Bijlage 1 - Ruimtelijke onderbouwing
Tekst van het document
5.4 Cultuurhistorie en archeologie 5.4.1 Wet- en regelgeving Rijksbeleid In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet ingegaan totdat de Omgevingswet in werking treedt. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Onder andere de Monumentenwet is hierin opgegaan. Op basis van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Artikel 5.10 lid 1 van de Erfgoedwet stelt namelijk: 'Degene die anders dan bij het verrichten van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologische vondst betreft, meldt dit zo spoedig mogelijk bij Onze Minister'. Cultuurhistorie en monumenten Met ingang van 1 januari 2012 is het gewijzigde Besluit ruimtelijke ordening (Bro) in werking getreden. Het voorstel tot wijziging is een uitvloeisel van de Beleidsbrief Modernisering Monumentenzorg (MoMo) uit 2009.
Op basis van artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a Bro moeten naast de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten ook cultuurhistorische waarden worden meegewogen bij het vaststellen van bestemmingsplannen. In het plangebied staat geen cultuurhistorische bebouwing. Evenmin worden de cultuurhistorische waarden in en rondom het gebied aangetast. Archeologiebeleid gemeente Haarlemmermeer (2012) De gemeenteraad van Haarlemmermeer heeft op 17 februari 2011 de gemeentelijke beleidsnota 'Erfgoed op de kaart' vastgesteld. Speerpunten van de nota zijn archeologie, het cultureel erfgoed beter benutten bij ruimtelijke ontwikkelingen en herbestemming van monumenten. In de Haarlemmermeer zijn op bescheiden schaal archeologische waarden aangetoond. Op een aantal plaatsen is bij nieuwe ontwikkelingen, vooral als deze grootschalig zijn, verkennend archeologisch onderzoek vereist. De gemeente voert dan ook een beleid dat in eerste instantie gericht is op behoud van waardevolle elementen en structuren, waarbij de omvang van de bodemverstorende activiteit bepalend is. Op het plangebied rust geen archeologische dubbelbestemming; er worden geen archeologische vondsten verwacht. In verband hiermee is geen
27
archeologisch onderzoek uitgevoerd. Indien bij werkzaamheden onverhoopt toch archeologische vondsten (zogenaamde toevalsvondsten) worden aangetroffen is men conform de Erfgoedwet verplicht deze te melden bij het bevoegd gezag. 5.4.2 Onderzoek Cultuurhistorie Omdat er geen monumenten in de directe omgeving van het plangebied aanwezig zijn en er een lage archeologische verwachtingswaarde op de locatie rust is er voor beide onderwerpen geen onderzoek nodig. Voor de volledigheid is hierop volgend toch een cultuurhistorische verkenning gedaan. In het plangebied van het bestemmingsplan 'Nieuw-Vennep', waarin onderhavig plan gelegen is, zijn enkele monumenten te vinden. Zo is het toegangshek van de Begraafplaats Taxushof aan de Bosstraat/Rustoordstraat uit de tweede helft van de 19e eeuw een gemeentelijk monument. Hetzelfde geldt voor de N.H. Kerk en pastorie aan de Hoofdweg. De boerderij Margaretha's Hoeve aan de Hoofdweg 1327 is een rijksmonument. Aan de Madeliefstraat staat een molen waarvan de stenen onderbouw dateert uit 1858. Tot 1926 was de oorspronkelijke molen in gebruik. Hier is nu een restaurant in gevestigd. Archeologie Op het plangebied rust geen archeologische dubbelbestemming; er worden geen archeologische vondsten verwacht. In verband hiermee is er geen archeologisch onderzoek noodzakelijk.
Indien bij werkzaamheden onverhoopt toch archeologische vondsten (zogenaamde toevalsvondsten) worden aangetroffen is men conform de Erfgoedwet verplicht deze te melden bij het bevoegd gezag. 5.4.3 Conclusie Het initiatief doet recht aan de cultuurhistorische en archeologische waarden van het plangebied en de omgeving. De aspecten cultuurhistorie en archeologie vormen dan ook geen belemmering voor onderhavig plan.
5.5 Geluid 5.5.1 Wet- en regelgeving Wegverkeer In de Wet geluidhinder is bepaald dat het bevoegd gezag bij vaststelling van een bestemmingsplan de wettelijke grenswaarden in acht moet nemen. Toetsing aan de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting van de Wet geluidhinder vindt plaats per weg. Het geluidsniveau ten gevolge van het wegverkeer dient op de gevels van nieuwe (of te wijzigen) woningen in de geluidszone van een weg te voldoen aan de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting (voorheen: voorkeursgrenswaarde). Deze bedraagt 48 dB. Indien dit geluidsniveau wordt overschreden kan de gemeente een hoger geluidsniveau toestaan de zogenaamde "Hogere waarde". De Hogere waarde mag enkel worden verleend indien uit akoestisch onderzoek is gebleken dat bron-, overdrachts- of gevelmaatregelen om het geluidsniveau terug of onder de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting te brengen niet mogelijk is. Aan de Hogere waarde is een maximum verbonden. Voor de nieuwbouw van woningen in binnenstedelijke situaties is dit 63 dB en in buitenstedelijke situaties is dit 53 dB. Deze niveaus zijn na aftrek van de correctie conform artikel 110g van de Wet geluidhinder. Spoorlawaai Bij de vaststelling of herziening van een bestemmingsplan dient op grond van artikel 4.1 van het Besluit geluidhinder (Bgh) iedere spoorlijn in beschouwing te worden genomen ter bepaling van de geluidsbelasting.
Deze spoorwegen hebben een door de Minister vastgestelde zone, volgens artikel 1 van de Wet geluidhinder. Binnen deze zone dient een akoestisch onderzoek plaats te vinden. Industrielawaai Op basis van artikel 40 van de Wet geluidhinder kunnen (delen van) industrieterreinen worden aangewezen als gezoneerd industrieterrein met een zonegrens. Dit betreft industrieterreinen waarop zich gronden bevinden die zijn aangewezen voor mogelijke vestiging van zogenaamde "zware lawaaimakers" als genoemd
28
in artikel 41 lid 3 van de Wet geluidhinder en artikel 2.1 lid 3 van het Besluit omgevingsrecht. Buiten de zonegrens mag de geluidbelasting vanwege het industrieterrein de waarde van 50 dB niet te boven gaan. De op 1 januari 2007 geldende ten hoogste toelaatbare geluidsbelastingen voor woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen en geluidsgevoelige terreinen – vastgelegd in eerder genomen besluiten – blijven gelden. Luchtverkeerslawaai Op grond van artikel 8.30a van de Wet luchtvaart stelt de Minister elk vijfde kalenderjaar een geluidsbelastingkaart vast. Die heeft betrekking op de geluidsbelasting (overdag (Lden) en 's nachts (Lnight) veroorzaakt door de luchthaven op woningen en bij Algemene Maatregel van Bestuur aan te wijzen categorieën van andere geluidgevoelige gebouwen. 5.5.2 Onderzoek Wegverkeer Het plangebied ligt binnen het onderzoeksgebied van een onderzoeksplichtige weg. De weg waar het plangebied aan gelegen is, is een gezoneerdeweg en daarmee onderzoeksplichtig. De overige omliggende wegen zijn niet-onderzoeksplichtige 30 km/u wegen. Om deze reden is er een akoestisch onderzoek opgesteld door Adviesburo Van der Boom (21-341, d.d. 03-02-2022) zie bijlagen bij toelichting Bijlage 3. De woningen liggen binnen de bebouwde kom van Nieuw-Vennep op ca.
14 meter uit de as van de gezoneerde Hoofdweg Oostzijde, op 52 m uit de as van de gezoneerde Hoofdweg Westzijde, op 61 m uit de as van de gezoneerde Zuiderdreef en op 55 m uit de as van de niet gezoneerde Madeliefstraat (30 km/u). De hoogste geluidbelasting door de Hoofdweg Oostzijde bedraagt 55 – 56 dB na aftrek van 5 dB ex art.110g Wgh. De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt daarmee op alle woningen overschreden. Er dient voor alle woningen een hogere waarde te worden aangevraagd voor de geluidbelasting door wegverkeer op de Hoofdweg Oostzijde. Het verlagen van de geluidbelasting door het treffen van maatregelen aan de bron ligt niet voor de hand uit financiële overwegingen. Afscherming van alle woonlagen is stedenbouwkundig ongewenst. Voor de woningen dient een hogere waarde te worden aangevraagd van 55 - 56 dB voor wegverkeer op de Hoofdweg Oostzijde conform tabel III.3. De geluidbelasting door de overige wegen ligt beneden de grenswaarde van 48 dB. Voor deze wegen is geen hogere waarde nodig. Bij het toetsen of sprake is van een “goede ruimtelijke ordening” is aangesloten bij het toetsingskader van de Wgh. Aan dit toetsingskader kan worden voldaan. De woningen hebben bovendien een geluidluwe achtergevel (zuidgevel) en een geluidluwe buitenruimte aan de zuidzijde.
Voor het aspect geluid zal daarom sprake zijn van een goede ruimtelijke ordening als voor de woning daarnaast wordt voldaan aan de eisen voor de geluidwering conform het Bouwbesluit. De geluidbelasting zonder aftrek op de noordgevel van de woningen bedraagt 60 - 61 dB zonder aftrek, De benodigde karakteristieke geluidwering GA;k bedraagt dan 27 - 28 dB. Voor de geluidluwe achtergevels bedraagt de benodigde karakteristieke geluidwering GA;k 20 dB. Dit is de minimale waarde conform het Bouwbesluit. Zoals uit het akoestisch onderzoek blijkt dienen de nieuwe woningen te voldoen aan de eisen voor geluidwering conform het Bouwbesluit. Om aan te tonen dat de woningen worden voorzien van voldoende geluidwering is een aanvullend onderzoek uitgevoerd door Adviesburo Van der Boom (21-341, d.d. 03-022022) zie bijlagen bij toelichting Bijlage 5. Volgens het Bouwbesluit 2012 moet in een nieuwbouwsituatie de zgn. karakteristieke geluidwering GA;k van de uitwendige scheidingsconstructie van een verblijfsgebied in een woning ten minste gelijk zijn aan de invallende geluidbelasting verminderd met 33 dB; voor verblijfsruimten gelden 2 dB lagere waarden voor de geluidwering G A;k. Aan de eisen kan worden voldaan met de volgende voorzieningen.
29
Ventilatie Uitgangspunt is de woningen te ventileren met mechanische toe- en afvoer, zonder roosters in de gevels. Beglazing Voor de geluidbelaste voorgevels is uitgegaan van dubbele beglazing HR++ 4-15-6, of akoestisch gelijkwaardig glas of paneel met een RA-waarde voor wegverkeer van minimaal 28,5 dB(A). Voor de dakramen is uitgegaan van Velux GGL0050 met beglazing 4-16-4, of akoestisch gelijkwaardig glas of paneel met een RA-waarde voor wegverkeer van minimaal 33,0 dB(A). Kozijnen, kierdichting en naaddichting Voor de geluidbelaste gevels is uitgegaan van houten of dubbelwandig kunststof kozijnen met beglazing (droge beglazing, band met/zonder topafdichting), vast dan wel met een goede enkelvoudige kierdichting (Deventer buisprofiel, indrukking ten minste 4,0 mm, zie bijlageblad DB-KG-07) op de bewegende delen, en met per draairaam of -deur 2 knevelgrendels of een meerpuntssluiting. De gehanteerde kierterm bedraagt 40 dB. De aansluitingen kozijn / wand moeten kierdicht worden uitgevoerd. Gevelconstructie De gevels bestaan uit een steenachtige spouwconstructie met een massa van ca. 400 kg/m2. Deze constructie heeft een RA-waarde voor wegverkeer van ca. 52 dB(A).
Dakkapel slaapkamer woning A03 De dakkapel van de slaapkamer grenzend aan de achtergevel kan worden uitgevoerd met zijwangen uit panelen met beplating aan de binnen en de buitenzijde op een geïsoleerde spouw met PUR/PS o.i.d. (zie detailblad DBBP- 02 detail BP 22), of akoestisch gelijkwaardig glas of paneel met een RAwaarde voor wegverkeer van minimaal 27,8 dB(A). Het platte dak dient te bestaan uit een geïsoleerd beschot met daaronder een plafond op een ruime spouw van ca. 10 cm. De spouw wordt gevuld met ca 30 mm minerale wol over ca. 50% van het oppervlak (zie detailblad DB-PD- 01 detail DP 3). Deze constructie heeft een RA-waarde voor wegverkeer van ca. 30 dB(A). Hellend dak Voor het hellende dak is uitgegaan van een pannendak met een geïsoleerde dakplaat op basis van minerale wol (>80 mm). Deze constructie heeft een RAwaarde voor wegverkeer van ca. 34 dB(A). Met de geluidwerende voorzieningen zoals voorgaand omschreven kan aan de eisen uit het Bouwbesluit voor de geluidwering worden voldaan (mechanische ventilatie, kozijnen met een goede enkelvoudige kierdichting, akoestische dubbele beglazing en geluidwerende gevel- en dakconstructies). Voor alle beschouwde verblijfsgebieden en – ruimten blijkt dat bij de geadviseerde voorzieningen aan de eis van de karakteristieke geluidwering GA;k wordt voldaan.
Het is van groot belang dat de voorzieningen volledig en zorgvuldig worden uitgevoerd. Alternatieve constructies moeten tijdig via herberekening aan de eisen worden getoetst. Spoorweglawaai In de nabijheid van het plangebied ligt geen spoorlijn. Industrielawaai In de omgeving van het plangebied zijn geen geluidgenererende bedrijven gevestigd. Luchtvaartverkeer Het plangebied is op ca. 8 km afstand van Schiphol gelegen. De locatie is echter niet binnen een beperkingsgebied gelegen van het Luchthavenindelingbesluit Schiphol (LIB), zoals in toelichting paragraaf 4.1.4 is geconcludeerd. Er kan er van uitgegaan worden dat onderhavige ontwikkeling geen overlast heeft van luchtvaartverkeer.
30
5.5.3 Conclusie Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat de grenswaarde van 48 dB wordt overschreden op de Hoofdweg Oostzijde. Voor de woningen dient een hogere waarde te worden aangevraagd van 55 - 56 dB voor wegverkeer op de Hoofdweg Oostzijde conform tabel III.3. Aangezien er een geluidbelasting van 61 dB zonder aftrek is, dient er met een aanvullend onderzoek aangetoond te worden dat de geluidwering van de gevels voldoet aan de eisen uit het bouwbesluit. Uit het aanvullend geluidweringonderzoek blijkt dat bij de geadviseerde geluidwerende voorzieningen, zoals voorgaand omschreven, aan de eisen uit het Bouwbesluit voor de geluidwering wordt voldaan (mechanische ventilatie, kozijnen met een goede enkelvoudige kierdichting, akoestische dubbele beglazing en geluidwerende gevel- en dakconstructies). Voor alle beschouwde verblijfsgebieden en – ruimten blijkt dat bij de geadviseerde voorzieningen aan de eis van de karakteristieke geluidwering GA;k wordt voldaan. Indien deze hogere waarde wordt verleend en de benodigde geluidwerende voorzieningen volledig en zorgvuldig worden uitgevoerd, er geen beperkingen meer zijn vanuit de Wet geluidhinder ten opzicht van onderhavige ontwikkeling.
5.6 Luchtkwaliteit 5.6.1 Wet- en regelgeving In de Wet milieubeheer gaat paragraaf 5.2 over luchtkwaliteit en staat ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’. Deze wet maakt onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in een de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3 % bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) (1,2 µg/m³) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3 % bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een woonwijk van minder dan 1.500 woningen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit. Deze kwantitatieve vertaling naar verschillende functies is neergelegd in de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen'.
Een belangrijk onderdeel voor de verbetering van de luchtkwaliteit is het Nationale Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Binnen dit NSL, dat sinds 1 augustus 2009 in werking is, werken het Rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren. Vanaf 1 januari 2015 geldt er ook een grenswaarde voor een kleinere fractie van fijn stof namelijk PM 2,5. De grenswaarde voor PM2,5 bedraagt 25 µg/m³. Gezien het grote verschil tussen de grenswaarde en de achtergrondconcentratie zullen overschrijdingen van deze grenswaarde niet vaak voorkomen. Het blijkt dat als de grenswaarde voor PM10 niet wordt overschreden, er geen overschrijding van de grenswaarde voor PM2,5 zal zijn. Het is de verwachting dat door het schoner worden van de autotechniek de concentratie van met name stikstofdioxide in de toekomst nog verder afneemt. In het kader van het opstellen van een bestemmingsplan moeten er twee aspecten in beeld gebracht worden. Ten eerste of de luchtkwaliteit de nieuwe functie toelaat. Ten tweede moet bekeken worden of het plan de luchtkwaliteit ‘niet in betekenende mate’ verslechtert. Indien het plan wel ‘in betekenende mate’ bijdraagt aan verslechtering van de luchtkwaliteit, is het van belang om te toetsen of de grenswaarden niet overschreden worden.
Indien geen overschrijding van de grenswaarden plaatsvindt, kan het plan alsnog gerealiseerd worden.
31
5.6.2 Onderzoek Met het voorgenomen plan wordt beoogd in totaal 1 twee-onder-een-kapwoning en 3 appartementen te realiseren. Het project is daarom aan te merken als een project van 'niet in betekenende mate'. Toetsing van het aspect luchtkwaliteit is daardoor, op grond van artikel 4 van de Regeling NIBM, niet noodzakelijk. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is met behulp van de NSL-monitoringstool gekeken naar de luchtkwaliteit in en rondom het plangebied. De achtergrondconcentraties over 2020 van fijnstof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) nabij het plangebied bedragen respectievelijk maximaal 16,3 μg/m³, 8,4 μg/m³ en 15,6 µg/m³. Daarmee wordt ruimschoots voldaan aan de wettelijke grenswaarden van 40 μg/m³ voor fijnstof PM10 en stikstofdioxide en 25 µg/m³ voor fijnstof PM2,5. In het kader van een goede ruimtelijke ordening beoordeelt de gemeente Haarlemmermeer nieuwe gevoelige functies op een minimale afstand van wegen. De afstand van een gevoelige functie tot een drukke weg wordt gemeten van de rand van de weg tot de grens waar de gevoelige functie begint (de verblijfsfunctie), doorgaans is dit de voorgevel van het gebouw. De minimale afstand van de weg tot aan de gevoelige functie is gerelateerd aan het aantal motovoertuigbewegingen per etmaal.
In het voorliggende geval moet de afstand van de voorgevel ten opzichte van de Hoofdweg Oostzijde en Madeliefstraat minimaal 2 m zijn, de afstand tot de Zuiderdreef moet minimaal 10 m zijn. Aan deze afstanden wordt voldaan. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling. 5.6.3 Conclusie Het project draagt niet in betekenende mate bij aan de concentratie van relevante stoffen in de buitenlucht. Daarnaast is er geen sprake van een (dreigende) overschrijding van de grenswaarden in het plangebied. Aldus staat de realisatie van het initiatief conform hoofdstuk 5, Titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Luchtkwaliteitseisen) dan ook niet in de weg.
5.7 Externe veiligheid 5.7.1 Wet- en regelgeving Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico’s:
• • •
risicovolle (Bevi-)inrichtingen; vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen; vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor.
Daarnaast wordt er in de wetgeving onderscheid gemaakt tussen de begrippen kwetsbaar en beperkt kwetsbaar en plaatsgebonden risico en groepsrisico. Kwetsbaar en beperkt kwetsbaar Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, kinderopvang- en dagverblijven en grote kantoorgebouwen (>1.500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kleine kantoren, winkels en horeca. De volledige lijst wat onder (beperkt) kwetsbaar wordt verstaan is in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) opgenomen.
32
Plaatsgebonden risico en groepsrisico Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 als grenswaarde. Het realiseren van kwetsbare objecten binnen deze contour is niet toegestaan. Het realiseren van beperkt kwetsbare objecten binnen deze contour is in principe ook niet toegestaan. Echter, voor beperkte kwetsbare objecten is deze 10-6 contour een richtwaarde. Mits goed gemotiveerd kan worden afgeweken van deze waarde tot de 10-5 contour. Het groepsrisico is gedefinieerd als de cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1.000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Het groepsrisico wordt niet in contouren vertaald, maar wordt weergegeven in een grafiek. In de grafiek wordt de groepsgrootte van aantallen slachtoffers (x-as) uitgezet tegen de cumulatieve kans dat een dergelijke groep slachtoffer wordt van een ongeval (y-as). Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een zogenaamde oriëntatiewaarde. Daarnaast geldt voor het groepsrisico een verantwoordingsplicht. Het bevoegd gezag moet aangeven welke mogelijkheden er zijn om het groepsrisico in de nabije toekomst te beperken, het moet aangeven op welke manier hulpverlening, zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid zijn ingevuld.
Het bevoegd gezag moet tevens aangeven waarom de risico's verantwoord zijn, en de veiligheidsregio moet in de gelegenheid zijn gesteld een brandweeradvies te geven. Hierbij geldt hoe hoger het groepsrisico, hoe groter het belang van een goede groepsrisicoverantwoording. Risicovolle (Bevi-)inrichtingen Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van belang. Het Bevi legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor mensen buiten de inrichting. Het Bevi is opgesteld om de risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven, te beperken. Het besluit heeft tot doel zowel individuele als groepen burgers een minimaal (aanvaard) beschermingsniveau te bieden. Via een bijhorende ministeriële regeling (Revi) worden diverse veiligheidsafstanden tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten gegeven. Aanvullend op het Bevi zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit (Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer) veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden. Vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen Met betrekking tot het beleid en de regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen zijn er de afgelopen jaren verschillende ontwikkelingen geweest.
Zo is er een nieuw Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en een Structuurvisie buisleidingen. Deze structuurvisie bevat een lange termijnvisie op het buisleidingentransport van gevaarlijke stoffen. Het Bevb en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) zijn op 1 januari 2011 in werking getreden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. Op basis van het Bevb wordt het voor gemeenten verplicht om bij de vaststelling van een ruimtelijk plan, op basis waarvan de aanleg van een buisleiding of een kwetsbaar object of een risicoverhogend object mogelijk is, de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico in acht te nemen en het groepsrisico te verantwoorden. Vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan. Zo moet een basisveiligheidsniveau rond transportassen (plaatsgebonden risico) en een transparante afweging van het groepsrisico worden gewaarborgd. Als onderdeel van het Bevt is op 1 april 2015 tevens het basisnet in werking getreden. Het basisnet verhoogt de veiligheid van mensen die wonen of werken in de buurt van rijksinfrastructuur (auto-, spoor- en vaarwegen) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd.
In de regeling ligt vast wat de maximale risico’s voor omwonenden mogen zijn. Die begrenzing was er tot nu toe niet. Bovendien zorgt het basisnet ervoor dat gevaarlijke stoffen tussen de belangrijkste industriële locaties in Nederland en het buitenland vervoerd kunnen blijven worden.
33
Indien een ruimtelijk plan betrekking heeft op een gebied dat geheel of gedeeltelijk gelegen is binnen 200 m van een (basisnet)transportroute voor gevaarlijke stoffen, moet in de toelichting ingegaan worden op de dichtheid van personen in het invloedsgebied van de transportroute op het tijdstip waarop het plan wordt vastgesteld. Hierbij moet rekening worden gehouden met de personen die a) in dat gebied reeds aanwezig zijn, b) in dat gebied op grond van het geldende bestemmingsplan redelijkerwijs te verwachten zijn en c) de redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen in het gebied waarop dat plan betrekking heeft. 5.7.2 Onderzoek Voor de beoordeling of in de omgeving van het plangebied risicovolle inrichtingen en/of transportroutes gevaarlijke stoffen aanwezig zijn is de risicokaart geraadpleegd. De volgende afbeelding toont een uitsnede van deze kaart:
Uitsnede risicokaart, plangebied is zwart omlijnd (Bron: Atlasleefomgeving.nl)
Uit de risicokaart blijkt dat er op circa 340 m ten noordoosten van het plangebied een bufferbewaarplaats is. In deze bufferbewaarplaats wordt vuurwerk opgeslagen. Deze inrichting brengt echter dusdanig weinig risico met zich mee dat het niet aan te merken is als bevi-inrichting. Aanvullend op het Bevi zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit (Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer) veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden. De betreffende bufferbewaarplaats beschikt slechts over een 'veiligheidsafstand voorwaarts' van 8 meter. Dit houdt 8 meter afstand in zowel horizontale als verticale richting, gemeten in bolvorm vanaf het middelpunt van de deuropening. Met een afstand van 340 meter voldoet het plangebied aan de richtafstand. Uit het geldende bestemmingsplan 'Nieuw-Vennep' (2014) blijkt tevens dat er 180 meter ten westen van het plangebied een tankstation gevestigd is, waarbij het overeenkomstig het bestemmingsplan mogelijk is een LPG-station te realiseren. Momenteel wordt er echter geen LPG verkocht bij het tankstation en is er tevens geen LPG-installatie aanwezig. Daarmee is er geen direct gevaar voor het plangebied.
5.7.3 Conclusie Bij externe veiligheid gaat het om de gevaren die in de directe omgeving aanwezig zijn in het geval er iets mis mocht gaan tijdens de productie, het behandelen of het vervoeren van gevaarlijke stoffen. De daaraan verbonden risico's moeten aanvaardbaar blijven.
34
Vanuit spoor-, vaarwegen, wegtransport, buisleidingen en inrichtingen gelden geen beperkingen voor het plangebied. Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI), Besluit externe veiligheid Buisleidingen (BEVB) en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) staat de uitvoering van dit bestemmingsplan dan ook niet in de weg.
5.8 Milieuzoneringen 5.8.1 Wet- en regelgeving Het aspect milieuzonering gaat in op de invloed die bedrijven kunnen hebben op hun omgeving. Deze invloed is afhankelijk van de afstand tussen een gevoelige bestemming en de bedrijvigheid. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven. Bij een ruimtelijke ontwikkeling kan sprake zijn van reeds aanwezige bedrijvigheid en van nieuwe bedrijvigheid. Milieuzonering zorgt er voor dat nieuwe bedrijven een juiste plek in de nabijheid van de gevoelige functie krijgen en dat de (nieuwe) gevoelige functie op een verantwoorde afstand van bedrijven komen te staan. Doel hiervan is het waarborgen van de veiligheid en het garanderen van de continuïteit van de bedrijven als ook een goed klimaat voor de gevoelige functie. Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie zoals: geluid, geur, gevaar en stof. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend.
De 'Vereniging van Nederlandse Gemeenten' (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen, met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstanden afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'. Het scheiden van milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen dient twee doelen:
•
het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige bestemmingen;
•
het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen.
5.8.2 Onderzoek Wonen wordt in het kader van bedrijven en milieuzonering gezien als een gevoelige functie. In het plangebied is wonen reeds toegestaan. Desalniettemin is gekeken naar de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van het plangebied. Op circa 180 meter ten westen van het plangebied is een tankstation aanwezig, waarbij het overeenkomstig het bestemmingsplan mogelijk is een LPG-station te realiseren. Momenteel wordt er echter geen LPG verkocht bij het tankstation en is er tevens geen LPG-installatie aanwezig. Omdat het planologisch wel toegestaan is een LPG-station te realiseren, wordt de milieuzonering hier toch beschouwd. Bij een LPG-station is het aspect gevaar maatgevend. Overeenkomstig de VNG is deze richtafstand 200 m. Hier wordt niet aan voldaan, aangezien de feitelijke afstand, gemeten vanaf de rand van beide bestemmingsvlakken, ca. 180 m is. Omdat niet voldaan wordt aan de richtafstand is een nadere beschouwing van het risico van LPG vereist. Het plaatsgebonden risico van 10-6 per jaar, gemeten vanaf het vulpunt, heeft een bij de hoogste doorzetcategorie een richtafstand van 40 m. De verantwoordingsplicht voor het groepsrisico is van toepassing binnen het invloedsgebied van 150 m vanaf het vulpunt of het reservoir. Het plangebied ligt daarmee zowel buiten de afstand van het plaatsgebonden risico als buiten de
35
afstand van de verantwoordingsplicht van het groepsrisico. Voorts is van belang dat ter plaatse reeds een woonfunctie is toegestaan; het voorliggende bestemmingsplan verandert die situatie niet. Verder liggen er geen bedrijven die beschikken over een milieucategorie in de directe omgeving van het plangebied. 5.8.3 Conclusie Gezien het voorgaande vormt het aspect bedrijven en milieuzoneringen geen belemmering voor de uitvoering van onderhavig plan.
5.9 Verkeer en parkeren 5.9.1 Verkeer De Hoofdweg Oostzijde ligt in het binnenstedelijk gebied en is een van de hoofdontsluitingswegen van Nieuw-Vennep. Het plangebied aan de Hoofdweg Oostzijde ligt net na de kruising met de Zuiderdreef. Ter plaatse van het plangebied kent de Hoofdweg Oostzijde een maximum snelheid van 50 km/uur.Via deze weg zijn de toegangswegen richting de A4 makkelijk bereikbaar. De basis voor verkeersgeneratie zijn de richtlijnen voor wonen zoals opgenomen in CROW-publicatie 381, 'Toekomstbestendig parkeren' (2018). Het CROW maakt onderscheid in de stedelijkheidsgraad en de locatie. Het gebied waarin het plangebied is gelegen wordt door de gemeente Haarlemmermeer aangemerkt als 'sterk stedelijk' en 'centrum'. In onderstaande tabel is de verkeersgeneratie van de nieuwe situatie berekend. CROW aanduiding
Aantal woningen
Verkeersgeneratie totaal
2
Verkeersgeneratie per woning (centrum, stedelijk) 7,4 - 8,2
koop, twee-onder-een-kap koop, appartement, midden totaal
3
5,2 - 6,0
15,6 - 18
5
14,8 - 16,4
30,4 - 34,4
De verkeersgeneratie in de nieuwe situatie ligt tussen de 30,4 en 34,4 motorvoertuigen per etmaal. In de oude situatie was de verkeersgeneratie naar schatting voor een vrijstaande woning circa 8,2 motorvoertuigen per etmaal. De verkeersgeneratie zal dus in beperkte mate toenemen, maar in een omvang die de bestaande infrastructuur goed aan kan. Het aspect verkeer vormt dan ook geen belemmering voor het onderhavige initiatief. 5.9.2 Parkeren Burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer hebben op 6 februari 2018 de geactualiseerde beleidsregel 'Handboek parkeernormen gemeente Haarlemmermeer 2018' vastgesteld. De basis voor het parkeren zijn de richtlijnen voor wonen zoals opgenomen in CROW-publicatie 317, 'Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie' (2013). In het handboek parkeernormen wordt onderscheid gemaakt in de stedelijkheidsgraad en de locatie. Het gebied waarin het plangebied is gelegen wordt door de gemeente Haarlemmermeer aangemerkt als 'sterk stedelijk' en 'rest bebouwde kom'.
36
In onderstaande tabel is de parkeernorm per woning en de totale parkeernorm voor het plangebied weergegeven. CROW aanduiding woning
aantal woningen
koop, twee-onder-een-kap koop, appartement, duur (>€300.000) koop, appartement, midden (<€263.500) koop, appartement, goedkoop (<40 m²)
2 1 1 1 5
parkeernorm woning bebouwde kom) 2,0 1,9 1,7 1,15
Concept plattegrond inclusief parkeerplaatsen per bouwblok (Enzo architecten, d.d. 14-10-2022).
37
per (rest
totaal
4,0 1,9 1,7 1,15 8,75
Parkeren wordt voorzien op het eigen perceel van elke woning/bouwblok, dit geldt ook voor de appartementen. Volgens bovenstaande afbeelding worden er in totaal 11 parkeerplaatsen gerealiseerd. Hierbij is rekening gehouden met de correctiefactoren uit het handboek parkeernormen van de gemeente Haarlemmermeer. De positionering van de parkeerplaatsen en het aantal is voldoende om te voldoen aan de richtlijnen uit het handboek parkeernormen. Parkeren vormt derhalve geen belemmering voor het onderhavige initiatief.
5.10 Milieueffectrapportage 5.10.1 Wet- en regelgeving De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De m.e.r. is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer. Naast de Wet milieubeheer is het Besluit m.e.r. belangrijk om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een plan of een besluit de m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. Bij toetsing aan het Besluit m.e.r. zijn er vier mogelijkheden: a. b.
c.
d.
het plan of besluit is direct m.e.r.- plichtig; het plan of besluit bevat activiteiten uit kolom 1 van onderdeel D, en ligt boven de (indicatieve) drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D. Het besluit moet eerst worden beoordeeld om na te gaan of er sprake is van m.e.r.-plicht: het besluit is dan m.e.r.beoordelingsplichtig. Voor een plan in kolom 3 ‘plannen’ geldt geen m.e.r-beoordelingsplicht, maar direct een (plan-)m.e.r.-plicht; het plan of besluit bevat wel de activiteiten uit kolom 1, maar ligt beneden de drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D: er dient in overleg met de aanvrager van het bijbehorende plan of besluit beoordeeld te worden of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling (als sprake is van een besluit) of het direct uitvoeren van een m.e.r. (als sprake is van een plan). Deze keuze wordt uiteindelijk in het bijbehorende plan of besluit gemotiveerd; de activiteit(en) of het betreffende plan en/of besluit worden niet genoemd in het Besluit m.e.r.: er geldt geen m.e.r.- (beoordelings)plicht.
Sinds 16 mei 2017 geldt er een directe werking van het Europees recht. Daarom is per 7 juli 2017 het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. In de gewijzigde Besluit m.e.r. staat de nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor elke aanvraag, waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is, moet:
• •
door de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie worden opgesteld; het bevoegd gezag binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit nemen. Dit besluit hoeft niet in de Staatscourant gepubliceerd te worden;
•
de initiatiefnemer het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag voegen (Artikel 7.28 Wet milieubeheer).
De artikelen 7.16 tot en met 7.20a Wm zijn in de nieuwe wetgeving voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing. 5.10.2 Onderzoek Uit toetsing aan het Besluit m.e.r. volgt dat het besluit tot verlening van de omgevingsvergunning valt onder mogelijkheid c. Het besluit bevat namelijk wel een activiteit uit kolom 1 (de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen), maar er wordt niet voldaan aan de gegeven drempelwaarde van 2.000 of meer woningen. De voorgenomen ontwikkeling betreft namelijk de ontwikkeling van 5 woningen. Er kan daarmee worden afgezien van een
38
m.e.r.-beoordeling en volstaan kan worden met een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Deze vormvrije m.e.r.beoordeling kan tot twee conclusies leiden: a. b.
belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk; belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet toch een m.e.r.beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor een m.e.r.
Bij besluiten ten aanzien van waarvan moet worden beoordeeld of een milieueffectrapport moet worden gemaakt is artikel 7.19 van de Wet milieubeheer van toepassing. Met name lid 3, waarin wordt verwezen naar de relevante criteria van bijlage III bij de mer-richtlijn, is hierbij relevant. Deze selectiecriteria zijn: 1. 2. 3.
kenmerken van het project; plaats van het project; kenmerken van de potentiële effecten.
De kenmerken van het project worden in toelichting hoofdstuk 2 en toelichting hoofdstuk 3 beschreven. Aangezien voor een deel van het plangebied woningen reeds zijn toegestaan en er planologisch slechts 5 nieuwe woningen worden gerealiseerd zijn de effecten van het plan zeer beperkt. In aanvulling op het voorgaande zijn desondanks in het kader van de voorgenomen ontwikkeling de belangrijkste milieuaspecten waaronder bodem, luchtkwaliteit, geluid, externe veiligheid en ecologie in beeld gebracht in dit hoofdstuk. Tezamen met de overige hoofdstukken vormen deze paragrafen de zogenaamde aanmeldingsnotitie in het kader van het Besluit m.e.r. Geconcludeerd wordt dat er geen sprake is van een ontwikkeling die een forse invloed heeft op het milieu. Belangrijke milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. De huidige onderzoeken geven voldoende inzicht in de milieugevolgen om een gewogen besluit omtrent dit bestemmingsplan en een eventueel op te stellen m.e.r. Het opstellen van een milieueffectrapportage zal geen verder inzicht verschaffen op de relevante milieuaspecten. Het bevoegd gezag kan op basis van deze ruimtelijke onderbouwing een besluit nemen over de uitkomst van de m.e.r.-beoordeling, of er al dan niet een m.e.r. nodig is en publiceert dit in een m.e.r.beoordelingsbesluit. Het besluit dat geen m.e.r.
uitgevoerd hoeft te worden, hoeft niet gepubliceerd te worden in de Staatscourant. Er is geen sprake van een aparte bezwaar- en beroepsprocedure bij de beslissing over de m.e.r.-plicht. Bezwaar en beroep is alleen mogelijk tegelijkertijd met de procedure voor de omgevingsvergunning. 5.10.3 Conclusie Op basis van de voorliggende ruimtelijke onderbouwing, die gezien kan worden als aanmeldingsnotitie, kan geconcludeerd worden dat een m.e.r.-beoordeling niet vereist is.
39
6 Uitvoerbaarheid 6.1 Financiële uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Bro, onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van 'afdeling 6.4 grondexploitatie', artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien:
•
het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is;
•
het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is;
•
het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is.
Planspecifiek Het uitvoeren van het project heeft geen financiële gevolgen voor de gemeente. De financiële verantwoordelijkheid voor het project en het daarbij horende risico wordt volledig gedragen door de initiatiefnemer. Kosten die door de gemeente worden gemaakt bij begeleiding van het project kunnen middels leges op de initiatiefnemer worden verhaald. De economische uitvoerbaarheid van het plan is derhalve verzekerd.
6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 6.2.1 Overleg en zienswijzen Bij de voorbereiding van een (voor)ontwerp van een ruimtelijk plan dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1 Bro sub c overleg te worden gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro. Op basis van het eerste lid van dit artikel wordt overleg gevoerd met waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Voor wat kleinere plannen kan, in overleg, afgezien worden van dit overleg. Voor de aanvraag en verlening van een omgevingsvergunning buitenplanse afwijking op grond van artikel 2.12, lid 1, sub a, onder 3 Wabo stelt artikel 3.10 van de Wabo dat de uitgebreide voorbereidingsprocedure van toepassing is. Voor de uitgebreide procedure geldt afdeling 3.4 van de Awb. Dit houdt in dat het ontwerpbesluit conform afdeling 3.4 Awb gedurende zes weken ter inzage gelegd wordt. Hierbij is er de mogelijkheid van zienswijzen voor een ieder (art. 3.12 lid 5 Wabo). Alleen belanghebbenden kunnen in beroep gaan. De Wabo voegt hier aan toe dat het ontwerpbesluit en/of het definitieve besluit op grond van de Wabo of het Besluit omgevingsrecht in bepaald specifieke gevallen aan specifieke personen of instanties wordt gestuurd.
6.2.2 Communicatie/participatie Het voornemen is om voor omwonenden een informatieavond te organiseren, op het moment dat er meer duidelijkheid vanuit de gemeente is verkregen over het initiatief. Gedacht wordt aan een inloopbijeenkomst waarbij de plannen gepresenteerd worden en er ruimte is voor vragen van de aanwezigen.
40