CConstaterende datHaarlemmermeer
Koppel je AI →
Document · PDF

3. Raadsvoorstel Ontwerpverklaring van geen bedenkingen voor een nieuwe schuur aan de Huigsloterdijk 86 te Weteringbrug.pdf

Raadsplein: Agenda en raadsstukken 4 maart 2021, gemeente HaarlemmermeerBij agendapunt: Raadsvoorstellen en notas wk 411.455 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

gemeente Haarlemmermeer

raadsvoorstel

Onderwerp

Portefeuillehouder Steller Collegevergadering

Ontwerpverklaring van geen bedenkingen voor een nieuwe schuur aan de Huigsloterdijk 86 te Weteringbrug mr. Mariëtte Sedee-Schuitemaker Judith Filippo 26 januari 2021

Raadsvergadering Raadsvoorstelnummer

2021.0000102 1. Voorstel Collegebesluit(en)

Het college besluit de raad voor te stellen om: 1. een ontwerpverklaring van geen bedenkingen af te geven voor het realiseren van een nieuwe schuur aan de Huigsloterdijk 86 te Weteringbrug. 2. Samenvatting

Op de planlocatie worden op een gebied van circa 60 hectare onder andere aardappels, tarwe, suikerbieten en plantuien geteeld. De initiatiefnemer heeft de intentie om de eigen agrarische producten te verwerken. Hiervoor is extra schuurruimte nodig. Ook is er extra ruimte nodig voor het stallen van machines. Om deze reden willen de initiatiefnemers een nieuwe schuur realiseren van 1.000 m2. 750 m2 valt binnen het bouwvlak, 250 m2 valt er buiten. Wij kunnen deze omgevingsvergunning slechts verlenen nadat de raad heeft verklaard daartegen geen bedenkingen te hebben. Er kan geen gebruik worden gemaakt van de overgebleven categorieën waarvoor geen verklaring van geen bedenkingen (vvgb) is vereist volgens het raadsbesluit van 3 oktober 2019 (2019.0040560). 3. Uitwerking 3.1 Wat willen we bereiken?

Wij willen een omgevingsvergunning verlenen voor de realisatie van een schuur aan de Huigsloterdijk 86 te Weteringbrug. De initiatiefnemer heeft de intentie om de eigen agrarische producten te verwerken. Hiervoor is extra schuurruimte nodig. Ook is er extra ruimte nodig voor het stallen van machines. Om deze reden willen de initiatiefnemers een nieuwe schuur ontwikkelen van 1.000 m2. 750 m2 valt binnen het bouwvlak, 250 m2 valt er buiten. We kunnen deze omgevingsvergunning slechts verlenen nadat de raad heeft verklaard daartegen geen bedenkingen te hebben. Het project kan namelijk niet geschaard worden onder een van de categorieën waarvoor geen verklaring van geen bedenkingen vereist is volgens het raadsbesluit van 3 oktober 2019 (2019.0040560) over het aanwijzen van categorieën gevallen

Ontwerpverklaring van geen bedenkingen voor een nieuwe schuur aan de Huigsloterdijk 86 te

pagina 2

Weteringbrug

waarvoor geen verklaring van geen bedenkingen nodig is op grond van artikel 6.5, derde lid, Besluit omgevingsrecht (Bor). 3.2 Wat gaan we daarvoor doen?

Goede ruimtelijke ordening De aanvraag is getoetst aan het bestemmingsplan 'Buitengebied Zuid' en heeft een agrarische bestemming. Het initiatief kan niet worden gerealiseerd op grond van het ter plaatse geldende bestemmingsplan, omdat de voorgenomen schuur deels (250 m2) wordt gebouwd buiten het bestaande bouwvlak. De gewenste schuur is zeer goed in te passen in het landschap, waardoor de ruimtelijke kwaliteit niet achteruit zal gaan. De schuur komt achter bestaande bebouwing te liggen en er is een beplantingsplan opgesteld. Rond de schuur komt een robuuste groenstructuur waardoor de schuur vanaf de omliggende wegen beperkt zichtbaar zal zijn. Er is gekozen voor streekeigen beplanting. Daarnaast wordt met de toevoeging van veel groen de biodiversiteit in het plangebied gestimuleerd. Onderdeel van de aanvraag is een ruimtelijke onderbouwing, waaruit blijkt dat het plan past binnen rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid. De ruimtelijke onderbouwing en het ruimtelijk advies zijn als bijlage bij dit raadsvoorstel gevoegd. Het ruimtelijk advies is positief. Nu sprake is van een goede ruimtelijke ordening, wordt de raad voorgesteld een besluit te nemen tot afgifte van een ontwerp vvgb. Procedure De ontwerp vvgb wordt samen met het ontwerpbesluit omgevingsvergunning ter inzage gelegd.

Zowel tegen de ontwerp vvgb als tegen de ontwerpomgevingsvergunning kunnen zienswijzen worden ingediend. Voor zover (mede) gericht tegen de ontwerp vvgb worden deze aan de raad toegezonden. De raad besluit vervolgens over verlenen van de vvgb onder afweging van de zienswijzen. 3.3 Wat mag het kosten?

Aan de uitvoering van dit voorstel zijn, naast de beschikbare ambtelijke capaciteit, geen kosten verbonden. 3.4 Wie is daarvoor verantwoordelijk?

Op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is de raad bevoegd te besluiten over een verklaring van geen bedenkingen. De bevoegdheid te besluiten over een aanvraag omgevingsvergunning ligt bij het college. De wethouder Ruimtelijke ontwikkeling is eerste aanspreekpunt binnen het college. 3.5 Welke overige relevante informatie is beschikbaar?

Wettelijk kader Wij willen met toepassing van artikel 2.12 lid 1 onder a onder 3 Wabo een omgevingsvergunning verlenen. Dit is mogelijk indien het gevraagde niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat. Bovendien is in artikel 2.27 lid 1 Wabo geregeld dat de omgevingsvergunning slechts kan worden verleend nadat de gemeenteraad heeft verklaard geen bedenkingen tegen het project te hebben. Op grond van artikel 6.5 Bor kan de raad categorieën gevallen aanwijzen waarin geen vvgb vereist is.

Ontwerpverklaring van geen bedenkingen voor een nieuwe schuur aan de Huigsloterdijk 86 te

pagina 3

Weteringbrug

Geen van de aangewezen categorieën is op deze aanvraag van toepassing. Daarom is een verklaring van de raad nodig. De vvgb maakt onderdeel uit van de te verlenen omgevingsvergunning. 3.6 Wanneer en hoe zal de raad/het college over de voortgang worden geïnformeerd?

De raad ontvangt de tegen het ontwerpbesluit ingediende zienswijzen. Daarna besluit de raad over de definitieve vvgb. Deze maakt onderdeel uit van de omgevingsvergunning. 4. Ondertekening

Bijlage(n): • ruimtelijke onderbouwing Huigsloterdijk 86 Weteringbrug • ruimtelijk advies Huigsloterdijk 86 Weteringbrug

Huigsloterdijk 86 Weteringbrug Ruimtelijke onderbouwing

Weteringbrug Huigsloterdijk 86 Gemeente Haarlemmermeer Ruimtelijke onderbouwing

GEGEVENS VAN DE AANVRAGER Fam. Enthoven Huigsloterdijk 86

Kerkewijk 117

2156 LG Weteringbrug

3904 JB Veenendaal T. 0318 – 50 56 37

I. www.kubiek.nu

PLANGEGEVENS

E. info@kubiek.nu

Projectnummer:

K19401

Datum:

2 november 2020

Titel:

Ruimtelijke onderbouwing Weteringbrug - Huigsloterdijk 86

Projectleider:

G. Jansen MSc

Auteur:

R. de Jong MSc

Inhoud 1

2

Inleiding........................................................................................................................ 6 1.1

Aanleiding................................................................................................................................. 6

1.2 1.3

Ligging en begrenzing planlocatie ........................................................................................... 6 Vigerend bestemmingsplan...................................................................................................... 7

Beschrijving van de bestaande en toekomstige situatie .........................................10 2.1 2.2

3

Bestaande situatie .................................................................................................................. 10 Gewenste situatie ................................................................................................................... 10

Beleidskader ...............................................................................................................14 3.1

Rijksbeleid .............................................................................................................................. 14 3.1.1 3.1.2

3.2

3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking .................................................................... 15 Provinciaal beleid ................................................................................................................... 16 3.2.1 3.2.2

3.3

Omgevingsvisie NH2050 – Balans tussen economische groei en leefbaarheid .... 16 Provinciale Ruimtelijke Verordening ....................................................................... 17

Gemeentelijk beleid ................................................................................................................ 17 3.3.1

4

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) ....................................................... 14 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) ............................................. 15

Structuurvisie Haarlemmermeer 2030 .................................................................... 17

Uitvoeringsaspecten ..................................................................................................19 4.1

4.2

Flora- en fauna ....................................................................................................................... 19 4.1.1 4.1.2

Wettelijk kader ......................................................................................................... 19 Effect te vergunnen activiteiten ............................................................................... 20

4.1.3 4.1.4

Stikstofdepositie ...................................................................................................... 20 Conclusie................................................................................................................. 21

Cultuurhistorie en archeologie ............................................................................................... 21 4.2.1 4.2.2

4.3 4.4

Verkeer en parkeren .............................................................................................................. 22 Luchtkwaliteit .......................................................................................................................... 22 4.4.1 4.4.2

4.5

4.7

Wettelijk kader ......................................................................................................... 22 Onderzoek / beoordeling ......................................................................................... 23

Bodemkwaliteit ....................................................................................................................... 23 4.5.1 4.5.2

4.6

Cultuurhistorie ......................................................................................................... 21 Archeologie ............................................................................................................. 21

Wettelijk kader ......................................................................................................... 23 Onderzoek/beoordeling ........................................................................................... 23

4.5.3 Conclusie................................................................................................................. 24 Geluidhinder ........................................................................................................................... 24 4.6.1 4.6.2

Wettelijk kader ......................................................................................................... 24 Beoordeling/onderzoek ........................................................................................... 24

4.6.3

Conclusie................................................................................................................. 24

Bedrijven en milieuzonering ................................................................................................... 24 4.7.1 Wettelijk kader ......................................................................................................... 24 4.7.2

Onderzoek/beoordeling ........................................................................................... 26

4.7.3 4.8

4.8.1 4.8.2 4.9 4.10

4.11

Wettelijk kader ......................................................................................................... 26 Onderzoek / beoordeling ......................................................................................... 28

4.8.3 Conclusie................................................................................................................. 29 Kabels en leidingen ................................................................................................................ 29 Water ...................................................................................................................................... 29 4.10.1 Inleiding ................................................................................................................... 29 4.10.2

Beleidskader ........................................................................................................... 29

4.10.3 4.10.4

Beoordeling ............................................................................................................. 30 Conclusie................................................................................................................. 30

Molenbiotoop .......................................................................................................................... 30 4.11.1 inleiding ................................................................................................................... 30 4.11.2 4.11.3

5

Conclusie................................................................................................................. 26

Externe veiligheid ................................................................................................................... 26

Beoordeling ............................................................................................................. 31 Conclusie................................................................................................................. 31

Economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid ...............................................32 5.1

Economische uitvoerbaarheid ................................................................................................ 32

5.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid ......................................................................................... 32

6

Eindconclusie .............................................................................................................33

Bijlagen: 

Quickscan flora en fauna

16-06-2020

Stikstofdepositieberekening + bijlagen

02-11-2020

Verkennend bodemonderzoek

30-06-2020

Watertoets

29-04-2020

Beplantingsplan

22-07-2020

1 Inleiding 1.1

Aanleiding

Op de planlocatie aan de Huigsloterdijk 86 te Weteringbrug, onderdeel van de gemeente Haarlemmermeer, is de maatschap van de familie Enthoven gevestigd. Vanuit hier telen zijn op een gebied van circa 60 hectare onder andere aardappels, tarwe, suikerbieten en plantuien. Zij zijn voornemens om hun bedrijf toekomstbestendig te maken. Hiertoe hebben zij de intentie om hun eigen agrarische producten te verwerken tot een product dat goed op de markt is te brengen. Hiervoor is extra schuurruimte nodig. Ook is er extra ruimte nodig voor het stallen van machines, omdat deze nu vaak buiten staan en hierdoor achteruit gaan in kwaliteit. Om deze reden willen de initiatiefnemers een nieuwe schuur ontwikkelen van 1.000 m², die landschappelijk goed wordt ingepast. Het initiatief kan niet worden gerealiseerd op grond van het ter plaatse geldende bestemmingsplan, omdat de voorgenomen schuur deels (circa 250 – 270 m²) wordt gebouwd buiten het bestaande bouwvlak. Op 23 april 2020 heeft de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied bij brief laten weten positief te oordelen op het voornemen zoals omschreven in de conceptaanvraag. Met de zogeheten uitgebreide omgevingsvergunning (art. 2.12 lid 1a onder 3 Wabo) kan worden afgeweken van het bestemmingsplan om uw voornemen planologisch te regelen. Het opstellen van een ruimtelijke onderbouwing is een verplicht onderdeel van deze procedure.

Middels de ruimtelijke onderbouwing zal worden aangetoond dat het voorgenomen initiatief voldoet aan de eisen van goede ruimtelijke ordening. Met voorliggende ruimtelijke onderbouwing wordt het ruimtelijk plan voorzien van een ruimtelijk juridisch kader. 1.2

Ligging en begrenzing planlocatie

Het plangebied is gelegen aan de Huigsloterdijk 86 te Weteringbrug. Dit is gelegen op de grens van de provincies Zuid-Holland en Noord-Holland. De planlocatie ligt ingeklemd tussen verschillende dorpen en de rijksweg A4. Ten zuiden van de percelen loopt de ringvaart van het Haarlemmermeer, welke is aangelegd ten tijde van het inpolderen van het meer. Ondanks de ligging te midden van de drukte van de Randstad is er nog voldoende ruimte in het dichtbevolkte gebied voor agrarische activiteiten. De locatie staat kadastraal bekend als gemeente Haarlemmermeer, sectie AO, perceel 695. In onderstaand figuur is de ligging van het plangebied weergegeven.

Ruimtelijke onderbouwing – Weteringbrug – Huigsloterdijk 86

6

Luchtfoto plangebied met globale aanduiding planlocatie (bron: PDOK)

Uitsnede kadastrale kaart (bron: perceelloep.nl)

1.3

Vigerend bestemmingsplan

De

projectlocatie

ligt

binnen

de

begrenzing

van

verschillende

bestemmingsplannen.

Het

bestemmingsplan ‘Buitengebied Zuid‘ is relevant voor de gewenste ontwikkeling. Dit bestemmingsplan is vastgesteld door de gemeenteraad van Haarlemmermeer op 4 juli 2013. In het bestemmingsplan kent de projectlocatie de enkelbestemming ‘Agrarisch’. Daarnaast kent de projectlocatie (deels) de gebiedsaanduidingen ‘luchtvaartverkeerzone – lib’, ‘vrijwaringszone – molenbiotoop’ en ‘wro-zone – wijzigingsgebied’.

Ruimtelijke onderbouwing – Weteringbrug – Huigsloterdijk 86

7

Enkelbestemming ‘Agrarisch’ De

voor

‘Agrarisch’

aangewezen

gronden

zijn

bestemd

voor

volwaardige

agrarische

bedrijfsactiviteiten, met een in hoofdzaak grondgebonden bedrijfsvoering. Voor het bouwen van agrarische bedrijfsgebouwen geldt dat deze binnen een bouwvlak gebouwd dient te worden. De goothoogte mag niet meer zijn dan 6 meter, en de bouwhoogte niet meer dan 12 meter. Gebiedsaanduiding ‘Luchtvaartverkeerszone -lib’ Voor de gronden gelden de beperkingen met betrekking tot de hoogte van gebouwen, andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde “Luchthavenindelingbesluit Schiphol”.

en

objecten,

gesteld

in

artikel

2.2.2

van

het

Gebiedsaanduiding – ‘Vrijwaringszone – Molenbiotoop’ Ter plaatse van de aanduiding ‘vrijwaringszone – molenbiotoop’ mag niet hoger worden gebouwd dan: a. binnen een afstand van 100 meter van de molen: de bouwhoogte die gelijk is aan de hoogte van het onderste punt van de verticaal staande wiek van de molen; b. buiten een afstand van 100 meter van de molen: de bouwhoogte genoemd onder a. vermeerderd met 1/30 van de afstand tussen het bouwwerk en de molen; c.

Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde onder a. en b., indien: 1. de vrije windvang of het zicht op de molen al zijn beperkt vanwege aanwezige bebouwing en de windvang en het zicht op de molen niet verder worden beperkt vanwege de nieuw op te richten bebouwing; 2. toepassing van de onder a. en b. bedoelde afstands- en/of hoogtematen de belangen in verband met de nieuw op te richten bebouwing onevenredig zouden schaden;

Gebiedsaanduiding ‘wro-zone – wijzigingsgebied’ Burgemeester en wethouders kunnen ter plaatse van de aanduiding ‘wro- zone – wijzigingsgebied ’ de bestemmingen geheel of gedeeltelijk wijzigen in de bestemming ‘Bedrijf – Windturbine’ en ‘Verkeer’, met inachtneming van enkele bepalingen. Dit is niet relevant voor de gewenste ontwikkeling. Parapluplan parkeerregels Daarnaast is de planlocatie gelegen binnen de begrenzing van de regels die gelden vanuit het parapluplan parkeerregels, vastgesteld op 4 oktober 2018. Deze specifieke regels zijn van toepassing op parkeren, stallen, laden en lossen op alle bestemmingsplannen die vermeld zijn in de bijlage van deze regels waaronder ook het voornoemde bestemmingsplan. Conclusie De gewenste ontwikkeling is strijdig met het vigerende bestemmingsplan. De nieuwe schuur wordt deels gerealiseerd buiten het bestaande bouwvlak, wat zorgt voor een overschrijding van circa 250 270 m². Daarnaast dient te worden aangetoond dat de te bouwen schuur voldoet aan de gebiedsaanduiding ‘Vrijwaringszone – Molenbiotoop’.

Ruimtelijke onderbouwing – Weteringbrug – Huigsloterdijk 86

8

Uitsnede bestemmingsplan met in rood globale aanduiding gewenste schuur (bron: ruimtelijkeplannen.nl)

Ruimtelijke onderbouwing – Weteringbrug – Huigsloterdijk 86

9

2 Beschrijving van de bestaande en toekomstige situatie 2.1

Bestaande situatie

Op de planlocatie aan de Huigsloterdijk 86 vinden al gedurende lange tijd agrarische activiteiten plaats. De grootvader van de initiatiefnemer nam in 1962 het bedrijf over van zijn schoonvader, wiens familie hier al sinds de drooglegging van het voormalige Haarlemmermeer boert. Sinds 1962 is het bedrijf in het bezit van de familie Enthoven. Het bedrijf richt zich voornamelijk op akkerbouw en het gezamenlijke oppervlakte van de verschillende gronden bedraagt ruim 60 hectare. Om de akkerbouw activiteiten mogelijk te maken staan er enkele schuren op de planlocatie. De gezamenlijke grootte hiervan bedraagt circa 1.400 m². De schuren worden gebruikt voor de opslag van agrarische producten, zoals aardappelen, maar ook voor de opslag van machines.

Beeld planlocatie (bron K. de Vries, Ecoresult BV)

2.2

Gewenste situatie

Inmiddels staat de volgende generatie van de familie Enthoven klaar om het bedrijf over te nemen. De opvolger heeft de wens om het bedrijf verder te ontwikkelen en te laten groeien. Er bestaat de intentie om de agrarische producten te verwerken om zo een product op te leveren dat goed verkocht kan worden. Steeds meer boerenbedrijven verwerken hun eigen producten en vermarkten deze zelf. Op deze manier ontstaat er voor een meerwaarde en tevens een kortere voedselketen. Zelf producten verwerken vergt echter wel meer bedrijfsruimte. In de huidige schuren is deze ruimte te beperkt aanwezig om de gewenste ontwikkeling van het bedrijf vorm te geven, en daarom is er extra schuurruimte nodig. Daarnaast is er ook meer ruimte nodig voor machineberging. De machines staan nu vaak buiten opgesteld, waardoor deze snel in kwaliteit achteruitgaan. Voor een gezonde bedrijfsvoering voor de toekomstige generatie is uitbreiding simpelweg noodzaak. Een nieuwe schuur van 1.000 m² op de voorgestelde locatie wordt noodzakelijk geacht omdat het bedrijf graag op één erf wil kunnen blijven werken. Het grootste gedeelte van de schuur (circa 750 m²) zal worden gebouwd binnen het bestaande bouwvlak. Aan de (zuid-)westzijde zal het bouwvlak met circa 9 à 10 meter worden overschreden over een afstand van 25 meter. Aan de noordzijde geldt een

Ruimtelijke onderbouwing – Weteringbrug – Huigsloterdijk 86

10

overschrijding van circa 1 meter over een lengte van 40 meter. Dit betekent dat circa 250 tot 270 m² van de nieuwe schuur buiten het bouwvlak zal worden gebouwd. De plaats van de schuur is bepaald vanwege de grootte en de manier van aanrijden vanaf de openbare weg. De grootte wordt nodig geacht, omdat dit goed aansluit bij de intenties die het bedrijf heeft om een vermarktbaar product te ontwikkelen. Op de gewenste positie is er het minst hinder van wind, en wordt de schuur het meest in het bestaande bouwblok gebouwd. De overschrijding van het bouwvlak is minimaal, maar wel essentieel voor de bedrijfsvoering die het bedrijf wil uitvoeren. Alternatieven worden niet gezien in de omgeving. Uitwijken naar een andere locatie is niet haalbaar en ook zeker niet wenselijk. De grondprijzen in de regio zijn hoog en bovendien is de grond in de regio welke geschikt is voor agrarische activiteiten erg schaars. In onderstaande figuur is de nieuwe situatie weergegeven.

Bestaande situatie met aanduiding nieuw te bouwen schuur

Ruimtelijke onderbouwing – Weteringbrug – Huigsloterdijk 86

11

Impressie nieuwe schuur

De gewenste schuur is zeer goed in te passen in het landschap, waardoor de ruimtelijke kwaliteit niet achteruit zal gaan. De schuur komt achter bestaande bebouwing te liggen, maar doordat het perceel schuin ligt zal de schuur goed zichtbaar zijn vanaf de Huigsloterdijk. Er is een beplantingsplan opgesteld. Het volledige plan is opgenomen als bijlage. Er wordt veel ruime ingericht rond de schuur voor groen, waarbij is gekozen voor streekeigen beplanting. Door te kiezen voor een robuuste groenstructuur rond de schuur zal deze vanaf de omliggende wegen beperkt zichtbaar zijn. Daarnaast wordt met de toevoeging van veel groen de biodiversiteit in het plangebied gestimuleerd.

Ruimtelijke onderbouwing – Weteringbrug – Huigsloterdijk 86

12

Beplantingsplan

Bovendien zal het landelijke karakter behouden blijven door de ontwikkeling van de schuur. Gezien de ligging in een verstedelijkt gebied kan de ontwikkeling van een nieuwe schuur ook een bijdrage leveren aan het behoud van het agrarische karakter van het gebied, doordat de ontwikkeling er voor zorgt dat de maatschap toekomstbestendig kan blijven functioneren.

Ruimtelijke onderbouwing – Weteringbrug – Huigsloterdijk 86

13

3 Beleidskader 3.1

Rijksbeleid

3.1.1

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR)

De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR), die op 13 maart 2012 door de minister is vastgesteld, vormt de overkoepelende rijksstructuurvisie voor de ruimtelijke ontwikkeling van Nederland tot 2028, met een doorkijk naar 2040. Het rijksbeleid richt zich op het versterken van de internationale positie van Nederland en het behartigen van de nationale belangen, zoals de hoofdnetwerken voor personen- en goederenvervoer, energie, natuur, waterveiligheid, milieukwaliteit en bescherming van het werelderfgoed. Het Rijk streeft naar een concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig Nederland. Daarbij wordt ingezet op een krachtige aanpak die ruimte geeft aan regionaal maatwerk, de gebruiker voorop zet, investeringen prioriteert en ruimtelijke ontwikkelingen en infrastructuur met elkaar verbindt. Om dit doel te bereiken werkt het Rijk samen met andere overheden. In de SVIR zijn ambities tot 2040 en doelen, belangen en opgaven tot 2028 geformuleerd. Het Rijk heeft drie hoofddoelen geformuleerd: 

het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijkeconomische structuur;

het verbeteren, instandhouden en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid, waarbij de gebruiker voorop staat;

het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn.

Het beleid met betrekking tot verstedelijking, groene ruimte en landschap laat het Rijk, onder het motto ‘decentraal wat kan, centraal wat moet’, zoveel mogelijk over aan provincies en gemeenten. Gemeenten krijgen daarbij de ruimte voor kleinschalige natuurlijke groei en voor het bouwen van huizen die aansluiten bij de woonwensen van mensen. De sturing op verstedelijking, zoals afspraken over binnenstedelijk bouwen en doelstellingen voor herstructurering, laat het Rijk voor een groot deel los. In totaal zijn 13 onderwerpen van nationaal belang benoemd, die bijdragen aan het realiseren van de drie hoofddoelen. Het betreft onder meer het borgen van ruimte voor de hoofdnetwerken (weg, spoor, vaarwegen, energievoorziening, buisleidingen), het verbeteren van de milieukwaliteit, ruimte voor waterveiligheid, ruimte voor klimaatbestendige stedelijke ontwikkeling, ruimte voor behoud van unieke cultuurhistorische en natuurlijke kwaliteiten en ruimte voor een nationaal netwerk voor natuur. Verder is één van de nationale belangen die de SVIR benoemt, het belang van een ‘zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten’. Concreet betekent dit onder meer dat ruimte zorgvuldig moet worden benut en overprogrammering moet worden voorkomen.

Om die doelstellingen te bereiken, is in 2012 de ladder voor duurzame verstedelijking opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening. Alle stedelijke ontwikkelingen dienen aan de Ladder voor duurzame verstedelijking getoetst te worden.

Ruimtelijke onderbouwing – Weteringbrug – Huigsloterdijk 86

14

Conclusie Het betreft een ontwikkeling van relatief beperkte omvang zonder strijdigheid met rijksbelangen. Het rijksbeleid is voor het toevoegen van een nieuwe schuur niet relevant. De ladder voor duurzame verstedelijking komt in paragraaf 3.1.3 aan de orde. 3.1.2

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)

Op 30 december 2011 is het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) in werking getreden. Gemeenten

moeten

bij

het

vaststellen

van

bestemmingsplannen,

wijzigingsplannen

of

uitwerkingsplannen rekening houden met het Barro. Doel van het Barro is bepaalde onderwerpen uit de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte te verwezenlijken. In het Barro worden een aantal projecten opgesomd die een groot Rijksbelang hebben. Per project worden regels gegeven, waaraan bestemmingsplannen moeten voldoen. De regels zijn een uitwerking van de onderwerpen uit de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. In het Barro zijn veertien onderwerpen met bijzonder rijksbelang beschreven: 

Rijksvaarwegen;

Project mainportontwikkeling Rotterdam;

Kustfundament;

Grote rivieren;

Waddenzee en waddengebied;

Defensie;

Hoofdvaarwegen en landelijke spoorwegen;

Elektriciteitsvoorziening;

Buisleidingen van nationaal belang voor het vervoer van gevaarlijke stoffen;

Natuurnetwerk Nederland;

Primaire waterkeringen buiten het kustfundament;

IJsselmeergebied (uitbreidingsruimte);

Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarden;

Ruimtereservering parallelle Kaagbaan.

Conclusie Het initiatief valt niet onder een van de projecten uit het Barro. Door het initiatief zal eveneens geen nationaal belang worden geschaad. 3.1.3

Ladder voor duurzame verstedelijking

Nationaal belang 13, zoals geformuleerd in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte, vraagt om een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. Dit moet met behulp van de ladder voor duurzame verstedelijking worden onderbouwd. Deze verplichte toetsing is vastgelegd in het Barro. Het Barro verwijst naar het Bro; geformuleerd is dat deze toetsing een procesvereiste is bij alle nieuwe ruimtelijke besluiten en plannen ten aanzien van bijvoorbeeld kantoorlocaties en woningbouwlocaties. Gemotiveerd dient te worden hoe een zorgvuldige afweging is gemaakt ten aanzien van het ruimtegebruik. De kernbepaling van de Ladder, artikel 3.1.6 lid 2 Bro, luidt: De toelichting van een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan de voorgenomen stedelijke ontwikkeling. Indien blijkt dat de

Ruimtelijke onderbouwing – Weteringbrug – Huigsloterdijk 86

15

stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied kan worden voorzien, bevat de toelichting een motivering daarvan en een beschrijving van de mogelijkheid om in die behoefte te voorzien op de gekozen locatie buiten het bestaand stedelijk gebied. Om dit te onderbouwen dienen de volgende stappen te worden doorlopen: 1) beoordeling of beoogde ontwikkeling voorziet in een behoefte voor bedrijventerreinen, kantoren, woningbouwlocaties, detailhandel en andere stedelijke voorzieningen; 2) indien er een vraag is aangetoond, beoordeling of deze binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd door locaties voor herstructurering of transformatie te benutten. Stedelijke ontwikkeling Om aan deze verplichting uit de Bro te kunnen voldoen dient allereerst te worden nagegaan of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling. In het Bro is het begrip stedelijke ontwikkeling als volgt vastgelegd: 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.' Een ontwikkeling ten behoeve van een agrarische functie valt niet aan te merken als een nieuwe stedelijke ontwikkeling. De ladder voor duurzame verstedelijking hoeft niet te worden doorlopen. 3.2 3.2.1

Provinciaal beleid Omgevingsvisie NH2050 – Balans tussen economische groei en leefbaarheid

De structuurvisie van de provincie Noord-Holland heeft de titel ‘Omgevingsvisie NH2050 – Balans tussen economische groei en leefbaarheid’. Deze visie op het ruimtelijke beleid is vastgesteld door de Provinciale Staten op 19 november 2018. De ontwikkelprincipes die worden genoemd in de omgevingsvisie geven richting aan ontwikkeling in de leefomgeving in Noord-Holland. De leidende hoofdambitie is een balans tussen economische groei en leefbaarheid vinden. Een gezonde en veilige leefomgeving, die goed is voor mens, plant én dier, is een voorwaarde voor een goed economisch vestigingsklimaat. Tegelijkertijd is duurzame economische ontwikkeling een voorwaarde voor het kunnen investeren in een prettige leefomgeving. Er zijn acht urgente thema’s geformuleerd: klimaatverandering bedreigt de leefomgeving; bodem, water en luchtkwaliteit; biodiversiteit; economische transitie; energietransitie; mobiliteit; verstedelijking; en landschap. Voor de gewenste ontwikkeling zijn economische transitie en landschap relevante thema’s. Er zijn ambities opgesteld bij deze twee thema’s. Op het gebied van economische transitie is een duurzame economie, met innovatie als belangrijke motor. Er wordt daarom ruimte geboden aan de ontwikkeling van circulaire economie, duurzame landbouw, energietransitie en experimenten.

Voor het landschap geldt dat de unieke kwaliteiten van de diverse landschappen en cultuurhistorie worden benoemd, behouden en versterkt. Er dient te worden afgewogen op welke plek ruimtelijk-economische ontwikkeling ontwikkeld kunnen worden. Specifiek wordt benoemd dat de landbouw baat heeft bij innovatie om op lange termijn rendabel te kunnen blijven functioneren. De provincie biedt ruimte aan toekomstgericht en duurzaam ondernemerschap, inspelend op de maatschappelijke vraag en marktbehoeftes. De ambitie is de ontwikkeling van een toekomstbestendig agribusinesslandschap; een landschap waarin de agrarische

Ruimtelijke onderbouwing – Weteringbrug – Huigsloterdijk 86

16

keten optimaal functioneert en innoveert. Door de mogelijkheid te bieden aan de ontwikkeling van een schuur kan het bedrijf hun bedrijfsactiviteiten verbreden en op deze manier in de toekomst rendabel blijven. De agrifood-sector geeft steeds vaker invulling aan de gewenste balans. Om dit mogelijk te maken zijn kritische succesfactoren geformuleerd. Schaalvergroting is mogelijk, als die samengaat met economische, maatschappelijke en duurzame ontwikkeling. Ook wordt genoemd dat er door functiemenging kan worden bijgedragen aan een sterke economische sector. Dit wordt gedaan door naast de productie, ook verwerking van producten mogelijk te maken op de planlocatie door middel van de bouw van een nieuwe schuur. 3.2.2

Provinciale Ruimtelijke Verordening

De provinciale ruimtelijke verordening is vastgesteld op 27 mei 2019 door de Provinciale Staten. Hierin wordt genoemd dat voor een bestemmingsplan welke betrekking heeft op landelijk gebied het volgende geldt: agrarische bebouwing wordt geconcentreerd binnen het bouwperceel en omvat maximaal twee hectare. In afwijking hiervan kan een agrarisch bouwperceel een omvang van meer dan twee hectare hebben, mits de uitbreiding noodzakelijk is voor het primaire productieproces en de uitbreiding geen afbreuk doet aan de landschappelijke waarden van de omgeving. Conclusie Het plan is niet in strijd met het bepaalde in de provinciale ruimtelijke structuurvisie en de provinciale ruimtelijke verordening. Door een verbreding van de agrarische activiteiten blijft het agrarische bedrijf ook in de toekomst rendabel en levert het op deze manier een bijdrage aan de agrifoodbusiness in de provincie Noord-Holland. Bovendien draagt het bij aan het behoud van het landelijke karakter in een sterk verstedelijkt gebied. 3.3 3.3.1

Gemeentelijk beleid Structuurvisie Haarlemmermeer 2030

De structuurvisie van de gemeente Haarlemmermeer is vastgesteld door de gemeenteraad op 18 oktober 2012. Er worden belangrijke onderwerpen voor de toekomstige ontwikkeling van de gemeente in benoemd en besproken. In de toekomst wil de gemeente de bestaande diversiteit aan woon- en werkmilieus versterken. Haarlemmermeer ligt op het scharnierpunt van de noord- en de zuidvleugel van de Randstad en herbergt diverse knooppunten in de nationale en internationale infrastructuur. Hierdoor heeft de gemeente een sterke economische en ruimtelijke dynamiek. Er wordt onderkend dat de agrarische cultuur nog steeds belangrijk is en historisch diepgeworteld is. De kwaliteiten die dit biedt worden getracht te behouden. Om dit te doen wordt innovatie en transformatie van de agrarisch sector gestimuleerd. In de structuurvisie zijn vijf landschappen onderscheiden, waaronder een agrarisch landschap. De economische basis moet goed zijn met ruimte voor grootschalige en verbrede landbouw. Een agrarisch landschap is immers een productie landschap, waar op een economisch rendabele manier voedsel wordt geproduceerd. Het waterbeheer in dit landschap staat in dienst van het functionele gebruik. De grootschalige openheid en het droogmakerijlandschap vormen het blijvend herkenbare karakter in dit landschap.

In de open gebieden wordt zorgvuldig omgesprongen met cultuurhistorische waarden (boerderijen, grondgebruik, eendenkooi, linten) als dragers van de lokale agrarische identiteit. Er worden condities geschapen voor recreatief medegebruik, attractie van verbrede landbouw (zelf appels plukken, aardappels rooien, kamperen bij de boer, kinderpartijtje op het boerenerf), kleinschalige horeca, cultuurhistorie langs de linten, en routes en verbindingen voor

Ruimtelijke onderbouwing – Weteringbrug – Huigsloterdijk 86

17

langzaam verkeer door het land, over beheerpaden van functies als piekberging, waterlopen, windturbines, hoogspanningsleidingen. Om economisch rendabel te blijven stelt de initiatiefnemer dat het noodzakelijk is om een extra schuur te ontwikkelen, om ruimte creëren voor een verbreding van de agrarische bedrijfsactiviteiten. De gemeente stelt het volgende over ontwikkelruimte voor agrarische ondernemers: agrarische ondernemers hebben behoefte aan meer ontwikkelruimte op hun erven. Niet alleen, in het geval van schaalvergroting, voor grotere stallen en schuren, maar ook, in het geval van ketenverbreding, voor de verwerking van producten of nieuwe functies en, in het geval van ketenverdieping, voor bijvoorbeeld bio raffinage en energiewinning. De mogelijkheden die de gemeente biedt zijn afhankelijk van de Provinciale Ruimtelijke Verordening Structuurvisie Noord Holland, de ligging van het erf in de omgeving en de economische, maatschappelijke en ruimtelijke bijdrage van de ontwikkeling aan die omgeving. De ruimtelijke kaders worden vastgelegd in een nader uit te werken beeldkwaliteitsplan, de welstandsparagraaf bij het bestemmingsplan. Om meer ontwikkelruimte te kunnen bieden staat de gemeente in de toekomst voor schaal vergrotende bedrijven met een agrarische hoofdfunctie ook grotere bouwblokken toe.

Ook hier geldt dat daarbij wordt aangestuurd op beeldkwaliteit, zodat de vergroting van het bouwblok bijdraagt aan de ruimtelijke kwaliteit van het landschap. Bovendien is de maximale maatvoering geregeld in de Provinciaal Ruimtelijke Verordening. In de transformatiegebieden zullen de nevenfuncties van veel groter belang worden voor een gezonde agrarische bedrijfsvoering of in de plaats komen van de agrarische functie. Vooralsnog geldt dat de nevenfuncties de agrarische productie niet mogen hinderen maar in deze gebieden komt meer ruimte voor nevenfuncties in aard en omvang dan in de agrarische kerngebieden. Conclusie Het plan is niet in strijd met het gemeentelijk beleid. Het speelt juist in op de gemeentelijke doelstellingen en draagt hieraan bij, om ook in de toekomst een gezonde mix te behouden tussen stedelijk en agrarisch gebied. In een vervolgprocedure zal er nader worden ingegaan op de ruimtelijke kwaliteit.

Ruimtelijke onderbouwing – Weteringbrug – Huigsloterdijk 86

18

4 Uitvoeringsaspecten In dit hoofdstuk zullen de relevante uitvoeringsaspecten bij het plan worden besproken. Achtereenvolgens komen de aspecten ten aanzien van flora en fauna, archeologie en cultuurhistorie en de milieuaspecten aan bod. 4.1

Flora- en fauna

4.1.1

Wettelijk kader

Wet natuurbescherming Op 1 januari 2017 is de nieuwe Wet natuurbescherming in werking getreden. Deze wet heeft de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet vervangen. Het doel is om met één wet en minder regels de wet makkelijker te kunnen toepassen. Vanaf 1 januari 2017 bepalen de provincies wat wel en niet mag in de natuur in hun gebied. Ook zorgen de provincies vanaf deze datum voor vergunningen en ontheffingen. De Rijksoverheid blijft verantwoordelijk voor het beleid van grote wateren, zoals het IJsselmeer. De Wet natuurbescherming regelt de bescherming van Natura 2000-gebieden (voorheen geregeld in de Natuurbeschermingswet 1998). Ter bescherming van deze Natura 2000-gebieden voorziet de Wet natuurbescherming in een vergunningenregime voor het realiseren of verrichten van projecten en andere handelingen die de natuurlijke kenmerken van een aangewezen Natura 2000-gebied kunnen aantasten. Voorts voorziet de Wet natuurbescherming in de bescherming van planten- en diersoorten binnen en buiten de beschermde natuurgebieden (voorheen geregeld in de flora- en faunawet). Het uitgangspunt is dat beschermde planten- en diersoorten geen schade mogen ondervinden. Voor het uitvoeren van werkzaamheden in de openbare ruimte is het niet altijd nodig een vrijstelling of een ontheffing aan te vragen.

Voor onder andere reguliere werkzaamheden of ruimtelijke ontwikkelingen geldt een vrijstelling voor beschermde soorten op voorwaarde dat gehandeld wordt volgens een goedgekeurde gedragscode. Verder worden vrijstellingsregelingen op de nationaal beschermde soorten per provincie vastgesteld. Wanneer het onmogelijk is schade aan streng beschermde planten en dieren tijdens ruimtelijke ontwikkelingen en inrichting te voorkomen, moet altijd een ontheffing worden aangevraagd. De voorwaarden verbonden aan een vrijstelling of een ontheffing zijn afhankelijk van de status van de planten- en diersoorten die in het plangebied voorkomen. NNN Het Natuurnetwerk Nederland is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. In het NNN liggen onder andere bestaande natuurgebieden en alle Natura 2000gebieden. Het NNN is op provinciaal niveau uitgewerkt en middels ruimtelijke nota’s en verordeningen voorzien van juridische doorwerking. In sommige provincies bestaan er naast het NNN ook nog andere groene zones die een zekere mate van bescherming genieten.

Ruimtelijke onderbouwing – Weteringbrug – Huigsloterdijk 86

19

4.1.2

Effect te vergunnen activiteiten

Voorgenomen ontwikkeling kan mogelijk invloed hebben op ecologisch beschermde soorten. Er is daarom een verkennend veldonderzoek uitgevoerd op 20 mei 2020 door Ecoresult B.V. De belangrijkste conclusies zijn de volgende: -

Het verwijderen van de bestaande houtopstanden hoeft niet gemeld te worden, aangezien deze onder de uitzonderingsregel vallen;

-

Aanvullend onderzoek naar de huismus en gierzwaluw is niet nodig;

-

De omgeving van het plangebied is geschikt voor categorie 5 soorten vogels. Geschikt habitat is aanwezig voor spreeuw onder het golfplaten dak van de zuidoostelijk gelegen schuur. In dezen zijn er geen ecologische omstandigheden waardoor categorie 5 soorten in het plangebied jaarrond beschermd dienen te zijn. Tijdelijke schadelijke effecten door uitvoering van de werkzaamheden op bezette nesten zijn te voorkomen (in gebruik zijnde vogelnesten mogen in principe nooit worden verstoord) door buiten het broedseizoen te werken (buiten grofweg de periode 1 maart – 15 augustus). Werken binnen het broedseizoen is enkel mogelijk indien er geen bezette nesten worden verstoord. Indien er binnen het broedseizoen gewerkt wordt is voorafgaand aan de werkzaamheden een controle door een deskundig

-

ecoloog noodzakelijk; Het plangebied is ongeschikt voor vaste rust- en verblijfplaatsen voor vleermuizen. Negatieve effecten door aanwezige bouwverlichting kunnen wel optreden. Indien in de periode 1 november tot 15 maart tussen zonsondergang en zonsopkomst geen verlichting aanwezig is, zijn negatieve effecten uitgesloten.

De planlocatie zal in de periode 1 november tot 15 maart tussen zonsondergang en zonsopkomst niet worden verlicht. Derhalve zijn er geen negatieve effecten voor vleermuizen. Voorgenomen initiatief zal dan ook geen negatief effect hebben op de instandhoudingsdoelstellingen van het NNN. Tevens zal de ontwikkeling geen negatief effect hebben op beschermde soorten. Nader ecologisch onderzoek wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. Voorts geldt bij uitvoering van werkzaamheden ten allen tijde een de algemene zorgplicht (artikel 1.11 Wet natuurbescherming). Deze schrijft voor dat nadelige gevolgen voor flora en fauna zoveel als mogelijk voorkomen moeten worden. Dit betekent dat wanneer tijdens uitvoering van de werkzaamheden een algemeen beschermde soort als konijn, veldmuis of gewone pad wordt aangetroffen zij de ruimte en tijd moet krijgen om een veilig heenkomen te zoeken. Indien nodig kunnen aangetroffen exemplaren verplaatst worden naar een naastgelegen ruimte waar geen werkzaamheden uitgevoerd worden. 4.1.3

Stikstofdepositie

De Wet natuurbescherming regelt de bescherming van Natura 2000-gebieden. Om negatieve effecten op de gebieden te voorkomen is in deze wet een vergunningplicht opgenomen voor het vaststellen van plannen, projecten én voor vergunningverlening als die kunnen leiden tot een uitstoot van stikstofoxiden of ammoniak als gevolg van activiteiten in de aanleg- en gebruiksfase van het bouwwerk. Elke ruimtelijke ontwikkeling in of nabij een Natura 2000-geied moet worden onderworpen aan een ‘voortoets’ om te bepalen of plannen een significant verstorend of verslechterend effect hebben op instandhoudingsdoelen van het betreffende natuurgebied.

Ruimtelijke onderbouwing – Weteringbrug – Huigsloterdijk 86

20

Er is een berekening uitgevoerd met de AERIUS Calculator versie 2020 (uitgevoerd op 02-11-2020). Uit de berekening is gebleken dat de gewenste ontwikkeling geen negatief effect heeft op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebied. 4.1.4

Conclusie

Gelet op het vorenstaande kan worden geconcludeerd dat er vanuit de Flora- en faunaregelgeving geen beperkingen worden opgelegd aan onderhavig initiatief. 4.2

Cultuurhistorie en archeologie

4.2.1

Cultuurhistorie

Het pand kent geen aanduiding als rijks- of gemeentelijk monument en is niet aangemerkt als beeldbepalende pand in het geldende bestemmingsplan. Geconcludeerd kan worden dat met het plan geen schade wordt toegebracht aan bestaande cultuurhistorische panden of structuren. 4.2.2

Archeologie

Wettelijk kader Sinds 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht. Deze wet vervangt zes wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed: 1. Monumentenwet 1988 2. Wet verzelfstandiging rijksmuseale diensten 3. Wet tot behoud van cultuurbezit 4. Wet tot teruggave cultuurgoederen uit bezet gebied 5. Uitvoeringswet UNESCO -verdrag 1970 6. Regeling materieel beheer museale voorwerpen De Erfgoedwet hanteert de beschermingsniveaus zoals die in de gelden in de voorgaande regelingen. Voor de vergunningverlening van een beschermd archeologisch monument, het verbod tot beschadigen of vernielen van een rijksmonument en de bescherming van stads- en dorpsgezichten geldt dat de Monumentenwet 1988 van kracht blijft tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Deze regels blijven dus gelden en zijn ongewijzigd overgenomen in de Erfgoedwet. Doelstelling van de wetten is de bescherming en het behoud van archeologische waarden. Als gevolg van dit verdrag wordt in het kader van de ruimtelijke ordening het behoud van het archeologisch erfgoed meegewogen zoals alle andere belangen die bij de voorbereiding van het plan een rol spelen. De gehanteerde uitgangspunten zijn: 

archeologische waarden zoveel mogelijk in de bodem bewaren (behoud in situ);

in ruimtelijke ordening (planvorming) al rekening houden met archeologische waarden;

de bodemverstoorder betaalt archeologisch vooronderzoek en mogelijke opgravingen.

Gemeenten zijn verplicht om bij het vaststellen van bestemmingsplannen rekening te houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden. De projectlocatie heeft geen dubbelbestemming met betrekking tot archeologie. Voorts zijn op basis van deze wet mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Er geldt een meldingsplicht bij het vinden van (mogelijke) waardevolle zaken. Dat melden dient terstond te gebeuren.

Ruimtelijke onderbouwing – Weteringbrug – Huigsloterdijk 86

21

Conclusie De gewenste ontwikkeling vindt niet plaats op beschermd archeologisch gebied. Nader onderzoek in het kader van de archeologie is niet noodzakelijk. 4.3

Verkeer en parkeren

Het plangebied wordt ontsloten door de Huigsloterdijk. Door de ontwikkeling zal de verkeersgeneratie minimaal toenemen. Deze toename zal voornamelijk worden veroorzaakt door extra vrachtbewegingen om de geproduceerde goederen af te voeren. De toename is dusdanig minimaal dat er geen problemen worden verwacht met de verkeersafwikkeling. Er zal geen sprake zijn van een toename van de parkeerbehoefte. Voorts voorziet het eigen terrein in voldoende parkeermogelijkheden. Er is op het gebied van verkeer en parkeren geen belemmering voor het initiatief. 4.4

Luchtkwaliteit

4.4.1

Wettelijk kader

Wet milieubeheer Nederland heeft de Europese regels ten aanzien van de luchtkwaliteit geïmplementeerd in de Wet milieubeheer (Wm). De in deze wet gehanteerde normen gelden overal, met uitzondering van een arbeidsplaats (hierop is de Arbeidsomstandighedenwet van toepassing). Op 15 november 2007 is het onderdeel luchtkwaliteit van de Wm in werking getreden. In de Wet milieubeheer zijn onder andere regels en grenswaarden opgenomen voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. De Wet luchtkwaliteit (artikel 5.16, eerste lid, Wm) stelt dat ruimtelijke plannen doorgang kunnen vinden indien aan één van de onderstaande voorwaarden is voldaan: 

de plannen niet leiden tot het overschrijden van een grenswaarde;

de luchtkwaliteit tengevolge van de plannen (per saldo) verbetert of ten minste gelijk blijft;

de plannen niet in betekenende mate (NIBM) bijdragen aan de concentratie van NO2 en PM10 in de buitenlucht. Vanaf het in werking treden van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit op 1 augustus 2009 wordt onder een NIBM bijdrage een bijdrage van minder dan 3% van de grenswaarde verstaan;

het project is opgenomen of past binnen het Nationaal Samenwerkingsprogramma Lucht (NSL).

AMvB en Regeling niet in betekenende mate (NIBM) De Wet luchtkwaliteit maakt onderscheid tussen grote en kleine ruimtelijke projecten. Een project is klein als het slechts in geringe mate (ofwel niet in betekenende mate) leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. De grens ligt bij een toename van de NO2 en /of PM10 jaarconcentratie met maximaal 3% van de grenswaarden (of wel een toename van maximaal 1,2 μg/m3 NO2 en/of PM10). NIBM projecten kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Grotere projecten daarentegen kunnen worden opgenomen in het NSLprogramma, mits ook overtuigend wordt aangetoond dat de effecten van dat project worden weggenomen door maatregelen.

Ruimtelijke onderbouwing – Weteringbrug – Huigsloterdijk 86

22

De AMvB en Regeling “niet in betekenende mate” bevatten criteria waarmee kan worden bepaald of een project van een bepaalde omvang wel of niet als “in betekenende mate” moet worden beschouwd. Het betreft onder andere de onderstaande gevallen, waarbij een project als NIBM wordt beschouwd: 

Woningbouw: = 1500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg, en = 3000 woningen bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling.

Kantoorlocaties: = 100.000 m2 bruto vloeroppervlakte bij minimaal 1 ontsluitingsweg, en = 200.000 m2 bruto vloeroppervlakte bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling.

Woningbouw en kantoorlocaties: 0,0008*aantal woningen+ 0,000012*bruto vloeroppervlak kantoren in m2 = 1,2 bij één ontsluitingsweg en 0,0004*aantal woningen+ 0,000006*bruto vloeroppervlak kantoren in m2 = 1,2 bij één ontsluitingsweg.

Ook als het bevoegd gezag op een andere wijze, bijvoorbeeld door berekeningen, aannemelijk kan maken dat het geplande project NIBM bijdraagt, kan toetsing van de luchtkwaliteit achterwege blijven. Tevens is in artikel 5 van het Besluit NIBM een anticumulatie bepaling opgenomen, die zegt dat de effecten van beoogde ontwikkelingen in de omgeving van het plangebied moeten worden meegenomen in de beoordeling van het betreffende plan. Hiermee wordt voorkomen dat verschillende NIBM-projecten samen toch in betekenende mate bijdragen aan verslechtering van de luchtkwaliteit. 4.4.2

Onderzoek / beoordeling

Het initiatief kan, gezien de beperkte omvang, aangemerkt worden als een project dat niet in betekende mate van invloed is op de luchtkwaliteit. Toetsing van het aspect luchtkwaliteit is daardoor, op grond van artikel van de Regeling NIBM niet noodzakelijk. Er behoeft dus niet getoetst te worden aan de grenswaarden. 4.5

Bodemkwaliteit

4.5.1

Wettelijk kader

Het Besluit op de ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6) schrijft voor dat in het kader van een ruimtelijk planologische procedure moet worden aangetoond dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het gewenste nieuwe gebruik. De bodemkwaliteit kan (negatief) van invloed zijn op de gewenste nieuwe ontwikkeling. Indien sprake is van een functiewijziging zal er in veel gevallen een bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd op de planlocatie. Door middel van zo'n onderzoek kan in beeld worden gebracht of de bodemkwaliteit en de beoogde functie van het plangebied bij elkaar passen. 4.5.2

Onderzoek/beoordeling

Onderhavig initiatief betreft een wijziging naar van onbebouwde agrarische grond naar grond die wordt opgenomen binnen het bouwvlak. Ten aanzien van het initiatief zullen er graafwerkzaamheden worden uitgevoerd. De planologisch geldende functie van het pand betreft een milieugevoelige functie, aangezien hierbij meerdere personen voor langere tijd in de schuuraanwezig kunnen zijn. Op de locatie zijn geen bodemverontreinigingen bekend of bekende bodemverontreiniging die met spoed moeten worden gesaneerd.

locaties

van

ernstige

Er is op 13 mei 2020 een bodemonderzoek uitgevoerd door Buro Boot. De volledige rapportage is opgenomen als bijlage. De belangrijkste conclusies zijn de volgende:

Ruimtelijke onderbouwing – Weteringbrug – Huigsloterdijk 86

23

Het maaiveld bestaat tot circa 60 cm uit een halfverhardingslaag met recyclingspuin. Deze wordt, evenals de onderliggende bodem, niet asbestverdacht beschouwd;

De achtergrondwaarde-overschrijdingen (kobalt, nikkel, lood, zink, minerale olie, PAK en PCB) in grond geven vanuit de Wet bodembescherming geen noodzaak voor het uitvoeren van nader onderzoek en/of het treffen van sanerende maatregelen. De interventiewaarden worden niet overschreden;

4.5.3

De aangetoonde concentraties in de bodem vormen in milieuhygiënische zin geen belemmering voor de nieuwbouw van de loods het daarbij horend gebruik; Conclusie

Er zullen geen risico’s voor de volksgezondheid en het milieu aanwezig zijn met betrekking tot de voorgenomen activiteit op het onderhavige perceel. 4.6 4.6.1

Geluidhinder Wettelijk kader

Wegverkeer en railverkeer Langs alle (spoor)wegen – met uitzondering van 30 km/h-wegen en woonerven – bevinden zich op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) geluidszones waarbinnen de geluidshinder vanwege de (spoor)weg getoetst moet worden. De breedte van de geluidszone is afhankelijk van het aantal rijstroken/spoorstaven en van binnen- of buitenstedelijke ligging. Op basis van jurisprudentie dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening ook bij 30 km /h-wegen de aanvaardbaarheid van de geluidsbelasting te worden onderbouwd. Industrielawaai Gezoneerde industrieterreinen hebben een vaste geluidzone die wordt vastgelegd door middel van een bestemmingsplan. Buiten de geluidszone wordt de voorkeurswaarde van 50 dB(A) niet overschreden. De maximale ontheffingswaarde binnen de geluidszone bedraagt 55 dB(A) etmaalwaarde voor nieuwe situaties. In tegenstelling tot weg- en railverkeer wordt voor industrielawaai niet getoetst aan de Lden waarde maar aan de etmaalwaarde. De dosismaat Lden is voor wegverkeerslawaai en spoorweglawaai met ingang van 1 januari 2007 in de gewijzigde Wgh vastgelegd. Voor industrielawaai wordt Lden in het kader van de Wgh voorlopig niet ingevoerd. 4.6.2

Beoordeling/onderzoek

Schuren worden niet gezien als geluidsgevoelige functies in het kader van de Wgh. De projectlocatie is niet gelegen binnen een geluidzone van een industrieterrein. 4.6.3

Conclusie

Een akoestisch onderzoek is niet benodigd voor de realisatie van de schuur. 4.7 4.7.1

Bedrijven en milieuzonering Wettelijk kader

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stelt zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en

Ruimtelijke onderbouwing – Weteringbrug – Huigsloterdijk 86

24

recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: 

het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies;

het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.

Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is. Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten is mede afhankelijk van het omgevingstype. De richtafstanden van de onderstaande richtafstandenlijst gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk' dan wel 'gemengd gebied’.

De omgeving van het plangebied kan, gelet op de ligging aan de Huigsloterdijk 86 te Weteringbrug met de afwisseling van functies zoals wonen, agrarisch en bedrijf, worden gekarakteriseerd als gemengd gebied. Milieucategorie Richtafstand tot omgevingstype rustige woonwijk Richtafstand tot omgevingstype en rustig buitengebied gemengd gebied 1

10 m

0m

2

30 m

10 m

3.1

50 m

30 m

3.2

100 m

50 m

4.1

200 m

100 m

4.2

300 m

200 m

5.1

500 m

300 m

5.2

700 m

500 m

5.3

1.000 m

700 m

6

1.500 m

1.000 m

Richtafstanden en omgevingstype

Hiernaast gelden ten aanzien van bedrijven die onder de werkingssfeer van de Wet milieubeheer vallen, deze Wet en haar uitvoeringsbesluiten als toetsingskader voor de toegestane bedrijfshinder.

Ruimtelijke onderbouwing – Weteringbrug – Huigsloterdijk 86

25

4.7.2

Onderzoek/beoordeling

Voor onderhavig project dient te worden getoetst of de nieuwe functie mogelijk belemmeringen veroorzaakt voor bestaande functies in de omgeving en of de nieuwe functie mogelijk belemmeringen ondervindt als gevolg van de milieuhinder van naburige bedrijven en/of bedrijvigheid. De bedrijfsactiviteiten die zullen plaatsvinden in de schuur zullen behoren tot categorie 2 (Akkerbouw en fruitteelt, VNG-brochure bedrijven en milieuzonering, 2009). De grootste richtastand hierbij is 30 meter in rustig gebied, en 10 meter in gemengd gebied. De dichtstbijzijnde woning bevindt zich op een afstand van ruim 40 meter van de te realiseren schuur. Geconcludeerd wordt dat het aspect bedrijven en milieuzonering de uitvoerbaarheid van het plan niet in de weg staat. Het toestaan van het bouwen buiten het bouwvlak leidt niet tot overlast voor de omgeving en zorgt ervoor dat activiteiten binnen plaats kunnen vinden in plaats van in de buitenlast. 4.7.3

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Haarlemmermeer&id=1913b037-54e2-4f69-accc-7ff026e00421