5. RV Weigering verklaring van geen bedenkingen voor de bouw van een loods aan de Rijnlanderweg 1663 te Nieuw-Vennep (2022.0000828)
Tekst van het document
gemeente Haarlemmermeer
raadsvoorstel onderwerp
portefeuillehouder steiler Collegevergadering
Weigering verklaring van geen bedenkingen voor de bouw van een loods aan de Rijnlanderweg 1663 te Nieuw-Vennep mr. Mariëtte Sedee-Schuitemaker Dominique Ong 31 mei 2022
Raadsvergadering Raadsvoorstelnummer
2022.0000828
1. Voorstel Collegebesluit(en)
Het college besluit de raad voor te stellen om: 1. te besluiten tot weigering van de verklaring van geen bedenkingen voor de bouw van een loods aan de Rijnlanderweg 1663 te Nieuw-Vennep. 2. Samenvatting
Wij willen een omgevingsvergunning weigeren voor de bouw van een loods aan de Rijnlanderweg 1663 te Nieuw-Vennep. Wij kunnen dat besluit slechts nemen nadat de raad heeft besloten over de verklaring van geen bedenkingen (vvgb). 3. Uitwerking
3.1 Wat willen we bereiken? Wij willen een omgevingsvergunning weigeren voor de bouw van een loods aan de Rijnlanderweg 1663 te Nieuw-Vennep. 3.2 Wat gaan we daarvoor doen? De aanvraag betreft de bouw van een loods (60 x 30 meter) ten behoeve van opslag van aardappelen. Toelichting op de aanvraag De Stichting Groenbeheer Haarlemmermeer Zuid (GHZ) heeft in 2017 een akkerbouwbedrijf met 45 hectare grond en gebouwen aan de Uweg 1365 te Nieuw-Vennep gekocht en een voormalig akkerbouwbedrijf op 1,6 hectare grond aan de Rijnlanderweg 1663 te Nieuw-Vennep. De aanvrager is bestuurder van de stichting en de locaties zijn in eigendom van de eigenaar van het grondverzetbedrijf 'Loon op Zand'. De oorspronkelijke boerderijwoning op nummer 1663 wordt gebruikt voor het huisvesten van (Poolse) werknemers van het grondverzetbedrijf en de aansluitend gelegen schuur (totaal circa 400 m2) voor de opslag van machines. De achterliggende gedateerde loods (circa 450 m2) wordt gebruikt voor de opslag van balen stro, daarnaast staat er ook nog een oude vervallen kapberg op het erf. De landbouwgrond
Weigering verklaring van geen bedenkingen voor de bouw van een loods aan de Rijnlanderweg 1663
pagina 2
te Nieuw-Vennep
wordt mondeling van jaar op jaar verhuurd aan Kort akkerbouw, een akkerbouwbedrijf te Kudelstaart. Het plan is nu de kapberg en de loods te slopen en een nieuwe loods (circa 60 x 30 meter) terug te bouwen. Deze loods gaat ingericht worden voor opslag en overslag van aardappelen. Als de nieuwbouw gerealiseerd is, gaat de loods van jaar op jaar verhuurd worden.
Locatie Rijnlanderweg 1663
Bestemmingsplantoets Het perceel is gesitueerd in het bestemmingsplan 'Buitengebied Zuid' met de bestemming 'Agrarisch'. Het bedrijf van aanvrager kan niet als agrarisch worden bestempeld omdat de korte termijn van de huur onvoldoende continuïteitperspectief voor het agrarisch gebruik van de schuur naar de toekomst biedt. De aanvraag is om die reden strijdig met het bestemmingsplan. Omgevingsverordening Noord Holland 2020 Op het plangebied zijn vier werkingsgebieden uit de verordening van toepassing: Agrarisch gebied. Landelijk Gebied, MRA Landelijk gebied en Luchthavenindelingbesluit 5. Geconstateerd is dat het hier geen agrarisch bedrijf betreft. Het gevraagde is strijdig met de werkingsgebieden. Agrarische beoordelingscommissie De aanvraag is voorgelegd aan de Agrarische Beoordelingscommissie. Onderstaand de bevindingen en conclusie van de commissie: 'De Stichting GHZ heeft geen agrarische bedrijfsvoering. De nieuw te bouwen loods gaat telkens per jaar verhuurd worden aan Kort akkerbouw en zal hierdoor agrarisch gebruikt worden voor de bedrijfsvoering van een volwaardig agrarisch bedrijf. De korte termijn van de huur biedt evenwel onvoldoende continuïteitperspectief voor het agrarisch gebruik van de schuur naar de toekomst. Indien de samenwerking om welke reden dan
Weigering verklaring van geen bedenkingen voor de bouw van een loods aan de Rijnlanderweg 1663
pagina 3
te Nieuw-Vennep
ook stopt is het goed mogelijk en zeker niet ondenkbaar dat de schuur nadien niet-agrarisch gebruikt gaat worden. Deze mogelijkheid wordt versterkt door de ligging pal aan de Rijksweg A44 en de afwezigheid van landbouwgrond ter plaatse. Conclusie/advies De Stichting Groenbeheer Haarlemmermeer Zuid is geen agrarisch bedrijf en het agrarisch gebruik van de bedrijfsbebouwing op de locatie Rijnlanderweg 1663 te Nieuw-Vennep is onvoldoende verzekerd. Onze commissie adviseert derhalve geen medewerking te verlenen aan deze aanvraag voor vervanging en uitbreiding van de bedrijfsbebouwing (circa 1.800 m2).' Het advies van de Agrarisch Beoordelingscommissie wordt gevolgd. Om die reden willen wij de omgevingsvergunning voor de bouw van een loods aan de Rijnlanderweg 1663 te NieuwVennep weigeren. Procedure De raad heeft eerder de aanvraag met bijbehorende stukken ontvangen. Tot de aanvraag behoort onder meer een ruimtelijke onderbouwing. De ruimtelijke onderbouwing was bij het raadsvoorstel gevoegd, dat leidde tot het besluit van de raad op 20 januari 2022 (2021.0002870) tot afgifte van een Weigering ontwerpverklaring van geen bedenkingen. Het besluit heeft vanaf 12 maart 2022 gedurende zes weken mee ter visie gelegen met het ontwerpbesluit tot weigering van de vergunning en de stukken die tot de aanvraag behoren.
In deze periode had een ieder de gelegenheid om zienswijzen in te dienen, zowel tegen de ontwerpverklaring als tegen het ontwerpbesluit. Er zijn geen zienswijzen ingediend. Daarom stellen wij de raad nu voor, te besluiten tot weigering van afgifte van de vvgb Indien de raad hiermee instemt, kunnen wij komen tot weigering van de omgevingsvergunning. 3.3 Wat mag het kosten? Aan de uitvoering van dit voorstel zijn, naast de beschikbare ambtelijke capaciteit, geen kosten verbonden. Wat zijn de financiële risico's Onze gemeente loopt geen vermeldenswaardige financiële risico's bij de uitvoering van dit voorstel. 3.4 Wie is daarvoor verantwoordelijk? Op grond van de Wabo is de raad bevoegd te besluiten omtrent een vvgb. De bevoegdheid te besluiten omtrent een aanvraag omgevingsvergunning ligt bij ons college. Binnen het college is de portefeuillehouder Ruimtelijke Ordening het eerste aanspreekpunt.
Weigering verklaring van geen bedenkingen voor de bouw van een loods aan de Rijnlanderweg 1663 te Nieuw-Vennep
3.5 Wanneer en hoe zal de raad/het college over de voortgang worden geïnformeerd? Indien de raad instemt met dit voorstel is de besluitvorming afgerond.
pagina 4
Ruimtelijke onderbouwing Rijnlanderweg 1663 Nieuw Vennep
Opsteller : Richard Bosman Datum : 28 juni 2021
Inhoudsopgave 1. Inleiding ............................................................................................................................................. 3 1.1 Aanleiding ....................................................................................................................................... 3 1.2 Ligging en begrenzing ................................................................................................................... 3 1.3 Bestemmingsplaninformatie en afwijking van het bestemmingsplan ..................................... 4 1.4 Leeswijzer ...................................................................................................................................... 4 2. Projectomschrijving ......................................................................................................................... 5 2.1 Bestaande situatie ........................................................................................................................ 5 2.2 Omschrijving nieuw project en toekomstige situatie ............................................................... 5 2.3 Participatie .....................................................................................................................................
5 2.4 Planologische en stedenbouwkundige onderbouwing project ............................................... 5 3. Beleid ................................................................................................................................................. 7 3.1 Rijksbeleid...................................................................................................................................... 7 3.2. Provinciaal beleid ........................................................................................................................ 10 3.3. Gemeentelijk beleid ..................................................................................................................... 13 4. Resultaten onderzoeken milieu en omgevingsaspecten ........................................................... 17 4.1 Archeologie & Cultuurhistorie ................................................................................................... 17 4.2 Bedrijven en milieuzonering ...................................................................................................... 18 4.3 Bodem ...........................................................................................................................................
19 4.4 Explosieven ................................................................................................................................. 20 4.5 Externe veiligheid ....................................................................................................................... 20 4.6 Wet Natuurbescherming ............................................................................................................. 22 4.7 Geluid ........................................................................................................................................... 27 4.8 Geur- en luchthinder ................................................................................................................... 27 4.9 Kabels en leidingen .................................................................................................................... 28 4.10 Luchthavenindelingsbesluit Schiphol (LIB) ............................................................................. 28 4.11 Luchtkwaliteit .............................................................................................................................. 29 4.12 Milieueffectrapportage (beoordeling) .......................................................................................
32 4.13 Monument .................................................................................................................................... 32 4.14 Privaatrechtelijke belemmeringen ............................................................................................ 33 4.15 Verkeer, Parkeren en ontsluiting ............................................................................................... 33 4.16 Wateraspecten ............................................................................................................................. 33 5. Economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid ................................................................. 38 5.1 Economische uitvoerbaarheid .................................................................................................... 38 5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid ............................................................................................. 38 Bijlagen - tekening beplantingsplan
- situatietekening bestaande en nieuwe situatie 2
1. Inleiding 1.1 Aanleiding Het kadastrale perceel Haarlemmermeer, sectie AO, nummers 1005 te Haarlemmermeer betreft een bouwvlak met een woonhuis, hooiberg en loods met een oppervlakte van 450 m2 en daarnaast nog agrarische grond met een oppervlakte van 16.000 m2 (sectie AO, nummers 1006). De eigenaar wil een nieuwe loods met een oppervlakte van 1.800 m2 realiseren in het bouwvlak. In het geldende bestemmingsplan heeft het perceel een agrarische bestemming dat bestemd is voor volwaardige agrarische bedrijfsactiviteiten met een in hoofdzaak grondgebonden bedrijfsvoering, met uitzondering van glastuinbouw, bollenteelt, intensieve veehouderij, paardenfokkerij en paardenhouderij. Omdat het bedrijf van de aanvrager de loods gaat gebruiken voor de opslag van aardappelen en voertuigen en het bedrijf niet volwaardig is, is de aanvraag om een omgevingsvergunning voor de nieuwe bedrijfsloods derhalve in strijd met de voorschriften uit het bestemmingsplan. Verzocht is om middels een ruimtelijke onderbouwing aan te tonen dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening zodat alsnog medewerking aan het bouwplan kan worden verleend. Onderstaande onderbouwing toont aan dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening. 1.2 Ligging en begrenzing Het plangebied ligt in het landelijk gebied van Nieuw Vennep nabij de A44.
Afbeelding 1 : Globale ligging plangebied
Afbeelding 2 : Luchtfoto plangebied (bron: ruimtelijke plannen)
3
1.3 Bestemmingsplaninformatie en afwijking van het bestemmingsplan Ter plaatse van het perceel Rijnlanderweg 1663 te Nieuw Vennep, kadastraal bekend sectie AO, nummer 1005 geldt het bestemmingsplan ‘Buitengebied Zuid’. Dit bestemmingsplan is door de gemeenteraad van de gemeente Haarlemmermeer vastgesteld op 4 juli 2013. Ter plaatse van de projectlocatie gelden ingevolge het bestemmingsplan voor deze gronden de bestemming ‘Agrarisch’ (artikel 6) en de gebiedsaanduiding ‘Luchtvaartverkeerzone –LIB’ (artikel 42). De bedrijfsloods voldoet qua oppervlakte, goot- en bouwhoogte aan de regels uit het bestemmingsplan maar het bedrijf dat de loods gaat gebruiken betreft geen volwaardig agrarisch bedrijf. De volgende afbeelding toont een fragment van de plankaart uit het bestemmingsplan:
Afbeelding 3 : fragment plankaart bestemmingsplan ‘Buitengebied Zuid’.
Omdat het belangrijk is dat de agrarische functie van de omliggende gronden behouden blijft is het bouwplan een gewenste ontwikkeling en is verzocht om een goede ruimtelijke onderbouwing in te dienen waarmee wordt aangetoond dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening. 1.4 Leeswijzer Deze ruimtelijke onderbouwing is als volgt opgesteld. Na dit inleidende hoofdstuk volgt in hoofdstuk 2 een gebiedsbeschrijving en een beschrijving van de huidige situatie en de toekomstige situatie. In hoofdstuk 3 volgt het beleid. Naast rijksbeleid, provinciaal beleid, regionaal beleid en gemeentelijk beleid wordt tevens het aspect bezonning getoetst. In hoofdstuk 4 worden de resultaten milieu en omgevingsaspecten opgenomen over de uitvoerbaarheid van het project waaronder milieu, water, ecologie, archeologie en verkeer en parkeren uitvoerbaar te zijn. Het vijfde hoofdstuk is gewijd aan de economische en de maatschappelijke uitvoerbaarheid.
4
2. Projectomschrijving 2.1 Bestaande situatie In dit hoofdstuk wordt de bestaande ruimtelijke en functionele structuur van het plangebied beschreven. Het plangebied wordt gekenmerkt door agrarische gronden in het buitengbeied van Nieuw Vennep dat omgeven is door weilanden en nabij de snelweg A44. De locatie betreft in de huidige situatie een agrarisch perceel met een bouwvlak met daarin een bestaande woning en een loods. 2.2 Omschrijving nieuw project en toekomstige situatie Het project betreft de bouw van een bedrijfsloods. Het perceel heeft reeds een bouwvlak dat ongewijzigd blijft. 2.3 Participatie Het betreft in dit geval een bedrijfsloods voor een agrarisch bedrijf dat niet volwaardig is. De bestemming is en blijft de bestemming ‘Agrarisch’. Omdat de loods voor een niet volwaardig agrarisch bedrijf wordt gebruikt is de aanvraag om een omgevingsvergunning in strijd met het bestemmingsplan. Het perceel ligt op grote afstand van de nabij gelegen percelen. 2.4
Planologische en stedenbouwkundige onderbouwing project Het betreft in dit geval een perceel met de bestemming ‘Agrarisch’. Een bestaande loods met een oppervlakte van 416 m2 wordt gesloopt en binnen het bouwvlak wordt op een andere plaats een nieuwe bedrijfsloods met een oppervlakte van 1.800 m2 gerealiseerd.
Afbeelding 4 : ligging van het plangebied op de luchtfoto
Het plangebied Rijnlanderweg 1663 te Nieuw Vennep betreft een locatie gelegen in het buitengebied van Nieuw Vennep. Het plangebied wordt omgeven door weilanden en in de nabijheid is de snelweg A44 gelegen. De locatie bestaat in de huidige situatie uit een perceel met een bedrijfswoning, een hooiberg en een bestaande loods.
5
Afbeelding 5 : afbeelding bestaande situatie
Voor het perceel is een bouwplan ontwikkelt dat past in het bouwvlak en voldoet aan de geldende goot- en bouwhoogten. Het bouwplan is alleen vanwege gebruik, omdat het agrarische bedrijf niet volwaardig is, in strijd met het bestemmingsplan.
Afbeelding 6 : voor- en achtergevel van de nieuwe bedrijfsloods
Afbeelding 7 : linker- en rechtergevel van de bedrijfsloods
6
3
Beleid Het al dan niet voldoen aan verschillende randvoorwaarden en uitgangspunten is bepalend voor de vraag of een bouwplan ook daadwerkelijk uitvoerbaar is. Hierbij moet worden gedacht aan onder meer het ruimtelijke beleid van het Rijk, de provincie Noord-Holland, de regio, de gemeente Haarlemmermeer en de bezonningaspecten. De beoogde ontwikkeling is op deze aspecten getoetst. In dit hoofdstuk is aangegeven wat hiervan de resultaten zijn. Om een ruimtelijke onderbouwing te kunnen opstellen is het noodzakelijk te bekijken welke beleidslijnen zowel de gemeente als ook andere overheden en bestuursorganen hebben.
3.1
Rijksbeleid Nationale Omgevingsvisie (NOVI) De Nationale Omgevingsvisie, de NOVI, komt voort uit de Omgevingswet en is een langetermijnvisie op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. Uitgangspunt is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. De NOVI richt zich op vier prioriteiten: 1. Ruimte maken voor de klimaatverandering en energietransitie; 2. De economie van Nederland verduurzamen en ons groeipotentieel behouden; 3. Onze steden en regio's sterker en leefbaarder maken; 4. Het landelijk gebied toekomstbestendig ontwikkelen. De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven is combinaties te maken en win-win situaties te creëren, maar dit is niet altijd mogelijk. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: in het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI zoeken we naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van onze ruimte; 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied.
Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere; 3. Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat onze leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties. Voor het plangebied geldt de prioriteit "Sterke en gezonde steden en regio's". Binnen deze prioriteit zijn een aantal beleidskeuzes gesteld waaronder de beleidskeuze "het hanteren van een integrale verstedelijkingsstrategie". Verstedelijking vraagt zorgvuldig en gebiedsgericht maatwerk vanuit een brede benadering. In lijn met de drie afwegingsprincipes moet integrale leefomgevingskwaliteit voorop staan als basis voor de te maken keuzes. Op basis daarvan kan een afweging plaatsvinden waarbij aan alle relevante ruimtelijk-fysieke opgaven zoveel mogelijk recht wordt gedaan. Er moet daarbij voor worden gezorgd dat er flexibel en snel kan worden ingespeeld op nieuwe wensen en ontwikkelingen in de samenleving. Vanwege de relatie met verschillende nationale belangen (waaronder die op het gebied van klimaat, milieu, duurzaamheid, leefomgevingskwaliteit, bereikbaarheid) doet het Rijk ook actief mee bij de integrale uitwerking van deze verstedelijkingsstrategie.
In samenwerking met gemeenten, provincies, metropoolregio’s en andere relevante stakeholders worden, bijvoorbeeld via de gebiedsgerichte bereikbaarheidsprogramma’s van de metropoolregio’s Amsterdam (MRA), Rotterdam Den Haag (MRDH) en Utrecht (MRU), nadere keuzes over de mogelijke gebiedsontwikkelingen gemaakt.
7
Planspecifiek Met het voorliggende plan zijn de onderwerpen uit het NOVI niet in het geding. Luchthavenindelingbesluit Het rijksbeleid ten aanzien van Schiphol is geformuleerd in de Wet tot wijziging van de wet Luchtvaart (verder Wijzigingswet genoemd). De wijzigingswet vormt de wettelijke grondslag voor het regime voor de luchthaven Schiphol. Deze wet is grondslag voor twee uitvoeringsbesluiten: het Luchthavenverkeersbesluit en het Luchthavenindelingsbesluit (LIB). Het LIB omvat de ruimtelijke consequenties van de Wijzigingswet. In het LIB wordt een beperkingengebied genoemd waarin beperkingen worden gesteld ten aanzien van het gebruik en de bestemming van de grond voor zover deze noodzakelijk zijn met het oog op veiligheid en geluidbelasting. Tevens zijn er hoogtebeperkingen en regels met beperkingen ten aanzien van grondgebruik of bestemmingen met een vogel aantrekkende werking. Op 1 januari 2018 is het wijzigingsbesluit van het LIB in werking getreden. De wijzigingen zijn als volgt : • ten eerste is er een afwegingsgebied voor externe veiligheid en geluid in het LIB opgenomen (nu bekend als het '20Ke-gebied'). In dit gebied mogen gemeenten op basis van een eigen integrale afweging omgevingsvergunningen afgegeven voor de bouw van nieuwe woningen binnen het bestaand stedelijk gebied.
Buiten het bestaand stedelijk gebied blijven nieuwe woningbouwlocaties niet toegestaan; • ten tweede zijn de ruimtelijke regels over externe veiligheid en geluidhinder verduidelijkt en vereenvoudigd. Met deze wijzigingen krijgen gemeenten meer eigen afwegingsruimte en verantwoordelijkheid voor ruimtelijke ontwikkelingen. Dit mede naar aanleiding van knelpunten bij gemeenten in verband met de lokale leefbaarheid. Niet gewijzigd wordt de ligging van de beperkingengebieden. Relatie met het plangebied Voor het voorliggende plangebied is slechts één nationaal belang, een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij ruimtelijke besluiten, relevant. Het voorliggende plan is een resultante van een zorgvuldige afweging, waarbij alle betrokken belangen zijn afgewogen. Voorts wordt aan dit belang recht gedaan doordat een ontwerp beschikking ter inzage zal worden gelegd voordat de omgevingsvergunning wordt verleend en er derhalve een mogelijkheid is om zienswijzen in te dienen tegen het plan. Bovendien is in het plan een ruimtelijke onderbouwing met belangen afweging opgenomen. Een zorgvuldige afweging van belangen en een transparante besluitvorming is daarmee geborgd. Ladder voor duurzame verstedelijking In de SVIR is de ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd.
Deze ladder is per 1 oktober 2012 als motiveringseis in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, lid 2) opgenomen.
Afbeelding 8 : Ladder voor duurzame verstedelijking (Bron: Ministerie van Infrastructuur en Milieu)
8
Op 1 juli 2017 is de Ladder in het Besluit ruimtelijke ordening gewijzigd. De belangrijkste wijzigingen betreffen: • een vereenvoudiging door het loslaten van de afzonderlijke treden; • het vervangen van het begrip “actuele regionale behoefte” door “behoefte”. Zowel voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen binnen als buiten bestaand stedelijk gebied moet de behoefte worden beschreven; • het doorschuiven van de toepassing van de ladder naar het uitwerkings- of wijzigingsplan. Uitgangspunt voor de wijziging is dat met het oog op een zorgvuldig ruimtegebruik, een nieuwe stedelijke ontwikkeling in beginsel in bestaand stedelijk gebied wordt gerealiseerd. Indien de nieuwe stedelijke ontwikkeling voorzien wordt buiten het bestaand stedelijk gebied, dient dat nadrukkelijk te worden gemotiveerd in de toelichting. Bij een ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied is een nadrukkelijke motivering nodig, dat wil zeggen in aanvulling op de algemene vereisten van artikel 3.1.6, eerste lid, van het Bro, waarom niet in het bestaand stedelijk gebied in de behoefte aan de nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt voorzien. Daarbij kunnen de beschikbaarheid en geschiktheid van de ontwikkelingsmogelijkheden een rol spelen.
Toetsing van het initiatief aan de ladder voor duurzame verstedelijking/ duurzaam ruimtegebruik De eerste vraag die beantwoord moet worden in het kader van deze toets is de volgende: is er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling ? Wat onder een stedelijke ontwikkeling wordt verstaan is in het Bro (Besluit ruimtelijke ordening) opgenomen. Een nieuwe stedelijke ontwikkeling is volgens het besluit 'een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen'. Andere stedelijke voorzieningen betreffen volgens de Handreiking “accommodaties voor onderwijs, zorg, cultuur, bestuur en indoor sport en leisure vallen”. Uit Afdelingsjurisprudentie blijkt dat de vraag wanneer sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in grote mate casuïstisch wordt beantwoord.
Zo heeft de Afdeling uitgemaakt dat de volgende ontwikkelingen in het kader van bedrijfsruimten niet als nieuwe stedelijke ontwikkeling kwalificeren: uitbreiding winkel met circa 400 m² (ABRvS 3 december 2014; ECLI:NL:RVS:2014:4409), uitbreiding bedrijfsgebouw met 400 m² (ABRvS 23 april 2014; ECLI:NL:RVS:2014:1442), uitbreiding kantoor met 540 m² (ABRvS 24 augustus 2016; ECLI:NL:RVS:2016:2319), als enkel sprake is van een planologische functiewijziging dan is in beginsel geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling (tenzij het een functiewijziging van zodanige aard en omvang betreft) (ABRvS 20 april 2016; ECLI:NL:RVS:2016:1075). In voorliggend geval is de ladder voor duurzame verstedelijking dan ook niet van toepassing aangezien er sprake is van de bouw van een bedrijfsloods waarvan het gebruik niet voor een volwaardig agrarisch bedrijf betreft. Geconcludeerd wordt dat er geen sprake is van strijd met het rijksbeleid. Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Ten behoeve van de bescherming van de in de SVIR genoemde nationale belangen, worden in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) algemene regels voorgeschreven die bindend zijn voor de lagere overheden als provincie en gemeente. In het Barro worden de kaderstellende uitspraken uit de SVIR bevestigd. Doel van het Barro is om onderwerpen uit de SVIR te verwezenlijken, dan wel te beschermen.
Het gaat hierbij onder meer om de volgende onderwerpen: rijksvaarwegen, kustfundament, grote rivieren, Waddenzee en waddengebied, defensie, hoofdwegen en hoofdspoorwegen, elektriciteitsvoorziening, buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen, ecologische hoofdstructuur, primaire waterkeringen buiten het kustfundament, IJsselmeergebied (uitbreidingsruimte) en erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde.
9
Planspecifiek Met het voorliggende plan zijn de onderwerpen uit het Barro niet in het geding. Het plangebied ligt op 1.800 meter van de NNN en op 13.800 meter van Natura 2000 gebied. De beoogde ontwikkeling voor het bouwen van een bedrijfsloods heeft hierop geen negatief effect (zie artikel 3.3.11). Toetsing van het plan vindt daarom plaats op een lager overheidsniveau. Voor een nadere toetsing aan het aspect cultuurhistorie en archeologie wordt verwezen naar artikel 3.3.10.
3.2.
Provinciaal beleid 3.2.1. Omgevingsvisie NH2050 De "Omgevingsvisie NH2050 - Balans tussen economische groei en leefbaarheid" is op 19 november 2018 door Provinciale Staten van Noord-Holland vastgesteld. De Omgevingsvisie NH2050 betreft een structuurvisie op grond van de Wet ruimtelijke ordening. In de Omgevingsvisie heeft de provincie haar ruimtelijke toekomstvisie vastgelegd en heeft zij tevens aangegeven hoe zij deze visie denkt te zullen realiseren. Het uitgangspunt van de omgevingsvisie is dat Noord-Holland een relatief hoog welvaarts- en welzijnsniveau heeft. Om deze ook voor de toekomst vast te kunnen houden, richt de provincie zich op een goede balans tussen economische groei en leefbaarheid. Zodanig dat bij veranderingen in het gebruik van de fysieke leefomgeving de doelen voor een gezonde en veilige leefomgeving overeind blijven. In de omgevingsvisie worden ambities genoemd op het gebied van de leefomgeving, het gebruik van de leefomgeving en de energietransitie. De ambities ten aanzien van de leefomgeving luiden als volgt. Een klimaatbestendig en waterrobuust Noord-Holland. In het kader van gezondheid en veiligheid, het behouden en waar mogelijk verbeteren van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Het vergroten van de biodiversiteit van Noord-Holland. Voor het gebruik van de leefomgeving gelden de volgende ambities.
Een duurzame economie met innovatie als belangrijke motor, daardoor is er ruimte voor ontwikkeling van circulaire economie, duurzame landbouw, energietransitie en experimenten. Verder wil de provincie vraag en aanbod van woon- en werklocaties beter afstemmen (kwantitatief en kwalitatief). Daarbij moet woningbouw, in overeenstemming met de kwalitatieve behoeftes en trends, vooral in en aansluitend op de bestaande verstedelijkte gebieden worden gepland. Duurzaamheid van de totale woningvoorraad is het uitgangspunt. De derde ambitie binnen deze categorie is het effectief, veilig en efficiënt kunnen verplaatsen van inwoners, bedrijven en producten van NoordHolland, waarbij negatieve gevolgen van de mobiliteit op klimaat, gezondheid, natuur en landschap steeds nadrukkelijk worden meegewogen. Als laatste geldt het behouden en versterken van de unieke kwaliteiten van de diverse landschappen en de cultuurhistorie. Voor energietransitie is de overkoepelende ambitie dat Noord-Holland in 2050 volledig klimaatneutraal is en gebaseerd op hernieuwbare energie. Daarom is er ruimte voor de noodzakelijke energietransitie en daarvoor benodigde infrastructuur. Dit alles rekening houdende met de ambities voor verstedelijking en landschap. Conclusie Voor dit plangebied spelen in dit kader geen zaken die van belang zijn.
10
3.2.2 Omgevingsverordening NH2020 In de Omgevingsverordening NH2020 zijn regels samengevoegd op het gebied van natuur, milieu, mobiliteit, erfgoed, ruimte en water. Hierdoor is het makkelijker geworden om te zien welke regels waar gelden. De provincie wil met de omgevingsverordening ontwikkelingen, zoals woningbouw en de energietransitie, mogelijk maken en zet in op het beschermen van mooie en bijzondere gebieden in Noord-Holland. Ze zoeken naar een evenwichtige balans tussen economische groei en leefbaarheid. De Omgevingsverordening NH2020 is gebaseerd op de huidige wet- en regelgeving. Met deze omgevingsverordening loopt de provincie vooruit op de Omgevingswet, omdat ze door 21 verordeningen samen te voegen alvast werken in de geest van de omgevingswet. Agrarische bedrijven In artikel 6.33 lid 3 van de Omgevingsverordening staat opgenomen: ”Agrarisch aanverwante bedrijven zijn als zelfstandig bedrijf toegestaan, indien: a. het een uitbreiding van een bestaand agrarisch aanverwant bedrijf betreft; b. het agrarisch aanverwant bedrijf zich vestigt op een bestaand agrarisch bouwperceel; of c.
het een verplaatsing van een bestaand agrarisch aanverwant bedrijf betreft en gemotiveerd wordt waarom niet binnen bestaand stedelijk gebied in de regio in de verplaatsing kan worden voorzien en waarom hergebruik van percelen die niet meer voor de agrarische functie worden benut niet mogelijk is; en d. de omvang een bouwperceel na toepassing van onderdeel a, b of c ten hoogste 2 hectare bedraagt. Landelijk gebied Volgens de Provinciale kaart is het perceel gelegen in het landelijk gebied. Het betreft in dit geval de bouw van een loods binnen het agrarisch bouwvlak. De aanvraag is alleen in strijd met het bestemmingsplan omdat er geen sprake is van een volwaardig agrarisch bedrijf. In artikel 6.5 van de Omgevingsverordening staat voor voormalige agrarische bouwpercelen het volgende opgenomen: 1. Ter plaatse van het werkingsgebied landelijk gebied kan een ruimtelijk plan voorzien in de mogelijkheid dat de bestaande bebouwing op een voormalig agrarisch bouwperceel, inclusief de agrarische bedrijfswoning(en) en uitgezonderd kassen, wordt gebruikt voor kleinschalige vormen van bijzondere huisvesting, werken, recreatie, gebruiksgerichte paardenhouderij of zorgfuncties indien: a. sprake is van volledige beëindiging van het agrarisch bedrijf; b.
deze functie de bedrijfsvoering en de ontwikkelingsmogelijkheden van omringende agrarische bedrijven en de woonfunctie van omringende woningen niet beperkt; c. buitenopslag buiten het bouwvlak niet is toegestaan; d. deze functie aantoonbaar geen onevenredige verkeersaantrekkende werking heeft en er sprake is van een acceptabele verkeerssituatie; e. benodigde parkeerplaatsen op het eigen bouwperceel worden gerealiseerd; f. in geval van bijzondere huisvesting uitsluitend sprake is van afhankelijke woonruimten of woningen als onderdeel van zorgfuncties, en; g. in geval van recreatiefuncties permanente bewoning wordt verboden. De agrarische bedrijfsvoering ter plaatse is beëindigd. De nieuwe loods wordt gebouwd binnen het bouwvlak waarbij de benodigde parkeerplaatsen op eigen terrein worden gerealiseerd. LIB 5 Volgens de Provinciale kaart is het perceel gelegen in LIB 5. Zie paragraaf 4.5 (Externe veiligheid). Conclusie De Omgevingsverordening NH2020 vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling omdat er wordt voldaan aan de doelstelling voor agrarische bedrijven, landelijk gebied en LIB 5. .
11
3.2.3 Leidraad Landschap en Cultuurhistorie Noord-Holland heeft een grote variëteit aan landschappen en een rijke cultuurhistorie. De lange ontwikkelingsgeschiedenis van de provincie is goed terug te zien in de verschillende landschappen met hun kenmerkende elementen, patronen en structuren. De historische objecten en structuren zijn uniek en geven identiteit aan het gebied: molens, stolpen, droogmakerijen, de Westfriese Omringdijk en de Stelling van Amsterdam, maar ook vele honderden archeologische vindplaatsen uit allerhande perioden. Het Noord-Hollandse landschap leeft en blijft zich voortdurend ontwikkelen. De provincie wil de kwaliteit en diversiteit van het Noord-Hollands landschap en de dorpen behouden en ontwikkelen. Het begrip 'ruimtelijke kwaliteit' heeft een belangrijke plek gekregen in de nieuwe Structuurvisie Noord-Holland 2040 en de Provinciale Ruimtelijke Verordening Structuurvisie. Nieuwe functies en eisen brengen met zich mee dat de inrichting en het gebruik van het stedelijke en landelijke gebied voortdurend moet worden aangepast. Nieuwe elementen en structuren worden aan het landschap toegevoegd terwijl oude verdwijnen. Soms gaan deze ontwikkelingen ten koste van landschappelijke en cultuurhistorische kwaliteiten, het 'gebiedseigene'. De Provincie Noord-Holland wil verantwoord met het verleden omgaan en tegelijkertijd ruimte bieden aan nieuwe ontwikkelingen.
De provincie wil de NoordHollandse landschappen optimaal gebruiken door hun kenmerkende kwaliteiten te koesteren en te benutten bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Het basisuitgangspunt van het beleid is dan ook 'behoud door ontwikkeling'. Nieuwe ruimtelijke plannen moeten de ontwikkelingsgeschiedenis, de bebouwingskarakteristiek en de inpassing in de wijdere omgeving als uitgangspunt hanteren. Meetpunt hiervoor is deze beleidsnota, waarin de eisen voor de gewenste ruimtelijke kwaliteit zijn vastgelegd. Via artikel 15 van de PRV is de ruimtelijke kwaliteitseis geborgd in de provinciale regelgeving. Nieuw stedelijke ontwikkelingen dienen te voldoen aan de uitgangspunten zoals vermeld in deze Leidraad. De meest karakteristieke objecten, die ons doen herinneren aan vroeger tijden, zijn aangewezen als monument of beschermd gezicht. Voor grotere landschappelijke structuren die karakteristiek zijn voor de gemeente kunnen ruimtelijke plannen als bestemmings-, beeldkwaliteit- en structuurplannen als beoordelingskader gebruikt worden. Conclusie De Leidraad Landschap en Cultuurhistorie vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling. In en nabij het plangebied zijn geen monumenten gelegen. Het plangebied ligt tevens niet in een gebied met een hoge archeologische verwachtingswaarde of een historisch lint.
3.2.4 Milieubeleidsplan 2015-2018 De provincie heeft in het Milieubeleidsplan 2015-2018 vastgelegd waarop zij haar milieubeleid in deze periode wil richten. Naast het nakomen van wettelijke regels en normen wordt ingezet op meer duurzame, gezonde en veilige ontwikkelingen en het stimuleren van innovatieve oplossingen voor milieuopgaven. Er worden een vier integrale opgaven geformuleerd, waarbij milieu is gekoppeld aan de andere kerntaken van de provincie. Dit zijn Gezonde stad en mobiliteit, Visie op de ondergrond, Circulaire economie en Transitie duurzame energie. Daarnaast worden thematische opgaven aangegeven: Luchtkwaliteit, Geur, Geluid, Bodem, Externe veiligheid, Afval, Licht en donkerte en Duurzame energie. Conclusie Voor dit plangebied spelen er voor de thema’s geen aspecten die van belang zijn.
12
3.3.
Gemeentelijk beleid
3.3.1. Structuurvisie Haarlemmermeer 2030 De Structuurvisie Haarlemmermeer 2030 is vastgesteld in 2012. Het stuk gaat over belangrijke structurerende zaken met ontwerpprincipes voor duurzaamheid, een duurzaam en klimaatbestendig watersysteem, energie, netwerk- en ketenmobiliteit, de synergie met Schiphol, ruimte voor attracties, en de cultuurhistorie en diversiteit als drager van de ontwikkelingen. Ook over de wijze waarop wordt ontwikkeld en het centraal stellen van de mens in dit ontwikkelproces worden belangrijke uitspraken gedaan. Het accent ligt hierbij op Sociale Duurzaamheid en Ruimtelijke Kwaliteit. De Structuurvisie is een ruimtelijk instrument. De keuze is gemaakt om het denken in structuren veel meer dan tot nu toe te laten leiden door de behoeften van mensen. Voor de bewoners van nu maar ook voor de inwoners van de toekomst. Duurzaamheid is hierbij eerder een wijze van denken en een ontwerpprincipe voor ontwikkelingen dan een programmatisch thema. Het doel van de Structuurvisie Haarlemmermeer 2030 is het bieden van een kader, waarmee Haarlemmermeer: 1. de ruimtelijk bestaande situatie, de huidige ontwikkelingen en de gewenste toekomstige ontwikkelingen in hun onderlinge samenhang (voor de periode tot 2030) borgt; 2. het toetsingskader voor het ruimtelijk beleid voor de periode 2010-2020 geeft; 3.
de kaders voor het maken van financiële afspraken met overheden en marktpartijen voor bovenplanse verevening biedt.
Afbeelding 13 :Structuurvisie Haarlemmermeer 2030
In de toekomst wil Haarlemmermeer de bestaande diversiteit aan woon- en werkmilieus - haar zogeheten atypische stedelijkheid - versterken. Haarlemmermeer wil een gemeente zijn die verbonden is en verbindt, een samenleving met samenhang. Dat betekent ook dat er samenhang moet zijn tussen alle ontwikkelingen die plaatsvinden, zowel de ruimtelijke als de sociale ontwikkelingen. Haarlemmermeer positioneert zich ook in de toekomst als een attractieve ontmoetings- en vestigingsplaats. Duurzaamheid en oog voor bestaande structuren zijn leidend bij de toekomstige ruimtelijke, economische en sociale ontwikkelingen. De ambities voor Haarlemmermeer in 2030 zijn daarmee: • sterk gevarieerd en gebruikmakend van de atypische stedelijkheid; • duurzaam en klimaatbestendig; • fysiek en sociaal verbonden met elkaar en met de omgeving, en • blijvend gepositioneerd als attractieve ontmoetingsplaats.
13
Hierbij zijn twee zaken nog van belang. Ten eerste ligt er al veel vast: de programmatische toekomst, tot 2020, is grotendeels al bepaald. En ten tweede: bij alle ontwikkelingen wordt steeds gestreefd naar hoge kwaliteit en grote ruimtelijke en sociale samenhang.
Afbeelding 14 :uitsnede Structuurvisiekaart Haarlemmermeer 2030
3.4.2. Mobiliteitsvisie Haarlemmermeer Op 6 december 2018 heeft de gemeenteraad van de gemeente Haarlemmermeer de Mobiliteitsvisie Haarlemmermeer ‘Vrijheid van bewegen’ vastgesteld. Haarlemmermeer is de tweede economie in de Metropoolregio Amsterdam, die op haar beurt de sterkste economische regio van ons land is. De luchthaven Schiphol is daarin een belangrijke economische motor naast de hoge bevolkingsconcentratie. Dit resulteert in veel (internationale) bedrijvigheid en een dicht netwerk van internationale verbindingen via land, lucht en water. Deze positie wil de gemeente Haarlemmermeer behouden en versterken. • Wegcategorisering De mobiliteitsvisie geeft aan welke functie een weg zou moeten hebben. De visie helpt onder meer bij het veilig inrichten van wegen. Hierbij wordt het wegennet ingedeeld naar vier soorten functies: stroomwegen, gebiedsontsluitingsweg, gebiedsontsluitingsweg 30 en erftoegangswegen. De Rijnlanderweg is als ‘erftoegangsweg’ aangeduid. Er zijn aandachtswegen waar zowel de verkeersfunctie belangrijk is als de verblijfsfunctie, die wegen zijn moeilijk goed in te richten. Een voorbeeld hiervan is de Ringdijk. In het beleid Ringdijk en Ringvaart is hiervoor een tussenoplossing voorgesteld, namelijk in de dorpskernen erftoegangswegen ingericht als fietsstraten met maximumsnelheid van 30 km/uur en daarbuiten gebiedsontsluitingswegen.
14
Afbeelding 15 : wegcategorisering gemeente Haarlemmermeer. Het plangebied is bij benadering met de gele pijl weergegeven.
Conclusie Voorliggend plan is in overeenstemming met de Mobiliteitsvisie Haarlemmermeer. De beoogde ontwikkeling is niet van negatieve invloed op de mobiliteit beleidswensen van de gemeente Haarlemmermeer. 3.3.3. Op weg naar een duurzaam evenwicht in 2030 (2004) De centrale doelstelling van het gemeentelijk milieubeleid is in deze nota als volgt geformuleerd: "In 2030 hebben we de voorwaarden bereikt voor een duurzame en leefbare groei en ontwikkeling”. In deze gemeentelijke visie concentreren de milieu-inspanningen zich op drie hoofdonderwerpen: Ontwikkeling: maatregelen bij ruimtelijke ontwikkelingen die vooral de milieudruk beogen te verminderen (bijvoorbeeld grondstoffen besparing, beperken wateroverlast, gezond bouwen); Beheer: milieu-inspanningen die de leefomgeving beogen te verbeteren (bijvoorbeeld Vermindering afval, garanderen veiligheid en luchtkwaliteit); Klimaat: alle activiteiten die ervoor zorgen dat er minder CO2 de lucht in gaat teneinde het broeikaseffect te verminderen (realiseren van windmolens, energiebesparing, enzovoorts). Eén van de speerpunten is dat ruimtelijke ontwikkelingsprojecten duurzaam worden ontwikkeld volgens het ambitieniveau uit de daarvoor ontwikkelde beleidskaders. 3.3.4. Kaders klimaatbeleid 2008-2020 In deze nota zijn de kaders voor toekomstig klimaatbeleid vastgelegd.
Algemene doelstelling van het klimaatbeleid is (1) een reductie van de CO2 uitstoot in 2020 van 30 procent ten opzichte van 1990 en (2) de realisatie van 20 procent duurzame energie in 2020. Bij de ontwikkeling en uitvoering van het klimaatbeleid/energiebeleid wordt de trias energetica aangehouden als leidend principe: 1. Beperking van de energievraag; 2. Opwekking noodzakelijke energie door gebruikmaking van duurzame energiebronnen; 3. Indien nodig dient de opwekking van de resterende noodzakelijke energie door middel van gebruikmaking van fossiele brandstoffen, zo efficiënt en zo schoon mogelijk te geschieden.
15
Het klimaatbeleid is uitgewerkt in tien thema's. Per thema is aangegeven wat de beoogde CO2 reductie of beoogde realisatie van duurzame energie binnen dat thema is. De thema's zijn: ● Gemeentelijke gebouwen, bestaand en nieuwbouw; • Bestaande woningen; • Nieuwbouw woningen; • Bestaande bedrijven; • Agrarische bedrijven / Glastuinbouw; • Nieuwe bedrijven; • Verkeer en vervoer; • Windenergie; • Overige duurzame energie; • Interne milieuzorg. Daarnaast zijn twee randvoorwaarden benoemd voor het realiseren van de doelstellingen binnen de thema's. Zo zal de cultuur en de kennis binnen de gemeentelijke organisatie moeten zorg dragen voor voldoende draagvlak. Verder zal het op te richten Natuur- en milieucentrum Haarlemmermeer als expertisecentrum fungeren en bijdragen aan klimaatbewustwording en actiebereidheid tot energie zuinig en op duurzaamheid gericht gedrag bij zowel burgers als bedrijven. De uitwerking van thema's en randvoorwaarden zal resulteren in een nog te schrijven gemeentelijk plan van aanpak.
3.4. Bezonning Er is geen bezonningsstudie opgesteld omdat de bedrijfsloods, gezien de ligging, geen negatieve effecten voor naastgelegen percelen van derden oplevert.
16
4
Resultaten onderzoeken milieu en omgevingsaspecten Inleiding Aan de verschillende overheden zijn op basis van milieuwetgeving zoals de Wet milieubeheer, de W et geluidhinder en de Wet luchtkwaliteit vele taken en bevoegdheden op milieugebied toegekend. Deze hebben ook betrekking op de ruimtelijke ordening. Het milieubeleid van de verschillende overheden is er op gericht om te komen tot een integrale verbetering van de leefomgeving kwaliteit door een vroegtijdige integratie van milieukwaliteit in ruimtelijke planvormingsprocessen.
4.1 Archeologie & Cultuurhistorie Archeologie De gemeente Haarlemmermeer heeft haar archeologisch beleid verwerkt in de "Erfgoedvisie Haarlemmermeer 2020 2030”. Oude Meer heeft een lage verwachting voor de aanwezigheid van archeologische overblijfselen uit alle perioden. Bij eventuele bodemingrepen worden vermoedelijk geen archeologische waarden verstoord. Alleen bij zeer grote ingrepen (> 10.000 m²) bestaat de noodzaak tot het verrichten van nader archeologisch onderzoek. Er is derhalve in het geldende bestemmingsplan geen archeologische dubbelbestemming opgenomen. Eventuele archeologische vondsten moeten – conform artikel 53 van de Wet op de archeologische monumentenzorg – verplicht gemeld worden bij de gemeente Haarlemmermeer.
Afbeelding 16 : kaart met legenda in welke gevallen archeologisch onderzoek is vereist.
Planspecifiek De nieuwe bedrijfsloods heeft een omvang van 1.800 m2 en voor het vorstvrij aanleggen van de fundering dient er dieper dan 50 cm. gegraven te worden. Gezien de grondslag is het uitvoeren van heiwerkzaamheden noodzakelijk. Er is gezien voorgaande geen archeologisch onderzoek noodzakelijk. Erfgoedwet De Monumentenwet 1988 is op 1 juli 2016 overgegaan in de Erfgoedwet. De Erfgoedwet vormt samen met de Omgevingswet het wettelijke fundament voor de cultuurhistorie in Nederland.
17
In de Erfgoedwet is vastgelegd hoe met ons erfgoed wordt omgegaan, wie welke verantwoordelijkheden daarbij heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Bovendien zijn aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. Het beschermingsniveau zoals die in de oude wetten en regelingen gold blijft gehandhaafd. Onderdelen van de Monumentenwet die de fysieke leefomgeving betreffen, worden overgeheveld naar de Omgevingswet die in 2021 van kracht wordt. Voor deze onderdelen is een overgangsregeling in de Erfgoedwet opgenomen voor de periode 2016-2021. Het betreft dan: 1. Vergunningen tot wijziging, sloop of verwijdering van rijksmonumenten; 2. Verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie; 3. Bescherming van stads- en dorpsgezichten. Zaken zoals het certificeringsstelsel en de aanwijzing van archeologische rijksmonumenten blijven in de Erfgoedwet. Per 1 januari 2012 is de Modernisering Monumentenwet doorgevoerd via een wijziging van artikel 3.6. lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening.
In de toelichting van een bestemmingsplan moet voortaan het volgende worden opgenomen: Een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Hierdoor dienen cultuurhistorische waarden dus uitdrukkelijk te worden meegewogen bij het vaststellen van bestemmingsplannen. Gemeenten zullen een inventarisatie moeten (laten) maken van alle cultuurhistorische waarden in een bestemmingsplangebied, dus niet alleen de archeologische waarden. Daarnaast moeten ze aangeven welke conclusies ze daaraan verbinden en op welke wijze ze deze waarden borgen in het bestemmingsplan. Dit is één van de pijlers van de Modernisering Monumentenzorg (MoMo). De Rijksdienst helpt gemeenten om hieraan te voldoen met de Handreiking erfgoed en ruimte. Hierin staat hoe gemeenten zo'n inventarisatie en analyse kunnen uitvoeren. Ook wordt in deze handreiking aangegeven op welke wijze gemeenten cultuurhistorische waarden kunnen opnemen in een bestemmingsplan, compleet met voorbeeldbepalingen. Onderzoek cultuurhistorie Een aantal historisch geografische waarden is deels nog herkenbaar in en om het gebied: het wegenpatroon van de droogmakerij en het afwateringspatroon, de ringvaart en de ringdijk. De geplande ontwikkeling vindt plaats buiten bestaand bebouwde gebied maar in een bestaand bouwvlak.
Dit heeft geen invloed op de genoemde historische waarden. Op 8.000 meter van het plangebied is een deel van de Stelling van Amsterdam gelegen. De Geniedijk en het fort Aalsmeer zijn onderdeel van het Nationaal Landschap ‘Stelling van Amsterdam’. Het is tevens aangewezen als provinciaal monument en staat op de Wereld Erfgoed Lijst van UNESCO. Planspecifiek Binnen het plangebied is geen gebouw of object aanwezig met grote cultuurhistorische waarde. Het perceel is niet gelegen in een molenbiotoop. Het plangebied is ook niet gelegen in een beschermd stads- of dorpsgezicht. 4.2
Bedrijven en milieuzonering Het aspect bedrijven en milieuzonering gaat in op de invloed die bedrijven kunnen hebben op hun omgeving. Deze invloed is afhankelijk van de afstand tussen een gevoelige bestemming en de bedrijvigheid. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard
18
bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven. Bij een ruimtelijke ontwikkeling kan sprake zijn van reeds aanwezige bedrijvigheid en van nieuwe bedrijvigheid. Milieuzonering zorgt er voor dat nieuwe bedrijven een juiste plek in de nabijheid van de gevoelige functie krijgen en dat de (nieuwe) gevoelige functie op een verantwoorde afstand van bedrijven komen te staan. Doel hiervan is het waarborgen van de veiligheid en het garanderen van de continuïteit van de bedrijven als ook een goed klimaat voor de gevoelige functie. Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie zoals: geluid, geur, gevaar en stof. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend. De 'Vereniging van Nederlandse Gemeenten' (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen, met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstanden afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan.
Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'. Het scheiden van milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen dient twee doelen: • het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige bestemmingen; • het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen. Bedrijf/ Activiteit
Adres
Kranenburg/ aardappelhandel, loonbedrijf en akkerbouw Brouwer BV/ handelsstal
Rijnlanderweg 1639 en 1641 Nieuw Vennep Rijnlanderweg 1522 Nieuw Vennep Kaagweg 16 Abbenes
Pocahondas Nieuwveen BV/ dierenpension
SBI2008
Milieu categorie
0143
0125
Minimaal gewenste afstand 50 m.
Huidige afstand tot het plangebied .191 m.
50 m.
430 m.
230 m.
Planspecifiek De omliggende bedrijven worden niet belemmerd door het plan. 4.3
Bodem In het kader van een goede ruimtelijke onderbouwing dient aangetoond te worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. Dit is geregeld in de Wet Bodembescherming. De bodemkwaliteit kan namelijk van invloed zijn op de beoogde functie van het plangebied. Een nieuwe bestemming mag pas worden opgenomen als is aangetoond dat de bodem geschikt is of geschikt te maken is voor de nieuwe bestemming.
19
Planspecifiek De beoogde bedrijfsruimte is bestemd voor opslag en er verblijven niet langer dan 2 uur per dag personen. Er hoeft dan ook geen bodemonderzoek plaats te vinden. Er zijn voor wat betreft het aspect bodem geen belemmeringen voor het project. 4.4 Explosieven De woning op het perceel Rijnlanderweg 1663 is uit 1906. De bestaande woning stond er dan ook in de tweede wereldoorlog en is ongeschonden uit de oorlog gekomen. De nieuwe bedrijfsloods wordt vlakbij de bestaande woning gebouwd. Omdat de woning er nog steeds staat en omdat de voormalige locatie van schijnvliegveld Aalsmeer nabij rijksweg A4 en Schiphol op grote afstand is gelegen van het plangebied is het niet aannemelijk dat er op het perceel vliegtuigbommen aanwezig zijn. 4.5 Externe veiligheid Extern veiligheidsbeleid bestaat uit twee onderdelen: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het plaatsgebonden risicobeleid bestaat uit harde afstandseisen tussen risicobron en (beperkt) kwetsbaar object. Het groepsrisico is een maat die aangeeft hoe groot de kans is op een ongeval met gevaarlijke stoffen waarbij een bepaalde groep slachtoffers valt. Het plaatsgebonden risico wordt weergegeven in de vorm van contouren rond een risicobron. Het groepsrisico wordt weergegeven in een grafiek: de fN-curve. Deze curve geeft aan hoe groot de kans is op een ongeval met een bepaald aantal slachtoffers.
De plaatsgebonden risicocontouren en de fN-curve zijn weergegeven in onderstaand figuur.
Afbeelding 17 : plaatsgebonden risicocontouren en fN-curve
Binnen de plaatsgebonden risicocontouren bestaat een bepaald risico te overlijden als gevolg -6
van een calamiteit. Binnen de PR 10 -contour gelden harde bouwrestricties: kwetsbare objecten zijn niet toegestaan en (beperkt) kwetsbare objecten alleen onder zwaarwegende belangen. De hoogte van het groepsrisico wordt niet alleen bepaald door de aard van de risicobron, maar ook door het aantal aanwezige personen binnen het invloedgebied daarvan (zie afbeelding 29). Bij veel ruimtelijke besluiten moet de hoogte van dit groepsrisico verantwoord worden. Dit noemt men de verantwoordingsplicht van het groepsrisico. Wanneer verantwoorden ? In de wet is geregeld wanneer het groepsrisico verantwoord moet worden. Omdat de wettelijke basis per risicobron verschilt, verschillen per risicobron ook de voorwaarden die verantwoording wel of niet verplicht stellen.
20
Voor transportassen (weg, spoor en water) geldt dat de verantwoording van het groepsrisico verplicht is wanneer bij het nemen van een bepaald ruimtelijk besluit sprake is van toename van het groepsrisico of overschrijding van de oriëntatiewaarde. Voor inrichtingen vallend onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en hogedruk aardgastransportleidingen geldt dat verantwoording van het groepsrisico altijd verplicht is wanneer binnen het invloedgebied van een risicobron een bepaald ruimtelijk besluit genomen. Wat is de verantwoordingsplicht? Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico's in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag (veelal de gemeente). Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten wegen bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Ook dient de veiligheidsregio om advies te worden gevraagd.
In de Handreiking Verantwoordingsplicht Groepsrisico (Oranjewoud/Save in opdracht van de Ministeries van VROM en Binnenlandse Zaken, november 2007) zijn de onderdelen die aan bod moeten komen bij groepsrisicoverantwoording nader uitgewerkt en toegelicht. Indien de verantwoordingsplicht niet juist is uitgewerkt terwijl dit wel verplicht is of vereist vanuit het principe van een goede ruimtelijke ordening, kan dit tot vernietiging van het ruimtelijk besluit door de Raad van State leiden. Door het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid voor het 'restrisico' dat overblijft nadat benodigde de veiligheidsverhogende maatregelen genomen zijn. Risicobronnen Voor deze quickscan is geïnventariseerd welke risicobronnen zich in de nabijheid van het plangebied bevinden. Hierbij is gekeken naar de aanwezigheid van: Bevi-inrichtingen; hogedruk aardgastransportleidingen en transportleidingen voor brandbare vloeistoffen; transport van gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor. In onderstaande afbeelding zijn de relevante risicobronnen, zoals deze op de risicokaart zijn weergegeven, inzichtelijk gemaakt.
Afbeelding 18 : plangebied (blauwe stip) en overzicht v.d. risicobronnen (Bron: Risicokaart)
21
Bevi-inrichtingen Er zijn twee Bevi-inrichtingen in de omgeving aanwezig op respectievelijk 3.450 meter en 5.100 meter. Het gaat hier om het Esso Westeinde LPG-tankstation aan de Provincialeweg 20 te leimuiden en het tankstation Den Ruygen Hoek langs Rijksweg A4. Voor deze inrichtingen is -6
de grootte van de PR 10 -contour en het invloedsgebied weergegeven in tabel 3.1. -6
Type inrichting
Grootte PR 10 contour [m]
Invloedsgebied [m], vanaf het vul- Afstand tot grens plangebied [m] punt en de ondergrondse tank.
LPG- tankstation
45
150
Resp. 3.450 en 5.100
tabel 3.1: PR afstanden en invloedsgebied Bevi-inrichting
Plaatsgebonden risico -6
De PR 10 -risicocontour van het LPG-tankstation reikt niet tot het plangebied. Het plaatsgebonden risico levert daarmee geen belemmeringen op voor de ontwikkelingen van het plan. Groepsrisico Het plangebied ligt buiten het invloedsgebied van het LPG-tankstation. Voor deze locatie hoeft het groepsrisico daarom niet nader beschouwd te worden. Hogedruk aardgastransportleidingen en transportleidingen voor brandbare vloeistoffen Op 2.600 meter van het plangebied zich een hogedruk aardgastransportleiding van de Gasunie. Transport gevaarlijke stoffen Transport van gevaarlijke stoffen over de weg In de directe omgeving van het plangebied is rijksweg 44 een weg die is aangewezen voor de transport van gevaarlijk stoffen. Transport van gevaarlijke stoffen over water en spoorwegen In de nabijheid van het plangebied vindt er geen vervoer van gevaarlijke stoffen over water of spoorlijn plaats. Het Amsterdam Rijnkanaal is gelegen op 25.600 meter. De spoorlijn Amsterdam – Utrecht is gelegen op 25.600 meter. Bereikbaarheid Het plangebied is vanaf de Rijnlanderweg goed te bereiken. Het vluchten kan via de weg naar twee kanten te weten richting de A44 en naar Nieuw Vennep. Conclusie De conclusie is dat gezien voorgaande het aspect externe veiligheid, zowel voor het onderdeel plaatsgebonden risico als voor het onderdeel groepsrisico de uitvoering van het plan niet in de weg staat.
4.6 Wet Natuurbescherming Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. Deze wet vervangt drie oude wetten: de Natuurbeschermingswet 1998 (gebiedsbescherming: Natura 2000), de Flora- en faunawet (soortenbescherming) en de Boswet (kapvergunningen).
22
Soorten Voor ruimtelijke ingrepen die resulteren in overtreding van één of meer artikelen van de Wnb moet ontheffing worden aangevraagd. Voor een aantal soorten geldt daarenboven het beschermingsregime van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn. Voor werkzaamheden die uit een bestemmingsplan voortvloeien dient voor de start van die werkzaamheden ontheffing te worden aangevraagd indien beschermde soorten voorkomen. Bij de vaststelling van het plan dient duidelijk te zijn of en in hoeverre een ontheffing kan worden verkregen. Voor alle in de wet genoemde diersoorten (inclusief vogels) geldt dat het verboden is individuen van deze soorten (opzettelijk) te doden of te vangen. Bovendien is het verboden nesten (en eieren) en (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen dan wel weg te nemen. Voor de in de wet genoemde plantensoorten geldt dat het verboden is exemplaren in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. In de Wnb worden drie beschermingsregimes onderscheiden voor beschermde soorten. Voor de eerste twee regimes gelden aanvullende verbodsbepalingen. 1. Het beschermingsregime Vogelrichtlijn (Vrl), dat van toepassing is op van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vrl.