Bijlage 1 - Ruimtelijke onderbouwing
Tekst van het document
omgevingsvergunning
Hoofdweg Oostzijde 1392 Gemeente Haarlemmermeer
Planstatus:
concept
Plan identificatie:
NL.IMRO.0394.OGVnwvHfdwOZ1392-CO01
Datum:
2023-01-05
Contactpersoon Buro SRO:
Dhr. T. Wilde | Dhr. J. van Nuland
Kenmerk Buro SRO:
SR210254
Opdrachtgever:
Enzo Architecten BV
Buro SRO 't Goylaan 11 3525 AA Utrecht 030-2679198 www.buro-sro.nl
BTW nummer: KvK nummer: Rabobank rekeningnummer:
NL8187.16.071.B01 30232281 NL44.RABO.0142.1540.24 t.n.v. Buro SRO B.V. te Utrecht
2
Inhoudsopgave Bijlagen........................................................................................................................................................ 4 1 Inleiding ................................................................................................................................................... 5 1.1 Aanleiding ........................................................................................................................................................... 5 1.2 Ligging en begrenzing plangebied ....................................................................................................................... 5 1.3 Geldend bestemmingsplan ................................................................................................................................. 6 1.4 Leeswijzer ............................................................................................................................................................ 7
2 Bestaande situatie .................................................................................................................................. 8 2.1 Ruimtelijke en functionele structuur................................................................................................................... 8
3 Nieuwe situatie ...................................................................................................................................... 10 3.1 Ruimtelijke en functionele structuur................................................................................................................. 10 3.2 Bebouwing ........................................................................................................................................................ 10
4 Beleidskader .......................................................................................................................................... 13 4.1 Rijksbeleid ......................................................................................................................................................... 13 4.2 Provinciaal beleid .............................................................................................................................................. 15 4.3 Gemeentelijk beleid .......................................................................................................................................... 18
5 Uitvoeringsaspecten .............................................................................................................................. 21 5.1 Water ................................................................................................................................................................ 21 5.2 Bodem ............................................................................................................................................................... 25 5.3 Ecologie ............................................................................................................................................................. 25 5.4 Cultuurhistorie en archeologie .......................................................................................................................... 27 5.5 Geluid ................................................................................................................................................................ 28 5.6 Luchtkwaliteit .................................................................................................................................................... 31 5.7 Externe veiligheid ..............................................................................................................................................
32 5.8 Milieuzoneringen .............................................................................................................................................. 35 5.9 Verkeer en parkeren ......................................................................................................................................... 36 5.10 Milieueffectrapportage ................................................................................................................................... 38
6 Uitvoerbaarheid ..................................................................................................................................... 40 6.1 Financiële uitvoerbaarheid................................................................................................................................ 40 6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid ................................................................................................................... 40
3
Bijlagen Bijlage 1.ENZO studie Hoofdweg 1392-1396 Bijlage 2.Quickscan ecologie Hoofdweg Oostzijde Bijlage 3.Akoestisch onderzoek Hoofdweg Oostzijde Bijlage 4.Aanvullend vleermuisonderzoek Hoofdweg Oostzijde Bijlage 5.Aanvullend akoestisch onderzoek geluidwering
4
1 Inleiding 1.1 Aanleiding Initiatiefnemer is voornemens ter plaatse van de Hoofdweg Oostzijde 1392 - 1396 1 twee-onder-een-kap woning en 3 appartementen te realiseren. De gemeente heeft in het kader van het principeverzoek voor dit initiatief reeds aangegeven medewerking te willen verlenen aan het realiseren van dit voornemen. De gemeente heeft het bestemmingsplan 'Nieuw-Vennep' (2014) aangepast, waarbij de onderhavige panden voorzien zijn van de bestemming 'Wonen', daarnaast zijn er ook twee percelen voorzien van de bestemming dienstverlening. De huidige plannen passen ten delen binnen deze functie. Dit geldt echter niet voor de percelen met de bestemming dienstverlening. De bestemming van deze percelen kan aan de hand van de gebiedsaanduiding 'wro-zone - wijzigingsgebied 6' middels een wijzigingsverzoek geheel gewijzigd worden naar bestemming wonen. Hiervoor wordt een vergunningsaanvraag opgesteld waar deze ruimtelijke onderbouwing onderdeel van is.
1.2 Ligging en begrenzing plangebied Het plangebied bevindt zich aan de Hoofdweg Oostzijde 1392-1396 in de kern Nieuw-Vennep in de gemeente Haarlemmermeer. De locatie valt onder de kadastrale gemeente Haarlemmermeer, sectie N, perceelnummers 3991/3992/3990/3989 en heeft een oppervlakte van 1.270 m². Het plangebied bevindt zich nabij het centrum van Nieuw-Vennep, in een gebied waar hoofdzakelijk woningen aanwezig zijn. Navolgende afbeeldingen tonen de globale ligging en globale begrenzing van het plangebied.
Globale ligging plangebied (blauwe cirkel, bron: Google Earth)
5
Globale begrenzing plangebied (rode omkadering, bron: Ruimtelijkeplannen.nl)
1.3 Geldend bestemmingsplan Het plangebied ligt binnen de plangrenzen van het bestemmingsplan 'Nieuw-Vennep'. Dit bestemmingsplan is op 11 juni 2014 vastgesteld door de raad van de gemeente Haarlemmermeer. De volgende afbeelding toont een fragment van de verbeelding van het geldende bestemmingsplan.
6
Uitsnede geldend bestemmingsplan 'Nieuw-Vennep' (plangebied is rood omkaderd) (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
De gronden hebben in het vigerende bestemmingsplan de bestemming 'Wonen', 'Tuin' en 'Dienstverlening'. Binnen deze bestemming zijn woongebouwen, tuinen, bergingen en parkeervoorzieningen toegestaan. De maximale goot- en bouwhoogtes binnen deze bestemming worden aangegeven middels aanduidingen. Ter plaatse van de planlocatie gelden de aangegeven maximale goot- en bouwhoogte van 6 m en 9 m. Daarnaast geldt hier het 'Parapluplan parkeerregels' (vastgesteld d.d. 4 oktober 2018). Hierin zijn regels opgenomen voor parkeren en stallen en voor laden een lossen. Hiermee wordt veiliggesteld dat voorzien wordt in voldoende ruimte voor parkeren, stallen, laden en lossen van voertuigen, met in achtneming van de parkeernormen uit het parkeerbeleid van de gemeente Haarlemmermeer. Voorts geldt het 'Parapluplan datacenters' (vastgesteld d.d. 22 oktober 2020). Hiermee kan de gemeente sturing geven aan locaties waar datacenters terecht komen. Voorts geldt ook het 'Parapluplan Wonen' (vastgesteld d.d. 10 maart 2022). Dit parapluplan is gericht op uniformiteit ten aanzien van het gebruik van woningen. Waarvoor geldt dat het gebruik van de woning voor de huisvesting van meer dan één huishouden niet is toegelaten.
1.4 Leeswijzer Hoofdstuk 2 beschrijft de ruimtelijke en functionele structuur van de huidige situatie. Hoofdstuk 3 geeft een planbeschrijving van de toekomstige omstandigheden. In hoofdstuk 4 wordt het beleidskader uiteengezet. Hierin wordt het voor deze ruimtelijke onderbouwing relevante rijks-, provinciaal, regionaal en gemeentelijk beleid beschreven. Hoofdstuk 5 omvat de uitvoeringsaspecten. In hoofdstuk 6 wordt de financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid nader toegelicht.
7
2 Bestaande situatie 2.1 Ruimtelijke en functionele structuur Het plangebied ligt in één van de vier kwadranten rond de kruising van de Hoofdvaart/Hoofdweg met de Vennepertocht/Venneperweg. Deze kruising van hoofdwegen heeft ertoe geleid dat Nieuw-Vennep oorspronkelijk 'kruisdorp' werd genoemd. De cultuurhistorische ontwikkeling van Nieuw-Vennep resulteert in een vrij heldere ruimtelijke opbouw. De polderwegen en tochten vormen een rechthoekig grit. Tussen tochten en de parallel lopende oorspronkelijke polderwegen IJweg en Hoofdweg zit steeds een afstand van 1 kilometer. De bebouwing van Nieuw-Vennep voegt zich tussen de oorspronkelijke polderelementen. De woonwijken tussen de beide tochten zijn evenwijdig aan de polderstructuur verkaveld. In het zuid/west deel van het oorspronkelijke dorp wordt de rechtlijnige opzet bepaald door de aanloopstraten naar het centrum. Namelijk de Eugénie Prévinaireweg, Dr. van Haeringenplantsoen, de Venneperstraat en de Jonkheer Van der Pollstraat. Tot in de jaren ’60 liep hier langs de Nieuwerkerkertocht en in oostelijke richting ter hoogte van de Sikkelstraat en de Spoorstraat het spoorlijntje. Het station van Nieuw-Vennep stond langs het Dr. van Haeringenplantsoen. Het plangebied is gelegen aan de Hoofdweg Oostzijde en tevens de Hoofdvaart, nabij de kruising met de Zuiderdreef. In de wijk Molenwijk.
De percelen beschikken over eigen inritten vanaf de Hoofdweg Oostzijde. De achterzijde van het perceel grenst aan de Hoefbladstraat en de Escaperoom Nieuw-Vennep. In het plangebied zijn in de huidige situatie een vrijstaande woning aanwezig aan de linkerzijde van het plangebied. Aan de rechterzijde is een onbebouwd terrein gelegen dat bestemd is voor 'dienstverlening' waar goederen opgeslagen worden. Onderstaande afbeeldingen geven een impressie van het plangebied.
Impressie plangebied vanaf Hoofdweg Oostzijde 1392 (bron: Google Streetview)
8
Impressie vanaf Hoofdweg Westzijde vooraanzicht plangebied (bron: Google Streetview)
9
3 Nieuwe situatie 3.1 Ruimtelijke en functionele structuur Het plangebied is gelegen aan de Hoofdvaart en Hoofdweg, de Hoofdweg is een van de hoofdontsluitingswegen die van buiten het dorp tot in de oude kern loopt en het centrum ontsluit. De Hoofdweg loopt tevens door tot in het centrum van Hoofddorp. Het gedeelte van de Hoofdweg waar het plangebied ligt is nabij de oude kern van Nieuw-Vennep, op dit gedeelte is de verkeersintensiteit iets lager omdat dit gedeelte net na de Zuiderdreef ligt. In het plangebied worden 2 bouwblokken gerealiseerd, een van de eenheden wordt als twee-onder-een-kap gebouwd met daarin twee wooneenheden en in de andere eenheid worden drie appartementen gerealiseerd. Onderstaande afbeelding geeft een schematische impressie van het initiatief in zijn omgeving.
Plangebied (rood omkaderd) met omgeving schematisch weergegeven (bron: Enzo Architectuur & Interieur)
3.2 Bebouwing De bestaande bebouwing, een vrijstaande woning met bijgebouwen, wordt gesloopt om plaats te maken voor de nieuwe bebouwing van het onderhavige plan. In totaal worden er twee verschillende bouwblokken gerealiseerd, 1 twee-onder-een-kapper en een gebouw met 3 appartementen. De tweebouwblokken hebben de zelfde nokhoogte.
10
Concept plattegrond nieuwe bebouwing (bron: Enzo Architectuur & Interieur, d.d.14-10-2022)
In Blok A komen drie appartementen, waarvan twee goedkope woningen en een dure woning. In blok B zijn twee-onder-een-kap woningen beoogd. Er worden verschillende hagen gerealiseerd rondom de gebouwen om een luxe, groene uitstraling te geven, zie onderstaande impressie.
11
Concept nieuwe bebouwing (bron: Enzo Architectuur & Interieur, d.d. 14-10-2022)
Het plangebied heeft een oppervlakte van circa 1.950 m². De bebouwing (exclusief bergingen) inclusief overdekt parkeren bij blok A beslaat 391,65 m². De externe bergingen beslaan 41,89 m2. Het overige oppervlak van de percelen wordt gebruikt voor de aanleg van een terras, bestrating en groen. De bouwblokken worden voorzien van drie bouwlagen. Voor wat betreft duurzaamheid worden de woningen volgens het bouwbesluit en dus ook BENG gebouwd. De hierin opgenomen duurzame maatregelen zullen gevolgd worden. Dit wordt nader uitgewerkt in het kader van de omgevingsvergunning voor bouwen. De beoogde bebouwing, waarin 3 appartementen en 2 grondgebonden woningen mogelijk worden gemaakt, worden voorzien van een bouwhoogte van 10 meter. Zie in bijlagen bij toelichting, bijlage 1, de opgenomen notitie van Enzo Architectuur & Interieur voor een nadere impressie van de toekomstige situatie.
12
4 Beleidskader 4.1 Rijksbeleid 4.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) in werking getreden. Deze visie bevat de hoofdzaken van het strategisch rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving. Dit is een combinatie van beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, en nieuw strategisch beleid. De grote en complexe opgaven, zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland gaan veranderen. De NOVI bevat een toekomstperspectief met de ambities van het Rijk. In de NOVI zijn 21 nationale belangen met bijbehorende opgaven geformuleerd. Deze nationale belangen komen samen in vier prioriteiten: 1. 2. 3. 4.
ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; duurzaam economisch groeipotentieel; sterke en gezonde steden en regio's; toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.
Voor de vier NOVI-prioriteiten geldt steeds dat zowel voor de lange als de korte termijn maatregelen nodig zijn. Deze maatregelen dienen in de praktijk voortdurend op elkaar in te spelen. Bij de afweging van de belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving centraal voor zowel de boven- als de ondergrond. Planspecifiek De NOVI is niet specifiek van toepassing op het plangebied. 4.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening De wetgever heeft in de Wro, ter waarborging van de nationale of provinciale belangen, de besluitmogelijkheden van lagere overheden begrensd. Indien provinciale of nationale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken, kunnen bij of krachtens provinciale verordening respectievelijk bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld omtrent de inhoud van bestemmingsplannen. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn 14 nationale belangen opgenomen. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze 14 belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Planspecifiek Onderhavig plan raakt niet aan één van de 14 nationale belangen van het Barro. Het vormt geen belemmering voor de uitvoering van onderhavig plan.
4.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de verplichting opgenomen om in het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. De 'stappen van de ladder' worden in artikel 3.1.6, leden 2 - 4 Bro als volgt omschreven: 2.
De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.
13
3.
4.
Indien in een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid toepassing is gegeven aan artikel 3.6, eerste lid, onder a of b, van de wet kan bij dat bestemmingsplan worden bepaald dat de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling en een motivering als bedoeld in het tweede lid eerst wordt opgenomen in de toelichting bij het wijzigings- of het uitwerkingsplan als bedoeld in dat artikel. Een onderzoek naar de behoefte als bedoeld in het tweede lid, heeft, in het geval dat een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid, ziet op de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en dit onderzoek betrekking heeft op de economische behoefte, de marktvraag of de beoordeling van de mogelijke of actuele economische gevolgen van die vestiging, slechts tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.
Planspecifiek Conform artikel 1.1.1, eerste lid onder i van het Bro wordt onder een stedelijke ontwikkeling verstaan: een 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.' Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State blijkt dat de ondergrens van wat als nieuwe stedelijke ontwikkeling moet worden gezien, ligt bij 12 nieuwe woningen. Het voorgenomen plan bestaat uit 3 appartementen en 1 twee-onder-een-kapper, totaal dus 5 woningen en blijft daarmee beneden de ondergrens. Tevens ligt het plangebied binnen het bestaand stedelijk gebied. Hiermee is het plan niet ladderplichtig en is een nadere toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking niet noodzakelijk. Er wordt geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling voldoet aan de ladder voor duurzame verstedelijking.
4.1.4 Luchthavenindelingbesluit Schiphol Het Luchthavenindelingbesluit Schiphol (LIB) legt beperkingen op aan bebouwing, activiteiten en functies in de buurt van luchthaven Schiphol. De beperkingen zijn ingesteld om te voorkomen dat objecten of gebruiksfuncties worden ontwikkeld die: 1. 2.
het vliegverkeer belemmeren en/of in gevaar brengen (vliegveiligheid); zelf te veel geluidhinder of risico ondervinden als gevolg van het vliegverkeer (externe veiligheid en geluid).
Planspecifiek Volgens het vigerend bestemmingsplan 'Nieuw Vennep' (2014) ligt het plangebied binnen de gebiedsaanduiding luchtvaartverkeerzone - lib. Zoals op onderstaande afbeelding af te lezen is, ligt de projectlocatie niet in de zone van het beperkingsgebied van het LIB met aanduiding nummer 5.
14
Uitsnede beperkingengebied bebouwing LIB (kaart 3 bijlage 3), met het vigerend bestemmingsplan als ondergrond (Bron: ruimtelijkeplannen.nl)
Het plangebied ligt dus niet in zone 5 van het beperkingengebied, zoals genoemd in het Luchthavenindelingbesluit Schiphol (LIB), geconsolideerd op 1 januari 2018. Artikel 2.2.1.d van het LIB geeft aan dat op gronden die aangewezen zijn met zone 5 geen nieuwe woningbouwlocaties zijn toegestaan buiten bestaand stedelijk gebied. Binnen bestaand stedelijk gebied mogen er wel ontwikkelingen plaatsvinden. Er wordt uitgegaan van bijlage 3, Beperking bebouwing bij Luchthavenindelingbesluit Schiphol (LIB), om vast te stellen of het plangebied in een beperkingszone ligt. Gezien het voorgaande ligt het plangebied dus niet een beperkingszone en hoeft er niet gemotiveerd te worden hoe onderhavige ontwikkeling mogelijk is in het kader van het Luchthavenindelingbesluit Schiphol (LIB).
4.2 Provinciaal beleid 4.2.1 Omgevingsvisie Noord-Holland 2050 De Omgevingsvisie NH2050 is op 19 november 2018 vastgesteld door Provinciale Staten. Deze vervangt de Structuurvisie Noord-Holland 2040, het Provinciaal Verkeers- en Vervoerplan, het Provinciaal Milieubeleidsplan 2015-2018 en de Agenda Groen. De leidende hoofdambitie in de Omgevingsvisie NH2050 is de balans tussen economische groei en leefbaarheid. Een gezonde en veilige leefomgeving, die goed is voor mens, plant én dier, is een voorwaarde voor een goed economisch vestigingsklimaat. Tegelijkertijd is duurzame economische ontwikkeling een voorwaarde voor het kunnen investeren in een prettige leefomgeving. De hoofdambitie is opgedeeld in de volgende aspecten met bijbehorende ambities: Leefomgeving a. b. c.
Klimaatverandering: een klimaat bestendig en waterrobuust Noord-Holland. Stad, land en infrastructuur worden klimaatbestendig en waterrobuust ingericht. Gezondheid en veiligheid: het behouden en waar mogelijk verbeteren van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Biodiversiteit en natuur: de biodiversiteit in Noord-Holland vergroten, ook omdat daarmee andere ambities/doelen kunnen worden bereikt.
15
Gebruik van de leefomgeving a.
b.
c. d.
Economische transitie: een duurzame economie met innovatie als belangrijke motor. De provincie biedt ruimte aan ontwikkeling van circulaire economie, duurzame landbouw, energietransitie en experimenten. Wonen en werken: woon- en werklocaties dienen beter met elkaar in overeenstemming te zijn. Woningbouw wordt vooral in en aansluitend op de bestaande verstedelijkte gebieden gepland, in overeenstemming met de kwalitatieve behoeftes en trends. Mobiliteit: inwoners en bedrijven van Noord-Holland kunnen zichzelf of producten effectief, veilig en efficiënt verplaatsen. Landschap: het benoemen, behouden en versterken van de unieke kwaliteiten van de diverse landschappen en de cultuurhistorie.
Energietransitie a.
De ambitie van de Provincie is dat Noord-Holland als samenleving in 2050 volledig klimaatneutraal en gebaseerd is op hernieuwbare energie.
Daarnaast wordt er met de Omgevingsvisie NH2050 geprobeerd om een richting uit te zetten om houvast te bieden naar de onzekere toekomst. Daarvoor wordt een aantal bewegingen naar de toekomst toe benoemd: 1. 2. 3. 4. 5. 6.
Noord-Holland in beweging: Op weg naar een economisch duurzame toekomst Dynamisch schiereiland: Benutten van een unieke ligging Metropool in ontwikkeling: Vergroten agglomeratiekracht door het ontwikkelen van een samenhangend internationaal concurrerend metropolitaan systeem Sterke kernen, sterke regio's: Sterke kernen houden regio's vitaal Nieuwe energie: Economische kansen benutten van energietransitie Natuurlijk en vitaal landelijke omgeving: vergroten van biodiversiteit en ontwikkelen van een economisch duurzame agrifoodsector
Er wordt in de Omgevingsvisie NH2050 uitgegaan van het principe ‘lokaal wat kan, regionaal wat moet’. Hierbij wordt gelet op de diversiteit aan regio's en wordt ruimte geboden aan maatwerk en ruimte om vorm te kunnen geven aan een wendbare samenleving. Planspecifiek Belangrijkste richtpunt van de provincie met betrekking tot realisatie van woningen en voorzieningen is dat dit zoveel mogelijk binnenstedelijk wordt geconcentreerd. Hierbij dient rekening gehouden te worden met behoud en versterking van de leefbaarheid in bestaande en nieuwe gebieden. De omvang van de ontwikkelingen wordt ingegeven door de vraag die er op dat moment is. Uit de Omgevingsvisie Haarlemmermeer 2040, die nader toegelicht wordt in toelichting paragraaf 4.3.1, blijkt dat er een behoefte is aan woningen. Tevens dient verdichting binnen de bestaande kernen dient plaats te vinden. Aangezien onderhavig plan mogelijk wordt gemaakt in het bestaand stedelijk gebied, is het in lijn met de ambities van de Omgevingsvisie op het gebied van wonen. 4.2.2 Omgevingsverordening NH2020 Provinciale Staten van Noord-Holland hebben op 22 oktober 2020 de Omgevingsverordening NH2020 vastgesteld.
In de Omgevingsverordening NH2020 zijn de eerste stappen gezet om de ambities, ontwikkelprincipes en sturingsfilosofie uit de Omgevingsvisie, vastgesteld op 19 november 2018, vorm te geven en wordt er een start gemaakt met werken in de geest van de Omgevingswet. Echter valt de Omgevingsverordening NH2020 nog onder de huidige wet- en regelgeving. In de Omgevingsverordening NH2020 zijn alle regels van de provincie die gaan over de fysieke leefomgeving samengevoegd. Merendeel van de regels in deze verordening zijn vrijwel ongewijzigd gebleven ten opzichte van de Provinciale Ruimtelijke Verordening 2010. Echter zijn een aantal onderdelen wel gewijzigd of nieuw. Belangrijke gewijzigde en nieuwe onderdelen zijn het Landelijk gebied, Bijzonder provinciaal landschap, de
16
mogelijkheden voor kleinschalige woningbouw in landelijk gebied en de ruimte voor windenergie in de MRA regio. De omgevingsverordening heeft de volgende doelstellingen:
•
het bereiken van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit te bereiken;
• •
het behoud en herstel van de biologische diversiteit; het in standhouden en doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften.
Daarnaast is het doel om de provinciale regels in meer samenhang en op een meer overzichtelijke manier kenbaar te maken. Planspecifiek In artikel 6.3 van de Omgevingsverordening NH2020 wordt gesteld dat een ruimtelijk plan uitsluitend kan voorzien in een nieuwe stedelijke ontwikkeling als de ontwikkeling in overeenstemming is met de binnen de regio gemaakt schriftelijke afspraken. In toelichting paragraaf 4.1.3 is ingegaan op de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. Hieruit blijkt dat het plan niet aangemerkt wordt als stedelijke ontwikkeling en dit artikel niet van toepassing is op het voorgenomen plan. Hiermee kan geconcludeerd worden dat het plan passend is binnen de regio. Verder zijn er geen relevante aanvullende eisen ten aanzien van het voorgenomen plan vanuit de Omgevingsverordening NH2020 waarmee gesteld kan worden dat het plan in overeenstemming is met het provinciale ruimtelijke beleid. 4.2.3 Woonagenda provincie Noord-Holland 2020-2025 Op 31 maart 2020 is de Woonagenda provincie Noord-Holland 2020-2025 vastgesteld door Provinciale Staten van Noord-Holland. De Woonagenda is de uitvoeringsagenda van het woonbeleid van de provincie Noord-Holland voor de komende vijf jaar. De Woonagenda bestaat uit drie delen die samen, binnen de kaders van de Omgevingsvisie, onze uitvoeringsagenda voor de komende vijf jaar bevat: 1. 2. 3.
Actieagenda 2020-2025 De ambitie, doelstelling, rol en ruimtelijke uitgangspunten Speerpunten provincie en richtinggevende principes voor het woonbeleid
Via ’woonakkoorden’ worden afspraken met regio’s en gemeenten daarbinnen over woningbouw, programmering en fasering van woningbouwplannen gemaakt. Uitgangspunt is de juiste balans tussen vraag en aanbod, zowel kwantitatief als kwalitatief. Het actuele woningtekort in de provincie ligt nationaal rond de 300 duizend woningen, waarvan ongeveer 70 duizend in Noord-Holland. Het tekort in Noord-Holland liep vooral op in de periode 2014-2016, sindsdien is de nieuwbouwproductie gestegen, waardoor de groei van de woningvoorraad gelijk op liep met de huishoudensgroei. In de woonagenda beschrijft de provincie twee speerpunten. Speerpunt 1 | Een woning voor iedereen In veel regio’s binnen de provincie is het woningtekort de afgelopen jaren, ondanks grote inspanningen, toegenomen. Dit leidt tot een overspannen woningmarkt, waarin veel huishoudens geen woning kunnen vinden en het wonen steeds duurder of zelfs onbetaalbaar wordt. Het is daarom, in de hele provincie, belangrijk om de komende jaren alles op alles te zetten om zoveel mogelijk woningen te bouwen. De provincie zet zich in om de woningproductie te versnellen en wil gemeenten hierbij helpen. De provincie heeft in december 2017 het Uitvoeringsprogramma Binnenstedelijk Bouwen en Versnellen Woningbouw
17
vastgesteld. Dit uitvoeringsprogramma loopt tot en met 2020, maar word verlengd tot 2025, al dan niet in aangescherpte vorm na herijking medio 2020. Speerpunt 2 | Gezond, duurzaam en toekomstbestendig wonen in een aantrekkelijke provincie De provincie zet zich in om in de behoefte van voldoende betaalbare woningen te voorzien. Tegelijk wil de provincie in lijn met het coalitieakkoord de transitie maken naar een volledig klimaatneutrale, klimaatadaptieve, natuurinclusieve en circulaire gebouwde omgeving. Planspecifiek Met de beoogde ontwikkeling worden in totaal 5 woningen gerealiseerd in het goedkope-, middeldure- en het dure koopsegment. In de Woonagenda wordt aangegeven dat er sprake is van een woningtekort en dat de provincie de woningproductie wil versnellen. Het realiseren van de woningen is daarmee in lijn met de ambitie van de provincie en kan helpen het woningtekort te verkleinen. In de Woonagenda is aangegeven dat er in de MRA (Metropoolregio Amsterdam) sprake is van een 250.000 woningen tot 2040. Gezien het bovenstaande kan geconcludeerd worden dat de beoogde ontwikkeling in lijn is met de woonagenda van de provincie Noord-Holland.
4.3 Gemeentelijk beleid 4.3.1 Omgevingsvisie Haarlemmermeer 2040 De Omgevingsvisie Haarlemmermeer 2040 is op 3 maart 2022 vastgesteld door de gemeenteraad van de gemeente Haarlemmermeer. In de omgevingsvisie wordt ingegaan op veiligheid, wonen, milieukwaliteit, landschap en groen, economie, water, energie, luchthaven en gezondheid. De gemeente stelt voor grote opgaven in de samenleving te staan. Deels zijn het bekende opgaven: woningen bouwen, bereikbaar blijven, gezond voedsel produceren, droge voeten houden, economisch welvarend zijn, ruimte voor sport en ontspanning bieden, met zorg en begrip omgaan met elkaar, leven in een veilige omgeving. Daar komen nieuwe opgaven uit voort als: hernieuwbare energie opwekken, circulair omgaan met grondstoffen en bouwmaterialen, slimme en elektrische mobiliteit, meer zorg voor de agrarische bodem, energieneutraal of opwekkend bouwen, slim mengen van functies dichter bouwen waar het kan, duurzamere datacenters, water vasthouden en minder doorspoelen in onze poldersystemen, meer planten- en diersoorten en de wens om gezondheid meer centraal in ons handelen te stellen. In de omgevingsvisie heeft de gemeente haar visie in vier verhaallijnen uiteengezet; wonen, het werken, ons buitengebied en onze netwerken. Haarlemmermeer heeft een stevige positie binnen de metropool Amsterdam.
De metropoolregio doet het economisch bijzonder goed in Europa en behoort al jarenlang tot één van de sterkste economische regio's van Nederland. De gemeente gaat ook in op de verschillende uitdagingen per gebied. Nieuw-Vennep heeft een grote groeispurt doorgemaakt. Het is gegroeid van een dorp met van oudsher een sterke landbouwbinding naar een kern van ruim 31.000 inwoners. De sportclubs, scholen, winkels en fiets- en wandelroutes hebben een verbindende rol gehad bij het aaneensmeden van het ‘oude dorp’ en de nieuwe wijk Getsewoud. Vrijliggend in het polderlandschap kom je Nieuw-Vennep nog altijd van alle kanten binnen langs akkers en karakteristieke polderwegen. De aanleg van een nieuw woongebied in Nieuw-Vennep West met een landelijk en deels agrarisch karakter en het opnieuw ontwikkelen van het Pionier-Bolsterrein tot een meer stedelijk gemengd gebied met wonen, werken en voorzieningen zorgen ervoor dat ook Nieuw-Vennep een nieuwe sprong in ontwikkeling maakt. Om het centrum van Nieuw-Vennep klaar te maken voor de toekomst moet de strategie voor verbetering doorgezet worden in concrete uitvoering. Oudere wijken en bedrijventerreinen hebben aandacht nodig om hun kwaliteit te behouden. Aan de zuidkant geeft Venneperhout ruimte voor ontspannen in het groen. Doorontwikkeling van Venneperhout naar het westen ligt voor de hand. Aan de noordkant krijgt PARK21 gestaag vorm.
Enkele opgaven voor Nieuw-Vennep die in de omgevingsvisie zijn geformuleerd zijn:
•
Geef bestaande woon- en werkgebieden de benodigde aandacht en zorg dat kansen voor nieuwbouw in bestaande gebieden benut worden, met aandacht voor een groene, klimaatadaptieve en beweegvriendelijke inrichting.
18
•
Zorg dat het woningbouwprogramma een aanvulling is op het bestaande woonmilieu zodat bewoners van e bestaande wijken kunnen verhuizen naar de nieuwe wijken als ze kleiner, groter of anders willen gaan wonen.
Planspecifiek Onderhavige ontwikkeling betreft het realiseren van 3 appartementen en 1 twee-onder-een-kap woning, in totaal 5 woningen. In de omgevingsvisie spreekt de gemeente de wens uit de bestaande woongebieden te willen versterken. Dit krijgt een vertaling in een verdichting van het grondgebruik. Hier sluit onderhavig plan op aan; het maakt een stedelijke functie mogelijk in een bestaand woongebied in de kern van NieuwVennep, wat gezien wordt als stedelijk gebied. Tevens sluit het plan aan op de ambitie van de gemeente om een aanvulling te leveren op het bestaande woonmilieu zodat bewoners van bestaande wijken kunnen verhuizen als zij kleiner, groter of anders willen gaan wonen. Het onderhavige initiatief past binnen de ambities van de omgevingsvisie Haarlemmermeer 2040. 4.3.2 Welstandsbeleid Haarlemmermeer 2013 Op 4 juli 2013 heeft de gemeenteraad van Haarlemmermeer de Welstandsnota 2013 vastgesteld. Tevens zijn er welstandsvrije gebieden aangewezen. Uitgangspunt bij het geactualiseerde welstandsbeleid is dat welstandstoezicht alleen moet plaatsvinden daar waar dat belangrijk wordt gevonden, zoals ook omschreven in de welstandsnota 2010. Er zijn plekken in de polder waar een esthetische beoordeling niet zo belangrijk is en de ruimtelijke dynamiek meer haar gang kan en mag gaan.
Andere plekken verdienen juist weer sturing of bescherming, bijvoorbeeld rond monumenten of bijzondere ensembles. Het beleid is gericht op deregulering: voor minder bouwaanvragen een welstandstoets gebaseerd op minder en duidelijkere regels. Onderhavig plangebied is gelegen in een welstandsniveaugebied regulier (zie onderstaande afbeelding).
Uitsnede welstandkaart, plangebied rood omlijnd (Bron: Haarlemmermeer01.omgevingsviewer.nl)
19
Conclusie Het plangebied is volgens bovenstaande kaart gelegen in een gebied met een regulier welstandsniveau, waarbij het plan voorgelegd moet worden aan de commissie welstand. 4.3.3 Verdichtingsvisie Haarlemmermeer 2040 Op 25 januari 2022 is de Verdichtingsvisie Haarlemmermeer 2040 vastgesteld. De gemeente Haarlemmermeer heeft een enorme opgave om 20.000 woningen te bouwen tot aan 2040. Dat gaat gepaard aan extra infrastructuur en voorzieningen, en meer ruimte voor recreëren, om voedsel te verbouwen en water op te vangen. Veel belangrijke onderwerpen die een beroep doen op de ruimte. Derhalve heeft de gemeente, als deeluitwerking van de 'Omgevingsvisie Haarlemmermeer', de verdichtingsvisie opgesteld. In de verdichtingsvisie beschrijft de gemeente hoe Haarlemmermeer op sommige plaatsen meer stads wordt en waar op andere plekken ruimte is voor groen, recreatie en het open polderlandschap. De gemeente wil dat de groei slim en efficiënt plaatsvindt. Nadenken over verantwoorde verdichting hoort daarbij. Verdichting, op een goede manier gedaan, biedt kansen voor een kwaliteitssprong. Verdichten betekent niet per se grote flats bouwen. De gemeente kijkt naar de karakteristieken van de kernen. De gemeente wil de polder behouden en het tegelijkertijd mogelijk maken voor mensen om in Haarlemmermeer te blijven of komen wonen.
Verdichting is daarmee geen doel op zich, maar een instrument om Haarlemmermeer aantrekkelijk en leefbaar te houden. Het uitgangspunt is verdichten om te beschermen, versterken en om samenhang te creëren. Door te verdichten behouden we de kwaliteiten van het buitengebied en geeft de gemeente bestaande kernen een impuls. Planspecifiek Met de beoogde ontwikkeling worden twee bouwblokken gerealiseerd met in totaal 5 woningen, twee-ondereen-kap en appartementen. Daarmee is er sprake van beperkte verdichting in de kern. Het toevoegen van de twee gebouwen wordt passend geacht, gezien de ligging van het plangebied in de dorpskern van NieuwVennep. De sloop van de bestaande woning en bijgebouwen en het realiseren van de nieuwe woningen geven het plangebied een verbeterde uitstraling/kwaliteit. Derhalve kan geconcludeerd worden dat de beoogde ontwikkeling in lijn is met de Verdichtingsvisie Haarlemmermeer 2040.
20
5 Uitvoeringsaspecten 5.1 Water De waterhuishouding is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. 5.1.1 Wet- en regelgeving Rijksbeleid Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan. Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21e eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport ‘Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21e eeuw’ (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:
•
vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren wordt het water afgevoerd.
•
schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod.
Waterwet Centraal in de Waterwet staat een integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering’. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Het doel van de Waterwet is het integreren van acht bestaande wetten voor waterbeheer. Door middel van één watervergunning regelt de wet het beheer van oppervlaktewater en grondwater en de juridische implementatie van Europese richtlijnen, waaronder de Kaderrichtlijn Water. Via de Waterwet gelden verschillende algemene regels. Niet alles is onder algemene regels te vangen en daarom is er de integrale watervergunning. In deze integrale watervergunning zijn zes vergunningen uit eerdere wetten (inclusief keurvergunning) opgegaan in één aparte watervergunning. Nationaal Water Programma Op basis van de Waterwet is het Nationaal Water Programma vastgesteld door het kabinet. Het Nationaal Water Programma geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2022-2027 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Water Programma richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water.
Het geeft maatregelen die in de periode 2022-2027 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten.
21
Provinciaal beleid Watervisie 2021 De inzet van het provinciaal waterbeleid is om Noord-Holland nog mooier, bedrijviger en veiliger maken. Daarbij moet er een impuls uitgaan voor de leefomgevingskwaliteit en/of het vestigingsklimaat. Waterproblemen worden aangepakt wanneer er toch al gebiedsontwikkeling plaatsvindt. Voor Haarlemmermeer speelt met name het vinden van toekomstbestendige oplossingen voor de schoonwater- en zoetwaterproblematiek. Voor waterveiligheid wordt uitgegaan van: veilige dijken en duinen (laag 1 en ook de belangrijkste); een waterrobuuste ruimtelijke inrichting van overstromingsgevoelige gebieden (laag 2) en een op overstromingsrampen toegesneden calamiteitenorganisatie (laag 3). Deze meervoudige benadering van waterveiligheid wordt meerlaagsveiligheid" (MLV) genoemd. Op de kaart Overstromingsrisico Noord-Holland zijn de overstromingsgevoelige gebieden indicatief aangegeven. De provincie maakt nog duidelijk welke gemeenten tot het overstromingsgevoelige gebied worden gerekend en in hun bestemmingsplannen duidelijk moeten maken hoe rekening wordt gehouden met het overstromingsrisico. Daarbij is uitgangspunt het "waterrobuust inrichten": het zodanig inrichten van overstromingsgevoelig gebied dat bij een overstroming de kans op slachtoffers klein is en de economische schade beperkt blijft.
Er is nauwelijks overstromingsrisico vanuit de Noordzee, omdat deze kust grotendeels door een breed duingebied wordt beschermd. Hoogheemraadschap van Rijnland Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het Hoogheemraadschap van Rijnland. Dit waterschap is in het gebied verantwoordelijk voor de waterhuishouding: het waterkwaliteitsbeheer, het waterkwantiteitsbeheer en de zorg voor de waterkeringen. Voor elk bestemmingsplan wordt overleg gevoerd met de waterbeheerder over de effecten van de bouwmogelijkheden op het waterbeheer. De waterbeheerder voert de Watertoets uit. De Watertoets heeft als doel het voorkomen dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen plaatsvinden die in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. De opmerkingen van de waterbeheerder worden verwerkt in deze waterparagraaf. Keur en beleidsregels Op grond van de Waterwet is Rijnland als hoogheemraadschap bevoegd via een eigen verordening, de Keur, regels te stellen aan handelingen die het watersysteem beïnvloeden. Denk hierbij aan handelingen in of nabij:
• • • • • •
waterkeringen (onder andere duinen, dijken en kaden), watergangen (onder andere kanalen, rivieren, sloten, beken), andere waterstaatswerken (o.a. bruggen, duikers, stuwen, sluizen en gemalen), de bodem van kwelgevoelige gebieden, maar ook aan: onttrekken en lozen van grondwater, het aanbrengen van verhard oppervlak.
Per 13 mei 2020 is een nieuwe Keur in werking getreden met daarbij horende uitvoeringsregels. De Keur gaat uit van een “ja, tenzij” benadering; handelingen met een klein risico vallen onder de zorgplicht en kunnen zonder vergunning of melding worden uitgevoerd. Voor handelingen met een groter risico of in expliciet benoemde situaties zijn er algemene regels met voorwaarden van kracht of is een watervergunning vereist. De Keur vermeldt expliciet welke handelingen vergunningsplichtig zijn en welke aan algemene regels of aan de zorgplicht moeten voldoen. Hemelwater Indien een toename van het verhard oppervlak plaats vindt, dient de initiatiefnemer een oppervlak ter grootte van minimaal 15% van het nieuw aan te leggen verhard oppervlak te reserveren voor extra open water. Het nieuwe open water moet aangesloten worden op het bestaande watersysteem. Uitgangspunt is dat de aanleg van verhard oppervlak geen negatieve gevolgen mag hebben op het watersysteem. In overleg met het hoogheemraadschap is het mogelijk om de compensatie-eis voor verhard oppervlak te verminderen door alternatieve maatregelen toe te passen.
22
Riolering en afkoppelen Met Rijnland zal afstemming plaats vinden over het omgaan met afvalwater en hemelwater. Overeenkomstig het rijksbeleid gaat Rijnland uit van een voorkeursvolgorde voor de omgang met deze waterstromen. Deze houdt in dat allereerst geprobeerd moet worden het ontstaan van (verontreinigd) afvalwater te voorkomen, bijvoorbeeld door het toepassen van niet uitlogende bouwmaterialen en het vermijden van vervuilende activiteiten op straat zoals auto’s wassen en chemische onkruidbestrijding. Vervolgens is het streven vuil water te scheiden van schoon water, bijvoorbeeld door het afkoppelen van hemelwaterafvoeren van gemengde rioolstelsels. De laatste stap in de voorkeursvolgorde is het zuiveren van het afvalwater. De doelmatigheid daarvan wordt vergroot door het scheiden van de schone en de vuile stromen. De gemeente kan gebruik maken van deze voorkeursvolgorde bij de totstandkoming van het gemeentelijk rioleringsplan (GRP), waarin de uiteindelijke afweging wordt gemaakt en waarbij doelmatigheid van de oplossing centraal staat. Gemeentelijk beleid Waterplan Haarlemmermeer 2015-2030 De Strategische Samenwerkingsagenda Haarlemmermeer-Rijnland (verder Waterplan) is een samenwerkingsdocument tussen de gemeente en het hoogheemraadschap.
Het geeft de situatie en problemen weer van het hele watersysteem (oppervlaktewater, hemelwater, grondwater en afvalwater) in Haarlemmermeer. Het stelt doelen met betrekking tot de riolering, het oplossen van infrastructurele knelpunten en nemen van maatregelen. Het Waterplan heeft onder andere als ambities:
• • •
het scheiden van vuil afvalwater en schoon regenwater; het tijdelijk bergen van water om extreme neerslag op te vangen; afvalwater als bron te gebruiken waaruit afvalstoffen en energie gewonnen kunnen worden. Haarlemmermeer past bijvoorbeeld innovatieve ontwikkelingen toe bij het inzamelen van afvalwater zoals rioolthermie, het winnen van warmte uit afvalwater.
In het Waterplan worden ook grondwatermaatregelen beschreven, omdat deze een belangrijke link hebben met de rest van het watersysteem, zoals oppervlaktewater en de ruimtelijke inrichting. Daarnaast is er in het verleden onvoldoende aandacht besteed aan grondwater, waardoor een inhaalslag nodig is om aan de zorgplicht te voldoen. De maatregelen die genomen moeten worden om de doelstellingen voor het watersysteem te bereiken, zijn verzameld in het uitvoeringsprogramma van het Waterplan. De financiering van deze maatregelen komt uit verschillende bronnen, waaronder het Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP). Gemeentelijk Rioleringsplan 2021-2023 Het GRP bevat rioleringsbeleid en een overzicht van alle aanwezige rioleringsvoorzieningen. Ook geeft het plan inzicht in de wijze waarop de riolering wordt beheerd, welke effecten er zijn voor het milieu en hoe het beheer wordt gefinancierd. De gedachten vanuit de Structuurvisie Haarlemmermeer 2030, Proeftuin klimaatbestendige stad en het integraal Waterplan Haarlemmermeer 2015-2030 zijn ook van toepassing op het gemeentelijke rioleringsen grondwaterbeleid. De rode draad in het beleid is dat de gemeente streeft naar een duurzaam en klimaatbestendig watersysteem.
Het GRP geeft basis de planning van nieuwe aanleg, plannen om vuiluitworp te reduceren en plannen voor beheer en onderhoud voor de komende drie jaar, met een doorkijk naar de verdere toekomst. Bij nieuwbouw en verbouw is het gescheiden aanbieden van het afvalwater en het hemelwater het uitgangspunt. Voor nieuwbouwwijken en grotere reconstructiegebieden wordt uitgegaan van een zwaardere ontwerpnorm voor het rioolstelsel, waardoor zwaardere regenbuien minder snel overlast veroorzaken. Klimaatadaptatie Het klimaatadaptatiebeleid Haarlemmermeer (2022) geeft aan dat bij nieuwe ontwikkelingen ingezet moet worden op het klimaatadaptief inrichten van plangebieden. Hierbij moet gedacht worden aan:
23
•
Koele woon- en werkomgeving: zorgen voor voldoende koelte en schaduw bij verblijfsplekken, met extra aandacht voor kwetsbare groepen zoals senioren, bewoners van verzorg- en verpleeghuizen, basisschoolleerlingen en patiënten van ziekenhuizen.
•
Droogtegevoeligheid verminderen: vergroten van de beschikbaarheid van zoet grond- en oppervlaktewater door terugdringen van zoute kwel en het vasthouden van zoete kwel; inzetten op het opslaan van water; waar mogelijk regenwater in de bodem laten infiltreren.
•
Waterrobuuste leefomgeving: terugdringen van het water waar het moet, ruimte geven aan het water waar het kan. Om wateroverlast door regenval te beperken is een belangrijk principe regenwater opvangen waar het valt: vasthouden, bergen en afvoeren. Water vasthouden is voor de korte termijn, zoals in een wadi of op straat. Daarna kan het water infiltreren in de bodem of afgevoerd worden. Het bergen van water doen we voor de langere termijn, zoals in een waterberging en oppervlaktewater. De laatste stap is het water afvoeren, dit kan via een hemelwaterriool of oppervlaktewater. Er zijn ook plekken waar we het water niet willen, zoals in huis en in verkeerstunnels.
5.1.2 Onderzoek Beschrijving waterkwantiteit Op grond van de richtlijnen van het hoogheemraadschap dient 15% van het verhard oppervlak te worden gecompenseerd met water, wanneer de verharding met meer dan 500 m² toeneemt ten opzichte van de oorspronkelijke situatie. De exacte hoeveelheid compensatie is afhankelijk van het bergend vermogen van de bodem in het peilgebied. In de bestaande situatie is er circa 114 m² aan bebouwing aanwezig. In de nieuwe situatie wordt er circa 290 m² aan bebouwing gerealiseerd. Het realiseren van watercompensatie is hier niet nodig, omdat het verhard oppervlak niet met meer dan 500 m² toeneemt ten opzichte van de bestaande situatie. Waterafvoer Bij nieuwe woningbouwlocaties is het de bedoeling om een (verbeterd) gescheiden rioolstelsel aan te leggen. Onderhavige planontwikkeling zal hierbij aansluiten door een gescheide systeem aan te leggen. Het hemelwater van de daken zal worden afgevoerd naar de (aanwezige) sloten c.q. worden geïnfiltreerd in de bodem. Het afvalwater van de nieuwbouw zal op het gemeentelijke riool worden aangesloten overeenkomstig de door de gemeente gestelde eisen. Daarnaast wordt er geen gebruik gemaakt van uitloogbare bouwmetalen. Klimaatadaptatie Bij de inrichting van het plangebied zal er rekening worden gehouden met het klimaatadaptatiebeleid van de gemeente.
Zo zijn er bomen voorzien aan de voorzijde van het perceel, waarbij de eis van 1 boom per woning wordt aangehouden. De bomen moeten onder andere bijdrage aan extra schaduw in het plangebied. Daarnaast worden er rondom de woningen groene hagen voorzien. Aan de voorzijde van het plangebied worden parkeerplaatsen voorzien, deze parkeerplaatsen worden uitgevoerd in halfverharding, waardoor hier extra mogelijkheden zijn voor infiltratie van water in de bodem. Verder zijn er in de omgeving koelteplekken aanwezig van minimaal 200 m² op circa 300 m afstand van het plangebied. 5.1.3 Conclusie Het plangebied ligt niet aan of in een gebied dat beschikt over waterlopen of waterkeringen. De verharding aan bebouwing in het gebied neemt beperkt toe met circa 176 m². Daarnaast zal er erfverharding worden aangelegd, dit zal zeer waarschijnlijk ligt toenemen ten opzichte van de bestaande erfverharding. De toename aan terreinverharding zal echter niet dusdanig zijn. De totale toename aan verharding is dan ook niet groter dan de gestelde eis van 500 m² toename van verharding ten opzichte van de oorspronkelijke situatie. Er hoeft geen water gecompenseerd te worden. Er bestaan daarmee vanuit waterhuishoudkundige overwegingen geen bezwaren tegen de voorgenomen ontwikkeling.
24
5.2 Bodem 5.2.1 Wet- en regelgeving Ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening moet worden aangetoond dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. Dit is geregeld in de Wet Bodembescherming. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem waarop deze ontwikkelingen plaatsvinden geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Bij een bestemmingswijziging is een bodemonderzoek slechts noodzakelijk, indien de bestemmingswijziging tevens een wijziging naar een strenger bodemgebruik inhoudt. Bij een bestemmingswijziging die een gelijkblijvend of minder streng bodemgebruik oplevert, is de bodemkwaliteit in het kader van de bestemmingswijziging niet relevant en is bodemonderzoek niet noodzakelijk. 5.2.2 Onderzoek In de huidige situatie geldt voor het plangebied de bestemming 'Wonen' en 'Dienstverlening'. Binnen deze bestemmingen is wonen slechts toegestaan voor een deel van het plangebied. De voorgenomen ontwikkeling betreft daarmee ten delen het voortzetten van bestaande toegestane gebruik (wonen). Het overige deel van het plangebied is bestemd voor dienstverlening en is historisch gebruikt geweest bedrijvigheid. Deze bedrijvigheid heeft mogelijk tot verontreiniging van de bodem geleid.
In dit kader wordt er een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd om vast te stellen of de bodem geschikt is voor het beoogde gebruik. Wanneer dit onderzoek is afgerond zullen de uitkomsten in deze paragraaf worden opgenomen. 5.2.3 Conclusie Na afronding van het verkennend bodemonderzoek wordt in deze paragraaf een conclusie opgenomen over de kwaliteit van de bodem en of de bodem geschikt is voor het beoogde gebruik.
5.3 Ecologie 5.3.1 Wet- en regelgeving Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Wat betreft soortenbescherming is per 1 januari 2017 de huidige Flora- en faunawet samen met de Boswet en Natuurbeschermingswet vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Onder de Wet natuurbescherming vervallen de huidige tabellen 1, 2 en 3 waarin de beschermde soorten zijn opgenomen. Tevens zijn er circa 200 soorten niet langer beschermd en worden enkele bedreigde soorten toegevoegd. De soortenbescherming binnen de Wet natuurbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en andere soorten. Voor alle beschermde soorten geldt een ontheffingsplicht. Het bevoegd gezag (de provincie) kunnen voor de soorten die zijn opgenomen in het ‘beschermingsregime andere soorten’ vrijstellingbesluit nemen en hierin onderscheid maken tussen meer en minder strikt beschermde soorten. Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden.
Voor menig soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is. 5.3.2 Onderzoek Voorliggend ruimtelijke onderbouwing is onderdeel van een uitgebreide procedure voor het mogelijk maken van een ontwikkeling die niet passend is binnen het huidige bestemmingsplan. In het kader van deze ruimtelijke onderbouwing is een flora- en faunaonderzoek vereist. Wanneer overgegaan wordt tot sloop van de huidige bebouwing kan, in het kader van de omgevingsvergunning, een dusdanig onderzoek ook nodig
25
zijn. Vanuit dit oogpunt is er een quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd aan de Hoofdweg 13821398 te Nieuw-Vennep. Zie bijlagen bij toelichting Bijlage 2. Soortbescherming Op basis van een veldbezoek en bureaustudie is per soortgroep beoordeeld welke soorten voorkomen en welke effecten daarop te verwachten zijn ten gevolgen van de beoogde ontwikkeling. Hieruit komt naar voren dat er aanvullend onderzoek uitgevoerd dient te worden naar de mogelijke functie van de te slopen woningen voor vleermuizen. De planlocatie is daarnaast mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, amfibieën en insecten welke niet beschermd zijn (behoudens de Algemene zorgplicht) onder de Wet natuurbescherming. Voor broedvogels geldt dat de nesten van alle soorten beschermd zijn tijdens het broedseizoen. Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of provinciaal aangewezen beschermde gebieden. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake. Een Voortoets, ‘nee, tenzij’-toets en/of AERIUS-stikstofberekening is niet noodzakelijk.
Houtopstanden Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een meldingsplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming Aanvullend onderzoek vleermuizen Naar aanleiding van de quickscan ecologie is het noodzakelijk om middels een aanvullend onderzoek vast te stellen of het plangebied daadwerkelijk een functie heeft voor vleermuizen. Dit aanvullend onderzoek is uitgevoerd door Blom Ecologie (d.d. 24-10-2022, zie bijlagen bij toelichting bijlage 4). In de periode mei – september 2022 is onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van vleermuizen in het plangebied aan de Hoofdweg Oostzijde 1392 te Nieuw-Vennep. Het onderzoek is uitgevoerd conform de bepalingen in het meest actuele Vleermuisprotocol (NGB, 2021). Tijdens het onderzoek is 1 zomerverblijfplaats gewone dwergvleermuis vastgesteld. Deze bevindt zich buiten de planlocatie. Voor de beoogde ruimtelijke ontwikkeling is derhalve geen ontheffing benodigd in het kader van de Wet natuurbescherming voor vleermuizen echter worden wel algemene maatregelen omtrent lichtgebruik geadviseerd. Het onderzoek beperkte zich in beginsel tot vleermuizen. Tijdens het onderzoek is tevens gelet op individuen, nesten en/of verblijflocaties van andere soorten in het plangebied. Nesten/verblijfplaatsen van overige soorten zijn niet aangetroffen.
Wel bieden de diverse groenstructuren potentie voor nesten van algemene broedvogels. Zoals beschreven staat in de Vogelrichtlijn zijn alle vogels in Nederland beschermd tijdens het broedseizoen. Indicatief betreft het broedseizoen de periode 15 maart t/m 15 juli. Om overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen dienen werkzaamheden die mogelijk leiden tot verstoring of aantasting van nesten buiten het broedseizoen uitgevoerd te worden. Voor de uitvoering van de ingreep is geen ontheffing Wnb nodig. Er gelden in het kader van de Wnb geen verdere vervolgstappen. Voor de uitvoering zijn enkele maatregelen benodigd vanuit de Algemene zorgplicht (zie maatregelen uit de quickscan). 5.3.3 Conclusie Voor het aspect flora en fauna kan, naar aanleiding van het aanvullend onderzoek naar gebouw bewonende vleermuizen, geconcludeerd worden dat er geen belemmeringen zijn voor de beoogde ontwikkeling. De planlocatie is mogelijk wel geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, amfibieën en insecten welke niet beschermd zijn (behoudens de Algemene zorgplicht) onder de Wet natuurbescherming. Voor broedvogels geldt dat de nesten van alle soorten beschermd zijn tijdens het broedseizoen. Er dienen derhalve enkele algemene maatregelen te worden getroffen ten aanzien van de Algemene zorgplicht, foeragerende vleermuizen en algemene broedvogels:
26
• •
Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Algemene zorgplicht). Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige.
•
Eventueel aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) voorafgaand aan de werkzaamheden gefaseerd verwijderen. Dit om grondgebonden dieren de kans te bieden zelfstandig de planlocatie te verlaten.
•
Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden.
•
De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel).
•
De kapwerkzaamheden opstarten of uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (indicatief medio maart t/m medio juli). Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties van algemene broedvogels ruim voorafgaand aan het broedseizoen ongeschikt of ontoegankelijk gemaakt te worden. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Als werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd die mogelijk resulteren in het wegnemen of verstoren van broedgevallen dient voor aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn.