2021.0001380 b7 achtergrondrapport landbouwperspectieven.pdf
Tekst van het document
Landbouwperspectieven voor PARK21
projectnummer 0417636.107 definitief 23 april 2021
Landbouwperspectieven voor PARK21
projectnummer 0417636.107 definitief 23 april 2021
Auteurs C.G. van Dam J.J. Verhoeven P.J. Verhoeven
Opdrachtgever Gemeente Haarlemmermeer Raadhuisplein 1 2131 TX Hoofddorp
datum vrijgave 23‐04‐2021
beschrijving revisie versie voorontwerp
gecontroleerd A.C. Oerlemans
vrijgave J.J. Verhoeven
Inhoudsopgave
Blz.
1
Inleiding
1
1.1 1.2 1.3
Aanleiding Plangebied Leeswijzer
1 2 3
2
Landbouw in de gemeente Haarlemmermeer
4
2.1 2.2
Landbouwbeleid Huidige situatie landbouw
4 8
3
Het landelijk perspectief op duurzame landbouw
10
3.1 3.2 3.3 3.4 3.5
Inleiding Uitdagingen landbouw Kringlooplandbouw Biologische landbouw Belemmeringen voor biologische landbouw
10 10 13 18 20
4
Duurzame landbouw in PARK21
21
4.1 4.2
Huidige situatie Bijdrage PARK21 aan behalen duurzame landbouw
21 21
5
Bedrijfsstrategieën voor de landbouw
25
5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6
(Vervroegd) beëindigen Schaalvergroting Intensiveren Waardecreatie Werkzaamheden buiten het bedrijf Verbreding
25 26 26 27 28 29
6
Conclusies en aanbevelingen
35
6.1 6.2 6.3
Aanbevelingen duurzame landbouw Aanbevelingen bedrijfsstrategieën Vrijwilligheid en perspectief
35 36 40
Bronnen
41
Landbouwperspectieven voor PARK21 projectnummer 0417636.107 23 april 2021 Gemeente Haarlemmermeer
1
Inleiding
1.1
Aanleiding Gemeente Haarlemmermeer werkt aan de ontwikkeling van PARK21: een park voor iedereen, met ruimte voor sport, recreatie, ontspanning, groen en landbouw. Het park met een omvang van 1.000 hectare ligt tussen Hoofddorp en Nieuw-Vennep en wordt een groot en gevarieerd parklandschap, openbaar toegankelijk voor publiek. Er is ruimte voor activiteiten bij de boer, allerlei soorten sport en spel, cultuur, ontspanning, een recreatieplas, groen en weides, wandel- fiets- en skatepaden, horeca, evenementen en dagrecreatie. PARK21 wordt een park voor mensen uit Haarlemmermeer, de regio en verder. Het wordt het groene hart van Haarlemmermeer. Het park wordt opgebouwd uit drie lagen: de polderlaag, de parklaag en de leisurelaag. De lagen vullen elkaar aan, lopen in elkaar over, maar verschillen ook duidelijk. • De polderlaag houdt het bestaande open polderlandschap met zijn linten zichtbaar en herkenbaar, het verankert het park in de cultuurhistorie. Tevens biedt het ruimte voor transformatie naar kringlooplandbouw en verbrede stadslandbouw. • De parklaag is een toegankelijke recreatieve groenstructuur die zorgt voor samenhang en verbinding in PARK21.
Hier ligt het recreatieve netwerk van wandel-, fiets-, skate- en ruiterpaden en is ruimte voor sport, spel en voorzieningen, maar vormt ook de groen/blauwe verbinding die gelegd wordt tussen gebieden en draagt bij aan de biodiversiteit. • De leisurelaag biedt (commerciële) duurzame educatieve en/of recreatieve voorzieningen. Deze voorzieningen worden landschappelijk ingepast in de groene omgeving en versterken, verbreden en vergroten de Parklaag. De landbouw is in zowel de huidige als de toekomstige situatie een belangrijke sector in het plangebied en in de gemeente Haarlemmermeer. In dit achtergrondrapport “Landbouwperspectieven voor PARK21” is nader ingegaan op de wijze waarop de sector ook op de lange termijn een belangrijke plek kan behouden. Dit is in lijn met de doelstellingen van PARK21, waaronder die voor de polderlaag: De Polderlaag biedt perspectief voor transitie van de landbouw zodat de landbouwsector in PARK21 ook op de lange termijn een belangrijke plek kan behouden. • Met landbouw die past binnen het landschap en de hoofddoelstelling van PARK21.
• Die individuele bedrijven de mogelijkheid biedt te transformeren en verbreden naar toekomstbestendige vormen van landbouw, zoals, maar niet uitsluitend: o kringlooplandbouw, waarbij ook PARK21 in zijn volle brede versterkt wordt door relaties aan te gaan op gebied van bijvoorbeeld ecologie en beleving; o verbrede (stads)landbouw die een bijdrage levert aan de voedselopgave in de stedelijke context en welke gebruik maakt van duurzame productiemethoden (bijvoorbeeld door implementatie van het VDS); o door de verbinding te zoeken met de recreatieve en/of educatieve doelstellingen van PARK21 en/of met de innovatieve en educatieve opgave van de regionale landbouw, waarbij een bijdrage wordt geleverd aan de sustainable development goals (belangrijkste afgeleiden daarvan behorende bij de gebiedsdoelstellingen) en waarop gemeente toetst aan een minimale ondergrens die we middels dit MER en navolgend bestemmingsplan verdiepen en verankeren;
Blad 1 van 44
Landbouwperspectieven voor PARK21 projectnummer 0417636.107 23 april 2021 Gemeente Haarlemmermeer
•
•
1.2
Onder voorwaarde dat het unieke karakter van onder andere de polderlinten wordt behouden en geen afbreuk wordt gedaan aan de overige doelstellingen van PARK21 en de Omgevingsvisie Haarlemmermeer. Zodat een bijdrage wordt geleverd aan de sociale en economische vitaliteit op het platteland, inclusief cultuurhistorie, het behoud of de versterking van de identiteit van de Haarlemmermeer en de Duin- en Bollenstreek, educatie, recreatie, zorg, innovatie etc.
Plangebied Het plangebied voor PARK21 (ca. duizend hectare) ligt tussen Hoofddorp en Nieuw-Vennep. Het gebied wordt aan de zuidzijde begrensd door de Noordelijke Randweg, aan de oostzijde door de A4, aan de noordzijde door de Bennebroekerweg en aan de westzijde door de Drie Merenweg. Het gebied is ingedeeld in zes zones, die op onderstaande figuur zijn aangeduid. Een gedeelte van zone 1 en 2 is reeds gerealiseerd.
Figuur 1. Plangebied PARK21
PARK21 is nu vooral een agrarisch gebied, gekenmerkt door (grootschalige) agrarische productie. De transformatie van dit gebied met behoud van de openheid en cultuurhistorische waarden is een belangrijke opgave bij de ontwikkeling van het park. Verbrede landbouw is een kernthema. Agrarische bedrijvigheid is in de gemeente lange tijd de belangrijkste economische basis geweest. Er vond en vindt een verschuiving plaats. Haarlemmermeer is de laatste dertig jaar snel verstedelijkt, het ruimtegebruik geïntensiveerd. Daardoor en door de veranderingen in de markt is de agrarische bedrijfsvoering steeds verder onder druk komen te staan. Om deze ontwikkelingen en de daarmee gepaard gaande verstedelijkingsdruk op het gebied hoofd te bieden speelt de landbouwsector hierop in door, hetzij via verdere schaalvergroting en verlaging van de kostprijs, hetzij via verbreding van de klassieke landbouwactiviteiten. Over het algemeen is de agrarische sector in het gebied gezond te noemen. Met PARK21 wordt er een groot en gevarieerd landschap gemaakt om te recreëren, te verblijven en te ondernemen, voor nu en in de toekomst. Het aantal inwoners van de gemeente Haarlemmermeer neemt toe; en hierdoor is ook meer behoefte aan recreatie gebieden. PARK21 sluit aan bij deze behoefte van inwoners.
Het is de nieuwe achtertuin voor de bewoners, maar ook het groene hart van Haarlemmermeer, een bijzondere schakel in de regionale groenstructuur, een nieuw landschap, een manier om Haarlemmermeer en haar cultuurhistorie méér gezicht te geven.
Blad 2 van 44
Landbouwperspectieven voor PARK21 projectnummer 0417636.107 23 april 2021 Gemeente Haarlemmermeer
PARK21 is ook bijzonder door de combinatie van 2/3 openbaar recreatiegebied met 1/3 landbouw areaal waarbij de landbouw en recreatie functie elkaar versterken. De gemeente ontwikkelt het park niet alleen, maar juist met inwoners, ondernemers, agrariërs en initiatiefnemers. De ambitie van PARK21 is om een grootschalig groen- en recreatiegebied in Haarlemmermeer te realiseren waarbinnen de landbouw een volwaardige plaats krijgt. Om de bijdrage van de landbouw aan PARK21 vorm te geven, is het voorwaardelijk dat agrariërs vrijwillig transformeren naar andere bedrijfsstrategieën. De gemeente wil ruimte geven aan de agrarische sector in Haarlemmermeer door innovatie zowel in de gebieden waar grootschalige productie gehandhaafd wordt, als in gebieden waar het accent ligt op de introductie en vormgeving van multifunctionele landbouw. In PARK21 staat verbreding en productvernieuwing voorop. In voorliggende verkenning wordt ingegaan op de huidige situatie van de agrarische sector in PARK21 en worden mogelijkheden voor agrarische transformatie verkent om daarmee een beeld te schetsen van het perspectief. Dit perspectief wordt aan agrariërs binnen PARK21 voorgelegd om te verkennen of zij het perspectief, naast hun huidige bedrijfsvoering, herkennen.
Tot slot wordt dit stuk als input gebruikt voor het Milieu Effect Rapport, met als doel vertaald te worden in het bestemmingsplan waarbinnen het perspectief behorende bij de transformatie zo concreet mogelijk meegenomen wordt.
1.3
Leeswijzer Dit rapport gaat in op de huidige landbouw situatie in het plangebied voor PARK21 en verkent mogelijke perspectieven voor landbouw in PARK21. • Hoofdstuk 2 behandelt de huidige landbouw situatie in PARK21; en gaat kort in op het huidige landbouw beleid. • Hoofdstuk 3 verkent het landelijk perspectief op duurzame landbouw. Er wordt ingegaan op verschillende uitdagingen voor de landbouw; waarna zowel kringlooplandbouw als biologische landbouw worden uitgewerkt als mogelijke antwoorden op deze uitdagingen. • In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op het implementeren van duurzame landbouw in PARK21. • Hoofdstuk 5 focust op verschillende mogelijke bedrijfsstrategieën van agrariërs en hoe deze beïnvloed worden met de ontwikkeling van PARK21. • In de conclusie wordt de informatie uit dit rapport samengebracht om aanbevelingen voor verdere stappen te geven.
Blad 3 van 44
Landbouwperspectieven voor PARK21 projectnummer 0417636.107 23 april 2021 Gemeente Haarlemmermeer
2
Landbouw in de gemeente Haarlemmermeer Dit hoofdstuk gaat in op het landbouwbeleid op verschillende bestuurlijke niveaus; en geeft een kort overzicht van de huidige landbouw situatie in de gemeente Haarlemmermeer.
2.1
Landbouwbeleid Europees beleid Het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) heeft drie speerpunten: inkomenssteun, plattelandsontwikkeling en marktregulering. Het beleid heeft op deze manier tot doel om landbouw in Europa zowel efficiënter als duurzamer te maken. Het toekomstig GLB moet specifiek bijdragen aan: Voedselzekerheid door gebruik van moderne technieken. Het behalen van doelstellingen van Europa op andere gebieden, zoals milieu, klimaat en efficiënt gebruik van hulpbronnen. Ondersteuning van plattelandsgebieden m.b.t. het sociale en economische leven. Het verzekeren van veilig, betaalbaar, voedzaam en gevarieerd voedsel van hoge kwaliteit. Rijksbeleid Het omvormen van het huidige landbouwsysteem tot kringlooplandbouw biedt perspectief voor het omgaan met verschillende uitdagingen waarmee de Nederlandse agrarische sector geconfronteerd wordt. Onder kringlooplandbouw verstaat de minister van LNV een omschakeling van een systeem dat gericht is op een voortdurende verlaging van de kostprijs van producten naar een systeem dat streeft naar een voortdurende verlaging van het verbruik van grondstoffen en een zorgvuldig beheer van bodem, water en natuur.
Kringlooplandbouw is daarmee niet het antwoord op slechts één probleem, maar op een palet aan problemen en uitdagingen in het landbouwsysteem zoals: verduurzaming van de landbouw; versterking van de positie van de boer in de keten; vertrouwen in de voedselproductie; synergie tussen landbouw en biodiversiteit; aanpassing aan klimaatverandering; tegengaan van voedselverspilling; reductie van CO2 en andere broeikasgassen; dierenwelzijn of eindigheid grondstoffen. Binnen de omslag naar kringlooplandbouw heeft de consument ook een belangrijke rol. Een toename van bewustwording bij consumenten welke daardoor bereid zijn om een eerlijke prijs te betalen voor hun voedsel zorgt ervoor dat producenten beter in staat zijn om een goed inkomen te genereren. Provinciaal beleid De voedselproducenten in Noord-Holland hebben baat bij een gezond economisch toekomstperspectief om op de lange termijn rendabel te kunnen produceren. Uit ecologisch oogpunt is de transitie van het voedselsysteem ook voordelig voor bodem, water en biodiversiteit. Doel van het provinciaal landbouwbeleid is om via kringlooplandbouw de volgende doelen te realiseren binnen de provincie Noord-Holland: • Economie: De agrarisch ondernemers in de voedselketen hebben een economisch gezond en toekomstbestendig bedrijfsperspectief.
• Ecologie: De grondgebonden agrarische bedrijfsvoering draagt bij aan ecosysteemdiensten, klimaatadaptie en het reduceren van emissies, (bodem-) biodiversiteit en dierenwelzijn. • Ruimte: Er is voldoende ruimte voor voedselproductie in een toekomstbestendig
Blad 4 van 44
Landbouwperspectieven voor PARK21 projectnummer 0417636.107 23 april 2021 Gemeente Haarlemmermeer
•
landschap. Sociaal: Er is in 2030 meer maatschappelijke waardering (ook financieel) voor de agrarische sector door de wisselwerking tussen boer en burger; stad en platteland en bewustwording van de effecten van voedselproductie op de omgeving.
De provincie stelt in de omgevingsvisie NH2050 (vastgesteld 19 november 2018) verschillende doelen welke relevant zijn voor landbouw in PARK21: Nieuwe ontwikkelingen zijn zo veel mogelijk natuurinclusief Natuurinclusiviteit heeft verschillende vormen. Deze zijn afhankelijk van de functies welke een gebied heeft. Voor landbouw kan gedacht worden aan de natuurlijke manier waarop plagen bestreden kunnen worden, circulaire landbouw en ruimte bieden voor natuur. Ecologische verbindingen worden behouden en aangevuld, met oog op robuuster maken van het ecologisch systeem in de kustgebieden, inclusief de grote wateren Als randvoorwaarde voor deze ambitie wordt gesteld dat het IJsselmeer ingezet kan worden als een zoetwatervoorraad voor o.a. de landbouw. Versterken van het landschap als onderdeel van het metropolitaan systeem Het buitengebied biedt ruimte aan verschillende soorten landschappen. De provincie wil de cultuurhistorische en recreatieve waarden van deze landschappen behouden. Daarbij moet wel oog zijn op de rol welke de ruimte speelt voor voedselproductie. Natuurlijke processen zijn richtinggevend voor inrichting en beheer van nieuwe en bestaande natuurgebieden De provincie streeft naar gebieden waar functies zoals natuur, water, recreatie en landbouw bij elkaar komen.
Landbouw draagt hierbij bij aan de kwaliteit van de omgeving door minder emissies van bestrijdings- en bemestingsmiddelen naar omliggende gebieden. Om een robuust ecosysteem te realiseren worden verbindingen tussen natuurgebieden verbeterd en functies slim gepositioneerd Het combineren van agrarisch natuurbeheer rondom natuurgebieden kan bijdragen aan robuustere verbindingen tussen natuurgebieden. De Voedselvisie 2020-2030 gaat in op de transitie van het huidige voedselsysteem. De provincie zet voor de agrarische sector o.a. in op: Regeneratieve landbouw: voedselproductie met oog voor een duurzame leefomgeving Kringlooplandbouw: het in kaart brengen van reststromen om mogelijkheden te vinden om deze reststromen te verbinden. Korte ketens Biologische of mechanische gewasbescherming, waarbij ook aandacht is voor de rol welke pachtbeleid hiervoor kan spelen Het samenbrengen van stad en platteland Voor het sluiten van kringlopen is niet alleen de inzet van de agrarische sector van belang. Er is een rol weggelegd voor de logistieke sector, de verwerkings- en levensmiddelen industrie, marketing sector, de retail en detailhandel, de consumenten, afvalverwerkers; hergebruikers van voedselgrondstoffen en partijen welke toeleverende diensten leveren.
MRA (metropoolregio Amsterdam) beleid De MRA (metropoolregio Amsterdam) erkent in het Actieprogramma Metropolitaan Landschap 2016-2020 dat landbouw door haar belevingswaarde bijdraagt aan het karakteristieke landschap
Blad 5 van 44
Landbouwperspectieven voor PARK21 projectnummer 0417636.107 23 april 2021 Gemeente Haarlemmermeer
in de metropool. Ook wordt bedreiging door modernisatie gesignaleerd. De MRA streeft naar een type landbouw welke bijdraagt aan het culturele landschap en ook rendabel is voor agrariërs. In het manifest ‘landbouw en landschap’ wordt ingegaan op de relatie tussen de landbouw en het landschap. Er wordt erkend dat er zeker uitdagingen zijn waarmee de landbouw in de regio geconfronteerd wordt, maar er wordt ook gewezen op de bijdrage welke landbouw in de regio geeft aan landschappelijke kwaliteit, natuurwaarden en de kwaliteit van de producten welke worden geleverd. Het volgende beeld wordt voor landbouw in 2040 geschetst: Door veranderingen in beheer is er een hogere biodiversiteit en betere bodem- en waterkwaliteit. Er zijn aantrekkelijke verdienmodellen opgesteld welke groen ondernemerschap stimuleren. De functies welke de agrarische sector levert aan de basiskwaliteit van de omgeving en welke niet door marktwerking teruggekoppeld kunnen worden aan de prijs van producten worden door de overheid ondervangen. Door lokale voedselproductie wordt er ingezet op het verbinden van stad en land. In de komende jaren wordt daarom onder andere ingezet op meer grondgebondenheid van bedrijven; het reduceren van soja-import voor diervoeding; vermindering van bestrijdingsmiddelgebruik; het inzetten op verbreding van de landbouw en de creatie van korte ketens.
Gemeentelijk beleid Naar de toekomst toe worden er verschillende uitdagingen en verwachtingen voor de landbouwsector benoemd in de omgevingsvisie (70 % conceptversie) van de gemeente Haarlemmermeer. De uitdagingen waarmee landbouw in de gemeente geconfronteerd wordt, zijn: Bedrijfsomstandigheden (opvolging) Droogte en de samenhangende verzilting door zoute kwel De afname van waterkwaliteit o.a. door de afspoeling van bemesting en bestrijdingsmiddelen van de landbouw Biodiversiteitsafname Stikstof Naar de toekomst zijn er ook verwachtingen over de weg welke landbouw in kan slaan. Door robotisering en mechanisatie zijn lichtere machines mogelijk. Hierop kan de grondwaterstand aangepast worden. De implementatie van natuur inclusieve landbouw ter bevordering van biodiversiteit De implementatie van kringloop- en precisielandbouw vermindert het gebruik van bestrijdingsmiddelen en zorgt voor een toename van bodemkwaliteit. Overstap naar milieuvriendelijke bestrijdingsmiddelen. Voor de agrarische sector heeft de gemeente Haarlemmermeer een koers zettend document, “De agrarische sector in perspectief”, opgesteld om samenwerking met deze sector te faciliteren. Naast het streven naar het ontwikkelen van de economische en productie van de landbouw in de gemeente, is er ook expliciet aandacht voor de maatschappelijke en landschappelijke waarden waar de landbouw aan bijdraagt.
De agrarische sector benoemt verschillende wensen: 1. Planologische zekerheid en rechtszekerheid is belangrijk voor de keuze van een bepaalde bedrijfsstrategie. De agrarische sector verzoekt daarom o.a. om een vermindering van planologische onduidelijkheid; een verbreding van de juridische definitie van de agrarische bestemming t.b.v. verbredingsactiviteiten; het tijdig
Blad 6 van 44
Landbouwperspectieven voor PARK21 projectnummer 0417636.107 23 april 2021 Gemeente Haarlemmermeer
betrekken van agrariërs bij planvorming en het meenemen van wateropslag in planvorming in stedelijk gebied. 2. De agrarische sector verzoekt dat verschillende aspecten van grondverwerving aangepast worden. Deze aspecten hebben o.a. betrekking op: actief overleg over vrijkomende gronden; het pachtbeleid van de gemeente en de waarde van agrarische gronden. 3. De agrarische verzoekt ook om een verbetering van de begeleiding of ondersteuning van processen. Twee specifiekere uitwerkingen hiervan zijn het in kaart brengen van wellen en het aanstellen van een onafhankelijke gebiedscoördinator en één contactpersoon/loket voor vragen. 4. Ondernemers moeten zelf hun bedrijfsstrategie kunnen kiezen onafhankelijk van het soort landbouwgebied waarin zij zijn gevestigd. 5. Herwaardering van het akkerbouwlandschap en versnippering en verrommeling van landbouwareaal tegengaan door percelen niet te laten doorkruisen met nieuwe infrastructurele lijnen (wegen, hoogspanning, ov, etc.) Om de landbouw te faciliteren wil de gemeente op een aantal beleidsterreinen in gesprek blijven met de agrarische sector: op het gebied van planologie, bereikbaarheid, recreatie, zorg, water en kennisdelen. In de structuurvisie Haarlemmermeer 2030 wordt de verwachting uitgedrukt dat het landbouwareaal en het aantal agrarische bedrijven verder zal afnemen.
Deze afname betekent niet dat landbouw geen belangrijke plek in het landschap van de gemeente Haarlemmermeer heeft. De economische, landschappelijk en culturele waarden van de landbouw worden ook naar de toekomst toe ruimte gegeven om te floreren. Belangrijke punten waarop de gemeente actie onderneemt, zijn: Bereikbaarheid van agrarische percelen. De regie van grondgebruik door gronden in transformatie te verpachten en kavelruil te promoten. Ontwikkelruimte te creëren voor agrariërs voor ketenverbreding en -verdieping. Een rol te spelen in de aanpak van verzilting. Proeftuinen voor innovatieve landbouwtechnieken te faciliteren. De agrarische sector kan bijdragen aan verschillende doelen welke de gemeente ziet voor het landelijk gebied: De rol van landbouw voor de gemeenschap door verbreding (bijv. recreatie en educatie). Beheer van de open ruimte als de belangrijkste beheerder. Het bevorderen en behouden van ruimtelijke kwaliteit. Gronden in de gemeente Haarlemmermeer worden voor de korte termijn verpacht onder een geliberaliseerd pachtcontract. In het pachtbeleid beschrijft de gemeente Haarlemmermeer gebruiksvoorwaarden en selectiecriteria voor het pachten van gemeentelijke agrarische percelen.
In de gebruiksvoorwaarden voor bouwland is vastgelegd dat agrariërs verplicht zijn om een bouwplan in te dienen (wisselteelt) en om de buitenranden van akkers in te zaaien met een inheems kruidenmengsel. Voor zowel akkerlanden als graslanden is gebruik van bestrijdingsmiddelen en bemesting toegestaan. De gronden mogen niet gescheurd worden, tenzij de gemeente hiervoor toestemming heeft gegeven.
Blad 7 van 44
Landbouwperspectieven voor PARK21 projectnummer 0417636.107 23 april 2021 Gemeente Haarlemmermeer
Waterschapsbeleid Er liggen vanwege de toenemende verzilting en de klimaatverandering (meer droogte resp. natte perioden, dus meer extremen in het weer) ideeën en plannen voor verandering van het watersysteem. Inzet van het Hoogheemraadschap (HHR) - in overleg met de gemeente, provincie en anderen - is op het handhaven van de teeltmogelijkheden voor diverse gewassen door de landen tuinbouw. Het toepassen van een flexibel peil - het Verbeterd Droogmakerij Systeem (VDS) – is één van de doelstellingen van het Hoogheemraadschap. Het HHR wil dit systeem in de park- en leisurelaag doorvoeren (in het MER is hier een analyse voor opgenomen). In de polderlaag (waar de agrarische activiteiten plaatsvinden) kan op vrijwillige basis aangesloten worden op dit systeem.
2.2
Huidige situatie landbouw De gemeente Haarlemmermeer is van oudsher een gebied met een agrarische functie. Over de afgelopen decennia zijn het aantal agrarische bedrijven en het agrarische areaal afgenomen. In 2000 telde de gemeente Haarlemmermeer 530 landbouwbedrijven. Tussen 2000 en 2010 was er een afname van 199 bedrijven. In 2018 waren er 225 landbouwbedrijven over. Nederland-breed was het aantal landbouwbedrijven in 2018 afgenomen met 45 procent t.o.v. 2000. In de gemeente Haarlemmermeer was deze afname 57 procent. In de gemeente Haarlemmermeer neemt het aantal bedrijven dus sneller af dan in de rest van Nederland. In 2020 was ongeveer 8426 hectare, 41 procent, van de gemeente Haarlemmermeer in gebruik voor landbouw (CBS). In 2000 was dit nog bijna 11600 hectare, 56 procent. In heel Nederland is het landbouwareaal afgenomen met 7,6 procent in 2018 t.o.v. 2000. In de gemeente Haarlemmermeer was deze afname 23 procent. Ook hier geldt dat het areaal in de Haarlemmermeer sneller afneemt dan in de rest van Nederland. De druk op de ruimte in de gemeente Haarlemmermeer is groot. De land- (en tuin)bouw in een gebied, zoals van PARK21, heeft een duidelijke economische betekenis in de vorm van de bijdrage aan het nationaal inkomen (toegevoegde waarde) en aan de werkgelegenheid.
Figuur 2.1: Werkgelegenheid binnen de agrarische bedrijven binnen PARK21, Bron PBL
Tabel 3.1 toont een overzicht van de kenmerken van bedrijven welke aanwezig zijn in het plangebied van PARK21. Het grootste aandeel, bijna 70 procent, van de agrarische bedrijven zijn akkerbouwers. Daarnaast zijn er enkele bloemen- (14 procent) en paardenbedrijven (11 procent). Ook bevindt zich 1 melkveehouderij en 1 veevoerbedrijf in PARK21. De grootte van de bedrijven loopt sterk uiteen binnen PARK21. De omvang van een gemiddeld bedrijf binnen PARK21 lijkt achter te blijven bij het landelijk gemiddelde voor akkerbouwbedrijven. Enkele bedrijven hebben
Blad 8 van 44
Landbouwperspectieven voor PARK21 projectnummer 0417636.107 23 april 2021 Gemeente Haarlemmermeer
echter ook gronden buiten PARK21. Als deze gronden meegenomen worden, blijven de bedrijven niet achter bij het Nederlands gemiddelde. De leeftijd van de agrarisch ondernemers loopt uiteen. In de tabel is de jongste leeftijd opgenomen welke binnen de maatschap vertegenwoordigd is. Hierdoor is er een mogelijk verband te leggen bij bedrijven met een hoge leeftijd en de indicatieve verwachting van bedrijfsopvolging. Wanneer de leeftijd hoog is, is er nog geen bedrijfsopvolging in het bedrijf aanwezig. Tabel 2.1 Indicatief overzicht van aanwezige bedrijven en bedrijfsinformatie binnen PARK21
Akkerbouw Bl oemen (deel s al s gemendgd) Veeteel t (mel kkoei en) Paarden (deel s al s gemengd) overi g (veevoer)
omvang: met boerderi j aantal : i n PARK21: ha (totaal ): ha/ bedri jf: 19 16 560 29 4 4 55 14 1 1 30 30 3 3 45 15 1 1 40 40
Blad 9 van 44
gronden bui ten PARK21:
l eefti jd gem. l eefti jd per bedri jf 9 45-50 50-55 55-60 45-50 35-40
20-30 30-40 40-50 50-60 1 4 1 5 2 1 1 3 1
opvol gi ng bekend? >60 2 1
ja nee onbekend 7 5 7 1 3 1 2 1 1
Landbouwperspectieven voor PARK21 projectnummer 0417636.107 23 april 2021 Gemeente Haarlemmermeer
3
Het landelijk perspectief op duurzame landbouw
3.1
Inleiding Nederland staat wereldwijd bekend om haar efficiënte en innovatieve land- en tuinbouw en haar hoogwaardige landbouwproducten, -kennis en -instellingen. Het huidige landbouwsysteem, de manier van voedsel produceren, distribueren, verwerken en consumeren, leidt in toenemende mate tot maatschappelijke discussie, omdat het milieu, de bodem, de omgeving, onze gezondheid en het verdienmodel van de agrarisch ondernemer onder druk komen te staan. Om deze redenen wordt er ingezet op een verandering van het landbouwsysteem. Dit hoofdstuk gaat eerst kort in op de uitdagingen waarmee het huidige landbouwsysteem geconfronteerd wordt, om daarna twee manieren waarop het systeem veranderd kan worden, kringlooplandbouw en biologische landbouw, verder uit te werken.
3.2
Uitdagingen landbouw De uitdagingen waarop wordt ingegaan in deze sectie zijn opvolging, klimaat- en omgevingseffecten en het agrarisch verdienmodel.
3.2.1
Opvolging Één van de belangrijkste uitdagingen is de vergrijzing van de agrarische sector. Bijna de helft van alle agrarische bedrijven in Nederland heeft een bedrijfshoofd dat 55 jaar of ouder is. En 60% van deze boeren heeft geen opvolger. Tabel 3.1. Oudste bedrijfshoofd of bedrijfsleider op een land- of tuinbouwbedrijf per leeftijdsklasse (2018) Tabel 1 Oudste bedrijfshoofd of bedrijfsleider op een land- of tuinbouwbedrijf per leeftijdsklasse, 2018 tot 25 jaar 25 tot 35 jaar 35 tot 45 jaar 45 tot 55 jaar 55 tot 65 jaar 65 tot 75 jaar 75 tot 85 jaar Haarlemmermeer Nederland
0
6
22
63
57
46
21
175
1845
6306
17155
16983
8575
2478
85 jaar en ouder
Totaal Percentage
55-plussers 2
217
58%
340 53857
53%
Bron: Landbouwtelling
Bij de meeste familiebedrijven is continuïteit de rode draad. De wil om het bedrijf voort te zetten komt omdat de boerderij is gegroeid uit de wortels van de familie. Voortzetting van een bedrijf kan alleen als er opvolging is binnen of buiten het bedrijf én er voldoende perspectief is voor het bedrijf.
3.2.2
Klimaatverandering De impact van klimaatverandering is afhankelijk van het gewas en het landbouwsysteem. Klimaatverandering heeft een impact op de landbouw door de verandering van regenval patronen, de toename in weersextremen en de verandering in temperaturen (Wageningen UR, n.d.; Reindsen, 2020) De hogere CO2 concentratie en temperaturen hebben een positief effect op de
Blad 10 van 44
Landbouwperspectieven voor PARK21 projectnummer 0417636.107 23 april 2021 Gemeente Haarlemmermeer
groei van landbouwgewassen. Te natte, te zoute en te droge periodes kunnen voornamelijk een negatief gevolg hebben voor de landbouw. Een niet optimale watervoorziening heeft voor landbouwgewassen een vertraging van de groei tot gevolg. Bij te natte omstandigheden is de luchthuishouding niet optimaal en kunnen boeren hun land niet betreden met landbouwmachines. Bij te droge omstandigheden wordt de groei van landbouwgewassen gelimiteerd door de hoeveelheid water. Klimaatverandering leidt ook tot verzilting van polders, doordat onvoldoende zoet water de polders ingelaten kan worden, en kan mogelijk leiden tot een toename in plagen en ziekten. Dit maakt agrarische bedrijven kwetsbaar met het oog op klimaatverandering.
3.2.3
Omgevingseffecten Omgevingseffecten als gevolg van landbouw kunnen opgesplitst worden in drie verschillende categorieën. Deze categorieën zijn: effecten welke schadelijk zijn voor het milieu; het verbruik van schaarse middelen en hinderbeleving en gezondheidseffecten.
3.2.3.1
Milieu effecten De schade voor het milieu heeft verschillende aspecten. Verzuring komt door ammoniak emissies uit dierlijke mest. Dierlijke mest en kunstmest hebben ook eutrofiëring tot gevolg door nitraat-, ammonium- en fosfaatemissies. Stoffen die niet van nature voorkomen in het milieu, zoals zware metalen (uit voer, dier en mest) en diergeneesmiddelen (dier en mest), leiden tot verschillende verontreinigingen. Naar schatting is de landbouw verantwoordelijk voor ongeveer 20 procent van de fijnstof emissies in Nederland. Een groot deel van deze emissies wordt veroorzaakt door de varkens- en pluimveehouderij. Emissies naar de lucht welke een negatief effect hebben op het milieu, zijn onder andere VOS (vluchtige organische stoffen). VOS, zoals methaan en ammoniak, dragen bij aan klimaatverandering. Een specifieke groep VOS, POPs (persistant organic pollutants) bevatten verschillende fungiciden en insecticiden welke schadelijk zijn voor het milieu. De Nederlandse agrarische sector is verantwoordelijk voor 10 procent van de broeikasgassen: 42 procent van de methaan emissies; 48 procent van de lachgas emissies en 4 procent van de CO 2 emissies van Nederland (Radersma, 2010).
3.2.3.2
Gebruik van schaarse grondstoffen Verschillende schaarse hulpbronnen worden verbruikt voor de landbouw. In Nederland is, ondanks de ligging in een rivierdelta, zoet water een schaars goed. In kustgebieden waar alleen een kleine zoetwaterlens aanwezig is in de ondergrond, kan zout of brak water een beperkende factor vormen voor agrarische productie. Naar de toekomst toe zal dit probleem met klimaatverandering vergroten. De zoetwatervoorziening in gebieden is gericht op het afvoeren en niet op het vasthouden van water in het gebied. Agrarische activiteit in droge perioden is daardoor afhankelijk van zoet water uit grond- of oppervlakte water. Het vergroten van buffercapaciteit (bijv. door het verdiepen en/of verleggen van sloten) biedt een technische oplossing voor het langer vasthouden van zoet water (Polman et al., 2012). Landbouw maakt gebruik van de schaarse ruimte in Nederland. Het effect van schaalvergroting is dat er grotere bedrijfsgebouwen voor grondgebonden landbouwbedrijven; megastallen voor intensieve veehouderij en kassen voor de glastuinbouw worden gebouwd. Schaalvergroting heeft ook effecten voor percelen. Percelen worden meer rationeel ingedeeld met grote, vlakke en
Blad 11 van 44
Landbouwperspectieven voor PARK21 projectnummer 0417636.107 23 april 2021 Gemeente Haarlemmermeer
uniforme vlakken. In bepaalde gebieden gaat hierdoor de van oudsher meer onregelmatige verkaveling verloren. Schaalvergroting heeft voor twee specifieke sectoren aanvullende gevolgen. Voor de melkvee sector neemt het ruimtegebruik voor het weiden van koeien af. Voor blijvende teelt en vollegrondstuinbouw wordt er meer ingezet op gebruik van teeltondersteunende voorzieningen zoals afdekfolies. Hierdoor neemt de ruimte in deze gebieden in toenemende mate de vorm aan van een agrarisch productielandschap (Agricola et al., 2010). Voor de landbouw wordt fosfaat gebruikt. Deze grondstof wordt maar in enkele landen gewonnen. De mijnen hiervoor raken uitgeput. Hier liggen ook kansen, omdat fosfaat de potentie heeft om hergebruikt te worden. Een andere hulpbron welke gebruikt wordt voor landbouw zijn fossiele brandstoffen. Het merendeel van deze fossiele brandstoffen wordt ingezet voor pesticide- en kunstmestproductie. De laatste schaarse hulpbron welke aangetast wordt door landbouw is biodiversiteit. Het gebruik van monoculturen heeft bijvoorbeeld tot gevolg dat de bodembiodiversiteit afneemt (Radersma, 2010).
3.2.3.3
Hinderbeleving en gezondheidseffecten De laatste categorie milieueffecten van landbouw zijn hinderbeleving en gezondheidseffecten. Eén oorzaak van hinder is stank door de opslag en het gebruik van mest; en de aanwezige (intensieve) veehouderij. Veehouderij kan ook kortdurend een bron van geluidsoverlast zijn, met name door ventilatoren, vrachtverkeer of diergeluid (Radersma, 2010). Gezondheidseffecten van landbouw kunnen voorkomen door emissies van fijnstof en bestrijdingsmiddelen; en door zoönosen. In een eerdere paragraaf is vastgesteld dat landbouw, en dan met name de intensieve varkens- en pluimveehouderij, een bron van fijnstof emissies is. Fijnstof verergert klachten bij mensen met al bestaande luchtwegaandoeningen en hart- en vaatziekten. Gemiddeld overlijden Nederlanders 1 jaar eerder door fijnstof (Buijsman et al., 2013). Omwonenden van bollenvelden krijgen bestrijdingsmiddelen binnen. In dit onderzoek (Montforts et al., 2019) konden geen gezondheidseffecten hieraan gelinkt worden. Vervolgonderzoek is geadviseerd naar het risico van alle bestrijdingsmiddelen voor omwonenden. Zoönosen komen gemakkelijk voor in Nederland door de hoge landbouwhuisdieren- en bevolkingsdichtheid. De zoönosen welke overgebracht kunnen worden door landbouwhuisdieren, zoals Q koorts, MSRA varianten en salmonella, zijn bekend. Nieuwe zoönosen ontstaan over het algemeen in wilde dieren.
De vele muizen, ratten en vleermuizen in Nederland bieden een (tijdelijke) gastheer voor zowel weer opduikende als nieuwe zoönosen (van Steenbergen, 2019).
3.2.4
Het agrarisch verdienmodel De inkomsten van agrariërs staan onder druk. Het inkomen in de landbouw is zeer volatiel. Het ene jaar worden er goede inkomens gegenereerd, terwijl andere jaren verlies gedraaid wordt. De grote inkomensverschillen worden gecreëerd door de weersafhankelijkheid en de prijsveranderingen (op de wereldmarkt). Agrariërs kunnen de heersende marktprijzen moeilijk beïnvloeden. Hun inkomen kunnen ze daarom alleen verhogen door enerzijds kosten te verlagen; en anderzijds meer te gaan produceren (schaalvergroting). Naar mate meer agrariërs hierop inzetten, verdwijnt het voordeel weer. Het verhogen van inkomens via schaalvergroting vormt daarom een vicieuze cirkel. Andere manieren om inkomens te verhogen zijn samenwerking, verbreding en/of biologische landbouw. De agrarische sector wordt ook geconfronteerd met hoge kosten. Verschillende beleidsveranderingen volgen elkaar in hoog tempo op, waardoor de investeringen die gedaan worden moeilijk terugverdient worden. Om naar de toekomst toe duurzame verdienmodellen te
Blad 12 van 44
Landbouwperspectieven voor PARK21 projectnummer 0417636.107 23 april 2021 Gemeente Haarlemmermeer
vormen moet ingezet worden op eerlijke prijzen voor de landbouwproducten en een internationaal speelveld gestimuleerd worden waarbij er waardering is voor de duurzame en efficiënte productie welke de Nederlandse agrarische sector heeft behaald en op inzet om verder te ontwikkelen.
3.3
Kringlooplandbouw Middels kringlooplandbouw wordt er ingezet op een transitie van ons voedselsysteem. Een transitie die streeft naar een beter evenwicht tussen ecologische, economische, ruimtelijke en sociale belangen. Deze sectie gaat dieper in op de verschillende aspecten van kringlooplandbouw.
3.3.1
Definitie Kringlooplandbouw is, volgens de minister van LNV, de omschakeling naar een systeem wat streeft naar een voortdurende verlaging van het verbruik van grondstoffen en een zorgvuldig beheer van bodem, water en natuur. Kringlooplandbouw wordt door Hees et al. (2009, p. I) omschreven als: ‘Een bedrijfsvoering die optimaal is afgestemd op het gebruik van op het bedrijf aanwezige en geproduceerde hulpbronnen en voorraden (zonlicht, organische stof, mineralen, arbeid, water, energie, landschap, ervaringskennis, etc.) en zo selectief mogelijk gebruik maakt van externe input, met realisatie van een inkomen over lange termijn en met respect voor natuurlijke systemen.’ Een andere gebruikte definitie voor kringlooplandbouw is: ‘Een agrarisch productiesysteem, waarin de bedrijfsvoering zo veel mogelijk gebruik maakt van op het bedrijf - en in de regio- aanwezige voorraden aan organische stof en nutriënten, dat een inkomen voor boeren mogelijk maakt over lange termijn en dat zo weinig mogelijk negatieve effecten afwentelt op natuur en milieu’ (Holster et al., 2014, p. 4). In de kern streeft men met kringlooplandbouw dus naar een agrarische bedrijfsvoering welke zowel financieel rendabel is, als negatieve effecten op het milieu minimaliseert. Dit wordt nagestreefd door het gebruik van input die met name lokaal tot regionaal aanwezig is.
Op deze manier kunnen kringlopen van nutriënten, zoals stikstof en fosfaat, gesloten worden (Holster et al., 2014).
3.3.2
Redenen voor kringlooplandbouw Kringlooplandbouw heeft positieve effecten op de lokale, maar ook de mondiale schaal. Op de lokale schaal leidt kringlooplandbouw tot vitalere bodems. De Boer et al. (2012) vonden dat kringlooplandbouw bedrijven (m.b.t. melkvee) een hoger organisch stofgehalte in de bodem hadden dan regulier landbouwbedrijven. Ook wordt de uit- en afspoeling van stikstof (N) en fosfaat (P) gereduceerd door het streven naar het sluiten van deze kringlopen. Dit heeft positieve effecten voor natuurwaarden, de kwaliteit van grond- en oppervlaktewater en regionale emissies van nutriënten naar de lucht (Holster et al., 2014). Op een mondiale schaal zijn over 50 tot 70 jaar de gemakkelijk winbare fosfaatvoorraden uitgeput. Het sluiten van de fosfaatkringloop op een lokale schaal is een manier om tekorten aan fosfaat op de langere termijn uit te sluiten. Een verminderde afhankelijkheid van diervoedsel, zoals soja, ook een positief effect op de mondiale schaal. Op dit
Blad 13 van 44
Landbouwperspectieven voor PARK21 projectnummer 0417636.107 23 april 2021 Gemeente Haarlemmermeer
moment ontstaan nutriëntenoverschotten in landen welke diervoedsel importeren (zoals Nederland), terwijl in landen waar het voedsel verbouwt wordt verschaling van bodems optreedt. Het lokaal sluiten van de diervoedselkringloop kan de verarming van landbouwbodems elders in de wereld voorkomen(Holster et al., 2014).
3.3.3
Kringlooplandbouw implementeren Kringlooplandbouw heeft een systeembenadering waarbij de hele maatschappij een omslag maakt naar circulariteit. In de kern gaat het om hergebruik van reststromen; door deze weer terug de kringloop inbrengen. Figuur 3.1 toont een voorbeeld van hoe reststromen, zoals kaaswei, resten van kuilvoer en organisch afval, gebruikt kunnen worden voor insecten teelt (Open Netwerk Voedsel Innovatie Zuid-Holland, 2020). De insecten kunnen op hun beurt weer terug de diervoeding ingebracht kunnen worden en hergebruikt worden voor compost of visvoeding. Andere reststromen welke binnen kringlopen hergebruikt kunnen worden, zijn: ‘gewasresten, voedselresten, procesafval, mest en compost’ (Scholten et al., 2018, p. 1). Er bestaan verschillende manier waarop binnen de landbouw en het algemene voedselsysteem kringlopen gesloten kunnen worden. Ten eerste, uit afvalresten of proceswater van huishoudens en/of de voedingsmiddelen industrie kunnen nutriënten gewonnen worden welke toegevoegd kunnen worden aan dierenvoeding of gebruikt worden voor de bemesting van landbouwgronden. Ten tweede kan diermeel, als regelgeving wordt aangepast, gebruikt worden in diervoeding en het verbeteren van bodems. Ten derde, dient de landbouwgrond die ingezet kan worden voor voedselproductie optimaal hiervoor gebruikt te worden.
Op gronden die niet geschikt zijn voor het telen van gewassen kunnen kruidenrijke graslanden aangelegd worden, waarvan het gras gebruikt kan worden voor melk- en vleesproductie. Ten vierde, reststromen van voedselresten of agrarische biomassa kan door insecten (Figuur 3.1) omgezet worden tot hoogwaardige eiwitten of afgebroken worden door schimmels om diervoeding te maken (Scholten et al., 2018). Binnen kringlooplandbouw is er meer aandacht voor verkoop uit korte ketens, omdat dit het makkelijker maakt om kringlopen lokaal te sluiten. Korteketenverkoop betekent dat de consument de producten direct bij de boer of via de tussenkomst van maximaal één andere partij koopt (Rijksoverheid, n.d.). In de periode van het tweede kwartaal 2019 tot en met het eerste kwartaal van 2020 was de omzet van deze verkoop 1,5 miljard euro. Hiervan kwam 21 procent uit de directe verkoop van boeren en 79 procent uit de verkoop via één tussenschakel. Binnen de korteketenverkoop zijn er sterke regionale verschillen te zien. In regio’s zoals het Westland, West Betuwe en Alphen aan den Rijn vindt aanzienlijk meer korteketenverkoop plaats. Ook zijn er verschillen in het soort agrarisch bedrijf en de omzet uit korteketenverkoop te bemerken. Met name bedrijven actief in de sierteelt en voedingsgewassen halen een substantieel deel van hun omzet uit deze verkoop, respectievelijk 39 en 24 procent.
Maar ook melkveebedrijven, akkerbouwbedrijven en leghenbedrijven zijn actief in de korteketenverkoop (CBS, 2021-b). Op dit moment bestaat er een specifiek tool voor melkvee boeren om de kringlopen voor hun bedrijf na te gaan. Voor deze sector is de Kringloopwijzer (https://mijnkringloopwijzer.nl/) opgesteld. Het gaat bij deze wijzer specifiek om stikstof, fosfaat, energie en koolstof. Boeren kunnen hier hun bedrijfsinformatie invoeren en op deze manier inzicht krijgen in hun mogelijkheden om de kringloop verder te sluiten.
Blad 14 van 44
Landbouwperspectieven voor PARK21 projectnummer 0417636.107 23 april 2021 Gemeente Haarlemmermeer
Figuur 3.1: Voorbeeld kringloop (Bron: Open Netwerk Voedsel Innovatie Zuid-Holland, 2020)
3.3.4
Actoren binnen de kringlooplandbouw De overstap naar kringloop landbouw vraagt om een complete systeemverandering waar voor zowel maatschappelijke actoren als de overheid een grote rol is weggelegd. Een deel van de reststromen, zoals gewasresten en mest, worden (deels) gegenereerd op het boerenbedrijf zelf. De inzet van agrariërs is daarom zeker van belang. Maatschappelijke actoren, variërend van rioolwater zuiveringsinstallaties (RWZI’s) tot de voedingsmiddelingsindustrie tot burgers, kunnen allemaal actie ondernemen. Het gaat dan om het koppelen van reststromen, het vinden van innovatieve manieren om deze reststromen her te gebruiken en het uiteindelijke terugkoppelen van een herbruikbare vorm van de reststromen naar boeren voor voedselproductie (Scholten et al., 2018). De overheid kan een stimulerende omgeving te faciliteren door het motiveren van keuzes welke kunnen bijdragen aan kringlooplandbouw; het mogelijk financieel ondersteunen en het stellen van de juiste wettelijke kaders (Sanders et al., 2015). Een specifieke groep actoren, de agrariërs, behoeft enige verdere uitwerking. Een analyse van verschillende kringloop- en reguliere landbouwbedrijven in Friesland toont het volgende. Boeren met een kringloopbedrijf halen meer inkomen uit hun bedrijf dan boeren met een regulier landbouwbedrijf.
De inkomens kennen grote spreiding waardoor er geen aantoonbare relatie gelegd kan worden. Boeren met een kringloopbedrijven hebben hogere arbeidskosten dan een reguliere bedrijven. Er is ruim 16.000 euro extra aan arbeidskosten extra nodig binnen kringloopbedrijven. Ook voor deze factor is er grote spreiding, en kan er niet een significante relatie aangetoond worden. Beheersvergoedingen zijn wel een significante factor voor het onderscheiden van reguliere en kringloopbedrijven. Kringloopbedrijven ontvingen een significant hogere beheersvergoeding (per ha) dan reguliere agrariërs. Kringloopboeren scoorden hoger op arbeidsvreugde. Concluderend, kringloopbedrijven genereren een hoger inkomen, maar hier staan wel meer arbeidsuren tegenover.
Blad 15 van 44
Landbouwperspectieven voor PARK21 projectnummer 0417636.107 23 april 2021 Gemeente Haarlemmermeer
3.3.5
Belemmeringen voor kringlooplandbouw Verschillende belemmeringen voor kringlooplandbouw kunnen geïdentificeerd worden. Deze sectie gaat verder in op de houding van agrariërs, de beleidsdrempels en het agrarisch verdienmodel. In 2019 en 2020 is er onderzoek gedaan, in opdracht van LNV, naar de beleving van de transitie naar kringlooplandbouw bij agrariërs. Hieruit volgt dat agrariërs bekend zijn met kringlooplandbouw. Met name de omgevingsaspecten (reduceren emissies, biodiversiteit) zijn bekend; de maatschappelijke aspecten van kringlooplandbouw (vitaliteit platteland, sociaal economische positie van de agrariër) waren in bekendheid afgenomen in 2020 i.v.m. 2019. De huidige manier van voedselproductie en de eigen manier van voedselproductie wordt door de meeste agrariërs als toekomstbestendig beschouwd. Dit is het geval, omdat ze al elementen van kringlooplandbouw implementeren of omdat het bedrijf er economisch stabiel voor staat. Agrariërs hebben de volgende verwachtingen voor kringlooplandbouw : Hun bedrijf wordt gevoeliger voor prijsfluctuaties Hun bedrijf wordt niet duurzamer Kringlooplandbouw is minder vaak economisch levensvatbaar Kringlooplandbouw draagt niet bij aan verhoogde exportkansen Kringlooplandbouw wordt vaak gezien als praktisch niet realiseerbaar De omslag naar kringlooplandbouw wordt in 2020 i.v.m. 2019 vaker gezien als een kostenpost voor agrariërs.
Het aandeel van de agrariërs welke kringlandbouw niet als kostenpost ziet, is afgenomen. Kringlooplandbouw wordt door vier op de tien agrariërs niet gezien als een bron voor meer voldoening uit hun werk. Drie op de tien agrariërs denkt juist dat kringlooplandbouw meer voldoening geeft. Agrariërs zien verschillende nadelen van kringlooplandbouw. Deze nadelen zijn: meer kosten; minder inkomen; een slechtere concurrentie positie op de wereldmarkt en de Nederlandse markt; minder continuïteit van het bedrijf en een reductie in werkplezier. Als belemmeringen voor kringlooplandbouw worden de steeds veranderende regelgeving en de ruimte welke regelgeving biedt; de geringe bereidheid van consumenten en directe afnemers om een eerlijke prijs te betalen; het gebrek aan financiële middelen om om te schakelen; afhankelijkheid van nietduurzame import; het gebrek aan vertrouwen in de effectiviteit van duurzamere middelen en onvoldoende aanbod van effectieve biologische middelen; onvoldoende aanbod van duurzame energie bij netbeheerders; en een gebrek aan lokaal aanbod van veevoer en/of mest genoemd (Motivaction, 2020). Specifieke groepen in de agrarische sector hebben ook een verschillende houding ten opzichte van kringlooplandbouw. Akkerbouwers zijn, over het algemeen, minder bekend en hebben een negatievere houding t.o.v. kringlooplandbouw.
Ze zien kringlooplandbouw minder vaak als een economisch levensvatbare en praktisch realiseerbare manier om de landbouw te verduurzamen. Ze noemen vaker dan andere groepen agrariërs dat de steeds veranderende regelgeving en de ruimte welke wordt geboden binnen de regelgeving belemmeringen vormen voor de omschakeling naar kringlooplandbouw. Financiële belemmeringen die zij zien, zijn de geringe bereidheid van consumenten of directe afnemers om een eerlijke prijs te betalen; en mogelijke fluctuaties van hun inkomen (Motivaction, 2020). Melkveehouders zijn vaker goed bekend met kringlooplandbouw. Ze ervaren de huidige manier van eigen voedselproductie en voedselproductie in Nederland vaker als toekomstbestendig. De omschakeling naar kringlooplandbouw zal volgens melkveehouders hun bedrijf minder
Blad 16 van 44
Landbouwperspectieven voor PARK21 projectnummer 0417636.107 23 april 2021 Gemeente Haarlemmermeer
economisch levensvatbaar en gevoeliger voor prijsfluctuaties maken. Belemmeringen welke betrekking hebben op het beleid zijn: de steeds veranderende regelgeving; de beleidsruimte welke geboden wordt en het onzekere stikstofbeleid. Financiële belemmeringen zijn de geringe financiële mogelijkheden om een omschakeling te financieren en de geringe bereidheid van consumenten of directe afnemers om een eerlijke prijs te betalen (Motivaction, 2020). Zoals benoemd in de vorige paragraaf vormt beleid een drempel voor het implementeren van kringlooplandbouw. Een inventarisatie van belemmeringen voor de implementatie van natuurinclusieve landbouw en kringlooplandbouw, in opdracht van LNV, geeft beter inzicht in deze belemmeringen. Op de volgende gebieden zijn er op dit moment belemmeringen voor de omschakeling waarbij gemeenten een rol kunnen spelen (van der Schans & van Beek, 2020). Binnen gangbare condities is het niet aantrekkelijk om om te schakelen naar natuurinclusieve landbouw. Hiervoor zouden verschillende beleidsinstrumenten ( zoals een startsubsidie) ingezet kunnen worden om omschakelen te faciliteren. Natuurinclusieve landbouw streeft naar het langdurig gebruik van gronden. Pachtbeleid van veel overheden en private partijen zet echter in op maximale financiële inkomsten en kortlopende contracten.
Dit stimuleert enerzijds intensieve landbouwvormen en heeft, anderzijds, prijsopdrijvende effecten voor andere gronden. Een oplossing zou zijn om pachtbeleid te baseren op maatschappelijke voorwaarden en het uitgeven van langdurige pachtcontracten. Wanneer een agrariër omschakelt naar natuurinclusieve landbouw kunnen bepaalde maatregelen die hij/zij op dit moment vrijwillig neemt; later verplicht worden. Ook behoren bepaalde landschapskwaliteiten behouden te worden, ook als dit niet de biodiversiteit ten goede komt. Het meenemen van biodiversiteit naast landschappelijke waarden bij de beoordeling van het bestemmingsplan zou de afweging tussen deze kwaliteiten faciliteren. Naast de perceptie van de agrarische sector van kringlooplandbouw en de beleidsdrempels vormt het verdienmodel van de agrarische sector een belemmering voor kringlooplandbouw. Agrariërs verdienen weinig per consumenten euro voor hun product. Meer samenwerking tussen agrariërs zou hun onderhandelingspositie kunnen verbeteren; en door delen van informatie en/of materieel kunnen leiden tot hogere inkomens. Nederlandse agrariërs concurreren op de internationale markt met hun producten tegen agrariërs uit andere landen.
Nederlandse landbouw kent echter relatief hoge prijzen voor grond en arbeid en strikte milieueisen; alleen concurrentie op kostprijs is daarom voor de langere termijn waarschijnlijk geen duurzame strategische keuze. De milieueffecten en andere maatschappelijke waarden van landbouw productie worden niet meegenomen in de prijzen. Dit leidt ertoe dat de negatieve externe effecten niet in de prijs van producten zijn verwerkt, waardoor er voor consumenten geen financiële prikkel is om hun consumptiegedrag te veranderen. De vraag naar duurzame producten blijft dan ook achter. Het omschakelen naar een nieuw systeem brengt hoge investeringen en desinvesteringen met zich mee, agrariërs zullen deze niet makkelijk kunnen financieren (Maij et al., 2019). Uit deze analyse blijkt dat het laten slagen van de transitie naar kringlooplandbouw een integrale opgave van de totale keten is. Om deze transitie te laten slagen (in PARK21, maar ook daarbuiten) moet de transitie gezamenlijk opgepakt worden door overheden, agrariërs, consumenten en afnemers van producten.
Blad 17 van 44
Landbouwperspectieven voor PARK21 projectnummer 0417636.107 23 april 2021 Gemeente Haarlemmermeer
3.4
Biologische landbouw
3.4.1
Definitie Biologische landbouw is gegrond in 4 principes (IFOAM, n.d.) : 1. Het principe van gezondheid: het streven naar een gezonde planeet in het algemeen; waar ook de verschillende deelaspecten, bodem, planten, mensen en dieren, gezond zijn. 2. Het principe van ecologie: het werken met en ondersteunen van ecosystemen en bijbehorende kringlopen. 3. Het principe van eerlijkheid: het creëren van eerlijke relaties en kansen 4. Het principe van zorg: het beschermen van de belangen van zowel huidige als toekomstige generaties. Biologische landbouw wordt dan ook gedefinieerd als (IFOAM, 2008): ‘Een productie systeem welke de gezondheid van bodems, ecosystemen en mensen in stand houdt. Biologische landbouw vertrouwt op ecologische processen, biodiversiteit en cycli die zijn aangepast aan de lokale omstandigheden, in plaats van hulpmiddelen met negatieve effecten. Biologische landbouw combineert traditie, innovatie en wetenschap om te profiteren van de gedeelde omgeving, eerlijke relaties te stimuleren en een goede kwaliteit van leven te behalen voor alle betrokkenen’. De regels voor biologische landbouw zijn op Europees niveau vastgelegd in verschillende verordeningen (EG nr. 834/2007 en EG nr. 889/2008). In 2022 treedt nieuwe regelgeving in werking welke deze verordeningen zal vervangen (EG. nr. 2018/848).
In Nederland is het landbouwbeleid verder uitgewerkt in de Landbouwkwaliteitswet en -besluit. De stichting SKAL is volgens het landbouwbesluit belast met het toezicht op de biologische productie in Nederland. Naast de eisen van SKAL kan een bedrijf kiezen om aan te sluiten bij verschillende andere keurmerken voor landbouw. Demeter is een keurmerk welke gevoerd wordt door leden van de biologische dynamische BD Vereniging. Bedrijven kunnen ook het EKO label aanvragen. Dit private label stelt extra eisen boven de normen gesteld bij het SKAL (Rabobank, 2020).
3.4.2
Redenen voor biologische landbouw Boeren die overschakelen naar biologische landbouw noemen verschillende redenen. Consumenten vragen in toenemende mate om biologische producten waardoor de prijzen van biologische producten stijgen. De bijbehorende gegarandeerde afzetmarkt, met name voor biologische dierproducten, en hoger verwacht bedrijfsresultaat trekt boeren aan om over te stappen. Ideologische redenen worden ook benoemd als een belangrijke motivatie voor deze keuze.
3.4.3
Biologische landbouw implementeren De vier principes van biologische landbouw leiden tot een agrarische productie waarbij zowel kunstmest als chemische gewasbeschermingsmiddelen niet worden gebruikt. In plaats van deze middelen worden organische mest en biologische gewasbeschermingsmiddelen gebruikt. Er bestaan verschillende regels omtrent het gebruik van o.a. diergeneesmiddelen (Jukema et al.,
Blad 18 van 44
Landbouwperspectieven voor PARK21 projectnummer 0417636.107 23 april 2021 Gemeente Haarlemmermeer
2020). In de biologische landbouw wordt gestreefd naar korte, gesloten kringlopen. Voor melkveehouders wordt er gekeken naar een koppelbedrijf, een gemengd bedrijf waar mee samengewerkt kan worden, of dat de melkveehouder zelf een gemengd bedrijf heeft (Rabobank, 2020). Akkerbouwers moeten aan de volgende eisen van biologische landbouw voldoen: Alleen bepaalde gewasbeschermingsmiddelen mogen gebruikt worden. Deze middelen zijn op de volgende website te vinden: https://www.skal.nl/certificeren/teelt-vangewassen/inputlijst/biologische-inputlijst Het perceel dient aangemeld te worden bij SKAL. Daarna volgt een toelatingsonderzoek en omschakelperiode. In het algemeen geldt dat grasland en akkerland 24 maanden onder een biologisch regime moeten staan, voordat producten afkomstig van deze gronden het biologisch kenmerk mogen dragen. Voor overblijvende gewassen is de omschakelperiode 36 maanden. Vanaf 12 maanden mag de oogst aangeduid worden als ‘in omschakeling op de biologische landbouw’ (SKAL, n.d.). Er is een wettelijke verplichting om biologisch uitgangsmateriaal te gebruiken. De volgende website geeft informatie over het bruikbare uitgangsmateriaal: https://www.biodatabase.nl/. Voor soorten uit categorie 1 is het verplicht om biologisch uitgangsmateriaal te gebruiken. In categorie 2 is het verplicht om biologisch uitgangsmateriaal te gebruiken als het beschikbaar is.
Voor categorie 3 is biologisch uitgangsmateriaal niet verplicht, maar mag het niet behandeld zijn met gewasbeschermingsmiddelen. Alleen specifieke meststoffen zijn toegestaan, waarbij er 70 procent van de stikstof van biologische oorsprong moet zijn. Hiervoor moet mest van biologische gecertificeerde dieren of compost van biologisch plantaardig materiaal gebruikt worden. De rest van de mest mag aangevuld worden met mestsoorten uit de gangbare veehouderij: rundvee-, geiten-, schapen- en paardenmest. Het is verboden om mestsoorten te gebruiken waarvan genoeg biologisch mest voorhanden is. Er is een vruchtwisselingseis van één op twee jaar. Dit betekent dat bij een- en tweejarige gewassen het jaar erop een ander gewas geteeld moet worden. Bij blijvende gewassen geldt deze eis niet. Gewassen dienen in de bodem geteeld te worden, tenzij het groeimedium (de pot) ook verkocht wordt of als de gewassen niet in de bodem geteeld kunnen worden (paddenstoelen) Reiniging van gebouwen en installaties moet gedaan worden met middelen die toegestaan zijn in de biologische sector. Voor complete regelgeving; zie: https://www.skal.nl/wetgeving. Melkveehouders moeten aan de volgende eisen van biologische landbouw voldoen: Voermoet van biologische oorsprong zijn; waarvan 60 procent uit de regio of van eigen bedrijf afkomstig is. Koeien mogen maximaal 40 procent krachtvoer ontvangen.
Kalveren moeten 3 maanden gezoogd worden, bij voorkeur moedermelk, anders biologische melkvervanger. Natuurlijke biest moet biologisch zijn; als er geen biologische biestvervanger aanwezig is dan mag gangbare biestvervanger ingezet worden. Er wordt een voorkeur gegeven voor het gebruik van homeopathische/natuurlijke geneesmiddelen. Preventief gebruik van reguliere diergeneesmiddelen/antibiotica is verboden. Dieren mogen driemaal per jaar behandeld worden met reguliere
Blad 19 van 44
Landbouwperspectieven voor PARK21 projectnummer 0417636.107 23 april 2021 Gemeente Haarlemmermeer
-
-
3.5
diergeneesmiddelen ter bestrijding van een aandoening. Dieren mogen niet onthoornd worden, tenzij er een ontheffing is verleend. Rundvee moet van biologische oorsprong zijn. Mocht er niet genoeg rundvee van biologische oorsprong aanwezig zijn, dan kan, per ontheffing, elk jaar maximaal 10 procent van het totaal aantal aanwezige koeien van reguliere oorsprong gehaald worden. Deze koeien mogen niet gekalfd hebben en doorgaan een omschakelperiode, voordat hun melk/vlees biologisch genoemd mag worden. Mannelijke dieren mogen van biologische en gangbare oorsprong zijn. Stallen en installaties dienen schoongemaakt te worden met water, stoom en/of toegestane middelen. Voor complete regelgeving; zie: https://www.skal.nl/wetgeving.
Belemmeringen voor biologische landbouw Eind 2020 waren er 5370 bedrijven aangemeld bij SKAL. Dit is een kleine groei (2,9 procent) in vergelijking met voorgaande jaren. Het areaal voor biologische landbouw groeide met bijna 6 procent. Deze groei kwam met name vanuit bestaande biologische landbouwbedrijven. Er is een afname te bemerken in nieuwe boeren welke overstappen op biologische landbouw. Er bestaan verschillende drempels voor overstappen. Voordat een product biologisch genoemd mag worden dient er een transitieperiode te zijn doorgaan. In de omschakelingsperiode is er sprake van een inkomensdaling. Voor akkerbouw betekent dit dat de eerste vijf jaar minder inkomen gegenereerd wordt. Voor melkvee worden in de eerste periode hoge prijzen betaald voor biologisch voer e.d., maar staat hier nog geen hogere melkprijs tegenover. Er zijn ook andere financiële drempels zoals de hoge investeringen in grond/gebouwen en de hoge desinvesteringen. Ook niet financiële belemmeringen zijn aanwezig. Ten eerste, het is verplicht om biologische mest in de akkerbouw te gebruiken (Meeusen, 2015). Ten tweede, is er een gebrek aan garantie van een afzetmarkt op de lange termijn (Meeusen, 2015). De kleine afzetmarkt van biologische producten komt doordat consumenten een beperkte betalingsbereidheid hebben voor biologische landbouwproducten.