voor diverse natuurwaarden. Blad 47 van 90

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Haarlemmermeer&id=d2068c81-6c08-4923-ba91-0c382473217d