Bijlage 1 - Esthetisch Pakket van Eisen A44
Tekst van het document
4.2.59 De onderkant van het randelement wordt afgeschuind/verjongd, zie afbeelding. 4.2.60 Daar waar het randelement de voorzetwand van het landhoofd raakt wordt de onderrand van het prefab randelement niet verjongd, zie afbeelding. N.B. Wanneer er sprake is van een uitwaaierende keerwand die tot de hoogte van het randelement reikt is dit deel niet zichtbaar. 4.2.61 Naden van prefab (rand)elementen tekenen zich zo min mogelijk af in het aanzicht. 4.2.62 Afwatering randelement richting de weg min. 4% om af tekening van regen en vervuiling op metselwerk te voorkomen.
300
↑ VOORBEELDUITWERKING RANDDETAIL KUNSTWERK LISSERWEG
48
EPVE A44 4. GENERIEKE VORMGEVINGSCRITERIA 01.12.2023
LANDHOOFDEN 4.2.72 Het landhoofd valt visueel weg in het talud of is onderdeel van de vormgeving van de keerwanden. 4.2.73 De opleggingen t.p.v. het landhoofd zijn zichtbaar en worden niet afgeschermd. Dit draagt bij aan de leesbaarheid van het kunstwerk als horizontaal vlak dek dat optisch loskomt van zijn onderconstructie.
300
300
300
Ø50
cf. ROA richtlijnen
LEUNINGWERK 4.2.63 Het leuningwerk op de kunstwerken is in vorm, materiaal en kleur gelijksoor tig, met uitzondering van de stijlafstanden. 4.2.64 Het leuningwerk is over het gehele kunstwerk gelijk in vorm, materiaal, kleur en stijlafstand. 4.2.65 Het leuningwerk volgt het alignement van de rijksweg in een vloeiende lijn. 4.2.66 Het leuningwerk is terugliggend gepositioneerd t.o.v. de rand in een doorlopende lijn zonder knikken of bochten en staat op gelijke afstand van de rand van het brugdek. 4.2.67 Het leuningwerk is opgebouwd uit ver ticale stalen lamellen met gelijke afstand tot elkaar met boven op een ronde stalen buis die de lamellen met elkaar verbind en de handrail vormt. De lamellen staan onder schuinstand naar binnen en verjongen naar boven. De stijlen maken een knik naar binnen toe en worden aan elkaar verbonden middels de ronde handrail met een diameter van ca. 50mm. 4.2.68 De hoogte van het leuningwerk wordt bepaald door de vigerende richtlijnen en afgestemd per kunstwerk. 4.2.69 Het stalen leuningwerk is thermisch verzinkt en in een lichtgrijze kleur gepoedercoat. 4.2.70 De har t-op-har t afstand van de stijlen is ca. 300 mm. De h.o.h. afstand van de stijlen dient afgestemd te worden op de maatvoering van het randelement. Let op bij paselementen. De ritmiek met de har t-op-har t afstand van stijlen/lamellen dient ononderbroken door te lopen.
4.2.71 In geval er sprake is van een voet- en/of fietspad over het kunstwerk wordt de har t-ophar t afstand van de lamellen 100 mm t.b.v. de doorvalveiligheid. Dit is het geval bij de lage brug over de Hoofdvaar t, aan de zuidzijde van de Kaagbruggen t.b.v. het fietspad en de fietsbrug bij kunstwerk Nieuwerkerker tocht.
95 100 100 100
↑ PRINCIPE VAN HET LEUNINGWERK
49
EPVE A44 4. GENERIEKE VORMGEVINGSCRITERIA 01.12.2023
↑ VOORBEELDUITWERKING KUNSTWERK HOOFDVAART MET HERKENBAAR LEUNINGWERK OP HOGE EN LAGE BRUG
50
EPVE A44 4. GENERIEKE VORMGEVINGSCRITERIA 01.12.2023 a
a
a
a
a
a
a
a
x
a
b
x
a
b
x
a
b
a
a
x
a
x
↑ ONDERSLAGBALK EN SCHIJVEN VORMEN ÉÉN GEHEEL
a
a
a a
x x
a
a a
x x
a a
a
x x
a a
a
b
b
b
a
b
b
b
a a
x x x
b
a
a a
x x x
↑ VORMENTAAL TUSSENSTEUNPUNTEN
a 400
x SCHIJVEN EN xTUSSENRUIMTESx ZIJN GELIJK. ↑ DE LENGTES VAN
a
b
a
a b b b b a a b b b b a ↑ DE BUITENSTE SCHIJVEN MOGEN AFWIJKEN VAN DE LENGTE MAAR ZIJN GELIJK AAN ELKAAR
a
a
a
a
a
a
200
TUSSENSTEUNPUNTEN 4.2.74 Alle tussensteunpunten van de kunstwerken zijn gelijksoor tig in vorm en materiaal. 4.2.75 De tussensteunpunten zijn gelijk in dimensionering, vorm en materiaal per kunstwerk. 4.2.76 De richting van het tussensteunpunt dient bij te dragen aan de continuïteit en ruimtelijkheid onder het brugdek en loopt parallel aan de as van de (water)weg onder het kunstwerk. x x x x x 4.2.77 Het tussensteunpunt, bestaande uit kolommen en/of schijven en een onderslagbalk, is vormgegeven als één geheel. Balk en schijf zijn gelijk in dikte. Bij een in het werk gestor t viaduct is er geen onderslagbalk. In dat geval worden de schijven gelijkend vormgegeven voor een samenhangend geheel. 4.2.78 Het tussensteunpunt geplaatst t.o.v. de a a ligt in lijn met a of is terugliggend a a a buitencontour van het randdetail. 4.2.79 De lengtes van schijven en de tussenruimtes zijn gelijk per kunstwerk. 4.2.80 De afstanden tussen de kolommen of schijven zijn gelijk per tussensteunpunt. 4.2.81 Kolommen of schijven zijn gelijkmatig verdeeld over de totale lengte van het tussensteunpunt. 4.2.82 De lengtes van schijven zijn gelijk per kunstwerk. De buitenste schijven mogen afwijken van de lengte van de middelste schijven maar zijn in ieder geval gelijk aan elkaar.
a kanten vana een tussensteunpunt, a a a a 4.2.83 De kopse inclusief de kolommen of schijven waaruit a a a b ab a a b b a a deze is samengesteld, zijn afgerond. 4.2.84 Tussensteunpunten zijn uitgevoerd in beton. 4.2.85 Op het vlakke oppervlak van schijven langer dan 1,5m wordt reliëf met een ver ticale belijning toegepast. Het reliëf is geïntegreerd in en maakt deel uit van het betonnen oppervlak vanxde schijf. x x x x 4.2.86 Opleggingen zijn gelijkend in vorm, materiaal en aanzicht bij alle kunstwerken. 4.2.87 Opleggingen zijn zichtbaar en daarmee bereikbaar voor beheer en onderhoud. 4.2.88 Funderingen zijn niet zichtbaar in het landschap. Poeren hebben een gronddekking van minimaal 40cm.
b
x x
x x
x x
x x
x
a a a
b
b
b
b
x
a a
x
x
a a
a a
b
b
1/2x
x
a a
variabel
a a
1/2x
x
x x
a a
b
b
a ↑ RELIËF OP DE TUSSENSTEUNPUNTEN
↑ GELIJKE AFSTANDEN VAN SCHIJVEN
x x
x x
x x
x x
x x
51
EPVE A44 4. GENERIEKE VORMGEVINGSCRITERIA 01.12.2023
TUSSENSTEUNPUNTEN - TRANSPARANTIE De transparantie van de constructie wordt bepaald door het samenspel van onder andere de dimensionering van de overspanningen, de steunpunten en de dekdikte en het constructieprincipe. Over het algemeen is een in het werk gestor t dek slanker dan een dek bestaande uit geprefabriceerde liggers. Dit is echter afhankelijk van verschillende variabelen, zoals de maat van de overspanning en het aantal velden dat door gekoppeld kan worden. In de regel geld dat hoe minder opleggingen hoe dikker het dek en hoe meer opleggingen hoe slanker het dek. Een dikker dek heef t ef fect op de wegas van de A44 die naar boven gaat en daarmee de lengte van het kunstwerk. Dit heef t impact op het wegontwerp en het ruimtelijke ef fect voor de inpassing. Hiernaast zijn twee voorbeelduitwerkingen weergegeven, waarbij er een grotere transparantie te zien is als de onderslagbalk in het dek geïntegreerd is. Of deze oplossing uit kan met het weergegeven aantal steunpunten moet worden doorgerekend en worden afgewogen tegen een oplossing met onderslagbalk met mogelijk minder kolommen. Bij de Hoofdvaar t wordt uitgegaan van een insitu dek in verband met de hoek waaronder het kunstwerk de Hoofdvaar t overspand, de maat van de overspanningen en de minimaal beoogde dekdikte in relatie tot de wegas.
↑ VOORBEELDUITWERKING KOLOMMEN EN ONDERSLAGBALK VORMGEN ÉÉN GEHEEL (BOVEN) EN VOORBEELDUITWERKING ONDERSLAGBALK GEÏNTEGREERD IN HET DEK (ONDER)
52
EPVE A44 4. GENERIEKE VORMGEVINGSCRITERIA 01.12.2023
VERLICHTING Onderscheid dient gemaakt te worden tussen de verlichting van de rijksweg en die van het onderliggend wegennet (de dwarsverbindingen) en de verlichting van de kunstwerken. In dit hoofdstuk wordt enkel de verlichting van de kunstwerken behandeld. 4.2.89 4.2.90 4.2.91 4.2.92 4.2.93 4.2.94
4.2.95 4.2.96 4.2.97
Verlichting dient bij te dragen aan de sociale veiligheid, behaaglijkheid en eenheid van het kunstwerk. De verlichting van de lokale onderdoorgangen dient het overzicht te ondersteunen en daarmee het gevoel van veiligheid te bevorderen, met name voor het langzaam verkeer. De onderdoorgang van de kunstwerken wordt verlicht met opbouw armaturen die worden bevestigd aan de onderzijde van het brugdek. Lichtmasten aan de rand van kunstwerken is niet toegestaan. De afstand tussen de opbouwarmaturen is gelijk en wordt per kunstwerk bepaald naar gelang de lengte van de onderdoorgang. Er dient gerichte verlichting te worden aangebracht die zo min mogelijk onbedoelde uitstraling heef t naar wand- en plafonddelen die niet aangelicht hoeven te worden vanuit (verkeers)veiligheid. Verlichting dient terughoudend te worden geplaatst. Eventuele (nood)verlichting dient terughoudend te zijn; niet zichtbaar vanuit en geen uitstraling hebben naar de directe omgeving t.b.v. lichtvervuiling. Verlichting dient zo min mogelijk impact te hebben op de ecologie, denk aan vleermuisvriendelijke verlichting in relatie tot de watervleermuis en de meervleermuis bij de Hoofdvaar t en Kaagbruggen.
330
50
VOORZIENINGEN 4.2.102 Alle kabels en leidingen incl. hemelwaterafvoeren van het kunstwerk mogen niet in het zicht komen. 4.2.103 Verkeerskundige voorzieningen zoals bebording en signalering op en /of aan het kunstwerk dient zorgvuldig en in samenhang met het kunstwerk gedaan te worden
160
BENAMING KUNSTWERK 4.2.98 Naamgeving kunstwerk is leesbaar voor een afstand van 60m. 4.2.99 De naam is geïntegreerd in onderzijde van het randelement van het kunstwerk. Letters zijn als inkassing (diepte 30mm) opgenomen in het beton. 4.2.100 De letters hebben voldoende afstand tot de randen ten behoeve van de leesbaarheid. 4.2.101 Het letter type heef t een or thogonale stijl en bestaat uit enkel hoofdletters.
0
20
52
↑ NAAMGEVING MIDDELS ‘INGRAVEREN’ VAN BETONNEN DEEL IN RANDELEMENT
53
TOELICHTING ONTWERP → EPVE A44 4. GENERIEKE VORMGEVINGSCRITERIA 01.12.2023
ZOMERVERBLIJFPLAATS VLEERMUIS_BALLUSTRADE
WINTERVERBLIJF IN BRUGHOOFD WINTERVERBLIJF IN BRUGHOOFD TOELICHTING ONTWERP →
29-04-2014 / VLOTWATERINGBRUG / NEXT ARCHITECTS
In het landhoofd aan de noordzijde wordt een winterverblijf opgenomen. Het brughoofd wordt uitgevoerd als een dikwandige betonnen bak. De massa zorgt in de winter voor een lage, stabiele temperatuur in de ruimte. Het binnenklimaat kent NATUURINCLUSIEF (FLORA EN FAUNA) een lichte gradiënt en een hoge luchtvochtigheid. De ruimte is gecompartimenIn het door landhoofd aan noordzijde wordt een winterverblijf opgenomen. Het brug4.2.104 Ga uit van het principe van natuurinclusief bouwen waarbij de de voorzieningen teerd metselwerk wanden en er zijn onderdeel diverse wegkruipmogelijkheden. hoofd wordt uitgevoerd als een dikwandige betonnen bak. De massa zorgt in de zijn van de vormgeving van de keerwanden en winter kunstwerken enstabiele berminrichting (géén voor een temperatuur de ruimte. Het binnenklimaat kent De toegang van lage, de vleermuizen bevindt zichinaan de waterzijde. Een horizontaal een lichte gradiënt en een hoge luchtvochtigheid. De ruimte is gecompartimenlosse nestkasten ophangen). betonnen element voor het aanvliegen accentueert de entree. Voor mensen is de teerd door metselwerk wanden en er zijn diverse wegkruipmogelijkheden. kelder bereikbaar voor inspectie / monitoring d.m.v. een luik.
4.2.105
29-04-2014 / VLOTWATERINGBRUG / NEXT ARCHITECTS
50 mm 15mm open stootvoeg
Berminrichting en type beplanting draagt biedt meerwaarde voor de biodiversiteit.
De toegangper vansoort de vleermuizen bevindt zich aan de waterzijde. Een horizontaal Potentie betonnen element voor het aanvliegen de entree. Voor mensen is de Meest kansrijk: winterverblijf voor de inaccentueert directe omgeving gevonden watervleerkelder bereikbaar voor inspectie / monitoring d.m.v. een luik. muis en meervleermuis Kans: winterverblijf voor de op grote afstand aanwezige gewone grootoor-vleerPotentie per soort muis en baardvleermuis Meest kansrijk: winterverblijf voor de in directe omgeving gevonden watervleerKans: zomerverblijf voor watervleermuis muis en meervleermuis Kans: kraamverblijf voor watervleermuis Kans: winterverblijf voor de op grote afstand aanwezige gewone grootoor-vleermuis en baardvleermuis Kans: zomerverblijf voor watervleermuis Kans: kraamverblijf voor watervleermuis
↑ PLATTEGROND
↑ PLATTEGROND ↑ ZOMERVERBLIJF GEÏNTEGREERD IN DE BORSTWERING
↑ AANZICHT ENTREE VLEERMUISVERBLIJF TOELICHTING ONTWERP →
29-04-2014 / VLOTWATERINGBRUG / NEXT ARCHITECTS
WINTERVERBLIJF IN BRUGHOOFD
↑ AANZICHT ENTREE VLEERMUISVERBLIJF
In het landhoofd aan de noordzijde wordt een winterverblijf opgenomen. Het brughoofd wordt uitgevoerd als een dikwandige betonnen bak. De massa zorgt in de winter voor een lage, stabiele temperatuur in de ruimte. Het binnenklimaat kent een lichte gradiënt en een hoge luchtvochtigheid. De ruimte is gecompartimenteerd door metselwerk wanden en er zijn diverse wegkruipmogelijkheden. De toegang van de vleermuizen bevindt zich aan de waterzijde. Een horizontaal betonnen element voor het aanvliegen accentueert de entree. Voor mensen is de kelder bereikbaar voor inspectie / monitoring d.m.v. een luik. Potentie per soort Meest kansrijk: winterverblijf voor de in directe omgeving gevonden watervleermuis en meervleermuis Kans: winterverblijf voor de op grote afstand aanwezige gewone grootoor-vleermuis en baardvleermuis Kans: zomerverblijf voor watervleermuis Kans: kraamverblijf voor watervleermuis
1,70m
↑ IMPRESSIE TOEGANG VLEERMUISKELDER)
↑ VOORBEELDUITWERKING OPBOUWARMATUREN EN NAAMGEVING LISSERWEG
14–15
↑ IMPRESSIE TOEGANG VLEERMUISKELDER)
>50 wegkruipplaatsen
0,50m
1,70m ↑ PLATTEGROND
↑ AANZICHT EN DOORSNEDE WINTERVERBLIJF IN HET LANDHOOFD
↑ DOORSNEDE
>50 wegkruipplaatsen
0,50m
54
EPVE A44 4. GENERIEKE VORMGEVINGSCRITERIA 01.12.2023
↑ VOORBEELDUITWERKING OPBOUWARMATUREN EN NAAMGEVING LISSERWEG
55
HOOFDSTUK →
5. SPECIFIEKE VORMGEVINGSCRITERIA In dit hoofdstuk worden de kunstwerken apart behandeld in de volgorde van noord naar zuid; de Lisserweg, de Hoofdvaart, de Kaagbruggen en het Spoorwegviadukt. De kunstwerken zijn uitgewerkt in tekeningen en impressies. Locatie specifieke omstandigheden vragen om aanvullende en afwijkende eisen. Deze worden in dit hoofdstuk per kunstwerk uiteengezet.
EPVE A44 5. SPECIFIEKE VORMGEVINGSCRITERIA 01.12.2023
5.1 LISSERWEG Kunstwerk Lisserweg is een viaduct over een lokale onderdoorgang gecombineerd met toe- en afritten aan weerszijden van de rijksweg. De A44 komt hier net onder de HSL door waarin steunpunten een dwangpunt vormen in de ligging en de beschikbare breedte voor de weg dicteren. Dit resulteer t in een smal wegprofiel zonder vluchtstroken op het kunstwerk. In plaats daarvan worden er vluchthavens aangelegd voor beide verkeersrichtingen aan weerszijden van de vaste brug. Het geringe wegprofiel gebiedt op deze plek het toepassen van barriers ten behoeve van een veilige doorstroming van het verkeer op de rijksweg. Doordat de rijksweg hier hoog boven het maaiveld ligt en er beperkte ruimte beschikbaar is om groene taluds toe te passen om het hoogteverschil op te vangen komen hier grote afstanden keerwand in het zicht. Voor een zo groen mogelijk aanzicht van de rijksweg wordt het aangrenzende maaiveld/talud vóór de keerwanden beplant. ↑ SITUATIE KUNSTWERK LISSERWEG MET INDICATIEF DE SYSTEEM- EN CONTRACTGRENS
57
EPVE A44 5. SPECIFIEKE VORMGEVINGSCRITERIA 01.12.2023
↑ VOORBEELDUITWERKING KUNSTWERK LISSERWEG
58
EPVE A44 5. SPECIFIEKE VORMGEVINGSCRITERIA 01.12.2023
↑ VOORBEELDUITWERKING KUNSTWERK LISSERWEG
59
EPVE A44 5. SPECIFIEKE VORMGEVINGSCRITERIA 01.12.2023
↑ AANZICHT NOORD
↑ AANZICHT ZUID
↑ DP01
↑ DP02
↑ DP02
↑ DP01
60
EPVE A44 5. SPECIFIEKE VORMGEVINGSCRITERIA 01.12.2023
↑ DWARSPROFIEL 01
↑ DWARSPROFIEL 02
61
EPVE A44 5. SPECIFIEKE VORMGEVINGSCRITERIA 01.12.2023
↑ BOVENAANZICHT KUNSTWERK LISSERWEG. PLAATSING LICHTMASTEN INDICATIEF.
62
EPVE A44 5. SPECIFIEKE VORMGEVINGSCRITERIA 01.12.2023
↑ AANZICHT NOORD
↑ AANZICHT ZUID
63
EPVE A44 5. SPECIFIEKE VORMGEVINGSCRITERIA 01.12.2023
De generieke eisen t.a.v. de landschappelijke inpassing en het kunstwerk zijn hier van toepassing met uitzondering van onderstaande aanvullende/afwijkende eisen. Houdt rekening met het aanzicht en doorzicht gezien vanaf met name vanaf de Lisserdijk (beide kanten). LANDSCHAPPELIJKE INPASSING VOERTUIGKERING
5.1.1
Door het krappe wegprofiel worden er barriers toegepast op kunstwerk Lisserweg. De overgang van barrier naar geleiderail vloeiend uitvoeren. Maak gebruik van standaard overgangselement.
KUNSTWERK UITWAAIERENDE KEERWANDEN
5.1.2
Door beperkte ruimte aan de zuidzijde van het kunstwerk worden lage taluds toegepast. De bijbehorende uitwaaierende wanden volgen de taludlijn en sluiten met een verspringing aan op het wanddeel onder het kunstwerk
↑ DOORSNEDE
64
EPVE A44 5. SPECIFIEKE VORMGEVINGSCRITERIA 01.12.2023
5.2 HOOFDVAART De Hoofdvaar t is een kunstwerk dat bestaat uit twee vaste bruggen. Het viaduct Hoofdvaar t is voor de rijksweg en enkel bestemd voor autoverkeer. Ze overbrugt de Hoofdvaar t en de Hoofdweg aan de oost- en westoever. De lage brug verbindt de oevers van de Hoofdvaar t voor het onderliggend wegennet. Doordat de ruimte tussen de toe- en afritten en de rijksweg zeer beperkt is wordt er geen talud toegepast. Om het hoogteverschil op te vangen worden er keerwanden geplaatst. Het maaiveld voor de keerwanden wordt beplant voor een zo groen mogelijk aanzicht. In de detailuitwerking moet rekening worden gehouden met de ontwikkelingen van o.a. de Piekberging. In dit gebied is nog niet duidelijk hoe de NNN-verbinding, die PNH hier heef t voorzien, precies gaat lopen, maar de voornaamste kans lijkt te liggen tussen de piekberging en de verplaatste A44. ↑ SITUATIE KUNSTWERK HOOFDVAART MET INDICATIEF DE SYSTEEM- EN CONTRACTGRENS
65
EPVE A44 5. SPECIFIEKE VORMGEVINGSCRITERIA 01.12.2023
↑ VOORBEELDUITWERKING KUNSTWERK HOOFDVAART
66
EPVE A44 5. SPECIFIEKE VORMGEVINGSCRITERIA 01.12.2023
↑ VOORBEELDUITWERKING KUNSTWERK HOOFDVAART
67
EPVE A44 5. SPECIFIEKE VORMGEVINGSCRITERIA 01.12.2023
↑ AANZICHT NOORD
↑ AANZICHT ZUID
↑ DP02
↑ DP01
↑ DP01
↑ DP02
68
EPVE A44 5. SPECIFIEKE VORMGEVINGSCRITERIA 01.12.2023
↑ DWARSPROFIEL 01
↑ DWARSPROFIEL 02
69
EPVE A44 5. SPECIFIEKE VORMGEVINGSCRITERIA 01.12.2023
↑ BOVENAANZICHT KUNSTWERK HOOFDVAART. PLAATSING LICHTMASTEN INDICATIEF
70
EPVE A44 5. SPECIFIEKE VORMGEVINGSCRITERIA 01.12.2023
↑ AANZICHT LAGE BRUG
↑ AANZICHT ZUID VIADUCT HOOFDVAART
71
EPVE A44 5. SPECIFIEKE VORMGEVINGSCRITERIA 01.12.2023
De generieke eisen t.a.v. de landschappelijke inpassing en het kunstwerk zijn hier van toepassing met uitzondering van onderstaande aanvullende/afwijkende eisen. Houdt rekening met het aanzicht en doorzicht gezien vanaf met name de Abbenes – Dokter Heijelaan (bocht voor kruising met Maria Margaretalaan), de Hoofdweg Oostzijde t.h.v. Zelmakerij JM van Roode en de Hoofdweg en Hoofdweg Oostzijde rondom brug. LANDSCHAPPELIJKE INPASSING OEVERS HOOFDVAART
5.2.1 5.2.2 5.2.3 5.2.4
De oeverbeschoeiing van de Hoofdvaar t wordt doorgetrokken onder het kunstwerk door De oeverbeschoeiing volgt een rechte lijn, geen knikken. De nieuw te plaatsen oeverbeschoeiing sluit in vormgeving en materiaal aan op de beschoeiing van de aansluitende oevers van de Hoofdvaar t. De elementverharding onder het kunstwerk volgt het schuine talud van de oever en reikt tot aan de lage beschoeiing.
↑ GROENE OEVERS BIJ KUNSTWERK HOOFDVAART
KUNSTWERK Bij dit kunstwerk hebben we te maken met een dubbele rij grondkerende constructies. De binnenste keerwanden direct aan de rijksweg zijn zichtbaar wanneer men op de toe- of afrit rijdt en vanaf het onderliggend wegennet. De buitenste keerwanden bevinden zich aan de buitenzijde van de toe- en afritten. Deze buitenste keerwanden zijn nauwelijks zichtbaar vanaf het onderliggend wegennet. Enkel vanaf grote afstand of vanuit langsrijdend treinverkeer ziijn ze waarneembaar. Op sommige plaatsen staan deze keerwanden in de oevers van bestaande watergangen. Voor de buitenste keerwanden gelden afwijkende eisen. Kunstwerk Hoofdvaar t bestaat uit een hoge en een lage brug. Er zijn aanvullende eisen voor zowel de hoge als de lage brug. TUSSENSTEUNPUNT IN HOOFDVAART VAN VIADUCT HOOFDVAART
5.2.5 5.2.6 5.2.7
5.2.8
De steunpunten zijn symmetrisch uitgezet vanuit het har t van de Hoofdvaar t. De overspanningen zijn gelijk verdeeld of tenminste symmetrisch t.o.v. het har t van de Hoofdvaar t. Het middelste tussensteunpunt dat in de Hoofdvaar t staat heef t dezelfde vorm als de overige tussensteunpunten van het kunstwerk. Het tussensteunpunt staat op een poer in de vorm van een zogenaamd ‘duikbootprofiel’. Het element is afgerond op de kopse kanten en heef t een afschot van >5% voor voldoende afwatering. ↑ DOORSNEDE
72
EPVE A44 5. SPECIFIEKE VORMGEVINGSCRITERIA 01.12.2023
LAGE BRUG
5.2.9 5.2.10 5.2.11 5.2.12 5.2.13 5.2.14 5.2.15 5.2.16
De lage brug wordt tussen het viaduct Hoofdvaar t en de spoorbrug in geplaatst. De lage brug wordt zo haaks mogelijk op de Hoofdvaar t geplaatst. De landhoofden van de lage brug zijn uitgevoerd in beton. De landhoofden zijn dichtgezet tot aan het water. Het randelement van de lage brug heef t dezelfde vorm als de overige kunstwerken waarbij het onderste deel wordt verjongd voor een minder massief aanzicht. In materiaal wijkt het randelement van de lage brug af van de overige kunstwerken. Het randelement is volledig uitgevoerd in beton. Het leuningwerk waaier t uit naar buiten om het verkeer de brug over te begeleiden. De lamellen van het leuningwerk hebben een h.o.h. afstand van 100 mm.
↑ VIADUCT HOOFDVAART MET TUSSENSTEUNPUNT IN DE HOOFDVAART OP BETONNEN POEREN IN ‘DUIKBOOTPROFIEL’.
↑ HET RANDELEMENT VAN DE LAGE BRUG IS IN VORM GELIJK MAAR IN MATERIAAL AFWIJKEND VAN HET VIADUCT HOOFDVAART
73
EPVE A44 5. SPECIFIEKE VORMGEVINGSCRITERIA 01.12.2023
5.3 KAAGBRUGGEN Verderop naar het zuiden bevinden zich de Kaagbruggen. Het zijn twee beweegbare bruggen over de Ringvaar t met aan beide oevers lange vaste aanbruggen. De beweegbare delen zijn uitgevoerd als basculebrug met contragewicht en techniek onder het dek. Aan de zuidzijde is een fietspad voorzien. Daar de Kaagbruggen twee beweegbare bruggen zijn over een veel bevaren vaar t zijn er aanvullende eisen betref t het wegmeubilair. Het alignement van de rijksweg tussen kunstwerk Hoofdvaar t en de Kaagbruggen wordt verlegd en verbreed. Op dit wegtracé bevindt zich een duiker genaamd de Nieuwerkerker tocht. De bestaande duiker wordt vervangen en verlengd vanwege het nieuwe wegontwerp. De fietsbrug ten zuiden van de rijksweg aldaar wordt vervangen en verplaatst naar het zuiden in lijn met het nieuwe fietspad.
↑ SITUATIE KUNSTWERK KAAGBRUGGEN & NIEUWERKERKERTOCHT MET INDICATIEF DE SYSTEEM- EN CONTRACTGRENS
74
EPVE A44 5. SPECIFIEKE VORMGEVINGSCRITERIA 01.12.2023
↑ VOORBEELDUITWERKING KUNSTWERK KAAGBRUGGEN
75
EPVE A44 5. SPECIFIEKE VORMGEVINGSCRITERIA 01.12.2023
↑ VOORBEELDUITWERKING KUNSTWERK KAAGBRUGGEN
76
EPVE A44 5. SPECIFIEKE VORMGEVINGSCRITERIA 01.12.2023
↑ AANZICHT NOORD
↑ AANZICHT ZUID
↑ DP01
↑ DP02
↑ DP02
↑ DP01
77
EPVE A44 5. SPECIFIEKE VORMGEVINGSCRITERIA 01.12.2023
↑ DWARSPROFIEL 01
↑ DWARSPROFIEL 02
78
EPVE A44 5. SPECIFIEKE VORMGEVINGSCRITERIA 01.12.2023
Er dient rekening gehouden te worden met een voetgangersverbinding over de Kaagbrug vanuit Buitenkaag (en o.a. de OV-halte) naar de recreatieve voorzieningen aan de overkant van de ringvaar t. Dit ten behoeve van de recreatieve voorzieningen zoals de camping “Hof van Eden”, de zeilschool “’t Vossenhol” en de detail-, wateren horecavoorzieningen van “Het Groene Landhuis”. Daarnaast is er een zwemplek en een aanmeervoorziening waar passagiers aan en van boord gaan. Voor voetgangers worden taludtrappen voorzien aan beide zijde van de Kaagbruggen.
↑ BOVENAANZICHT KUNSTWERK KAAGBRUGGEN. BEREIKBAARHEID SLAGBOOMKASTEN MIDDENBERM INDICATIEF.
79
EPVE A44 5. SPECIFIEKE VORMGEVINGSCRITERIA 01.12.2023
↑ DOORSNEDE 1 OVER AANBRUGGEN
↑ AANZICHT ZUID KAAGBRUGGEN
↑ DS 3
↑ DS 2
↑ DS 1
80
EPVE A44 5. SPECIFIEKE VORMGEVINGSCRITERIA 01.12.2023
↑ DOORSNEDE 2 VASTE BRUG MET LOCATIE SLAGBOMEN
↑ DOORSNEDE 3 BEWEEGBARE BRUG
81
EPVE A44 5. SPECIFIEKE VORMGEVINGSCRITERIA 01.12.2023
De generieke eisen t.a.v. de landschappelijke inpassing en het kunstwerk zijn hier van toepassing met uitzondering van onderstaande aanvullende/afwijkende eisen.
5.3.15
Houdt rekening met het aanzicht en doorzicht gezien vanaf met name vanaf de Lisserdijk (beide kanten)
5.3.16
LANDSCHAPPELIJKE INPASSING
5.3.17 5.3.18
MAAIVELD & VERHARDING AANBRUGGEN
5.3.4 5.3.5 5.3.6
5.3.19 5.3.20 5.3.21
500
500
y 100
5.3.2 5.3.3
Het maaiveld onder de aanbruggen wordt opgetild met een bolling. Dit om verrommeling te voorkomen. Het afschot van de bolling zorgt ervoor dat water en vervuiling zich niet verzamelt onder de aanbruggen. De bolling reikt tot een maximale hoogte van 1m om doorzicht te behouden. De bolling in het maaiveld is afgewerkt met elementverharding gelijk aan het overige maaiveld onder het brugdek. De hellingen van de bolling worden vloeiend uitgevoerd. De oevers onder het brugdek worden afgewerkt met dezelfde elementverharding. Te behoeven van een voetgangersverbinding over de Kaagbruggen worden taludtrappen voorzien aan beide zijden van de brug (respectievelijk oost- en westzijde), die voldoen aan algemene eisen van toegankelijkheid openbare ruimte.
y 100 x
5.3.1
Plaats slagboomkasten van het fietspad aan de zuidzijde van het fietspad. Dit betekent dat er consoles t.b.v de slagboomkasten komen aan het randelement van de zuidzijde van het kunstwerk. De consoles zijn in samenhang ontworpen met het kunstwerk en doen geen afbreuk aan de doorgaande lijn van het randelement. De uitkraging van de console is minimaal. De console is gemaakt als een uitkraging van het randelement dat wordt verjongd naar onder toe. Het metselwerk van het randelement loopt onder de console door. De afgeschuinde hoeken zorgen voor een slank en ver fijnd uiterlijk. Het leuningwerk volgt de rand van de console zodat de slagboomkast te bereiken is voor onderhoud. De console heef t een betonnen afwerking. De slagboomkast wordt gepoedercoat in dezelfde kleur als het leuningwerk; lichtgrijs.
KADE EN VAARWEG
5.3.10 5.3.11 5.3.12
x330
De geleidewerken zijn terughoudend in vormgeving en ondergeschikt aan het kunstwerk. De geleidewerken van de Kaagbruggen en de spoorbrug vormen één geheel. Het staal van de geleidewerken is zwar t gecoat en in ten behoeve van de zichtbaarheid voorzien van een witte kop. Seinen en bebording dienen zorgvuldig ingepast te worden aan de rand van het brugdek en/of in combinatie met remmingswerken. Onder de brug zijn de wrijfgordingen bevestigd aan het betonnen deel van de basculekelder en het tussensteunpunt. Wrijfgordingen onder en buiten de brug liggen in het verlengde van elkaar, géén verspringingen in hoogte.
625
220
625
220
330
5.3.7 5.3.8 5.3.9
TECHNISCHE VOORZIENINGEN
5.3.14
500
Slagbomen, por talen, kasten, cameramasten en andere voorzieningen zijn zorgvuldig ingepast, aansluitend op de vormgeving en het materiaal- en kleurgebruik van het kunstwerk. Voorzieningen worden integraal meegenomen in het ontwerp en daar waar mogelijk geïntegreerd. Plaats slagboomkasten in de middenberm van de weg.
500
5.3.13
↑ ONTWERP CONSOLE T.B.V. SLAGBOOMKASTEN BEWEEGBAAR BRUGDEEL
82
EPVE A44 5. SPECIFIEKE VORMGEVINGSCRITERIA 01.12.2023
KUNSTWERK BRUGDEK & RANDDETAIL
5.3.22
5.3.23 5.3.24
De brugrand is het beeldbepalende element van de brug. In aanzicht vormt de brugrand één geheel. Het randelement van het betonnen brugdek loopt in één lijn door op het stalen val. Het val en de uitkragende consoles voor slagboomkasten zijn een verbijzondering, géén uitzondering. Togen (kattenruggen) zijn niet zichtbaar en worden opgevangen in het randelement. Onderzijde van het val is een zichtzijde. De hoofd- en dwarsdragers zijn ordentelijk gerangschikt (symmetrisch), afgewerkt in een gedekte kleur in samenhang met het kunstwerk.
BASCULEKELDER
5.3.25 5.3.26 5.3.27 5.3.28
5.3.29
De basculekelder wordt zo compact mogelijk vormgegeven. De basculekelder is in verschijningsvorm verwant aan de pijlers. De wanden zijn uitgevoerd in beton en zijn afgerond op de hoeken. Voor de straal van de afrondingen van de basculekelder is de afronding van het tussensteunpunt maatgevend. De afronding is voor het hele kunstwerk gelijk. De wanden worden in vormgeving benaderd als een gevel. Wandopeningen voor deuren en ventilatievoorzieningen worden zo veel mogelijk gebundeld en uitgevoerd als ruime ingrepen met vlakverdeling en maatverhoudingen passend bij de brug (géén maatvoering resulterend uit de minimaal benodigde deurmaat). Ze zijn als kaders in het vlak ingepast op afstand minimaal 2m van de wandafrondingen. De toegang van de basculekelder wordt onopvallend en terughoudend opgenomen in de betonwand. Dit geldt ook voor de noodzakelijke ventilatievoorzieningen zoals roosters.
↑ REFERENTIE VAN EEN VAL MET REGELMATIGE STRUCTUUR
LEUNINGWERK
5.3.30
De stijlafstand van het leuningwerk van de Kaagbruggen is niet groter dan 100mm t.b.v. de doorvalveiligheid.
RANDDETAIL BEWEEGBAAR BRUGDEK
5.3.31 5.3.32 5.3.33
De rand van het stalen val ligt in lijn met het randelement van de aanbruggen. De rand van het stalen val heef t dezelfde vorm als het randelement van de aanbruggen. Om het stalen randelement van het beweegbare val minder massief te laten ogen wordt een deel van het vlak verdiept. De afmetingen van het verdiepte vlak zijn gelijk aan waar
↑ RANDELEMENT VAN HET BEWEEGBARE VAL SLUIT IN VORM EN KLEUR AAN OP HET RANDELEMENT VAN DE AANBRUGGEN
83
EPVE A44 5. SPECIFIEKE VORMGEVINGSCRITERIA 01.12.2023
er op het randelement van de aanbruggen sprake is van metselwerk. Dit zijn aanvullende en/of afwijkende vormgevingscriteria met betrekking tot kunstwerk Nieuwerkerker tocht. Het kunstwerk bestaat uit een duiker en een vaste brug voor fietsverkeer ten zuiden van de rijksweg. KUNSTWERK DUIKER
5.3.34
5.3.35
De duiker Nieuwerkerker tocht is niet of nauwelijks zichtbaar voor automobilisten of fietsers. Aan we afwerking van de wanden worden geen aanvullende kwaliteitseisen gesteld; dus géén metselwerk. Ecologische voorzieningen zoals looprichels of andere geschikte passage elementen moeten integraal worden meegenomen worden in het ontwerp en terughoudend, onopvallend worden vormgegeven.
FIETSBRUG
5.3.36 5.3.37 5.3.38
De hoofddragers van de brug zijn gemaakt van hout. Het fietsbrugdek is gemaakt van houten delen. De houten planken hebben een ner f t.b.v. antislip en zijn afgewerkt met antislip
↑ AANZICHT ZUID MET FIETSBRUG OP DE VOORGROND
↑ BOVENAANZICHT VAN DE NIEUWE SITUATIE VAN KUNSTWERK NIEUWERKERKERTOCHT
↑ DOORNSEDE VAN DE DUIKER NIEUWERKERKETOCHT MET AAN DE RECHTERZIJDE DE FIETSBRUG
84
EPVE A44 5. SPECIFIEKE VORMGEVINGSCRITERIA 01.12.2023
5.4 SPOORWEGVIADUKT Het Spoorwegviadukt overbrugt een belangrijke spoorlijn tussen Leiden en Haarlem. De doorrijdhoogte van het spoor wordt aangepast waardoor het kunstwerk hoger komt te liggen dan in de huidige situatie. Bovendien is de locatie van de grondkerende constructies voorbereid op een toekomstige wegverbreding van de A44. De grotere hoogte en verbreding van het kunstwerk leidt tot steile taluds en een brede berm. De keerwanden verhullen we zoveel als mogelijk met groene taluds en beplanting. Aan de oostkant van het spoor ligt een weg bestemd voor auto en fietsverkeer. Aan de westzijde bevindt zich een fietspad en een toegang voor bevoegden voor de jeugdinrichting ten zuiden van de rijksweg. Bij dit kunstwerk gelden aanvullende en afwijkende eisen met betrekking tot het spoornetwerk.
↑ SITUATIE KUNSTWERK SPOORWEGVIADUKT MET INDICATIEF DE SYSTEEM- EN CONTRACTGRENS
85
EPVE A44 5. SPECIFIEKE VORMGEVINGSCRITERIA 01.12.2023
↑ VOORBEELDUITWERKING KUNSTWERK SPOORWEGVIADUKT
86
EPVE A44 5. SPECIFIEKE VORMGEVINGSCRITERIA 01.12.2023
↑ VOORBEELDUITWERKING KUNSTWERK SPOORWEGVIADUKT
87
EPVE A44 5. SPECIFIEKE VORMGEVINGSCRITERIA 01.12.2023
↑ DP01
↑ DP02
↑ AANZICHT NOORD
↑ DP02
↑ DP01
↑ AANZICHT ZUID
88
EPVE A44 5. SPECIFIEKE VORMGEVINGSCRITERIA 01.12.2023
↑ DWARSPROFIEL 01
↑ DWARSPROFIEL 02
89
EPVE A44 5. SPECIFIEKE VORMGEVINGSCRITERIA 01.12.2023
↑ BOVENAANZICHT KUNSTWERK SPOORWEGVIADUKT
90
EPVE A44 5. SPECIFIEKE VORMGEVINGSCRITERIA 01.12.2023
↑ AANZICHT NOORD
↑ AANZICHT ZUID
91
EPVE A44 5. SPECIFIEKE VORMGEVINGSCRITERIA 01.12.2023
↑ DOORSNEDE SPOORWEGVIADUCT
92
EPVE A44 5. SPECIFIEKE VORMGEVINGSCRITERIA 01.12.2023
De generieke eisen t.a.v. de landschappelijke inpassing en het kunstwerk zijn hier van toepassing met uitzondering van onderstaande aanvullende/afwijkende eisen. LANDSCHAPPELIJKE INPASSING VERHARDING
5.4.1 5.4.2
Profiel van de weg genaamd Klinkenberg doorzetten onder kunstwerk. Zet verharding van de Klinkerberg door onder het kunstwerk. Huidige klinkers worden hiervoor hergebruikt.
OEVERS WATERGANGEN
5.4.3
Behoud bestaande natuurvriendelijke oevers van de watergangen aan weerskanten van het kunstwerk.
↑ NATUURVRIENDELIJKE OEVERS
KUNSTWERK KEERWANDEN
5.4.4
Het fietspad ten zuiden van de A44 aan de westzijde van het kunstwerk ligt dicht tegen de rijksweg aan. Om de hoge grondkerende constructie in deze krappe ruimte zoveel mogelijk af te schermen met beplanting kiezen we hier voor een andere aanpak dan bij de overige kunstwerken. De uitwaaierende keerwand loopt door langs het fietspad en het talud met beplanting komt hoger te liggen. De fietser wordt onder het kunstwerk door begeleid en beplanting kan hoger reiken. De tekening van aanzicht zuid op p.89 biedt verduidelijking. ↑ HUIDIGE SITUATIE; GAASRAMEN EN BAANAFSCHERMING
↑ KLINKERS OP DE KLINKENBERG
VOORZIENINGEN
5.4.5
Anders dan bij de overige kunstwerken dienen hier voorzieningen cf. richtlijnen ProRail t.b.v. de veiligheid aan het kunstwerk te worden bevestigd i.v.m. de spoorlijn (bijvoorbeeld gaasramen).
↑ VOORZIENINGEN OP NIEUW KUNSTWERK
93
BRONNEN
EPVE A44 BRONNEN 01.12.2023
BRONNEN A44 VenR kunstwerken Beeldkwaliteitsplan
A44
BOUWHISTORISCHE VERKENNING & WAARDESTELLING in opdracht van
VenR kunstwerken beeldkwaliteitsplan
OBJECTEN IN DE A44 DEEL 1: HISTORISCH ONDERZOEK
Onderzoek i.o.v. Rijkswaterstaat WNN
11 oktober 2021
1
A44 VenR kunstwerken Inpassingsvisie
A44
VenR kunstwerken inpassingsvisie
in opdracht van
VISIE RINGDIJK EN RINGVAART HAARLEMMERMEER
Leidraad Duurzame Inrichting Openbare Ruimte Versie Datum
1.1 januari 2015
1
architectuur/stedenbouw
Trotse dragers van het landschap visie polderlinten Haarlemmermeer en beeldkwaliteitsplan voor de erven
Natuurvisie Haarlemmermeer 2040
DE VERBINDENDE RING
Verbindingen maken voor meer
BEELDKWALITEITSPLAN RINGVAART EN RINGDIJK HAARLEMMERMEER
biodiversiteit
95