3127050-T
Tekst van het document
Concept
Snelheidsregeling: - frequentiegeregelde regelaar die moet voldoen aan de normen ten aanzien van netvervuiling gebaseerd op PWM (Pulse Wijdte Modulatie), voorzien van filtering conform de aanbeveling voor toelaatbare harmonische stromen, geproduceerd voor
TO: KUBUS/3127050-T
Printdatum: 2-2-2024
Halmos Adviseurs TO: Gemeentehuis Haarlemmermeer te Hoofddorp. TransporEnstallaEes
28 02.02.2024
apparatuur met een vermogen groter dan 5 kW. Filters volgens EN 50011/B CE normering (tenzij, gemotiveerd een alternatieve regeling toegepast kan worden). De snelheidsregeling moet minimaal voorzien zijn van: - energiespaarfunctie; - potentiaalvrije stuurelectronica; - kortsluit- en aardesluitvaste electronische motorbeveiliging; - motortemperatuurbeveiliging; - S-curve voor tractieaandrijving; - status- en storingmelder.
2.
Tractieschijf/tractietrommel voor kabel: LIFTMACHINE TRACTIE Liftmachine transportlift lift L3: - uitvoering: conform het leveringsprogramma van de liftinstallateur en zodanig uitgevoerd zodat de complete aandrijving het aantal ritten gedurende de operationele levensduur zonder revisie probleemloos moet kunnen functioneren. De liftmachine moet gedurende de totale operationele tijd met een hoog rendement en lage kosten functioneren. - hefsnelheid (m/s): 1,0 - daalsnelheid (m/s): 1,0 - aantal schakelen per uur: 180 - nominale spanning: 400V - toelaatbare aanloopstroom in verhouding tot de nominale stroom (maal In): 2,5 - vermogen lift L3: ca. 16 kW - cos phi: 0,9 - plaats liftmachine: in schacht De liftmachine moet 25% overbelasting kunnen weerstaan.
Concept
Snelheidsregeling: - frequentiegeregelde regelaar die moet voldoen aan de normen ten aanzien van netvervuiling gebaseerd op PWM (Pulse Wijdte Modulatie), voorzien van filtering conform de aanbeveling voor toelaatbare harmonische stromen, geproduceerd voor apparatuur met een vermogen groter dan 5 kW. Filters volgens EN 50011/B CE normering (tenzij, gemotiveerd een alternatieve regeling toegepast kan worden). De snelheidsregeling moet minimaal voorzien zijn van: - energiespaarfunctie; - potentiaalvrije stuurelectronica; - kortsluit- en aardesluitvaste electronische motorbeveiliging; - motortemperatuurbeveiliging; - S-curve voor tractieaandrijving; - status- en storingmelder. Tractieschijf/tractietrommel voor kabel: .01 LIFTINSTALLATIES LIFTEN L1 T/M L3 Ten behoeve van de liftinstallaties L1 t/m L3. 80.33.21-a
LIFTKABEL 0. LIFTKABEL ALGEMEEN Fabrikaat: conform leveringsprogramma van de liftinstallateur. 4. LIFTMONTAGE, KABELS Toe te passen staalkabels van één lengte inkorten. Aan één lift mogen geen kabels van verschillende partijen worden gemonteerd. Kabeleinden afwerken met speciale
TO: KUBUS/3127050-T
Printdatum: 2-2-2024
Halmos Adviseurs TO: Gemeentehuis Haarlemmermeer te Hoofddorp. TransporEnstallaEes
29 02.02.2024
kabeleindklemmen of gelijkwaardig en voorzien van beschermtule. De ophanging aan kooizijde moet voorzien zijn van trilling/geluidsdemping. Bijzondere zorg dient te worden besteed aan het gelijkmatig spannen van de kabels onderling. De liftinstallateur van dit TO is gehouden deze spanning te controleren. - direct na de montage; - elke maand gedurende de montageperiode; - na de eerste oplevering elke maand gedurende een periode van 4 maanden; - indien na deze periode géén grote verschillen meer worden geconstateerd, elke 4 maanden tot en met de eindoplevering. Treden wel grote verschillen op, dan dient maandelijks te worden gecontroleerd totdat een juiste afstelling constant blijft. Eventueel hiertoe een kabelspanningscontact leveren en aanbrengen. .01 LIFTKABEL L1 T/M L3 Ten behoeve van liftinstallaties L1 t/m L3.
80.34
BESTURING EN SIGNALERING
80.34.11-a
RITBESTURING/SIGNALERING NORMAAL BEDRIJF 0. RITBESTURING NORMAAL BEDRIJF 2 knopsverzamelbesturing Aankomstsignalering Nullastschakeling Vollastschakeling Overlastschakeling Inschakelduurbeveiliging Signalering bij overbelasting Kaartlezer cabine t.b.v. vrijgave goederenvervoer Type besturing: micro-processor besturing
Concept
De besturing dient zorg te dragen voor een optimaal verkeerspatroon en optimale afhandeling van de verkeersoproepen, een en ander gebaseerd op de relevante factoren, zoals afhandeling van reeds eerder toegewezen kooicommando's en verdiepingsoproepen en kooibelasting. Het besturingssysteem moet voor optimale verkeersafhandeling tenminste met de volgende ‘programmeringen’ zijn uitgevoerd: - ‘piek-op’ regeling, waarbij ‘de liftstop op niveau ‘nader te bepalen’ de hoofdverdieping is; - ‘piek-neer’ regeling; - ‘pendel-verkeer’ regeling, zogenaamd dagverkeer. Toebehoren: - storingsdiagnose door middel van LED's in besturingskast, of extern diagnose instrument, dat kan worden ingeplugd, ten behoeve van het overzicht van de verkeersafhandeling. waarbij te zien is: - de versnelling/vertraging/deurtijden/snelheid etc. - in bedrijf stellingprocedures - onderhoudsinformatie - online statistiek - modificatie van bedrijfsparameters
TO: KUBUS/3127050-T
Printdatum: 2-2-2024
Halmos Adviseurs TO: Gemeentehuis Haarlemmermeer te Hoofddorp. TransporEnstallaEes
4.
30 02.02.2024
- kooistand - kooicommando - verdiepingsoproep - kooibelasting - Externe diagnose instrumenten dienen bij de installaties te worden meegeleverd. BESTURING/SIGNALERING NORMAAL BEDRIJF, SCHAKELING Nullastschakeling: - Hierbij worden (de resterende) cabine commando’s gewist als de cabine leeg is. Vollastschakeling: - Hierdoor wordt bij een kooibelasting van meer dan 90 procent ten opzichte van de maximaal toelaatbare belasting niet ingegrepen op de kooibeweging door de oproepen bij de schachttoegangen. De oproepen worden beantwoord nadat de meer dan 90 procent belasting is opgeheven.
Overlastschakeling: - Hierdoor blijft bij een kooibelasting van meer dan 110 procent ten opzichte van de maximaal toelaatbare belasting de kooi op de stopplaats staan. Kooideuren blijven geopend dan wel ontgrendeld. Na het wegnemen van de overlast wordt automatisch overgeschakeld op normaal bedrijf. .01 RITBESTURING/SIGNALERING NORMAAL BEDRIJF L1 T/M L3 Ten behoeve van de liftinstallaties L1 t/m L3. 80.34.12-a
RITBESTURING/SIGNALERING BIJZONDER BEDRIJF 0. RITBESTURING/SIGNALERING BIJZONDER BEDRIJF Inspectiebesturing: Ja, op het kooidak Buitendienstsignalering Ja, in alle kooi- en schachttableaus Brandweerbesturing: Niet van toepassing Noodstroombesturing: Nee Noodstroom-volgorde besturing: Nee Alarmbesturing: Nee Brandmeldevacuatiebesturing: Ja Dienstschakeling: Nee Storingssignalering: Ja Lift in/uit bedrijf schakeling: Ja 4. BESTURING/SIGNALERING BIJZONDER BEDRIJF, SCHAKELING Buitendienstsignalering: De buitendienstsignalering van een lift moet in alle schacht- en kooitableau's optisch worden gesignaleerd. De buitendienstsignalering moet werken in de volgende situaties: - ingeschakelde dienstschakeling; - ingeschakelde inspectiebesturing; - ingeschakelde buitendienst schakelaar; - uitgeschakelde krachtvoeding van de installatie; - ingeschakelde brandmeld evacuatiebesturing;
Concept
TO: KUBUS/3127050-T
Printdatum: 2-2-2024
Halmos Adviseurs TO: Gemeentehuis Haarlemmermeer te Hoofddorp. TransporEnstallaEes
-
31 02.02.2024
storing van de installatie.
Brandmeldevacuatiebesturing: zie artikel 80.34.19-a Storingssignalering: zie artikel 80.34.19-c .01 RITBESTURING/SIGNALERING BIJZONDER BEDRIJF L1 T/M L3 Ten behoeve van liftinstallaties L1 t/m L3. 80.34.19-a
BRANDMELD-EVACUATIEBESTURING 0. WERKING VAN LIFTEN BIJ BRANDMELDING Wanneer via de brandmeldcentrale een brandmelding wordt geregistreerd wordt in opvolging automatisch de liftbesturing aangestuurd. De lift wordt rechtstreeks zonder onderbreking naar de hoofdstopplaats (homelanding 1) gedirigeerd. Is de lift op het moment van de brandmelding bezig met het afwerken van commando's, dan moeten alle gegeven opdrachten en oproepen vervallen en moet de lift op de eerstvolgende verdieping stoppen, om vervolgens direct naar de hoofdstopplaats te vertrekken, zodat de in de lift aanwezige personen veilig kunnen vluchten. 1. BIJ BRAND OP DE HOOFDSTOPPLAATS Als de brandmelding afkomstig is van de verdieping die als "home landing (1)" fungeert, dan zal de lift naar een alternatieve stopplaats(homelanding 2) worden gedirigeerd, bij voorkeur en als dit mogelijk is, onder de verdieping vanwaar de brandmelding wordt gesignaleerd. 2. SCHAKELING De schakeling moet fail safe uitgevoerd zijn. 3. OVERZICHTSTOPPLAATSEN Home landing 1: begane grond Home landing 2: eerste verdieping .01 BRANDMELD-EVACUATIEBESTURING L1 T/M L3 Ten behoeve van liftinstallaties L1 t/m L3.
80.34.21-a
DEURBESTURING 0. DEURBESTURING Opentijd deur(en) (s): circa 2 - 10 Opentijd instelbaar: ja, instelbaar tussen de 2-10 Sluittijd deur(en) (s): circa 2 -10 Sluittijd instelbaar: ja, instelbaar tussen de 2-10 Ophoudtijd deur(en) (s): 5 - 30 Ophoudtijd instelbaar: ja, instelbaar tussen de 2-30 Indien het sluiten door een obstakel wordt belemmerd moet(en) de deur(en) automatisch geheel openen en moet de sluittijd worden gereset. 9. WERKING DEURBESTURING De deuren moeten tijdens inrijden van een liftkooi op de verdieping over de laatste circa 160 mm open gaan. Bij stoppen van een liftkooi op de stopplaats moet deuren geheel geopend zijn. De deuren dienen te worden voorzien van een licht-/sensorlijst die voldoet aan de functionele werking, zoals hierna omschreven: - Obstakels dienen bij een 'gedwongen' sluitbeweging door een sensor gesignaleerd te worden. De sluitbeweging dient bij een 'obstakel-signalering' te stoppen waarna de deuren versneld volledig opengaan. Bij een 'obstakel'signalering dient een, op geluidssterkte instelbaar, akoestisch signaal gegeven te worden. De sensor en het akoestisch signaal moeten uitschakelbaar uitgevoerd zijn. Tevens moet de deur openhoudtijd worden gereset. Het werkende lichtveld (lichtlijst) moet zich in verticaal richting uit strekken over een hoogte van tenminste 2.000 mm.
TO: KUBUS/3127050-T
Concept
Printdatum: 2-2-2024
Halmos Adviseurs TO: Gemeentehuis Haarlemmermeer te Hoofddorp. TransporEnstallaEes
32 02.02.2024
.01 DEURBESTURING Ten behoeve van de liftinstallaties L1 t/m L3. 80.34.29-a
BESTURING EN SIGNALERING 1. BESTURINGSKAST In de besturingskast moeten alle besturingsonderdelen aangebracht worden. De elektrische besturingsapparatuur moet worden gemonteerd op rekken, trillingsvrij opgesteld in een stofdichte afsluitbare kast die op de bovenste stopplaats naast de schachttoegang in de schachtwand is geplaatst. Besturingskasten, inclusief rekken, deuren of deksels, voorzien van een deugdelijke aarding. Alle besturingskasten dienen afsluitbaar te zijn met behulp van een cilinder. De uitvoering van de besturingskasten dient minimaal IP21 te zijn. 2. INDELING KAST Klemmenstroken en rekken zodanig uitvoeren, dat het bijplaatsen van een geringe hoeveelheid apparatuur mogelijk is. De kasten zodanig bemeten, dat naast c.q. onder de klemmenstroken een ruimte van ca. 250 mm aanwezig is voor het doorvoeren van bedradingskokers ten behoeve van bekabeling. 3. VENTILATIE De maximaal toegestane temperatuur in de besturingskast is 40°C. De kast(en) moeten echter worden voorzien van ventilatieopeningen, zodat storingen bij een ruimtetemperatuur van 40°C kunnen worden voorkomen en voorzien van demontabel filter. 4.
VOORZIENINGEN EN AANSLUITINGEN, ALGEMEEN In de kast moeten worden opgenomen - digitale verdiepingsaanwijzing; - schakelaar om buitendienstsignalering in te schakelen; - schakelaar(s) om de fotocel / lichtlijst uit te schakelen; - schakelaar om buitendienst aanduidingen, buitenbesturing en kooibesturing uit te schakelen.
Concept
5.
Ten behoeve van de controle ‘schachtverlichting' dient in de besturingskast door de liftinstallateur een vast lichtpunt te worden geleverd, aangebracht en aangesloten. Het armatuur moet een LED-armatuur zijn. Op de lamp een pictogram aanbrengen met de navolgende tekst: ‘IN TEST', Let op, schachtverlichting aan. VOORZIENINGEN EN AANSLUITINGEN TEN BEHOEVE VAN DERDEN In de kast moeten klemmenstroken worden opgenomen ten behoeve van aansluiting van installaties derden. Het betreft de volgende installaties: - Storingsdoormelding (GBS); - Buitendienstsignalering; - Brandmelding; - Bedrijfsurenteller. Alle bedrading van de aansluitklemmen naar de diverse contacten (prints, relais e.d.), dan wel de aansluitklemmen zelf, in de besturingskast(en) ten behoeve van storingsmelding conform het GBS uitvoeren.
6. 7.
TO: KUBUS/3127050-T
De codering van de afgaande bekabeling dient gelijk te zijn aan die van de bijbehorende klemmen. Voor het aansluiten van de apparatuur moeten voldoende contactdozen worden opgenomen inclusief twee extra aansluitpunten ten behoeve van onderhoud en reparatie. KASTVERLICHTING Alle besturingskasten moeten voorzien zijn van schakelbare kastverlichting. WERKSCHAKELAAR
Printdatum: 2-2-2024
Halmos Adviseurs TO: Gemeentehuis Haarlemmermeer te Hoofddorp. TransporEnstallaEes
8.
33 02.02.2024
Voor de aansluiting op de voedingsleiding moet een 4-polige thermisch-maximaal vergrendelbare werkschakelaar worden aangebracht en aangesloten in de besturingskast waarmee de voeding van de betreffende lift in alle fasen kan worden onderbroken inclusief de benodigde smeltveiligheden. ENERGIEMETERS Om de conditie van de liftinstallatie, middels energieverbruik, in kaart te brengen dient in de besturingskast een energiemeter geplaatst te worden. De energiemeter dient aan de navolgende criteria te voldoen: - De energiemeter dient via het GBS uitgelezen te kunnen worden op basis van modbus, IP/tcp; - De meter dient in een apart afsluitbaar kastje te worden geplaatst op een nader te bepalen plek dichtbij de besturingskast; - Het display van de meter dient direct afleesbaar te zijn, zonder extra handelingen te hoeven verrichten; - Aansluiten volgens aansluitschema; - Stickers 'Let op! Vreemde spanning aanwezig'.
Fabrikaat energiemeter: Schneider PM810 vermogensmeter met uitbreidingsmodule PM8M26. .01 BESTURING EN SIGNALERING Ten behoeve van de liftinstallaties L1 t/m L3.
80.35
SCHACHTTOEGANGEN
80.35.11-a
SCHACHTDEUR BETREEDBARE LIFTKOOI 0. SCHACHTDEUR BETREEDBARE LIFTKOOI Uitvoeringsvorm: - gelijk aan de kooideur (L1 en L2 in glas; L3 in RVS) Brandwerendheid: - brandwerendheid 60 minuten volgens EN 81-58/EW 60 voor alle schachtdeuren Aandrijving: - automatisch via kooideuren Deurgeleiding: - de geleiding (sloffen) moeten een minimale breedte hebben van 50 mm waarbij per deurvleugel minimaal twee stuks toegepast zijn met een maximale hart op hartafstand van 300 mm Deurafwerking: - deurafwerking schachtzijde: - geluidwerende coating (een dubbelwandige doosconstructie is toegestaan) - deurafwerking verdiepingszijde: - plaatstaal bekleed met RVS 0,7 mm dik (vol RVS is toegestaan), dikte plaatstaal moet afgestemd zijn op het gebruik; mat geborsteld Vrije doorgang (bxh) (mm): - Conform artikel 80.11.19-a t/m 80.11.19-b Voorzieningen: - voorzien van geluid- en brandwerende coating. In geval van doosconstructie een geluiddempende vulling aanbrengen. Toebehoren: - geprofileerd RVS dorpel t.b.v. ondergeleiding, voorzien van gaten ten behoeve van vuilafvoer. - aanvullend: in geopende stand moeten de schacht- en kooideuren binnen de dagmaat van de dagstukken vallen. Dit betekend dat de deuren op geen enkele wijze in
TO: KUBUS/3127050-T
Concept
Printdatum: 2-2-2024
Halmos Adviseurs TO: Gemeentehuis Haarlemmermeer te Hoofddorp. TransporEnstallaEes
34 02.02.2024
geopende stand aangereden of aangetikt kunnen worden. SCHACHTTOEGANG, MUURKOPOMKLEDING Fabrikaat: - moederbedrijf Profiel - standaard Materiaal - RVS 1,5 mm dik Afwerking - richtloos geborsteld (mat) Toebehoren: - bevestigingsmiddelen 6. LIFTMONTAGE, MUURKOPOMKLEDING Muuromvattende kozijnen per verdieping en toegang meten en afzonderlijk pas maken, zodat bij meerdere toegangen naast elkaar de dagkanten in een lijn staan, met een toegestane tolerantie van 3 mm. Tevens moet de uitvoering van de kozijnen zo zijn, dat deze niet vervormen, deuken, losraken o.i.d. afgestemd op het type gebruikers van de lift. Alle werkzaamheden die bouwkundig benodigd zijn om de muurkoppen aan te brengen zijn voor rekening van de liftinstallateur. De zijstijlen van de muurkoppen moeten door de liftinstallateur, op de verdiepingsvloer goed worden verankerd, volledig worden uitgevuld en voorzien van een deugdelijke kitnaad. Bij eventueel aanstorten van kozijnen mag hierin geen vormverandering optreden. Toebehoren: - bevestigingsmiddelen - geluiddempend materiaal - uitvoering RVS mat geborsteld .01 SCHACHTDEUR BETREEDBARE LIFTKOOI Ten behoeve van de liftinstallaties L1 t/m L3. 5.
80.35.19-a
Concept
SCHACHTTOEGANG, MUURKOPOMKLEDING 0. MUURKOPOMKLEDING ALLE LIFTEN Profiel: van toepassing Afwerking: RVS tegen het schachtdeurkozijn geplaatst Antidreunvulling: van toepassing over de volle hoogte Toebehoren: - openingsrichting: telescopisch openende constructieve deurvleugels uitgevoerd in RVS De deurlamellen moeten worden vervaardigd uit staal bestaande uit extra gesterkte staalplaat van tenminste 1,5 mm dikte, voorzien van de nodige verstijvingsribben, zodat een degelijke stalen constructie worden verkregen. De lamellen van de schachtdeuren dienen enkelwandig te worden uitgevoerd met aan de schachtzijde de deuren meniëen en voorzien van grondverflaag. Deurafsluitmechanisme: De deurlamellen moeten aan de boven- en onderzijde worden geleid. Aan de bovenzijde door middel van kogellagers voorziene ophangrollen met niet metalen loopvlak. Het verplaatsen van de lamellen moet soepel en schokvrij geschieden. 1. DEURGRENDELING De schachttoegang moet zijn voorzien van een vergrendeling, teneinde te voorkomen dat de deuren kunnen worden geopend zonder dat de kooi achter de toegang staat. Tevens moeten de schachtdeuren zijn voorzien van een handontgrendeling, welke in het geval van nood met een speciale sleutel kan worden bediend. Bovengeleiding, alsmede deurvergrendeling mechanisch en veiligheidscontacten moeten in de gesloten bovenbalk van het deurkozijn worden ondergebracht.
Het aandrijvings- en grendelmechanisme moet solide van uitvoering zijn, terwijl de werking hiervan, evenals van de beweegbare meenemerschaats, praktisch geruisloos moet werken. Indien de afstand tussen de kooidrempel en de tegenoverliggende schachtwand groter is dan in de gevolge van de NEN-EN 81-20/50 toegestane 150 mm, op welk punt van de schacht ook gemeten, moet
TO: KUBUS/3127050-T
Printdatum: 2-2-2024
Halmos Adviseurs TO: Gemeentehuis Haarlemmermeer te Hoofddorp. TransporEnstallaEes
35 02.02.2024
over de volle breedte van de kozijnen tussen de schachttoegangsdeuren, schachtwandbeplating worden aangebracht. .01 LIFTINSTALLATIES PERSONEN/GOEDEREN L1 T/M L3 Ten behoeve van de liftinstallaties L1 t/m L3. 80.35.21-a
SCHACHTTOEGANG, BEDIENINGSPANEEL 0. SCHACHTTOEGANG, BEDIENINGSPANEEL Materiaal afdekplaat: RVS Afwerking afdekplaat: richtingloos geborsteld Uitvoering: vandaalbestendig Oproepknop: op de beide stopplaatsen voorzien van één knop met richtingsaanduiding Signaleringen: drukknoppen voorzien van commando terugmelding. Aanvullend: - alle tableaus voorzien van buitendienstsignalering; Uitvoering oproepknoppen: - ten behoeve van blinden en slechtzienden knoppen voorzien van voelbaar reliëf / cijfer; - alleen met speciaal gereedschap te demonteren; - bedieningsknoppen dienen van zeer lange levensduur te zijn (knoppen moeten voldoen aan minimaal 5.000.000 schakelingen). Toebehoren: - bevestigingsmiddelen 9. MONTAGE - voor iedereen duidelijk waarneembaar en te bedienen (ook vanuit een rolstoel); - bij meerdere toegangen naast elkaar, schachttableaus tussen de liften in aanbrengen verticaal geplaatst; - exacte posities in overleg met de architect te bepalen, maar conform de toegankelijkheidseisen. .01 SCHACHTTOEGANG, BEDIENINGSPANEEL Ten behoeve van de liftinstallatie L1 t/m L3.
Concept
80.35.29-a
SCHACHTTOEGANG, BEDIENINGSPANEEL LIFT L1 T/M L3 0. BEDIENINGSPANEEL LIFT paneel: van toepassing materiaal afdekplaat: RVS afwerking afdekplaat: RVS oproepknop: alle niveaus: druktoets van opwaarts/neerwaarts - signaleringen: buiten bedrijf, van toepassing 1. BEDIENINGSTABLEAU ETAGE Per verdieping per lift 1 stuks roeptableau uitgevoerd in RVS. In de nabijheid van iedere schachttoegang dient een gong te zijn aangebracht. Voorafgaand aan het openlopen van de deuren dient deze gong duidelijk hoorbaar te zijn buiten de schacht. .01 LIFTINSTALLATIES LIFT L1 T/M L3 Ten behoeve van de liftinstallatie L1 t/m L3.
80.80
TOEBEHOREN
80.80.12-a
NAAM-/NUMMER-/SYMBOOLPLAAT 0. NAAM-/NUMMER-/SYMBOOLPLAAT Tekstplaten: Op alle kasten, apparatuur e.d. ook de door derden geleverde en bestemd voor de liftinstallatie(s) opschriften in resopalplaten (wit-zwart-wit) aanbrengen met een letterhoogte van 10 mm en een plaatmaat van 80 bij 30 mm. Elke installatie moet worden
TO: KUBUS/3127050-T
Printdatum: 2-2-2024
Halmos Adviseurs TO: Gemeentehuis Haarlemmermeer te Hoofddorp. TransporEnstallaEes
36 02.02.2024
voorzien van een plaat, vermeldend het opdrachtnummer en naam van de fabrikant, benevens de datum van de indienststelling. Deze platen moeten op een nader door de directie te bepalen plaats nabij de liftmachine worden bevestigd. opschriften: Waar vereist de voorgeschreven opschriften aanbrengen, zoals o.a.: - op de toegangsdeuren van machinekamers 9. VERDEELINRICHTINGEN Liftcodering. Nog nader te bepalen liftnummers dienen ingegraveerd te worden: - rechts boven de desbetreffende liftdeur - op het bedieningspaneel in de desbetreffende liftkooi met een esthetisch verantwoorde letterhoogte. .01 TOEBEHOREN Ten behoeve van de liftinstallaties L1 t/m L3.
80.90
80.90.10-a
80.90.11-a
ELEKTRISCHE INSTALLATIES TEN BEHOEVE VAN LIFTEN ALGEMEEN
VERDEELKASTEN LIFTEN 0. VERDEELKASTEN LIFT Aantal groepen voor kracht: 1 per lift in schacht Aantal groepen voor licht: 4 Hoofdschakelaar: van toepassing levering verdeelkast: door de liftinstallateur Code: af te stemmen tijdens werktekeningen fase Uitgangspunt: 1 gecombineerde voedingskabel licht/kracht door derden .01 VERDEELKAST LIFTEN Een en ander conform de TO-tekeningen.
Concept
VERLICHTING EN LEIDINGSTRACE SCHACHTEN 0. VERLICHTING SCHACHTEN Lamp: LED-armatuur Bediening: wisselschakelaars inclusief signaleringslampje plaats van bediening: in liftschacht middels trekkoord over de gehele hoogte Het trekkoord aan het einde voorzien van een verzwaarde handgreep eventueel trekveer. Plaats: 2 maten boven elke stopplaats aan te brengen 1 verlichtingsarmatuur. 1. VERLICHTING LIFTPUT Lamp: LED-armatuur Bediening: tezamen schachtverlichting 2. SCHACHTVERLICHTING De schachtverlichtingsinstallatie zal moeten worden opgebouwd uit een elektrische installatie met daarop aangesloten de genoemde armaturen. Ten behoeve van de controle ‘schachtverlichting’ moet in de liftbesturingskast van de installatie een vast lichtpunt worden geleverd, aangebracht en aangesloten. Op het armatuur moet een pictogram aangebracht worden met de navolgende tekst: “schachtverlichting aangeschakeld” In de liftput dient een waterdicht verlichtingsarmatuur te worden aangebracht. In de schachtput: In de schachtput moet een waterdicht en slagvaste, 2 polige wandcontactdoos met randaarde worden aangebracht welke op dezelfde groep moet worden aangesloten als de schachtverlichting en een directe aansluiting op de verdeelkast moet hebben. De wandcontactdoos op een goed bereikbare plaats monteren op 500 mm uit de putvloer.
Op het kooidak: Op het kooidak moet een waterdicht en slagvaste, 2 polige wandcontactdoos met randaarde worden aangebracht welke op dezelfde groep moet worden aangesloten als de kooiverlichting en kooiventilatie (indien van toepassing). De wandcontactdoos moet in
TO: KUBUS/3127050-T
Printdatum: 2-2-2024
Halmos Adviseurs TO: Gemeentehuis Haarlemmermeer te Hoofddorp. TransporEnstallaEes
37 02.02.2024
het inspectiebedieningspaneel worden gemonteerd. - toe te passen schakelmateriaal: fabrikaat Gira WD o.g. uitvoering elektrische installaties - toe te passen in kabel: fabrikaat Draka o.g. 3. KANALISATIE Voor de aanleg van het leidingtracé in de schacht moet gebruik worden gemaakt van kunststof kabelgoten. Uiteinden van kabelgoten moeten zijn voorzien van eindschotten. Zwakstroomleidingen van installaties door of voor derden moeten in een gescheiden compartiment van de goot zijn gelegd. Kabelgoten moeten Moeilijk Brandbaar, PVC-, chloor- en halogeen vrij zijn. .01 LIFTINSTALLATIES L1 T/M L3 Ten behoeve van de liftinstallaties L1 t/m L3. .02 VOEDINGSKABELS L1 T/M L3 Levering en aanbrengen van de voedingskabel per liftinstallatie door derden (uitgangspunt: een gecombineerde voedingskabel kracht/licht per liftinstallatie). De voedingskabels voor de liften worden door derden i.o.m. de liftinstallateur van dit TO in de liftschachten aangebracht. De liftinstallateur van dit TO dient de hiervoor beschikbare ruimte en wijze van de aanleg met de liftinstallateur te coördineren. De kabel voor de brandweerliften B3 en A4 wordt uitgevoerd in functiebehoud. 80.90.12-a
80.90.13-a
VENTILATIE LIFTEN ALGEMEEN 0. VENTILATIE LIFTEN Schachtventilatie volledig door de liftinstallateur uit te voeren d.m.v. 1% van de totale horizontale doorsnede van de schacht te ventileren op de buitenlucht. Dakkap en kanaallevering en plaatsing door liftinstallateur. .01 LIFTINSTALLATIES LIFT Ten behoeve van de liftinstallaties L1 t/m L3.
Concept
LEIDINGEN VOOR BESTURING EN SIGNALERING ALGEMEEN 0. LEIDINGEN VOOR BESTURING EN SIGNALERING ALGEMEEN Sleepkabels: lopend van apparatenbord naar centrale klemmenkast op de kooi extra sleepkabel: voor intercom meeleveren en per kabel 10 reserve aders; de aansluiting van de intercom zal door de liftinstallateur geschieden leidingen schachtbedrading: om de 500 mm bundelen en ontlasten voorschrift elektrische leidingaanleg: De elektrische leidingaanleg in de schacht dient te worden uitgevoerd in VD-draad of kabel en worden doorgevoerd door installatiekanalen. De bedrading moet om de 500 mm worden gebundeld en ontlast. Aftakkingen naar drukknop en signaleringskasten enz. dienen te worden uitgevoerd in vaste of flexibele buis. De leidingaanleg in de machinekamer doorvoeren in leidinggoten. Leidingen naar toestellen welke op rubber trillingsdempers of verend zijn opgesteld dienen plaatselijk in flexibele buis te worden doorgevoerd. De lengte van de flexibele buis dient zo klein mogelijk te zijn. De aardleiding van deuren, tableaus enz. 2 1/2 mm2 in buis aansluiten op de aardrail van de besturingskast. Bevestigingen, aftakkingen enz. dienen solide en deugdelijk te worden uitgevoerd. De bedrading op de liftkooi dient onder de werkvloer van het kooidak te worden doorgevoerd in leidinggoten.
De bedrading in de schacht ten aanzien van de veiligheidsketens dient dubbel geïsoleerd uitgevoerd te worden. De bedrading van de diverse apparatuur dient zoveel mogelijk zonder onderbreking te worden doorgevoerd.
TO: KUBUS/3127050-T
Printdatum: 2-2-2024